8.4 De Wieden II_Toelichting - bijlage 3b
Tekst van het document
Door het 'overhevelen' van gronden tussen percelen, via al of niet tijdelijke huurcontracten of eigendomsoverdrachten, zou op een van de percelen of op alle betrokken percelen uiteindelijk een bebouwde oppervlakte kunnen ontstaan, die groter is dan het inpassingsplan blijkens de regels beoogt toe te staan. Artikel 8 Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels geven aan wat onder gebruik in strijd met onderhavig provinciaal inpassingsplan wordt volstaan. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In deze regels is de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het inpassingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn. Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Binnen het deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis is een bestaande geluidzone vanwege het industriegterrein Zwartsluis gelegen. Deze bestaande geluidzone is op de verbeelding overgenomen door middel van de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie 1'.
Deze gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting van geluidsgevoelige gebouwen vanwege het industrieterrein Zwartsluis. Ten behoeve van de bescherming van de waterkeringen is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' opgenomen. Deze gronden zijn mede aangewezen voor de bescherming, de versterking, het beheer en het onderhoud van de dijk, met de bijbehorende voorzieningen, zoals bermen, schouwpaden en beschoeiing. Bebouwing is bij recht niet toegestaan; via binnenplanse afwijking kan hier onder voorwaarden van worden afgeweken. Verder wordt de bescherming verzekerd door voor een aantal werkzaamheden een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden te eisen. PIP De Wieden II 86 De activiteit luchtvaart kan alleen onder voorwaarden woorden gecontinueerd. Deze voorwaarden zijn in de regels en verbeelding door vertaald middels de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - luchtverkeer'. Met dien verstande dat vliegactiviteiten die onder ecologische begeleiding worden uitgevoerd door of namens de terreinbeheerder om het Natura 2000- gebied te inventariseren en te beheren, hiervan zijn uitgezonderd.
Artikel 11 Overige regels Bevoegdheidsverklaring artikel 3.26 lid 5 Wro: De gemeenteraden van Steenwijkerland en Zwartewaterland zijn bevoegd bestemmingsplannen vast te stellen voor gronden of delen van gronden van dit plan onder de voorwaarden dat: a. De uitvoering van maatregelen ten behoeve van het realiseren van het inrichtingsplan zoals dat is opgenomen in bijlage 1 van de toelichting is gerealiseerd dan wel op een andere wijze wordt gewaarborgd dat zicht bestaat op realisatie van het inrichtingsplan; b. De instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "De Wieden" in het nieuwe bestemmingsplan gerespecteerd blijven. Onder a wordt aangegeven dat de maatregelen ten behoeve van de uitvoering van het inrichtingsplan gerealiseerd moeten zijn, dan wel dat er uitzicht op realisatie dient te bestaan. Bij realisatie gaat het om de daadwerkelijke afronding van de maatregelen. Hierbij kan sprake zijn van onteigening. Bij zicht op realisatie zijn privaatrechtelijke overeenkomsten in principe voldoende. Deze overeenkomsten moeten dan uiteraard gesloten zijn. Hierbij speelt onteigening in beginsel geen rol. Onder b is aangegeven dat ook bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de instandhoudingsdoelstelling gerespecteerd dienen te blijven. Dit geldt voor de huidige raad, maar ook voor nieuwe raden.
De maatregelen die gerealiseerd zijn en waarvoor specifieke elementen in het inpassingsplan zijn opgenomen, mogen bijvoorbeeld niet door een nieuwe bestemming 'Natuur' waarin die specifieke elementen niet zijn opgenomen teniet gedaan worden. Voorrangsregels: Voorrangsregeling voor dubbelbestemming ten opzichte van bestemming en de dubbelbestemmingen onderling. Artikel 12 Overgangsrecht In het Besluit ruimtelijke ordening zijn regels voor overgangsrecht opgenomen. Deze zijn in dit PIP overgenomen. Het doel van het overgangsrecht is dat bestaande bouwwerken of bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beeindiging van gebruik wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan gedoogd totdat in de loop van de planperiode de sloop respectievelijk de beeindiging van het gebruik plaatsvindt. Bouwwerken en gebruiksvormen die al strijd zijn met het vorige ruimtelijk plan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee.
Het Besluit ruimtelijke ordening bevat in de regels voor het overgangsrecht de volgende bepaling: "Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van het ten tijde van de inwerkingtreding van een inpassingsplan bestaand gebruik." Bovenstaande houdt in dat de standaardbepalingen voor het overgangsrecht niet onverkort kunnen worden toegepast, als uit de Wet natuurbescherming gebruiksbeperkingen voortvloeien. In dat geval gaat de 'hogere regelgeving' boven het overgangsrecht. Dit PIP is opgesteld ten dienste van de Vogel- en Habitatrichtlijnen. De maatregelen en beperkingen die in dit plan geregeld zijn, hebben als doel negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te stoppen en de beschermde habitats en soorten te beschermen. Om die reden is het gebruikelijke overgangsrecht, volgens bovenstaande bepaling, niet toegestaan. Dit geldt alleen voor strijdig gebruik en is niet van toepassing op bouwwerken. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 87 De Provincie Overijssel heeft daarom besloten om de overgangstermijn te beperken. De overgangstermijn komt te vervallen na twee jaar na het onherroepelijk worden van dit PIP.
In die periode van twee jaar kan de grondeigenaar het strijdige gebruik beëindigen of kan de Provincie Overijssel passende maatregelen en/of passende oplossingen treffen. De wijze waarop dit plaatsvindt is opgenomen in het grondbeleid van de provincie Overijssel (zie ook paragraaf 6.3 Economische uitvoerbaarheid en de inleiding van dit PIP). Kortheidshalve houdt dit beleid in dat de Provincie Overijssel in eerste instantie probeert overeenstemming over het beëindigen van het strijdige gebruik te krijgen. Dit kan doormiddel van zelfrealisatie, schadevergoeding, het leveren van ruilgrond (indien dat beschikbaar is) of zelfs het aankopen van de gronden en/of het bedrijf. Dit is afhankelijk van de specifieke situatie en betreft maatwerk. Biedingen hiervoor worden gedaan voor de vaststelling van het PIP. De Provincie Overijssel erkent dat dit gevolgen kan hebben voor de grondeigenaren. Echter, het uitvoeren van de beoogde maatregelen en het opleggen van de beperkingen is noodzakelijk om de beschermde habitats en soorten in het Natura 2000 gebied te beschermen. Dit is een wettelijke opgave die voortvloeit uit de Wet natuurbescherming, en moet daarom uitgevoerd worden. In alle gevallen wordt er, in afstemming met de grondeigenaren, gezocht naar een goede oplossing.
Indien er geen overeenstemming bereikt wordt, kan de Provincie Overijssel dwingend instrumentarium inzetten zoals de gedoogplicht op grond van de Wet natuurbescherming of onteigening om ervoor te zorgen dat het strijdige gebruik binnen de overgangstermijn is beëindigd en daarmee de wettelijk verplichte doelstellingen worden gehaald. Eveneens kan er handhavend opgetreden worden tegen strijdig gebruik. Artikel 13 Slotregel Bij deze regel is vermeld hoe het plan kan worden aangehaald. PIP De Wieden II 88 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Monitoring, toezicht en handhaving Dit inpassingsplan richt zich op het herstel, behoud en ontwikkeling van de Natura 2000-gebied en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Echter, de ontwikkeling van natuur is grillig en afhankelijk van (veranderende) situaties ter plaatse. Met monitoring wordt gevolgd of de instandhoudingsmaatregelen het gewenste resultaat opleveren en of veranderingen in het gebied of het gebruik in en om het gebied effect hebben op het realiseren van de doelen. Er zijn verschillende meetnetten die de benodigde informatie leveren. Voor de KRW en (beleids)doelen van de Waterschappen worden de waterkwaliteit en -kwantiteit gemonitord. De grondwaterkwaliteit en -kwantiteit worden gemonitord onder regie van de provincie (het Meetnet Verdroging).
Daarnaast zijn er nog twee voor Natura 2000 belangrijke meetnetten over natuurkwaliteit: het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en de monitoring in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De meetnetten zijn zo vormgegeven dat deze informatie opleveren die gebruikt kan worden voor het beantwoorden van verschillende vragen en ten behoeve van verschillende monitoringsvereisten. De uit de monitoring volgende informatie wordt gebruikt bij het opstellen van het Natura 2000-beheerplan voor de volgende beheerplanperiode en voor de door het Rijk aan de Europese Commissie te leveren natuurrapportage. De informatie is ook van belang voor vergunningverlening, handhaving en beheer van het Natura 2000-gebied. De provincie is verantwoordelijk voor de monitoring van de natuur binnen de Natura 2000-gebieden. De provincie maakt met betrokken partijen afspraken over de uitvoering van de monitoring. De uitvoering van de aspecten vegetatie, typische soorten en structuur zal veelal uitgevoerd worden door de terreinbeheerders. Waterschappen voeren veelal de monitoring van de waterkwaliteit en -kwantiteit uit. De provincie bewaakt de uitvoering van de afspraken. SNL-monitoring Over de manier waarop de monitoring wordt uitgevoerd zijn landelijke afspraken gemaakt.
De belangrijkste is dat de Natura 2000-monitoring integraal is opgenomen in de 'Werkwijze Natuurmonitoring en -beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS' (hierna: werkwijze SNL-monitoring). In deze werkwijze wordt gedetailleerd beschreven hoe de kwaliteit van natuur moet worden gemonitord. De beschreven monitoringsmethodiek is onafhankelijk van het Natura 2000-gebied: eenzelfde habitattype wordt overal op dezelfde manier gemonitord. Deze werkwijze is te vinden op het portaal Natuur en Landschap. Natuurmonitoring in het kader van het aspect stikstof In het kader van het aspect stikstof wordt per gebied jaarlijks een gebiedsrapportage opgesteld met als doel de ontwikkeling van de stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en de voortgang van de uitvoering van de herstelmaatregelen in beeld te brengen. De gebiedsrapportage bevat een presentatie van de stand van zaken van de natuurontwikkeling en de uitvoering van de herstelmaatregelen op gebiedsniveau, inclusief o.a.: Geactualiseerde informatie over omvang en kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten; Verslagen van de jaarlijkse veldbezoeken (toets of de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten zich ontwikkelen volgens verwachting); Proces(meet)indicatoren en de informatie die hieruit voorkomt.
Procesindicatoren worden gebruikt om de voortgang van het herstelproces als gevolg van het uitvoeren van bepaalde herstelmaatregelen te volgen. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 89 De PAS-uitspraak van 29 mei 2019 gaat niet in op deze monitoring. Monitoring voor natuurmaatregelen blijft relevant. Hier wordt dus mee doorgegaan. Gebiedsspecifieke natuurmonitoring De monitoring t.b.v. het PAS of de SNL zal zich, naar verwachting, beperken tot periodieke herhaalde vegetatiekarteringen, de monitoring van de populaties van de VHR-soorten (Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten) en de monitoring van stikstofemissie. Dit houdt in dat voor gebiedsspecifieke monitoring een aparte monitoring geregeld moet worden. Voor het gebied De Wieden staat dit beschreven in hoofdstuk 8 van het beheerplan. Hierin is het volgende aangegeven: "Aandachtspunt is dat voor de soorten geel schorpioenmos, groenknolorchis en zeggekorfslak de uitgangssituatie in beeld moet worden gebracht. Zoals aangegeven in de vorige hoofdstukken zijn er in de De Wieden vragen rond de effectiviteit van maatregelen op de lange termijn.
Met name zijn er veel vragen over de juiste randvoorwaarden: waarom leveren de genoemde maatregelen soms wel, en soms geen gewenst resultaat op? In hoeverre is de dikte en doorlatendheid van de kragge een factor die bepalend is voor de effectiviteit van de maatregelen? Door de maatregelen en de uitgangssituatie goed vast te leggen, en vervolgens de effecten van de maatregelen op hydrologie, bodem en vegetatiesamenstelling goed te volgen, kan veel worden geleerd. Uitkomsten van de monitoring kunnen in de volgende PAS-periodes leiden tot aanpassing van het maatregelpakket. Aansluitend op de gesignaleerde kennishiaten zal daarom in de gebiedspecifieke monitoring aandacht worden besteed aan: De ontwikkeling van verlandingsvegetaties in gegraven petgaten als functie van waterkwaliteit en type beheer; De lange-termijn effecten van zomermaaien op structuur en voorkomen typische soorten; De ontwikkeling van (veenmos)rietlanden na rooien van bos, als functie van uitgangssituatie (dikte kragge en grondwaterdynamiek) De effecten van schrapen als functie van uitgangssituatie (dikte kragge, grondwaterdynamiek, mate van vergrassing/verstruiking/vermossing) en het vervolgbeheer (wel of niet bevloeien) De ontwikkeling van blauwgraslanden op ribben als functie van uitgevoerde maatregelen en de uitgangssituatie (basenrijkdom en pH bodem, mate van vergrassing en verruiging).
Omdat deze monitoring ook veel kennis zal opleveren die breder toepasbaar is dan alleen in De Wieden en Weerribben, zal worden nagegaan in hoeverre bij deze monitoring kan worden aangesloten bij landelijke kaders, zoals bijvoorbeeld onderzoek in het kader van de OBN. Er wordt ook een kennisleemte geconstateerd ten aanzien van de effecten van bevloeiing en inundatie. Het wegnemen van deze kennisleemte vraagt om experimenteel onderzoek, en is dus niet meegenomen in de gebiedsgerichte monitoring van de effecten van maatregelen. Met rijk zal worden overlegd in hoeverre dit onderzoek kan worden ingepast in landelijke onderzoeksprogramma's, bijvoorbeeld in het OBN." Toezicht en handhaving De Wet natuurbescherming biedt het kader voor toezicht en handhaving in relatie tot de Natura 2000-beheerplannen (gebiedscontrole, naleving vergunningen etc.). Adequaat toezicht en handhaving zijn nodig voor een goede naleving en dus voor een goede uitvoering van de Wet natuurbescherming. Toezicht en handhaving zien op de controle op de naleving van vergunningen en op het opsporen van en optreden tegen overtredingen van een aantal artikelen uit de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming biedt het bevoegd gezag ook de mogelijkheid maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
Zo kan het bevoegd gezag verleende vergunningen intrekken of wijzigen als de situatie daartoe noopt. Het bevoegd gezag kan als dat nodig is ook besluiten de toegang tot een beschermd gebied te beperken. Op basis van de landelijk ontwikkelde en vastgestelde 'Handreiking handhavingsplan Natura 2000' (IPO, 2013xiv) worden toezicht en handhaving nader uitgewerkt in toezichts- en handhavingsplannen voor de Natura 2000-beheerplannen en handhavingsuitvoeringsprogramma's. Bij het opstellen van het handhavingsplan wordt samengewerkt met de partijen die een taak hebben op dit gebied (zoals de terreinbeherende organisaties). Gelet op voorstaande kan geconcludeerd worden dat met behulp van monitoring, toezicht en PIP De Wieden II 90 handhaving de natuurdoelen van het Natura 2000-gebied De Wieden zullen worden gehaald en daarmee het provinciale inpassingsplan uitvoerbaar is. 6.2 Juridische uitvoerbaarheid 6.2.1 Provinciale coördinatieverordening Voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 moeten per gebied diverse besluiten worden genomen door verschillende bevoegde gezagen. Ten behoeve van het vergunningentraject heeft de provincie Overijssel een coördinatieverordening vastgesteld d.d. 9 november 2016. Alle benodigde besluiten voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 zullen per gebied zoveel mogelijk gelijktijdig of geclusterd voorbereid worden.
De gecoördineerde besluiten doorlopen dezelfde voorbereidingsprocedure en liggen tegelijk ter inzage bij één loket. Desgewenst kan met één zienswijze gereageerd worden op diverse ontwerpbesluiten. Hierdoor hoeft niet voor elk besluit een aparte procedure en rechtsgang doorlopen te worden. Dit zorgt voor meer overzichtelijkheid van de procedures. Naast het PIP, waarvan het MER en het inrichtingsplan, als bijlage deel uit maken, worden de volgende toestemming aangevraagd: Peilbesluit. In alle vier de deelgebieden gaat het peil omhoog. Voor wijziging van de waterstand van een oppervlaktelichaam is een peilbesluit noodzakelijk. Dit is een interne aangelegenheid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ontgrondingenvergunning. Voor graafwerkzaamheden ten behoeve van o.a. het graven, herprofileren en verondiepen van diverse watergangen en slenken en het afgraven van de toplaag op percelen die moeten worden ingericht voor blauwgrasland, is een ontgrondingenvergunning nodig. De Provincie Overijssel is hiervoor Bevoegd Gezag. Watervergunning. Voor diverse maatregelen aan het watersysteem, zoals het graven, herprofileren en verondiepen van diverse watergangen en slenken, het aanpassen van overige waterkeringen (in beheer bij WDOD) wordt een watervergunning aangevraagd. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is Bevoegd Gezag voor de watervergunningaanvraag.
Overige (uitvoeringsgerelateerde) vergunningen. Deze zullen later separaat door de aannemer worden aangevraagd. 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Provinciale sturingsfilosofie De provincie Overijssel past voor haar rol in het ruimtelijk domein een bestuursfilosofie toe die er naar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar inwoners van Overijssel belang aan hechten. De sturingsfilosofie van de provincie Overijssel is kort samen te vatten als 'resultaat door partnerschap'. De provincie vormt vitale coalities met de partners en netwerken waarin verschillende partners gezamenlijk in actie komen om maatschappelijk resultaat te boeken. Hoofdlijnen van deze sturingsfilosofie zijn: Complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners in vitale coalities aanpakken; Ruimte voor bestuurlijke partners om op het meest geëigende schaalniveau op eigen gezag te handelen; Eenvoudige en heldere regels. Gebiedsprocessen NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 91 In het kader van deze sturingsfilosofie is Samen Werkt Beter in het leven geroepen. In Hoofdstuk 1 is ingegaan op Samen Werkt Beter en het bijbehorende proces. Hier is tevens het gebiedsproces beschreven voor het Natura 2000-gebied “De Wieden".
Keuze ruimtelijk instrument In de provinciale sturingsfilosofie is ook beschreven op welke momenten de provincie Overijssel (selectief) gebruik maakt van het ruimtelijke instrument 'inpassingsplan'. Dit instrument kan de provincie Overijssel in de volgende situaties inzetten: Als er sprake is van provinciaal belang, en; Als er uit overleg blijkt dat de gemeente niet bereid is om een bestemmingsplan vast te stellen of hiertoe niet (tijdig) overgaat, of; Als de gemeente aan de provincie vraagt om een inpassingsplan vast te stellen. De te nemen maatregelen in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 passen in veel gevallen niet binnen de nu geldende bestemmingsplannen. Dit zorgt ervoor dat een groot aantal ruimtelijke procedures noodzakelijk is om deze maatregelen mogelijk te maken. Vanwege de benodigde proceduretijd en de deadline van de maatregelen in maart 2026 ligt de ruimtelijke planvorming op het kritieke tijdpad van de planning van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het is daarom van groot belang om de ruimtelijke planvorming zo efficiënt mogelijk in te richten. Essentieel onderdeel hierbij is de vraag of een bestemmingsplan of een inpassingsplan opgesteld gaat worden om de benodigde maatregelen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Eén van de grote voordelen van een provinciaal inpassingsplan is dat de beroepstermijn aanzienlijk korter is dan bij een bestemmingsplan.
Een provinciaal inpassingsplan valt namelijk onder de Crisis- en herstelwet waardoor de Raad van State binnen een half jaar een uitspraak moet doen op ingestelde beroepen. Deze verplichting geldt niet bij beroep tegen een bestemmingsplan. Daardoor is de doorlooptijd van een bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State circa een jaar langer. Om voorstaande redenen heeft de provincie Overijssel de betrokken gemeenten middels een brief (17 maart 2016) gevraagd om een voorkeur uit te spreken over de inzet van het ruimtelijk instrument: een bestemmingsplan of een inpassingsplan. De gemeenten Steenwijkerland (d.d. 20 mei 2016, kenmerk: 2016/0089307) en Zwartewaterland (d.d. 17 maart 2016, kenmerk:2016/0089256) hebben te kennen gegeven geen bezwaren te hebben tegen een provinciaal inpassingsplan. Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben op 27 september 2016 besloten om voor het Natura 2000-gebied “De Wieden” een inpassingsplan voor te gaan bereiden. 6.3.2 Procedure inpassingsplan In dit geval is er voor gekozen om geen voorontwerp inpassingsplan ter inzage te leggen. Ontwerpfase Het ontwerp-inpassingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder.
Ook worden de gemeenteraden van Steenwijkerland en Zwartewaterland gehoord en worden de overlegpartners (artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) om advies gevraagd. De ontvangen zienswijzen, de adviezen en de reactie van de gemeenteraad worden beantwoord in een zienswijzennota en verwerkt in een definitief inpassingsplan. Vervolgprocedure Het definitieve inpassingsplan zal ter vaststelling worden aangeboden aan de Provinciale Staten. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld en krijgen voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan de mogelijkheid om te reageren op de beantwoording van hun zienswijze. Na vaststelling van het definitieve inpassingsplan zal het plan voor zes weken ter inzage liggen. In deze periode kan beroep en/of een voorlopige voorziening bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ingediend worden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zal vervolgens een uitspraak doen op het beroep en/of de voorlopige voorziening. PIP De Wieden II 92 6.3.3 Communicatie en participatie Tijdens de gebiedsprocessen wordt uitgebreid gecommuniceerd met omwonenden, belanghebbenden, grondeigenaren, partijen, andere overheden, etc.
De communicatie binnen het project is voornamelijk gericht op het meenemen van (in)direct betrokkenen in de totstandkoming van het maatregelenpakket, de benodigde vergunningen en procedures, de voorbereiding van de uitvoering en de daadwerkelijke uitvoering. De doelgroepen hierin zijn de grondeigenaren en nabij het Natura 2000-gebied, omwonenden en andere geïnteresseerden, maar ook de bestuurders en de achterban van de partners. Hieronder is een overzicht opgenomen van de participatiemomenten tijdens dit gebiedsproces. Communicatie tussen partners Op de volgende wijze vind de communicatie met partners plaats: Deskundigenoverleg: afstemming tussen deskundigen partners ten behoeve van verdieping waar nodig, gemiddeld eens per 1 - 2 maanden. In de eindfase van de planuitwerking intensiever contact; Specialistenoverleg: deskundigen van de partners stemmen af met specialisten adviesbureaus; Overleg projectgroep (afvaardiging van de betrokken partijen in het gebiedsproces): gemiddeld eens per 4 - 6 weken.
De leden van de projectgroep informeren hun achterban waar nodig; Bestuurlijke Adviesgroep (bestuurders van de betrokken partijen in het gebiedsproces): gemiddeld eens per 3 maanden en waar nodig; Infosessie gemeenteraad en provinciale staten: toelichting stand van zaken tijdens raadsvergadering, commissie of veldexcursie; Veldbezoek en monitoring: waar nodig, minimaal eens per jaar. Vooral bedoelt om lopende discussies/meningsverschillen uit te kristalliseren. Communicatie met direct betrokkenen (grondeigenaren) De communicatie met direct betrokkenen, zoals grondeigenaren, vindt op de volgende wijze plaats: Keukentafelgesprekken met grondeigenaren in de uitwerkingsgebieden (of daarbuiten als er sprake is van effecten van de maatregelen) inclusief de verslaglegging daarvan; De rentmeesters/taxateurs van de provincie Overijssel maken afspraken met grondeigenaren over grondaankoop en/of schadeloostellingen (zie ook de tekst onder 'Grondstrategie' in deze toelichting); Nieuwsbrieven: zie hieronder; Excursies: waar nodig. Vooral bedoelt om lopende discussies/meningsverschillen uit te kristalliseren.
In aanwezigheid van een of meer experts en leden van het projectteam; Informatie of themabijeenkomsten: wanneer daartoe aanleiding is; Brieven: om bijeenkomsten, resultaten of mijlpalen te communiceren; Spreekuur: het projectteam Natura 2000 is op maandags in het Kulturhus de CoCer in Rossum. Daarnaast kan men terecht met vragen via het mailadres: Natura2000@dinkelland.nl. Communicatie met omgeving De communicatie met de omgeving vind op de volgende wijze plaats: Informatiebijeenkomsten: wanneer daartoe aanleiding is; Website:https://www.overijssel.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/ontwikkelopgave-natura- 2000-n2000/alle-natura-2000-gebieden-in-overijssel/; Digitale nieuwsbrieven. Formele procedures Rondom de formele procedures is op de volgende wijze over het ontwerp Inpassingsplan gecommuniceerd: 17 oktober 2023: GS besluit; 8 november 2023: Publicaties in Staatscourant, Provinciaal Blad en in huis-aan-huisbladen. 9 november - 20 december 2023: ter inzage legging; Bro-partners zijn op 8 november 2023 door middel van een brief hierover geïnformeerd en om advies gevraagd; NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 93 Gebiedspartners zijn op 8 november 2023door middel van een brief hierover geïnformeerd; 15 november 2023: informatieavond.
6.4 Economische uitvoerbaarheid 6.4.1 Grondexploitatie De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 6.12 dat samen met het inpassingsplan ook een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Dat hoeft niet als er geen sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. In dit inpassingsplan is geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Een exploitatieplan is derhalve niet vereist. 6.4.2 Grondverwerving De Natura 2000-beheerplannen hebben grote invloed op het provinciale grondbeleid. Het maatregelenpakket om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden te realiseren kan tot gevolg hebben dat de functie van de gronden verandert. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een grondstrategie, die voor de provincie is vastgelegd in de Nota Grondbeleid 2019. In een grondstrategie wordt beschreven hoe het gewijzigd gebruik van gronden te realiseren, onderscheiden in actieve en passieve verkrijging, beheer en vervreemding of eventuele andere mogelijkheden. Dat wordt geconcretiseerd naar de inzet van instrumenten, werkwijze en grondstrategie. De Interventieladder voor de ontwikkelopgave NNN / Natura 2000 is een voorbeeld van een verkrijgingsstrategie op programmaniveau.
Kort samengevat gaat de Interventieladder uit van zelfrealisatie door grondeigenaren tot inzet van ruilgronden of aankoop van gronden en als laatste stap onteigening. Voor het Natura 2000-gebied “De Wieden” wordt de interventieladder doorlopen om de maatregelen uit te kunnen voeren. en uitgebreidere toelichting van dit proces is beschreven in Hoofdstuk 1. 6.4.3 Schade Mocht sprake zijn van eventuele schade dan zal deze eventuele schade vergoed worden door de provincie conform de provinciale Regeling Nadeelcompensatie Ontwikkelopgave Natura 2000 Overijssel 2017 of conform artikel 6.1 Wro en de planschadeverordening Overijssel. Hiervoor is een schadeloket bij de provincie ingesteld. 6.4.4 Financiering Provinciale Staten van Overijssel hebben 23 april 2014 (nr. PS/2014/62) ingestemd met de onderbouwing van het beschikbare middelen voor de Uitvoeringreserve Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) ter hoogte van €785 miljoen. Hiermee is ook de dekking van de Ontwikkelopgave Natura 2000 onderbouwd. Uit deze onderbouwing blijkt dat de opgaven haalbaar zijn met de begrote budgetten. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid van dit inpassingsplan voldoende aangetoond. In de PIP De Wieden II 94 programma-administratie zal per gebied en per deelgebied het begrote budget worden aangegeven.
Daarnaast zijn in het statenvoorstel spelregels opgenomen om een verantwoorde besteding van het geld te garanderen. Tevens kunnen Gedeputeerde Staten flexibel omgaan met budgetten – zoals het verevenen van de gebieden - zo lang zij binnen het totale budget blijven. Het beheer is aandachtspunt geweest in het ontwerpproces en hier zijn financiële middelen voor beschikbaar. Het beheer bestaat uit maaibeheer van de drogere delen en het afvoeren van dit materiaal. Voorts worden watervoerende sloten opgeschoond die nodig zijn voor de waterhuishouding. Vanwege de vernatting kan het gebied niet agrarisch beheerd worden. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 95
NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01