7.2 RDA - zienswijze Dilemma's in de wildopvang.pdf
Tekst van het document
Deze opvangcentra kennen een grote variatie, onder andere qua: • grootte – varieert van kleine centra die enkele dieren per jaar opvangen tot grote opvangcentra met wel 11.000 dieren per jaar • specialisatie en expertise – sommige opvangcentra zijn gespecialiseerd in bepaalde soorten zoals egels, eekhoorns of vleermuizen, andere opvangcentra vangen meerdere soorten dieren/ diergroepen op • kennis, kunde, professionaliteit – Sommige centra kunnen bouwen op jarenlange ervaring en continue ontwikkeling daarvan, andere komen nog maar net kijken en zoeken daarin hun weg. • regionale spreiding – sommige regio’s zijn goed voorzien van verschillende centra waardoor aanrijtijden voor dieren niet lang zijn, andere regio’s zijn minder goed bedeeld of hebben helemaal geen mogelijkheden in de omgeving (in Maastricht wordt bijvoorbeeld samengewerkt met opvang over de grens) • historie – sommige opvangcentra bestaan al tientallen jaren en kennen een uitgebreide voorgeschiedenis en ontwikkeling met bekendheid in de omgeving, andere centra zijn jonger • organisatie – sommige opvangcentra hebben een aantal vaste medewerkers en een grote pool van vrijwilligers, andere opvangcentra draaien geheel op een groep vrijwilligers • opleidingseisen voor medewerkers – van uitgebreide interne opleiding tot leren ‘on the job’ • financiële basis en stabiliteit – net zoals bij vervoer zijn financiële bronnen
en verdeling bij alle opvangcentra verschillend, maar geen enkel opvangcentrum kent een stabiele financiële structuur voor langer dan een jaar-enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze volgend jaar nog kunnen bestaan. • bijdrage aan onderzoek – alle opvangcentra registreren informatie over dieren die binnenkomen en wat er mee gebeurt. Sommigen registreren basisinformatie, anderen proberen meer bij te houden voor onderzoeksdoeleinden en informeren burgers wat er met ‘hun’ dieren is gebeurd. Het ontbreekt meestal aan tijd en capaciteit om zelf iets onderzoeksmatig met geregistreerde gegevens te doen. Meerdere opvangcentra gaven in de interviews bijvoorbeeld aan dat ze ook oorzaken bijhouden. Ter illustratie getallen van een opvangcentra: − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren verweesd − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren ziek (botulisme/vogelgriep) − in 2020 was 1/3 van de dieren gewond (ramen, honden, katten) RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 45 Onderling weten de opvangcentra elkaar te vinden als het gaat om behandeling van bijzondere dieren of bijzondere gevallen. Iedereen weet dat je voor watervogels ergens anders moet zijn dan voor roofvogels. Ze wisselen kennis en informatie uit, maar ook dieren. Ze bellen elkaar met vragen, hebben app-contact en -groepen en proberen bij nieuwe gevallen niet zelf het wiel uit te vinden.
Sommige overleggen op regelmatige basis met elkaar. Er is geen overkoepelende organisatie (meer) voor opvangcentra van wilde dieren. In het verleden is een aantal keer geprobeerd om zoiets op te zetten. Zoals de oprichting in 1998 van VOND (Vereniging Opvang Niet-gedomesticeerde Dieren), die met o.a. het opstellen van kwaliteitsprotocollen heeft bijgedragen aan de borging van dierenwelzijn, revalidatie en terugplaatsing in de natuur en professionaliteit en controleerbaarheid van de opvangcentra. Ook was er in 2014 de oprichting van de BVVN (Belangenbehartiging van Vogelopvangcentra Nederland), die in 2017 weer werd ontbonden. Dit soort initiatieven zijn volgens geïnterviewden ‘doodgebloed door gebrek aan financiering’ of doordat ze ‘van buitenaf waren opgelegd’. Ook wordt de ‘eigenwijsheid’ van de sector meerdere keren genoemd. Geïnterviewden vinden zowel zichzelf als andere opvangcentra eigenwijs in ideeën over en aanpak van de opvang van wilde dieren. Iedereen kent zo zijn eigen manieren van voer, voeren, verzorgen en behandelen en heeft daarin zijn eigen succeservaringen. Iedere opvang koestert daarin zijn eigen identiteit en respecteert doorgaans de identiteit van de andere centra, ook als ze het helemaal anders doen. Een nieuw initiatief is de in 2021 opgerichte stichting wildopvang.nl.
Deze probeert vanaf 2016 wildopvangcentra bij elkaar te brengen, door contact te verbeteren, relaties te onderhouden en het organiseren van ad-hoc initiatieven om onderling vertrouwen te kweken. De stichting heeft een online platform, waar bijvoorbeeld in het kader van vogelgriep opvangcentra in een afgesloten groep informatie uit kunnen wisselen. Ook is er een groep voor de overheid. De grotere dierenorganisaties zoals Dierenbescherming en Stichting Dierenlot zijn op verschillende manieren bezig met wildopvang. Dierenbescherming heeft een tweetal eigen opvangcentra en diverse dierenambulances (en een eigen meldkamer). Dierenlot helpt zelfstandige opvangcentra met financiering en ondersteuning, zowel kosten als middelen. Dierenlot organiseert elk jaar een landelijk congres en een landelijke bijeenkomst over dierenhulpverlening (zowel gezelschapsdieren als wilde dieren). Dierenbescherming en Dierenlot hebben onderling contact en overleg. Door sommige centra in interviews genoemd, maar zeker niet door alle centra ook zo herkend is dat er momenteel sprake zou zijn van een overgang van een ‘oudere generatie’ opvang naar een ‘nieuwere generatie’. De oudere generatie zou gaan om de pioniers die al 20-30 jaar in het vak zitten en de kwaliteitsslag door de beleidsregels van 2015 hebben ‘overleefd’. De oudjes zouden opereren als eenzame eilandjes en weinig willen samenwerken.
De nieuwere generatie zou daarbij beter openstaan voor brede samenwerking, nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen in opvangland, best practices, leren van professionele buitenlandse experts en organisaties en leergieriger zijn. De subsidiering van wildopvangcentra is momenteel diffuus. Vanuit de rijksoverheid wordt niets bijgedragen. Er zijn 3 provincies die opvangcentra in hun regio financieel ondersteunen. Ook Noord-Holland (100.000 euro per jaar, voor 2020 en 2021), Limburg (kostendekkend vervoer naar opvangcentrum in België) en Utrecht (vanaf 2020 per jaar 50.000 euro, waarvan 10.000 euro noodfonds en rest gericht op professionalisering en verbeteringen). In het verleden heeft de provincie Noord-Brabant ook voor een periode financiële ondersteuning gegeven aan een samenwerkingsverband van een aantal centra die hiervoor gezamenlijk bij hen aanklopten. Gemeentelijke bijdrages zijn erg verschillend. Geen enkele bijdrage, financiële ondersteuning RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 46 van een opvang in de eigen gemeente tot overeenkomsten en contractuele afspraken tussen opvangcentra en verschillende gemeenten waarvoor ze de dieren opvangen: alles komt voor. De meeste opvangcentra vangen op voor dieren uit meerdere gemeenten, niet al die gemeenten dragen bij. Volgens de geïnterviewde partijen dragen de meeste gemeenten niets bij.
Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren in wildopvangcentra wordt in de interviews benoemd als grootste probleem. Uit de interviews van de RDA komt naar voren dat geen enkele van de geïnterviewde opvangcentra een stabiele financiële structuur kent voor langer dan een jaar tot enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze daarna nog kunnen bestaan. Er is in de gehouden interviews volop discussie over wie wat zou moeten doen qua ondersteuning van wildopvangcentra vanuit de overheid. Opvangcentra zien zelf vaak hun regionale functie en benoemen dat provincies, die verantwoordelijk zijn voor dieren in de natuur en ontheffingen aan opvangcentra, meer verantwoordelijkheid hebben en zouden moeten nemen dan nu het geval is. Voor opvangcentra is het belangrijker dat het geregeld wordt, dan wie dat doet en betaalt. Gemeentes wijzen volgens geïnterviewden voor verantwoordelijkheid en financiering vaak naar provincies en andersom; provincies zelf zien opvang van wilde dieren niet (altijd) als hun verantwoordelijkheid, omdat opvang naar hun idee niet bijdraagt aan de verantwoordelijkheden voor het voortbestaan van populaties en soorten. Daar zit volgens de RDA een spanningsveld in ideeën over natuur en dierenwelzijn. Dierenwelzijn staat niet altijd gelijk aan soortenbescherming en andersom.
Een deel van de opvangcentra is het eens met dat zij niet direct aan populatiebehoud bijdragen, maar sommigen zien wel degelijk een toegevoegde waarde van het opvangen en uitzetten van dieren. Ze zijn het wel eens over dat de functie van opvang van wilde dieren indirect bijdraagt aan meer kennis en begrip van burgers over wilde dieren en natuur. Op deze manier worden mensen betrokken bij de dieren in hun leefomgeving en kunnen ze daar naar hun idee actief aan bijdragen. De zelfstandigheid van alle individuele wildopvangcentra maakt het volgens de meeste geïnterviewden soms lastig om één geluid te laten horen als sector. De meeste centra vinden het ook niet prettig als een andere organisatie ze als spreekbuis vertegenwoordigt. Er is behoefte om elkaar meer en beter te vinden en samen te werken. Niet alleen op het gebied van informatie, kennis en ervaring uitwisselen over de verzorging en behandeling van hulpbehoevende dieren, maar ook om samen financiële middelen te zoeken. De keren dat opvangcentra op lokale/ regionale schaal samen zijn opgetrokken om bij overheden subsidies te krijgen lijken doorgaans succesvol. Centra lijken elkaar volgens geïnterviewden daarvoor nu vaker op te zoeken dan vroeger, maar werken ook erg in de waan van de dag.
“Dat is ook niet zo gek als je vandaag niet weet of je morgen nog kunt bestaan en er elke dag weer nieuwe dieren op de stoep staan om opgevangen te worden” (citaat geïnterviewde). Samenwerkingsverbanden vallen dan ook snel weer uit elkaar. Een regisseur of koepel wordt bijvoorbeeld in de interviews wel geopperd en zou kunnen helpen om uit de dagelijkse waan te stappen. Om daarin de eigen identiteit van centra te respecteren zou een goede vorm moeten worden gezocht om dat mogelijk te maken. Vooral het uitwisselen van inhoudelijke kennis en informatie zou voor geïnterviewden een belangrijke reden zijn om hieraan deel te nemen. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 47 Euthanasie, uitzetten en permanente opvang Opvang van wilde dieren is altijd tijdelijk en gericht op het weer uitzetten in het wild. Permanente opvang is geen optie voor wilde dieren en daarom zullen opvangcentra in hun triage altijd rekening houden met de kansen op succesvolle uitzetting. Voor sommige dieren is het belangrijk om weer uitgezet te worden in een bekend gebied, zoals egels, en voor sommige dieren zoals vogels die beter zelf hun plek kunnen vinden, maakt het minder uit. Uitzetten gebeurt in elk geval altijd op veilige locaties met de meeste kans op herstel van het dier.
De verschillende opvangcentra die de RDA heeft gesproken noemen diverse percentages van succesvolle behandeling en kans op uitzetting. Globaal gezien komen de volgende getallen naar voren: • 1 op de 3 dieren bij de dierenambulance gaat naar de opvang, 2 van de 3 sterven alsnog of worden geëuthanaseerd • in de opvang sterft 30% van de binnengebracht dieren binnen 24 uur/in de eerste dagen (uit zichzelf of door euthanasie). Er worden percentages tussen de 33 en 50% genoemd voor totale sterfte. • de meeste centra schatten terugplaatsingscijfers tussen de 33 en 50%. Een enkele noemt een uitschieter tot 60-70%. Door andere centra worden zulke hoge aantallen juist niet mogelijk geacht (of alleen in specifieke gevallen voor centra met specifieke soorten) en twijfelen ze aan de correctheid daarvan. Wanneer de kans op herstel of op een succesvolle uitzetting nihil is, wordt euthanasie overwogen. Deze overweging gebeurt op verschillende momenten, namelijk bij elke volgende triage (van vondst en melding tot aankomst bij de opvang en behandeling). Euthanasie is altijd gericht op het voorkomen van (verder) lijden van het dier of een dieronwaardig bestaan. Over de afvoer van kadavers is weinig opgemerkt tijdens interviews, alleen dat het soms zonde is dat dieren niet gebruikt mogen worden als voer voor andere dieren.
Voor euthanasie is het belangrijk dat deze wordt uitgevoerd door een deskundige met voldoende kennis en ervaring. In de praktijk worstelen opvangcentra daar soms mee. Als er voor elke euthanasie volgens de regels een dierenarts aanwezig moet zijn, is dat moeilijk uit te voeren in praktijk, gezien de grote aantallen dieren per opvang. Zowel qua capaciteit als qua kosten. Ook kunnen de meest diervriendelijke oplossingen meer kosten met zich meebrengen. Te alle tijde moeten onkunde en ondeugdelijke methoden worden voorkomen. Hiervoor is door de minister een apart advies gevraagd bij CenSAS. In 2021 is een rapport opgeleverd over geschikte methoden van doding van dieren in wildopvangcentra door niet-dierenartsen (CenSAS, 2021). De RDA gaat er vanuit dat heikele kwesties hierin voldoende aan de orde zijn gekomen en zal hier verder niet op ingaan. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 48 Samenstelling van de Raad De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad.
De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele raad. Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad. Suggestie voor referentie: RDA, Raad voor Dierenaangelegenheden (2022). Dilemma's in de wildopvang. Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren. Den Haag, Nederland. 47 pp. De RDA bestond op 1 april 2022 uit de volgende leden: Prof.dr. J.J.M. van Alphen Dr.ir. G.B.C. Backus J.P. van den Berg W.T.A.A.G.M. van den Bergh Dr. J.J.L. Candel MA Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht Prof.dr.ir. G.M. van Dijk Dr. N. Endenburg PhD Prof.dr. R. Gehring Drs. D. van Gennep Prof.dr. M.A.M. Groenen Prof.dr. S. Haring Prof.dr.ir. L.A. den Hartog A.L. ten Have-Mellema Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek Drs. G. Hofstra J.A.M. Huijbers Prof.dr.ir. A. van Huis Prof.dr.ir. B. Kemp A. Kemps Prof.dr. M.F.M. Langelaar Dr. L.J.A. Lipman Drs. F.E. Rietkerk Mr. C.W. Ripmeester Prof.dr.ir. T.B. Rodenburg Dr. M.C.Th. Scholten Prof.dr. Y.H. Schukken Ir. G.C. Six Drs. M. Slob Prof.dr. G.R. de Snoo Mr.drs. J. Staman, voorzitter Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels Drs. R.A. Tombrock Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp Dr. H.A.P. Urlings Dr. J.B.F. van der Valk J. van de Ven Drs. F.A.L.M. Verstappen Mr.dr. J. Vink Secretaris van de Raad is ir. M.H.W. Schakenraad Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl.
Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.