8.4 De Wieden II_Toelichting - bijlage 3b
Tekst van het document
Datum: 26 maart 2025 Status: vastgesteld Identificatienummer: NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01
Het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) De Wieden II is opgesteld door: en: In samenwerking met: Samen economisch sterker, met de kracht van de natuur Overijssel telt 24 natuurgebieden die zo bijzonder zijn, dat ze zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-programma stelt ons in staat om samen te werken aan het behoud en herstel van kwetsbare natuur. Dat is geen luxe, maar pure noodzaak. Provincie, andere overheden en natuur- en belangenorganisaties hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de kwaliteit van het leefgebied van zeldzame dieren en planten te verbeteren, voor nu en in de toekomst. Met maatwerk maken we de natuur veerkrachtig en weerbaar tegen invloeden van buiten, zoals verdroging en de uitstoot van stikstof. Waar nodig wordt de bestemming en/of het gebruik gewijzigd en planologisch vastgelegd in een ruimtelijk plan. De maatregelen kunnen effect hebben op de gronden in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden. Samen met de grondeigenaren zorgen we voor een passende oplossing voor hun toekomst. Meer informatie over Provinciale Inpassingsplannen Natura 2000? Kijk ook op: www.overijssel.nl/natura2000 Of neem contact op via: natura2000pip@overijssel.nl onder vermelding van het betreffende Natura 2000-gebied.
Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 6 1.1 Aanleiding en doel 6 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 7 1.3 Wettelijke context 9 1.4 Programma Ontwikkelopgave Natura 2000 10 1.5 Gebiedsproces Natura 2000-gebied "De Wieden" 11 1.6 Leeswijzer 15 1.7 Samenhang producten 16 Hoofdstuk 2 Wetgeving en beleid 17 2.1 Inleiding 17 2.2 Europese wetgeving en beleid 17 2.3 Nationale wetgeving en beleid 18 2.4 Provinciaal beleid 25 2.5 Waterschapsbeleid 29 2.6 Gemeentelijk beleid 30 Hoofdstuk 3 Gebieds- en planbeschrijving 35 3.1 Inleiding 35 3.2 Ontstaan en huidige situatie van het plangebied 35 3.3 Huidige planologische situatie 35 3.4 Gebiedsopgave 37 3.5 Omschrijving inrichtingsplan 39 Hoofdstuk 4 Overige beleid- en onderzoeksaspecten 49 4.1 Inleiding 49 4.2 Milieu 49 4.3 Water 63 4.4 Ecologie 68 4.5 Cultuurhistorie, landschap en archeologie 73 4.6 Explosieven 80 4.7 Sociaal economische effecten 81 Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 84 5.1 Standaarden en opbouw 84 5.2 Toelichting op de artikelen 85 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 89 6.1 Monitoring, toezicht en handhaving 89 6.2 Juridische uitvoerbaarheid 91 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 91 6.4 Economische uitvoerbaarheid 94 NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 3 Bijlagen Bijlage 1 MER De Wieden fase 2 Bijlage 2 Nota van antwoord NRD (behorende bij MER) Bijlage 3 Vooronderzoek bodem De Wieden fase 2 Bijlage 4 Bodem en
Fosfaatondezoek Bijlage 5 Hydrologisch onderzoek De Wieden fase 2 Bijlage 6 Ecologische beoordeling De Wieden planfase 2 Bijlage 7 Bureauonderzoek archeologie De Wieden fase 2 Bijlage 8 Vooronderzoek Conventionele Explosieven De Wieden fase II PIP De Wieden II 4 Toelichting NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Overijssel is prachtig om te wonen, werken en recreëren. De komende jaren werkt het programma Ontwikkelopgave Natura 2000 van de provincie Overijssel samen met de partners van 'Samen werkt beter' aan het behoud en herstel van kwetsbare natuur en worden nieuwe kansen voor de economie gerealiseerd. De natuur heeft te lijden onder effecten van industrie, verkeer en landbouw, terwijl nieuwe economische ontwikkelingen worden beperkt om de natuur niet verder te belasten. De natuur staat onder druk, momenteel meer dan ooit. Daarom wordt gewerkt aan de natuur in de provincie: in 24 beschermde natuurgebieden in Overijssel – de Natura 2000-gebieden – om deze unieke, maar kwetsbare natuur te versterken. Er worden verschillende werkzaamheden uitgevoerd om deze natuur als leefgebied te behouden voor allerlei bijzondere dieren en planten. Om daarmee een steentje bij te dragen aan het behouden en vergroten van de biodiversiteit. Dit wordt gedaan voor én met de inwoners van onze provincie.
Inwoners zoals agrariërs, die een goede boterham moeten blijven verdienen op een manier waarbij een diverse natuur en een duurzame landbouw samengaan. Bewoners, belangenorganisaties en overheid hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de kwaliteit van het leefgebied van dieren en planten te verbeteren, voor nu en in de toekomst. Met maatwerkmaatregelen maakt de provincie de natuur veerkrachtig en weerbaar tegen invloeden van buiten, waardoor op termijn weer nieuwe economische kansen ontstaan. Waar nodig wordt de bestemming en/of het gebruik gewijzigd en planologisch vastgelegd in een ruimtelijk plan. De maatregelen kunnen effect hebben op de gronden in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden. Samen met de grondeigenaren zorgt de provincie voor een passende oplossing voor hun toekomst. Kortom, gezamenlijk wil de provincie de economie en ecologie versterken en nieuwe kansen creëren door samenwerking en vernieuwing. Binnen de provincie Overijssel bevinden zich 24 Natura 2000-gebieden, één daarvan is De Wieden (rood omcirkeld in onderstaande figuur). Voor een deel van dit Natura 2000-gebied is een inrichtingsplan opgesteld waarin maatregelen zijn uitgewerkt om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied te behalen.
De benodigde maatregelen passen niet binnen de geldende beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 en het bestemmingsplan Buitengebied Zwartewaterland. Om die reden is er een nieuw ruimtelijk plan, nodig. Daarom is dit inpassingsplan, in overleg met de gemeenten Steenwijkerland en Zwartewaterland, opgesteld. PIP De Wieden II 6 De 24 Overijsselse Natura 2000-gebieden. Natura 2000 gebied "De Wieden"is rood omcirkeld 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het Natura 2000-gebied “De Wieden” ligt op het grondgebied van de gemeenten Noordoostpolder, Staphorst, Steenwijkerland en Zwartewaterland. De oppervlakte van het Natura 2000-gebied “De Wieden” bedraagt ongeveer 9.020 ha. Het gebied De Wieden is een uitgestrekt laagveenmoeras met meren en kanalen met daartussen natte graslanden, natte heiden, trilvenen, galigaanmoerassen, rietland en moerasbos. Het gebied is een restant van het laagveengebied dat zich ooit van Zwolle tot ver in Fryslân uitstrekte. Een groot deel bestaat uit uitgeveende petgaten. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Het gebied De Wieden is beïnvloed door het oude rivierstelsel van de Overijsselse Vecht. Er komen ondiepe kleiafzettingen voor. Door vervening, met bredere petgaten, zijn de grote meren ontstaan. Het Giethoornse- en Duiningermeer zijn natuurlijke meren.
Natura 2000-gebied "De Wieden" (bron: www.Natura2000.nl) NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 7 Om de natuur veerkrachtig en weerbaar te maken tegen invloeden van buiten worden er maatregelen getroffen in het Natura 2000-gebied De Wieden. De Wieden kent een onlosmakelijke relatie met het ten noordwesten gelegen Natura 2000-gebied Weerribben. Voor beide gebieden is namelijk het Beheerplan De Wieden en Weerribben vastgesteld. Dit beheerplan kent 15 uitwerkingsgebieden. De volgende vier uitwerkingsgebieden zijn opgenomen in dit inpassingsplan: 13a. Zomerdijk / Zwartsluis 13b. Zomerdijk / Beukers 13c. Doosje 14. Polder Giethoorn In deze vier uitwerkingsgebieden, die verder deelgebieden worden genoemd, worden gebieden ingericht voor nieuwe natuur en wordt een aantal verbeteringsmaatregelen binnen de bestaande natuur getroffen. De voorgenomen maatregelen passen niet binnen de bestemming van de geldende beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 en het bestemmingsplan Buitengebied Zwartewaterland. Voor deze maatregelen is dit PIP opgesteld. Het plangebied van het PIP komt overeen met de deelgebieden. Het plangebied met de vier deelgebieden is weergegeven in onderstaande figuur. Plangebied De gronden die binnen het inpassingsplan vallen, zijn alle gelegen binnen de begrenzing van de Ontwikkelopgave in de provinciale Omgevingsverordening.
PIP De Wieden II 8 1.3 Wettelijke context De biodiversiteit in Europa gaat al jaren snel achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en daarom krijgt natuurbescherming vorm in Europees verband door middel van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Naar aanleiding hiervan zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen. In Nederland zijn dit er 162, waarvan er 24 in Overijssel liggen. De Natura 2000-gebieden liggen in de provincie Overijssel binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Realisatie en bescherming van het NNN is belangrijk voor het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van de biodiversiteit, oftewel de rijkdom aan plant- en diersoorten. Het NNN is ook van betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken en voor de regionale economie in Overijssel. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Op basis van deze wet moeten het Rijk en/of de provincies voor alle Natura 2000-gebieden een beheerplan vaststellen. In deze beheerplannen wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen (generieke en gebiedspecifieke).
De instandhoudingsdoelstellingen zijn door het Rijk vastgesteld in zogenaamde aanwijzingsbesluiten. In de beheerplannen zijn natuurherstelmaatregelen opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Deze maatregelen moeten (voor een groot deel) binnen zes jaar na vaststelling van het beheerplan worden uitgevoerd. Het beheerplan voor het Natura 2000-gebied “De Wieden en Weerribben” is NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 9 definitief vastgesteld op 7 april 2020. De maatregelen voor het onderhavige gebied moeten dus voor 6 april 2026 gerealiseerd zijn. Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel hebben op 29 maart 2022 de beheerplanperiode voor het beheerplan Wieden- en Weerribben verlengd voor een periode van zes jaar of – in het geval er eerder een nieuw beheerplan wordt vastgesteld – tot die datum. Binnen de looptijd van het verlengde Natura 2000-beheerplan wordt een nieuw, herzien beheerplan vastgesteld. Per 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Stikstof is schadelijk voor de natuur. Ten behoeve van het PAS zijn PAS-gebiedsanalyses vastgesteld voor Natura 2000-gebieden met stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten. In deze gebiedsanalyses wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen in relatie tot stikstof.
Realisatie van de PAS-maatregelen in en nabij de Natura 2000-gebieden draagt bij aan een goede balans tussen enerzijds behoud en herstel van natuurlijke kwaliteiten en anderzijds de economische ontwikkeling in de omgeving van deze Natura 2000-gebieden. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) heeft een streep gezet door de vergunningverlening-systematiek gebaseerd op het PAS. Geoordeeld is dat de zogenaamde 'hypotheek op de toekomst' (de vergunningen verlenen voordat de natuurherstelmaatregelen zijn uitgevoerd en de stikstofdeposititie naar beneden is gebracht) niet is toegestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de natuurgebieden eerst hersteld moeten worden. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State benadrukt het belang van de uitvoering van de natuurherstelmaatregelen. Zoals eerder aangegeven staan de natuurherstelmaatregelen beschreven in de beheerplannen. De PAS-maatregelen uit de PAS-gebiedsanalyses zijn in deze beheerplannen opgenomen. Het beheerplan vormt hiermee het kader van de natuurherstelmaatregelen. Door de uitspraak van de Raad van State zijn dus de PAS-maatregelen niet komen te vervallen. Uitvoering hiervan is nog steeds noodzakelijk.
1.4 Programma Ontwikkelopgave Natura 2000 Aanleiding oprichting van het programma Voor 2011 was het Rijk verantwoordelijk voor het beschermen en realiseren van de EHS (nu NNN). Sinds in 2011 het bestuursakkoord Decentralisatie Natuurbeheer is gesloten zijn de provincies verantwoordelijk. De maatregelen uit de beheerplannen moeten uitgevoerd zijn binnen zes jaar na vaststelling van het beheerplan. Daarnaast staat de provincie aan de lat voor de verdere realisatie van het NNN. Dit betekent dat er een aanzienlijke opgave voor natuurbescherming en -ontwikkeling ligt voor de provincie Overijssel. Om deze reden heeft de provincie het programma 'Ontwikkelopgave Natura 2000' opgestart. Type maatregelen Binnen de Ontwikkelopgave Natura 2000 wordt onderscheid gemaakt tussen dwingende en vrijwillige maatregelen. Dwingende maatregelen zijn maatregelen die uitgevoerd moeten worden in het kader van de beheerplannen en vrijwillige maatregelen (zogenaamde verbetervoorstellen) zien op de verdere realisatie van het NNN. De beoogde maatregelen zijn opgedeeld in interne en externe maatregelen. Interne maatregelen worden binnen de bestaande natuurgebieden uitgevoerd en zijn met name gericht op herstel van de habitattypen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om plaggen, de herinrichting van beken of het verhogen van het waterpeil.
Daarnaast is het noodzakelijk om maatregelen te nemen op de naastgelegen (landbouw)gronden in de uitwerkingsgebieden: de externe maatregelen. Binnen de provincie Overijssel gaat het om ongeveer 4.200 hectare, verspreid over de verschillende Natura 2000-gebieden. Deze externe maatregelen zijn veelal gericht op het verbeteren van de hydrologische condities van de gronden van het Natura 2000-gebied, het beperken van de bemestingseffecten of een combinatie ervan. Voor het Natura 2000-gebied “De Wieden” gaat het hierbij om circa 407 hectare. De maatregelen kunnen gevolgen hebben voor de bestemming van gronden en/of het gebruik ervan. Het kan zijn dat de functie of het gebruik van de grond wijzigt door bijvoorbeeld vernatting of het stoppen/beperken van bemesting. In die gevallen wordt de bestemming of het gebruik gewijzigd. Dit moet in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan) worden vastgelegd. Percelen waar geen maatregelen getroffen worden of waar na uitvoering van de PIP De Wieden II 10 maatregelen de functie landbouw gehandhaafd kan blijven, worden uit het NNN gehaald. 1.5 Gebiedsproces Natura 2000-gebied "De Wieden" 1.5.1 'Samen Werkt Beter' en de gebiedsprocessen Op 29 mei 2013 hebben vijftien Overijsselse organisaties het akkoord 'Samen werkt beter' ondertekend.
Deze organisaties zetten zich gezamenlijk in om de economie en ecologie de komende tijd te versterken en nieuwe kansen te creëren door samenwerking en vernieuwing. Het samenwerkingsverband bestaat uit: Landschap Overijssel, LTO Noord, Natuur en Milieu Overijssel, Natuurlijk Platteland Oost, Natuurmonumenten, Overijssels Particulier Grondbezit, Provincie Overijssel, RECRON, Staatsbosbeheer, VNG Overijssel, VNO NCW Midden, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Rijn en IJssel en Waterschap Vechtstromen. Per Natura 2000-gebied is een gebiedsproces opgestart voor de realisatie van de benodigde externe maatregelen in de uitwerkingsgebieden. Deze gebiedsprocessen worden (per gebied) door één van de 'Samen werkt beter' partners getrokken. Tijdens het gebiedsproces zijn de benodigde maatregelen verder onderbouwd en geconcretiseerd en besproken met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. Indien gaandeweg het proces blijkt dat er verbetervoorstellen voor het NNN meegenomen dienen te worden, dan zullen deze verbetervoorstellen in het ontwerp PIP planologisch mogelijk worden gemaakt. De provincie vormt samen met Natuurmonumenten, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Gemeente Steenwijkerland, Gemeente Zwartewaterland en LTO Noord een werkgroep voor de planuitwerking van onderliggende Natura 2000 opgave.
De terreinbeherende organisaties (Natuurmonumenten) hebben de interne maatregelen verder uitgewerkt, eveneens in afstemming met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. Deze maatregelen zijn zo nodig uitgewerkt in vergunningaanvragen en maken geen deel uit van dit inpassingsplan. 1.5.2 Het beschikbaar krijgen van gronden en vergoedingensystematiek Voor het natuurherstel in Natura 2000 gebieden worden voor de externe maatregelen inrichtingsplannen opgesteld, die als bijlage bij het PIP worden vastgesteld. Het is belangrijk dat de grond waarop deze inrichting plaats moet vinden op tijd beschikbaar komt. Eigenaren op wiens grond de inrichting plaatsvindt en/of waar effecten van de inrichting optreden, krijgen een schadevergoeding. Het doel is niet de aankoop van de grond, in geen enkele situatie moet de grond verkocht worden. Belangrijk is dat de grond beschikbaar komt voor de noodzakelijke inrichting en naderhand op de gewenste wijze wordt beheerd. De eigenaar kan eigenaar blijven, zijn grond voor de inrichting beschikbaar stellen en het gewenste beheer voor zijn rekening nemen. Of de grond natuur moet worden of bruikbaar blijft voor (aangepast) landbouwkundig gebruik, is aangegeven in het PIP. De projectleider van het gebiedsproces zorgt er voor dat de grondeigenaar goed geïnformeerd is over de inrichtingsmaatregelen.
Vaak vinden er ook keukentafelgesprekken plaats. De wijze waarop communicatie en participatie heeft plaatgevonden in dit gebiedsproces, is verderop in dit PIP te lezen (zie paragraaf 6.3.3). Mogelijkheden voor het beschikbaar krijgen van de gronden Het maken van afspraken met grondeigenaren wordt door de provincie gedaan. Daarbij zijn er verschillende opties, afhankelijk van de zwaarte van de inrichtingsmaatregelen. Een grondeigenaar kan tegen het ontvangen van een schadevergoeding meewerken aan het inrichten van zijn grond en naderhand het gewenste beheer voor zijn rekening nemen. Afhankelijk van de beschikbaarheid kan grond geruild worden: grond wordt afgestaan voor natuurontwikkeling en de eigenaar krijgt daarvoor vervangende grond terug. Soms komt een bedrijfsverplaatsing in beeld. Een andere optie NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 11 is verkoop van de grond. De inrichtingsmaatregelen zijn niet vrijblijvend. Wanneer het niet lukt om minnelijk (vrijwillig) met de eigenaar tot overeenstemming te komen, wordt er een dwingend instrument ingezet. De Wet natuurbescherming biedt aan Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om de gedoogplicht op te leggen om de eigenaar te bewegen de inrichtingsmaatregel uit te laten voeren. In gevallen waarbij de grond volledig aan het landbouwkundig gebruik moet worden onttrokken en als natuurgrond moet worden ingericht, kan sprake zijn van onteigening.
Daarnaast bieden de Wet natuurbescherming en de Wet ruimtelijke ordening mogelijkheden voor handhaving. Ons streven is om met de grondeigenaren minnelijk tot overeenstemming te komen. Het bepalen van de hoogte van de vergoeding De Provincie heeft onafhankelijke gecertificeerde rentmeesters/taxateurs geworven. Deze krijgen opdracht van de projectregisseur grond (medewerker van afdeling Grondzaken van de Provincie) om in contact te treden met de grondeigenaren met als doel om de verwachte schade vooraf te vergoeden en daarmee de gronden beschikbaar te krijgen voor de te treffen inrichtingsmaatregelen. Het begint vaak met een gesprek aan de keukentafel van de eigenaar waarbij de rentmeester het hoe en waarom van zijn komst uitlegt. Ook worden eventuele wensen van de grondeigenaar besproken. Aan de eigenaar wordt geadviseerd om zich te laten bijstaan door een deskundige die goed thuis is in schadeloosstelling en die namens de eigenaar het gesprek hierover kan voeren. De rentmeester taxeert de verwachte schade en neemt daarbij alle beschikbare inhoudelijke informatie over de maatregelen en de effecten daarvan mee. Schade-componenten die hierbij betrokken worden zijn: vermogenswaarde grond, inkomensschade en bijkomende schade (o.a. deskundigenkosten en planschade). De rentmeester doet vervolgens een aanbod aan de eigenaar voor de schadeloosstelling.
De vergoeding van schade als gevolg van maatregelen die worden uitgevoerd in de Ontwikkelopgave heet nadeelcompensatie. Planschade is een vorm van nadeelcompensatie specifiek voor schade die optreedt als gevolg van een ruimtelijk besluit (in dit geval een PIP). Planschade wordt vergoed op basis van de Wet ruimtelijke ordening. (Overige) nadeelcompensatie wordt vergoed op basis van de 'Beleidsregel nadeelcompensatie Ontwikkelopgave Natura 2000 Overijssel 2017'. Daar waar in het uiterste geval sprake kan zijn van onteigening, wordt de schade vergoed op basis van de Onteigeningswet. De hoogte van de schadevergoeding is afhankelijk van het type maatregel dat getroffen wordt en de effecten daarvan, de bestemming en ook van de wettelijke basis. Het volgende schema geeft dit weer. Schema Vergoedingsregime PIP De Wieden II 12 1.5.3 Fasering gebiedsproces Om grip te krijgen op de ontwikkeling en uitvoering is het gebiedsproces opgedeeld in vier fasen, namelijk: verkenning, planvorming, realisatie en beheer. De verkenningsfase is inmiddels voor nagenoeg alle gebieden afgerond. In deze fase zijn verkenningen opgesteld. Hierin zijn de eisen, wensen, problemen en mogelijke oplossingen, betrokken partijen en draagvlak in beeld gebracht.
In de planvormingsfase worden de beoogde maatregelen verder uitgewerkt en geconcretiseerd in een inrichtingsplan en een ruimtelijk plan (een bestemmingsplan of een provinciaal inpassingsplan). In de realisatiefase worden de beschreven activiteiten en maatregelen uit het inrichtingsplan en ruimtelijk plan gerealiseerd. Hiervoor moeten diverse procedures worden doorlopen, zoals de vaststelling van het benodigde ruimtelijke plan en het verkrijgen van diverse vergunningen. Tevens valt de uitvoering van de maatregelen binnen deze fase. Het gebiedsproces van De Wieden bevindt zich momenteel in deze fase. In de beheerfase worden bij inrichtingsprojecten voor natuur de ingerichte gronden doorgeleverd aan beheerders. In deze fase is in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 de monitoring van de natuurkwaliteit van belang. Indien nodig worden, naar aanleiding van de monitoring, de PAS-gebiedsanalyses en/of beheerplannen aangepast of worden er aanvullende inrichtingsmaatregelen vastgesteld. Fasering Het gebied De Wieden is in het beheerplan gekoppeld aan het gebied de Weerribben. Gelet op de grote opgave voor deze twee gebieden is er in het gebiedsproces voor gekozen om een knip te maken tussen 'De Wieden' en 'de Weerribben'. Tijdens de planuitwerking zijn de maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan uitgewerkt in een inrichtingsplan.
De maatregelen hebben voor sommige percelen gevolgen voor het gebruik wat leidt tot aanpassing van de bestemming. Uitsluitend voor de gronden waarvan de bestemming of het gebruik wijzigt, is onderhavig provinciaal inpassingsplan opgesteld. Waarbij tevens wordt opgemerkt dat de maatregelen uitsluitend betrekking hebben op gronden die zijn gelegen binnen de gemeente Steenwijkerland en Zwartewaterland. Zoals ook zal blijken uit de paragrafen 6.3.1 en 6.3.2 heeft de provincie Overijssel er in overleg met de betrokken gemeenten voor gekozen om als ruimtelijk instrument het provinciaal inpassingsplan in te zetten. Het concept ontwerp-inpassingsplan wordt voorgelegd aan de betreffende gemeenten en de wettelijke overlegpartners (zoals het Waterschap Drents Overijsselse Delta). In de stap hierop volgend wordt, zoals gebruikelijk, het ontwerp-inpassingsplan door de provincie ter inzage gelegd, zodat een ieder (o.a. belanghebbenden en burgers), kennis kan nemen van de plannen (schetsontwerpen en daarmee samenhangende bestemmingswijziging naar de bestemming “Natuur”) en een reactie kan geven. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 13 Inmiddels zijn alle onderzoeken en het inrichtingsplan gereed, de voorkeursvarianten bekend en in het gecombineerde plan-/project-MER zijn de milieueffecten bepaald van de voorgenomen maatregelen.
Het gecombineerde plan-/project-MER wordt samen met het ontwerp PIP ter inzage gelegd. 1.5.4 Scope van dit plan Dit PIP voorziet in de juridisch-planologische vertaling van de maatregelen uit het inrichtingsplan ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen. Dit plan bevat geen maatregelen om de stikstofuitstoot te verlagen. De Provincie Overijssel en het Rijk werken hier samen aan. Voor de Provincie Overijssel wordt dit opgepakt in het Programma Gebiedsgerichte Aanpak (GGA). Dat programma heeft drie doelen: Robuustere natuur door significante daling van de stikstofdepositie en (extra) natuurherstel. Perspectief voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken. Een toekomstbestendig Overijssel door waar mogelijk en nodig slimme combinaties met andere opgaven. In 2020 is de Gebiedsgerichte Aanpak voor de zes Overijsselse gebieden van start gegaan. In alle gebieden is in 2021 een gebiedsanalyse opgesteld. Inmiddels is voor elk gebied een gebiedsagenda opgesteld. Deze agenda's zijn de basis voor het Overijsselse Gebiedsplan dat de provincie voor 1 juli 2023 aan de minister overhandigt. Dit Overijsselse Gebiedsplan plan is het aanbod vanuit Overijssel: de provinciale bijdrage aan het oplossen van het stikstofprobleem.
Gebiedsgerichte aanpak Omdat het van belang is om snel de achteruitgang van de kwaliteit van de natuur in de Natura 2000 gebieden te stoppen, de gebiedsprocessen van de Ontwikkelopgave N2000 al in volle gang zijn, en omdat er voor de uitvoering van deze maatregelen een wettelijke deadline geldt (binnen zes jaar na vaststelling van het beheerplan) is ervoor gekozen om de 'natuurmaatregelen' en de 'stikstofuitstoot-verlagende maatregelen' niet samen te voegen. Dit plan richt zich daarom alleen op de natuurmaatregelen. 1.5.5 Provinciaal Programma Landelijk Gebied Het platteland is meer dan ooit in beweging. In Nederland moeten stikstof en broeikasgassen verminderen en water- en bodemkwaliteit en biodiversiteit verbeteren. Stuk voor stuk complexe natuur- en klimaatopgaven die het platteland direct raken, met elkaar verbonden zijn en tegelijkertijd worden gerealiseerd. De provinciale kennis en ervaringen op het gebied van het landelijk gebied worden gebundeld in het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). Het PPLG-plan is gebaseerd op een aantal opgaven die nauw met elkaar verbonden zijn. De opgave natuur, klimaat en water, het bieden van kansen aan de landbouw en een sociaal economisch sterk landelijk gebied. De provincie heeft de eerste versie van het PPLG Overijssel bij het Rijk ingediend.
PIP De Wieden II 14 Wat houdt het PPLG Overijssel in? Het Rijk geeft in het Nationaal Programma Landelijk Gebied aan welke opgaven en maatregelen gelden op het gebied van natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat. De provincie Overijssel geeft deze doelen concreet vorm in een Provinciaal Programma Landelijk Gebied Overijssel (PPLG Overijssel) en dient het ontwerp PPLG op 1 juli 2023 in bij het Rijk. Naast de natuur- en klimaatdoelen uit het PPLG voegt de provincie daar twee kerndoelen aan toe. Bij de uitwerking van plannen in het kader van het PPLG wordt de aanpak steeds aan deze drie doelen getoetst. Deze drie doelen zijn in de beoordelingen c.q. afwegingen zijn even belangrijk. De natuur-, water-, en klimaatdoelen kunnen alleen worden gerealiseerd in samenhang met een helder perspectief voor boeren en de belofte van vitale, leefbare, economisch sterke gemeenschappen op ons platteland; toekomst voor ondernemers en inwoners. Met het Provinciaal Programma Landelijk Gebied Overijssel (PPLG Overijssel) geeft de provincie samen met haar gebiedspartners via haar 3x3 aanpak (3 doelen, 3 randvoorwaarden en maatwerk voor 3 categorieën boeren) richting aan de uitvoering. Het PPLG Overijssel kent drie onlosmakelijke doelen: 1. Versterken natuur.
We moeten in Nederland stikstof en broeikasgassen verminderen en water- en bodemkwaliteit- en kwantiteit en biodiversiteit verbeteren. 2. Behouden (en liefst verbeteren) van de leefbaarheid en de economische kwaliteit van ons platteland. 3. Bieden van een perspectief voor een toekomstgerichte agrarische sector Daarnaast zijn er bij deze aanpak drie randvoorwaarden: samenwerken met de gebieden, alle sectoren dragen evenredig bij aan de gestelde natuur-, water en klimaatdoelen en deze doelen worden in één keer opgepakt (integraal). De provincie streeft hierbij naar maatwerk voor drie categorieën boeren, namelijk: Afbouwer/stopper; Blijver die zo veel mogelijk op het huidige (intensieve) pad door wil; Omvormer die het bedrijf op de huidige plek extensiever wil runnen en/of verbreden. 1.6 Leeswijzer In deze inleiding zijn de aanleiding, de opgave en het totstandkomingsproces van dit inpassingsplan beschreven. In hoofdstuk 2 is het belangrijkste wettelijk- en beleidskader beschreven. Hier wordt ingegaan op met name de beleidsaspecten ten aanzien van ecologie en water, omdat deze het meest van toepassing zijn voor de Ontwikkelopgave Natura 2000 en op dit plan. In hoofdstuk 3 is het plan beschreven: wat is de huidige (planologische) situatie, wat is de opgave voor het gebied en hoe is dit uitgewerkt in het inrichtingsplan.
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de overige beleids- en onderzoeksaspecten. Hierin wordt dit inpassingsplan getoetst aan de aspecten milieu (m.e.r., bodemkwaliteit, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, Wet ammoniak en veehouderij en overige aspecten), water, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en landschap en explosieven. In hoofdstuk 5 is de juridische planopzet beschreven van dit inpassingsplan, waarin de opbouw en de inhoud van de artikelen van de regels zijn opgenomen. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan, gelet op de aspecten 'juridisch', 'maatschappelijk', 'financieel' en 'monitoring'. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 15 1.7 Samenhang producten In deze paragraaf wordt ingegaan op de relatie tussen de drie samenhangende documenten voor de planuitwerking "De Wieden". Het gaat daarbij om: het inrichtingsplan (zie Bijlage 1 in de Regels) het milieueffectrapport (zie Bijlage 1 bij deze Toelichting) het provinciaal inpassingsplan Elk document kent een ander doel, maar ze vormen een samenhangend geheel. In het inrichtingsplan wordt beschreven hoe de ontwikkelopgave die voor het Natura 2000-gebied 'De Wieden' geldt, gerealiseerd wordt. Daartoe wordt een aantal maatregelen benoemd. Het milieueffectrapport (MER) heeft als doel om het milieubelang mee te kunnen wegen in het inpassingsplan.
Het rapport is een hulpmiddel bij besluitvorming. Het MER moet in beeld brengen wat de milieugevolgen zijn van de maatregelen die volgens het inrichtingsplan moeten worden uitgevoerd en die daarbij leiden tot het wijzigen in de bestemming Natuur. Het MER geeft inzicht in de kansen en risico's van de voorgenomen maatregelen op de verschillende milieuthema's (bijvoorbeeld bodem en water) en levert uitgangspunten voor het ontwerpproces. Het provinciaal inpassingsplan (PIP) is het instrument om beoogde maatregelen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Daarbij is het uitgangspunt dat er sprake moet zijn van 'een goede ruimtelijke ordening'. In dat kader dienen alle ruimtelijk relevante belangen tegen elkaar te worden afgewogen. Het inrichtingsplan en het milieueffectrapport zijn als bijlagen bij dit inpassingsplan opgenomen. PIP De Wieden II 16 Hoofdstuk 2 Wetgeving en beleid 2.1 Inleiding Op de Ontwikkelopgave Natura 2000 is veel wetgeving en beleid van toepassing. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wetgeving en het beleid op het gebied van natuur en water, omdat deze aspecten de meeste invloed hebben op de opgave. Voor overige wetgeving en beleid op het gebied van milieu (MER, bodemkwaliteit, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit en overige aspecten), archeologie, cultuurhistorie en landschap en explosieven wordt verwezen naar hoofdstuk 4.
Waarin, indien beschikbaar, ook de onderzoeksresultaten van de desbetreffende aspecten worden beschreven. 2.2 Europese wetgeving en beleid 2.2.1 Vogel- en Habitatrichttlijn en Natura 2000 Om de biodiversiteit in Europa te behouden en te vergroten is op Europees niveau de Vogel- en Habitatrichtlijn opgesteld. De Vogelrichtlijn heeft tot doel alle wilde vogels en hun belangrijkste habitats in de hele EU te beschermen. De richtlijn verplicht de lidstaten bovendien tot de bescherming van gebieden die uitermate belangrijk zijn voor alle trekvogelsoorten en meer dan 190 bijzonder bedreigde soorten. Hierbij moet speciale aandacht worden besteed aan waterrijke gebieden van internationaal belang (Wetlands). De Habitatrichtlijn is vergelijkbaar met de Vogelrichtlijn maar heeft betrekking op een veel groter aantal zeldzame, bedreigde of inheemse soorten, inclusief meer dan duizend dieren- en plantensoorten. Naast de bescherming van specifieke flora en fauna, hebben de Vogel- en Habitatrichtlijn eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. Dit wordt beoogd door de aanwijzing van beschermde gebieden, die samen het Europees ecologisch netwerk van beschermde natuurgebieden vormen: Natura 2000. Binnen dit Europees netwerk komen natuurgebieden voor waarin belangrijke flora en fauna aanwezig zijn, gezien vanuit een Europees perspectief.
Met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden kunnen flora en fauna duurzaam beschermd worden (www.natura2000.nl). Binnen de Ontwikkelopgave Natura 2000 van de provincie Overijssel gaat het om 24 Natura 2000-gebieden. Alle Nederlandse Natura 2000-gebieden moeten bijdragen aan het behoud en indien van toepassing het herstel van: 1. de ecologische samenhang van Natura 2000 binnen Nederland en de Europese Unie; 2. de biologische diversiteit en de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn; 3. de natuurlijke kenmerken van het gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 4. de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 17 2.2.2 Kaderrichtlijn Water Naast internationale afspraken over natuur is ook het Europese beleid voor de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater van belang voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. Deze afspraken zijn vastgesteld in de Kaderrichtlijn Water (KRW). Sinds eind 2000 zorgt de KRW voor een goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen.
Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. De KRW beschermt alle grote wateren: rivieren, meren, kustwateren en grondwateren. Een goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater draagt bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden, waaronder die in de provincie Overijssel. Naast een goede kwaliteit wordt met de Kaderrichtlijn Water ook verdroging tegengegaan. Verdroging kan in natuurgebieden de kwaliteit aantasten en bodemdaling, bijvoorbeeld in veengebieden, veroorzaken. 2.2.3 Conclusie De doelstellingen die met het voorliggende inpassingsplan moeten worden gehaald, staan niet op gespannen voet met het hier van toepassing zijnde Europees beleid. 2.3 Nationale wetgeving en beleid 2.3.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden. In deze wet zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet opgenomen. De wet voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. In de wet worden 945 soorten actief beschermd (planten en dieren). Alles wat schadelijk is voor beschermde soorten, is verboden.
Het gaat dan bijvoorbeeld om het plukken van bepaalde planten en het verstoren, verjagen of doden van dieren. In bepaalde situaties mag dit wel, maar daarvoor is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. De Flora- en faunawet gaat daarmee uit van het 'nee, tenzij' principe. Ten behoeve van gebiedsbescherming geldt dat voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur een vergunning nodig is. De wet vormt de wettelijke basis voor de aanwijzing van alle Natura 2000-gebieden en het opstellen van Natura 2000-beheerplannen. Het Natura 2000-gebied “De Wieden en Weerribben” is op 4 juli 2013 door de staatssecretaris van het Ministerie van Economische Zaken aangewezen als Natura 2000-gebied. Bossen worden in de Wet natuurbescherming beschermd, met name de oppervlakte. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan moet dit op een andere locatie plaats vinden (compensatie). Dit geldt ook bij het rooien en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Voor bos dat gekapt wordt ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden geldt geen herplantplicht.
Wel kan er een meldingsplicht gelden of een kapvergunning nodig zijn voor de kap van bomen PIP De Wieden II 18 2.3.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden welke worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, wateren en kustzones, en alle Natura 2000-gebieden. Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas van de leefomgeving) 2.3.3 Programma Aanpak Stikstof Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vormde een deel van de basis van dit plan. Het PAS bestaat inmiddels niet meer, maar is als gevolg van een uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 (zie onderstaand) nog wel relevant voor de twee pijlers die samen zorgen voor het realiseren van de Natura 2000-doelen en ruimte creëeren voor economische ontwikkelingen. De eerste pijler betreft de maatregelen om de stikstofemissie te verminderen zodat de stikstofdepositie daalt. Dit is voornamelijk een verantwoordelijkheid van het Rijk. De tweede pijler richt zich op maatregelen die natuurgebieden minder gevoelig maken voor de uitstoot van stikstof.
Dat gebeurt door de kwaliteit en omvang van de natuurgebieden actief te verbeteren. Hiervoor zijn PAS-gebiedsanalyses opgesteld, waarin de huidige en gewenste toekomstige situatie van de Natura 2000-gebieden zijn beschreven en waarin is aangegeven met welke maatregelen deze toekomstige situatie behaald kan worden. Deze maatregelen worden vooral door provincies uitgewerkt. De provincie Overijssel heeft de uitwerking en realisatie van de maatregelen ondergebracht in de Ontwikkelopgave Natura 2000. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 19 Een deel van de stikstofdepositieruimte die door het nemen van maatregelen zou worden gecreëerd kon volgens het PAS op voorhand worden gebruikt voor het verlenen van Omgevings- en Wnb-vergunningen voor ontwikkelingen. Het Europees Hof heeft op verzoek van de Raad van State op 19 januari 2019 een prejudicieel advies over het PAS uitgebracht waarin gesteld werd dat dit niet mocht. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State naar aanleiding daarvan een uitspraak gedaan over het PAS. Deze uitspraak laat het doel van de twee pijlers ongemoeid. Daar is dit PIP op gericht. Het vergeven van ontwikkelruimte voordat onomstotelijk vaststaat dat de natuurmaatregelen gerealiseerd worden én tot positief effect zouden leiden, is door de uitspraak onmogelijk geworden.
2.3.4 Beheerplannen Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming. Op basis van deze wet moeten het Rijk en/of de provincies voor alle Natura 2000-gebieden een beheerplan vaststellen. In deze beheerplannen wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen. Hierin wordt gekeken naar alle benodigde natuurherstelmaatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. De maatregelen moeten binnen zes jaar na vaststelling van de beheerplannen uitgevoerd zijn. Het beheerplan voor het Natura 2000-gebied “De Wieden en Weerribben” is definitief vastgesteld op 7 april 2020. De maatregelen voor het onderhavige gebied moeten binnen de werkingstermijn van het beheerplan gerealiseerd zijn. Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel hebben op 29 maart 2022 de beheerplanperiode voor het beheerplan Wieden- en Weerribben verlengd voor een periode van zes jaar of – in het geval er eerder een nieuw beheerplan wordt vastgesteld – tot die datum. Binnen de looptijd van het verlengde Natura 2000-beheerplan wordt een nieuw, herzien beheerplan vastgesteld. In paragraaf 3.4.1 wordt nader ingegaan op het Beheerplan voor De Wieden en welke natuurdoelstellingen voor de vier deelgebieden in dit inpassingsplan hieruit voortvloeien.
2.3.5 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de rijksvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving en opvolger van de SVIR. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt ook om zorgvuldige keuzes, want de ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed. Met de NOVI brengt het Rijk in beeld waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving, stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationaal belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2.
De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden. 3. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 PIP De Wieden II 20 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windturbines en zonnepanelen. Het Rijk zet zich daarnaast in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan Nederland zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld.
Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners, Het Rijk zet in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat de Nederlandse economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Sterke en gezonde steden en regio's Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en breidt deze uit, waarbij de richting van de verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-)infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar er vraag is. Om het netwerk als geheel te benutten, zijn goede verbindingen tussen de stedelijke regio's nodig. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio.
Bij de invulling van de integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet-stedelijk gebied moet plaatsvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezond leefstijl en maatschappelijke participatie bevorderd en versterkt het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad. Daarbij worden steden en regio's klimaatbestendig ingericht. ad 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen landgebruik en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Het landgebruik moet meer afgestemd worden op zoetwaterbeschikbaarheid en -gebruik. Middels een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van wateroverlast en tekorten. Het Rijk maakt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit. De biodiversiteit wordt beschermd en versterkt en het natuurlijk kaptiaal wordt duurzaam benut. Het Rijk zet in op het versterken en beschermen van unieke landschappelijke kwaliteiten.
Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Hierbij wordt het omgevingsbeleid landschapsinclusief. Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 21 Afwegen met de NOVI Verder zijn er 21 nationale belangen geformuleerd, waarvan er twee relevant zijn voor de onderhavige ontwikkeling: Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang (19). Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit (20). Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang De voor Nederland kenmerkende landschappen verliezen langzaamaan identiteit als gevolg van gestage erosie van kenmerkende landschapselementen. De druk op het landschap neemt onder meer toe door 'verloodsing' als gevolg van groei van de economie en het transport, leegstand van agrarische bebouwing, bodemdaling en schaalvergroting van de landbouw. Het is van nationaal belang de kernkwaliteiten van stad en land te waarborgen.
Dit uit zich in bescherming van waardevolle, open en kwetsbare landschappen en bebouwde gebieden, uitgaand van hun kernkwaliteiten. Het Rijk is medeverantwoordelijk voor het beschermen van waardevolle landschappen, zoals het Groene Hart, de Waddenzee, de Veluwe, werelderfgoedgebieden en de nationale parken. Dit vraagt van alle actoren, zowel overheden, maatschappelijke partijen als burgers, om de veranderingen in het landschap met zorg voor de kwaliteit van dat landschap vorm te geven en te monitoren. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit De urgentie op het gebied van natuur en biodiversiteit is groot. Behoud en herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland dragen in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het is van nationaal belang dat inspanning wordt geleverd om de Europese (instandhoudings)doelstellingen te realiseren waartoe Nederland verplicht is. Daarbij stuurt Nederland waar mogelijk op natuurlijke processen om zo de instandhoudingsdoelen voor soorten en habitats beter te kunnen realiseren. Naast instandhouding is biodiversiteitsherstel ook een rijksbrede opgave: biodiversiteitsverlies staat niet op zichzelf. Biodiversiteit kan alleen hersteld worden door ook op samenhangende beleidsterreinen actief in te zetten op herstel, zoals natuurinclusieve landbouw en groen in de stad.
De opgave is het herstellen en versterken van de biodiversiteit zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Dat betekent dat op termijn de condities zodanig zijn dat alle beschermde soorten en habitats in goede staat kunnen voortbestaan en tussentijds niet verslechteren. Onderdeel van de bestaande opgave is de realisatie van 80.000 ha extra natuurgebied tot en met 2027 (Natuurnetwerk Nederland), zoals afgesproken door het Rijk met de provincies in het kader van het Natuurpact. PIP De Wieden II 22 2.3.6 Barro De nationale belangen uit de NOVI die juridische borging vragen, zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend/beschermend karakter. Het doel is te borgen dat geformuleerde nationale belangen niet gefrustreerd worden door ontwikkelingen die met bestemmings- en inpassingsplannen mogelijk worden gemaakt. De algemene regels die worden gesteld aan bestemmings- en inpassingsplannen zijn in het kader van de nationale belangen, voor zover relevant, meegenomen in dit inpassingsplan.
In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Gezien de ligging van het plangebied is besluit '2.10 Natuurnetwerk Nederland' ten aanzien van de nationale belangen voor dit inpassingssplan relevant. In dit besluit is aangegeven dat bij provinciale verordening de gebieden worden aangewezen die het natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Tevens worden de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden aangewezen en worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen / inpassingsplannen. 2.3.7 Rarro De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In artikel 2.6 van het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden,objecten en zones worden aangewezen, waar bij de vaststelling van bestemmingsplannen/inpassingsplannen rekening mee moet worden gehouden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Er zijn geen onderwerpen of rijksbelangen uit het Rarro waarmee het voornemen strijdig is. 2.3.8 Waterwet en het Nationaal Waterplan De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.
Daarnaast zijn het Waterbesluit en de Waterregeling van toepassing. Hierin worden o.a. de begrenzing en de toedeling van oppervlaktewaterlichamen beschreven, de procedurele en inhoudelijke aspecten van/voor: het Nationale Waterplan; het beheerplan voor de Rijkswateren; het Regionaal Waterplan; de implementatie van de Kaderrichtlijn Water; de implementatie van de Richtlijn overstromingsrisico's. Andere aspecten die de Waterwet regelt zijn: vergunningplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken, het onttrekken van grondwater, voor het lozen of onttrekken van water aan oppervlaktewater, de wijze waarop een aanvraag om een watervergunning moet worden gedaan, e.d. Het Nationaal Waterplan wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 23 2.3.9 Deltaprogramma Klimaatverandering heeft op langere termijn gevolgen voor veiligheid en droogte. Daarom is het Deltaprogramma in het leven geroepen: een nationaal programma waarin Rijksoverheid, provincies, waterschappen en gemeenten samenwerken.
De juridische grondslag voor het Deltaprogramma is de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening. De doelen van het Deltaprogramma zijn tweeledig: enerzijds bescherming tegen overstromingen en anderzijds zorgen voor voldoende zoet water. De zomers worden warmer en droger. Het gevolg is dat er soms te weinig zoet water zal zijn. Dat merken dan vooral landbouw, industrie en natuur. Het Deltaprogramma bevat afspraken over de waterbeschikbaarheid van zoet water. Ook zijn er hoofdkeuzen gemaakt voor de aanpak en de richting aan de maatregelen die Nederland hiervoor inzet op de korte en op de lange termijn, de Deltabeslissingen. 2.3.10 Omgevingswet De Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking treedt, is een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. De wet zal straks onder andere 26 bestaande wetten op het gebied van onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur bundelen.
Doelen van de Omgevingswet zijn: de verschillende plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar afstemmen; duurzame projecten (zoals windmolenparken) stimuleren; gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte geven om hun omgevingsbeleid af te stemmen op hun eigen behoeften en doelstellingen De maatschappelijke doelen van deze wet, zoals deze thans zijn beschreven, zijn gericht op een duurzame ontwikkeling en het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen. Het doel staat voorop en niet het middel om er te komen. Het principe bij het beoordelen van initiatieven is 'ja mits' in plaats van 'nee tenzij'. Tijdens het proces van de Ontwikkelopgave Natura 2000 wordt de komst van de Omgevingswet in de gaten gehouden, en waar en wanneer nodig aangesloten op deze wet. 2.3.11 Conclusie De Ontwikkelopgave Natura 2000 van de provincie Overijssel draagt bij aan de bescherming, het herstel en de versterking van het NNN, waaronder de Natura 2000-gebieden.
De benodigde maatregelen voor dit herstel en versterking zijn voor het Natura 2000-gebied “De Wieden” verwerkt in een inrichtingsplan (zie Bijlage 1 bij de regels). Hierin zijn onder andere de maatregelen uit het beheerplan opgenomen en nader geconcretiseerd. Uitvoering van de maatregelen sluit aan bij de doelstellingen van de nationale wetgeving en beleid op het gebied van natuur en water. Het onderhavige inpassingsplan maakt de maatregelen juridisch/planologisch mogelijk. PIP De Wieden II 24 2.4 Provinciaal beleid 2.4.1 Omgevingsvisie- en verordening Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is een structuurvisie en presenteert het provinciaal belang en beleid in de fysieke leefomgeving. Hierin staan de ambities en doelstellingen voor de lange termijn. Tevens is beschreven op welke wijze de provincie Overijssel haar rol in de ruimtelijke ordening vervult. Om de Omgevingsvisie uit te kunnen voeren, hebben Provinciale Staten op 12 april 2017 behalve de Omgevingsvisie ook een Omgevingsverordening vastgesteld. Beide worden actueel gehouden middels een jaarlijks actualisatieronde. De Omgevingsverordening bevat o.a. regels voor gemeentelijke ruimtelijke plannen, natuur, grondwaterbescherming, bodemsanering en ontgrondingen, kwantitatief en kwalitatief waterbeheer en verkeer (provinciale wegen en scheepvaartwegen).
Zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening worden jaarlijks geactualiseerd. Natuurbeleid De provinciale ambitie voor natuur is als volgt omschreven: “Inzet is het ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit als ruggengraat van Overijssel. Het NNN zien we daarin als een integrale opgave: het gaat niet alleen om het bevorderen van de biodiversiteit, maar ook om het bevorderen van de ruimtelijke continuïteit en de toegankelijkheid en beleving van de natuur. Om natuurlijke processen weer vrij spel te geven, streven we naar grote aaneengesloten en verbonden gebieden. Integratie van de natuuropgave in een bredere gebiedsopgave biedt de mogelijkheid om de natuur een duidelijk gezicht te geven. De kwaliteit van de randen van de natuurgebieden, de uitstraling van de natuurgebieden én het besef van massa en robuustheid van de natuurgebieden kunnen hierdoor worden vergroot. Aan de randen van de natuur kunnen recreatieaccommodaties, toeristische voorzieningen, bijzondere woonvormen en streekgebonden landbouwproducten voortbouwen op deze kwaliteiten.
Nabijgelegen dorpen en steden willen we als 'poorten' naar de natuur ontwikkelen en zo veel beter verbinden met de natuurgebieden 'om de hoek'.” Het provinciaal belang is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke voorraden. Dat houdt een gezonde en aantrekkelijke natuur voor mensen, dieren en planten in, een natuur die beleefd en gebruikt kan worden, kan profiteren van (economische) ontwikkelingen en rijk is aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan (het 'nee, tenzij'-principe). In de Uitwerkingsgebieden Ontwikkelopgave Natura 2000 neemt de provincie (herstel)maatregelen, die zijn opgenomen in het inrichtingsplan, om de juiste terreincondities voor de gestelde Natura 2000-doelen te realiseren. Als bij de uitwerking van de doelen en de benodigde maatregelen blijkt dat deze alleen kunnen worden gerealiseerd door de bestemming van gebieden te veranderen, dan zullen de gebieden een passende bestemming krijgen en hiervoor ingericht worden.
De overige hectares blijven agrarisch en worden uit het NNN gehaald wanneer duidelijk is dat ook na het nemen van maatregelen ten behoeve van nabijgelegen Natura 2000-gebieden landbouwkundig gebruik mogelijk is. De omvang en het tempo waarin deze bestemmingswijziging en inrichting plaatsvinden, zijn bepaald in de beheerplannen Natura 2000. Om de maatregelen tijdig te realiseren, worden de beschikbare instrumenten maximaal ingezet. In de Omgevingsverordening wordt voor het NNN het volgende beschermingsregime beschreven: bestaande NNN-gebieden moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden; nog te realiseren NNN-gebieden die nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling NL.IMRO.9923.PIPWIEDENII-va01 25 van de actuele natuurwaarden van deze gebieden; nog te realiseren NNN-gebieden die al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en ook beschikbaar zijn moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.