CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

8.4 De Wieden II_Toelichting - bijlage 3b

Raadsvergadering 1 april 2025, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken39.961 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Waterbeleid In de Omgevingsvisie staat de ambitie voor het regionaal waterbeheer als volgt omschreven: “Watersystemen met een goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn.” Het waterbeheer in Overijssel is gericht op een goede bewoonbaarheid en bewerkbaarheid van het land door het bieden van bescherming tegen overstroming, wateroverlast en (perioden van) droogte én het in stand houden of creëren van optimale watercondities voor functies zoals landbouw, wonen, natuur en scheepvaart. Daarbij zijn wel grenzen aan wat mogelijk is. Door de klimaatverandering is het nodig om breder naar waterbeheer te kijken dan tot nu toe gebruikelijk. Er zijn op meerdere terreinen maatregelen noodzakelijk. Alleen dan is een toekomstbestendig beheer van alle oppervlaktewateren en het grondwater (de watersystemen) mogelijk. Bij de inrichting en het beheer van de watersystemen houdt de provincie Overijssel rekening met de gevolgen van klimaatverandering op lange termijn (veiligheid, wateroverlast, hittestress en droogte). De komende jaren werkt de provincie samen met waterbeheerders, Rijk, gemeenten, maatschappelijke organisaties en private partijen om de deltabeslissingen te implementeren. Bij de uitvoering van 'waterwerken' benut de provincie Overijssel kansen om de ruimtelijke kwaliteit te versterken.

De (her)inrichting wordt ook als een ontwerpopgave beschouwd en de provincie investeert in vormgeving en inpassing in het landschap. Belangrijk daarbij is het verhogen van de zichtbaarheid en de beleefbaarheid van het watersysteem. Ook is dit een kans om te zoeken naar combinaties met andere (water)opgaven, zoals het verbeteren van de zoetwatervoorziening. KRW schept basisvoorwaarden voor ecologisch goed functionerende watersystemen en vraagt speciale aandacht voor gebieden met een beschermde status. In Overijssel zijn dit onder andere de Natura 2000-gebieden. Hier geldt de KRW-basisverplichting om achteruitgang te voorkomen. In aparte beheerplannen worden door de provincie voor deze gebieden de doelen en de daarvoor benodigde maatregelen uitgewerkt. De provincie Overijssel verwerkt samen met de waterschappen in Overijssel de KRW in beleid voor de wateren in beheer bij de waterschappen en provincie. De Omgevingsverordening geeft regels voor het omgaan met water. Het gaat om regels en bepalingen voor zowel het kwantitatief en kwalitatief omgaan met water. Ook zijn bepalingen opgenomen die toezien op de veiligheid, deze kunnen ingezet worden om bescherming te bieden tegen overstroming en wateroverlast.

In de verordening worden onder andere de volgende punten genoemd: voor de ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat ruimtelijke plannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening; door klimaatverandering neemt de kans op overstroming en wateroverlast toe. Daarom zijn primaire watergebieden en waterbergingsgebieden aangewezen als gebieden waarin water in extreme situaties kan worden vastgehouden om te voorkomen dat waterafvoersystemen overbelast raken en er wateroverlast optreedt op plekken waar dit meer schade toebrengt. Hier mag worden gebouwd mits hierdoor het waterbergend vermogen niet wordt aangetast. Daarbij geldt wel dat nieuwe kapitaalintensieve functies zoveel mogelijk worden geweerd in verband met schadekosten. 2.4.2 Nationaal Park "Weerribben-Wieden" Het Rijk heeft Weerribben-Wieden aangewezen als Nationaal Park. Nationale Parken zijn natuur- en bosgebieden van minimaal 1.000 ha met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende natuurkwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere landschappelijke en recreatieve kwaliteiten. De Nationale Parken richten zich op: PIP De Wieden II 26 bescherming en ontwikkeling van natuur en landschap; natuurgerichte recreatie; educatie en voorlichting en onderzoek.

Voor Nationale Parken is er geen eigenstandig ruimtelijk beleid. Gebieden die deel uitmaken van Nationale Parken zijn grotendeels beschermd via de natuurbeschermingswet en als Natura 2000-gebied. De status van Nationaal Park geeft geen extra bescherming. Het Rijk stimuleert de samenwerking van overheden, beheerders en grondeigenaren binnen de parken en investeert in de educatieve functie van de parken. Provinciale Staten stellen een beheer- en inrichtingsplan vast. Dit is het kader voor alle maatregelen en projecten die in een Nationaal Park worden uitgevoerd. In 2008 is het Nationaal Park “Weerribben-Wieden” opgericht, als opvolger van het toen bestaande Nationaal Park “Weerribben”. In dat jaar is ook het eerste beheer- en ontwikkelingsplan (BOP) verschenen, dat onder meer als onderbouwing diende voor de oprichting van het nieuwe uitgebreide park. In het geval van Nationaal Park “Weerribben–Wieden” is destijds gekozen voor een beheer- en ontwikkelingsplan in plaats van een beheer- en inrichtingsplan, om met name aan het aspect ontwikkeling voldoende nadruk te kunnen geven in het plan. In het BOP zijn de doelen van het Nationaal Park vastgelegd en zijn concrete actiepunten uitgewerkt. Het huidige beheer- en ontwikkelingsplan dateert uit 2011 en bevat drie inhoudelijke, zelfstandige programmalijnen: Natuur. Bezoekersmanagement. Profilering.

Een vierde programmalijn is Innovatie en Gebiedsontwikkeling. Deze heeft betrekking op alle drie programmalijnen, omdat het de verdere ontwikkeling hiervan mogelijk maakt. De financiële en economische ontwikkelingen in het Nationaal Park zelf en de heroriëntatie op de verhouding tussen overheid en samenleving, vormden in 2011 de aanleiding om een nieuw BOP op te stellen. De volgende afbeelding geeft de begrenzing van het Nationale Park “Weerribben-Wieden” aan. De oppervlakte bedraagt 10.269 ha. Ligging Nationaal Park Weerribben-Wieden (bron: Atlas van Overijssel) NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 27 2.4.3 Natuurbeheerplan provincie Overijssel Het Natuurbeheerplan van de provincie Overijssel beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Het Natuurbeheerplan is verankerd in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016. Dit stelsel bestaat uit: de 'Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016' (SRNL2016) voor het beheer van natuur en landschap en de 'Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap' (SKNL) voor investeringen in natuur en landschap (omvorming, inrichting en kwaliteitsontwikkeling). De provincie stelt de kaders voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer door dit Natuurbeheerplan vast te stellen.

Het Natuurbeheerplan geeft aan waar welke natuur aanwezig is en welke beheerdoelen hiervoor gelden. Daarnaast financiert de provincie een aanzienlijk deel van de kosten voor de ontwikkeling en het beheer van natuur door middel van subsidies. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies. Het plan is geen statisch document. De provincie kan de inhoud van de plantekst en de kaarten, indien nodig, jaarlijks aanpassen. Hoewel het Natuurbeheerplan de laatste tijd met een twee-jaarlijkse frequentie is aangepast, kan het plan voor meerdere jaren gelden tot Gedeputeerde Staten weer een nieuw Natuurbeheerplan vaststellen. Wijzigingen De aanpassing van het Natuurbeheerplan Overijssel betreft wijzigingen van eigendom en wijzigingen in natuurbeheertypen als gevolg van doorontwikkeling, inrichting en monitoring van de natuur. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd in de kaarten van het natuurbeheerplan. Verder zijn op verzoek van de Collectieven agrarisch natuurbeheer enkele wijzigingen verwerkt. Daarmee zijn de beheertypen op de kaart weer in overeenstemming met de situatie in de praktijk. Natuur- en landschapsdoelen - Noordwest Overijssel Deze regio betreft de gemeenten Steenwijkerland en Zwartewaterland. Wieden-Weerribben betreft een van de deelgebieden. In het noorden van de regio liggen de laagveenmoerasgebieden. De Wieden en de Weerribben.

Deze zijn aangewezen als nationaal park en Natura 2000-gebied. Het laagveenlandschap van Wieden en Weerribben is sterk gevarieerd met bosrijke natuurgebieden, met petgaten en legakkers, zeer soortenrijke trilvenen, hooilanden, rietlanden, grote meren en rationeel ingerichte landbouwpolders. De natuurgebieden Wieden en Weerribben beslaan circa 7.000 ha. Aan de noord- en westzijde van de Weerribben en langs de west-, zuid-, en oostzijde van De Wieden liggen veenweidegebieden. De belangrijkste natuurwaarden betreffen: De uitgestrekte laagveengebieden met een afwisseling van plassen, moerassen, rietlanden, trilvenen, natte schraalgraslanden, moerasbos met de daarbij behorende bijzondere fauna. Bijzonderheden zijn o.a. de Otter, Grote Vuurvlinder en een aantal zeldzame moerasvogels zoals de Purperreiger, Roerdomp en Lepelaar. Het uitgestrekte veenweidegebied met grote betekenis voor weidevogels. De internationale betekenis voor doortrekkende en overwinterende vogelsoorten, zoals Kleine Zwaan en Kolgans. In hoofdlijnen wordt in dit gebied gestreefd naar de ontwikkeling van de volgende typen natuur: Uitbreiding van de moerasgebieden door omvorming van een aantal polders tot moerasgebied. Zodanig beheer van de bestaande moerasgebieden dat een goed evenwicht ontstaat tussen natuurbehoud en rietlandbeheer.

Versterking van de moerasverbinding tussen De Wieden en de Weerribben en de Wieden het weidevogel- en moerasgebied bij Giethoorn. Behoud en ontwikkeling van de weidevogelpopulaties, vooral gericht op de Grutto, Tureluur en Wulp in de landbouwgebieden en aanvullend meer kritische weidevogels zoals Watersnip, Slobeend en Zomertaling in de reservaten. De gebiedsopgave en de te nemen inrichtingsmaatregelen voor de deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis, Zomerdijk / Beukers, Doosje en Polder Giethoorn zijn in de paragrafen 3.4 en 3.5 PIP De Wieden II 28 verder uitgewerkt en toegelicht. 2.4.4 Conclusie Met het opstellen van dit inpassingsplan voor de deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis, Zomerdijk / Beukers, Doosje en Polder Giethoorn wordt invulling gegeven aan de provinciale verantwoordelijkheid ten aanzien van het bereiken van de instandhoudings- en uitbreidingsdoelstellingen. In het plan is rekening gehouden met onder andere het ruimtelijke provinciale beleid. 2.5 Waterschapsbeleid 2.5.1 Stroomgebiedbeheerplan Met de invoering van de KRW is Nederland verdeeld in zeven deelstroomgebieden (Maas, Schelde, Eems, Rijn-Noord, Rijn-Midden, Rijn-Oost, Rijn-West). De provincie Overijssel ligt geheel in het deelstroomgebied Rijn-Oost. Per stroomgebied is er een stroomgebiedbeheerplan vastgesteld. Een stroomgebiedbeheerplan bevat de kaders en voornemens voor het waterbeleid.

Het stroomgebiedbeheerplan voor de periode 2016-2021, waarbinnen ook het Natura 2000-gebied “De Wieden” is gelegen, is op 7 oktober 2015 door de volgende Waterschappen vastgesteld: Waterschap Vechtstromen, Waterschap Drents Overijsselse Delta en Waterschap Rijn en IJssel. De maatregelen voor gunstige watercondities in Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in de factsheets van het meest relevante KRW-waterlichaam en in het maatregelprogramma bij de stroomgebiedbeheerplannen. Een stroomgebiedbeheerplan wijkt qua systematiek, begrenzing en juridische verankering af van het Natura 2000-beheerplan. Indien er voor het Natura 2000-gebied strengere waterkwaliteitsvereisten gelden dan in het stroomgebiedbeheerplan is opgenomen, dan gaan de Natura 2000-eisen voor. Een belangrijk onderdeel van de stikstofmaatregelen is hydrologisch herstel rond de Natura 2000-gebieden, omdat daarmee de gevoeligheid van die natuur voor stikstofdepositie kleiner wordt. In het stroomgebiedbeheerplan is aangegeven dat het Waterschap voor de maatregelen in het kader van Natura 2000 het spoor volgt van de Natura 2000-beheerplannen. 2.5.2 Waterbeheerplan Waterschappen hebben speciale taken voor water, namelijk het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater.

In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven en komen in hoofdlijnen de hiervoor benodigde maatregelen aan de orde. De toenmalige waterschappen Vechtstromen, Reest en Wieden, Groot Salland en Rijn en IJssel hebben gezamenlijk het Waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin staat dat de waterschappen voor de Natura 2000-gebieden de GGOR-maatregelen bepalen, als onderdeel van het door de provincies geregisseerde gebiedsproces. GGOR staat voor Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime. GGOR-maatregelen zijn hydrologische maatregelen op inrichtingsniveau, die zich richten op de inrichting van de waterhuishouding in een gebied, mede rekening houdend met de eisen die de ecologie aan een oppervlaktewater stelt. Hierbij zijn uiteraard de omliggende landbouwgebieden nauw betrokken, want voor een optimale landbouw zijn goede watercondities nodig. Tevens is aandacht besteed aan de verdroging van natuurgebieden. In de afgelopen periode hebben de waterschappen voor de Natura 2000-gebieden de GGOR-maatregelen bepaald voor het opstellen van de Inrichtingsplannen.

De uitvoering van deze NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 29 maatregelen vindt de komende jaren plaats, onder de voorwaarden dat: het provinciale beheerplan voor het betreffende gebied definitief is vastgesteld; er geen obstakels zijn in de grondverwerving en ruimtelijke procedures; er afspraken zijn tussen provincie en het waterschap over de financiering van de maatregelen. 2.5.3 Keur Waterschappen stellen een Keur vast. Dit is een verordening met regels voor waterkeringen, watergangen en waterstaatswerken. Voor (bouw)werkzaamheden in de nabijheid van een oppervlaktewater of een dijk is een keurvergunning of keurontheffing van het waterschap nodig. Het waterschap onderzoekt hoe en wat de nadelige gevolgen zijn voor het water of voor de dijken. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning of ontheffing afgegeven. Voor sommige werkzaamheden zijn algemene regels beschikbaar. Als aan deze regels wordt voldaan, is er geen vergunning of ontheffing nodig, waarbij de werkzaamheden wel bij het waterschap moeten worden gemeld. In het gebied waar de waterbeheerder de (bestaande) natuurdoelen ondersteunt, ligt de verantwoordelijkheid van het watersysteem bij het waterschap en is deze vastgelegd in de Keur. 2.5.4 Legger Naast een Keur stellen waterschappen ook een legger vast.

In de legger staat waaraan de waterlopen moeten voldoen, wie waar voor welk onderhoud verantwoordelijk is en wat de beschermingszones zijn. Naast de ligging, de beschermingszone van de sloten, kanalen, meren enz. zijn ook de vorm, afmeting en constructie (het profiel) waaraan ze moeten voldoen, aangegeven. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta gebruikt de legger onder andere voor vergunningverlening en stelt de legger periodiek opnieuw vast om wijzigingen door te voeren. De meest recente legger voor het plangebied dateert van 4 september 2021 en daarbij is aangesloten in het onderhavige inpassingsplan. Naast de primaire waterkering zijn de keringen (peilscheiding tussen twee peilen in het nieuwe plan) als 'overige waterkering' in het inpassingsplan geregeld. In het plangebied zijn geen regionale waterkeringen gelegen. Waarbij wordt opgemerkt dat de natuurkades geen status hebben en ook als zodanig niet in het inpassingsplan juridisch zijn geregeld. 2.5.5 Conclusie Het inrichtingsplan, dat als Bijlage 1 bij de regels is gevoegd, voor De Wieden II is in afstemming met het Waterschap Drents Overijsselse Delta opgesteld. Het waterschap maakt onderdeel uit van 'Samen werkt beter' en is direct betrokken bij het gebiedsproces. In het inpassingsplan is rekening gehouden met het waterschapsbeleid.

2.6 Gemeentelijk beleid In het gemeentelijk ruimtelijk beleid zijn met name structuurvisies, beheersverordeningen en bestemmingsplannen belangrijke instrumenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het in lijn brengen van hun bestemmingsplannen en structuurvisies met de geldende wetgeving en beleid. De deelgebieden Zomerdijk / Beukers, Doosje en Polder Giethoorn ligt op het grondgebied van de gemeente Steenwijkerland en het deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis op het grondgebied van de gemeete Zwartewaterland. De relevante ruimtelijke beleidsstukken worden kort toegelicht. PIP De Wieden II 30 2.6.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland (2017) De Omgevingsvisie is een integrale visie en beschrijft op hoofdlijnen het beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. Het beschrijft de kwaliteiten van de fysieke leefomgeving in het buitengebied en het natuurgebied Weerribben-Wieden en schets de ambitie van de gemeente om de beleefbaarheid van de natuur en de kwaliteit van het landschap te verbeteren. Ten aanzien van het thema "Landelijk gebied" is opgenomen dat over 15 jaar: Het Nationaal Park nog steeds de belangrijkste parel van het landelijk gebied is. Inwoners voelen zich ermee verbonden. De toeristische potentie van de Weerribben-Wieden wordt ten volle benut. Daarmee is het Nationaal Park een belangrijke stimulans voor de economie in onze regio.

De kwaliteit van het landschap voorop staat. De waarde van de karakteristieke landschapselementen van en voor het gebied wordt erkend. Denk aan houtwallen, hoogteverschillen (van + 20m NAP tot – 2m NAP) en beplanting. Daar wordt in geïnvesteerd door ze te houden en onderhouden. Het landelijk gebied springlevend is. Er is geen leegstand en schuren worden voor meerdere doeleinden gebruikt. Inwoners krijgen de ruimte om – met behoud van de landschappelijke kwaliteit – te ondernemen. Daarmee blijft de agrarische sector zorgen voor werkgelegenheid. Veel lokale ondernemers actief zijn in recreatie en toerisme. Hoogwaardige accommodaties trekken een nieuwe groep toeristen aan. Er is een goede spreiding over het gebied. Daardoor is van massatoerisme in Steenwijkerland geen sprake. De geschiedenis van de Koloniën van Weldadigheid leesbaar is in het landschap en levert dit – als toeristische trekpleister – een belangrijke bijdrage aan het gebied. Vervolgens is aangegeven wat daar voor nodig is: Meer hoogwaardige verblijfsrecreatie. Met kwalitatief hoogwaardige accommodaties worden nieuwe groepen toeristen aangeboord, die langer in het gebied blijven. Die kans ligt voor het grijpen bij nieuwe ontwikkelingen én bij het upgraden van bestaande accommodaties. Een toegankelijk gebied voor de bezoeker die wil genieten. Wie A zegt, moet ook B zeggen.

Toeristen uitnodigen de natuur te beleven, betekent ook dat daar mogelijkheden voor zijn. Er is behoefte aan goede fietspaden, goed bevaarbare vaarroutes en nieuwe recreatieplekken. Maatwerk bij agrarische ontwikkelingen. De landschappelijke veelzijdigheid wil men graag behouden. Tegelijkertijd moet er ruimte zijn om te ondernemen. Per gebied wordt bekeken wat mogelijk is. Balans en maatwerk zijn daarbij de sleutelwoorden. 'Bestaand gebouw, nieuw gebruik'. Leegstand betekent een kans om te kiezen voor een nieuwe invulling. Dat wordt ruimhartig toegestaan. Uiteraard wel met activiteiten die passen bij de beleving van het landelijk gebied. 2.6.2 Landschapsontwikkelingsplan gemeente Steenwijkerland Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Steenwijkerland dateert uit 2005 en bevat het landschapsbeleid voor het buitengebied. Daarnaast worden in het plan concrete en uitvoerbare projecten benoemd en uitgewerkt. Verder zal het LOP dienen als toetsingskader voor het toekennen van subsidies in het kader van de plattelandsvernieuwing. Het LOP bevat een landschapsvisie op hoofdlijnen die uitgewerkt is in een nadere uitwerking per deelgebied. Globaal gaat het om enerzijds de parels waarvan de waarden behouden en versterkt worden en waar ruimte is voor ontwikkelingen op maat.

Anderzijds zijn er landschapsontwikkelingsgebieden waar mogelijkheden voor landschapsontwikkeling en landschapsversterking zijn. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 31 2.6.3 Structuurvisie Zwartewaterland De Structuurvisie gaat over ruimtelijke ontwikkelingen: het sturen en begeleiden van ruimtelijke veranderingen. De Structuurvisie is een kader voor het gemeentebestuur met betrekking tot beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen en investeringen. Landschap, landbouw en natuur De ontstaansgeschiedenis van de IJsseldelta en van het rivieren- en laagveenontginnings- landschap in het oostelijk deel van de gemeente door mens en natuur is bepalend (geweest) voor de karakteristieken van het gebied. De grote openheid en de oude verkavelings- structuren zijn gebaat bij zo min mogelijk nieuwe verdichting en verstening in het buitengebied. Het reliëf van huisterpen, kreekruggen en dijken moet optimaal herkenbaar worden/blijven en vraagt om zoveel mogelijk geconcentreerde aansluiting bij die structuren. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom altijd zoveel mogelijk bijdragen aan behoud of versterking van deze kernkwaliteiten. Landbouw is de belangrijkste gebiedsgebonden en beeldbepalende functie, zij krijgt daarom de ontwikkelingsruimte die noodzakelijk is om duurzaam te kunnen voortbestaan. Landschap en natuur zijn daarbij kaderstellend.

Om eigenaren/gebruikers in het buitengebied te ondersteunen bij het onderhouden en herstellen van karakteristieke landschapselementen, wordt met toepassing van de gebiedswaardering van het LOP (LandschapsOntwikkelingsPlan) gewerkt aan een structuur, waarbij er vanuit algemene (provinciaal en gemeentelijke) middelen hieraan kan worden bijgedragen, de zgn. 'Groen Blauwe Diensten' (GBD). Het rijks- en provinciaal natuurbeleid (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland) zal zorgvuldig worden vertaald in het gemeentelijk beleid waarin de landbouw en overige bedrijvigheid geen onnodige beperkingen ervaren. 2.6.4 Ontwerp Omgevingsvisie Zwartewaterland Zwartewaterland kenmerkt zich als een vitale plattelandsgemeente met een rijke geschiedenis. Deze geschiedenis is zichtbaar in het landschap en in de verschillende kernen. De gemeente ligt strategisch in en tussen bijzondere gebieden als het Nationaal Landschap IJsseldelta, de Natura 2000 gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Weerribben-Wieden, Olde Maten & Veerslootslanden en het Zwarte Meer. Bodem, landschap, natuur en agrarisch grondgebruik vormen al eeuwenlang een onlosmakelijk geheel. Het buitengebied heeft daardoor landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische kwaliteiten. Die geven identiteit en beleving aan het gebied.

Kenmerkend zijn de grote open ruimten, het regelmatige patroon van wegen en weteringen en boerderijen op huisterpen. De robuuste landschappen zijn naar verhouding onaangetast. De verschillende ontstaansgeschiedenissen zijn nog duidelijk te herkennen. De gemeente Zwartewaterland zet in op het behouden en versterken van het buitengebied. Dit doen ze door te sturen op en te investeren in ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de (be)leefbaarheid en concurrentiekracht van het buitengebied. Versterking van de kwaliteit van het landschap Natuurgebieden vormen een belangrijk onderdeel van het landschap. Zwartewaterland is omgeven door het Nationaal Park Wieden-Weerribben, de Uiterwaarden Zwarte Water en de Vecht. De gemeente heeft in dit bijzondere landschap een verwevenheid van grondgebruik: landbouw, natuur, cultuur, recreatie en bedrijvigheid. Inwoners en instanties zijn sterk betrokkenheid bij het vitaal houden van dit landschap. Het uitgangspunt is dat zorgvuldig met de waardevolle landschapskwaliteiten wordt omgegaan en deze worden behouden en verder worden ontwikkeld. Vanuit dit uitgangspunt is er ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en wil de gemeente invulling geven aan de ruimtebehoefte van haar inwoners en ondernemers. Het principe van inbreiding vóór uitbreiding past de gemeente hierbij expliciet toe.

Woningbouwopgaven realiseert de gemeente zoveel mogelijk binnen en aan de randen van het bestaand bebouwd gebied. Een te forse groei van nieuwe inwoners van zowel PIP De Wieden II 32 binnen als buiten de regio is, gezien de hiervoor beschreven kwaliteiten van het landschap en de sterke sociale cohesie, niet wenselijk. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied weegt de gemeente zorgvuldig af of deze voldoende rekening houden met De gemeente maakt hierbij gebruik van de Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel 2018 en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Ook hanteert zij het Landschapsontwikkelingsplan, dat ze eerder samen met de gemeenten Zwolle en Kampen heeft ontwikkeld. Dit plan bevat een compleet overzicht van de karakteristieken van elk landschapstype, inclusief concrete aanbevelingen van welke ontwikkelingen en maatregelen hier wel bij passen en welke niet. De gemeente stuurt op verbetering van de landelijke en recreatieve uitstraling van de gemeente. Ambitie 'Ons buitengebied is klaar voor de toekomst' Het buitengebied staat een aantal grote veranderingen te wachten. De gemeente verwacht dat het aantal agrarische bedrijven afneemt in de toekomst. Bijvoorbeeld door gebrek aan opvolging. Door bodemdaling moet de gemeente in de toekomst oog hebben voor de toekomst van het veengebied. Dit kan gevolgen hebben voor de grondgebonden veehouderij.

Daarnaast is de opwek van nieuwe energie een functie die ruimte zoekt in het buitengebied. Ook krijgen agrarische bedrijven er af en toe andere functies bij. Het toevoegen van niet-agrarische functies in het buitengebied biedt meer en nieuwe kansen voor behoud van het economisch rendement. Er gelden wel voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen. Er moet rekening worden gehouden met landschappelijke waarden en de natuur. Maar ook met de omgeving, zoals de bestaande agrarische functie. Zo zorgt de gemeente dat het buitengebied klaar is voor de toekomst. 2.6.5 Landschapsontwikkelingsplan Zwolle-Zwartewaterland-Kampen Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP-ZZK) van onder andere de gemeente Zwartewaterland dateert uit 2012 en bevat het landschapsbeleid voor het buitengebied. Het doel van het landschapsontwikkelingsplan is de bijzondere landschappelijke kwaliteiten verder te ontwikkelen. Het uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn als die voldoende rekening houden met of bijdragen aan de bijzondere landschappelijke kwaliteiten en kenmerken. Het het 'Kraggenlandschap - recreatief veen' waar deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis deel van uitmaakt, kent de volgende kenmerken: Laagveenmoeras (natuurmomument). Gebied ontstaan door turfwinning. Kreken, plassen, sloten en trekgaten en petgaten (waar turf is weggegraven).

Riet- en hooiland en moerasbossen me zwarte els en grauwe wilg. Verkaveling in zogenoemde langgerekte slagen (lange, smalle kavels). Bijzondere planten. De gewenste ontwikkelingen zijn: Behouden van het slagenlandschap. Behouden van de afwisseling van open wate, grasland, riet, boomsingels en moerasbos. Landbouw ten dienste van natuurontwikkeling inrichten. Bevorderen van rietteelt. Bevorderen van de hoge grondwaterstand. Ruimte creëren voor riet-, water- en moerasvogels. Extensieve recreatie, nabij Zwartsluis intensieve recreatie. 2.6.6 Conclusie Het inrichtingsplan, dat als Bijlage 1 bij de regels is gevoegd, voor de deelgebieden is in afstemming met de gemeenten Steenwijkerland en Zwartebroekland opgesteld. De gemeenten maken onderdeel uit van 'Samen werkt beter' en zijn direct betrokken bij het NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 33 gebiedsproces. In het inpassingsplan is rekening gehouden met het gemeentelijk beleid. PIP De Wieden II 34 Hoofdstuk 3 Gebieds- en planbeschrijving 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de inhoud van het plan beschreven waarvoor dit inpassingsplan is opgesteld. In eerste instantie wordt ingegaan op het ontstaan en de huidige (planologische) situatie van het plangebied. Vervolgens is op basis van geldende wetgeving en beleid de opgave voor de vier deelgebieden bepaald.

Daarna wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe deze opgave verder is uitgewerkt en welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied te behalen. 3.2 Ontstaan en huidige situatie van het plangebied Samen met de Natura 2000-gebieden “Zwarte Meer”, "Rottige Meenthe" en “Olde Maten en Veerslootslanden” vormen “De Wieden” en “Weerribben” één van de grootste laagveengebieden van Noordwest-Europa. In een deel van De Wieden en de Weerribben vindt rietteelt plaats. Deels vindt dit plaats op eigen gronden, maar voor een belangrijk deel op gepachte gronden van Staatsbosbeheer. Om productie te bevorderen, worden de rietpercelen in de zomerperiode bevloeid met oppervlaktewater. Het riet wordt geoogst in de winter. Daarvoor mogen de waterpeilen in die periode niet te hoog zijn. Het gebied De Wieden is een uitgestrekt laagveenmoeras met meren en kanalen met daartussen natte graslanden, natte heiden, trilvenen, galigaanmoerassen, rietland en moerasbos. Het gebied is een restant van het laagveengebied dat zich ooit van Zwolle tot ver in Fryslân uitstrekte. Een groot deel bestaat uit uitgeveende petgaten. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Het gebied De Wieden is beïnvloed door het oude rivierstelsel van de Overijsselse Vecht. Er komen ondiepe kleiafzettingen voor.

Door vervening, met bredere petgaten, zijn de grote meren ontstaan. Petgaten zijn stroken waar het veen is afgegraven waardoor water de plaats heeft ingenomen. Legakkers zijn niet afgegraven stukken veen, waarop de afgegraven turf te drogen werd gelegd. Zo ontstond een verkavelingspatroon van 'petgaten en legakkers'. Het Giethoornse- en Duiningermeer zijn natuurlijke meren. 3.3 Huidige planologische situatie De deelgebieden Zomerdijk / Zwartsluis, Zomerdijk / Beukers, Doosje en Polder Giethoorn van het Natura2000-gebied "De Wieden", waar de voorgenomen maatregelen gaan plaatsvinden, liggen in de gemeenten Zwartewaterland en Steenwijkerland. Voor het deelgebied Zomerdijk / Zwartsluis is het bestemmingsplan 'Buitengebied Zwartewaterland' van toepassing. Daarnaast gelden ook nog de bestemmingsplannen 'Verruiming Geluidzone bedrijventerrein Zwartsluis' en 'Parapluplan Wonen'. Deze zijn echter niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Voor de overige drie deelgebieden geldt de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014. Daarnaast geldt voor deelgebied Doosje ook het bestemmingsplan Modificaties gastransportnet Zwolle-Heerenveen. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 35 Bestemmingsplan Buitengebied Zwartewaterland Het bestemmingsplan Zwarteland is op 10 oktober 2013 door de gemeenteraad van Zwartewaterland vastgesteld.

De gronden binnen het plangebied van dit inpassingsplan hebben de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - landschap' en 'Natuur'. De gronden met de bestemming 'Agrarisch' met waarden - landschap' zijn voornamelijk bedoeld voor agrarisch (bedrijfs- en hobby)matig gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschapswaarden van de gronden, zoals dezze tot uitdrukking komen in de kernwaarden van het Nationaal Landschap IJsseldelta: de grote mate van openheid, de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek, het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen en de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap. Gebouwen zijn toegestaan ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf, mits ze voldoen aan de bouwregels. Daarnaast is aan de gronden waar de maatregelen betrekking op hebben ook de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' van toepassing. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' beschermt de aanwezige waterstaatsbelangen. Gebouwen anders dan ten dienste van de dubbelbestemming zijn hier niet toegestaan. Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 De beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014, is op 9 december 2014 door de gemeenteraad van Steenwijkerland vastgesteld. De gronden binnen het plangebied van dit inpassingsplan hebben de bestemmingen 'Agrarisch met waarden' en 'Natuur.

De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn voornamelijk bedoeld voor agrarisch 'bedrijfs- en hobbymatig gebruik, de bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijk waarden, de instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties en de instandhouding, versterking en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en/of ecologische waarden (uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde'); Gebouwen zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van een specifieke bouwaanduiding. Vergunningen worden alleen verleend als er geen sprake is van onevenredige aantasting van de genoemde waarden. De maatregelen die voorzien zijn op de als 'Natuur' bestemde gronden zijn juridisch planologisch al mogelijk. Onder de geldende bestemming Natuur uit de beheersverordening Steenwijkerland is in de bestemming Natuur echter ook bestaand agrarisch gebruik, waaronder rietteelt toegestaan. Dit gebruik is niet in lijn met de inrichting van de gebieden als Natuurgebied. Daarom is ervoor gekozen om ook de Natuurbestemming te wijzigen in een nieuwe bestemming Natuur.

Daarnaast zijn aan de gronden waar de maatregelen betrekking op hebben ook de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waterstaat - Waterkering' toegekend in de geldende beheersverordening. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' beschermt gronden waar archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. In de dubbelbestemming is aangegeven dat activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op de archeologische waarden niet mogen plaatsvinden. Voordat een activiteit uitgevoerd mag worden, moet middels een onderzoek of een vergunning aangetoond worden op welke wijze met de aanwezige waarden wordt omgegaan. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' beschermt de aanwezige waterstaatsbelangen. Gebouwen anders dan ten dienste van de dubbelbestemming zijn hier niet toegestaan. Bestemmingsplan Modificaties gastransportnet Zwolle-Heerenveen Het bestemmingsplan Modificaties gastransportnet Zwolle-Heerenveen is op 13 december 2016 door de gemeenteraad van Steenwijkerland vastgesteld. De gronden binnen het plangebied van dit inpassingsplan hebben de bestemmingen 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast is aan de gronden waar de maatregelen betrekking op hebben ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' toegekend.

De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn voornamelijk bedoeld voor agrarisch 'bedrijfs- en hobbymatig gebruik, de bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijk waarden, de instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties en de instandhouding, versterking en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en/of ecologische PIP De Wieden II 36 waarden (uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde'). Gebouwen zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van een specifieke bouwaanduiding. Vergunningen worden alleen verleend als er geen sprake is van onevenredige aantasting van de genoemde waarden. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' beschermt gronden waar archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. In de dubbelbestemming is aangegeven dat activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op de archeologische waarden niet mogen plaatsvinden. Voordat een activiteit uitgevoerd mag worden, moet middels een onderzoek of een vergunning aangetoond worden op welke wijze met de aanwezige waarden wordt omgegaan.

3.4 Gebiedsopgave 3.4.1 Natura 2000 beheerplan Het beheerplan voor de Natura 2000-gebieden De Wieden en Weerribben is op 7 april 2020 definitief vastgesteld door de provincie Overijssel. Aan de hand van het vastgestelde beheerplan wordt de vergunningverlening voor nieuwe activiteiten eenvoudiger. Voor bestaande activiteiten is nu duidelijk wat wel of niet vergunningvrij is. Het beheerplan is van toepassing voor een periode van zes jaar. Algemene doelen Voor alle Natura 2000-gebieden gelden algemene doelen. De gebieden moeten bijdragen aan het behoud en indien van toepassing het herstel van: 1. de ecologische samenhang van Natura 2000 binnen Nederland en de Europese Unie; 2. de biologische diversiteit en de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 3. de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 4.

de op het Natura 2000-gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voor een aantal kernopgaven is aan concrete gebieden een ‘sense of urgency’ voor beheer of watercondities toegekend. Daarnaast kan sprake zijn van een aanvullende wateropgave. Een ‘sense of urgency’ is toegekend als binnen enkele jaren mogelijk een onherstelbare situatie ontstaat waardoor de kernopgave en de daarbij behorende instandhoudingsdoelstellingen niet meer realiseerbaar zijn. De kernopgaven en de aanduiding van ‘sense of urgency’ zijn van belang bij de focus van de Natura 2000-beheerplannen en de prioritering van maatregelen. De opgave De Wieden heeft 6 kernopgaven: 4.08 Evenwichtig systeem. Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kranswierwateren H3140 en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150), zwarte stern A197, platte schijfhoren H4056 en vissen zoals onder andere bittervoorn H1134, grote modderkruiper H1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten zoals de gestreepte waterroofkever H1082. Hiervoor geldt een wateropgave; 4.09 Compleetheid in ruimte en tijd.

Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140A en H7140B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen H7210* en hoogveenbossen H91D0*, in samenhang met gemeenschappen van open water. Hiervoor geldt een wateropgave; NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 37 4.11 Plas-dras situaties. Plas-dras situaties voor smienten A050 en broedvogels zoals porseleinhoen A119 en kwartelkoning A122; 4.12 Overjarig riet. Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor rietmoerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292 en grote karekiet A298; 4.15 Vochtige graslanden. Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410, mede als leefgebied van de watersnip A153. Hiervoor geldt een wateropgave; 4.16 Rui- en rustplaatsen. Voldoende ruiplaatsen en rustgebieden voor watervogels, zoals fuut A005, ganzen en kuifeend A061. In De Wieden en de Weerribben is sprake van een ‘sense of urgency’ voor de kernopgaven evenwichtig systeem en compleetheid in ruimte en tijd. De sense of urgency betreft een wateropgave.

Dit betekent dat op korte termijn aanvullende maatregelen nodig zijn ten aanzien van de watercondities. Deze aanvullende maatregelen zijn nader uitgewerkt in het inrichtingsplan dat in paragraaf 3.5 wordt toegelicht. In De Wieden zijn geen beschermde natuurmonumenten. De maatregelen voor de eerste beheerplanperiode (uitvoering binnen zes jaar na vaststelling) uit het beheerplan zijn in onderstaande tabel op een rij gezet. Deelgebied Type maatregelen en omvang in hectare (ha) Zomerdijk/Beukers (29 ha) en Zomerdijk/Zwartsluis (46 ha) Leef- en broedgebied Moerasbroedvogels: Roerdomp en Bruine Kiekendief (51 ha) De Porseleinenhoen profiteert mogelijk mee. Verbinding voor de Otter. Realisatie van Blauwgrasland (6,4 ha). Doosje Leef- en broedgebied Moerasbroedvogels: Roerdomp Bruine Kiekendief (44 ha). De Porseleinenhoen profiteert mogelijk mee. Foerageergebied Bruine Kiekendief (44 ha). Verbinding voor de Otter. Polder Giethoorm Leef- en broedgebied Moerasbroedvogels: Roerdomp en Bruine Kiekendief (70 ha) en Rietzanger. De realisatie van foerageergebied voor de Bruine kiekendief (74 ha) en Grote Karekiet (2 ha).

Tabel: De doelstellingen per deelgebied in De Wieden voor in de 1e beheerplanperiode 3.4.2 Wijziging aanwijzingsbesluit ("veegbesluit") Het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft een zogenaamd veegbesluit genomen voor 100 Natura 2000 gebieden in Nederland (Ontwerpwijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 5 maart 2018, Staatscourant). In deze Natura 2000-gebieden kwamen ten tijde van de aanwijzing bepaalde habitattypen en soorten voor waarvoor in het aanwijzingsbesluit nog geen instandhoudingsdoelen waren geformuleerd. Het veegbesluit herstelt deze situatie en formuleert voor de betreffende natuurwaarden nu ook instandhoudingsdoelen. Voor De Wieden en Weeribben gaat het om H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) als aanwezige waarde. De wijzigingen in de aanwijzingsbesluiten betreffen vooral nieuwe interne (beheer)maatregelen. Dus hoofdzakelijk in het bestaande natuurgebied, zonder gevolgen voor gronden buiten de Natura 2000-gebieden. Het veegbesluit leidt niet tot nieuwe externe maatregelen. Voor de betrokken grondeigenaren in de Uitwerkingsgebieden Natura 2000 ziet de provincie daarom geen gevolgen. De uitvoering van de interne beheermaatregelen wordt afgestemd met de terreinbeherende organisaties.

De wijziging van het aanwijzingsbesluit brengen geen planologische maatregelen met zich mee die meegenomen moeten worden in dit PIP. PIP De Wieden II 38 3.5 Omschrijving inrichtingsplan Om invulling te geven aan de doelstellingen uit het Natura 2000-beheerplan in de planuitwerking is een ontwerpproces gestart voor elk van de deelgebieden. In verschillende typen workshops hebben betrokken partijen gewerkt aan een ontwerp voor de inrichting van de nieuwe natuurgebieden. Hierin werkt men van grof naar fijn, zoals nader toegelicht in paragraaf 3.2 van het MER dat als Bijlage 1 is bijgevoegd. De randvoorwaarden voor de natuurdoelen en de inrichtingsmaatregelen om de beoogde natuurdoelen te bereiken zijn verder beschreven en onderbouwd in het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 bij de regels van dit inpassingsplan is bijgevoegd. 3.5.1 Deelgebied 1. Zomerdijk / Zwartsluis Ligging en doelsoorten Deelgebied Zwartsluis ligt ten noorden van de Zomerdijk en het Meppelerdiep en heeft een oppervlakte van 46 ha. De maaiveldhoogte binnen het deelgebied varieert tussen -0,9 tot -0,3 m NAP. De Natura 2000-doelen zijn om het gebied in te richten als broedhabitat voor de moerasbroedvogels Roerdomp en Bruine Kiekendief. Ook moet het gebied fungeren als verbinding voor de Otter. Het Porseleinhoen profiteert mee met de nieuwe inrichting van het gebied.

Knelpunten en inrichting Met de inrichting wordt beoogd om de gestelde doelstellingen te behalen. Met het oog op de gebiedskenmerken zijn de volgende knelpunten ontstaan in relatie tot de Natura 2000-opgave: 1. De drooglegging van het gebied is te groot om de gestelde opgaven te kunnen realiseren. Om de beoogde doelstellingen te behalen zijn biotopen nodig die over het algemeen een hoger waterpeil vereisen. Een combinatie van peilophoging en ontgraving is dus nodig. 2. Met het vooruitzicht op een peilopzet zijn het uitzicht en drooglegging vanuit de woningen gelegen langs de Zomerdijk een aandachtspunt. Dit knelpunt is weggegnomen door de hydrologische toets. Er blijken geen grondwatereffecten buiten het plangebied op te treden. De gestelde natuurdoelen vergen in het algemeen een vernatting van het gebied. Dit is te bereiken door peilverhoging en/of maaiveldverlaging. In dit gebied zijn het creëren van broedhabitat moerasbroedvogels en leefgebied van het Porseleinhoen de belangrijkste opgaven. Hiervoor is voornamelijk overjarig waterriet met open stukjes grasland essentieel. In Zwartsluis loopt het maaiveld op naar het Meppelerdiep (zuiden). Daarvoor is hier gekozen om door een combinatie van peilopzet en het verlagen van de lage delen een landschap te maken dat ruimte biedt voor deze twee opgaven.

Zo wordt het noordelijke deel (met bruin-blauwe arcering) iets afgegraven zodat hier veel waterriet tot ontwikkeling kan komen. Enkele percelen hiertussen worden ongemoeid gelaten zodat er nog wel zichtlijnen blijven bestaan vanaf de Zomerdijk (N334) naar het achterland. Deze open stukken en de hogere delen langs de zuidkant zijn interessant als foerageergebied van de moerasbroedvogels en voor het Porseleinhoen. De hogere zone langs de Zomerdijk/Meppelerdiep wordt ingericht als bloemrijk grasland en dotterbloemhooiland. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 39 Ma atregelen Zomerdijk / Zwartsluis Om de oevers beter te benutten voor de moerasbroedvogels worden alle sloten verbreed met een natuurlijker talud. Oftewel een flauwe oever. Deze oevers zijn nuttig voor vele planten- en dierensoorten die in deze overgangszone gedijen. Denk aan amfibieën, Roerdompen, jonge vissen en lisdodde. De delen die buiten de kades liggen, worden ongemoeid gelaten. De petgaten ten noorden van de kade worden gelaten zoals deze zijn. En ook het plukje hooiland bovenlangs de kade zal niet veranderen. Deze stukken zijn al ecologisch waardevol. Qua hydrologie wordt het simpel gehouden. Het peil wordt hetzelfde als de omliggende natuurgebieden. Echter wordt dit wel een apart peilvak. Het boezempeil wordt tussen de -0,83 en PIP De Wieden II 40 -0,73 m NAP, een verhoging van 30 cm.

De nieuw aan te leggen kade krijgt een hoogte van -0,23 m NAP. De bestaande watergangen worden verbreed om doorstroming te vergemakkelijken. Er hoeven geen nieuwe watergangen gegraven te worden behalve het stukje van de hoofdwatergang naar de inlaat. De bestaande waterkering aan de noordzijde verliest zijn waterkerende functie, maar blijft vooralsnog als beheerkade in stand. Aan de zuidwestgrens komt een nieuwe kade, om als scheiding te dienen met het ten westen liggende peilvak. Het gebied wordt aan de oostkant gevoed met water uit de bestaande natuurgebieden. Doordat dit gebied hetzelfde peil krijgt, wordt de huidige inlaat hersteld met behoud van het boezemmeetpunt. De nieuwe uitlaat komt in het westen nabij het natuurbelevingspunt. Dit wordt een simpele schotbalk stuw (wordt nader uitgewerkt in de toelichting op het Peilbesluit) die in principe altijd op boezempeil is ingesteld. Alleen als er beheerd moet worden zal deze stuw tijdelijk op een lager peil zijn ingesteld. Tot slot wordt gekeken naar de aanleg van een struinpad vanuit Zwartsluis. Er is gekozen voor de optie om het struinpad aan de westzijde langs het deelgebied te laten lopen, met daarna een uitloop naar het westen, richting Zwartsluis. Er komt hier ook een natuurbelevingspunt om de moerasbroedvogels te kunnen spotten. 3.5.2 Deelgebied 2.

Zomerdijk / Beukers Ligging en doelsoorten Deelgebied Beukers ligt ten noorden van de Zomerdijk en het Meppelerdiep en heeft een oppervlakte van 29 ha. De maaiveldhoogte binnen het deelgebied varieert tussen -0,90 tot -0,10 m NAP. Opvallend is de hogere rug, een stroomrug, die het deelgebied doorsnijdt. Voor deelgebied Beukers gelden dezelfde gezamenlijke Natura 2000-doelen als voor deelgebied Zwartsluis: het gebied wordt ingericht als broedhabitat voor de moerasbroedvogels Roerdomp en Bruine Kiekendief. Ook moet het gebied fungeren als verbinding voor de Otter. Het Porseleinhoen profiteert mee met de nieuwe inrichting van het gebied. De interne doelstelling is om aanvullend 6,4 ha in Zwartsluis of Beukers (dit is in het beheerplan één deelgebied) in te richten als Blauwgrasland. Knelpunten en inrichting Met de inrichting wordt beoogd om de gestelde doelstellingen te behalen. Met het oog op de gebiedskenmerken zijn de volgende knelpunten ontstaan in relatie tot de Natura 2000-opgave: 1. De drooglegging van het gebied is te groot om de gestelde opgaven te kunnen realiseren. Om de beoogde doelstellingen te behalen zijn biotopen nodig die over het algemeen een hoger waterpeil vereisen. 2. Door de hoge archeologische verwachtingswaarden in gedeelten van het deelgebied is het afgraven van de zandrug onwenselijk.

De fosfaattoestand op de stroomrug in dit deelgebied is aan de hoge kant. Door middel van verschralingsbeheer (maaien en afvoeren) kan de fosfaattoestand verlaagd worden, zodat hier bloemrijk grasland kan ontstaan met een gradiënt naar grasland met koekoeksbloem/Blauwgrasland en natgrasland naar moeras. 3. Om het gebied geschikt te maken als broedhabitat voor moerasbroedvogels wordt het biotoop riet beoogd. Hiertoe moet het waterpeil opgezet worden en wateraanvoer geregeld worden. Via een inlaat vanuit het Meppelerdiep kan water in deelgebied Beukers of bij Hemelrijk ingelaten worden. Via een tussengebied wordt het water naar deelgebied Doosje gestuurd, via gemaal Doosje wordt het water weer afgevoerd. In 4.2 wordt toegelicht dat de inlaat vanuit het Meppelerdiep geen significante negatieve effecten heeft op de kwaliteit van de boezem. 4. Bij het koppelen van de wateraanvoer van Beukers naar Doosje is een verbinding nodig tussen deze deelgebieden. De inrichting van het tussenliggende gebied is nader bekeken en hieronder uitgewerkt. 5. Met het vooruitzicht op een peilopzet zijn het uitzicht en drooglegging vanuit de woningen gelegen langs de Zomerdijk een aandachtspunt. In dit gebied zijn het creëren van broedhabitat moerasbroedvogels en leefgebied van de Porseleinhoen de belangrijkste opgaven. Hiervoor is voornamelijk overjarig waterriet met open stukjes grasland essentieel.

In Beukers loopt het maaiveld ook op naar het Meppelerdiep (zuiden). Daarvoor is hier gekozen om door een flinke peilopzet naar -0,4 m NAP een landschap te maken dat ruimte biedt voor deze twee opgaven. Er kan in dit gebied veel waterriet tot ontwikkeling komen. Wel ligt er dwars door dit gebied een hogere zandrug. Deze worden ongemoeid gelaten, NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 41 ook de sloten blijven hier in hun huidige vorm liggen omdat er hier veel kans is op extra wegzijging van water als de bodem verstoord wordt. Deze hogere zandrug blijkt ideaal om de 6,5 hectare Blauwgrasland te ontwikkelen. Er zijn op dit moment al enkele indicatorsoorten aanwezig en met een hoger peil zal dit gebied zich zeer waarschijnlijk verder ontwikkelen tot een volwaardig Blauwgrasland. Om de oevers beter te benutten voor de moerasbroedvogels worden alle sloten verbreed met een natuurlijker talud. Oftewel een flauwe oever. Deze oevers zijn nuttig voor vele planten- en dierensoorten die in deze overgangszone gedijen. Denk aan amfibieën, Roerdompen, jonge vissen en lisdodde. Zo wordt het eindbeeld een gebied met voornamelijk open water en nat riet met over het midden een hogere zandrug vol met soortenrijk hooiland (Blauwgrasland). PIP De Wieden II 42 M aatregelen Zomerdijk / Beukers De inlaat loopt van het Meppelerdiep onder de kering, de provinciale weg, de bermsloot en de kade van het gebied door.

Door de inlaat vanuit het Meppelerdiep kan een peil van -0,4 m NAP gerealiseerd worden. Dit is hoger dan de omliggende peilen. Deze liggen op -0,73 m NAP. De bestaande kades moeten op +0,20 m NAP gemaakt worden. En er wordt langs de zuidkant een nieuwe kade aangelegd. Verder stroomt het water via de westelijke en noordelijke watergang naar het noordoosten van het gebied. Via de noordelijke sloot worden alle watergangen in het gebied gevoed. De uitlaat van Beukers wordt een soort aquaduct langs een bestaande kade naar het deelgebied Doosje. Dit zodat Doosje ook een peil van -0,4 m NAP kan krijgen zonder dat er daar ook een inlaat onder de regionale kering nodig is. Daarnaast watert in de huidige situatie het NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 43 perceel ten westen van dit deelgebied af op het deel waar het peil verhoogd wordt. Deze stuw met duiker gaat weg uit de noordwesthoek van Beukers en komt terug in de buurt van de manege aan de zuidkant van het af te wateren perceel. De exacte locatie ligt nog niet vast. Belangrijk bij dit gebied is ook het minimaliseren van de grondwatereffecten op de woningen en tuinen. Om deze effecten te mitigeren komt er een nieuwe kwelsloot langs de zuidkant van het gebied. Daarnaast worden sommige bestaande perceelsloten opgeschoond en hergeprofileerd rondom de woningen.

Dit betekent dat deze sloten in principe dezelfde dimensies houden maar dat er wellicht aanpassingen aan het talud of slootbodem nodig zijn. Uitgangspunt is dat de woningen hun bestaande drooglegging behouden. Dat betekent dat de daar aanwezig watergangen het huidige polderpeil van -1,1 en -1,40 m NAP behouden. De nieuwe waterloop parallel aan de aan te leggen kade zorgt voor de afwatering. 3.5.3 Deelgebied 3. Doosje Ligging en doelsoorten Deelgebied Doosje ligt ten noorden van de Zomerdijk en het Meppelerdiep en heeft een oppervlakte van 44 ha. De maaiveldhoogte binnen het projectgebied varieert van -0,9 tot 0 m NAP. Het oostelijke deel ligt op een hoge zandrug, waar het maaiveld duidelijk hoger ligt dan in het westelijker gelegen deel. Knelpunten en inrichting Met de inrichting wordt beoogd de gestelde opgaven voor deelgebied Doosje te behalen. Met het oog op de gebiedskenmerken zijn de volgende knelpunten ontstaan in relatie tot de Natura 2000-opgave: 1. De drooglegging van het gebied is te groot om de gestelde opgaven te kunnen realiseren. Om de beoogde doelstellingen te behalen zijn biotopen nodig die over het algemeen een hoger waterpeil vereisen. 2. Uit het fosfaatonderzoek is gebleken dat de realisatie van Blauwgrasland in het oostelijke deel waarschijnlijk niet reëel is, hiervoor moet minstens 40 cm worden afgegraven om de gewenste fosfaattoestand te bereiken.

Het advies vanuit het fosfaatonderzoek is om natuurdoelstellingen te onderzoeken, zoals voedselrijkere vegetatie (kruiden- en faunarijk grasland). Door intensief verschralingsbeheer zou op termijn dotterbloemhooiland kunnen ontwikkelen, mits de vochttoestand dit toelaat (NMI, 2021). 3. Het Natura 2000 beheerplan geeft aan dat er geen diepere, onbegroeide wateroppervlaktes groter dan 5 ha gerealiseerd dienen te worden in verband met overlast van ganzen (rietvraat) (Provincie Overijssel, 2017). 4. Met het vooruitzicht op een peilopzet zijn het uitzicht en drooglegging vanuit de woningen gelegen langs de Zomerdijk een aandachtspunt. De basis is dat het gehele deelgebied Doosje wordt ingericht als moerasgebied. Gebruikmakend van het verloop in maaiveldhoogte ontstaat er een gradiënt van oost naar west. De oostzijde wordt ingericht als een mozaïekmoeras, mede geschikt voor Porseleinhoen. Het middendeel bestaat dan uit nat rietmoeras en open water langs bestaande sloten. Het westelijk deel is bestaand rietmoeras. In dit gebied zijn het creëren van broedhabitat moerasbroedvogels en leefgebied van de Porseleinhoen de belangrijkste opgaven. Hiervoor is voornamelijk overjarig waterriet met open stukjes grasland essentieel. In Doosje loopt het maaiveld ook op naar het Meppelerdiep (zuiden).

Daarvoor is hier gekozen om door een flinke peilopzet naar -0,4 m NAP een landschap te maken dat ruimte biedt voor deze twee opgaven. Er kan in dit gebied veel waterriet tot ontwikkeling komen. PIP De Wieden II 44 Maa tregelen Doosje Aan de zuidelijke rand van de polder bij de woningen is bloemrijk grasland geplaatst, mede omdat nabij de woningen uitzicht behouden moet worden en overlast van muggen vermeden. Door de inlaat vanuit het Meppelerdiep kan via Beukers ook in Doosje een peil van -0,4 m NAP komen. Het water komt binnen via de aanvoersloot uit het westen en gaat via een afsluitbare duiker het gebied in. Het peil wordt hoger dan de omliggende peilen. Deze liggen namelijk op -0,73 m NAP. De bestaande kades moeten op +0,20 m NAP gemaakt worden. Voor de Reeënweg wordt nog gekeken of deze ophoging op of naast de weg komt. Verder stroomt het water via de westelijke en noordelijke watergang naar het noordoosten van het gebied. Via de noordelijke sloot NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 45 worden alle watergangen in het gebied gevoed. De uitlaat van Doosje is stuw van maximaal 1 m breed, deze ligt in het zuidwesten van het gebied en laat direct uit op gemaal Doosje. De bestaande kade die door het gebied ligt wordt afgewaardeerd en deels gebruikt om de naastliggende sloot te verkleinen.

De aanvoer van hemelrijk, het gebied tussen Doosje en Beukers wordt gevoed met een afsluitbare onderleider en krijgt een nieuwe uitlaat naar gemaal Doosje. Dit blijft op boezempeil. Belangrijk bij Doosje is ook het minimaliseren van de grondwatereffecten op de woningen en tuinen. Om deze effecten te mitigeren komt er een nieuwe kade en kwelsloot langs de zuidkant van het gebied. Daarnaast worden sommige bestaande perceelsloten opgeschoond en hergeprofileerd rondom de woningen. Dit betekent dat deze sloten in principe dezelfde dimensies houden maar dat er wellicht aanpassingen aan het talud of slootbodem nodig zijn. Uitgangspunt is dat de woningen hun bestaande drooglegging behouden. Dat betekent dat de daar aanwezig watergangen het huidige polderpeil van -1,6 en -1,80 m NAP behouden. De nieuwe waterloop parallel aan de aan te leggen kade zorgt voor de afwatering. 3.5.4 Deelgebied 4. Polder Giethoorn Ligging en doelsoorten Deelgebied Polder Giethoorn is een voormalige landbouwpolder en ligt ten zuidwesten van de gelijknamige kern. Het deelgebied heeft een oppervlakte van 75 ha. Het maaiveld varieert tussen -0,75 en -2,00 m NAP. Polder Giethoorn ligt duidelijk lager dan het naastgelegen boezemgebied (westen). Dit komt doordat er in dit gebied veen is afgegraven. Door de vervening komt ook niet overal in het gebied veen meer voor.

Knelpunten en inrichting Met de inrichting wordt beoogd de N2000 opgaven voor deelgebied Polder Giethoorn te behalen. Met het oog op de gebiedskenmerken zijn de volgende knelpunten ontstaan in relatie tot de Natura 2000-opgave: 1. De drooglegging van het gebied is te groot om de gestelde opgaven te kunnen realiseren. Om de beoogde doelstellingen te behalen zijn biotopen nodig die over het algemeen een hoger waterpeil vereisen. 2. Uit het fosfaatonderzoek is gebleken dat het risico op fosfaatmobilisatie als gevolg van vernatting op korte termijn hoog is. 3. Het Natura 2000 beheerplan geeft aan dat er geen diepere, onbegroeide wateroppervlaktes groter dan 5 ha gerealiseerd dienen te worden in verband met overlast van ganzen (rietvraat) (Provincie Overijssel, 2017). 4. De polder heeft een vlakke ligging, een peil dat past bij de rietmoeras-doelen (broedhabitat voor de moerasbroedvogels) leidt tot erg natte situaties in de randen bij de woningen. Dit vormt een knelpunt door de kans op water- en/of muggenoverlast. 5. Naast de Natura 2000-opgave ligt er de wens vanuit de rietsector om jaarlijks oogstbaar riet te verbouwen in dit gebied. Enerzijds biedt het oogsten van riet kansen als helofytenfilter om de fosfaatgehalten te verminderen, anderzijds wordt het riet 's winters gemaaid, hetgeen niet samengaat met de eis voor sterk riet in het voorjaar.

In dit gebied zijn het creëren van broedhabitat moerasbroedvogels, foerageergebied voor de Bruine Kiekendief en Grote Karekiet de belangrijkste opgaven. Hiervoor is voornamelijk overjarig waterriet met open water essentieel. Door de beoogde peilopzet worden de natuurlijk laagtes in het midden van het gebied natte riet gebieden of moerasoevers. Er kan in dit gebied veel waterriet tot ontwikkeling komen. In de wat hogere delen zal ook riet goed gedijen maar dit zal iets droger riet zijn. Om de oevers beter te benutten voor de moerasbroedvogels worden alle sloten verbreed met een natuurlijker talud. Oftewel een flauwe oever. Deze oevers zijn nuttig voor vele planten- en dierensoorten die in deze overgangszone gedijen. Denk aan amfibieën, Roerdompen, jonge vissen en lisdodde. Zo wordt het eindbeeld een gebied met voornamelijk open water en nat riet. PIP De Wieden II 46 Maatregelen Polder Giethoorn De bestaande maaiveldhoogte varieert binnen het deelgebied tussen circa -1,00 m NAP en -2,00 m NAP. Door de inlaat (een stuw met duiker) in het zuidwesten vanuit de Cornelisgracht kan in de Polder Giethoorn een peil van -1,3 m NAP worden gerealiseerd; een verhoging van 1,3 m. Dit is hoger dan op de omliggende agrarische percelen. Deze liggen op -2,6 m NAP. Aan de westkant is bestaande natuur op boezempeil (-0,73 en -0,83 m NAP). De bestaande kades hoeven niet aangepast te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/b8794fac-7e1b-4889-aeda-f4084a578167?agendaItemId=b2ab8123-69a0-489e-be39-368ed62bf8fd