CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

7.2 RDA - zienswijze Dilemma's in de wildopvang.pdf

Raadsvergadering 13 september 2022, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken20.878 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Dilemma’s in de Wildopvang Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren

RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 3 Inhoudsopgave Procedure 4 Leeswijzer 4 Samenvatting 5 1. Inleiding 8 1.1 Aanleiding en vraagstelling 8 1.2 Uitgangspunten en afbakening 8 2. OF een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen 10 2.1 W et- en regelgeving 10 2.2 Morele verantwoordelijkheid en zorgplicht 11 2.3 W anneer is een dier hulpbehoevend? 12 2.3.1 Hulpbehoevendheid in kader W et dieren 12 2.3.2 Aanpassingsvermogen van wilde dieren 12 2.3.3 Inschatting van hulpbehoevendheid wilde dieren 13 2.3.4 Oorzaken hulpbehoevendheid 16 2.4 Maatschappelijke rol en functie hulp en opvang 17 2.5 Dilemma’s en verlegenheden 18 3. HOE een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen 19 3.1 V erschillende fasen en manieren van hulp 19 3.2 Zoekplicht naar deskundigheid 20 3.3 Knelpunten huidige praktijk 21 4. Door WIE moet een hulpbehoevend wild dier worden geholpen 23 4.1 V erplichtingen, verdeling en verwachtingen 23 4.2 Behoeftes partijen 25 5. C onclusies en aanbevelingen 26 5.1 Conclusies 26 5.2 Aanbevelingen 28 Geraadpleegde bronnen 30 Bijlage 1 Adviesaanvraag betreffend de zorgplicht voor en opvang van wilde dieren 31 Bijlage 2 Brief Tweede Kamer kenmerk 2020D30659 32 Bijlage 3 Gelijkheid van dieren 36 Bijlage 4 Oorzaken van hulpbehoevendheid en aansprakelijkheid 37 Bijlage 5 Schets uitgangssituatie opvang wilde dieren 39 Samenstelling van de Raad 48

RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 4 Procedure Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum bestaande uit de raadsleden prof. Dr. J.J.M. van Alphen (voorzitter forum), W.T.A.A.G.M. van den Bergh, drs D. van Gennep, mr. drs. J. Staman en Jong-RDA lid S.A.M. van der Hoeven MSc. Het forum is ondersteund door een klankbordgroep uit de RDA, bestaande uit de leden mr. A.G. Dijkhuis, drs  F.E. Rietkerk, mr. C.W. Ripmeester, prof. dr. ir. T.B. Rodenburg, Prof. dr. G.R. de  Snoo, drs.   R.A.  Tombrock, drs. F.A.L.M. Verstappen en Jong-RDA lid M.A.A.M. van Gerwen  MSc. De  zienswijze is een product van de hele Raad. Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum 7 maal bijeen geweest. Het forum is bij hun werkzaamheden ondersteund door secretaris ir. M.H.W. Schakenraad en adjunct-secretaris drs.  R.L. van Oudheusden van het RDA-team. De voorliggende zienswijze van de Raad is op verzoek van de minister van LNV. Leeswijzer Hoofdstuk 1 start met een inleiding, waarin vraagstelling, aanleiding, uitgangspunten en afbakening van deze zienswijze zijn opgenomen. Hoofdstuk 2 geeft een beschouwing op de vraag of een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en gaat in op de zorgplicht in de wet en morele verantwoordelijkheid van mensen voor het welzijn van dieren.

Een belangrijke vraag die in dit hoofdstuk aan de orde komt is wat hulpbehoevendheid is en wanneer dieren dat wel en niet zijn naarmate hun aanpassingsvermogen is aangetast. Maatschappelijke achtergronden, dilemma’s en verlegenheden bij hulp en opvang van dieren komen hier ook aan de orde. In hoofdstuk 3 staat centraal hoe hulpbehoevende dieren het beste kunnen worden geholpen en welke knelpunten in de huidige praktijk de RDA is tegenkomen in interviews met de sector. In hoofdstuk 4 komt aan bod wie hulpbehoevende dieren zou moeten helpen, welke taken, verantwoordelijkheden maar ook welke behoeftes verschillende partijen op het gebied van wildopvang hebben. Hoofdstuk 5 sluit af met uit deze zienswijze voortkomende conclusies. Tevens doet de RDA de minister van LNV een aantal aanbevelingen om, in overleg en samenwerking met de sector, verbeteringen door te voeren in hulp aan dieren, vanuit het belang van het welzijn van het dier. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 5 Samenvatting Op 20 augustus 2020 ontving de RDA van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie.

Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen, op grond van een voorschrift in de Wet dieren (H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7): “6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg. 7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. In de Memorie van Toelichting van de Wet dieren, pag. 82 staat een verwijzing naar dit artikel ”Ook de plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde dieren van toepassing”. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, eerder benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke waarde. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. Dat betekent niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden.

Ingrijpen is noodzakelijk “Indien het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en als interventie/maatregelen maatschappelijk aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is” (RDA, 2017). Dieren in de natuur raken in de problemen, verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen van ziekten en predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet het lijden van wilde dieren in natuurlijke situaties in algemene zin aan te pakken. De Wet natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving en handelen met mogelijke nadelige gevolgen in principe achterwege laat. Zorg voor wilde dieren is dus op verschillende manieren in de wetgeving opgenomen. De RDA ziet vanwege deze verschillen als centrale vraag wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is. Of een dier hulpbehoevend of zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in een specifieke omstandigheid. Steeds vaker komen mens en dier elkaar tegen en is onderscheid tussen natuurlijke leefomgeving van dieren en leefomgeving van mensen niet goed meer te maken.

In een stedelijke context waarin lijdende dieren worden aangetroffen door mensen is het inschatten van dit onderscheid door burgers dan ook lastig, zij kunnen vaak moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Voor afwegingen omtrent wel of niet ingrijpen (en op welke manier) is vaak (veterinaire en biologische) deskundigheid1 nodig. Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn hulpbehoevend, zij kunnen niet langer voor zichzelf zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie. Verzwakte, uitgeputte en zieke dieren vereisen specifieke afwegingen, niet alleen op het niveau van het individuele dier, maar ook vanwege het effect op de populatie en het ecosysteem waartoe ze behoren. Jonge dieren en oververmoeide dieren zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog aanpassen aan de situatie. 1 Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen. Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 6 In eerste instantie worden dieren in het wild zoveel mogelijk met rust gelaten.

Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, moet worden aangenomen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of zij hulp verleent. Deze hulp bestaat uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen voor advies over de mate van hulpbehoevendheid van het dier en bijbehorend handelingsperspectief. Het is belangrijk bij de zoekplicht naar deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is dus niet het zelf vangen en vervoeren van dieren en zeker niet het zelf verzorgen. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige worden beantwoord. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.

De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid. Mensen  hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen vaak de kennis en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste is om de mensen vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hulp in te schakelen van een deskundige, die elke situatie kan beoordelen en een goede afweging kan maken. Hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van de omstandigheden. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp. Hiervoor is ervaring vereist. De hulpverlening aan wilde dieren bestaat uit een keten van verschillende hulpverleners zoals 114, wildopvangcentra, dierenambulances en dierenartsen met fasen van besluitvorming. Goede zorg kan bestaan uit het tegengaan van lijden, of goede verzorging als er perspectief is op weer leven in de natuur. Om daar recht aan te doen moet volgens de RDA hulp aan hulpbehoevende wilde dieren verbeterd worden en zouden alle dieren overal dezelfde basiskwaliteit van hulp moeten kunnen krijgen. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat wildopvangcentra naar eigen zeggen niet alleen kunnen oplossen.

Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren, zodat er voldoende uniformiteit en continuïteit van wildopvang is. Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheid voor natuurbeheer bij de provincies, dient op dat niveau ook ondersteuning te worden gegeven. De RDA ziet hiervoor verbeterpunten met daarin een trekkende rol voor de rijksoverheid en doet daarom onderstaande aanbevelingen. In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en samenwerking met de sector en andere overheden in te zetten op de volgende 3 punten ter verbetering van hulp: 1) Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in Nederland.

• Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 7 ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen. Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij wildopvang. • De wildopvangcentra hebben goede voorbeelden en nieuwe ideeën op welke wijze structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage, professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen. 2) Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp • De rijksoverheid heeft een leidende rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren. • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zouden niet beperkt moeten zijn tot wildopvangcentra, maar ook opgesteld moeten worden voor vervoerders van dieren en andere hulpverleners in de keten.

(Bestaande) private keurmerken en kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht zelfs te worden voorgeschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is. • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorkomen. Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances kan ook een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten, toezicht en een openbare handelwijze. • Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn. 3) Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is, welk  handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de overheid gefaciliteerd te worden.

Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’ meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn om specialistisch advies te kunnen geven, ook voor het vervolgtraject. • Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte om aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends in dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen, dierziekten en verspreiding. Ook het beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan van toegevoegde waarde zijn. De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een rondetafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens ‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en don'ts) voor burgers waarbij het ‘leereffect’ kan worden vergroot.

RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 8 1. Inleiding 1.1 Aanleiding en vraagstelling Op 20 augustus 2020 ontving de RDA de volgende vraag, inclusief een brief met toelichting, van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (zie bijlagen 1 en 2): Vraag Minister aan RDA …”verzoek ik u om een zienswijze uit te brengen met betrekking tot de vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie”. In voorliggende RDA-zienswijze staat de vraag van de minister centraal, “of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie” . Het verzoek aan de RDA is aangekondigd aan de Tweede Kamer en komt tegemoet aan verschillende moties (zie bijlagen 1 en 2). 1.2 Uitgangspunten en afbakening Deze zienswijze heeft als doel de beantwoording van de vraag van de minister. Hierbij gaat de RDA bij zijn zienswijze uit van de huidige wetgeving, met name de Wet dieren en de Wet natuurbescherming. De zienswijze concentreert zich op het proces en de afwegingen bij (wilde) dieren in nood. In het verzoek aan de RDA heeft de minister aangegeven wat zij verstaat onder wilde dieren: “De  term wilde dieren wordt hier gebruikt voor dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende diersoort” (zie bijlage 1). De minister geeft hierbij niet aan welke dieren zij daar niet onder verstaat.

De RDA zal in voorliggende zienswijze, waar relevant, ingaan op categorieën dieren waarvoor niet duidelijk is waar ze onder vallen. Dit om aan te geven dat onderscheid tussen wild en niet wild, maar ook tot ‘van nature’ en ‘niet van nature’ in Nederland voorkomend niet altijd even duidelijk is en dat er ook bij 144, ambulances en opvangcentra niet altijd zo’n zwart-wit onderscheid wordt (of kan worden) gemaakt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gehouden dieren met (onbekende) eigenaar, zoals een ontsnapte siervogel of -huiskat), verwilderde (huis)dieren en exoten. De Wet dieren en de Wet Natuurbescherming maken onderscheid in verschillende categorieën dieren en in mate van bescherming. Dat onderscheid heeft geen betrekking op hulpbehoevende dieren. In de Wet dieren (H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7) is aangegeven: “6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg. 7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. De opvang van zeehonden is niet (expliciet) meegenomen in deze zienswijze, omdat hierover in 2020 met de sector een Zeehondenakkoord is gesloten. Tussen de partijen die betrokken zijn bij de opvang van zeehonden zijn hierover afspraken gemaakt.

Het forum erkent de ambivalentie van het enerzijds tegemoet willen komen aan de gevoelens van mensen die dieren willen helpen en anderzijds dat de natuur en de daarin voorkomende dieren vooral met rust gelaten moet worden (beiden volgend uit voorschriften uit verschillende wetten). RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 9 Voor deze zienswijze zijn om achtergrondinformatie te verkrijgen over de actuele praktijksituatie in Nederland 10 interviews gehouden met partijen die zich in de praktijk bezig houden met opvang van wilde dieren. Verschillende opvangcentra, geselecteerd op verschillende grootte en ligging door Nederland en daarnaast medewerkers van 144, Dierenbescherming en Dierenlot zijn hiervoor benaderd. De informatie is gebruikt om een actueel beeld te krijgen van de praktijksituatie van de wildopvang. Informatie hieruit is opgenomen in de bijlagen. Natuurbeheerders, natuurbeschermers en ecologen wiens taken vooral gericht zijn op beheer van natuurgebieden en het in stand houden van populaties zijn niet benaderd. Uit het andere RDA-traject ‘Dieren in het huis van Thorbecke’ is in een aantal interviews tevens informatie over wildopvang vanuit gemeenten en provincies naar voren gekomen. Die informatie is ook in voorliggende zienswijze verwerkt. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 10 2.

OF een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen Kort antwoord: Ja, om twee redenen. Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen op grond van een wettelijk voorschrift in de Wet dieren (2.1) en vanwege de breed levende opvatting onder burgers dat op hen een morele verantwoordelijkheid rust voor het welzijn van dieren (2.2). Vanwege het uitgangspunt om dieren in de natuur zoveel mogelijk met rust te laten, is van belang wanneer dieren wel en niet hulpbehoevend zijn en of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Dit kan vaak alleen door een deskundige worden beoordeeld. 2.1 W et- en regelgeving • Voor de zorg voor een ziek of verwond (wild) dier gelden de volgende punten uit artikel 2.1 van de Wet Dieren (artikel over dierenmishandeling): − lid 1: “Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen2”. − lid 6 “Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg”. − lid 7 ”Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. Artikel 2.1 van de Wet dieren is van toepassing op alle dieren, ongeacht of zij gehouden zijn of in het wild leven3.

In de Memorie van Toelichting staat hierover twee verwijzingen: • ”Ook de plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde dieren van toepassing” (pagina 82). De toelichting vervolgt: “Dit vereist evenwel een menselijke interventie, die op gespannen voet kan staan met het genoemde «handen af principe». Dat vraagt dus om een afweging”. De toelichting gaat over de verhouding tot de toenmalige Flora- en faunawet (bescherming van dieren behorende tot in het wild levende diersoorten), die later is overgegaan in de Wet natuurbescherming. • “Wat de «nodige zorg» inhoudt kan bij in het wild levende dieren en gehouden dieren echter verschillen” (pagina 100). Hier volgt een verwijzing naar een andere paragraaf in de Memorie van toelichting, waar vervolgens verwezen wordt naar de Nota Dierenwelzijn. • Wet natuurbescherming, artikel 1.11: − lid 1 “Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving”.

− lid 2 “De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 2 In 2021 is hier door de Tweede Kamer een amendement aan toegevoegd: “Onder een redelijk doel wordt in elk geval niet begrepen het kunnen houden van dieren in een bepaald houderijsysteem of een bepaalde wijze van huisvesting” (Kamerstuk 35 398, nr. 23). De toelichting bij het amendement vraagt om inwerkingtreding op 1 januari 2023. Bron: Kamerbrief Tweede Kamer, 2020b. 3 Ook de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren in de Wet dieren geldt voor álle dieren, gehouden of niet gehouden, wild of niet wild. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 11 − dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, a. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Dit artikel draagt iedereen (‘een ieder’) in Nederland op om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren.

Dit betekent vooral het nalaten van handelingen die een nadelig gevolg kunnen hebben op in het wild levende dieren4. De Wet natuurbescherming draagt dus vooral op om te voorkomen dat dieren in de problemen komen. Voor de zorg voor een ziek of verwond wild dier verwijst de Memorie van Toelichting van de Wet natuurbescherming naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, die inmiddels grotendeels is opgegaan in de Wet dieren (Kamerstuk Tweede Kamer, 2008). Om (hulpbehoevende) wilde dieren op te kunnen vangen is een ontheffing van de Wet Natuurbescherming vereist, onder andere voor artikel 3.5 waar het verbod op doden en vangen van dieren onder valt en voor artikel 3.24, waar het ‘onder zich hebben’ van dieren onder valt. De  ontheffingverlening liep eerder via de Rijksoverheid, maar is nu grotendeels belegd bij de provincies door decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies, uitzonderingen daargelaten (RVO, 2020). Aan de ontheffing voor de opvang van wilde dieren zijn (minimum) voorwaarden en eisen gekoppeld (zie bijlage 5 voor overzicht). Daarnaast moet een opvang voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de (bijlage van) Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten 5. Hierin zijn regels en kwaliteitseisen opgenomen over doelstellingen, handelwijze, bereikbaarheid en samenwerking met andere opvangcentra.

De kwaliteitsregels proberen tegemoet te komen aan de behoeften van het dier/ de diersoort. Het welzijn van het dier en de mogelijke kans op terugkeer in de natuur zijn daarbij belangrijke uitgangspunten (Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten, 2017). 2.2 Morele verantwoordelijkheid en zorgplicht De intrinsieke waarde van dieren wordt erkend in de Wet dieren, artikel 1.3. Er is een breed gedeeld gevoel in de samenleving dat de mens een morele verantwoordelijkheid heeft voor het welzijn van dieren6. Dieren zijn levende, voelende wezens. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Zorgplicht7 is volgens de RDA de wijze waarop we in de praktijk invulling kunnen en moeten geven aan morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van 4 De memorie van toelichting van de Wet natuurbescherming geeft aan dat deze ‘zorgplicht’ bedoeld is voor burgers, overheden en ondernemers (MvT, onder ander pag. 66).

5 Deze worden momenteel ge-update, en zijn (tevens) voor een vrijstelling van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren. 6 De RDA volgt in voorliggende zienswijze, evenals in zijn eerdere zienswijzen zoals Wegen van Welzijn van Dieren in de Natuur (2017) en Zorgplicht Natuurlijk Gewogen (2012) de volgende lijn: “Onze morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren is daarbij context-overschrijdend (het hangt niet af van de situatie) en geldt voor zowel gehouden als niet-gehouden of semi gehouden dieren. Deze morele verantwoordelijkheid staat los van de vraag hoe we hieraan invulling geven via de zorgplicht”. 7 “Deze zorgplicht kan ook bestaan in de plicht om NIET in te grijpen. Dit wordt vaak ‘afblijfplicht’ genoemd”(RDA, 2012). RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 12 dieren (RDA, 2012). Dit is gerelateerd aan een context, namelijk de situatie waarin het dier zich bevindt en wordt mede bepaald door menselijke beschikkingsmacht 8 en door de mate waarin dieren ingeperkt worden in hun mogelijkheden om zich te kunnen aanpassen aan bestaande omgevingscondities.

De RDA gaf in 2017 op de algemene vraag “Wanneer is ingrijpen noodzakelijk?” antwoord in zijn zienswijze ‘Wegen van welzijn van Dieren in de Natuur’: “Indien het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en als interventie/maatregelen maatschappelijk aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is”. Alleen wanneer het aanpassingsvermogen van dieren (of van een groep dieren) wél overschreden wordt, geeft de zorgplicht aanleiding tot het overwegen en uiteindelijk nemen van maatregelen om onaanvaardbaar lijden te voorkomen. De maatregelen zijn dan altijd gerelateerd aan het aanpassingsvermogen van het dier of gericht op het elimineren van de belemmerende omgevingsomstandigheden. 2.3 W anneer is een dier hulpbehoevend? In het kader van zijn advies wil de Raad graag de volgende punten betrekken: • Hulpbehoevendheid dieren in kader Wet dieren • Aanpassingsvermogen wilde dieren • Inschatting hulpbehoevendheid en onderscheid categorieën • Oorzaken hulpbehoevendheid 2.3.1 Hulpbehoevendheid in kader W et dieren In de Wet dieren wordt in het kader van hulpbehoevendheid gesproken over ‘een hulpbehoevend dier’. Dat betreft een individu, niet een populatie. De focus in deze zienswijze ligt dan ook bij het hulpbehoevende individu.

Een dier dat afhankelijk is, hulp nodig heeft en (lichamelijk) niet in staat om zichzelf te redden uit een situatie waarin het is geraakt, kan ondersteuning nodig hebben om niet te sterven of onnodig (lang) te lijden. 2.3.2 Aanpassingsvermogen van wilde dieren Dieren in de natuur kunnen in problemen raken, verzwakken, lijden en sterven, al dan niet door toedoen van predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem, lijden is niet altijd problematisch. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet om dit type lijden van dieren in natuurlijke situaties in algemene zin aan te pakken. Alleen in uitzonderingsgevallen grijpen beheerders in, zoals brand, droogte en overstroming en alleen wanneer het aanpassingsvermogen wordt overschreden. Wilde dieren in hun natuurlijke situaties worden zoveel mogelijk met rust gelaten, zoals de Wet natuurbescherming ook beoogt (zoals het niet verstoren van nesten en leefgebieden). Deze beheerfilosofie wordt breed en wereldwijd gedragen. Vanuit ecologisch perspectief is de natuurlijke wijze waarop populaties zich handhaven erg belangrijk.

De heersende opvatting is dat er voor de mens een marginale rol is weggelegd en 8 Zorgplicht kan ingeperkt worden door fysieke/technische beperkingen, mens- of diergerichte belangen die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en door maatschappelijke (on)aanvaardbaarheid van interventie maatregelen/lijden. Zie voor verdere uitwerking RDA,2012 en RDA, 2017. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 13 dan vooral nog de rol om dat wat door mensen wordt verstoord te mitigeren of te herstellen. Het lijden van dieren in de natuur bijvoorbeeld door verhongering wordt dan vaak als normaal en onvermijdbaar opgevat. Morele problemen ontstaan vaak wanneer door de mens de natuurlijke aanpassingsmechanismen worden geblokkeerd of teniet gedaan. Er is een verschil tussen het aanpassingsvermogen van een individu en het aanpassingsvermogen van een populatie. Het helpen van zwakkere individuele dieren kan een negatieve invloed hebben op de populatie. Daardoor komen dan mogelijk nog meer individuen in de problemen. 2.3.3 Inschatting van hulpbehoevendheid wilde dieren Het inschatten van hulpbehoevendheid van wilde dieren is niet altijd even makkelijk. Soms is het duidelijk: als een dier wordt aangereden en gewond is, als een vogel onder de olie op het strand wordt aangetroffen of als een dier verstrikt is in een net of hek; in die gevallen heeft het hulp nodig.

Maar soms is het moeilijker. De natuurlijke omgeving van dieren raakt aan de leefomgeving van mensen. De invloed van mensen op die natuurlijke omgeving is verreikend. Steeds vaker komen we elkaar tegen en is onderscheid niet goed meer te maken. Mensen treffen ook gezonde dieren aan die hulp lijken nodig te hebben, zoals reekalfjes of jonge vogels die net uit het nest zijn. Ondanks dat deze dieren zichzelf vaak goed kunnen redden, voelen mensen de morele en emotionele drang om de, in hun ogen, ‘hulpeloze’ dieren te helpen. In de vaak stedelijke context waarin lijdende dieren worden aangetroffen door mensen is het inschatten van de situatie door burgers dan ook lastig en is moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Deze afweging kan onderwerp van menselijke bemoeizucht (en willekeur) worden. Het aanpassingsvermogen van dieren in een stedelijke context zal in die zin vaak beperkt zijn (door de aanwezigheid van mensen, verkeer, menselijke activiteiten, et cetera). Voor afwegingen omtrent wel of niet ingrijpen (en de manier waarop) is vaak (veterinaire en biologische ) deskundigheid9 nodig.

Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, zal op het eerste gezicht (moeten) aannemen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp en - wanneer aan zichzelf overgelaten - zal sterven. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of zij hulp verleent. Die hulp is gericht op het zorgen dat een dier de juiste hulp krijgt, bijvoorbeeld door het inschakelen van 144, dierenambulance of andere hulpdiensten en niet gericht op zelf verzorgen, vangen en vervoeren van dieren. Dit geldt overigens ook voor niet-wilde/ gehouden dieren die onbeheerd zijn achtergelaten (zoals een hond in een oververhitte auto of een verwilderde gewonde kat) of aangereden (wilde of niet-wilde) dieren. Niet altijd zal deze inschatting terecht zijn; egels die hulp lijken nodig te hebben terwijl ze in winterrust zijn of jonge vogels die er hulpeloos uitzien maar net zijn uitgevlogen en nog door de ouders worden verzorgd. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige (die in een keten van hulpverlening geschakeld zijn) worden beantwoord. Dat betekent dat je als burger eigenlijk vrij snel de hulp van specialisten inschakelt, via 144 of andere meldkamer, de dierenarts of een opvangcentrum.

Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar niet zelden ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. Belangrijk te weten is dat hulp aan (wilde) dieren ook gevaarlijk kan zijn voor mensen, vanwege fysieke uitdagingen (het dier kan alsnog aanvallen/ verwonden, een reiger kan bijvoorbeeld zo een oog uitpikken), veiligheid in 9 Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen. Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 14 het verkeer of vanwege (ook voor mensen) besmettelijke ziektes/zoönosen (bijvoorbeeld bij het beetpakken van vogels met vogelgriep). Bij onoordeelkundig handelen kan een dier daarbij veel stress ondervinden. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd. Wie is toch die deskundige? De volgende hoofdstukken van deze zienswijze gaan uitgebreid in op hoe en wie in welke situatie het beste ingeschakeld kan worden en wie wat zou moeten doen in de keten van hulpverlening aan hulpbehoevende dieren. Omdat de ‘deskundige’ (of specialist) vaker genoemd wordt wil de RDA hierbij wel alvast benadrukken dat het niet gaat om één type deskundige of specialist.

Omdat hulp en opvang van dieren zich in een keten voltrekt, is er in elke fase een andere manier van deskundigheid nodig voor de inschatting die op dat moment nodig is. Het is nadrukkelijk niet bedoeld om een ‘deskundige’ alleen te versmallen in de vorm van een dierenarts, bioloog of betaalde coördinator. Ook geschoolde en/of ervaren vrijwilligers zijn in bepaalde fasen van de keten (meldkamer, ambulance, opvang) deskundig. DE deskundige bestaat wat dat betreft niet. Elke fase vereist eigen deskundigheid. Daarvoor kunnen natuurlijk wel voorwaarden en eisen worden opgesteld. Hier zal in volgende hoofdstukken nader op worden ingegaan. Zoals eerder genoemd is het inschatten van hulpbehoevendheid van wilde dieren niet altijd even eenvoudig (en ook niet altijd in te schatten bij een eerste contact). De RDA heeft in onderstaande tabel ter illustratie hiervan getracht onderscheid weer te gegeven tussen verschillende categorieen dieren. Per categorie is aangegeven of deze (door de RDA) wel of niet hulpbehoevend worden gevonden. Daarnaast kan de locatie waar het dier wordt aangetroffen van invloed zijn op de beoordeling van hulpbehoevendheid; in een stedelijke omgeving kan een verzwakt dier een andere afweging vragen dan in een natuurgebied. Hulp kan ook bestaan uit niets doen, met rust laten of euthanasie (zie ook 3.1).

De categorisering is niet bedoeld als een zwart-wit onderscheidingscriterium, maar om aan te geven dat het inschatten van hulpbehoevendheid complex is en een afweging vereist. Gewonde en zieke dieren kunnen bijvoorbeeld niet altijd uit elkaar worden gehouden en dieren kunnen in meer of mindere mate gewond of vervuild zijn. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 15 Categorie (zie ook paragraaf 2.3.4). Hulpbehoevend ja/ nee Toelichting Gewonde dieren (ongeluk, verkeer, windmolens, hoog- spannings leidingen, gepakt door huisdieren, etc.). Ja Dieren die niet langer voor zichzelf kunnen zorgen en die niet door populatiegenoten (i.e. ouders of groepsleden) worden verzorgd. Deze dieren zijn derhalve hulpbehoevend. Ze kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie. Gecontamineerde dieren (bijv. olieslachtoffers, verstrikt (in afval)) Ja Verzwakte en uitgeputte dieren Ja, maar afweging moet worden gemaakt Dieren die na een periode van voedselschaarste verzwakt en vermagerd zijn, kunnen worden beschouwd als hulpbehoevend10, immers hun toestand is te verhelpen/verbeteren. Hier moet naast de afweging voor het individuele dier ook door deskundigen de afweging worden gemaakt welk effect zoiets heeft op de populatie en de omgeving waaruit het dier afkomstig is11. Zieke dieren Afweging moet worden gemaakt Zieke dieren vormen een aparte groep.

Als de ziekte veroorzaakt is door een parasiet of een pathogeen, dan kan de ziekte een aanwijzing zijn dat deze dieren een zwak immuunsysteem hebben. Hier moet naast de afweging voor het individuele dier ook de afweging worden gemaakt welk effect zoiets heeft op de populatie en de omgeving waaruit het dier afkomstig is12. Als de ziekte een gevolg is van vergiftiging met pesticiden, is zo’n dier wel hulpbehoevend. Jonge (niet zelfstandige) dieren die nog onvoldoende over motorische capaciteiten beschikken. Mogelijk (vaak niet) afhankelijk van situatie en context Dieren die vaak niet hulpbehoevend zijn. Ze kunnen of na een rustperiode weer voor zichzelf zorgen, of worden waarschijnlijk nog door ouders verzorgd. Ze kunnen zich aanpassen aan de situatie. Er zijn uitzonderingen, maar dat is aan het oordeel van een specialist (mogelijke uitzonderingen bijvoorbeeld een uit het nest gewaaide jonge ooievaar, of jonge eenden waarvan de moeder is doodgereden). Dieren die oververmoeid zijn (bijvoorbeeld trek- vogels die een lange vlucht achter de rug hebben) Mogelijk (vaak niet) afhankelijk van situatie en context In de praktijk betreft het grootste deel van de opgevangen dieren vogels. De opvangcentra die de RDA gesproken heeft noemen percentages van 80% vogels en 20% zoogdieren.

Van de zoogdieren gaat het bij een groot deel om egels, sommige centra noemen percentages van 60-70% egel van de opgevangen zoogdieren13. 10 De Wet Natuurbescherming kent specifieke bepalingen over het bijvoeren van groot wild (beginselverbod, tenzij besluit van de provincie in het kader van weersomstandigheden e.d.). 11 Ongeremde populatiegroei door deze dieren te helpen zal in toekomst leiden tot steeds meer verzwakte en vermagerde dieren, en hulp nu vergroot het gevaar in de toekomst. Hulp aan vermagerde dieren kan de natuurlijke selectie remmen. Soms kan het ook juist gewenst zijn. 12 Als dat een erfelijke basis heeft, dan zou hulp aan zo’n dier de natuurlijke selectie tegenhouden en daardoor het welzijn van de populatie negatief beïnvloeden (bijv. longworm bij egels). 13 Deze zienswijze gaat vooral over vertebraten, maar zorgplicht kan ook gelden voor evertebraten. Zoals een nachtvlinder die door het kunstlicht van een huis is gedesoriënteerd en op de ruit zit verplaatsen naar een lichtarm bosgebied. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 16 2.3.4 Oorzaken hulpbehoevendheid Een dier in nood dat hulp nodig heeft, kan zowel door menselijke als door natuurlijke oorzaken in die situatie terecht zijn gekomen. Ter illustratie daarvan zijn in de bijlage enkele voorbeelden opgenomen en zijn in de vorige paragraaf daar al mogelijke afwegingen over genoemd.

Maakt het voor het geven van hulp aan dieren uit wat de oorzaak is dat het dier in nood is gekomen? Om achterliggende discussies te belichten, gaat deze paragraaf in op verschillende discussies die omtrent deze vraag spelen. Als eerste komt de ambivalentie naar voren, dat afwegingen op het gebied van het individuele dier anders kunnen zijn dan op het gebied van de populatie (andere individuen) van dezelfde soort, van andere soorten en van het ecosysteem. Een dier in het wild staat nooit op zichzelf. Het functioneert bijvoorbeeld als onderdeel van een populatie, als prooidier of predator in een ecosysteem, of is een bron van voedsel of nutriënten voor andere dieren en de omgeving. Zieke en verzwakte dieren kunnen juist ook een belangrijke rol hebben voor andere dieren. Daarom is in elke situatie een deskundige afweging van belang. Een andere discussie gaat over of het verschil uitmaakt voor onze morele zorgplicht als mens of een dier door menselijk toedoen in de problemen is geraakt.

Moeten mensen altijd zorg bieden, of alleen als een dier door de mens in de problemen is gekomen? Of moeten we extra zorg verlenen als het door ons komt of daar meer voor betalen? De mogelijkheid om te interveniëren wordt daarnaast ingeperkt door fysieke en technische omstandigheden zoals moeilijk bereikbare plekken en terreinen en soms ook door financiële (on)mogelijkheden vanwege buitensporige kosten voor een ingewikkelde operatie om een dier te redden. Vanuit moreel oogpunt zou kunnen worden beargumenteerd dat de mogelijkheid om van een interventie af te zien in het kader van (financiële) haalbaarheid, niet of beperkt mag worden gebruikt indien er sprake is van een menselijke oorzaak voor het letsel. Los van dat het voor het dier niets uitmaakt hoe het hulpbehoevend is geworden, kan er wel discussie worden gevoerd over ‘extra’ verantwoordelijkheid en verplichtingen wanneer menselijk handelen de oorzaak is van het probleem. In de trant van ‘de vervuiler betaalt’ zou hier ‘de veroorzaker betaalt’ een uitgangspunt kunnen zijn. Aansprakelijkheid en schuldvraag vallen theoretisch te verdedigen, de schademaker (indien duidelijk aanwezig) zou dan moeten betalen voor de kosten rondom opvang en verzorging van het hulpbehoevende dier14. Tegelijkertijd is in de praktijk vaak lastig te achterhalen hoe een dier in de problemen is gekomen.

En kunnen dieren juist ook door goed bedoelende mensen in de problemen komen (bijvoorbeeld jonge vogeltjes of haasjes waarvan mensen denken dat ze hulp nodig hebben). De RDA benoemt hier mogelijke (morele) afwegingen, maar neemt zelf geen standpunt in. Deze  manier van afwegen zou tegenstrijdig zijn met het perspectief van het dier: voor het lijdende dier is het niet relevant hoe het gewond is geraakt of in een hulpbehoevende situatie is gekomen. Ook voor de dierenarts of andere professionals maakt de reden van verwonding niet uit. De zorgplicht voor hulpbehoevende dieren (Wet dieren) geeft aan dat we een dier in nood moeten helpen, ongeacht menselijke oorzaak van de nood. Wel vraagt de Raad zich af of niet meer zou moeten worden ingezet op preventieve maatregelen (dus voorkomen dat dieren door menselijk toedoen in de problemen komen) van belang. Dit komt terug in H3. 14 Zie ook bijlage 2. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 17 2.4 Maatschappelijke rol en functie hulp en opvang De rol van dierenhulp en -opvang kan zowel vanuit dierperspectief als vanuit (verschillende) mensperspectieven worden bezien. De RDA licht beide kanten hier kort toe, ter illustratie van achtergronddiscussies die spelen. Vanuit dieren bekeken heeft hulp en opvang voor het individuele dier effect. Dieren wordt verder lijden bespaard.

Een groot gedeelte van de inkomende dieren wordt al snel na aankomst bij dierenarts of wildopvang geëuthanaseerd (zie ook paragraaf 3.3.5). Lijden en sterfte van individuen wordt tegengegaan en dieren krijgen een tweede kans als ze weer in de natuur worden teruggezet. Als re-integratie niet haalbaar is, kun je jezelf afvragen of het welzijn van de dieren niet te erg geschaad wordt door dieren mee te nemen naar de opvang/op te vangen (zie ook beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten) en of met rust laten of euthanasie ter plaatse aan de orde is. Er kan een spanningsveld bestaan: wat goed is voor het individu is niet per se goed voor een populatie of ecosysteem en andersom (zie ook paragraaf 2.4.2). Naast de discussie of opvang vanuit natuurlijk perspectief wenselijk is, bestaat er ook discussie of opvangcentra wel of niet kunnen bijdragen aan populatiebehoud. Bij uitbraken van ziektes of calamiteiten kan dierenopvang bijdragen aan het behoud van de populatie, zoals in het verleden met zeehonden, of na olierampen. Dit effect staat (bij ecologen) ter discussie. Geïnterviewde opvangcentra zelf staan hier ook verschillend in, soms niet, soms wel, soms ook afhankelijk van de soort. Sommigen zien een directe bijdrage aan de instandhouding van de populatie, anderen zien alleen een indirecte bijdrage door hun voorlichtingsfunctie aan burgers hoe om te gaan met wilde dieren.

Een belangrijke functie volgens de sector zelf is dat zij een vinger aan de pols kunnen houden wat betreft de monitoring van dierziekten en natuurbeheer (bijvoorbeeld bij egels). Zij kunnen ziekten signaleren en verspreiding in de gaten houden. Dit kan ook relevant zijn bij zoönosen, aldus de sector. Opvangcentra kunnen veranderingen afmeten aan wat er binnenkomt: worden er veel egels binnengebracht omdat er ook veel zijn, of is er iets anders aan de hand? Ook is er volgens de sector een indirecte bijdrage aan respect en begrip voor dieren en een grotere betrokkenheid bij burgers. Het gaat dan om aandacht en draagvlak voor dieren, natuur, voorlichting, educatie en adviezen. Juist ook om mensen ervan bewust te maken wanneer dieren met rust moeten worden gelaten en je ze niet moet pakken, zoals bij jonge haasjes, reekalfjes en jonge vogels. Voor mensen geldt vooral dat ze iets (goeds) willen doen, dieren willen helpen, dierenwelzijn willen verbeteren en willen voorkomen dat dieren (onnodig) lijden. De rol en functie van dierenhulp en -opvang wordt volgens enkele betrokkenen uit de opvangpraktijk niet altijd (h)erkend (door overheden). Vaak worden vooral opvangcentra naar hun idee weggezet als ‘hobbyclub’, of als ‘dierenknuffelaars’. Dit doet volgens hen geen recht aan alle kennis en professionaliteit die aanwezig is in de opvang.

Erkenning en waardering, waaronder die van de overheid, is belangrijk voor de sector. Zij doen naar eigen zeggen in de ogen van de burger veel ‘goeds’. Veel opvangcentra geven aan naast de hulp aan dieren een maatschappelijke en sociale functie te hebben door vrijwilligerswerk, dagbesteding en mogelijkheden voor re-integratie aan te bieden. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 18 2.5 Dilemma’s en verlegenheden Uit de interviews met opvangcentra en ook gesprekken met bestuurders in het kader van de RDA zienswijze ‘Dieren in het huis van Thorbecke’ komen verschillende dilemma’s en verlegenheden naar voren. Deze worden in deze paragraaf kort aangeduid. De RDA ziet als grootste dilemma de ambivalentie, van het enerzijds tegemoet willen komen aan dieren willen helpen en anderzijds dat de natuur en de daarin voorkomende dieren vooral met rust gelaten moet worden. Andere dilemma’s die te maken hebben met de of-vraag van opvang van hulpbehoevende dieren staan hieronder genoemd. In het debat over hulp aan dieren in nood is er vaak sprake van ’publieksdilemma’s’. Zo bestaan er in de maatschappij altijd verschillende opvattingen bestaan over de noodzaak tot ingrijpen. Die kunnen onder meer voortkomen uit levensbeschouwelijke opvattingen, morele afwegingen of professionele standaarden.

Wat een burger vindt dat nodig is, kan bijvoorbeeld verschillen van wat een professional weet dat nodig is of wat beter is vanuit het dier bezien. De verwachtingen over de mogelijkheden van hulp komen niet altijd overeen met de perspectieven die een dier heeft. Niet alle dieren kunnen worden geholpen en soms is het beter om niks te doen, dieren met rust te laten of dieren uit welzijnsoverwegingen in te laten slapen. Dan is er de door opvangcentra ervaren paradox dat individuele centra of professionals hun uiterste best doen om dieren op te lappen, terwijl die vervolgens worden afgeschoten of bestreden. Vanuit de overheden is dit ook een dilemma; moeten we als maatschappij zowel investeren in hulp voor als bestrijding van dezelfde dieren? Dat geldt niet alleen voor ‘inheemse’ soorten die schade kunnen veroorzaken, maar ook voor hulpbehoevende (invasieve) exoten die een gevaar vormen voor inheemse soorten en niet-beschermde dieren. Hulp aan en opvang van dieren is volgens de sector grotendeels het bestrijden van symptomen in plaats van het aanpakken van de oorzaak van dierenleed.

Is dit dan dweilen met de kraan open en zou je niet beter kunnen investeren in aanpakken van oorzaken? Dit zou je namelijk breder moeten zien door bescherming van het leefgebied en preventie van hulpbehoevendheid (denk aan de afblijfplicht die je zou kunnen zien als ‘de mens bemoeit zich niet/ zo min mogelijk met natuur of wilde dieren). Andere genoemde dilemma’s liggen op het gebied van doden van dieren, het (bij)voeren van dieren, hoe om te gaan met dierplagen binnen opvangcentra, dierziekten en zoönosen, exoten en uitheemse dieren. Ook is er de kwestie van ‘aaibaarheid’ van verschillende organisaties, die voor onderlinge concurrentie kunnen zorgen. Een opvang voor kleine zoogdieren zoals jonge haasjes kan mogelijk op meer sympathie rekenen dan een vogelopvang. Dit zorgt voor concurrentie bij subsidies en bijdrages. Opvangcentra zijn daardoor genoodzaakt om een ‘verdienmodel’ op te stellen. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 19 3. HOE een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen In het vorige hoofdstuk is geschetst of en wanneer we hulpbehoevende wilde dieren zouden moeten helpen. De volgende vraag is dan: hoe we dat moeten doen? Dit is afhankelijk van verschillende factoren. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de aard en omvang van het probleem en de hulp die het beste kan worden verleend.

Hiervoor zijn kennis en vaardigheden vereist. Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen de kennis en vaardigheden om de aard en omvang van het probleem vast te stellen en om in te schatten welke hulp nodig is. Het beste is om de mensen vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hiervoor deskundige hulp in te schakelen, die elke situatie kan beoordelen en een afweging kan maken wat de beste hulp is. De huidige praktijk kent een aantal aandachtspunten die in dit hoofdstuk aan de orde komen. 3.1 V erschillende fasen en manieren van hulp Hulp bieden aan dieren in nood kan, zoals in het vorige hoofdstuk aangeduid, bekeken worden vanuit het perspectief van de mens (wat wil de mens dat er gebeurt?) en vanuit het perspectief van het dier (wat heeft het dier nodig?). Het antwoord op de vraag ‘hoe moet een dier worden geholpen?’, gezien vanuit perspectief van het dier, is afhankelijk van verschillende factoren: • soort en stressbestendigheid; • ernst van de verwondingen; • mate van lijden van het dier, kortdurend versus chronisch lijden; • aantasting van welzijn gedurende de hulp, kans voor latere uitzet in natuur; • situatie: locatie en omstandigheden ter plaatse; • nabijheid van opvang en reis- en wachttijd. Vrijwel alle situaties zijn uniek.

Wel kan er, door categorisering van hulpbehoevendheid zoals benoemd in hoofdstuk 2, duiding worden aangebracht in welke patronen van hulp er zijn. Hulp moet in principe altijd zo snel mogelijk worden verleend, passend bij de situatie. Hulp aan wilde dieren in nood kent daarin meerdere fasen. Het begint met een eerste afweging en reactie door de vinder van het dier. De vondst van een dier in nood gebeurt meestal door een burger. Daarom is het belangrijk dat zij goed worden voorgelicht en op de hoogte zijn van hoe te handelen wanneer zij een hulpbehoevend dier vinden, ook omdat het voor het dier stressvol is om door mensen te worden benaderd. Dan volgt de eerste, vaak telefonische, melding  bijvoorbeeld bij 144 of de dierenambulance en een eerste inschatting en respons vanuit deze instanties (wel of geen actie). Daarnaast bellen burgers in zo’n situatie ook met politie, brandweer (hulpdiensten), dierenambulances, direct met opvangcentra, dierenartsen, overheidsinstanties of inspectiediensten. Als er na de eerste melding door de betreffende instantie besloten wordt tot actie, wordt daarna door een deskundige hulpverlener ter plaatse een inschatting gemaakt van de situatie (triage in het veld), en er wordt besloten wat er met het dier moet gebeuren (wel of geen behandeling, eventueel weer uitzetten).

Dan volgt een fase van vervoer, gevolgd door triage/ inschatting bij de opvang of de dierenarts. Daar worden keuzes over euthanasie of behandeling gemaakt, met het oog op het welzijn van het dier en de kans op een succesvolle terugplaatsing in de natuur. Dit is een keten van hulpverlening met fasen van besluitvorming. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 20 Hulp kan in al deze verschillende fasen bestaan uit veel verschillende dingen, te bepalen door iemand met kennis en vaardigheden. Hierbij gaat het om een eerste inschatting via telefoon, advies over in te schakelen specialistische hulp, ter plaatse bevrijden uit benarde positie, vrijlaten, verplaatsen, hulp inroepen van anderen, opvang, zorg, permanente opvang, of uit lijden verlossen (euthanasie, hanteren, transport). Een deskundige kan ook besluiten dat niets doen het beste is. Dit kan ook hulp zijn, juist vanuit het welzijn van een dier, van andere dieren of in het belang van de populatie of het ecosysteem. Dat betekent een dier in nood met rust laten, laten sterven of juist de gelegenheid geven om op eigen kracht (trachten) te herstellen. Niet pakken en vervoeren, waarmee verdere stress voorkomen wordt. Eenmaal aan de deur van de opvang wordt (meestal) elk dier aangenomen. Hier besluiten ter plaatse aanwezige deskundigen wat de beste vervolgstappen zijn.

Vanuit het welzijn van het dier en kansen op herstel maken zij een afweging over verdere behandeling of euthanasie. Opvangcentra geven aan dat veel dieren alsnog overlijden binnen 24-48 uur15 in de opvang. 3.2 Zoekplicht naar deskundigheid Uit het voorgaande blijkt dat mensen vanuit empathie voor hulpbehoevende dieren een urgentie voelen om te helpen én dat de zorg voor hulpbehoevende wilde dieren is opgenomen in wet- en regelgeving. Het is belangrijk om altijd rekening te houden met de emoties van mensen die willen helpen. Ze moeten dan wel weten wat ze moeten doen in zo’n geval. ‘Nadelig handelen’ achterwege laten is het algemene uitgangspunt, met de concrete uitzondering van hulpbehoevende van wilde dieren. Helpen is een wettelijke plicht, maar het is niet toegestaan om voor wilde dieren te zorgen en ze op te vangen zonder ontheffing, kennis en vaardigheden (zie ook hoofdstuk 2). Als leek mag je niet thuis een wild dier verzorgen. Daarom moeten mensen vooraf deskundig geïnstrueerd worden om een (hulpbehoevend wild) dier niet aan te raken of te verplaatsen, maar iemand met kennis en vaardigheden in te schakelen. Daarmee zal vaak ook meteen afdoende invulling gegeven worden aan de wettelijke zorgplicht uit de Wet dieren. We noemen dit ‘zoekplicht naar deskundigheid’. Niet zelf onbekwaam hulp bieden, maar helpen voorzien in de juiste hulp voor het dier op dat moment.

Dat betekent in eerste instantie bellen naar de juiste instellingen en eventueel een foto sturen. Hier zijn deskundigen of geschoolde vrijwilligers aanwezig die kunnen helpen met de vervolgstap. Het advies kan ook zijn om het dier zorgvuldig te verplaatsen, zodat het dier rustig kan sterven. De dierenambulance vraagt vaak om hulpbehoevende dieren zelf te vangen en beschikbaar te houden. Deels vanuit praktische overweging vanwege de veiligheid van zowel mens als dier, en ook vanuit de capaciteit van de ambulances. Daarnaast is de overweging wanneer een dier niet te vangen blijkt, er waarschijnlijk ook niet veel aan de hand is. Dit is een soort eerste selectie voor de inschatting van de hulpbehoevendheid van een dier. Toch is zelf vangen meestal niet wenselijk vanuit stress voor het dier of vanuit het gevaar van ziekten of verwondingen die een dier kan veroorzaken en ook is het niet altijd mogelijk. Het is afhankelijk van verschillende factoren of dit de beste oplossing is. Deskundigen kunnen de burger helpen om in elke situatie de juiste afweging te maken. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch is deskundige hulp of advies worden gevraagd.

Het is belangrijk bij de ‘zoekplicht naar deskundigheid’ dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten 15 Geïnterviewde opvangcentra geven aan hierover gegevens bij te houden. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 21 doen). Dat betekent dat communicatie hierover en deze blijvend herhalen, van belang is om mensen wetend maken. Dat kan op verschillende manieren, maar tegelijkertijd moet men beseffen dat voorlichting, zelfs frequente, beperkingen kent. Ook hier zal in het volgende hoofdstuk nader op worden ingegaan. 3.3 Knelpunten huidige praktijk In de bijlage is op basis van de gehouden interviews een situatieschets opgenomen van de wijze waarop hulp aan wilde dieren momenteel in Nederland geregeld is. Daarin wordt ook beschreven welke knelpunten er in de huidige praktijk zijn en hoe deze worden ervaren. Op basis van deze situatieschets constateert de RDA onderstaande aandachtspunten.

Ontheffing, protocollen en kwaliteit • Noodzakelijke professionalisering van de sector heeft als keerzijde extra vereisten en (financiële) lasten; • Verantwoordelijk voor ontheffingen van opvangcentra ligt nu bij provincies, daardoor zijn er risico’s voor verschillen in eisen aan en kwaliteit van opvang tussen provincies; • Er zijn geen wettelijk vastgestelde regels voor dierenambulances, evenmin is ‘dierenambulance’ een beschermde titel. Er bestaan landelijk veel verschillen in visie en handeling van betreffende organisatie achter de verschillende ambulances. Melding en opvolging • Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan maken. Meldnummer 144 is nog niet overal bekend. Een burger maakt meestal geen onderscheid in gehouden of niet-gehouden dieren, of tussen huisdieren en wilde dieren; • Goede voorlichting aan burgers aan de ‘voorkant’ van hulpverlening, over de noodzaak van wel of niet handelen, voorkomt onnodige problemen later in de keten door onnodig ingrijpen bij dieren die geen hulp nodig hebben. Die voorlichting zou volgens de RDA in de gehele hulpverleningsketen een goede plek moeten krijgen; • Het is volgens de RDA een gemiste kans om niet in alle fasen van de hulpverleningsketen gegevens te verzamelen, die beeld geven over aard en omvang van de problematiek.

Deze kunnen helpen bij het signaleren van calamiteiten, dierziekten, zoönosen en plotselinge achteruitgang in natuurlijke populaties. Vervoer van dieren • Er zijn risico’s op het gebied van kwaliteit, kennis, vaardigheden en handelswijze door het ontbreken van kwaliteitseisen en beleidsregels voor vervoer van dieren in dierenambulances; • De burger weet door bovengenoemde verschillen niet altijd waar hij op aan kan bij het raadplegen van een dierenambulance. RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 22 Opvang, behandeling en financiering • Bestaanszekerheid van wildopvangcentra en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren komen in de knel door onvoldoende financiering; • Er is een spanningsveld tussen natuur en dierenwelzijn op het gebied van hulpbehoevende dieren; • Er is vanuit de opvangsector veel onduidelijkheid welke bestuurslaag verantwoordelijk is voor opvang van hulpbehoevende wilde dieren; • De overheid en een deel van de sector ziet het als een probleem dat wildopvangcentra als sector niet één geluid kunnen laten horen in bijvoorbeeld een samenwerkingsverband of een koepelorganisatie; • Er is onder wildopvangcentra een brede behoefte om elkaar meer en beter te vinden en samen te werken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/af385b45-bbbb-4ee4-99fa-cce9e6a0e9a0?agendaItemId=2e5cc1ba-c664-4024-a073-8dfc0181d068