8.4 De Wieden II_Toelichting - bijlage 3b
Tekst van het document
Er worden wel nieuwe kades aangelegd om de woningen en de agrarische percelen op hun bestaande peil te kunnen houden, deze krijgen een hoogte van -0,7 m NAP. Op de locatie van de nieuwe kade aan de oostzijde moeten ook de duikers verwijderd worden. Verder NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 47 stroomt het water via de zuidelijke en noord-zuid watergang naar het noordoosten van het gebied. Via de hoofdsloot (noord-zuid) worden alle watergangen in het gebied gevoed. De uitlaat (schotbalkstuw van maximaal 1 m breed) van Polder Giethoorn ligt in het noordoosten van het gebied en laat direct uit op de primaire watergang van WDOD. Als laatste ligt er nog drainage in de twee westelijke percelen ten zuiden van de rij huiskavels langs de westkant. Deze moet verwijderd worden. Belangrijk bij dit gebied is ook het minimaliseren van de grondwatereffecten op de woningen en tuinen. Om deze effecten te mitigeren komen er nieuwe kades en kwelsloten langs de zuid- en westkant van het gebied. Daarnaast worden sommige bestaande perceelsloten opgeschoond en hergeprofileerd rondom de woningen. Dit betekent dat deze sloten in principe dezelfde dimensies houden maar dat er wellicht aanpassingen aan het talud of slootbodem nodig zijn om deze naar het streefpeil te brengen. Uitgangspunt is dat de woningen hun bestaande drooglegging behouden.
Dat betekent dat de daar aanwezig watergangen het huidige polderpeil behouden. Er wordt een bufferzone rondom de woningen aangelegd om zo muggen- en wateroverlast te beperken. Tot slot wordt, om de beleefbaarheid van het gebied te verhogen, gekeken naar de aanleg van een uitkijkpunt. Dit uitkijkpunt kan aansluiten op de bestaande semi-verharde weg vanuit het noorden. De aanlooproute naar het uitkijkpunt zal niet diep het deelgebied inlopen, om zo verstoring te beperken. PIP De Wieden II 48 Hoofdstuk 4 Overige beleid- en onderzoeksaspecten 4.1 Inleiding Bij de voorbereiding van een inpassingsplan moet worden nagegaan of dat plan uitvoerbaar is, onder andere gelet op omgevingsaspecten zoals milieu, water, ecologie en archeologie. Voor deze onderwerpen is specifiek beleid en regelgeving vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt het beschreven plan uit het vorige hoofdstuk getoetst aan deze aspecten. 4.2 Milieu 4.2.1 MER Wettelijk kader Het MER is onderdeel van de m.e.r.-procedure en heeft als doel om belangrijke nadelige milieugevolgen van de activiteiten in beeld te brengen. Op grond van de zogenoemde C- en D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), moet voor bepaalde activiteiten een MER worden opgesteld. De m.e.r.-procedure maakt het mogelijk om de mogelijke milieuschade ook mee te wegen in de besluitvorming.
Het goed doorlopen van de m.e.r -procedure is van belang voor een transparant planproces. Mede op basis van het MER moet het bevoegd gezag een besluit nemen over het PIP en de ontgrondingenvergunning. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), is voor bepaalde activiteiten een milieueffectrapport (MER) nodig. In het Besluit m.e.r. is opgesomd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn in de zogenaamde C- en D-lijst. De relevante activiteiten zijn in onderstaande tabel opgenomen. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 49 Tabel: relevante activiteiten uit het Besluit m.e.r. MER De Wieden fase 2 Voor de uitvoering van de maatregelen in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000-gebied De Wieden, deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis, Zomerdijk / Beukers, Doosje en Polder Giethoorn, is voor een aantal percelen een bestemmingswijziging nodig. Daarnaast is voor de maatregelen een Ontgrondingenvergunning nodig. Het voorliggende Provinciale Inpassingsplan (PIP) waarmee de bestemmingen worden gewijzigd, is plan-m.e.r.-plichtig. De voorgenomen ontgrondingen zijn project-m.e.r.-plichtig. Om versnippering te voorkomen, is een gecombineerde plan-/project-MER opgesteld (zie Bijlage 1). Het plan-/project-MER bevat die milieu-informatie die nodig is om het milieubelang mee te kunnen wegen in de besluitvorming inzake het PIP en de Ontgrondingenvergunning.
De effecten worden in het MER in samenhang beschouwd, dus ook van de maatregelen die niet m.e.r.-plichtig zijn. Het rapport is een hulpmiddel bij de besluitvorming. Het plan-MER gaat in op de locatiekeuze voor nieuwe natuur en beoordeelt deze op een hoog abstractieniveau aan de hand van schetsontwerpen. Zie hiervoor met name hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5 van deze gecombineerde MER. Het project-MER gaat in op plaatselijk/lokaal optredende effecten van de wijze van inrichting van de nieuwe natuurgebieden. Het project-MER borduurt voort op het plan-MER in de zin dat het effectbeoordelingen bevat over de variatie die per deelgebied mogelijk is. Zie hiervoor met name hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze gecombineerde MER. Dit MER gaat over de vier deelgebieden waar maatregelen worden genomen om nieuwe gebieden in te richten voor natuur in De Wieden. De maatregelen hebben effect op het natuurgebied zelf en de gronden in de directe omgeving van het Natura 2000-gebied De Wieden en Weerribben. In het MER worden de milieueffecten op het natuurgebied zelf en op de omgeving onderzocht. Het MER wordt getoetst door de Commissie voor de m.e.r. Voorgenomen activiteit en varianten Het Natura 2000-beheerplan geeft op basis van een gebiedsbeschrijving, trends en knelpunten weer wat de te behalen instandhoudingsdoelstellingen voor de verschillende gebieden zijn en wat nodig is om deze te realiseren.
Op hoofdlijnen komt het erop neer dat daarvoor de 4 deelgebieden moeten worden omgevormd van agrarisch grasland naar moerasnatuur, en dat er binnen een deelgebied kan worden “geschoven” met de ruimtelijke inrichting van het gebied. Daarbij zijn telkens per deelgebied de volgende stappen doorlopen, soms iteratief om tot een passend ontwerp te komen. De uiteindelijk voorgestelde inrichting per deelgebied (de PIP De Wieden II 50 voorkeursvariant) is als volgt tot stand gekomen: 1. Als eerste de omvorming van grasland naar moeras. Dit vergt een peilverhoging, maaiveldverlaging of een combinatie van deze twee. 2. In de tweede plaats zijn er afwegingen en keuzes gemaakt voor 2 of meer gebieden, maar niet voor alle. Het betreft de (on-)mogelijkheden voor commerciële rietteelt in polder Giethoorn, de inlaat van water uit het Meppelerdiep en de koppeling van het watersysteem van Beukers aan Doosje. 3. Tenslotte is binnen de kaders van de vorige twee punten, de ruimtelijke inrichting per deelgebied uitgewerkt. Hierbij is gewerkt op basis van landschapsecologische principes, zoals gebruikmaking van het maaiveldverloop, aanwezige natuurwaarden en de cultuurhistorische patronen in het deelgebied.
Daarbij zijn door het ontwerpproces heen voor elk deelgebied de volgende uitgangspunten gehanteerd: De natuurdoelstellingen zijn leidend voor het ontwerp: De opgave voor broedhabitat van moerasbroedvogels is sturend voor het ontwerp omdat dit voor alle deelgebieden de grootste opgave is. Dit betekent bijvoorbeeld dat het grootste deel van het areaal moet voldoen aan 20-50cm water op maaiveld. Voorkeursloplossing is peilverhoging. De negatieve grondwatereffecten op de omgeving moeten minimaal blijven en het liefst verwaarloosbaar klein. Rondom het deelgebied zijn agrarische bestemmingen, woningen, wegen en leidingen gelegen die bij voorkeur geen grondwatereffecten mogen ervaren. Kort voor de uitvoering van het werk wordt er voor de woningen een bouwkundige opname gemaakt. Deze dient als nulmeting voor later. Het ontwerp moet landschappelijk passen in de omgeving: het cultuurhistorisch landschap zo veel mogelijk intact houden of versterken, en de mogelijk aanwezig scheidende laag in de bodem niet doorbreken. Doel is ook om diversiteit in het landschap te behouden en niet een eenvormig rietmoeras te maken. Dit komt de biodiversiteit ten goede en hiermee blijft de structuur van het landschap behouden. Veiligheid en gezondheid zijn belangrijk. De stabiliteit van waterkeringen mag niet in het geding komen.
Daarnaast streeft dit ontwerp naar zo min mogelijk overlast van muggen en water voor de directe omgeving. Voorkeursvariant Zomerdijk / Zwartsluis De gestelde natuurdoelen vergen in het algemeen een vernatting van het gebied. Dit is te bereiken door peilverhoging en/of maaiveldverlaging. Deelgebied Zwartsluis ligt tussen het Meppelerdiep en bestaand natuurgebied aan de noordzijde. Het deelgebied ligt relatief hoog. Complete omvorming tot een moerassig gebied zou forse afgraving en/of peilverhoging vergen. Mede op grond van ecologische overwegingen is ervoor gekozen om het gebied te zien als een overgangszone tussen het Meppelerdiep en de Landen achter de Singel. Er wordt een deel zo'n 40 cm afgraven om aan genoeg waterriet te komen. Het natuurlijke verloop in maaiveldhoogte wordt hiervoor zoveel mogelijk benut om een gradiënt te creëren van bloemrijk grasland/dotterbloemhooiland naar veenmosrietland en waterriet. Het aansluitende gebied ten noordoosten heeft hiervoor als inspiratie gediend. Voorkeursvariant Zomerdijk / Beukers De gestelde natuurdoelen vergen in het algemeen een vernatting van het gebied. Te bereiken door peilverhoging en/of maaiveldverlaging. Deelgebied Beukers ligt tussen het Meppelerdiep en bestaand natuurgebied aan de noordzijde.
Bijzonder en waardevol in dit gebied is de aanwezigheid van een zandbaan van oost naar west, een voormalige loop van de voorganger van het Meppelerdiep. Hier is nu al sprake van waardevolle vegetaties. Op grond hiervan zijn de opgaven binnen het gebied verdeeld. De stroomrug kent daarnaast ook hoge archeologische waarde en wordt mede daardoor niet vergraven. Dat betekent dat de hoogteligging van de stroomrug leidend is in het ontwerp en de waterbeheersing. Haaks op de stroomrug ontstaat zo een gradiënt van droge schrale graslanden via natte (blauw-)graslanden naar moerasgebied. De noordoosthoek worden ingericht als nat rietmoeras. De zuidwesthoek als een mozaïekmoeras met kansen voor Porseleinhoen. Aan de zuidelijke rand van de polder bij de woningen is bloemrijk grasland geplaatst, mede omdat nabij de woningen uitzicht behouden moet worden en overlast van muggen vermeden. Voorkeursvariant Doosje De gestelde natuurdoelen vergen in het algemeen een vernatting van het gebied. Te bereiken door peilverhoging en/of maaiveldverlaging. Deelgebied Doosje ligt tussen het Meppelerdiep aan het NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 51 zuiden en is omgeven door bestaand natuurgebied aan de andere zijden. Direct ten oosten ligt een afzonderlijk perceel dat deel uitmaakt van deelgebied Doosje. Dit perceel is ook omringt door bestaande natuur die op boezempeil is.
De basis is dat het gehele deelgebied Doosje wordt ingericht als moerasgebied. Gebruikmakend van het verloop in maaiveldhoogte ontstaat er een gradiënt van oost naar west. De oostzijde wordt ingericht als een mozaïekmoeras, mede geschikt voor Porseleinhoen. Het middendeel bestaat dan uit nat rietmoeras en open water langs bestaande sloten. Het westelijk deel is bestaand rietmoeras. Aan de zuidelijke rand van de polder bij de woningen is bloemrijk grasland geplaatst, mede omdat nabij de woningen uitzicht behouden moet worden en overlast van muggen vermeden. Polder Giethoorn De gestelde natuurdoelen vergen in het algemeen een vernatting van het gebied. Te bereiken door peilverhoging en/of maaiveldverlaging. Polder Giethoorn kent een diepe ligging ten opzichte van de omliggende gebieden. Van het oorspronkelijke veendek is hier nauwelijks iets over, het onderliggende zandpakket komt bijna aan de oppervlakte. In de directe omgeving is vaak een weerstandbiedende laag aangetroffen aan de bovenzijde van het zandpakket. Op grond hiervan is als vertrekpunt genomen om het huidige maaiveld zo weinig mogelijk te vergraven. Hiermee wordt voorkomen dat er extra kwel optreedt die mogelijk nadelige effecten heeft op de omgeving. Het maaiveld varieert in hoogte. De laagste delen bevinden zich in het midden en noorden van het plangebied.
De natuuropgaven verschillen in randvoorwaarde voor wat betreft gewenst waterpeil/-stand. Als eerste zijn de “natste” beheertypen geplaatst. Dat betekent dat nat rietmoeras is geplaatst in de laagste delen, in combinatie met open water, moerasoevers en waterrietoevers. Daar rond omheen is een zone met droger rietland geplaatst met een gradiënt in vochtigheid. Aan de buitenste rand van de polder is bloemrijk grasland geplaatst, mede omdat nabij de woningen uitzicht behouden moet worden en overlast van muggen vermeden. Doelbereik Met de voorgenomen maatregelen kunnen de aangegeven (natuur-)doelstellingen voor de vier deelgebieden als geheel worden bereikt. De doelstellingen per deelgebied zijn onderling wat verschoven. De gewenste arealen zijn in Polder Giethoorn en Doosje niet geheel te realiseren, maar worden gerealiseerd in Beukers en Zwartsluis. Effectbeoordeling In het MER is er sprake van een plangebied en van een studiegebied: Het plangebied is het gebied waarin de activiteit gaat plaatsvinden. Het studiegebied is het gebied waarin effecten kunnen optreden. Dit kan per thema verschillend zijn. De effectbeoordeling bestaat uit een aantal algemene thema's, met daarbinnen een aantal criteria. De opbouw van de effectbeoordeling volgt de lagenbenadering, zoals gebruikelijk bij een m.e.r.: van de onderste laag (bodem en water) naar de bovenste laag (gebruik).
Voor de milieuthema's vindt eerst een eco-hydrologische systeemanalyse plaats. Deze analyse is gericht op het betreffende deelgebied en gebaseerd op gecombineerde kennis van de bodemopbouw, de hydrologie en het voorkomen van indicatorsoorten. Aanvullend wordt de kennis van de archeologie, landschap, cultuurhistorie, gebruik en leefbaarheid van het gebied meegewogen. Dit zorgt voor een goed inzicht in de ecologische processen en potenties van het gebied, alsmede van het effect van eventuele ingrepen. Daarom draagt een dergelijke systeemanalyse bij aan een goede effectvoorspelling. Een aantal effecten zal optreden tijdens de aanleg van het gebied (bijvoorbeeld geluid en hinder), een aantal andere effecten tijdens het gebruik in de eindsituatie. Andere effecten zullen zowel tijdens aanleg alsook tijdens gebruik optreden. De mogelijke effecten tijdens de aanleg en in de eindsituatie zijn in het MER in detail per deelgebied beschreven. In de aanlegfase is er mogelijk sprake van effecten op de bodemstructuur, overlast door grondverzet en grondtransport en uitstoot van CO 2. In de eindfase zijn de effecten merendeels zeer positief, of neutraal beoordeeld. Mitigatie In de paragraaf 'Effectbeoordeling' is een aantal negatieve effecten gesignaleerd tijdens de aanlegfase.
Deze zijn grotendeels te voorkomen door eisen te stellen aan de aannemer bij de aanbesteding van het werk, en dan met name als het gaat om grondwerkzaamheden. Gedacht kan PIP De Wieden II 52 worden aan de volgende mitigerende maatregelen: Overlast door grondverzet kan worden beperkt door zoveel mogelijk transport binnen het deelgebied te houden, en niet via de openbare weg. Enige overlast is niet te voorkomen, omdat er grond wordt getransporteerd van Zwartsluis naar Beukers en Doosje. Verdichting van de bodem voorkomen door te werken met minder druk belastend materieel en door het werken met rijplaten. Er kunnen mitigerende locatie specifieke maatregelen getroffen worden om de effecten op soorten tijdens de aanlegfase te verminderen. De volgende maatregelen kunnen getroffen worden: 1. een mitigatieplan of ecologisch werkprotocol opstellen (verplichting vanuit wetgeving); 2. werken buiten het broedseizoen en de gevoelige periode (verplichting vanuit wetgeving); 3. verstoringsvrij aanleggen van natuurvriendelijke oevers 4.
werken in de richting van open water Voor soorten van ruigten, rietland en opgaande vegetaties geldt dat (a) voorafgaand aan uitvoering het tijdig ongeschikt maken van de vegetatie kan plaatsvinden door deze te kappen of kort af te maaien (en kort te houden), (b) gewerkt kan worden in de richting van te behouden leefgebied om vluchten mogelijk te houden en (c) vegetaties met waardplanten of overwinterende eitjes, larven et cetera ruim kunnen worden uitgegraven en direct kunnen worden overgezet naar alternatieve geschikte groeiplaatsen waar niet (meer) gewerkt wordt. Om de hinder voor omwonenden en recreanten te verminderen of te voorkomen zijn onder andere de volgende maatregelen te treffen: 1. voorafgaand aan hinder gevende werkzaamheden de omwonenden informeren. Op zoek gaan naar mogelijkheden om de overlast te beperken (verplichting vanuit wetgeving); 2. afvoerroutes van grond per as zorgvuldig afwegen en afstemmen op gebruik, vormgeving en draagkracht van de wegen. Zorgen dat de wegen schoon blijven of regelmatig schoonvegen; In de 'Effectbeoordeling' is een tweetal negatieve effecten gesignaleerd die (mogelijk) plaatsvinden in de eindsituatie. De fosfaat-toestand vergt verschralingsbeheer op de graslanden, maar dit sluit aan op het beheer dat nodig is om deze vegetaties kort te houden (uitzicht woningen). Daarnaast is er kans op enige vernatting in een landbouwgebied.
Een verhoging van het maaiveld met vrijkomend materiaal is hier echter een goede oplossing voor. Dit wordt in overleg met de grondeigenaar afgestemd. Conclusie In het MER zijn de volgende conclusies getrokken: Via een getrapte benadering zijn er per deelgebied realistische variatiemogelijkheden verkend en afgewogen. In de eerste plaats de afweging tussen afgraven en peilverhoging, met daarbij de ruimtelijke verdeling van de natuurdoelen. Daarna zijn maatregelen afgewogen voor aspecten die niet alle, maar meer dan 1 deelgebied betreffen, zoals de inlaat van water uit het Meppelerdiep, de (on)mogelijkheden van commerciële rietteelt en de koppeling van het watersysteem van Beukers en Doosje. Deze eerste twee stappen resulteren in één realistisch in beschouwing te nemen en relevante variatiemogelijkheid per deelgebied. Het inrichtingsplan/ontwerp wordt gedragen door de werkgroep met daarin vertegenwoordigers van de stakeholders. Er is voldoende milieu-informatie beschikbaar gekomen over de voorkeursvariant. Er zijn geen leemten in kennis die vaststelling van PIP en ontgrondingenvergunning in de weg staan. 4.2.2 Bodemkwaliteit Wettelijk kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. De Wet bodembescherming is daarbij het toetsingskader.
Beleidskader In de regio IJsselland hebben negen gemeenten en twee waterschappen samengewerkt om een nota bodembeheer op te stellen. De gemeenten Zwartewaterland en Steenwijkerland maakt deel uit van dit samenwerkingsverband. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 53 Het beleid is zodanig afgewogen dat binnen de samenwerkende gemeenten en waterschappen milieuhygiënisch verantwoord met grondstromen wordt omgegaan. Het beleid zoals beschreven in de nota bodembeheer is uitsluitend van toepassing binnen de deelnemende gemeenten en waterschappen. In het beleid is de actuele kwaliteit van de bodem vastgelegd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de bovenste halve meter en de onderliggende bodem tot 1,5 m diepte. In veel gevallen kan voor het afvoeren van overtollige grond de kwaliteit worden aangetoond met de kaart, zonder dat een bodemonderzoek of partijkeuring nodig is. Voor het toepassen van grond geldt dat naar zowel de kwaliteit van de ontvangende bodem als de bodemfunctie van het gebied wordt gekeken. Toepassen mag als de kwaliteit ten minste gelijk is aan de kwaliteit van de ontvangende bodem en past bij de functie van de bodem (schoonste telt). Schoner mag uiteraard altijd.
Bodemkwaliteit vier deelgebieden De Wieden Ten behoeve van de planuitwerking van het pakket van natuurherstelmaatregelen voor de vier deelgebieden in De Wieden is een vooronderzoek (historisch bodemonderzoek) uitgevoerd (d.d. 14 oktober 2020), dat als Bijlage 3 is bijgevoegd. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante milieukundige informatie over de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Het vooronderzoek betreft een beperkt vooronderzoek conform de NEN 5725 (versie 2017). Gezien de aanleiding van het onderzoek en de beschikbaarheid van een bodemkwaliteitskaart voor het gebied wordt aangesloten bij de strategie behorend bij aanleiding F: toetsing gebruik bodemkwaliteitskaarten bij te ontgraven grond en het toepassen van grond. Bij het vooronderzoek wordt, voor zover relevant, informatie verzameld over de volgende onderzoekaspecten: Voormalig bodemgebruik (antropogene lagen, mogelijk voorkomen van asbest). Huidig bodemgebruik. Toekomstig bodemgebruik. Bodemopbouw en geohydrologie. Beschikbare informatie over de bodemkwaliteit in het gebied. Deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis Uit het raadplegen van de omgevingsrapportages via de website van de provincie Overijssel komen geen uitgevoerde onderzoeken of verdachte activiteiten naar voren. Ook geven de historische kaarten geen aanleiding tot bodemverontreinigingen.
Het gebied is sinds 1930 nagenoeg niet verandert. Er komt buiten het kleine opslagschuurtje geen bebouwing voor. Het schuurtje staat er sinds 2013 en kan door het voorkomen van de aanwezige beplating en eventuele ander opslagmateriaal niet uitgesloten kan worden of deze asbesthoudend zijn. Op de luchtfoto’s zijn toegangsdammen te zien voor het bereiken van de landbouwpercelen vanaf de provinciale weg (N334). Het is onduidelijk of deze zijn aangevuld met gebiedseigen grond of dat er puin aanwezig is. Het mogelijk voorkomen van een half(verharding) maakt de toegangsdammen asbestverdacht. In het deelgebied komen oppervlaktewateren voor die opgenomen zijn in de legger. Er loopt een sloot aan het eind van de legakkers. De sloot is gelegen op de rand van het plangebied en doorsnijdt het op enkele plaatsen. Deelgebied Zomerdijk / Beukers Uit het raadplegen van de omgevingsrapportages via de website van de provincie Overijssel komen geen uitgevoerde onderzoeken of verdachte activiteiten naar voren. Ook geven de historische kaarten geen aanleiding tot bodemverontreinigingen. De bebouwing aan de zomerdijk nummer 16,17,18 en 20, is gebouwd tussen de jaren 1950-1960. Deze vallen echter net buiten het plangebied. Het gebied is sinds 1930, op deze bebouwing na, nagenoeg niet verandert.
Op de luchtfoto’s zijn toegangsdammen te zien voor het bereiken van de landbouwpercelen vanaf de provinciale weg (N334). Het is onduidelijk of deze zijn aangevuld met gebiedseigen grond of dat er puin aanwezig is. Het mogelijk voorkomen van een half(verharding) maakt de toegangsdammen asbestverdacht. In het deelgebied komen oppervlaktewateren voor die opgenomen zijn in de legger. Er loopt een sloot aan het eind van de legakkers. De sloot is gelegen op de rand van het plangebied. Deelgebied Doosje Uit het raadplegen van de omgevingsrapportage komt één uitgevoerd onderzoek naar voren. Deze valt echter ruim buiten het plangebied. Ook geven de historische kaarten geen aanleiding tot PIP De Wieden II 54 bodemverontreinigingen. Tot 1950 had het gebied grotendeels een natuurfunctie in de vorm van petgaten en legakkers. Daarna is het gebied ontgonnen en in landbouwkundig gebruik genomen. De eerste bebouwing is rond 1925 te zien. De bebouwing valt ook buiten het plangebied. Wel loopt er achter de boerderij aan de zomerdijk 12 een verhard pad. Deze is rond 1995 aangelegd en lijkt uit beton te bestaan. Op de luchtfoto’s zijn toegangsdammen te zien voor het bereiken van de landbouwpercelen vanaf de provinciale weg (N375). Het is onduidelijk of deze zijn aangevuld met gebiedseigen grond of dat er puin aanwezig is.
Het mogelijk voorkomen van een half(verharding) maakt de toegangsdammen asbestverdacht. In het deelgebied komen oppervlaktewateren voor die opgenomen zijn in de legger. Er lopen drie sloten door het gebied die afwateren op de sloot aan het eind van de legakkers. De sloot aan het eind van de legakkers is gelegen op de rand van het plangebied. Deelgebied Polder Giethoorn Uit het raadplegen van de omgevingsrapportages via de website van de provincie Overijssel komen drie uitgevoerde onderzoeken naar voren. De dieseltank aan de Jonesweg 11 valt net buiten het plangebied, net als de onderzoeken die zijn uitgevoerd aan de Jonenweg 7A en Cornelisgracht 44. De historische kaarten geven geen aanleiding tot bodemverontreinigingen. De eerste bebouwing in de polder is te zien rond 1955. De bebouwing valt buiten het deelgebied. Wel loopt er achter de boerderij aan de Cornelisgracht 34 een pad. Deze is in 1933 aangelegd en lijkt op basis van een luchtfoto een onverhard pad te zijn. Op de luchtfoto’s zijn toegangsdammen te zien voor het bereiken van de landbouwpercelen vanaf de Cornelisgracht. Ook aan de Oude kerkweg ligt een toegangsdam. Het is onduidelijk of deze zijn aangevuld met gebiedseigen grond of dat er puin aanwezig is. Het mogelijk voorkomen van een half(verharding) maakt de toegangsdammen asbestverdacht.
In het deelgebied komen oppervlaktewateren voor die opgenomen zijn in de legger. Er lopen vier sloten door het gebied die afwateren op de sloten aan het eind van de legakkers. De sloten aan het eind van de legakkers zijn gelegen op de rand van het plangebied. Afval Stortlocaties Van de website van de provincie Overijssel is een kaartje met de informatie over afval stortlocaties gegenereerd. Er liggen geen stortlocaties in de deelgebieden. PFAS PFAS (Perfluoralkylstoffen) is de groepsnaam voor diverse stoffen waaronder PFOS (Perfluoroctaansulfonzuur) en PFOA (Perfluoroctaanzuur). De stoffen zijn zeer persistent: de natuur breekt ze niet af. Voor een aantal PFAS is aangetoond dat ze ook toxisch zijn. Daarnaast zijn kortere PFAS ook zeer mobiel omdat ze goed wateroplosbaar en/of vetafstotend zijn en typisch slecht binden aan organisch koolstof (slib, bodem en sediment). Ook kunnen sommige PFAS zich door bioaccumulatie ophopen in de voedselketen. PFAS-houdende substanties worden toegepast in consumentenproducten als textiel, tapijt, leer en papier en in industriële producten zoals verf, hydraulische olie, als hulpstof in biocide- en pesticidetoepassingen, galvanotechniek en chroom-plating, ontkistingsolie, zonnebrandcrème en in blusschuim. Vanaf 8 juli 2019 is het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van kracht.
Op 29 november 2019 is deze geactualiseerd. In dit tijdelijk handelingskader zijn diverse toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem en in oppervlaktewater vastgesteld. Uit voornoemd handelingskader volgt de noodzaak tot onderzoek naar PFAS in geval van bodemtoepassingen of afvoer van bodemmateriaal naar een erkende verwerker. In relatie tot de te hanteren onderzoeksstrategie dient in het vooronderzoek beoordeeld te worden of de locatie door de ligging verdacht is op het voorkomen van gehalten aan PFAS (bijvoorbeeld nabij bronlocaties). Op ongeveer 250 meter buiten het onderzoeksgebied zijn jacht- en scheepswerven aanwezig waar mogelijk PFAS houdende coatings (antifouling) zijn gebruikt. Over PFAS in antifouling is echter nog weinig bekend. Deze potentieel verdachte locaties zijn niet in het plangebied zelf gelegen. De locaties liggen aan oppervlaktewater grenzend aan het plangebied. De potentieel verdachte locaties zijn geen puntbronnen die kunnen zorgen voor verhoogde concentraties PFAS op landbodem. Mogelijk hebben de potentieel verdachte locaties wel invloed op de waterbodem omdat deze hiermee in contact staat. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 55 Binnen het gebied van de Omgevingsdienst IJsselland zijn achtergrondwaarden vastgesteld en opgenomen in de bodemkwaliteitskaart.
De bijbehorende beleidsregels gelden boven op de voorschriften uit de Nota Bodembeheer van de regio IJsselland. Door gebruik te maken van de kaart hoeft niet voor elke partij grond en ontvangende locatie een partijkeuring c.q. bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Voorwaarde is dat middels een vooronderzoek conform de NEN5725 (aanleiding F) aangetoond is dat er geen sprake is van mogelijke puntbronnen die de kwaliteit van de vrijkomende grond hebben beïnvloed. Dit vooronderzoek is altijd nodig bij het gebruik van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit (Bron: website omgevingsdienst IJsselland 31 januari 2020). Conclusie Uit het vooronderzoek blijkt dat in het plangebied (met uitzondering van grasland en plaatselijk woningen en boerenerven) nauwelijks sprake is of was van menselijke activiteiten. De verwachting is daarom dat de bodem niet of nauwelijks verontreinigd is. Dit wordt ook teruggevonden in de regionale bodemkwaliteitskaart, waarop het gebied zowel voor de bovengrond als de ondergrond geklasseerd is als: verwachte kwaliteit landbouw/natuur (AW2000). Op basis van dit vooronderzoek en de regionale bodemkwaliteitskaart wordt geconcludeerd dat grondverzet ten behoeve van de realisatie van de verschillende natuurdoelstellingen zonder restricties vanuit de Wet bodembescherming c.q.
het Besluit bodemkwaliteit plaats kan vinden op basis van de bodemkwaliteitskaart. Wel dient ten behoeve van de natuurontwikkeling rekening te worden gehouden met de natuur technische kwaliteit van de te ontgraven bodem. Aanbevelingen Uit het onderzoek komen de volgende locaties naar voren waar mogelijk verontreinigingen aanwezig kunnen zijn. Terrein ter plaatse van opslag schuurtje (Deelgebied Zomerdijk). Verharde pad achter Zomerdijk 12 (Deelgebied Doosje). Pad achter de Cornelisgracht 34 (Deelgebied Polder Giethoorn). Toegangsdammen verhard met puin (alle deelgebieden). Op deze locaties is de bodemkwaliteitskaart niet van toepassing in verband met potentiële verontreinigingen. Mochten hier graafwerkzaamheden moeten plaatsvinden, dan verdient het aanbeveling om hier nader onderzoek te verrichten voorafgaand aan de graafwerkzaamheden om een eventuele (asbest)vervuiling uit te kunnen sluiten. Ook is de bodemkwaliteitkaart niet van toepassing voor het aanwezige oppervlaktewater, opgenomen in de legger. Als hier graafwerkzaamheden plaatsvinden is eveneens vervolgonderzoek nodig. Bodem- en fosfaatonderzoek Ten behoeve van de planuitwerking van het pakket van natuurherstelmaatregelen voor de vier deelgebieden in De Wieden is een bodem- en fosfaatonderzoek uitgevoerd (d.d. 23 april 2021), dat als Bijlage 4 is bijgevoegd. Het doel van het onderzoek is tweeledig.
Enerzijds is het doel om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde natuurdoelstellingen met een speciale focus op fosfaat (P). Daarnaast is het doel om te bepalen in welke mate het opzetten van het waterpeil leidt tot potentiële P-mobilisatie. Daarnaast is onderzocht wat de effectiviteit is van verschillende mitigerende maatregelen om de fosfaattoestand van de bodem te verlagen. Op 28 monsternamelocaties zijn op meerdere dieptes grondmonsters genomen. Op 13 locaties is de natuurpotentie onderzocht en is de bodem op verschillende dieptes tot 40cm bemonsterd. Op 15 locatie is de potentiële fosfaatmobilisatie onderzocht Op deze locaties zijn grondmonsters genomen tot 60cm diepte. Percelen zijn aangehouden als logische eenheden vanwege het historisch agrarisch management en het corresponderende effect op de P-opbouw in de bodem. De monsters zijn onder andere geanalyseerd op meerdere fosfaatfracties (P-CaCl2, P-AL, P-ox), parameters die belangrijk zijn voor de fosfaatbinding (Fe-ox, Al-ox), het organische stofgehalte, de pH, textuur en het klei-humuscomplex (CEC) met basenverzadiging. Conclusie Het onderzoek heeft tot de volgende inzichten en conclusies geleid: De deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis en Zomerdijk / Beukers bestaan uit venige klei/ kleiig veen.
Uitzondering is de stroomrug in deelgebied Zonerdijk / Beukers die bestaat uit humusrijk zand op het lager gelegen deel tot zeer humeus zand op het hoger gelegen deel. De percelen van PIP De Wieden II 56 de deelgebieden Doosje en Polder Giethoorn bestaan uit matig humeus tot venig zand. Deze verschillen in bodemtype zijn terug te zien in de fosfaattoestand van de bodem (direct beschikbaar en gebonden P) en de capaciteit van de bodem om fosfaat te binden. In de deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis en Zonerdijk / Beukers met een venige bodem, is de bindingscapaciteit van de bodem voor fosfaat hoog, is de fosfaattoestand van de bodem laag en kan deze worden geclassificeerd als deels optimaal voor voedselarme vegetaties en deels optimaal voor matig voedselrijke vegetaties. Op de stroomrug is de bindingscapaciteit lager en is de fosfaatbeschikbaarheid hoger. Voor de ontwikkeling van een dotterbloemhooiland (Zomerdijk / Zwartsluis) en bloemrijke vegetaties (Zonerdijk / Beukers) zijn inrichtingsmaatregelen als zodanig niet nodig. Wel zou ingezet moeten worden om met verschralingsbeheer (maaien en afvoeren) de fosfaattoestand verder te verlagen op met name de stroomrug (Zomerdjk / Beukers) en het meest zuidelijk gelegen perceel (9 in Zomerdijk / Zwartsluis).
Afhankelijk van de dichtheid van de bestaande graszode zou deze opengemaakt kunnen worden en zou maaisel uit een referentiegebied opgebracht kunnen worden. In de deelgebieden Doosje en Ploder Giethoorn met een zandige bodem is de bindingscapaciteit van de bodem voor fosfaat laag en is de fosfaattoestand van de bodem verhoogd tot de classificering suboptimaal voor matig voedselrijke vegetaties tot (zeer) voedselrijk. In deelgebied Doosje waar nat schraalland wordt beoogd, is de fosfaattoestand tot een diepte van 40 cm verhoogd met fosfaat. Het verlagen van de fosfaattoestand met verschralen of uitmijnen zou vele decennia duren. Voor afgraven is het fosfaat tot 40cm diep in het bodemprofiel nog hoog. De beoogde vegetatie zou heroverwogen kunnen/ moeten worden richting een meer voedselrijke vegetatie zoals kruiden- en faunarijkgrasland. Door intensief verschralingsbeheer zou dit op termijn zich kunnen ontwikkelen richting dotterbloemhooiland. In deelgebied Ploder Giethoorn is de bindingscapaciteit voor fosfaat laag maar door de sterke oplading is de beschikbaarheid van fosfaat hoog. Dit zou beperkend kunnen zijn voor de ontwikkeling van bloemrijke vegetaties. Waar de fosfaattoestand hoog is, is de kalium beschikbaarheid echter (zeer) laag en is kalium limiterend voor de vegetatie en niet fosfaat.
In deelgebied Polder Giethoorn is het risico op P-mobilisatie als gevolg van vernatting tot aan maaiveld op de korte termijn hoog. Om de fosfaattoestand te verlagen zou 1 tot 2 decennia moeten worden uitgemijnd. Afgraven van de nutriëntenrijke bouwvoor (30cm) zou een snelle, effectieve, maar ook dure maatregel kunnen zijn. De urgentie is afhankelijk van de waterdoelstellingen. In de venige deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis en Zonerdijk / Beukers is het directe risico op P-mobilisatie gering. Door de hoge bindingscapaciteit en de hoge P-voorraden kan gedurende een lange periode toch grote hoeveelheden fosfaat vrijkomen. 4.2.3 Geluid Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder is een geluidszone van kracht rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken' en rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en rond spoorwegen. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones is akoestisch onderzoek nodig om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Het gaat daarbij om geluidsgevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Een andere wet waarin de beperking van geluidhinder een rol speelt is de Luchtvaartwet. Deze wet regelt de vaststelling van grenswaarden voor luchtvaarthavens. Binnen het plangebied komen geen vliegvelden voor.
Geluid vier deelgebieden De Wieden In dit inpassingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, en nieuwe geluidproducerende bestemmingen, zoals bedrijven en hoofdinfrastructuur, mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 57 4.2.4 Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes, de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De normen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. De grenswaarde is 10-6 per jaar. Dit betekent dat de overlijdenskans niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Binnen de zogenaamde PR 10-6-contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden. De verantwoording bevat de volgende elementen: de personendichtheid; de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico; de voor- en nadelen van alternatieve locaties; de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van calamiteiten moet de Veiligheidsregio om advies worden gevraagd.
Beleidskader Externe veiligheidsbeleid, Gemeente Zwartewaterland Het huidige Externe veiligheidsbeleid van de Gemeente Zwartewaterland is vastgesteld in 2013. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving en beleidsnota’s. Invulling geven aan wettelijke verplichtingen en beleid vormen een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Zwartewaterland aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico (GR) en plaatsgebonden risico (PR) te overwegen. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie. Het externe veiligheidsbeleid moet ervoor zorgen dat externe veiligheid goed wordt meegenomen in alle besluiten die op enige wijze invloed uitoefenen op de hoogte van het externe veiligheidsniveau binnen de gemeente. Externe veiligheidsbeleid 2015-2018, Gemeente Steenwijkerland Het huidige Externe veiligheidsbeleid 2015-2018 is vastgesteld in 2014 en bouwt voort op de uitgangspunten en resultaten bereikt met het voorgaande beleid. De gemeente Steenwijkerland heeft een streekfunctie voor wat betreft wonen, werken en voorzieningen.
Dit betekent dat er een goede balans moet zijn tussen het toestaan van risico's en de aanwezigheid van (beperkt) kwetsbare objecten. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie. Het externe veiligheidsbeleid moet ervoor zorgen dat externe veiligheid goed wordt meegenomen in alle besluiten die op enige wijze invloed uitoefenen op de hoogte van het externe veiligheidsniveau binnen de gemeente. PIP De Wieden II 58 Voor de toepassing van dit beleid in nieuwe situaties onderscheidt de gemeente Steenwijkerland drie gebiedstypen: woongebied, overig gebied en transportzones. De begrenzing van gebiedstypen is gebaseerd op het bestemde gebruik zoals opgenomen in het bestemmingsplan). Externe veiligheid vier deelgebieden De Wieden De voorgenomen ontwikkeling is geen categoriale inrichting vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Er worden met de ontwikkeling ook geen gevoelige objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart blijkt dat er zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijfsactiviteiten plaats. Wel loopt door het deelgebied Doosje twee gasleidingen van Gasunie. In het ontwerp van de maatregelen is rekening gehouden met deze gasleidingen, door hier zo min mogelijk werkzaamheden te voorzien waarbij de grond wordt afgegraven of opgehoogd. In de plannen is een maximale ophoging van de grond van 40 cm voorzien.
In overleg met Gasunie is afgestemd dat de twee voorgestelde ophogingen over de linker transportleiding mogelijk zijn zonder onderbouwende berekening. Deze nieuwe leiding kan de ophoging in peil en maaiveld goed aan volgens de specialist van Gasunie. Ook wordt de beoogde kering in Doosje tussen de twee beschermingszones van de leidingen ingelegd. Conclusie Het voorliggende plan levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan gelet op het aspect externe veiligheid. 4.2.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Voor het aspect luchtkwaliteit geldt hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin staan de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) belang. Projecten die in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn onder andere de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 ìg/m3.
Luchtkwaliteit vier deelgebieden De Wieden De in het inpassingsplan voorgestane maatregelen zijn perceelsgebonden en zullen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toevoegen, dat daardoor grenswaarden worden overschreden. Voor wat betreft de in en rond het plangebied optredende emissie kan opgemerkt worden dat de in het inpassingsplan voorgestane maatregelen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toe zullen voegen dat daardoor grenswaarden zouden kunnen worden overschreden. Het besluit en de regeling 'niet in betekende mate' is op dit inpassingsplan zodoende van toepassing. Tevens kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied, met het oog op het aspect luchtkwaliteit, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, hebben geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 59 4.2.6 Wet ammoniak en veehouderij Wettelijk kader De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is bedoeld om de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen gelden aanvullende ammoniakregels om de ammoniakdepositie op die gebieden te verminderen.
Vestiging van nieuwe veehouderijen is hier niet meer mogelijk. Bestaande veehouderijen hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Wet ammoniak en veekhouderij vier deelgebieden De Wieden In de volgende afbeelding zijn de zeer kwetsbare gebieden (groen) weergegeven in en rondom het Natura 2000-gebied De Wieden. Wav gebieden (in groen) in het Natura 2000-gebied “De Wieden”, waar de vier deelgebieden in gelegen zijn (bron: Atlas van Overijssel) Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, dragen bij aan de bescherming van de zeer kwetsbare gebieden en geven die gebieden de mogelijkheid zich te herstellen. PIP De Wieden II 60 4.2.7 Overige aspecten In het plangebied kunnen functies voorkomen die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om de overige omgevingsaspecten, zoals laagvliegroutes, radarposten, zandwinning en kabels en leidingen. In deze subparagraaf wordt kort op deze functies ingegaan. 4.2.7.1 Militaire laagvliegroutes Militaire laagvliegroutes zijn ongeveer 4 kilometer breed en worden gebruikt om te oefenen in het laag boven de grond vliegen. Laagvliegen kan hinder veroorzaken voor mensen die onder of in de buurt van de routes wonen.
Militaire laagvliegroutes vier deelgebieden De Wieden Het Natura 2000-gebied “De Wieden” ligt nabij de militaire laagvliegroute 10A. Route 10A komt de provincie Friesland binnen bij Lauwersmeer en gaat via het oosten van Drachten in de richting van Zwolle. Deze route is echter sinds 2002 opgeschort. Laagvliegroute 10A Conclusie De maatregelen in dit plan voor het Natura 2000-gebied “De Wieden” richten zich op het behoud en het versterken van natuurkwaliteiten. Deze natuurkwaliteiten zijn niet gevoelig voor effecten van de laagvliegroute. De maatregelen zelf hebben ook geen invloed op de militaire laagvliegroute. 4.2.7.2 No fly zone De activiteit luchtvaart is een van de bestaande activiteiten die in het beheerplan voor het Natura 2000-gebied "De Wieden en Weerribben" is beoordeeld middels een kleurcodering. No fly zones vier deelgebieden De Wieden Wanneer een bestaande activiteit als groen beoordeeld is, kan de activiteit zonder Wet NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 61 natuurbescherming-vergunning worden gecontinueerd. Voor een geel beoordeelde activiteit geldt dat de activiteit geen Wet natuurbescherming-vergunning nodig heeft, indien de activiteit wordt uitgevoerd onder de in het Natura 2000-beheerplan opgenomen voorwaarden.
Als een groen of geel beoordeelde activiteit in de praktijk toch tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen leidt, zal het bevoegd gezag opnieuw een habittatoets moeten (laten) verrichten en zo nodig nieuwe voorwaarden en beperkingen in het Natura 2000-beheerplan moeten opnemen. De kans daarop is klein omdat de beoordeling uitgaat van 'afstanden waarbij redelijkerwijs significante effecten kunnen worden uitgesloten'. Luchtvaart is beoordeeld met code geel: Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen zijn met 'mitigerende maatregelen' uit te sluiten. De activiteit kan onder voorwaarden woorden gecontinueerd. Het gaat om de voorwaarden: Niet landen of opstijgen binnen een afstand van 2.000 meter vanaf de grens van de Natura 2000-gebieden, binnen deze straal en boven het Natura 2000-gebied mag niet lager gevlogen worden dan 3.000 foot; voor drones of andere onbemande luchtvaartuigen geldt een afstand van 250 meter en een hoogte van 1.000 foot. Conclusie De activiteit kan onder voorwaarden worden gecontinueerd. Deze voorwaarden zijn in de regels en verbeelding doorvertaald middels de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - luchtverkeer'.
Met dien verstande dat vliegactiviteiten die onder ecologische begeleiding worden uitgevoerd door of namens de terreinbeheerder om het Natura 2000-gebied te inventariseren en te beheren, hiervan zijn uitgezonderd. 4.2.7.3 Radarverstoringsgebieden In Nederland staan verschillende militaire en civiele radarposten. Bij het ontwikkelen van (bouw)projecten moet in een aantal gevallen worden onderzocht of deze projecten de radars niet verstoren. In de Regels algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn de radarverstoringsgebieden beschreven waarvoor bouwhoogte-beperkingen gelden. Radarverstoring komt het vaakst voor bij hoge bouwwerken, bijvoorbeeld windturbines. Bij burger- en militaire vliegvelden moeten de radars vanaf 300 voet (minder dan 100 m) vliegtuigen kunnen waarnemen en in het verkeersleidinggebied in de omgeving van deze vliegvelden op 500 voet. Daartoe gelden in deze gebieden ook algemene bouwhoogtebeperkingen voor alle soorten gebouwen en bouwwerken. Dit moet ook de betrouwbare werking van andere navigatiesystemen van de civiele luchtvaart garanderen. Plannen voor windturbines zijn toetsingsplichtig indien zij zijn gepland op een afstand van minder dan 75 km van één van de 7 radarposten en indien de tiphoogte van de wieken de opstelhoogte van die radarinstallatie met een bepaalde hoogte overstijgt.
Plannen voor gebouwen en bouwwerken zijn toetsingsplichtig indien zij zijn voorzien binnen 15 km van een radarpost en indien de hoogte het opstelpunt van de radarinstallatie met een bepaalde hoogte overstijgt. Radarverstoringsgebieden vier deelgebieden De Wieden Het plangebied is gelegen tussen de radarstations 'Leeuwarden' (maximale bouwhoogte 95 meter t.o.v. NAP) en 'AOCS Nieuw Millingen' (maximale bouwhoogte 118 t.o.v. NAP). Binnen het Natura 2000-gebied “De Wieden” zijn uitsluitend gebouwen toegestaan, die deel uitmaken van de maatregelen die worden uitgevoerd in het kader van de realisatie van het inrichtingsplan voor "De Wieden". Met deze maatregelen worden radarverstoringsgebieden niet aangetast. Conclusie Het voorliggende plan vormt geen belemmeringen voor de aanwezigheid en werking van de radarverstoringsgebieden. PIP De Wieden II 62 4.2.7.4 Overige infrastructuur Transport van informatie, energie en water vindt plaats met kabels en leidingen. De infrastructuur hiervoor is zowel bovengronds (hoogspanningsleidingen) als ondergronds (bijvoorbeeld gasleidingen) aanwezig. Om te voorkomen dat er activiteiten gebeuren die strijdig zijn met deze vorm van infrastructuur, dient doorgaans een minimale afstand of maximale hoogte in acht te worden genomen.
Overige infrastructuur en vier deelgebieden De Wieden De aardgastransportleiding is in het kader van externe veiligheid reeds benoemd. Andere kabels en leidingen behoudens de bestaande aansluitingen bij de woningen binnen het plangebied zijn niet aanwezig. Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de kabels en leidingen. 4.2.8 Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot het aspect milieu. 4.3 Water In deze waterparagraaf komen de KRW-gerelateerde en waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied aan de orde. Er is geen sprake van toename van het verharde oppervlak. 4.3.1 Wettelijk en beleidsmatig kader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in een inpassingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Daarnaast is sinds 2003 de Watertoets wettelijk verplicht om op te nemen in ruimtelijke plannen. De watertoets heeft als doel om negatieve effecten (zoals bijvoorbeeld wateroverlast, achteruitgaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, e.d.) te voorkomen en mogelijke kansen voor watersystemen te benutten. Deze waterparagraaf is de watertoets voor onderhavig inpassingsplan.
Het relevante waterbeleid is beschreven in Hoofdstuk 2 van dit inpassingsplan. 4.3.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta, maakt onderdeel uit van 'Samen werkt beter', en is intensief betrokken geweest in het gebiedsproces bij het uitwerken van de benodigde maatregelen. Er heeft daarom geen watertoetsprocedure plaatsgevonden. De waterbeheerder heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de resultaten van de waterparagraaf. De maatregelen zijn beschreven in paragraaf 3.5 van dit inpassingsplan en nader onderbouwd in NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 63 het inrichtingsplan, dat als Bijlage 1 bij de regels is bijgevoegd. 4.3.3 Water vier deelgebieden De Wieden In het kader van de voorgenomen herstelmaatregelen is een hydrologisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 20 december 2022, Bijlage 5). Het hydrologisch onderzoek wordt ingezet om het hydrologisch ontwerp van De Wieden fase 2 te onderbouwen en te beoordelen. Om dit te doen, wordt een gedegen grondwatermodel ontwikkeld op basis van de inzichten verkregen uit de watersysteembeschrijving en het grondwatermeetnet. Het grondwatermodel wordt ingezet om de effecten van het ontwerp op verschillende gebruiksfuncties te beoordelen. 4.3.3.1 Deelgebied Zomerdijk / Zwartesluis Huidige situatie Het deelgebied ligt oostelijk van Zwartsluis en aan de noordkant van de Zomerdijk langs het Meppelerdiep.
Het deegebied is omgeven door bestaande natuur. De maaiveldhoogte binnen het projectgebied varieert tussen NAP -0,9 tot -0,1 m. De maaiveldhoogte binnen de deelgebied en het naastgelegen boezemgebied verschilt met uitzondering van de rivierduin weinig. Aan de noordzijde ligt het peil op boezempeil en aan de zuidzijde loopt het Meppelerdiep met een peil boven boezempeil. Het deelgebied heeft een minpeil van NAP -1,3 m en een maxpeil van NAP -0,8,m. De ontwateringsdiepte van de GLG ligt in een groot deel van het gebied tussen 0 en 0,5 m onder maaiveld (gemiddelde 0,37 m onder maaiveld). Bij de GHG ligt de ontwateringsdiepte veelal tussen 0 en 0,25 m onder maaiveld (gemiddeld 0,22 m onder maaiveld). De stijghoogte van de GLG ligt tussen NAP -0,6 en -0,8 m. De isohypsen kaart van de GHG laat hetzelfde beeld zien. Meetnet In het deelgebied zijn drie peilbuizen geplaatst met elk twee filters. Binnen het deelgebied is circa 20 cm verschil te zien in de stijghoogte, waarbij de hoogste waarde bij het Meppelerdiep ligt en het oosten van het gebied een hogere stijghoogte heeft dan het westen. In het gebied is sprake van wegzijging: de stijghoogte in het freatisch pakket is hoger dan die in de zandonder-grond. Op basis van tijdreeksstatistieken is bepaald dat er een factor is, naast neerslag en verdamping, die in sterke mate de stijghoogte bepaalt.
Deze factor is naar verwachting het oppervlaktewaterpeil. Toekomstige situatie Het deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis heeft in de huidige situatie een peil van NAP -1,3/-0,8 m. Bij het ontwerp (Bijlage D van Bijlage 5) wordt dit peil verhoogd naar boezempeil (NAP -0,83/-0,73 m). Van een deel van het gebied zal 50 cm worden afgegraven. Daarnaast worden bestaande watergangen verbreed om zo meer wateroppervlak en habitats te creëren en om te zorgen dat er voldoende wateraanvoer in het gebied kan plaatsvinden. Wateraanvoer vindt plaats aan de oostkant van het gebied met een inlaat vanaf het naastgelegen gebied met boezempeil. De afvoer zit aan de westtkant van het gebied. 4.3.3.2 Deelgebied Zomerdijk / Beukers Huidige situatie Het deelgebied ligt oostelijk van Zwartsluis en aan de noordkant van de Zomerdijk langs het Meppelerdiep. Het deelgebied is omgeven door bestaande natuur. De maaiveldhoogte binnen het deelgebied varieert tussen NAP -0,9 tot -0,1 m. In het deelgebied is een hogere rug waarneembaar, wat een oude rivierduin is. De maaiveldhoogte binnen het deelgebied en het naastgelegen boezemgebied verschilt met uitzondering van de rivierduin weinig. PIP De Wieden II 64 Aan de noordzijde ligt het peil op boezempeil en aan de zuidzijde loopt het Meppelerdiep met een peil boven boezempeil. Het deelgebied heeft een minpeil van NAP -1,4 m en een maxpeil van NAP -1,1 m.
De ontwateringsdiepte van de GLG ligt gemiddeld lager dan in Zomerdijk / Zwartsluis (gemiddelde ligt 0,47 m onder maaiveld), dit komt voornamelijk door de hoger gelegen zandruggen. Bij de GHG ligt de ontwateringsdiepte veelal tussen 0 en 0,25 m onder maaiveld (gemiddeld 0,25 m onder maaiveld). De hoger gelegen rivierduinen in Zomerdijk Beukers zijn hier ook goed waarneembaar (ontwateringsdiepte van 0,8 tot 1,4 m -mv). De stijghoogte van de GLG ligt tussen NAP -0,6 en -1,0 m. De isohypsen kaart van de GHG laat hetzelfde beeld zien. Meetnet In het deelgebied zijn twee peilbuizen geplaatst waarvan één met twee filters Er is weinig verhang aanwezig van oost naar west. In het gebied is sprake van wegzijging: de stijghoogte in het freatisch pakket is hoger dan die in de zandondergrond. Op basis van tijdreeksstatistieken is bepaald dat de freatische grondwaterstand en de stijghoogte in de zandondergrond sterk afhankelijk zijn van neerslag en verdamping. Toekomstige situatie Deelgebied Zomerdijk /Beukers heeft in de huidige situatie een peil van NAP -1,1/-1,4 m. In het ontwerp wordt dit peil opgezet tot NAP -0,4 m (Bijlage D). Daarnaast worden bestaande watergangen verbreed om zo meer water-oppervlak en habitats te creëren en om te zorgen dat er voldoende wateraanvoer in het gebied kan plaatsvinden.
Wateraanvoer vindt plaats aan de zuidwestkant van het gebied met een inlaat vanuit het Meppelerdiep. De afvoer zit aan de oostkant van het gebied, waar een watergang richting Doosje wordt aangelegd om hier het water naar toe te voeren. Ter plaatse van de zandrug worden de watergangen niet verbreed, om deze rug intact te laten. Om effecten bij de woningen te voorkomen, is ervoor gekozen om hier een kade aan te leggen en in een zone het maaiveld te verhogen. Ook wordt er een nieuwe sloot gegraven langs de kade die als kwelsloot dient om effecten af te vangen. De kwelsloot krijgt een peil van NAP -1,4 m. De watergangen rondom de woningen zullen worden opgeschoond en krijgen ook het peil van NAP -1,4 m. 4.3.3.3 Deelgebied Doosje Huidige situatie Het deelgebied ligt ten noorden van de Zomerdijk en betreft een voormalig landbouwgebied dat omgeven is door bestaande natuur. De maaiveldhoogte binnen het projectgebied varieert van NAP -0,9 tot 0 m. Het oostelijke deel van Doosje ligt op een hoge zandrug en is overduidelijk hoger dan het westelijker gelegen projectgebied. Aan de noordzijde ligt het peil op boezempeil en aan de zuidzijde loopt het Meppelerdiep met een peil boven boezempeil. Het oosten van deelgerbied Doosje heeft een peil tussen NAP -1,6 en -1,8 m. Het westelijk deel van Doosje heeft een peil tussen NAP -0,73 en -1,4 m.
Bij de GLG is de ontwateringsdiepte relatief groot, in een groot deel van het gebied ligt deze tussen 0,5 en 0,8 m onder maaiveld (gemiddelde 0,67 m onder maaiveld). Bij de GHG ligt de ontwateringsdiepte veelal tussen 0,8 tot 0,4 m onder maaiveld (gemiddeld 0,47 m onder maaiveld). De ontwateringsdiepte in de boezem is duidelijk kleiner, bij GLG tussen 0 en 0,6 m-mv en bij GHG tussen 0 en 0,25 m-mv. De isohypsenkaart van de GLG laat een stijghoogte zien van NAP -0,5 tot -2 m. In deelgebied Doosje is de laagste grondwaterstand te zien (tussen NAP -1,5 en -2 m). De isohypsenkaart van de GHG laat ook de laagste grondwaterstanden zien in het project-gebied. Dit komt doordat het oppervlaktewaterpeil hier het laagst ligt. Meetnet In het deelgebied zijn vijf peilbuizen geplaatst waarvan één met twee filters. Binnen deelgebied Doosje is circa 20 cm verschil te zien in de stijghoogte van verschillende peilbuizen, waarbij de hoogste en laagste locatie beide langs het Meppelerdiep liggen. Er is sprake van een lichte kweldruk. Op basis van tijdreeksstatistieken is bepaald dat de stijghoogte sterk afhankelijk is van neerslag en verdamping, behalve bij de peilbuis ten noorden van Doosje en in het midden van het gebied. Hier is een factor, naast neerslag en verdamping, die in sterke mate de stijghoogte NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 65 bepaalt.
Deze factor is naar verwachting het oppervlaktewaterpeil. Toekomstige situatie Het deelgebied Doosje heeft in de huidige situatie een peil van NAP -1,8/-1,6 m aan de oostkant en een peil van NAP -1,4/- 0,73 aan de westkant. Beide delen zullen bij het ontwerp een peil van NAP -0,4 m krijgen (Bijlage D van Bijlage 5). Daarnaast worden bestaande watergangen verbreed om zo meer wateroppervlak en habitats te creëren en om te zorgen dat er voldoende wateraanvoer in het gebied kan plaatsvinden. Wateraanvoer vindt plaats aan de westkant van het gebied met een aanvoer vanuit het deelgebied Zomerdijk Beukers. De afvoer zit aan de zuidwestkant bij gemaal Doosje. Het losse oostelijke perceel van Doosje behoudt het huidige boezempeil. Hier worden geen maatregelen verricht. Om effecten bij de woningen te voorkomen, is ervoor gekozen om hier een kade aan te leggen, en in een zone het maaiveld te verhogen. Ook wordt er een nieuwe sloot gegraven langs de kade die als kwelsloot dient om effecten af te vangen. De kwelsloot krijgt een peil van NAP -1,8 m. De watergangen rondom de woningen zullen worden opgeschoond en krijgen ook het peil van NAP -1,8 m. 4.3.3.4 Deelgebied Polder Giethoorn Huidige situatie Deelgebied Polder Giethoorn is een voormalig landbouwgebied tussen Dwarsgracht en Giethoorn. Het maaiveld varieert tussen NAP -0,75 en -2 m.