7.2 RDA - zienswijze Dilemma's in de wildopvang.pdf
Tekst van het document
Niet alleen op het gebied van informatie, kennis en ervaring uitwisselen over de verzorging en behandeling van hulpbehoevende dieren, maar ook om samen financiële middelen te zoeken. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 23 4. Door WIE moet een hulpbehoevend wild dier worden geholpen Wilde dieren zijn van niemand en van ons allemaal. Iedereen verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg, maar er zijn wel verschillen in verantwoordelijkheid. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren. In dit hoofdstuk komen verplichtingen, verdeling, verwachtingen en behoeftes die partijen (van elkaar) hebben naar voren. 4.1 V erplichtingen, verdeling en verwachtingen In de voorgaande hoofdstukken is al in kaart gebracht of en hoe hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen en welke aandachtspunten de RDA in de huidige praktijk ziet. Gekoppeld aan het HOE zit natuurlijk het WIE. Wie moet wat doen? Wie is waarvoor verantwoordelijk? Welke verwachtingen zijn er van elkaar? In onderstaande tabel staan bevindingen hierover uit de vorige hoofdstukken samengevat. Partij Verantwoordelijkheid Verplichting Verwachtingen ‘Een ieder16’ Dieren in de natuur zijn niemands eigendom en daarom van ons allemaal (res nullius).
Ook al zijn dieren niemands bezit of eigendom, er is wel verantwoordelijkheid vanwege de zorgplicht/ hulpverleningsplicht ‘Een ieder’ in Nederland is verplicht om hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen. ‘Een ieder’ neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De verantwoordelijkheden voor dierenwelzijn en dieren in de natuur liggen bij verschillende partijen. Wat kunnen we verwachten van de handelende onwetende/onbekwame burger in situaties wanneer dieren in nood zijn? Dat bepaalt welk systeem het meest geschikt is om dieren te helpen, hoe dat moet functioneren en worden bekostigd, en wat er moet worden gefaciliteerd 16 Een ieder betreft zowel de burgers als de overheid. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 24 Partij Verantwoordelijkheid Verplichting Verwachtingen Burgers Zoekplicht naar deskundigheid De wettelijke verplichting kan niet verder reiken dan wat mensen redelijkerwijs aankunnen. Na de eerste hulp is voldaan aan de zorgplicht. Daar neemt iets of iemand het van de burger over, er moet iets geregeld zijn door ons allemaal, als gemeenschap. We kunnen niet een zorgplicht in de wet opnemen en er collectief niets voor over hebben.
Burgers moeten worden geïnformeerd op welke wijze zij hulpbehoevende dieren het beste kunnen helpen (en ook wat ze NIET moeten doen) Overheid Dierenwelzijn ligt primair bij de minister van LNV. De verantwoordelijkheid voor natuurbeleid en de daarin levende wilde dieren ligt primair bij de provincies. Provincies gaan tevens meestal over de vergunningen en ontheffingen voor opvangcentra. Gemeenten hebben op grond van het Burgerlijk Wetboek een gemeentelijke bewaarplicht voor zwervend aangetroffen gevonden dieren (asielen). Zij hebben vaak afspraken met dierenambulances over het vervoer van dieren, vaak met inbegrip van hulpbehoevend aangetroffen wilde dieren. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren. De staat legt de wettelijke verplichting op. Er zou (beter)moeten worden gefaciliteerd (regelen van financiën, institutionele arrangementen) en/of gesubsidieerd). De overheid dient haar burgers te informeren over hoe hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen. Deskundigen (melding, vervoer, opvang, behandeling) Hulp aan dieren vanuit oogpunt van welzijn van het dier en mogelijk kans op terugplaatsing in de natuur. Voldoen aan vereisten voor opvang en hulp aan wilde dieren. Voldoen aan Beleidsregels kwaliteit opvang.
Burgers verwachten dat hulpbehoevende dieren worden geholpen. Van deskundigen wordt professionaliteit, kennis en ervaring vereist. Deskundigen verwachten ondersteuning van de overheid. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 25 Wat is in belang van het dier? Maakt het voor het dier uit wie hulp verleent? Niet als in welke persoon of partij. Het individuele dier is wel gebaat bij het voorkomen van lijden en het krijgen van goede zorg. Daarvoor zijn van belang: • Toekomstperspectief voor het dier- kwaliteit van leven na de opvang; • De beste zorg krijgen; • Professionaliteit, kennis en expertise; • Landelijke dekking en uniformiteit (basiskwaliteit), regionale spreiding en aanrijtijden; • Voorlichting burgers. 4.2 Behoeftes partijen Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er grote verschillen bestaan in zowel dierenvervoer als dierenopvang. Wel delen ze allemaal de behoefte aan: • meer en structurele financiering; • onderling overleg en uitwisseling; • eenduidige kwaliteitseisen (waar ook weer een financieel plaatje aan hangt). Hieronder staan de behoeften per partij uitgeschreven.
Partij Behoefte Wat is daarvoor nodig en van wie? Burgers • Een dier kunnen helpen • ‘Iets’ goed kunnen doen • Handelen vanuit hun betrokkenheid en gevoelens • Lokale en regionale beschikbaarheid en bereikbaarheid van vervoer en opvang van dieren • Voorlichting over wat goede hulp is en wanneer een dier niet geholpen wordt Deskundigen (melding, vervoer, opvang, behandeling) • Erkenning rol en maatschappelijke functie • Professionaliteit, kennis en expertise delen, samenwerking (triage, rol en verbindende schakels). • Duidelijkheid over financiering: bestaanszekerheid, stabiele betalingsstructuur • Meer opleidingsmogelijkheden • Tijd voor zorg i.p.v. zorgen over voortbestaan • Voldoende capaciteit, vaste medewerkers vs. vrijwilligers • Handelingsperspectieven voor medische verrichtingen • Duidelijke voorlichting burgers • Goed en sterk netwerk van opvangcentra en vervoer - verschil in inzicht of dieren beter geholpen zijn met weinig grote centra of juist met een fijnmazig netwerk van kleinere centra. • Duidelijkheid over verantwoordelijkheden en financiën vanuit overheid. • Opzetten samenwerkingsstructuur voor delen kennis en informatie • Voorlichtingscampagne voor burgers • Perspectief medische handelingen RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 26 5.
C onclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies De minister van LNV heeft de RDA gevraagd om antwoord te geven op de vraag ’Of, en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie’ 17. De zienswijze van de RDA is als volgt: Ja, een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen om verschillende redenen. We moeten hulpbehoevende wilde dieren helpen op grond van een wettelijk voorschrift in de Wet dieren (artikel 2.1) dat aangeeft dat een ieder een hulpbehoevend dier de nodige zorg verleent. De uitleg van dit artikel in de Memorie van Toelichting geeft aan dat dit ook voor wilde dieren geldt. Daarnaast is er de breed levende opvatting onder burgers dat op hen een morele verantwoordelijkheid rust voor het welzijn van dieren. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, eerder benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke waarde. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. Dat betekent niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden.
Dieren in de natuur raken in de problemen, verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen van predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen in algemene zin niet het lijden van wilde dieren in natuurlijke situaties aan te pakken. De Wet natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving en handelen met mogelijke nadelige gevolgen in principe achterwege laat. Wilde dieren in hun natuurlijke situaties worden zoveel mogelijk met rust gelaten. De centrale afweging is hier wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is en wanneer ingrijpen noodzakelijk is. Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, zal op het eerste gezicht moeten aannemen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp. Of een dier hulpbehoevend of zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in een specifieke omstandigheid. Dit kan vaak alleen door een deskundige (in de keten van melding, vervoer en opvang van dieren) worden beoordeeld. Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn als regel hulpbehoevend, zij kunnen niet langer voor zichzelf zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie.
Verzwakte, uitgeputte en zieke dieren vereisen specifieke afwegingen, niet alleen op het niveau van het individuele dier, maar ook het effect op de populatie en het ecosysteem. Jonge dieren en oververmoeide dieren zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog aanpassen aan de situatie. De oorzaak van hulpbehoevendheid maakt vanuit het (lijdende) dier bezien niet uit. Van cruciaal belang is de kans op succesvolle terugplaatsing in de natuur. De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid. Ook van een gewone burger wordt verwacht dat hij of zij hulp verleent aan een hulpbehoevend dier. Deze hulp bestaat meestal uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen. Het is belangrijk bij de zoekplicht naar 17 Op de aanvullende vragen van LNV zijn in de bijlage specifieke antwoorden opgenomen. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 27 deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is niet het zelf vangen en vervoeren van dieren en zeker niet het zelf verzorgen.
Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige (in de keten) worden beantwoord. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren. Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen vaak de ervaring en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste is om burgers vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hiervoor altijd deskundige (veterinaire) hulp in te schakelen, die elke situatie kan beoordelen en een afweging kan maken wat de beste hulp is. Hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van verschillende factoren. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp. Hiervoor is ervaring vereist.
Vanuit de verschillende partijen die een rol spelen in de keten van hulpverlening aan hulpbehoevende wilde dieren bestaan weliswaar verschillende verplichtingen, verantwoordelijkheden, verwachtingen en behoeften, maar voor de RDA staat het dier centraal. Goede zorg, perspectief op leven in de natuur en de kwaliteit daarvan, tegengaan van lijden, daar hebben individuele dieren wat aan. Om daar recht aan te doen zou volgens de RDA hulp aan wilde dieren verbeterd moeten worden en moeten alle dieren overal dezelfde kwaliteit van hulp kunnen krijgen. Er zijn verschillende knelpunten om dit in de huidige praktijk waar te maken, waardoor een dier niet altijd en overal die goede zorg kan krijgen. Voor de bestaanszekerheid en de continuïteit van de zorg aan hulpbehoevende wilde dieren en de verschillende maatschappelijke rollen die de opvangcentra daarbij vervullen zijn er voor de RDA (vanuit het dierperspectief) twee belangrijke verbeterpunten: 1) Hulp aan hulpbehoevende wilde dieren moet verbeterd worden Welzijn van het dier en perspectief op uitzetting in de natuur staan centraal. Vervoer en opvang van wilde dieren gebeurt door steeds professionelere organisaties en deze ontwikkelen zich wat betreft de kwaliteit van hulp en zorg aan dieren.
Burgers moeten op de hoogte zijn welk handelingsperspectief ze hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is. Dat betekent dat er (vanuit een overkoepelende organisatie of vanuit de overheid) goede voorlichting en informatievoorziening moet zijn. Vanuit de overheid is het belangrijk om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorkomen. Dat kan door transparantie en ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en toezicht te regelen. De dierenhulpverlening als invulling van de wettelijke zorgplicht moet door de staat worden gefaciliteerd. Deskundigheid kost geld, zowel vaste krachten als goed opgeleide vrijwilligers. Beleidsregels en kwaliteit van dierenhulpverlening dienen zich niet te beperken tot wildopvangcentra, maar gelden ook voor vervoerders van dieren. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 28 2) Alle dieren moeten overal dezelfde kwaliteit van hulp (kunnen) krijgen De algemeen geldende zorgplicht uit de Wet dieren geldt voor alle wilde dieren in Nederland. Deskundige hulp moet bereikbaar zijn voor alle dieren in het hele land. Verschillen in visie en handelswijze tussen regio’s of door lokale inzet kunnen zorgen voor ongelijke hulp aan dieren. Dan maakt de vindplaats uit of je als dier goed geholpen wordt en dat is ongewenst.
Bestaande autonomie en specialiteit van opvangcentra in diersoorten heeft voordelen, tegelijkertijd zou de overheid moeten landelijke dekking en acceptabele aanrijtijden moeten faciliteren. Burgers dienen op de hoogte te zijn waar ze deskundige hulp kunnen vinden. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Daarin moet duidelijk worden gemaakt wanneer je dieren wel en niet moet helpen. Dat kan complex zijn, hulp aan dieren is sterk emotie gedreven. Toch is voorlichting geven beter dan geen voorlichting geven. Veel mensen zullen in het geval van het vinden van een hulpbehoevend dier op internet opzoeken wat zij het beste kunnen doen. Zorgvuldige informatie op relevante websites en sociale media of apps kunnen hier zeker bij helpen. Het opstellen van do's & don'ts voor de burger (‘wat kan ik doen, wat moet ik doen, wat moet ik vooral niet doen, hoe help je een dier het beste’) geeft handelingsperspectief. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat wildopvangcentra naar eigen zeggen niet alleen kunnen oplossen. De rijksoverheid zou voldoende uniformiteit en continuïteit van wildopvang moeten faciliteren.
Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheid voor natuur bij de provincies dient op dat niveau ook ondersteuning te worden gegeven. Goede handhaving van landelijke voorwaarden en regels is van belang. De RDA ziet voor deze verbeterpunten een trekkende rol voor de rijksoverheid en doet daarom onderstaande aanbevelingen. 5.2 Aanbevelingen In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en samenwerking met de sector in te zetten op de volgende 3 punten ter verbetering van hulp: 1) Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in Nederland. • Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen. Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij wildopvang.
• De wildopvangcentra hebben zelf goede voorbeelden en nieuwe ideeën op welke wijze structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage, professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 29 2) Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp • De rijksoverheid heeft een belangrijke rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren. • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zouden niet beperkt moeten zijn tot wildopvangcentra, maar ook opgesteld moeten worden voor vervoerders van dieren en andere hulpverleners in de keten. (Bestaande) private keurmerken en kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht zelfs voor te worden geschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is. • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorkomen.
Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances kan een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten, toezicht en een openbare handelwijze. • Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn. 3) Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is, welk handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de overheid gefaciliteerd te worden. Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’ meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn, om specialistisch advies te kunnen geven, ook voor het vervolgtraject .
• Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte om aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends in dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen, dierziekten en verspreiding. Ook beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan van toegevoegde waarde zijn. De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een ronde tafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens ‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en don'ts) voor burgers waarbij het ‘leereffect’ kan worden vergroot. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 30 Geraadpleegde bronnen Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten, 2017. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/ BWBR0037263/2017-01-01#Artikel3 Burgerlijk Wetboek. Boek 5. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005288/2018-09-19 Censas, 2021. Adviesrapport dodingsmethoden toepasbaar in wildopvangen door niet-dierenartsen. In opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Centre for Sustainable Animal Stewardship (CenSAS), maart 2021 Kamerbrief Tweede Kamer, 2020. Kamerbrief van Minister van LNV Schouten inzake Dierenwelzijn. Kenmerk 2020D30659 Kamerbrief Tweede Kamer, 2020b. Kamerbrief van Minister van LNV Schouten inzake Stand van zaken en vervolg analyse amendement artikel 2.1 Wet dieren. Kenmerk DGA-DAD 21180149 Kamerstuk Tweede Kamer, 2008. Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren). Memorie van Toelichting. Tweede Kamer vergaderjaar 2007–2008, 31 389, nr. 3 Raad voor Dierenaangelegenheden, 2019. Staat van het Dier. Beschouwingen en opinies over de verschuivende relatie tussen mens en dier in Nederland. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag Raad voor Dierenaangelegenheden, 2017. Wegen van Welzijn van Dieren in de Natuur. Toepassing afwegingskader voor fauna. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag Raad voor Dierenaangelegenheden, 2012. Zorgplicht Natuurlijk Gewogen. Raad voor Dieren- aangelegenheden, Den Haag RVO, 2020. Taken en rolverdeling bevoegdheden. Website: https://www.rvo.nl/onderwerpen/ agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/wet-natuurbescherming/taken-en- rolverdeling-bevoegdheden Wet dieren, 2011. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0030250/2021-07-01 Wet natuurbescherming, 2015.
Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01
RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 31 Bijlage 1 Adviesaanvraag betreffend de zorgplicht voor en opvang van wilde dieren RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 32 Bijlage 2 Brief Tweede Kamer kenmerk 2020D30659 Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2019–2020 33 576 Natuurbeleid 28 286 Dierenwelzijn Nr. 196 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 28 juli 2020 In december 2019 zijn een tweetal moties aangenomen met betrekking tot de zorgplicht voor en de opvang van wilde dieren1 , 2 . Daarnaast heb ik tijdens het VAO Dierenwelzijn van 12 december 2019 (Handelingen II 2019/20, nr. 36, item 4) een tweetal toezeggingen gedaan aan uw Kamer met betrekking tot dit onderwerp3 4. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de afhandeling van deze moties en toezeggingen. Kort na het betreffende debat heb ik contact opgenomen met de vogel- opvang in Naarden over hun situatie. Naar aanleiding hiervan heeft nog in december 2019 een eerste gesprek plaatsgevonden tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en een aantal wildop- vangcentra om te spreken over structurele oplossingen voor knelpunten die de opvanglocaties ervaren. Deze gesprekken zijn in 2020 vervolgd, waarbij ook dierenwelzijnsorganisaties aanwezig waren.
Hieruit bleek dat wildopvangcentra, naast financiële problemen, ook andere knelpunten ervaren, zo ervaren zij bijvoorbeeld onduidelijkheden in regelgeving. Onderstaand informeer ik uw Kamer over de stappen die ik, telkens in overleg met de wildopvangcentra en dierenwelzijnsorganisaties, heb genomen. Ik wil hierbij voor de goede orde duidelijk maken dat wanneer 1 Motie van de leden Graus en Wassenberg (Kamerstuk 28 286, nr. 1079) – verzoekt de regering, in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en betrokken provinciebe- stuurders inzake hun verplichting om aan de zorgplicht voor wilde en/of verwilderde dieren te voldoen. 2 Motie van de leden Wassenberg en Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 182) – verzoekt de regering, om in samenwerking met gemeenten, provincies en stakeholders een uniforme landelijke richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan lokale en regionale wildopvangcentra. 3 Mijn toezegging tijdens het VAO Dierenwelzijn op 12 december 2019 om in overleg te gaan met de vogelopvang en NVWA over betreffende casus. 4 Mijn toezegging tijdens het VAO Dierenwelzijn op 12 december 2019 om in overleg te gaan met zowel provincies als gemeenten om te praten over het dierenwelzijn van wilde dieren en de Tweede Kamer te informeren over de uitkomsten van die gesprekken.
kst-33576-196 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2020 Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196 1 RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 33 ik het in deze brief heb over «wilde dieren», ik het heb over dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende diersoort. 1. Zorgplicht voor wilde dieren en verantwoordelijkheid voor het welzijn van wilde dieren De motie van de leden Graus en Wassenberg verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en betrokken provinciebestuurders inzake de zorgplicht voor wilde dieren. De afgelopen maanden heb ik deze gesprekken gevoerd. Zowel de Wet natuurbescherming als de Wet dieren bevat een zorgplicht aangaande wilde dieren. In beide wetten wordt de zorgplicht niet bij een overheidsinstantie gelegd, maar bij «een ieder». De zorgplicht uit de Wet natuurbescherming (art 1.11) roept een ieder op om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en om handelingen die een nadelig gevolg kunnen hebben op in het wild levende dieren achterwege te laten dan wel de gevolgen van die handeling te voorkomen. De Wet natuurbescherming roept dus vooral op om te voorkomen dat dieren in de problemen komen.
Voor de zorg voor een ziek of verwond wild dier verwijst de memorie van toelichting van de Wet natuurbescherming naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de voorganger van de Wet dieren. Van belang is in het bijzonder het thans in de Wet dieren opgenomen artikel 2.1, dat van toepassing is op alle dieren, ongeacht of zij gehouden zijn of in het wild leven. Ingevolge het eerste lid van dat artikel is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen. Ingevolge het zesde lid van dat artikel is eenieder verplicht om hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen. In 2012 heeft de Raad voor de Dieraangelegenheden (RDA) in de zienswijze «Zorgplicht natuurlijk gewogen»5 de vragen behandeld welke verantwoordelijkheid de mens en de maatschappij zouden moeten hebben voor het welzijn van niet-gehouden dieren en hoe we daar in de praktijk vorm aan kunnen geven. De zienswijze biedt handvatten om de verantwoordelijkheden ten opzichte van het welzijn van wilde dieren consequent vorm te geven. De RDA zet de vraag centraal of ingrijpen nodig is, voorafgaand aan de vraag wat er moet gebeuren.
Het afwegingskader en het bijbehorende stroomschema is vooral bedoeld als hulpmiddel voor beleidsmakers en terreinbeheerders die besluiten moeten nemen over dieren in de natuur. De werkwijze leent zich goed voor zorgvuldige overwegingen op voorhand, maar is niet geschikt voor ad-hoc beslissingen. De zienswijze geeft daarom geen antwoord op de vraag of en hoe een hulpbehoevend dier moet worden geholpen en door wie. Om die reden heb ik met de wildopvangcentra, de VNG, het IPO (Interprovinciaal Overleg) en dierenwelzijnsorganisaties afgesproken de RDA te vragen met een aanvulling op hun zienswijze te komen die is toegespitst op dit probleem. Deze vraag is reeds gesteld en het resultaat verwacht ik begin volgend jaar. Ik zal dit met uw Kamer delen. 5 https://www.rda.nl/publicaties/zienswijzen/2012/11/12/rda-zienswijze-zorgplicht-natuurlijk- gewogen Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196 2 RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 34 2. Richtlijnen voor vergoedingen voor opvangcentra voor wilde dieren De motie Wassenberg/Graus2 verzoekt de regering, om in samenwerking met gemeenten, provincies en stakeholders een uniforme landelijke richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan lokale en regionale wildopvangcentra.
Uit gesprekken en uit een inventarisatie onder alle wildopvangcentra blijkt dat er grote verschillen zijn tussen opvangcentra, in grootte en professio- naliteit, de diersoorten die opgevangen worden, maar ook wat betreft uitgaven en inkomstenbronnen. Deze grote variatie betekent dat er maatwerk nodig is wat betreft de noodzaak tot financiering alsook het doel ervan. Om deze reden kan er geen uniforme richtlijn geformuleerd worden. Veel opvangcentra hebben wel behoefte aan structurele hulp om hun bestaanszekerheid te borgen. Daarom moedig ik gemeenten en provincies aan om in gesprek te gaan met de lokale wildopvangcentra over welke hulp zij nodig hebben. Dat hoeft niet altijd een financiële bijdrage te zijn maar kan ook hulp zijn bij het werven van fondsen of vrijwilligers en bijvoorbeeld hulp bij (duurzame) investeringen die de exploitatiekosten kunnen verminderen. Samen met de provincies heb ik de wildopvangcentra gestimuleerd om een goed georganiseerde overkoepelende organisatie op te richten die de belangen van de opvangcentra vertegenwoordigt. Zo’n organisatie kan als centraal aanspreekpunt fungeren voor de overheid, kan helpen in de verbetering van de onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring en versterkt de positie van de opvangcentra. Ook heb ik de wildopvangcentra aangeraden om gezamenlijk inzichtelijk te maken wat de opvang van wilde dieren kost.
Het helpt provincies, gemeenten en andere geldschieters als er een duidelijk beeld is van de globale kosten van de opvang van wilde diersoorten. Ik ondersteun van harte dat vanuit de opvangsector het initiatief is genomen om een kennisplatform op te zetten om onderling kennis en informatie te delen. Ik zal zorgen dat de uitkomsten van de acties die door mijn ministerie worden uitgevoerd ook met dit platform gedeeld worden. 3. Aanvullende acties Naast financiële problemen ervaren de opvangcentra ook andere knelpunten. Ik heb, samen met de gesprekspartners, geïnventariseerd welke acties ik hierin kan nemen. Mijn insteek is hierbij om de opvang- centra een betere en duidelijke basis te bieden op grond waarvan zij hun activiteiten kunnen uitvoeren. 3.1 Aanpassing beleidsregels Een opvangcentrum heeft een ontheffing nodig van de provincie op basis van de Wet Natuurbescherming voor het onder zich hebben van beschermde wilde dieren. Het «Protocol opvang niet aangewezen diersoorten en beschermde diersoorten»6 dat bij de «Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten» hoort, geldt op dit moment bij bijna alle provincies als voorschrift voor de ontheffing. In de gesprekken met de opvangcentra bleek dat hetgeen in dit protocol is opgenomen niet altijd aansluit bij de praktijk. Naar aanleiding van deze constatering is door mijn ministerie geïnventariseerd waar de knelpunten zitten.
Hierbij zijn zowel de opvangcentra als een tweetal provincies actief betrokken. Op basis hiervan werk ik aan een aanpassing van de Beleidsregels kwaliteit opvang 6 https://wetten.overheid.nl/BWBR0037263/2017-01-01#Bijlage Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196 3 RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 35 diersoorten en het bijbehorende Protocol. Ik doe dit in nauw overleg met de provincies met de insteek dat zij bij de verlening van de ontheffing naar de nieuwe beleidsregels zullen gaan verwijzen. Ik verwacht de Kamer na de zomer te kunnen informeren over de planning voor deze aanpassing. 3.2 Handelingsvrijheid van opvangcentra Naar aanleiding van de casus van de vogelopvang Naarden leefden er bij de opvangcentra veel vragen over de handelingsvrijheid van de opvang- centra zelf vs. handelingen waarvoor altijd een dierenarts ingeschakeld moet worden. In overleg met de KNMvD (De Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde) en de wildopvangcentra heeft het ministerie in kaart gebracht welke veterinaire handelingen momenteel zijn voorbehouden aan dierenartsen. De KNMvD werkt momenteel samen met de opvanglocaties en andere stakeholders aan een voorstel voor een uitzondering voor opvangcentra voor het onder voorwaarden uitvoeren van enkele veterinaire handelingen, zoals deze ook geregeld is voor veehouders.
Ik verwacht de Kamer na de zomer hierover verder te kunnen informeren. De gesprekken die ik met de opvangcentra, provincies en andere stakeholders heb gevoerd waren prettig, informatief en constructief. Ik heb er vertrouwen in dat bovenstaande acties van eenieder bij zullen dragen aan de verbetering van opvang van wilde dieren en meer duidelijkheid zullen scheppen voor de opvangcentra. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196 4 RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 36 Bijlage 3 Gelijkheid van dieren Zijn alle dieren gelijk, of zijn sommige dieren meer gelijk dan andere dieren? Het forum heeft een (principiële) discussie gehad, of in deze zienswijze er onderscheid moet worden gemaakt over de aard van (hulpbehoevende) dieren waar we het over hebben. Deze discussie komt op sommige plekken in de zienswijze naar voren maar heeft niet een uitgebreide plek gekregen in de uiteindelijke zienswijze.
Daarom in deze bijlage ter illustratie een korte schets van invalshoeken die aan de orde zijn geweest, Moeten we een (zinnig) concreet handelingsperspectief beperken tot bepaalde dieren, zoals alleen gewervelde dieren? Of geldt het ook voor reptielen, vissen en zelfs insecten? De RDA heeft besloten dat een poging om een antwoord te vinden op deze vraag een theoretische filosofische exercitie zou zijn die in deze zienswijze niet veel zou toevoegen aan de bestaande situatie in de praktijk. Het blijkt namelijk dat 99% van de opvang in de praktijk bestaat uit gewervelde dieren. Hoewel de vraag ‘wat is de definitie van een dier’ voorafgaat aan de vraag ‘wanneer is een dier hulpbehoevend’, voegt het antwoord voor deze zienswijze te weinig toe. Toch is de vraag op een hoger niveau wel interessant, omdat steeds meer onderzoek uitwijst dat de cognitieve vaardigheden van dieren groter zijn dan we tot nog toe dachten. Maakt het onderscheid tussen dieren uit voor de mate van hulp? Zowel op soortniveau als binnen een soort tussen individuen? Kunnen, mogen en willen we ergens een streep zetten en hoe zit dat juridisch? In deze discussies worden ook vaak zaken betrokken als zeldzaamheid van dieren, afwegingen tussen individuen en populaties, ‘nut’ en ‘schadelijkheid’ van dieren en of deze uitmaken voor het al dan niet verlenen van hulp aan dieren.
Deze vragen, hoewel intrinsiek interessant, worden voor deze zienswijze evenwel niet meegenomen. Voor de RDA geldt dat, welk onderscheid ook, het niet uitmaakt voor het individuele lijdende dier. Dan volgt daarna de vraag waarom we dieren zouden moeten helpen. De morele, juridische en sociale redenen zijn al aan bod gekomen, maar ook hier kunnen we onszelf andere, filosofische vragen stellen die in het maatschappelijk debat of politiek discours ook voorbij kunnen komen. Historisch gezien heeft hulp aan dieren te maken met gevoelens van mensen bij het treffen van hulpbehoevende dieren (‘kwestie van fatsoen’, ‘openbare zeden’ en ‘nare aanblik’ van lijdende dieren). Het gevoel van verplichting om lijdende dieren te helpen kan ook ontstaan uit schuldgevoel, omdat we misschien oorzaak zijn van het leed, of omdat we overtuigd zijn dat de mens oorzaak is van een structureel verstoorde natuur is en dat die verstoring de reden waarom dieren hulp nodig hebben. Of dat we oprechte compassie met dieren voelen en geëmotioneerd raken bij het zien van lijdende dieren. Diezelfde compassie zorgt voor de huidige betrokkenheid bij natuur en natuurbehoud. Ook kunnen er stemmen opgaan die zeggen dat lijden een onderdeel van de natuur is. Eten en gegeten worden. Maar dat is vaak toch de ongerepte, wilde natuur waar wij als mensen nauwelijks onderdeel van zijn.
Hier geldt vooral de afblijfplicht, maar wilde dieren in een omgeving waar ook mensen een rol spelen maken automatisch onderdeel uit van onze menselijke wereld. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 37 Bijlage 4 Oorzaken van hulpbehoevendheid en aansprakelijkheid Oorzaken (voorbeelden) Natuurlijk Voedsel(tekort), weersinvloeden, verkleining leefgebied, gevechten, prooi zijn en natuurlijke verlating door ouders Menselijk Ruimtebeslag, prikkeldraad, scheepvaart en olieslachtoffers, verwondingen door contact met scheepsschroeven van zeehonden en potvissen, visserij en het lot van bijvangsten, windmolen slachtoffers (vogels en vleermuizen), transport van elektrische energie via hoogspanningsleidingen en vogels die tegen deze leidingen botsen, vuurtorens die de het gedrag van trekvogels verstoren, landbouw: gemaaide hazen en jonge weidevogels, vergiftigde roofvogels en andere slachtoffers van pesticiden, wegenbouw en het verkeer, amfibieën, dassen, otters, herten en wilde zwijnen die essentiële verplaatsingen of contact met de populatie waartoe ze behoren niet kunnen realiseren zonder een weg over te steken, vogels die in botsing komen met het verkeer of ramen/ ruiten, beten van honden en katten. Deze zienswijze van de RDA gaat vooral over het helpen van wilde dieren, als ze al hulpbehoevend zijn.
Het forum heeft echter ook uitgebreide (principiële) discussies gehad, die niet altijd een plek hebben gekregen in de uiteindelijke zienswijze. Daarom in deze bijlage ter illustratie een korte schets van invalshoeken tijdens deze discussies, over wat de beste hulp is voor dieren en het de rol van preventie maatregelen versus curatieve maatregelen. Zijn dieren wel beter geholpen met hulp als ze al hulpbehoevend zijn geworden, met zogenaamde curatieve maatregelen? Misschien dat er beter geïnvesteerd kan worden in het voorkomen van hulpbehoevendheid, dus inzet op preventie en maatregelen vooraf? Wat is duurder: de zorgverlening of de preventie? Denk aan investering in preventieve maatregelen zoals tunnels, ecoducten, schermen, maar ook in een andere inrichting en gebruik van het landschap. Dat is niet eenvoudig en eenduidig vast te stellen. In principe geldt ‘alles wat je kan voorkomen hoef je niet te repareren’. Maar wat is de beste preventie en tot hoe ver gaan preventieve maatregelen? Wat verwachten we daarvan? Niet al het leed kunnen we immers voorkomen, hoe goed we ons best ook doen. Wat hoort nog bij een natuurlijke situatie en een goed functionerend ecosysteem? Andere vragen gaan over wie welk deel van preventieve maatregelen zou moeten betalen of hoe foute ontwerpen hersteld zouden moeten worden.
Ook heeft het forum gediscussieerd over hoe structureel ‘leedveroorzakende sectoren’ (zoals elektriciteitsbedrijven, windmolens, oliereders, wegen provincie-RWS, landbouwsector, etc.), al dan niet sectoraal, op een structurele manier kunnen bijdragen aan hulp. Dat zou kunnen door financiële maatregelen, bijvoorbeeld via (wegen)belastingen, innovatiefondsen, verzekeraars, afspraken met overheden of via zelfregulering met convenanten of een fonds. Hierbij speelt wel de vraag of deze bedrijven ‘schuldig’ zijn, of dat juist overheden moeten worden aangesproken op het stellen van regels. Gelijktijdig is een wild dier niet jouw eigendom of ‘ieders eigendom’ die een claim op jou kan leggen. Zorgplicht, houderschap, eigenaarschap en locatie waar het dier is aangetroffen zou je hier ook bij kunnen betrekken. Het forum heeft nagedacht of grondeigenaren (beheerder/ eigenaar) als ‘tijdelijke zorger’ voor het dier kunnen optreden (zoals bij beheren en besturen van gemeenschappelijke hulpbronnen, de ‘commons’ zoals aangehaald in literatuur van E Ostrom). Burgers dienen dan de terreineigenaar in te lichten. Het gaat echter vaak om dieren in de openbare, publieke ruimte of om dieren in de natuur, die als uitgangspunt niet van iemand zijn. Een daadwerkelijk wild dier heeft geen eigenaar of houder of bezitter.
RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 38 Op zich is natuurlijk vaak juist wel kenbaar waar het dier is aangetroffen, en van wie deze grond dan is (zal vaak juist openbare ruimte zijn). Maar het lijkt een –juridisch- tamelijk onzinnige weg om de grondeigenaar kosten te laten vergoeden voor dieren die dus niet van hem zijn. Daarbij zal in de praktijk niet vaak te achterhalen zijn wie dan weer de veroorzaker van het leed is. Steeds weer uitzoeken wie ‘schuld’ heeft en op wiens grondgebied het dier is aangetroffen is kan, zeker voor de burger, lastig zijn en brengt veel vingerwijzen en rompslomp met zich mee (om maar niet te spreken over rechtszaken, etc.). RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 39 Bijlage 5 Schets uitgangssituatie opvang wilde dieren Ontheffing, protocol en kwaliteit Om hulpbehoevende dieren op te kunnen vangen is een ontheffing vereist (Wet natuurbescherming). De ontheffingverlening liep eerder via de Rijksoverheid, maar is nu goeddeels belegd bij de provincies door decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies. Zij zijn nu (grotendeels) verantwoordelijk voor vergunningen en ontheffingen op het gebied van natuur, een aantal uitzonderingen daargelaten (zeezoogdieren, uitheemse diersoorten en exoten lopen via de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland).
Wel bestaat er vanuit LNV nog een werkgroep over de opvang van wilde dieren. Aan de ontheffing voor de opvang van wilde dieren zijn (minimum) voorwaarden en eisen gekoppeld. Om een ontheffing te krijgen is normaliter vereist: • …moet het opvangcentrum een stichting of vereniging zijn. • …is het doel tijdelijke opvang, verzorging en revalidatie van beschermde diersoorten. • …is het doel dat dieren zo snel mogelijk weer teruggaan naar de natuur. • …kan het dier zich in de opvang zoveel mogelijk natuurlijk gedragen. • …moet het opvangcentrum een vakbekwaam dierverzorger hebben. • …houdt de opvang een register van elk dier of elke diergroep bij. • …heeft het opvangcentrum ook als doel om voorlichting te geven en het houden van beschermde diersoorten te ontmoedigen. Een opvang moet voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de (bijlage van) Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten (2015). Hierin zijn regels en kwaliteitseisen opgenomen over doelstellingen, handelwijze (opnamebeleid, huisvesting, verzorging, hygiëne, opleidingseisen, doden van dieren e.d.), bereikbaarheid, samenwerking met andere opvangcentra. De kwaliteitsregels proberen tegemoet te komen aan de behoeften van het dier/ de diersoort. Zo wil je omwille van de stressreactie geen roofdieren bij prooi- en vluchtdieren houden en heeft een opgevangen dier voldoende schuilgelegenheid nodig.
Het welzijn van het dier en de mogelijke kans op terugkeer in de natuur zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Uit de interviews die de RDA met meerdere opvangcentra heeft gehouden, kwam een aantal keer naar voren dat het vaststellen van de Beleidsregels in 2015 heeft gezorgd voor een kwaliteitsslag in toenmalig ‘wildopvangland’. De beleidsregels vereisen een mate van professionaliteit waar toen niet iedereen aan kon voldoen. Daardoor zijn er destijds opvangcentra afgevallen. De keerzijde van deze professionaliseringsslag is volgens de geïnterviewden dat de aanscherping van de regels zorgt voor meer vereisten, zowel praktisch als administratief. Dat brengt extra (financiële) lasten met zich mee. Omdat de verantwoordelijkheid voor de ontheffingen nu bij de provincies is neergelegd, bestaat er volgens de geïnterviewden een risico dat er verschillen ontstaan op welke manier ontheffingen worden afgegeven. Dit kan ook gevolgen hebben voor verschillen in kwaliteit. Eerder kon de Rijksoverheid een totaalbeeld vormen van de centra in Nederland, nu is dat meer versnipperd. Provincies hebben niet altijd onderling contact met andere provincies, om af te stemmen welke en hoeveel (nieuwe) opvangcentra in hun regio’s wenselijk en nodig zijn. Wel zijn de beleidsregels vaak onderdeel van de ontheffingsvoorwaarden.
RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 40 Uit de interviews komt naar voren dat omdat er geen wettelijk vastgelegde regels voor dierenambulances zijn en het evenmin een beschermde titel is, er landelijk veel verschillen zijn, zowel in het praktisch handelen als in visie van betreffende organisaties achter de ambulances. Er bestaan verschillen in kwaliteitseisen per soort ambulance en er zijn een aantal keurmerken van organisaties, met onderscheid in aanpak, expertise en opleidingsniveau. Dat heeft tot gevolg dat er ook geen echte eenheid is. Daarnaast is het de RDA niet duidelijk waarom de wildopvang aan beleidsregels en kwaliteitseisen van de overheid moet voldoen, maar er vanuit de overheid aan dierenambulances geen minimum vereisten worden gesteld en gestuurd wordt op zelfregulering door middel van keurmerken. Terwijl vangen en vervoer, bekeken vanuit het welzijn van het dier bezien, kan zorgen voor veel stress en spanning, en dat verkeerd hanteren kan leiden tot onnodige schade aan dieren. Er gelden volgens de geïnterviewden geen algemene regels en minimale eisen aan opleidingsniveau, daardoor kunnen soms foutieve handelingen met dieren worden uitgevoerd die gewond zijn. Zoals het verkeerd vervoeren van dieren met gebroken lichaamsdelen, ondanks alle goede bedoelingen18.
Alle centra die de RDA gesproken heeft, houden een register bij over inkomende en opgevangen dieren. Die verschillen in wijze en uitgebreidheid van registratie, maar overal is terug te vinden hoeveel dieren van welke soort er per jaar zijn opgenomen, welke behandeling is uitgevoerd met welke geneesmiddelen, hoe die behandeling heeft uitgepakt (overlijden, euthanasie, herstel en terugplaatsing in de natuur). De meeste centra publiceren hier zelf jaarverslagen over op hun website. Melding en opvolging Meldingen over hulpbehoevende dieren komen op verschillende manieren bij verschillende instanties binnen. Wanneer iemand een dier in nood vindt, is vaak de eerste stap om daar een melding van te maken. Meestal telefonisch, maar ook via digitale wegen komen meldingen binnen (bijvoorbeeld via meldformulieren en sociale media). Dit gebeurt onder meer via bellen met 144 Red een Dier, het landelijke meldpunt van de politie voor meldingen van dierenleed en dierenmishandeling. Maar er wordt door de burger/vinder ook direct contact gelegd met de (lokale) dierenambulance, het opvangcentrum zelf of een dierenarts. Ook komen er meldingen binnen via andere hulpverlenende instanties, zoals brandweer, Rijkswaterstaat, doorgezette meldingen via 112, NVWA en LID. Maar ook andere instellingen zoals natuur- en dierorganisaties krijgen meldingen binnen.
Bij de landelijke Vogelbescherming in Zeist worden soms zielige vogels in dozen bij de balie gebracht. Er zijn goede contacten met lokale opvangcentra om deze vogels verder op te vangen. Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan maken. Burgers maken daarbij zelf niet altijd het onderscheid tussen gehouden en niet gehouden dieren, of tussen huisdieren en wilde dieren, dus de instanties krijgen meldingen binnen over beide categorieën. Afhankelijk van de melding en de noodsituatie, worden meldingen doorgezet naar de meest relevante hulpinstantie. Dat kan (vaak) de dierenambulance zijn, maar ook de bijvoorbeeld de dierenbescherming, of een (gespecialiseerd) opvangcentrum. Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan maken. Gelukkig weten de meeste instanties elkaar wel te vinden. 18 Door de onbeschermde status van de dierenambulance, zou er in principe ook misbruik van kunnen worden gemaakt.
RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 41 Wanneer bel je niet met 144? • Gevonden dode kleine dieren (zoals vogels en egels): de afdeling milieu van uw gemeente; • Gevonden dode huisdieren: lokale dierenambulance en/of de afdeling milieu van uw gemeente; • Gevonden dood groot wild: 0900-8844; • Overlast van dieren (blaffende honden e.d.): uw wijkagent via 0900-8844; • (Overlast van) zwerfkatten: lokale afdeling van de Dierenbescherming; • Vermiste/gevonden huisdieren: lokale dierenambulance. Er komen jaarlijks zo’n 100.000 telefoontjes binnen bij 144. Er worden geen cijfers bijgehouden over de meldingen, het is onbekend hoeveel procent van de meldingen gaat over wilde dieren in nood. Wanneer iemand belt naar 144, krijgt hij/zij een centralist aan de lijn. Deze heeft van te voren een interne opleiding gehad, is gekoppeld aan een mentor en volgt ook nog een opleiding bij de politieacademie. Na een jaar zit het hele opleidingstraject erop voor een centralist, maar ook daarna blijven medewerkers trainen en oefenen tijdens werkoverleggen, wanneer ze denken dat er iets nodig t.b.v. de kwaliteit. Er werken ongeveer 32 mensen voor 144 (groei van 11 naar 25 fte). Ze werken in een gemeenschappelijk call center met collega’s van 112-meldingen en opsporingstelefonie.
De 144 centralisten blijven lang werkzaam bij 144 (langer dan bij 112), er zijn er nog een aantal van het eerste uur. Voorheen werden mensen eerst op 112 aangenomen en vervolgens kon 144 erbij genomen worden. Nu worden er ook specifiek mensen aangenomen op 144, die later pas 112 erbij kunnen doen. De centralist van 144 maakt de melding aan en zet de melding door. Aan de hand van een matrix bepaalt de centralist naar welke organisatie de melding wordt doorgezet. Met alle ketenpartners is afgesproken wie waarover gaat en hoe ze de zaak routeren, dat zijn interne afspraken. De centralist stelt een meldformulier op en stuurt deze door naar de opvolgpartij. Dat kan zijn de politie (acute zaken of misdrijven), de NVWA (landbouw- en productiedieren), LID (onthouden van welzijnszaken) of een dierenambulance (klein wild). Als de (spoed)melding over groot wild gaat zet 144 de melding door naar het operationeel centrum van de politie, de politiemeldkamer of naar een regionaal servicecentrum) van de politie. Voor wilde dieren zijn dierenambulance en politie de enige samenwerkingspartners. 144 is niet gericht op het informeren van burgers, maar op het doorzetten van meldingen naar de juiste instantie. Het is aan de opvolgpartijen om te registreren waar de melding over gaat, wat voor dier het betreft en welke vervolgactie wordt genomen.
Als 144 een melding doorzetten naar de dierenambulance zetten ze er in die melding niet bij of het gaat over wilde soorten of over andere soorten. Er wordt ook niet geregistreerd hoe de melding is opgelost. In een enkel geval wordt er wel nagegaan hoe het probleem is opgelost, maar dat is niet standaard. Als de melding is uitgegeven, is het in feite klaar. Net zoals bij 112 is 144 alleen betrokken bij het aannameproces, de opvolging is niet voor het meldpunt. Er wordt gewerkt met de SPOED, NU, LATER methodiek. SPOED is binnen 15 minuten, NU is binnen een halfuur, LATER kan ook morgen gebeuren. Een schaap op de rug is een voorbeeld van een SPOED/NU-melding. Dieren op wegen zijn een gevaar voor openbare orde, het kan gevaar of hinder opleveren voor het verkeer. Dus dat gaat dan rechtstreeks door naar het operationeel centrum. Bij een SPOED-melding is er wél warm contact tussen de centralist van 144 en het operationeel centrum. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 42 De Dierenbescherming heeft een eigen meldkamer. Zij krijgen vele tienduizenden telefoontjes per jaar binnen (75.000 in 2020) die worden doorgezet via 144, maar met name ook direct van burgers zelf. Er wordt het meest gebeld voor niet gehouden dieren, 60 á 70% van de telefoontjes gaan daarover.
Dat zijn voornamelijk vogels, maar ook in grotere mate hazen, konijnen, egels, en in kleinere mate eekhoorns marterachtigen en vossen (in die volgorde). Dierenambulance Amsterdam is (op lokaal niveau) een van de grootste van het land. Het is een zelfstandige organisatie en heeft onder de inwoners van Amsterdam een hoge naamsbekendheid: 93-94% van de burgers van Amsterdam weet ze zelf te vinden. In andere regio’s rijden ook andere ambulances waarmee je te maken kan hebben, dan is niet altijd duidelijk wie gebeld kan worden. Bij Dierenambulance Amsterdam komen 40.000-50.000 telefoontjes per jaar binnen. Dierenambulances en wildopvangcentra houden allerlei gegevens bij over aantallen dieren, wat er binnenkomt, aard van de hulpbehoefte, mogelijke behandeling en succespercentage van uitzetting. Het meldpunt 144 daarentegen houdt geen cijfers bij over meldingen, het is bijvoorbeeld niet bekend hoeveel procent van de meldingen wilde dieren betreft. Het is volgens de RDA een gemiste kans om niet in alle fasen van de hulpverleningsketen gegevens te verzamelen, die beeld geven over aard en omvang van de problematiek. Deze kunnen helpen bij het signaleren van calamiteiten, dierziekten, zoönosen en plotselinge achteruitgang in natuurlijke populaties.
Het informeren van burgers is volgens de geïnterviewden cruciaal om te zorgen dat dieren de hulp krijgen die ze nodig hebben, maar ook om te voorkomen dat er onnodig wordt ingegrepen bij bijvoorbeeld jonge haasjes, reekalfjes en jonge vogels. Goede voorlichting aan de voorkant voorkomt veel (onnodige) problemen later in de keten. Die voorlichting zou volgens de RDA dan ook in alle delen van de keten een goede plek moeten krijgen. Nu is bijvoorbeeld 144 niet gericht op het informeren van burgers, maar op het doorzetten van meldingen naar de juiste instantie. Het is aan de opvolgpartijen om te registreren waar de melding over gaat, wat voor dier het betreft en welke vervolgactie wordt genomen. Vervoer van dieren Nadat een melding is gedaan van een dier in nood, en de vinder is zelf niet in staat of geschikt om zelf hulp te verlenen, dan is de volgende stap dat het dier opgehaald wordt voor beoordeling/ behandeling. Dit kan ter plekke (bevrijden, vangen en vrijlaten) of in een daartoe geschikte instelling zoals een wildopvangcentrum of bij een dierenarts (zorg, behandeling, euthanasie). Soms brengen particulieren zelf de dieren naar een dierenarts of een opvangcentrum (schattingen van 20-50%% van de gevallen genoemd in interviews), maar het vervoer van wilde dieren in nood gebeurt voornamelijk door dierenambulances (in interviews geschat op 50-80%).
Er zijn maar heel beperkt wettelijk vastgelegde regels voor dierenambulances en het is evenmin een beschermde titel. Er staan veel ambulances ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Als je Dierenambulance op je auto hebt staan, is meteen de ontheffing geldig. Er zijn dan ook veel verschillende dierenambulances in het land, zowel in ‘doen’ als in visie. Dat heeft tot gevolg dat er ook geen echte eenheid is. Er zijn verschillende ambulancediensten: • Dierenbescherming (ongeveer 18019 eigen wagens) • Federatie Dierenambulances Nederland (FDN) met 30 aangesloten dierenambulances • (Overige ambulances(personen, verenigingen, stichtingen) • Van de hiervoor genoemde aantallen worden er 150 gesponsord door Dierenlot 19 In een eerder interview werd hier een getal van 25-28 gegeven, dit is later gecorrigeerd. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 43 Er bestaan verschillen in kwaliteitseisen per soort ambulance en er zijn een aantal keurmerken, met onderscheid in aanpak, expertise en opleidingsniveau. De FDN, waar een klein aantal ambulances is aangesloten, stelt voor de eigen leden kwaliteitseisen en -criteria zoals 7 dagen per week beschikbaarheid. Er bestaan verschillende keurmerken voor dierenambulances. Sommige keurmerken toetsen meer op de veiligheid van het voertuig en hygiëne, maar je hebt ook keurmerken waar dierenwelzijnsaspecten mee worden genomen.
Hoe ver ambulances daarin willen gaan is voornamelijk afhankelijk van de ‘goodwill’ van de partij zelf. Ook voor uitzetten van de opgelapte wilde inheemse dieren zijn geen vervoersregels. Veel van de FDN ambulances hebben het keurmerk van Stichting Dierkeur (geïnitieerd door Dierenbescherming, zelfstandige stichting). Daarin zitten eisen voor opleidingsniveau, veiligheid voor alles bij medewerkers, hygiëne, kennis van vogels tot reptielen die door het keurmerk worden geborgd. Aan het keurmerk van de wagens van Dierenlot zijn geen eisen verbonden. Deze fondsenwervende organisatie stelt materialen, middelen en kennis beschikbaar stelt voor hun achterban, vooral voor kleinere organisaties in Nederland. Dierenlot is niet aangesloten bij de FDN. Een deel van de leden van FDN rijdt met Dierenlot wagens. De eigen ambulances (wagens+ logo) van de Dierenbescherming hebben een eigen kwaliteitsstandaard. Dierenbescherming steunt de FDN met een gift, maar zijn zelf geen lid van de FDN. Financiering is erg verschillend per ambulance. Er wordt gerekend met verschillende kostprijzen, dat kan variëren van 15 euro tot 75 euro per rit. De vergoedingen die dierenambulances ontvangen zijn ook divers.
Veel gemeenten hebben contracten met dierenambulances (Dierenbescherming, lokale partijen) vanuit hun verplichtingen voor het opvangen van gevonden dieren met een vermeende eigenaar (bewaarplicht van twee weken volgens Burgerlijk Wetboek). Verschillende gemeenten nemen als ‘extra dienst’ bij deze opvangorganisaties het vervoer (en soms opvang) van gewonde wilde dieren geheel of gedeeltelijk af, naar eigen zeggen als invulling van de zorgplicht. Er zijn ook gemeenten die voornamelijk subsidies verstrekken, er zijn gemeenten waar alleen mondelinge afspraken mee zijn, en er zijn gemeenten die niet willen betalen. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Daarnaast zijn er verschillende andere manieren van financiële steun, zoals steun van burgers, subsidies, inkomsten van donateurs, giften en erfenissen. De (mogelijke) risico’s door het ontbreken van duidelijke beleidsregels en kwaliteitseisen voor dierenambulances vanuit de overheid zijn al genoemd in paragraaf 3.3.1. Wat daarnaast volgens de geïnterviewden de kwaliteit van vervoer van dieren kan beïnvloeden, zijn de vele verschillen in financiering en ondersteuning van de kosten. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Gemeenten die wel contracten hebben, stellen niet vaak eisen.
Er is volgens enkele geïnterviewden kwaliteitsverschil en de partijen die gecontracteerd zijn hebben niet altijd evenveel kennis en expertise, of ruimte om zich te verdiepen. Daar hebben ze ook niet allemaal dezelfde mogelijkheden voor, aldus enkele geïnterviewden. Het zijn in de kern, behalve een enkele uitzonderingen zoals Dierenbescherming, allemaal vrijwilligersorganisaties, volgens sommige geïnterviewden vaak bestaande uit mensen die vanuit gedrevenheid instappen en soms al 20-30 jaar rondrijden. Volgens sommige geïnterviewden is daar niet altijd ruimte voor nieuwe inzichten op het gebied van dierenhulpverlening, zelfreflectie en overdracht van dieren. In één van de interviews kwam naar voren dat een overheid hier meer sturing aan zou kunnen geven door goede vragen te stellen, zoals ‘Hoe leiden jullie mensen op?’, ‘Met welk materiaal werken jullie?’, ‘Hoe vindt inwerken plaats?’, ‘Hoe zit het met de veiligheid van medewerkers ’s nachts, gaan ze alleen of met z’n 2-en op pad, hoe handelen ze bij problemen?’. Door goed te bevragen kan volgens de geïnterviewde zo een goed beeld worden gekregen van de organisatie, nog los van RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 44 actuele kennis over hulp aan dieren, over bijv. de persoonlijke bescherming van medewerkers, dingen die ze wel en ook niet verrichten.
De verschillen leiden volgens enkele geïnterviewden ook tot verschillen in handelswijze. Zo rijdt de ene dierenambulance dag en nacht voor elk dier en kunnen ze door hun professionaliteit ook worden ingezet voor EHBO aan mensen (AED, zuurstof aan boord); de andere (een enkeling) rijdt alleen onregelmatig voor de ‘leuke’ dieren of heel specifiek voor bepaalde dieren. De burger weet niet altijd waar hij van op aan kan. Opvang en behandeling De keus bij binnenkomst van dieren bij een wildopvang of dierenarts is gericht op de mogelijkheid voor terugkeer van het dier in de natuur en houdt rekening met het welzijn van het dier op korte (tijdens behandeling en opvang) en langere termijn (daarna). Welke dieren zijn kansrijk en welke niet? Langdurige verzorging van dieren die niet meer kunnen worden uitgeplaatst, die geen soortbehoudswaarde hebben, en waarvan het welzijn door de opvang (niet opzettelijk maar wel een gevolg ervan) wordt aangetast is niet gewenst: niet vanuit het dier, niet vanuit de opvang en ook niet vanuit de wet. In Nederland zijn rond de 70 opvangcentra die zich bezighouden met de opvang van uit het wild afkomstige dieren.