8.4 De Wieden II_Toelichting - bijlage 3b
Tekst van het document
Polder Giethoorn ligt duidelijk lager dan het naastgelegen boezemgebied (westelijk van het deelgebied). Dit komt doordat er hier is afgegraven. Hierdoor komt ook niet overal in het gebied veen voor. In dit projectgebied is een verkitte B-horizont aanwezig. Het deelgebied ligt in een polder met een peil van maximaal NAP - 2,4 m en minimaal NAP -2,75 m. Aan de westzijde en de Cornelisgracht ten zuiden wordt boezempeil gehanteerd (NAP -0,73/-0,83 m). Bij de GLG is de ontwateringsdiepte relatief groot, in een groot deel van het gebied ligt deze tussen 0,5 en 0,8 m onder maaiveld (gemiddelde ontwateringsdiepte bij GLG ligt 0,73 m onder maaiveld). Bij de GHG ligt de ontwateringsdiepte veelal tussen 0,8 tot 0,4 m onder maaiveld (gemiddeld 0,61 m onder maaiveld). De isohypsenkaart van de gemiddeld laagste grondwaterstand laat binnen het deelgebied een stijghoogte zien van NAP -1,5 tot -2,5 m (Figuur 15). Aan de zuid(west)zijde zijn de hoogste stijghoogten tussen NAP -0,5 tot -1 m. De polder ten noordoosten van het deelgebied heeft een stijghoogte van NAP -2 tot -2,5 m of lager. Dit impliceert dat het grondwater vanuit het deelgebied in noord(oostelijke) richting stroomt. Meetnet In het deelgebied zijn zes peilbuizen geplaatst waarvan één met twee filters. Binnen het deelgebied is circa 30 cm verschil te zien in de stijghoogte van verschillende peilbuizen.
De peilbuis het dichtst bij de Cornelisgracht heeft de hoogste stijghoogte, en de peilbuis in de meest noordoostelijke hoek de laagste. Er is in het gebied sprake van kweldruk. Op basis van de tijdreeksstatistieken is te zien dat de freatische grondwaterstand bij vijf peilbuizen goed verklaard kan worden op basis van neerslag en verdamping. De stijghoogte bij de peilbuis het dichtst bij de Cornelisgracht is minder goed te verklaren enkel op basis van neerslag en verdamping. Dit houdt in dat er een andere factor aanwezig is, die mede het stijghoogteverloop bepaalt. Vermoedelijk is dit de invloed van de Cornelisgracht. Toekomstige situatie Het deelgebied ligt in een polder met een peil dat varieert tussen -2,75 m NAP en -2,40 m NAP. Bij het ontwerp wordt dit peil verhoogd naar NAP -1,3 m (Bijlage D van Bijlage 5). Daarnaast worden bestaande watergangen verbreed om zo meer wateroppervlak en habitats te creëren en om te zorgen dat er voldoende wateraanvoer in het gebied kan plaatsvinden. Wateraanvoer vindt plaats aan de zuidwestkant van het gebied met een inlaat vanuit het naastgelegen gebied. De afvoer zit aan de noordoostkant van het gebied. In het midden van Polder Giethoorn wordt een nieuwe watergang aangelegd om het water goed over het gebied te verdelen.
Om effecten bij de woningen te voorkomen, is ervoor gekozen om hier een kade aan te leggen en in een zone het maaiveld te verhogen. Ook wordt er een nieuwe sloot gegraven langs de kade die PIP De Wieden II 66 als kwelsloot dient om effecten af te vangen. De kwelsloot krijgt een peil van NAP -2,6 m. De watergangen rondom de woningen zullen niet worden aangepast en behouden het huidige peil. 4.3.4 Effecten van de waterhuishoudkundige maatregelen Door de aanpassingen aan het regionale model is een nauwkeurig regionaal grondwatermodel ontwikkeld. Het grondwatermodel is nauwkeurig genoeg bevonden om de effectberekeningen uit te voeren. Bij de deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis en Doosje is ervoor gekozen om bij de effectberekeningen een minimale en maximale variant door te rekenen om zo een bandbreedte van effecten in beeld te brengen. Dit is gedaan omdat er bij Zomerdijk Zwartsluis niet voldoende peilbuizen beschikbaar zijn voor de validatie en het hierdoor onzeker is hoe het model hier presteert. Bij deelgebied Doosje is het model gemiddeld aan de te droge kant; er is dus enige onzekerheid in de modelprestatie. Bij de deelgebieden Zomerdijk / Beukers en Polder Giethoorn presteert het model goed en is het niet nodig bevonden om met bandbreedtes te werken. Voor het vervolg wordt geadviseerd om met de maximale bandbreedte effecten te bekijken zodat de effecten niet onderschat worden.
Dit is ook zo gedaan bij de effectbepaling in het hydrologisch onderzoek. Nieuwe Natuur Door bij het ontwerp de peilen vast te stellen op basis van de natuurdoelen heeft het ontwerp het gewenste effect voor de natuurdoeltypen. Overige gebruik Voor de beoordeling van de gebruiksfunctie is gekeken naar de volgende drie gebruiksfuncties: bebouwing; wegen; landbouw. Voor deze functies zijn er slechts beperkt resteffecten, en er zijn praktische en haalbare mogelijkheden om deze te voorkomen, in overleg met de eigenaren. Bebouwing Bij de deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis en Polder Giethoorn wordt geen effect berekend bij gebouwen. Bij deelgebied Doosje zijn gebouwen aanwezig waar vernatting optreedt bij het ontwerp. Deze gebouwen voldoen aan de ontwateringseis, met uitzondering van één gebouw aan de Lozedijk. Dit gebouw lijkt een boothuisje te zijn. Er moet gecontroleerd worden om wat voor gebouw dit gaat en er moet in overleg met de eigenaar bepaald worden of er grondwateroverlast verwacht kan worden. Wanneer dit het geval is kan besloten worden om bouwkundige opnames uit te voeren en monitoring van de grondwaterstand in te zetten. Wanneer op basis van dit onderzoek sprake is van een toenemende kans op overlast dient er gemitigeerd te worden (bijvoorbeeld door drainage).
Bij deelgebied Zomerdijk / Beukers wordt een verdroging berekend bij woningen, als gevolg van het aanleggen van een kwelsloot. Door de kwelsloot weg te halen en te mitigeren door het opschonen en verlagen van peil in detailontwatering bij gebouwen kan beter gestuurd worden in de mitigatie om zo te voorkomen dat er vernatting of verdroging optreedt. Bij het onderzoek naar mitigatieopties is geconcludeerd dat er goed gemitigeerd kan worden door het opschonen en verlagen van het peil van detailontwatering bij bebouwing. Hierdoor is een kwelsloot niet noodzakelijk. Deze aanpassing leidt tot een efficiënter landgebruik (geen brede sloot nodig) en een betere beleving en uitzicht voor bewoners. De mitigatie is detailontwatering moet in samenspraak met bewoners worden opgesteld. Hierbij moet ingezet worden op zo min mogelijk effect; geen vernatting en geen verdroging. Wegen Bij Zomerdijk Beukers en Zomerdijk Zwartsluis voldoen alle wegen bij het ontwerp aan de droogleggingseis. Bij Polder Giethoorn en bij Doosje zijn er wegen op eigen terrein welke bij het ontwerp niet meer voldoen aan de gestelde eis. In overleg met de eigenaren moet bekeken worden of deze wegen wel eenzelfde droogleggingseis als openbare wegen behoeven, en of er mitigatie nodig is. Ten noorden van Doosje voldoet de Reeënweg niet meer aan de droogleggingseis. Dit is een doodlopende weg.
In overleg met de gemeente moet hier bepaald worden of een verminderde drooglegging acceptabel is. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 67 Landbouw Bij Zomerdijk Beukers en Zomerdijk Zwartsluis wordt geen toename aan landbouwschade berekend. Bij Doosje treedt een grondwaterstandseffect op bij landbouwpercelen. Hier is effect niet uit te sluiten op een perceel aan de oostzijde van Doosje, langs de Lozedijk. Bij Polder Giethoorn treedt een effect op aan de oostzijde van het gebied. Hier kan een toename aan landbouwschade niet worden uitgesloten. Er wordt geadviseerd vervolgonderzoek uit te voeren voor deze percelen. Door monitoring en overleg met de perceeleigenaren kan bepaald worden of er daadwerkelijk een effect verwacht wordt, en of dit effect ongewenst is. Wanneer uit het vervolgonderzoek blijkt dat overlast kan optreden als gevolg van het ontwerp dienen de mitigatieopties onderzocht te worden. De mitigatie kan hier bestaan uit ophoging van de betreffende percelen of aanpassen/aanleggen van drainage. Ook kan er de afweging gemaakt worden om de effecten te remmen door mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld een kwelsloot). Daarnaast kan de schade gecompenseerd worden door het uitkeren van een vergoeding. Uit de gesprekken met de betreffende eigenaren blijkt dat ze open staan voor de uitvoering van deze mitigerende maatregelen, maar dat deze nog wel verder gedetailleerd moeten worden.
Met de perceelseigenaren is afgesproken de maatregelen verder te detailleren in de vervolg fase. 4.3.5 Monitoring Er is een grondwatermodel opgesteld en beschreven in het "Monitoringsplan meetnet wieden weerribben". De doelen voor het monitoringsplan zijn meerledig: om de hydrologische referentiesituatie te bepalen; om kennis van het specifieke regionale systeem op te doen; om ongewenste neveneffecten op andere effecten, waaronder bebouwing en landbouw, in beeld te krijgen. Het meetnet in het kader van de ontwikkeling van het grondwatermodel is vanaf 2018 twee jaar operationeel geweest. Het meetnet is overgedragen aan de provincie. De locaties van de geplaatste peilbuizen en de metingen staan op de Atlas van Overijssel, Het geoportaal van de Provincie Overijssel en is online te volgen. 4.3.6 Conclusie Op basis van maaiveldhoogte, huidige peilen, huidige grondwaterstanden en gewenste grondwaterstanden is een benodigd peil ingeschat om de optimale condities voor een natuurdoeltype te verwezenlijken. Dit ontwerp is fijngeslepen op basis van berekende effecten en aanvullende inzichten. Het inpassingsplan heeft geen negatieve gevolgen op het waterhuishoudkundig systeem. Er heeft nauwe afstemming plaatsgevonden met het waterschap Drents Overijsselse Delta. De waterparagraaf is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het waterschap.
4.4 Ecologie 4.4.1 Wettelijk en beleidskader Voor de geldende wet- en regelgeving omtrent het aspect natuur wordt verwezen naar Hoofdstuk 2 van dit inpassingsplan. PIP De Wieden II 68 4.4.2 Ecologie vier deelgebieden De Wieden Onderhavig inpassingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling om maatregelen uit het Natuurbeheerplan mogelijk te maken. Hoewel de maatregelen op gebiedsniveau en op lange termijn ten gunste zijn van de natuurwaarden, kunnen de inrichting en uitvoeringswerkzaamheden wel leiden tot verstoring, beschadiging of vernietiging van bestaande waarden. In dat kader zijn de maatregelen, middels een ecologische beoordeling (d.d. 10 november 2022, Bijlage 6), getoetst aan de Wet natuurbescherming en het provinciale beschermingsbeleid (Omgevingsverordening). Het doel van de ecologische beoordeling is een overzicht te geven van aanwezige beschermde natuurwaarden, van effecten die mogelijk op kunnen treden als gevolg van de inrichting en van maatregelen die genomen kunnen worden om eventuele negatieve effecten te voorkomen. Aanpak Per deelgebied is het rapport een beknopte beschrijving opgenomen van de geplande inrichting en welke maatregelen hiervoor nodig zijn.
De aanwezigheid van beschermde natuurwaarden wordt beschreven op basis van beschikbare bronnen: inventarisaties, tellingen, publicaties (versprei-dingsatlassen, overzichtswerken, Natura 2000-beheerplan), websites (waaronder de NDFF) en informatie van de terreinbeheerder. Per deelgebied is een overzicht samengesteld en afgebakend welke beschermde waarden relevant zijn voor de beoordeling. In de effectbeoordeling wordt vervolgens nagegaan welke effecten op beschermde natuurwaarden kunnen optreden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar de aanlegfase (het inrichtingswerk) en de gebruiksfase (fase na realisatie, waarin beheer wordt uitgevoerd). De beoordeling is uitgevoerd op hoofdlijnen. Daarnaast is aangegeven of mitigatie (Natura 2000-waarden) dan wel een aangepaste werkwijze (beschermde soorten) nodig is. Toetsingskader Het merendeel van de geplande ingrepen betreft instandhoudingsmaatregelen voor het Natura 2000-gebied De Wieden zoals vastgelegd in het Natura 2000-beheerplan. Artikel 3.10 lid 2 stelt, verwijzend naar artikel 3.8 lid 7 van de Wet natuurbescherming, dat verbodsbepalingen van artikel 3.5 en 3.10 niet van toepassing zijn op handelingen die in het kader van Natura 2000-instandhoudingsmaatregelen worden uitgevoerd. In dat geval is er bij een overtreding van een verbodsbepaling van artikel 3.5 of 3.10 geen verplichting om een ontheffing aan te vragen.
Daarnaast stelt artikel 2.9 van de Wet natuurbescherming dat verbodsbepalingen van artikel 2.7 lid 2 niet van toepassing zijn op handelingen die in het kader van Natura 2000-instandhoudingsmaatregelen worden uitgevoerd. Dit betekent dat in principe geen vergunning in het kader van Natura 2000 nodig is. Bij beide uitzonderingsgevallen geldt wel de voorwaarde dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast en dat de huidige staat van instandhouding van be-schermde soorten wordt gehandhaafd. In de uitgevoerde effectbeoordeling is per soortgroep bepaald wat het effect van de beoogde maatregelen op de huidige staat van instandhouding van soorten zal zijn. Hierbij is een onderscheid gemaakt in aanlegfase en de gerealiseerde toestand. Effect peilverhogingen op hydrologie en habitattypen De hydrologische modellering van de effecten is nog niet afgerond, maar duidelijk is dat het met decimeters opzetten van de waterpeilen in de deelgebieden er toe zal leiden dat grote delen geïnundeerd raken, wat uiteindelijk ook het doel is van de maatregelen. Als er binnen de deelgebieden habitattypen aanwezig zijn, dan kunnen deze mogelijk verdwijnen. Binnen het deelgebied Zomerdijk-Zwartsluis is er kans dat de peilverhogingen leiden tot te sterke inundaties in het 0,2 ha grote habitattype H7140_B overgangs- en Trilvenen (Veenmosrietland).
Het habitattype ligt in twee verlande petgaten waarvan het maaiveld iets lager ligt dan dat van de directe omgeving. Volgens AHN3 varieert maaiveld er tussen -0,7 en -0,6 m NAP. Bij een gepland oppervlaktewaterpeil tussen -0,83 en -0,73 m. NAP zou de drooglegging er variëren tussen 3 en 23 cm. Op zich is dat voor Veenmosrietland gunstig maar aangezien er ook nu reeds Veenmosrietland aanwezig is, is het waarschijnlijk dat het werkelijke maaiveld iets lager ligt dan wat AHN aangeeft. Daardoor is op zijn minst enige tijd inundatie te verwachten als gevolg van de maatregelen. Incidentele inundaties met gebiedseigen water in winter of voorjaar kan Veen-mosrietland prima verdragen. Een GvG van meer dan 10 cm boven maaiveld is echter onwenselijk (Runhaar & NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 69 Hennekens 2014). Een negatief effect op het habitattype Veenmosrietland binnen deelgebied Zwartsluis is daarom niet uit te sluiten. Binnen het deelgebied Zomerdijk-Zwartsluis is er kans dat de peilverhogingen leiden tot te sterke inundaties in het 0,2 ha grote habitattype H7140_B overgangs- en Trilvenen (Veenmosrietland). Buiten de deelgebieden hebben de peilverhogingen voor de meeste habitattypen geen of juist positieve effecten.
Negatieve effecten zijn niet uit te sluiten op het habitattype H7140_A over-gangs- en Trilvenen (Trilveen) voor zover dat voorkomt op dikkere drijvende kraggen op enige afstand van het open water. Het habitattype is aangetroffen rond de deelgebieden Zomerpolder-Beukers, Doosje en Polder Giethoorn. Tabel effecten en mitigerende maatregelen Natura 2000 Habitattypen Effecten op Habitatrichtlijnsoorten In de volgende tabel zijn de effecten en de mitigerende maatregelen voor de Habitatrichtlijnsoorten opgenomen. Effecten op Natura 2000 - broedvogels In de volgende tabel zijn de effecten en de mitigerende maatregelen voor de Natura 2000 - broedvogels opgenomen. PIP De Wieden II 70 Effecten op Niet-broedvogels In de volgende tabel zijn de effecten en de mitigerende maatregelen voor de Niet - broedvogels opgenomen. Effecten op Natuurnetwerk Nederland en open grasland met kritische weidevogels In de volgende tabel zijn de effecten en de mitigerende maatregelen op Natuurnetwerk Nederland en open grasland met kritische weidevogels weergegeven. Effecten op beschermde soorten, overige zoogdieren en plantensoorten In de volgende tabel zijn de effecten en de mitigerende maatregelen voor beschermde soorten, overige zoogdieren en Rijde Lijst plantensoorten opgenomen.
NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 71 PIP De Wieden II 72 4.4.3 Conclusie Bij de uitvoering van de herstelmaatregelen in de vier deelgebieden worden de genoemde mitigirende maatregelen in acht genomen, waarmee het aspect natuur geen belemmering vormt voor dit inpassingsplan. 4.5 Cultuurhistorie, landschap en archeologie 4.5.1 Cultuurhistorie en landschap Wettelijk kader Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een beschrijving hoort van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Cultuurhistorische waarden zijn alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het landschap is een belangrijke drager van de cultuurhistorie. Aan veel landschapselementen (essen, reliëf, houtwallen, bosjes) en de verkaveling en de wegen- en waterlopenstructuur is de ontstaans- en ontginningsgeschiedenis nog af lezen. Beleidskader Provinciaal beleid De Omgevingsvisie bevat drie leidende principes of 'rode draden'. Eén daarvan is ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie is daar onderdeel van.
Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald op basis van vier lagen: de natuurlijke laag, de laag van de agrarische cultuurlandschappen, een stedelijke laag en een laag van de beleving. Nieuwe ruimtelijke opgaven worden verbonden met bestaande gebiedskenmerken. Die spelen namelijk een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Gebiedskenmerken zijn de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Terugkerende elementen zijn beleefbaarheid, toegankelijkheid, zichtbaarheid, bruikbaarheid, en cultuurhistorische waarden van landschap en bebouwing (structuren). Een catalogus met gebiedskenmerken is als onderdeel bij de verordening opgenomen. Gemeenten moeten in de toelichting op bestemmingsplannen onderbouwen dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Beleid gemeenten Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Zwolle-Zwartewaterland en het NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 73 Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Steenwijkerland kwamen al eerder aan de orde in Hoofdstuk 2. Cultuurhistorie en landschap vier deelgebieden De Wieden De historie van een plangebied speelt een grote rol bij het bepalen van de archeologische verwachting.
Historische bronnen verschaffen informatie over de ontginning en gebruik van en bewoning in het plangebied. Voor de negentiende en twintigste eeuw is deze informatie beschikbaar middels historisch kaartmateriaal te onderzoeken. Kaarten werden met een relatief grote regelmaat geproduceerd, en laten de ontwikkeling van een landschap nauwkeurig zien. De keuze voor een vestigingslocatie werd in het verleden in grote mate bepaald door de landschappelijke omgeving en de mogelijkheden die hierin geboden werden. De locatie was afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden en voorwaarden veranderden gedurende de perioden. Een relatief hoge plaats ten opzichte van de omgeving en beschikbaarheid van (stromend) water gold voor nagenoeg alle perioden als voorwaarde voor een vestigingslocatie. Gedurende de jager/verzamelaar periode (tot en met het Neolithicum) was echter met name de beschikbaarheid van natuurlijke voedselbronnen van belang, terwijl de landbouwers (vanaf de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen) de voorkeur hadden voor de aanwezigheid van vruchtbare gronden voor akkerbouw. De geologische, geomorfologische en bodemkundige situaties zijn daarom van belang voor het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting. Cultuurhistorie Vanaf de 14de eeuw raakte het veengebied bewoond.
Turfstekerij was, vermoedelijk samen met rietexploitatie, één van de belangrijkste middelen om in het levensonderhoud te voorzien. In de 15de eeuw ontstond grote vraag naar turf: turfwinning verliep volgens een vaste procedure. Het veen werd trapsgewijs in lange stroken afgegraven. Er werden sloten gegraven om het veen te ontwateren en paden om de turf af te voeren. In laagveengebieden, zoals in Noordwest-Overijssel, werd veen met baggerbeugels uit het water geschept en op flankerende legakkers te drogen gelegd. Op den duur werden de petgaten steeds groter en de legakkers steeds kleiner. Dit had uiteraard consequenties voor de veenontginningsdorpjes, die meestal te midden van de veenontginningen lagen. Beulake bijvoorbeeld, was een veenontginningsgehucht in de huidige Beulakerwiede. Vanaf 1360 wordt in historische bronnen gesproken over de streek 'Bodelaecke'. Aangegeven wordt dat dit een samentrekking is van 'bo(e)de', dat klein huisje of veeschuur betekent en 'lake' of 'lace', waarmee een watertje ter afgrenzing van een dorpsgebied werd aangeduid. Menselijke bewoning is hier door middel van archeologische vondsten aangetoond vanaf de 14de eeuw. In een novembernacht in 1776 raakte het gehucht overstroomd.
Doordat de bewoners decennialang grote hoeveelheden turf staken, veranderde het omliggende landschap in een waterige gatenkaas, waardoor het zeewater gemakkelijk grip kreeg op het gebied. Volgens de overleveringen bleven na de overstroming alleen twee huizen en de kerk enigszins intact. De bewoners trokken naar de omliggende dorpen. Bij een tweede overstroming in 1779 verdween het gehele dorp onderwater. Volgens historische bronnen bleef alleen de kerktoren tot zeker 1825 boven water uitsteken. Bij dezelfde overstromingen ontstonden de grote meren in De Wieden. Vervening werd daarom aan regels gebonden. Tussen de petgaten (of 'trekgaten' of 'weren') moest telkens een stuk land ('legakkers' of' ribben') blijven liggen. Gezamenlijk mochten een weer en een ribbe niet breder zijn dan 33 m. Omstreeks 1920 kwam er in De Wieden en Weerribben een einde aan de grootschalige vervening; het was niet langer rendabel. Tot halverwege de 20ste eeuw is nog wel turf gestoken, onder andere in de Noordmanen. Tijdens en vooral na de Tweede Wereldoorlog vond turfwinning op uitgebreide schaal plaats vanwege het tekort aan andere brandstoffen. Pas vanaf 1932, toen de Afsluitdijk werd gedicht, waren de overstromingen verleden tijd. Alle deelgebieden zijn gelegen in het laatmiddeleeuwse ontginngslandschap. In 1940 is Polder Giethoorn in de ruilverkaveling opgenomen.
Later is de polder door schaalvergroting nog iets gewijzigd. De Deelgebieden Doosje, Zomerdijk / Beukers en Zomedijk / Zwartsluis zijn in de 20ste eeuw niet of nauwelijks gewijzigd. Wel is deelgebied Doosje een stuk natter geworden tussen 1925 en 1940, vervolgens was dit rond 1970 weer droger. Binnen geen van de deelgebieden zijn historische erven aanwezig. De buurtschappen Ronduite, Beukers, Zegelenburg, Doosje, Leenders, Blauwe Hand en Bovenboer zijn in de 16e en 17e eeuw ontstaan. De historische bebouwing van Buurtschap Doosje valt buiten deelgebied Doosje. Bij Doosje was vroeger een schutsluis in de monding van de Haagjesgracht en er werd schutgeld geheven. Behalve een sluis was er ook een brug, een café of herberg waar een PIP De Wieden II 74 verfrissing kon worden gebruikt, en in vroeger dagen ook een tolhuis met slagboom over de weg Meppel-Zwartsluis. Binnen het plangebied is geen militair erfgoed aanwezig. Wel is duidelijk dat het Meppelerdiep tijdens de Tweede Wereldoorlog door zowel de Nederlanders als de Duitsers is ingericht als verdedigingslinie. Landschap Samen met het Natura 2000-gebied “Rottige Meenthe en Brandeweer” vormen “De Wieden en Weerribben” een natuurlijke moerasdelta in de laagte tussen het Drents plateau enerzijds en de stuwwal van Vollenhove en de voormalige Zuiderzeekust anderzijds.
De laagte werd aan het einde van de voorlaatste ijstijd uitgediept door de Oervecht die hier tussen de stuwwallen door naar het westen stroomde. Daarna steeg de zeespiegel en drong de zee het vasteland binnen. Tegen het einde van de laatste ijstijd ligt het gebied van De Wieden in een uitgestrekte dekzandvlakte (met zandopduikingen en vlakten). Ten noorden en oosten van de deelgebieden komen lage stuwwallen voor. Deze zijn in de voorlaatste ijstijd (Saalien, 238.000 – 126.000 voor heden) gevormd door het voortstuwende landijs. Het landijs heeft daarbij oudere afzettingen (voornamelijk rivierafzettingen) gestuwd tot een mengsel van klei, leem, zand en grind (keileem). Alle deelgebieden liggen deels in oude rivierdalen. Dit zijn relatief brede, ondiepe dalen die door vlechtende rivieren zijn uitgesleten gedurende de laatste ijstijd (Weichselien, 116.000 – 11.500 voor heden). Tegen het einde van het Weichselien/begin Holoceen raakt het gehele gebied bedekt met dekzand, waardoor de rivierdalen deels opgevuld raakten. In veel gevallen ontwikkelden zich in het Holoceen meanderende rivieren en beken in de oude beddingen. In tegenstelling tot de Pleistocene vlechtende rivieren snijden de Holocene meanderende rivieren zich dieper in de ondergrond en ontwikkelen ze een relatief smal rivierdal. Rond 3850 voor Chr.
is de afwatering van het gebied verslechterd, waardoor het grondwater stijgt. Net als elders in grote delen van Nederland ontwikkelt zich veen in de laaggelegen, slecht ontwaterde gebieden en de beek- en rivierdalen en rond 3850 voor Chr. zijn de deelgebieden volledig met veen begroeid. De veengroei zet door en rond 2.750 voor Chr. is een groter gebied met veen bedekt. Alleen de zandruggen en de met dekzand bedekte stuwwallen ten noorden en oosten van de deelgebieden zijn nog vrij van veen. In de eeuwen daarop raken ook de kleine zandruggen en de flanken van de stuwwallen met veen bedekt. Ten zuidoosten ontwikkelden zich diverse meren. In de daaropvolgende eeuwen groeien deze geleidelijk tot een groot meer. De Romeinse geograaf Pomponius Mela sprak rond 44 van het Lacus Flevo (Flevomeer). Het water van het Flevomeer drong al meer het binnenland in waarbij grote delen van het veenlandschap werden weggeslagen door het water. Rond 100 na Chr. kon de zee doorbreken en kwam het Flevomeer in verbinding te staan met het zoute zeewater. De kustafslag zette door, waardoor het zoete of lichtbrakke water van het Flevomeer de zuidelijke plangebieden tegen 100 na Chr. genaderd was. Door stormvloeden, verdere zeespiegelstijging en vermoedelijk ook veenontginning in West-Friesland ontstond er in de loop van de Middeleeuwen een volwaardige binnenzee met getijden en zout water: de Zuiderzee.
Het zeewater kalfde opnieuw grote delen van het veengebied af. Deelgebied Zwartsluis kwam deels weer in het zeewater te liggen. De andere deelgebieden bleven in deze periode op het veenlandschap liggen. Tussen zeewater en veengebied ontstond een kweldergebied. Door veenontginning kon zich tussen 1500 en 1850 tussen de deelgebieden een groot merencomplex ontwikkelen. Vanaf ongeveer 1000 werden de eerste dijken aangelegd. Het land werd hierdoor grotendeels geconsolideerd, al zijn tijdens de vele stormvloeden sindsdien nog grote delen prijsgegeven aan het zeewater, dit stopte pas na aanleg van de afsluitdijk in 1932. Het deelgebied Polder Giethoorn, bevindt zich binnen de Formatie van Nieuwkoop (veen), de overige deelgebieden vallen binnen het Laagpakket van Walcheren op de Formatie van Nieuwkoop (zeeklei op veen). De diepere ondergrond onder het plangebied bestaat uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Deelgebied Polder Giethoorn ligt volgens de geomorfologische kaart in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Deelgebieden Doosje en Zomerdijk / Beukers liggen in een aanwasvlakte. Deelgebied Doosje ligt voor een klein deel nog in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Deelgebied Zwartsluis ligt voornamelijk in een restgeul en voor een klein deel in een ontgonnen veenvlakte met petgaten. In het gebied komen diverse soorten veengronden voor.
De genese van de veengronden is daarbij veelal gelijk. De verschillen worden veelal gevormd door de hoogteligging van dekzand in de NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 75 ondergrond, aanwezigheid van klei (= invloed van stromend water), de mate van aarding van het veen en verwerking van het veen door de mens. De veengronden met een zand- of kleidek, of veengronden met een veraarde top zoals madeveengronden en meerveengronden zijn vanaf 1928 ontstaan. Tijdens de crisisjaren zijn grote gebieden die na de wilde verveningen vanaf de 12de eeuw bestonden uit een landschap van petgaten en legakkers, omgezet in een jong veenontginningslandschap. Bij deze ontginningen werden eerst kanalen gegraven. Daarna werd het gebied bemalen. Een mengsel van verschillende veensoorten werd verspreid over niet-afgegraven (want voor turfwinning minder geschikte) broekig zeggeveen en het geheel werd geëgaliseerd. Vervolgens werd het terrein voorzien van een zanddek; de lage pH-waarde werd verhoogd door het aanbrengen van kalk en het geheel werd bemest. Op deze wijze zijn de zogenaamde 'domeinpolders' ontstaan (waaronder Polder Giethoorn ). In de jaren '60 is nog een aantal percelen verder in cultuur gebracht, onder andere door het aanbrengen van bezanding. 4.5.2 Archeologie Wettelijk kader In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland.
Doelstelling van dit verdrag is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Concreet heeft dit tot gevolg dat bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen meer aandacht moet worden besteed aan de aanwezigheid van archeologische waarden en dat in het ruimtelijke plan een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van archeologische waarden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed, namelijk de: Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat beschreven hoe er met ons erfgoed omgegaan moet worden, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op gehouden moet worden. Voor archeologie geldt dat gestreefd moet worden naar behoud 'in situ' (in de bodem) van de archeologische waarden.
In het geval het behoud niet mogelijk is, moet de historische (= archeologische) informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek de in de bodem aanwezige waarden worden veiliggesteld. Tevens is er een certificeringsstelsel ingevoerd. Dat moet garanderen dat opgravingen volgens de wettelijke norm op professionele wijze worden uitgevoerd. Beleidskader Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel staat de ambitie op het gebied van archeologie verwoord: “Behouden van intrinsieke bodemeigenschappen en aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk beschermen.” De hoofdlijn van het beleid bestaat uit: het beschermen van de kenmerken, kwaliteiten en waarden van de ondergrond; waar mogelijk kwaliteiten verbinden om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van gebieden te versterken; het behouden en beleven van aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden. Bij planvorming moeten aardkundige en archeologische waarden onderdeel zijn van integrale gebiedsontwikkeling. Overijssel kent grote regionale variatie aan karakteristieke aardkundige waarden. Door dit te behouden en te benutten in de ruimtelijke planvorming wordt de verscheidenheid en het contrast tussen de verschillende delen van Overijssel versterkt. Archeologisch erfgoed wordt zoveel mogelijk ter plekke bewaard (in situ).
Als het niet mogelijk is om vondsten ter plaatse te behouden, moet het materiaal van een archeologische vindplaats door PIP De Wieden II 76 opgraving veiliggesteld worden. Beleid gemeente Zwartewaterland De gemeente Zwartewaterland heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. De gemeente heeft een archeologische waardenkaart, met daarop aangegeven wat de kans is dat een gebied 'archeologisch interessant' is. Daarbij worden vijf klasses gehanteerd: 0%, 10%, 50%, 90% en 100%. Deelgebied Zwartsluis ligt in een zone waar zich geen Waarde – Archeologie bevindt. Beleid gemeente Steenwijkerland De gemeente Steenwijkerland heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Dit beleid is gebaseerd op de 'Archeologische waarden- en beleidskaart voor het grondgebied van Steenwijkerland' en de 'Erfgoedverordening 2010 gemeente Steenwijkerland'. Het gemeentelijk beleid is verankerd in de beheersverordening 'Buitengebied Steenwijkerland 2014'. De gemeentelijke archeologische kaart en de beheersverordening maken onderscheid in verschillende zones: Waarde – Archeologie 1 (archeologische waarde): de archeologische waarden dienen te worden beschermd. Bij grondwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m –mv. is een omgevingsvergunning vereist. Waarde – Archeologie 2 (hoge archeologische verwachting): de archeologische waarden dienen te worden beschermd.
Bouwen/graven tot en met een oppervlakte van 2.500 m² en een diepte van 0,5 m is zonder omgevingsvergunning toegestaan. Voor het onderhavige PIP is uitsluitend de zone 'Waarde – Archeologie 2 (hoge archeologische verwachting)' relevant. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning dient de aanvrager een archeologisch rapport te overleggen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. Archeologie vier deelgebieden De Wieden In opdracht van de provincie Overijssel is in het kader van de planuitwerking van de voorgenomen natuurherstelmaatregelen een bureauonderzoek archeologie uitgevoerd (d.d. 27 november 2020, Bijlage 7). Door middel van een bureauonderzoek is inzicht verkregen in de archeologische en historische resten die zich in het plangebied bevinden of verwacht worden. De bodemroerende werkzaamheden zijn in deze fase nog niet bekend. In dit bureauonderzoek zijn daarom de gehele deelgebieden in beschouwing genomen.
Er wordt een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel conform KNA 4.1 opgesteld, waaruit een advies volgt over de eventuele noodzaak tot vervolgonderzoek. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de bij het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen ten aanzien van aard, ouderdom, diepteligging en gaafheid voor het plangebied. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 77 Kaart met gespecificeerde archeologische verwachtingswaarden Voor de zones met een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt dat onzeker is of de top van het Pleistocene dekzand intact is. De diepte van dit niveau bevindt zich op circa 0,60 m-Mv. Op dit niveau worden resten uit het Laat Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum verwacht. Uit deze periode worden met name resten van (jacht)kampen verwacht. Prospectiekenmerken betreffen met name archeologische indicatoren in de vorm van houtskool en vuursteen. Ervan uitgaande dat het Hollandveen intact is, geldt hiervoor een lage verwachting. Dit niveau bevindt zich vanaf 0,50 m-NAP. In theorie kunnen in het Hollandveen resten uit de periode Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen voor komen. Vanaf het begin van de IJzertijd (800 – 12 v.Chr.) werd soms op het veen gewoond. Uit deze periode worden met name resten van nederzettingen verwacht.
Prospectiekenmerken betreffen met name archeologische indicatoren in de vorm van houtskool, verbrande klei, fosfaat, bot en aardewerk, alsmede een cultuurlaag in de vorm van een bodemhorizont. De verwachting van de Formatie van Naaldwijk is laag. In het Laagpakket worden resten vanaf de Romeinse Tijd verwacht, vooral op de oeverwallen van de rivieren en kreken. Deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis Dit deelgebied ligt geheel in een gebied met een (zeer) lage verwachting door de aanwezigheid van de Formatie van Naaldwijk. Het aandachtsgebied A103 betreft Buurtschap Doosje uit circa 1600 en A104 betreft Buurtschap Zegelenburg uit circa 1830. Binnen deelgebied Zwartsluis bevindt zich één vondstmelding: 3103703100. Het betreft een hamerbijl uit de bronstijd, gevonden tijdens baggerwerkzaamheden in het Meppelerdiep in 1992. Op basis van de resultaten wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit advies sluit niet uit dat er bij graafwerkzaamheden (niet voorspelbare) archeologische toevalsvondsten vondsten kunnen worden aangetroffen, zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. In dat geval moet hiervan melding worden gedaan bij het Bevoegd Gezag. Deelgebied Zomerdijk / Beukers Voor dit deelgebied geldt dat deze voor een (klein) deel in een zone met een hoge verwachting liggen (door de aanwezigheid van het Pleistocene dekzand), maar verder in een gebied met een lage verwachting.
Op basis van de resultaten wordt geadviseerd om geen bodemingrepen uit te voeren binnen het gedeelte van het deelgebied met een hoge archeologische verwachting op de beleidskaart. Als er toch bodemingrepen plaats gaan vinden dan wordt er geadviseerd om het gespecificeerde verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek. Dit verkennend booronderzoek vindt plaats op dat gedeelte van het deelgebied dat een hoge archeologische PIP De Wieden II 78 verwachting heeft volgens de beleidskaart en heeft als doel de bodem opbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Conform KNA dienen onderzoekstechnieken en strategieën te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) dat voor de uitvoering voorgelegd moet worden aan het Bevoegd Gezag. Bouwen/graven tot en met een oppervlakte van 1.000 m² en een diepte van 0,5 m is zonder omgevingsvergunning toegestaan. Deelgebied Doosje Voor dit deelgebied geldt dat deze voor een (klein) deel in een zone met een hoge verwachting liggen (door de aanwezigheid van het Pleistocene dekzand), maar verder in een gebied met een lage verwachting. Op basis van de resultaten wordt geadviseerd om geen bodemingrepen uit te voeren binnen het oostelijk gedeelte van het deelgebied.
Als er toch bodemingrepen plaats gaan vinden dan wordt er geadviseerd om het gespecificeerde verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek. Dit verkennend booronderzoek vindt plaats op dat gedeelte van het deelgebied dat een hoge archeologische verwachting heeft volgens de beleidskaart en heeft als doel de bodem opbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Conform KNA dienen onderzoekstechnieken en strategieën te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) dat voor de uitvoering voorgelegd moet worden aan het Bevoegd Gezag. Bouwen/graven tot en met een oppervlakte van 1.000 m² en een diepte van 0,5 m is zonder omgevingsvergunning toegestaan. Deelgebied Polder Giethoorn Dit deelgebied n ligt door de aanwezigheid van het Pleistocene dekzand volledig in een zone met hoge archeologische verwachting op de mogelijke aanwezigheid van verspreide vindplaatsen van jagers-verzamelaars uit de vroege prehistorie en op de resten van de laatmiddeleeuwse ontginningen. Op basis van de resultaten wordt geadviseerd om geen bodemingrepen uit te voeren binnen dit deelgebied. Als er toch bodemingrepen plaats gaan vinden dan wordt er geadviseerd om het gespecificeerde verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek.
Dit verkennend booronderzoek heeft als doel de bodem opbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Conform KNA dienen onderzoekstechnieken en strategieën te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) dat voor de uitvoering voorgelegd moet worden aan het Bevoegd Gezag. Bouwen/graven tot en met een oppervlakte van 1.000 m² en een diepte van 0,5 m is zonder omgevingsvergunning toegestaan. 4.5.3 Conclusie Cultuurhistorie en landschap De geologische ontwikkelingen in het Holoceen hebben in geomorfologisch opzicht geleid tot de vorming van een kwelderlandschap dat is ontstaan onder invloed van getijdenwerking en sedimentatie. Veenvorming, fluviatiele processen en menselijk ingrijpen hebben het landschap gevormd. Alle deelgebieden gelegen zijn gelegen in laaggelegen polders. De sloten die zijn aangelegd ten behoeve van de ontginning van het landschap zijn nog goed zichtbaar. Archeologie Aangezien de bodemroerende werkzaamheden nog niet bekend zijn, wordt geadviseerd wordt om in het verdere ontwerpproces rekening te houden met de adviezen die per deelgebied zijn benoemd in paragraaf 4.5.1 en geen bodemingrepen uit te voeren in de zones met een hoge archeologische verwachting (geheel deelgebied Polder Giethoorn en delen van deelgebied Doosje en Beukers).
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' blijft derhalve gehandhaafd op de verbeelding en in de regels (Artikel 4). NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 79 4.6 Explosieven 4.6.1 Beleidskader Op meerdere plaatsen in Nederland liggen nog bommen en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog in de grond. Blindgangers en achtergebleven explosieven vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Daarnaast kunnen weersomstandigheden en grondwater van invloed zijn op de toestand waarin de explosieven zich bevinden. In geval van grondverzet of vergelijkbare ontwikkelingen kan dat risico's voor werknemers of omwonenden met zich meebrengen. Daarnaast vormen deze vondsten een zware belasting voor het milieu. Als een gebied verdacht is voor niet-gesprongen explosieven, zal het nader onderzocht moeten worden. 4.6.2 Explosieven vier deelgebieden De Wieden Door Bombs Away BV is een vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven (hierna: CE) uitgevoerd voor het plangebied (d.d. 14 oktober 2020) dat als Bijlage 8 is bijgevoegd. Het doel van dit VO CE is het vaststellen of er in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog (deels) betrokken is geweest bij oorlogshandelingen waardoor er mogelijk CE in de bodem zijn achtergebleven.
Door alle verplichte en optionele bronnen te raadplegen volgens de WSCS-OCE zijn de gebeurtenissen zo compleet mogelijk beschreven en in kaart gebracht. Als er leemten in kennis zijn overgebleven, zijn deze in het onderzoek beschreven. Indien er indicaties zijn, is een afbakening gemaakt van het (de) verdachte gebied(en) aan de hand van: Hoofd- en subsoort(en) en verdere gegevens van de aan te treffen CE; Horizontale afbakening van de ligging van de CE; Maximale en minimale diepteligging van de CE. Deelgebieden in gemeente Steenwijkerland Bij de gemeente Steenwijkerland is een uitsnede van de CE-bodembelastingkaart opgevraagd evenals, indien aanwezig, gegevens betreffende verdachte gebieden. Er zijn geen verdachte gebieden aangemerkt in drie deelgebieden die in de gemeente Steenwijkerland liggen. Deelgebied in gemeente Zwartewaterland Voor het deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis is een inventarisatie uitgevoerd. In de vooroorlogse situatie ligt dit deelgebied in de polder 'Landen achter het Singel' ten zuiden hiervan stroomt het Meppelerdiep. Ten zuidwesten stonden er kalkovens. In de periode september 1939 – april 1940 werden de Nederlandse strijdkrachten gemobiliseerd. Voor deze periode zijn in de beschikbare gegevens geen relevante gegevens aangetroffen.
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 vielen Duitse grondeenheden vanuit het grensgebied Nederland binnen, terwijl Duitse parachutisteneenheden in West-Nederland landden. Bij Kornwerderzand en bij de Grebbelinie werden de Duitse grondstrijdkrachten staande gehouden en in het westen van Nederland vochten Nederlandse eenheden tegen de Duitse parachutisten. Na het bombardement op Rotterdam door Duitse luchtmachteenheden besloot het Nederlandse opperbevel te capituleren. Op 10 mei 1940 werd ongeveer twintig man Duitse cavalerie waargenomen in de gemeente Zwartsluis. Direct na de Duitse inval werd Nederland met enige regelmaat getroffen door (kleinschalige) geallieerde bombardementen. Deze bombardementen waren met name gericht op havens, infrastructuur, industriegebieden en vliegvelden. Vanaf 1943 werden de geallieerde bombardementen zwaarder door de toenemende aantallen bommenwerpers en afgeworpen bommen. In de opruimingsstaat van de Commissie van Proefneming wordt gemeld dat er op 25 juni 1940 een niet verschoten mortier van 8 cm in het water was geworpen. De munitie is geruimd (locatie onbekend). In opruimingsstaat (3-5 december 1940, no.115) vermeld de Commissie van Proefneming dat er één lichtkogel is geruimd in de gemeente Zwartsluis (locatie onbekend).
Op13 PIP De Wieden II 80 november 1943 is in het Meppelerdiep in de gemeente Zwartsluis een Amerikaanse B-24 Liberator bommenwerper neergestort. Het vliegtuig was geraakt door een Flugzeugabwehrkanone (FLAK) voordat het zijn doel bereikt had en is op de terugweg door een Duitse jager neergeschoten. Het vliegtuig kwam ten oosten van de bebouwde kom van de gemeente Zwartsluis, in het Meppelerdiep, neer. Alleen de staart van het vliegtuig stak nog boven water uit. Het toestel bleek ter hoogte van de kalkovens te zijn neergekomen. Nadat de brokstukken uit het water waren gehaald, werden ze op het dijkje langs de Kranerweerd gedumpt. Op 29 november 1943 landde een piloot in Belt-Schutsloot nadat hij uit zijn toestel, een Amerikaanse P-38 jachttoestel van 20 Fighter Group, 77 Fighter Squadron, was gesprongen tijdens een luchtgevecht met Duitse jachtvliegtuigen. De piloot overleefde de sprong niet en verdronk. Het is onbekend waar het toestel neer is gekomen. Het bevrijdingsjaar voor Nederland startte vanaf september 1944. De gemeente Zwartsluis werd op 15 april 1945 bevrijd. Direct na de Tweede Wereldoorlog werd aangevangen met het opruimen van CE. In eerste instantie werd door het Militair Gezag (MG) aan de (plaatsvervangende) burgemeesters van de gemeenten gevraagd om een opgave te doen van mogelijk aanwezige mijnen en munitie.
De ruimingen van mijnen en munitie werd in de eerste jaren uitgevoerd door de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (MMOD). Vanaf ongeveer 1947 werd ook regelmatig de Hulpverleningsdienst (HVD) ingeschakeld bij het ruimen van explosieven. Tot ongeveer 1970 heeft de HVD ruimingen uitgevoerd. Op 21 juni 1945 meldt de burgemeester van Zwartsluis in een brief aan de militair commissaris district Zwolle dat er in de gemeente Zwartsluis geen mijnenvelden of gevaar opleverende projectielen aanwezig zijn. Voor en tijdens de oorlog werden verspreid over Nederland mijnenvelden aangelegd. In een legrapport werden de specificaties van het mijnenveld benoemd. Na de oorlog werden veel mijnenvelden geruimd en werden de ruimingsgegevens genoteerd in een ruimrapport. In mijnenveldarchief van de EOD zijn geen indicaties aangetroffen dat er in het gebied mijnenvelden hebben gelegen. Van 1971 tot op heden houdt de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) zich bezig met het ruimen van CE in Nederland en worden de munitievondsten systematisch (per gemeente) bijgehouden in de ruimrapporten, de MORA's/ UO's. In het archief van de EOD zijn relevante MORA's/UO's aangetroffen ter hoogte van De Kalkhovens 30 (gechutsmunitie). Voor deelgebied geldt dat er geen verhoogde kans is op het aantreffen van CE in/op de (water)bodem; het gebied wordt aangemerkt als onverdacht gebied.
4.6.3 Conclusie Uit het historisch vooronderzoek CE is naar voren gekomen dat er geen op CE verdachte gebieden in het plangebied zijn gelegen. Verder onderzoek is daardoor niet noodzakelijk. 4.7 Sociaal economische effecten 4.7.1 Wettelijk kader en beleidskader De Wet natuurbescherming schrijft voor dat bij de plannen voor Natura 2000 gebieden ook aandacht geschonken moet worden aan de sociaal economische aspecten. In 2013 heeft het Ministerie van Sociale en Economische Zaken aan LEI Wageningen UR de opdracht gegeven om een studie uit te voeren naar de sociaal economische aspecten van de toenmalige PAS opgave. Aanvullend hierop heeft de provincie Overijssel de sociaal economische consequenties van de PAS voor Overijssel in beeld gebracht. Ondanks dat de PAS niet meer bestaat, zijn deze studies nog steeds relevant. De Provincie heeft naast de Ontwikkelopgave Natura 2000 meerdere programma's en projecten die NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 81 hier aandacht aan besteden. Denk aan het Programma Leefbaar Platteland, Gebiedsgerichte Aanpak (stikstof), Agro&Food, Sociale kwaliteit, etc. Daarnaast is de Provincie bezig met het opstellen van een nieuwe Omgevingsvisie waarin hier ook aandacht wordt besteed. 4.7.2 Sociaal economische aspecten en het platteland De in het inpassingsplan mogelijk gemaakte maatregelen hebben effect op de sociaal economische aspecten in een gebied.
Hier mee wordt met name de leefbaarheid van een gebied bedoeld. Onder het thema leefbaarheid vallen diverse onderwerpen zoals werkgelegenheid, toegankelijkheid, woonklimaat (incl. voorzieningen) en recreatie. Leefbaarheid is onderhevig aan verschillende ontwikkelingen in Nederland, zoals klimaatopgaven, de stikstofopgave, schaalvergrotingen in het buitengebied, maar ook demografische ontwikkelingen zoals bevolkingskrimp in bepaalde gebieden. De grootste effecten op de leefbaarheid ontstaat door dat laatste. Keuzes voor het wel of niet open houden van voorzieningen, het voortbestaan van bijvoorbeeld sportclubs, en ook woningbouw zijn hiervan afhankelijk. Veranderende milieuwet- en regelgeving hebben ook een effect op de leefbaarheid. De keuzes van ondernemers om hun bedrijven voort te zetten en/of uit te breiden hangen hier vaak mee samen. De Natura 2000-herstelmaatregelen kunnen ook wel een effect hebben op de veranderingen van de leefbaarheid, maar die is gering. Deze zijn hieronder beschreven. Werkgelegenheid Door de uitvoering van de Natura 2000-maatregelen in dit gebied, is de natuur beter bestand tegen de uitstoot van stikstof. Naast het verlagen van de stikstofuitstoot door bronmaatregelen door het Rijk leidt dit op termijn tot meer ontwikkelingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld bedrijven en woningbouw.
Op zeer lokaal niveau kunnen de maatregelen wel negatieve effecten hebben op de werkgelegenheid. De effecten kunnen nadelige gevolgen hebben voor de huidige bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Hiervoor is in het gebiedsproces continue aandacht. Een gevolg kan zijn dat bedrijven stoppen of verplaatsen. De maatregelen kunnen ook leiden tot omvorming van de bedrijfsvoering die gericht is op de (veranderende) milieuwetgeving, waardoor er een duurzamere en toekomstbestendige bedrijfsvoering ontstaat. Sommige maatregelen kunnen ook leiden tot verbetering, bijvoorbeeld doordat droge gronden natter worden. Waar het wel leidt tot negatieve gevolgen wordt in het gebiedsproces gezocht naar oplossingen die leiden tot het behalen van de Natura 2000-doelen en met zo min mogelijk negatieve effecten op de omliggende bedrijven. Eigenaren van gronden die niet meer geschikt zijn voor agrarisch gebruik hebben de mogelijkheid om gronden tegen marktconforme prijs te verkopen. Daarnaast wordt er gezocht naar ruilgronden of gekeken of de gronden op een andere wijze in de bedrijfsvoering kunnen worden opgenomen (bijvoorbeeld natuurbeheer). Agrariërs die, ondanks mitigerende maatregelen, toch schade aan productiepercelen of erven en gebouwen ondervinden door hydrologische maatregelen komen in aanmerking voor een schaderegeling.
Een uitgebreidere beschrijving van dit proces is opgenomen in hoofdstuk 1. Als tijdelijk effect op de werkgelegenheid is dat er lokale aannemers worden ingeschakeld bij de uitvoering van de maatregelen. Toegankelijkheid De maatregelen kunnen ook effecten hebben op wegen, bijvoorbeeld door vernatting of schade tijdens de uitvoering. Waar mogelijk worden er mitigerende maatregelen getroffen om de effecten te voorkomen of zo klein mogelijk te laten zijn. Schade tijdens de uitvoering wordt gerepareerd. Het plan leidt niet tot het verdwijnen van wegen, waardoor de toegankelijkheid van het gebied niet veranderd. Waar mogelijk en/of gewenst wordt ook in de plannen bekeken of de toegankelijkheid van de natuurgebieden verbeterd kan worden, zodat mensen ook beter kunnen genieten van de natuur. Recreatie Mooiere en robuustere natuurgebieden kunnen in theorie leiden tot vergroting van de recreatieve sector van het gebied. Dit kan kansen bieden voor de leefbaarheid van een gebied. Tijdens de uitvoeringsfase kunnen er negatieve effecten optreden voor de recreatie, maar deze zijn van tijdelijke aard. Het gaat hierbij om actieve machines in het gebied, tijdelijke opslag van bouwmaterialen (duikers, ed.) en tijdelijke opslag van grond of organisch materiaal. Tijdens de PIP De Wieden II 82 uitvoering wordt er gecommuniceerd over het eventueel afsluiten of omleggen van recreatieve routes.
4.7.3 Conclusie De sociaal economische aspecten in een gebied (met name de leefbaarheid) is met name afhankelijk van demografische ontwikkelingen. Negatieve effecten hierop door de natuurmaatregelen is beperkt. Waar negatieve effecten ontstaan, is bekeken of deze gemitigeerd of gecompenseerd kunnen worden. Daarnaast wordt er bij het beschikbaar krijgen van de gronden ook gezocht naar een passende oplossing in de vorm van aankoop, ruiling, omvorming of schadevergoeding. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft de sociaal economische aspecten. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 83 Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Standaarden en opbouw Het inpassingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Aan alle gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Aan deze bestemmingen worden regels gekoppeld omtrent het gebruik van de gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de (enkel)bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij er sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen.
De (dubbel)bestemmingen en de aanduidingen staan ook op de verbeelding en worden beschreven in dit inpassingsplan. SVBP 2012 Het inpassingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan en voldoet aan de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). In deze standaard staan normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding. Het Besluit ruimtelijke ordening stelt de SVBP verplicht als standaard systematiek. Op deze manier is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen gewaarborgd. De SVBP heeft geen betrekking op de toelichting van het plan en ook niet op de inhoud. Naast een digitale versie kan er ook een papieren versie van het inpassingsplan gebruikt worden. Indien er verschillen zijn tussen de digitale en analoge versie is de digitale versie leidend. Opbouw regels De regels kennen een vaste volgorde en indeling: 1. Hoofdstuk 1 Inleidende regels a. Begrippen b. Wijze van meten 2. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels a. Bestemmingen b. Dubbelbestemmingen 3. Hoofdstuk 3 Algemene regels a. Anti-dubbeltelregel b. Algemene gebruiksregels c. Algemene aanduidingsregels d. Algemene afwijkingsregels e. Algemene procedureregels f. verige regels 4. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels a. Overgangsrecht b.
Slotregel Vervolgens kennen de bestemmingsregels ook een vaste opbouw: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. PIP De Wieden II 84 Voor wat betreft de plansystematiek is aansluiting gezocht bij de geldende beheersverordening de Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014. Aangevuld met algemene regels met betrekking tot de uitvoering en de bevoegdheidsverklaring conform artikel 3.26 lid 5 Wro, uit het d.d. 23 mei 2018 vastgesteld PIP Uiterwaarden en Vecht (met identificatienummer NL.IMRO.9923.ipUiterwaardenZWV-va01). 5.2 Toelichting op de artikelen De regels uit het inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied “De Wieden II” worden hieronder kort toegelicht. Artikel 1 Begrippen en 2 Wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Deze begrippen zijn aangevuld met voor het plan relevante begrippen. Artikel 3 Natuur Om de natuur veerkrachtig en weerbaar te maken tegen invloeden van buiten worden er maatwerkmaatregelen getroffen. Niet alleen is beoordeeld of de geldende bestemming de uitvoering mogelijk maakt, maar ook of de geldende bestemmingsregeling past bij de toekomstige inrichting van het projectgebied.
Onder de geldende bestemming Natuur uit de beheersverordening Steenwijkerland en het bestemmingsplan Zwartewaterland is ook bestaand agrarisch gebruik, waaronder rietteelt toegestaan. Dit gebruik is niet in lijn met de inrichting van de gebieden als Natuurgebied. Daarom is ervoor gekozen ook de Natuurbestemming te wijzigen in een nieuwe bestemming Natuur. Verder is ter bescherming van de landschappelijke- en natuurlijke waarden een vergunningenstelsel opgenomen. Dit stelsel is grotendeels gelijk aan de stelsels, zoals die reeds zijn opgenomen in de geldende beheersverordening, maar is specifiek gemaakt ten behoeve van de doelstellingen van dit inpassingsplan. Zo zijn in dit artikel ook voorwaarden opgenomen om het optreden van negatieve effecten op de natuur- en landschapswaarden van de grond tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van het inrichtingsplan, zoals dat is opgenomen in bijlage 1 van de toelichting, te voorkomen: Aan- en afvoerroutes moeten indien mogelijk over bestaande wegen en paden plaatsvinden. Op het moment dat er, uitgezonderd ten behoeve van het snijden van riet en het uitvoeren van natuurbeheerwerkzaamheden, risico bestaat voor verdichting van de bodem (natte omstandigheden) moeten rijplaten gebruikt worden om dit te voorkomen. De werkzaamheden moeten zoveel mogelijk buiten het broedseizoen worden uitgevoerd.
Voorafgaand aan de werkzaamheden moet het werkterrein en directe omgeving onderzocht worden op het voorkomen van broedvogels. De werkzaamheden mogen niet plaatsvinden op het moment dat sprake is van een broedgeval. Artikel 4 Leiding In deze dubbelbestemming is de bestaande aardgasleiding geregeld. De regeling sluit aan bij die uit de Beheerverordening Steenwijkerland. Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 Uitgangspunten voor deze dubbelbestemming zijn: De gebieden die volgens de gemeentelijke archeologische waarderingskaart als ook het uitgevoerde bureauonderzoek archeologie en cultuurhistorie een grote vondstkans hebben, zijn mede bestemd tot archeologisch waardevol gebied. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 85 Bij de regeling voor de dubbelbestemming is nauwe aansluiting gezocht bij de Erfgoedwet. Artikel 6 Waterstaat - Waterkering In deze dubbelbestemming zijn de waterkeringen opgenomen. Bouwwerken ten behoeve van andere bestemmingen, die met deze dubbelbestemming samenvallen, mogen uitsluitend worden gebouwd met toepassing van een afwijking, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de waterstaatsbelangen en vooraf advies is ingewonnen van de waterstaatsbeheerder. Naast deze dubbelbestemming blijft de keur van het waterschap Drents Overijsselse Delta onverkort van kracht. Op grond van de keur is voor een aantal werken en werkzaamheden een Watervergunning van het waterschap nodig.
Ter voorkoming van dubbele regelgeving en bevoegdheidsconflicten en ter voorkoming van een onnodig star en bij een wijziging van de keur snel verouderen van het inpassingsplan zijn de voorschriften van de keur niet in het bestemmingsplan opgenomen. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van een andere (dubbel)bestemming dienen niet alleen de belangen van deze bestemmingen te worden afgewogen, maar ook de waterstaatsbelangen. Voor werken en werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van rivier- en kanaalverlichting, bebakeningvoorwerpen en waterstandsignalerende apparatuur is geen omgevingsvergunning nodig. Tevens geldt een uitzondering voor werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten in het kader van de realisatie van het inrichtingsplan, zoals dat is opgenomen in bijlage 1 van de regels, zie artikel 8.4.2 onder c. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening staat een standaardbepaling die verplicht is voor alle inpassingsplannen. Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling van met name gebouwen, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het inpassingsplan.