CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 Provincie Overijssel - Nota van Antwoord PIP.pdf

Raadsvergadering 24 november 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken24.835 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Binnen ‘Agrarisch met waarden’ is de hoofdfunctie agrarisch gebruik en is de natuur, die volgens u niet beschermd zou zijn, wel degelijk beschermd via de woorden ‘met waarden’. De door u bedoelde ‘natuur’ is expliciet beschermd door de aanduiding ‘ecologische waarde’. Binnen deze bestemming is agrarische exploitatie toegestaan binnen de mogelijkheden die de bescherming van natuur en landschap (zoals opgenomen in de regels) dat toestaat. Ten aanzien van het woord “enkele”, waar u een vraagteken bij zet, wordt verwezen naar de eerdere reactie . ‘Relatief beperkt’ wil niet zeggen dat er géén ecologische waarden z ijn, maar in relatie tot de hogere ecologische waarden binnen en buiten het Natura 2000- gebied zijn de waarden wel beperkter. Als er sprake is van bestaande natuurwaarden of agrarische gronden wordt dit niet bepaald door de Gemeentelijke Beheersverordening, zoals de PIP stelt, welke aangeeft dat de 50 ha agrarisch is. De PIP gebruikt dit als hoofdargument om aan te geven dat de huidige weidevogelhabitat vervangen mag worden met een andere habitat (Zie reactie op Zie onze reactie hiervoor. Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 4 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig dit bezwaar: PIP Bijlage 15, C1: “donker groen is natuurbestemming” ???).

Hierbij is kennelijk het feit dat als er sprake is van kwalitatieve verplichtingen, natura 2000, vigerend NNN, weidevogel beheergebied van de provincie (zie Atlas), een geschiedenis van beheer als weidevogel gebied (met de daar voor gegeven subsidies), de omgevingsvisie Overijssel (zie onderstaande kaart), en de feitelijke situatie van een broedgebied voor weidevogels, niet relevant. (Afbeeldingen faunabeheerplan en Natuurbeheerplan 2021 en ambitiekaart uit 2020) GS geeft aan voor 2021, en daarvoor, dat hier sprake is van het geconsolideerde beheertype weidevogelgrasland. Ook dat het hier gaat om bestaande natuur waarop het Natuurpakket N13.01 van toepassing is. Zie ook Natuurbeheerplan 2020: B. locatiekeuze De opdracht was om in de 200 ha projectgebied Duinweg-Leeuwte 22 ha geschikt te maken voor 3 moerasvogelsoorten. (Afbeelding projectgebied Duinweg -Leeuwte) U stelt dat Natuurmonumenten, in samenwerking met GS, ervoor hebben gekozen om niet hun eigen grond, maar alleen grond van particulieren hiervoor te bestemmen. De PIP zegt: “Het gebied is 50 hectare groot [dit klopt niet]. Er wordt 22 hectare, dat niet van Natuurmonumenten is, heringericht” (Bijlage 6: De Wieden-Deel B Deelgebied Duinweg Leeuwte 22 okt 2019, p. 4.) Geen reden is gegeven voor waarom alleen particuliere grond geschikt is voor de drie moerasvogels.

Het gebied langs de Duinweg is als moerasrandzone het meest geschikt voor de N2000 doelsoorten Zwarte stern, Roerdomp, Porseleinhoen omdat hier eenvoudig het watersysteem te beïnvloeden is en het beoogde beheer uitgevoerd kan worden. Daarbij ligt het maaiveld hier hoger waardoor er ook drogere delen ontstaan. De eisen voor het broed- en fourageerhabitat van deze doelsoorten zijn uitvoerig beschreven in het Inrichtingsplan Ontwikkelopgave De Wieden (Arcadis, 18 oktober 2019). In het gebied langs de Duinweg zijn er geen N2000 habitattypen die verdwijnen door de voorgenomen maatregelen. Nee U maakt bezwaar tegen het gegeven dat een belanghebbende welke ook “verantwoordelijk is voor het uitvoeren van maatregelen” de locatiekeuzes mag meebepalen, onder ander, de realisatie van een tien meter brede sloot over een De ingetekende verbrede sloten, met een flauw talud zijn op basis van ruimtelijke spreiding, maaiveld hoogte en ecologische kennis ingetekend. Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 4 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig lengte van 500 m, niet op hun ei gen grond, maar op uw perceel.

De onlogische keuze om de bestaande habitat van aanwezige weidevogels in het westelijke gedeelte van het plangebied (nog een van de beste locaties in Overijssel) te vervangen met een habitat voor niet aanwezige soorten met een lagere Rode Lijst beschermingsgraad (Limosa limosa in de IUCN Red List is 'near threatened'; Porzana porza na is 'least concern') is onwettig. Deze keuze is gemaakt in het N2000 beheerplan De Wieden en Weerribben. De effecten op bestaande aanwezige soorten zijn hierin afgewogen. Waarom de meer geschikte gronden in het oostelijke deel niet in aanmerking kome n wordt niet vermeld. De NRD zegt dat: “de genoemde locaties zijn het meest geschikt voor de beschreven doelen ” (p. 17). Geen motivering wordt hiervoor gegeven. Het oostelijk deel is niet geschikt als broedbiotoop voor het Porseleinhoen . Het westelijk deel wordt verder geschikt gemaakt als foerageergebied voor de Bruine kiekendief en Zwarte Stern. Zie voorgaande reacties. Waarom deze locatie “het meest geschikt” is voor de drie soorten moerasvogels maakt het plan niet duidelijk. Veelal wordt de habitat van een soort bepaald, niet alleen door geschikte foerageer mogelijkheden, maar als geschikte broedplaats. Het is niet een geschikte broedplaats voor de zwarte stern, en zelfs een onwaarschijnlijke foerageerplaats. “De Zwarte Stern broedt ... met name aan de randen van de grote open wateren.

De Zwarte Stern foerageert veelal niet verder dan 1 km vanaf de broedkolonies” ( Bijlage 6, p.5). Het gekozen gebied is ca. 2 km vanaf open water (de Beulakerwijde). De bruine kiekendief heeft, zo meldt u, dit jaar ee n broedplaats op uw perceel gebouwd wat beheerd wordt als weidevogelgrasland en heeft éénmaal tussen 2006-2015 een broedplaats gehad in de weidevogelgraslanden ten oosten van de Duinweg (PIP Inrichting p.37). Weidevogelbeheer is volgens u kennelijk geen obstakel voor deze soort welke foerageert tot 12 km vanaf de broedplaats. Ook de porseleinhoen, met maar één waarneming tussen 2006-2015 in de oostelijk deel van de 200 ha plangebied, kan volgens u een plas-dras weidevogelhabitat gebruiken als foerageergebi ed. Aanwijzing van deze gebieden als meest geschikte locatie voor deze soorten is in het N2000 beheerplan Wieden en Weerribben gebeurd. De onderbouwing van de juiste inrichting, zoveel mogelijk rekening houdend met effecten naar de omgeving en aanwezige soorten is in het inrichtingsplan beschreven. Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 4 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig De NRD zegt dat “realisering van de maatregelen op een andere locatie niet mogelijk (is) vanwege de grondbeschikbaarheid”.

Het plan geeft niet aan waarom Natuurmonumenten (die zelf een autonome positie mag innemen bij de plannen) grond niet beschikbaar wil stellen terwijl zij veel grond in het oostelijk deel van het plangebied hebben wat wel geschikt is. Zelfs is deze optie niet overwogen! PIP Bijlage 6, 6.1.3 zegt: “Aangezien er geen redelijkerwijze in beschouwing te nemen varianten zijn, is dit tevens de enige variant die in dit MER beoordeeld is.” De variant om dit gebied als weidevogel habitat te behouden , ter voorkoming van significante negatieve effecten op hun populatie, en het als plas-dras in te richten (zoals u op uw eigen perceel hebt gedaan de laatste jaren door gebruik van zonnepanelen) om een meer geschikte foerageergebied te realiseren, niet alleen voor de weidevogels, maar ook voor de moerasvogels, en het oostelijke deel in te richten ten behoeve van broedplaatsen voor de drie moerasvogelsoorten, is niet overwogen. Ook geeft het plan niet aan wat Natuurmonumenten wel van plan is met de gronden die zij (ten onrechte volgens het Europese Hof) van de Overheid hebben ‘ontvangen’. In het N2000 beheerplan De Wieden en Weerribben is keuze voor deze gebieden onderbouwd en aangewezen. In het NRD is aangegeven dat hier dan ook geen alternatief voor is gezocht. Natuurmonumenten heeft op hun eigen grond ook ontwikkelopgaven liggen en wordt dus niet ‘on tzien’.

De aangewezen soorten voor dit gebied betreffen soorten in de moerasrandzone (zie N2000 beheerplan De Wieden en Weerribben). Het oostelijk deel van het gebied betreft moerasgebied met aanwezige N2000 habitat soorten die onder de instandhoudingsdoel stelling van het beheerplan vallen. Negatieve effecten op deze N2000 habitattypen als gevolg van inrichtingsmaatregelen zijn niet toegestaan. Hiermee viel het oostelijk deel als in te richten gebied af. Deze afweging is wel degelijk gemaakt, maar kan niet als redelijk alternatief worden gezien. Het PIP zegt: “gebiedsprocessen worden (per gebied) door één van de 'Samen werkt beter' partners getrokken” en “De terreinbeherende organisaties (Landschap Overijssel, Natuurmonumenten) hebben de interne maatregelen verder uitgewerkt, eveneens in afstemming met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. Deze maatregelen ... maken geen deel uit van dit inpassingsplan .” (1.4) Het is van belang om te weten wat deze “interne maatregelen” zijn, (aangezien Natuurmonumenten deze niet “in afstemming met de grondeigenaren” heeft gemaakt) en aangezien deze relevant zijn voor het beoordelen van het inpassingsplan . Dit PIP betreft de aangewezen deelgebieden. In het MER is een cumulatie aan effecten van de verschillende (interne en externe) maatregelen beschouwd.

Op basis hiervan is er voldoende informatie voor het beoordelen van het inpassingsplan. Indien u meer informatie wilt over de interne maatregelen (die zoals gezegd geen onderdeel uitmaken van dit PIP) ve rwijzen wij u door naar Natuurmonumenten. Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 4 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig De opvatting dat “Er zijn geen realistisch in beschouwing te nemen en relevante variatiemogelijkheden voor de beoogde inrichting ” is niet correct. Uw stellingname nemen we ter kennisneming aan. C. Foutieve en onvolledige gegevens: Het Provinciaal Blad (10 okt 2018) zegt dat de aanleiding voor het plan is: “Door de kwetsbare natuur te herstellen en versterken ontstaat ruimte voor economische ontwikkeling.” Omdat economische ontwikkeling een hoofddoel is, is uitleg hierover gewenst. Hetgeen u aanhaalt staat in de publicatie van het voorontwerp. Ruimte voor economische ontwikkeling kan ontstaan door natuurherstel. U maakt daar een hoofddoel van, maar dat is uw interpretatie van de publicatie en voor uw rekening. Overigens is de ruimte voor economische ontwikkeling in mei 2019 grotendeels achterhaald door de uitspraak van de Raad van State over het PAS. In de publicatie van het ontwerp staat deze tekst dan ook niet meer. Uitleg is daarom niet nodig. Nee Het gebied is op boezempeil volgens het plan.

Dat hiermee bedoeld wordt een “juridisch peil” is niet duidelijk. Feitelijke situatie is dat een groot gedeelte van het plangebied (ca. 30 ha.) gemiddeld ca. 50 cm onder boezempeil is, en het zuidelijke deel (ca. 20 ha.) continue op ‘echte’ boezempeil is. Dit gegeven is belangrijk voor de planvorming. De MER zegt, “Om het gebied heen komen nieuwe kaden. Deze hebben een hoogte van ca. 30 -50 cm, de maximale hoogte bedraagt 100 cm. Een waterkering (kade) rondom het geb ied zal betekenen dat het zuidelijk deel (en ook de uitbreiding naar het oosten) droger zal komen te staan, o.a. door gebruik van een nieuwe uitlaat. Dit in onwenselijk voor de weidevogelhabitat .” Het plan spreekt van de noodzaak om een nieuwe inlaat te realiseren. Een kade is doeltreffender en goedkoper. Uw opmerkingen met betrekking tot de feitelijke situatie zijn correct. In het zuidelijk deel ligt het gebied onder boezempeil en hier veranderd niets ten opzichte van de huidige situatie. In het noordelijk deel wordt de huidige situatie met inlaat en uitlaat verbetert en de verlaging van het peil voor beheersdoeleinden wordt vastgelegd in het peilbesluit. Water inlaten is nodig omdat grondwaterstanden ver uit kunnen zakken a ls gevolg van wegzijging.

Zou dit gebied omringd worden door een kade zoals u voorstelt en in open verbinding worden gebracht met de Boezem dan is het laten uitzakken voor beheersdoeleinden niet mogelijk. De Duinweg functioneert wel als kade, daarom wordt hier de aflaat aangelegd. Ja, het peilvak wordt opgesplitst in twee delen Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 4 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig Rood = hoog; blauw = laag De nieuwe inlaat is bedoeld om water in te kunnen laten, ter compensatie van de wegzijging. Hierdoor wordt het gebied niet natter dan ten behoeve van de N2000 doelen noodzakelijk is. De weidevogel zal ook van dit habitat profiteren. De aflaat wordt geplaatst om incidenteel te gebruiken voor beheersdoeleinden. De MER zegt, “Graafwerkzaamheden zijn… onderdeel van de verdere uitwerking in het inrichtingsplan.” (P. 11) Het is niet wenselijk dat het inrichtingsplan niet aangeeft wat de verdere uitwerking inhoudt. Met name, omdat het plan aangeeft dat een derde (19.5 ha.) daarvan oppervlaktewater moet worden (p. 38). Waar? Het plan geeft aan dat 126 .000 m3 vergraven moet worden, en “Na interne verwerking in kaden en dempen van watergangen resteert ongeveer 82 duizend m³ grond, die buiten het deelgebied afgezet zal moeten worden” (p. 37).

Naast de destructie van de weidevogelhabitat, en de hoge kosten, is het onwenselijk dat grote hoeveelheden CO2 vrijkomen door veenoxidatie en In het inrichtingsplan zijn de ontwerpen weer gegeven en staat aangegeven waar oppervlakte water ontworpen is. Technisch worden de ontwerpen verder uitgewerkt. CO 2 uitstoot als gevolg van veenoxidatie door vergraving is inderdaad onwenselijk, maar tegelijk ook onoverkomelijk. In onze technische uitwerking doen we al het mogelijke om de CO2 uitstoot te beperken. Uitgangspunt bi j de verdere technische uitwerking is dat we met een gesloten grondbalans werken. Daar komt bij dat wanneer we in de toekomst geleidelijk naar het boezempeil toegroeien veenoxidatie juist geringer wordt. nee

Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 4 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig werkzaamheden. Geen berekening is gegeven over hoeveelheden. Conclusie De zienswijze is formeel niet-ontvankelijk, maar leidt wel tot aanpassing van het peilvak Nr. Zienswijze 5 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig 5.0 Uw cliënt heeft een zienswijze ingediend op het voorontwerp van het PIP. In de reactienota, bijlage van het ontwerp-PIP, reageren wij onder paragraaf H [Appellant bedoelt hier paragraaf G; red.] op de zienswijze van uw cliënt. Onze conclusie daarin is dat wij van mening zijn dat de inspraakreactie van uw cliënt geen aanleiding geeft om het PIP aan te passen, omdat er nog gesprekken g aande zijn. Uw cliënt kan zich hier niet in vinden. Voor uw cliënt is het namelijk tot op heden onduidelijk wat de ontwikkelingen rondom De Wieden voor hem betekenen. Zolang hij geen goede afgewogen keuze kan maken, omdat er onvoldoende mogelijkheden en toekomstperspectief geboden wordt, kan uw cliënt niet instemmen met het ontwerp PIP. U licht dit nader toe in de navolgende punten. In meerdere gesprekken is de duidelijkheid gegeven dat voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering op de bestaande locatie niet mogelijk is.

Ten aanzien van het bedrijf van uw cliënt is het uitgangspunt dat het bedrijf wordt verplaatst naar elders, zodat de huidige bedrijfsvoering kan worden voortgezet. Zoals eerder aangegeven is de rentmeester namens ons daarover met u en uw adviseur in gesprek/onderhandeling. Nee 5.1 Uw cliënt exploiteert met een V.O.F. een melkveehouderij. Op 1 januari 2018 is de zoon van uw cliënt toegetreden tot de V.O.F. om het bedrijf te zijner tijd voort te zetten. Teneinde zijn vee te kunnen weiden en voeren heeft uw cliënt een huiskavel van in totaal 30 ha grasland aan de Duinigermeerweg, rondom zijn woonhuis, in eigendom. De gronden van uw cliënt vallen binnen deelgebied 6 Muggenbeet van het PIP. Binnen dit deelgebied beoogt G5 het volgende te realiseren: kraggenlandschap, vochtig grasland, aaneengesloten gebieden rietland en Blauwgrasland. Voor realisatie van dit landschap worden met name vernattingsmaatregelen genomen. Dit heeft tot gevolg dat de gronden van uw cliënt een natuurbestemming krijgen en hij het Zoals hiervoor vermeld is verplaatsing van het hele bedrijf voor ons het uitgangspunt, waarbij het huidige bedrijf inclusief bouwvlak door ons wordt aangekocht. Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 5 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig huidige gebruik niet kan voortzetten.

Hierdoor zal uw cliënt zijn bedrijf niet in zijn huidige vorm kunnen blijven exploiteren. Het is uw cliënt echter niet duidelijk wat de gevolgen zijn voor het bouwvlak, nu deze buiten het plangebied is gelaten. 5.2 Voorbereiding en communicatie Uw cliënt is van mening dat de betrokken overheden en met name wij, de Provincie Overijssel, onvoldoende informatie verschaffen en verwerven met betrekking tot de gevolgen van het PIP en het gebiedsproces voor het bedrijf van uw cliënt. Dit terwijl de V.O.F. een op de toekomst gericht bedrijf is dat op dit moment een rendabele bedrijfsvoering geniet op een gunstige locatie. Wij delen uw mening niet dat wij onvoldoende informatie verschaffen en/of inwinnen. Hiervoor hebben wij een uitgebreid gebiedsproces doorlopen. Voorafgaand aan en vanwege de terinzagele gging van het ontwerp PIP heeft er een gesprek met uw cliënt plaatsgevonden. Het Natura 2000-gebied is op 4 juli 2013 aangewezen. Uiteraard is er voorafgaand aan de aanwijzing ook nog een openbare voorbereidingsprocedure doorlopen, waaruit ook al duidelijk kon zijn dat het gebied een natuurstatus zou krijgen. Sindsdien is het (formeel) duidelijk dat het bedrijf geconfronteerd zou gaan worden met maatregelen die de bedrijfsvoering zouden kunnen gaan beperken.

Na het aanwijzingsbesluit is het Beheerplan opgesteld waarin meer in detail duidelijk werd wat de gevolgen voor het gebied en dus ook voor uw cliënt zouden gaan zijn. Wij delen daarom de mening niet dat het bedrijf nog op een gunstige locatie is gelegen. Nee Daarnaast vreest uw cliënt dat zijn belangen onvoldoende worden meegenomen bij de besluitvorming ter realisatie van de Natura 2000 gebieden. Onder paragraaf 1.4 van het PIP wordt gesteld dat tijdens de gebiedsprocedure voor realisatie van de benodigde externe maatregelen in de uitwerkingsgebieden de benodigde maatregelen verder zijn onderbouwd en geconcretiseerd en zijn afgestemd met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. Daarnaast wordt aangegeven dat de verkenningsfase van het gebiedsproces inmiddels voor nagenoeg alle gebieden is afgerond. In deze fase zouden de eisen, wensen, problemen, mogelijke oplossingen, betrokken partijen en draagvlak in beeld zijn gebracht. Uw cliënt is het hiermee oneens. Zie ook onze reacties hiervoor. Voorafgaand aan en vanwege de terinzagelegging van het ontwerp PIP heeft er een gesprek met uw cliënt plaatsgevonden. Ondanks dat er wel gesprekken tussen uw cliënt en ons zijn geweest, blijft het tot op heden voor uw cliënt onduidelijk wat de gevolgen precies zullen zijn.

Graag ziet hij dat wij actief meezoeken naar een oplossing waar alle betrokken partijen zich in kunnen vinden. Met een zo grote diversiteit aan belangen en partijen is er altijd sprake van het zoeken naar een zo optimaal mogelijke situatie. Vanwege de Europese wetgeving dienen wij echter de natuurbelangen het zwaarst te laten wegen. Per individueel geval streven wij naar de beste situatie, maar die zal nie t voor alle partijen gelijk zijn aan de wens. Wij beschouwen de planuitwerking als Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 5 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig afgerond. Wij blijven met uw cliënt doorgaan in het vinden van een oplossing voor voortzetting van het agrarische berdrijf op een andere locatie. 5.3 Inrichting natuurlandschap In het inrichtingsplan is onder paragraaf 5.1.3 (pagina 60 e.v.) aangegeven dat het gebied waarop uw cliënt is gevestigd wordt ingericht als kraggengebied waarbij watergangen met variërende breedte worden aangelegd. Er worden geen nieuwe petgaten gegraven. Daarnaast zal het nieuwe watergangenpatroon een breedte tussen de 2 meter en 20 meter krijgen in plaats van 1,5 tot 5 meter. Het is uw cliënt onduidelijk waarom de sloten in deze mate verbreedt (moeten) worden en naar zijn mening zijn deze graafwerkzaamheden niet noodzakelijk.

De grotere breedte en variatie is noodzakelijk om meer oeverlengte voor de vuurvlinder te creëren. Daardoor wordt ook voorkomen dat de watergangen te snel dichtgroeien. Het kavelpatroon wordt daarbij behouden. Het vrijkomende materiaal wordt verwerkt in de nieuwe kaden, die nodig zijn om daar waar nodig droge voeten te garanderen. Er wordt dus werk met werk gemaakt. Nee Het afgraven van de veenpakketten zal naar alle waarschijnlijkheid juist tot gevolg hebben dat e r veel CO2 en stikstof zal vrijkomen. Naar mening van uw cliënt is dit in strijd met het door de overheid opgestelde beleid om stikstofemissie t.b.v. kwetsbare natuur te verminderen. Tevens is het volgens uw cliënt door extra CO 2 uitstoot moeilijker om de klimaatdoelen van het klimaatakkoord Parijs te behalen. Het is juist dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden meer CO2 wordt uitgestoten, dit is echter tijdelijk. Na de peilverhoging zal d e permanente uitstoot aanzienlijk minder zijn dan in de huidige situatie, omdat het veen nat blijft en de uitstoot van CO 2 uit het veen wordt voorkomen. Per saldo ontstaat er minder CO2-uitstoot en wordt bijgedragen aan het klimaatakkoord. Tevens lijken, volgens uw cliënt, de huidige voorgenomen maatregelen strijdig met de randvoorwaarden voor bijvoorbeeld de grote vuurvlinder.

De bredere watergangen geven minder beschutting en zullen daardoor meer windgevoelig zijn, terwijl dit niet bevorderlijk is voor de habitat van de grote vuurvlinder (zie paragraaf 4.1. 1.van het inrichtingsplan). Zie onze reactie hiervoor. Door de grotere variatie in de breedte ontstaat er meer dan genoeg beschutting voor de vuurvlinder en zijn de maatregelen juist bevorderlijk voor het habitat van deze soort. 5.4 Gelet op voorgaande is cliënt van mening dat het PIP onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ziet hij graag dat wij in gesprek blijven om de mogelijkheden te bespreken. Wij delen de mening van uw cliënt niet dat het PIP onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Uiteraard blijven wij met uw cliënt in gesprek om de mogelijkheden voor zijn bedrijf te bespreken, maar de randvoorwaarden waarbinnen dit kan zijn onherroepelijk vastgelegd in het Beheerplan. Nee Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PIP Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 6 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig 6.0 Uw cliënt heeft een zienswijze ingediend op het voorontwerp van het PIP. In de reactienota, bijlage van het ontwerp-PIP, reageren wij onder paragraaf H op de zienswijze van uw cliënt. Onze conclusie is dat wij van mening zijn dat de inspraakreactie van uw cliënt geen aanleiding geeft om het PIP aan te passen, omdat er nog gesprekken gaande zijn.

Uw cliënt kan zich hier niet in vinden. U licht dit nader toe in de navolgende punten. Het uitgangspunt ten aanzien van het bedrijf van uw cliënt is dat hij in zijn geheel wordt uitgekocht. Zoals wij hebben aangegeven zijn wij daarover in gesprek/onderhandeling en wij gaan er vanuit dat wij hierover overeenstemming zullen bereiken . Zie zienswijze 5 bij 5.0 en 5.1. Nee 6.1 Uw cliënt exploiteert een melkveehouderij. Teneinde zijn vee te kunnen weiden en voeren zijn alle percelen van uw cliënt aan te merken als huiskavel. De gronden van cliënt vallen geheel binnen deelgebied 6 Muggenbeet van het PIP. Binnen dit deelgebied beoogt GS het volgende te realiseren: kraggenlandschap, vochtig grasland, aaneengesloten gebieden rietland en Blauwgrasland. Voor realisatie van dit landschap worden met name vernattingsmaatregelen genomen Dit heeft tot gevolg dat de gronden van cliënt een natuurbestemming krijgen en hij het huidige gebruik niet kan voortzetten. Hierdoor zal uw cliënt zijn bedrijf niet in zijn huidige vorm kunnen blijven exploiteren. Het is cliënt echter niet duidelijk wat de gevolgen zijn voor het bouwvlak, nu deze buiten het plangebied is gelaten .

Zie zienswijze 5 bij 5.1 Nee 6.2 Uw cliënt is van mening dat de betrokken overheden en met name wij onvoldoende informatie verschaffen en verwerven met betrekking tot de gevolgen van het PIP en het gebiedsproces voor het bedrijf van uw cliënt. Dit terwijl de V.O.F. een op de toekomst gericht bedrijf is dat op dit moment een rendabele bedrijfsvoering gen iet op een gunstige locatie. Zie zienswijze 5 bij 5.2 Nee Daarnaast vreest cliënt dat zijn belangen onvoldoende worden meegenomen bij de besluitvorming ter realisatie van de Natura 2000 gebieden. Onder paragraaf 1.4 van het PIP wordt gesteld dat tijdens de gebiedsprocedure voor realisatie van de benodigde externe maatregelen in de uitwerkingsgebieden de benodigde maatregelen Zie zienswijze 5 bij 5.2 Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 6 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig verder zijn onderbouwd en geconcretiseerd en zijn afgestemd met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. Daarnaast wordt aangegeven dat de verkenningsfase van het gebiedsproces inmiddels voor nagenoeg alle gebieden is afgerond. In deze fase zouden de eisen, wensen, problemen, mogelijke oplossingen, betrokken partijen en draagvlak in beeld zijn gebracht. Uw cliënt is het hier niet mee eens.

Uw cliënt is van mening dat hij, ondanks dat er sprake is van enig contact met ons, te weinig informatie gekregen over de gevolgen van het PIP voor zijn bedrijf, de mogelijkheden om het bedrijf voort te zetten of over eventuele mogelijkheden tot een bedrijfsverplaatsing. Daarnaast is er naar de mening van uw cliënt ook onvoldoende over zijn wensen gesproken. Hij stelt dan ook niet te begrijpen waarom wij van mening zijn dat de verkenningsfase is afgerond, nu deze feitelijk nauwelijks begonnen is. Zie zienswijze 5 bij 5.2 6.3 Gelet op voorgaande is uw cliënt van mening dat het PIP onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ziet hij graag dat wij alsnog met hem in gesprek gaan om de mogelijkheden te bespreken. Wij delen de mening van uw cliënt niet dat het PIP onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Uiteraard blijven wij met uw cliënt in gesprek om de mogelijkheden voor zijn bedrijf te bespreken, maar de randvoorwaarden waarbinnen dit kan zijn onherroepelijk vastgelegd in het Beheerplan. Nee Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PIP Nr. Zienswijze 7 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig 7.1 Het plan voorziet in het wijzigen van de bestemming van huidige agrarische gronden en de uitvoering van inrichtingsmaatregelen in de deelgebieden Muggenbeet, Verbinding Wieden - Vollenhovermeer en Duinweg Leeuwte.

De voorgenomen bestemmingswijzigingen en inrichtingsmaatregelen dragen bij aan het verbeteren van het leefgebied van verschillende N2000-doelsoorten. U maakt zich zorgen over de effecten van de voorgenomen maatregelen en Zie zienswijze 2 Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 7 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig bestemmingswijzigingen op de weidevoge lpopulatie in het plangebied en vreest dat de reeds gedane inspanningen door tal van agrarisch ondernemers en het agrarisch natuurcollectief hiermee teniet gedaan worden. 7.2 Samen met Agrarische Natuurvereniging Kopse Agrarische Vereniging, Provincie Overijssel, wildbeheereenheid en Natuurmonumenten zet uw collectief zich, in nauwe onderlinge samenwerking met tal van agrarisch ondernemers, in om de weidevogels in het plangebie d te beschermen en te behouden. In het plangebied wordt op ruim 20 ha agrarische weidevogelbeheer uitgevoerd, waaronder drie plasdrassen van elk 0,5-1,0 hectare groot. Daarnaast wordt op bijna 10 hectare botanisch hooilandbeheer ten behoeve van algemene biodiversiteit uitgevoerd wat ook bijdraagt aan het verbeteren van leefgebied van verschillende N2000 - doelsoorten waaronder Bruine kiekendief. Het weidevogelgebied heeft een behoorlijke, maar fluctuerende weidevogelstand.

De plasdrassen hebben een belangrijke impuls gegeven op de vestiging en broedsucces van verschillende eendensoorten, Grutto en Tureluur. Dit blijkt volgens u onder andere uit de broedvogelkartering die in opdracht van ons is uitgevoerd in 2018. Dit nemen wij voor kennisgeving aan. Nee 7.3 Op de huidige weidevogellocaties wordt in het plan voorzien in blauwgrasland/vochtig hooiland met hoge waterstanden voor de N2000-doelsoorten moerasvogels en blauwgrasland. Dit heeft in beginsel een positief effect op weidevogels, maar is in belangrijke mate ook afhankelijk van het creëren van de juiste randvoorwaarden voor weidevogels waaronder de openheid van het aangrenzende gebied. Ook het beheer van deze gronden is uiteindelijk van invloed op de geschiktheid van het gebied voor weidevogels. Het plan geeft ons echter onvoldoende zekerheid dat de weidevogelpopulatie geen schade zal ondervinden. Zie zienswijze 2 bij 2.1 Nee 7.4 Er is de afgelopen jaren veel maatschappelijk geld geïnvesteerd in optimalisatie van de leefomgeving van weidevogels. Dit maatschappelijke geld is besteed aan vergoedingen voor agrarisch Voor zover er daadwerkelijk sprake is van verlies aan weidevogelgebied waar een beheersubsidie aan gekoppeld is, komen daar andere vormen van mogelijk natuurbeheer voor terug. Dit hoeft per saldo dus niet tot nadelige effecten voor de bedrijfsvoering te leiden.

Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 7 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig natuurbeheer aan agrarisch ondernemers en aan het inrichten van drie plasdrassituaties binnen het plangebied. Het doorvoeren van dit plan heeft stevige financiële gevolgen voor de deelnemers aan agrarisch natuurbeheer en het agrarisch natuurcollectief. De mogelijkheid voor beheervergoeding verdwijnt voor agrarische ondernemers en daarmee verdwijnt ook de mogelijkheid voor het inpassen van het (agrarisch) natuurbeheer in de bedrijfsvoering. De vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer zijn voornamelijk gebaseerd verminderde opbrengsten en gedorven inkomsten. Bij een beëi ndiging van het beheer valt dat verlies ook weg, dus per saldo verandert er niets. 7.5 U maakt zich zorgen of voldoende meegewogen is dat biodiversiteit voor agrarisch ondernemers steeds meer economische betekenis heeft en zal krijgen als onderscheidende waarde en in het kader van natuurinclusieve landbouw. Veel van de huidige agrarische grondgebruikers in het plangebied passen vormen van (agrarisch) natuurbeheer in binnen de bedrijfsvoering en dragen daarmee elk bij aan de doorontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw. Daarom zouden we graag zien dat met het gebied gezocht wordt naar mogelijkheden voo r agrarisch medegebruik van de beoogde eindsituatie . Zie zienswijze 2 bij 2.2.

Nee 7.6 De reeds gedane investeringen in de inrichting van drie plasdrassen zijn gefinancierd vanuit een Europese en provinciale investeringssubsidieregeling (POP3). Deze regeling vereist een instandhoudingsverplichting van minimaal 6 jaar. Door de beoogde wijzigingen stelt u niet aan deze verplichting te kunnen voldoen en denkt u naar alle waarschijnlijkheid als agrarisch natuurcollectief uiteindelijk de kosten voor de inrichting van deze plasdrassen zelf te moeten financieren. Dat gaat volgens u dan ten koste van het budget dat ingezet kan worden voor het versterken van het leefgebied voor weidevogels. In het algemeen kan het heel goed zijn dat de plas-dras-situaties samen gaan met de beoogde natuurdoelen, verbindingszone vuurvlinder, of moerasbroedvogels en dat er aan de situatie niets hoeft te veranderen . In het voorjaar fungeren de plas -dras plekken als verzamelplekken van waaruit de weidevogels hun territoria betrekken. De vogels kunnen er veilig rusten en foerageren. Door de ligging, direct grenzend aan het grote aaneengesloten weidevogelgebied, wordt het verlies van broedhabitat voor weidevogels hier gecompenseerd door de totale kwalit eitsverbetering vanwege de dan aangrenzende slaap- en verzamelplekken en het foerageerhabitat. U heeft op ons verzoek aanvullend de locaties doorgegeven.

Daaruit blijkt dat de percelen in een gebied liggen waar de ontwikkeling van Blauwgrasland beoogd wordt. Fysiek worden er geen maatregelen genomen, wel wordt het peil opgezet. Voor 2023 zullen de maatregelen niet uitgevoerd worden en de ontwikkeling van Blauwgrasland zal nog vele jaren duren. De 6 -jaarsperiode van de instandhoudingsverplichting komt do or deze maatregel niet in het gedrang. U kunt dus voorlopig nog aan uw instandhoudingsverplichting voldoen. Wanneer in het kader van natuurinrichting een inrichting heeft plaats gehad en er wordt iets anders voorzien in de plannen wegens bovenregionaal bel ang, dan schrappen wij die inrichting en hoeft er niet terug betaald te worden. Nu we Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 7 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig hier wegens de laatste natuurtechnische inzichten het gebied anders gaan inrichten, waarbij de eerdere inrichtingen op de lange termijn mogelijk teniet gedaan worden, of in ieder geval minder effectief worden is dit in feite ook boven regionaal. De ingreep heeft dus geen nadelige gevolgen voor u. 7.7 U verzoekt om voorgaande redenen namens het bestuur van Coöperatieve Agrarische Natuur Collectief Noordwest Overijssel U.A. om bij de besluitvorming nadrukkelijk rekening te houden met de bescherming van de weidevogelpopulatie en de agrarisch ondernemers in het plangebied.

Zie zienswijze 2 bij 2.1 Nee Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PIP Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig 8.0 Uw cliënt kan zich om meerdere redenen niet verenigen met het ter inzage liggende ontwerp PIP, redenen waarom thans zienswijzen worden ingediend. Onderstaand werkt u deze zienswijzen - puntsgewijs - nader uit. Dit wordt voor kennisgeving aangenomen. Nee 8.1 Het plangebied is gelegen in het gebied van de herinrichting Blokzijl-Vollenhove. In dit ruilverkavelingsproject heeft de Uitvoeringscommissie Blokzijl-Vollenhove in de zomer van 2019 het ontwerp-ruilplan ter inzage gelegd. Bij schrijven d.d. 3 juli 2019 he eft u namens uw cliënt zienswijzen tegen het voorontwerp-ruilplan ingediend. U haalt in uw zienswijze een aantal argumenten aan die alleen betrekking hebben op het ruilplan en daarom hier niet aangehaald zijn. Tegen dit ruilplan kan beroep worden aangetekend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle. U zult, zo begrijpen wij, een beroep indienen. Het staat naar uw mening dus niet vast of het ruilplan überhaupt doorgaat. Wij begrijpen dat voor uw cliënt beide processen van groot belang zijn. Zie zienswijze 3 bij 3.3 voor onze reactie over de relatie tussen beide processen.

Of u wel of niet beroep instelt tegen het ruilplan is daarom voor het PIP niet van belang; in zoverre dat het voor het overgangsrecht van belang is. Zie voor een verdere uitleg onze reactie onder punt 5 van uw zienswijze. Nee 8.2 Opnieuw haalt u een aantal argumenten aan die alleen betrekking hebben op het ruilplan en daarom hier niet aangehaald zijn. Zie zienswijze 3 bij 3.3 Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig U stelt dat, op basis van uw bezwaren/beroep tegen het ruilplan, dit PIP prematuur is. Het kan naar uw mening pas in procedure worden gebracht nadat de rechtbank onherroepelijk heeft beslist op uw (toekomstige?) bezwaren tegen het ruilplan. 8.3 Daarbij komt volgens u dat een ruilplan altijd nog kan worden gewijzigd, bijvoorbeeld omdat bij de uitruil van gronden knelpunten ontstaan. Het PIP zou zich toch naadloos bij het ruilplan moeten aansluiten. Het ruilplan is volgens u bij uitstek het instrument om de met elkaar in tegenspraak zijnde belangen van landbouw en natuur op een uitgebalanceerde wijze tegen elkaar af te wegen, want anders zouden de in het plangebied gevestigde agrarische bedrijven geen toekomstperspectief meer hebben.

Zie zienswijze 3 bij 3.3 Nee Ook in dit PIP ligt volgens u de focus geheel ten onrechte alleen op 'natuur' en wordt naar uw mening compleet voorbij gegaan aan de belangen van de in het gebied gevestigde agrariërs, waaronder die van uw cliënt. In tegenstelling tot het ruilplan hebben w ij bij het PIP te maken met Europese wetgeving. Die wetgeving vereist een andere belangenafweging dan een ruilplan en daarom ligt de “focus” zoals u het noemt meer op natuur en is dat dus niet onterecht en zelfs een Europese ver plichting. Ook binnen het PIP worden de belangen zoveel mogelijk tegen elkaar afgewogen, maar dus op een andere weegschaal en met andere gewichten. 8.4 U stelt dat, als het PIP wel in procedure zal worden gebracht, er de situatie kan ontstaan dat bij het niet-doorgaan van het inrichtingsplan, waarbij alle grondeigenaren hun inbreng behouden, zij opeens geconfronteerd worden met percelen waarop een natuurbestemming rust. De confrontatie zal niet “opeens” zijn. Alle grondeigenaren kunnen nu al met deze optie rekening houden. Het niet doorgaan van het ruilplan is geen reden om het PIP niet vast te stellen. Het ruilplan is een (extra) middel om tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing ten aanzien van grondposities te komen.

Als het ruilplan niet door gaat, zal het PIP met d e ons daartoe beschikbare compenserende middelen vanwege de Europese verplichting alsnog moeten doorgaan. Ook dan zullen wij via grondaankopen en -ruilingen tot een passende oplossing proberen te komen, maar dan met minder partijen dan in de landinrichting. De belanghebbenden binnen het plangebied van het PIP kunnen weten wat hen zonder ruilplan te wachten staat. De dan ontstane economische schade zal dan alsnog gecompenseerd moeten worden, hetzij door een financiële vergoeding, hetzij door een grondruil buiten het ruilplan om of uitplaatsing als de eerste twee geen soelaas bieden. Nee 8.5 Naar uw mening kan van grondeigenaren en - gebruikers niet worden gevergd dat zij dan (lees: bij het niet doorgaan van het ruilplan; red.) worden opgezadeld met een situatie waarin het bestaand gebruik (veelal grasland en/of maïsland, dus ten behoeve van veehouderij of akkerbouw) onder het In het ruilverkavelingsgebied geldt een ander overgangsrecht dan daarbuiten. Het overgangsrecht houdt rekening met het ruilplan en het overgangsrecht is gekoppeld aan het besluit over het doorgaan, maar ook met de mogelijkheid van niet doorgaan van de landinrichting. Inderdaad is het overgangsrecht niet afgestemd met het niet doorgaan van het ruilplan op basis van een Ja, de overgangsbepalingen worden aangepast.

Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig overgangsrecht komt te vallen. Een en ander klemt naar uw mening temeer nu op grond van artikel 13.2 van de planvoorschriften het overgangsrecht is beperkt tot de periode vanaf twee jaar na inwerkingtreding van het provinciale inpassingsplan. Verder is in het overgangsrecht geen voorziening getroffen voor het geval de landinrichting wordt 'afgeschoten' door de bestuursrechter. gerechtelijke uitspraak die het plan vernietigt. Wij zullen de tekst daarop aanpassen. 8.6 De overgangsbepalingen zijn volgens uw cliënt, ook los van het voorgaande, in algemene zin in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Uw cliënt verlangt dat het overgangsrecht bestaat uit de huidige bepalingen sub a en b, en dat de rest van de bepaling wordt geschrapt. De bepaling onder c is volgens hem in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat het een afwisselend gebruik van landbouwgrond ten behoeve van grasland en maïsland onmogelijk maakt. De bepalingen welke zijn weergegeven met bullets zijn volgens hem in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat het overgangsrecht afhankelijk wordt gemaakt van een onzeker voorval.

Als een wisselend gebruik nu gebruikelijk is valt ook dat onder het overgangsrecht. Bepalend is hoe de gronden de voorgaande jaren aantoonbaar (in overeenstemming met het bestemmingsplan) zijn gebruikt. Wij kunnen ons niet vinden in de stelling dat de overgangsbepalingen , zoals die zijn opgenomen, afhankelijk zijn van “een onzeker voorval”, zeker niet nadat wij de overgangsregels hebben aangepas t zoals hiervoor is aangegeven. Het enige wat onzeker is, is het tijdstip waarop het overgangsrecht binnen het landinrichtingsgebied in werking treedt. Nee 8.7 Uw cliënt ziet niet in wat wordt beoogd met de verwijzing naar de richtlijnen 79/409 en 92/43 EEG omdat die richtlijnen sowieso van toepassing zijn voor zover het plangebied is gelegen in het Natura2000-gebied. Uiteraard zijn de richtlijnen hoe dan ook van toepassing. De Europese wetgeving waarnaar verwezen wordt bepaalt dat strijdig gebruik direct na het vaststellen van het PIP moet worden beëindigd. De verwijzing moet duidelijk maken dat het gebruikelijke overgangsrecht niet van toepassing is op het met de richtlijn strijdige gebruik. Afwijkend van de richtlijn hebben wij bepaald dat het strijdige gebruik niet direct hoeft te worden beëindigd.

Nee 8.8 Uw cliënt ziet überhaupt niet in waarom er in dezen een provinciaal inpassingsplan gemaakt zou moeten worden, dat de vigerende gemeentelijke beheersverordening als het ware overrule d. Dit inpassingsplan komt naar het oordeel van uw cliënt neer op het eenzijdig doordrukken van maatregelen ten behoeve van de natuur, de agrarische belangen zijn hieraan volkomen ondergeschikt gemaakt. Bij de wijziging van een gemeentelijk bestemmingsplan of beheersverordening kunnen en zullen deze belangen beter in kaart worden gebracht en tegen In tegenstelling tot het beeld dat kennelijk bij uw cliënt leeft, i s er procedureel en inhoudelijk geen verschil tussen een gemeentelijk bestemmingsplan en een provinciaal inpassingsplan. Juridisch bestaat het verschil er alleen uit dat niet de gemeenteraad het plan vaststelt, maar Provinciale Staten. Verder moet het PIP aan dezelfde juridische regels voldoen als een bestemmingsplan. Het is juist dat het PIP het geldende bestemmingsplan overruled, maar dat zou een gemeentelijk herziening ook doen. De keuze voor een het opstellen van een PIP in plaats van een bestemmingsplan is in afstemming met de gemeente gemaakt. De gemeente heeft de mogelijkheid gehad om t e kiezen om zelf een bestemmingsplan op te stellen, maar heeft dat niet gedaan en de provincie gevraagd een PIP op te stellen.

Daarnaast geldt dat als er wel een gemeentelijk Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig elkaar worden afgewogen. In dit PIP wordt alleen maar blindgestaard op de (doelstellingen voortvloeiend uit de) Habitatrichtlijn, en er volledig aan voorbijgegaan dat ook uit de toepasselijkheid van de Vogelrichtlijn doelstellingen voorvloeien. Deze doelstellingen worden niet meegewogen en lijken volkomen uit het oog te zijn verloren. Er wordt alleen maar gesteld dat er een v oldoende groot areaal weidevogelgebied overblijft en dat de nieuwe natuur een verzamel- en uitvluchtpunt is voor de weidevogels. Dat lijkt in tegenspraak met diverse onderzoeken, waaruit naar voren komt dat het grootste probleem voor de weidevogels is het verdwijnen van geschikt leefgebied en dat het van belang is dat er meer geschikte bloemrijke weilanden komen waar kuikens veilig zijn en voldoende voedsel kunnen vinden. Wat de effecten zijn van het creëren van nieuwe natuur ten koste van een weidevogelgebied op de weidevogels is onvoldoende onderzocht en het plan is mitsdien niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dat er significante gevolgen zullen zijn voor de weidevogels lijdt naar het oordeel van cliënt geen twijfel.

Zo verdwijnt er een aanzienlijk areaal fourageergebied voor ganzen, waardoor de druk op het overblijvende agrarisch gebied alleen maar groter zal worden, terwijl voorts op voorhand vaststaat dat de nieuwe natuur alleen maar meer ganzen zal aantrekken, en dit zal ten koste gaan van de weidevogels, terwijl dat nu juist de vogels zijn die je (ook) wilt beschermen. Het negatief effect voor de weidevogels is drieërlei (a) het areaal wordt kleiner (b) ganzen vreten de eerste snee gras op, waardoor kuikens van weidevogels geen schuilplek hebben en (c) de natuurgebieden vormen een geschikte plek voor predatoren, zodat de predatie toeneemt. bestemmingsplan zou zijn opgesteld, de gemeente ook gehouden is aan het voldoen aan de Europese wetgeving met betrekking tot de N2000 opgave. De uitwerking zal, gelet op het uitgebreide onderzoek dat heeft plaatsgevonden en ook door de gemeente anders gedaan zijn, tot hetzelfde resultaat gekomen zijn. Zie verder zienswijze 2 bij 2.1 8.9 Uw cliënt is mordicus tegen iedere verhoging van het waterpeil in de directe omgeving van zijn eigendommen en de percelen waarvan hij op grond van een zakelijk of persoonlijke rechten gebruiker is. U verzoekt ons dit uit de plannen te schrappen. U stelt dat zolang de ruilverkaveling niet is afgerond Zie ook onze reactie bij 8.4.

Er zijn geen significante negatieve effect en buiten de begrenzing van het PIP te verwachten en dus ook geen beperkingen in het landbouwkundig gebruik. Binnen de grens is het uitruilen van gronden het uitgangspunt, dus per saldo zullen er binnen de plangrens geen landbouwpercelen meer zijn. Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig met een toedelingsakte het onzeker is welke percelen het betreft. De bedrijfsvoering is gebaseerd op een zo efficië nt mogelijk gebruik van gras- en maïsland en dat is alleen maar mogelijk als het waterpeil daar ook op is afgestemd. Uw cliënt wil vroeg in het voorjaar mest kunnen uitrijden en voorkomen moet worden dat de maïsoogst problemen ondervindt als gevolg van een te hoog waterpeil. 8.10 De hierboven geschetste problemen/risico's doen zich niet voor, indien in plaats van een verhoging van het waterpeil wordt gekozen voor het verlagen van het maaiveld, door van de percelen met een beoogde natuurbestemming de toplaag af te graven. Cliënt heeft hier in zijn zienswijze tegen het voorontwerp ook al op gewezen en de reactie daarop is onbevredigend en cliënt wil dat dit alternatief alsnog wordt onderzocht en ook wordt betrokken bij de MER.

Zulks klemt temeer nu ieder inzicht in de kosten van maaiveldverlaging ontbreekt, evenals een vergelijking met de (maatschappelijke) kosten van peilverhoging. Evenmin is onderzocht of de af te graven toplaag een bepaalde waarde vertegenwoordigt e n welke nuttige bestemming hiervoor kan worden gevonden. De eenzijdige focus op peilverhoging getuigt van een tunnelvisie. Zie hiervoor ten aanzien van de effecten buiten het plangebied. In het MER zijn alle varianten aan de orde geweest. Nu er geen signi ficante negatieve effecten buiten het plangebied optreden, heeft het kostenaspect (en dus ook de baten) tot de keuze geleid de effecten van afgraven van gronden niet te onderzoeken. Overigens is het financiële aspect niet het enige dat geleid heeft tot het niet verder onderzoeken van deze variant. Zie daarvoor Ad 2 op blz. 34 van Bijlage 5 van het PIP. Nee 8.11 Het volgende onderwerp in deze zienswijze laat zich samenvatten met het woord "stikstof'. In het voorontwerp werd nog de loftrompet gestoken over de PAS. De PAS werd genoemd als het instrument waarmee ontwikkelingsruimte voor het gebied kon worden gecreëerd en het zou economis che groei mogelijk maken. Daaruit blijkt dat de opstellers van het PIP oog hebben gehad voor de positie van de in het gebied gevestigde bedrijven, waaronder cliënt.

Inmiddels is duidelijk - en dit wordt ook in het PIP onderkend - dat het PAS een ondeugdelijk toetsingskader is bij de beoordeling van plannen en projecten die aan de Habitatrichtlijn moeten worden getoetst. Dan rijst vervolgens de vraag op welke wijze de opstellers van het PIP dan wel Het PIP voorziet niet in het creëren van economische ontwikkelruimte op basis van stikstof en is daar, in tegenstelling tot het PAS, ook nooit op gericht geweest. Het PIP is gericht op natuurherstel en het veerkrachtiger maken van de natuur. Ontwikkelingsruimte op basis van stikstof kan pas ontstaan als de Kritische Depositie Waarde (KDW) onder de maximale KDW-norm komt. Het natuurherstel draagt daaraan bij, maar dat is en was geen doel op zich. Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig ontwikkelingsruimte willen creëren en economische activiteit mogelijk willen maken. En dan blijft 'het opeens akelig stil en volstaat u in de beantwoording van de hierop betrekking hebbende zienswijze met de dooddoener: "Het ontwerp PIP past binnen het advies van het Europees Hof en de uitspraak van de Raad van State.

Het PIP is naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State deels aangepast." Het gaat er niet om of het PIP past binnen de uitspraak van de Raad van State, maar om de beantwoording van de vraag op welke wijze in dit PIP ontwikkelingsruimte en economische activiteit mogelijk blijft nu het PAS wegvalt. Het PIP is derhalve in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Cliënt mocht er op vertrouwen dat er ontwikkelingsruimte zou worden geschap en en dat blijkt nu niet het geval. 8.12 Een en ander klemt volgens u temeer nu er op dit moment nog geen duidelijkheid bestaat over het nieuwe stikstofbeleid, wel is inmiddels duidelijk dat er geld beschikbaar zal worden gesteld om knelpunten op te lossen. Het bedrijf van cliënt is een groot melkveebedrijf dat is gesitueerd midden in het Natura 2000-gebied De Wieden, in het Vogelrichtlijngebied en op de rand van het Habitatrichtlijngebied, en zou prima in aanmerking kunnen komen om uitgekocht te worden met als bijkomend voordeel dat er ontwikkelingsruimte ontstaat voor andere (agrarische) bedrijven.

Een samenhangende visie op het gebied van stikstof ontbreekt volgens uw cliënt en evenmin is voor hem duidelijk of de door de Minister aangekondigde maatregelen (het legaliseren van PAS -meldingen, vergunningsvrij beweiden en bemesten) juridisch wel houdbaar zijn, cliënt betwijfelt dit. Gelet op al deze onzekerheden bepleit uw cliënt dat het PIP wordt aangehouden totdat er duidelijkheid bestaat omtrent de stikstofmaatregelen, waarna de stikstofproblematiek kan worden ingepast in het PIP en de maatregelen op elkaar kunnen worden afgestemd. Het zou volgens u in strijd met een goede ruimtelijke ordening zijn om het PIP, gelet op Het stikstofbeleid is nog volop in beweging en staat, zoals hiervoor al is aangegeven, in beginsel los van het PIP. Het is juridisch niet mogelijk om dit te integreren in het PIP, omdat het wetgeving van een hogere orde betreft en is voor het PIP niet direct relevant; indirect wel, omdat met een goed stikstofbeleid de doelen sneller gehaald zullen kunnen worden. Los van het nieuwe stikstofbeleid geldt de Europese verplichting voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Dit PIP is gericht op deze verplichting, waardoor het noodzakelijk is om deze lopende procedure voort te zetten. Hier is geen sprake van strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening.

Naar aanleiding van uw laatste opmerking over CO2-uitstoot kunnen wij u melden dat in de aangewezen gebieden peilen worden verhoogd. Deze peilverhoging heeft als gevolg dat het veen niet meer uitdroogt en oxideert, waarmee de huidige CO 2 uitstoot wordt verminderd. Op deze manier wordt via dit PIP een steentje bijgedragen aan de doelen van het stikstofbeleid (vermindering CO2-uitstoot). Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig al deze onzekerheden, nu in procedure te brengen. U stelt dat er nu volop wordt gesproken over gebiedsvisies in het kader van de stikstofproblematiek onder regie van d e Provincies. Dat dient volgens u met dit PIP geïntegreerd te worden en dan ook aandacht te worden gegeven aan de problematiek van veenweidegebieden en CO2-uitstoot. 8.13 In het PIP wordt aan de in het plangebied aangewezen percelen de bestemming 'natuur' gegeven. Deze bestemming is veel te rigide; cliënt is van mening dat agrarisch medegebruik mogelijk moet blijven. Denk hierbij aan extensief beweiden of bemaaien. Dan wordt de landbouw in ieder geval nog een klein beetje tegemoetgekomen. Agrarisch medegebruik is ook beter in te passen in de doelstellingen van de Vogelrichtlijn.

Zoals bij punt 8 al door u is aangegeven worden naar uw mening alle andere belangen dan "habitatrichtlijn-belangen" niet meegewogen en wordt voorbijgegaan aan andere zaken die er spelen. Die problemen worden volgens u ook niet opgelost, in tegendeel. Zie onze reactie bij 8.8 en zienswijze 2 bij 2.2, zienswijze 3 bij 3.4 en zienswijze 5 bij 5.2. Beweiding als beheermaatregel is niet meer mogelijk omdat het veel te nat wordt. Alle belangen en zaken worden meegewogen. Zoals aangegeven kan niet alles smet behulp van dit PIP opgelost worden. Soms omdat problemen en belangen tegenstrijdig aan elkaar zijn, en soms omdat het niet een provinciale opgave betreft (zoals het stikstofbeleid) Nee 8.14 In de reactie op het voorontwerp heeft cliënt al aangegeven dat hij wenst dat er een fietspad langs de Hevenweg wordt aangelegd naar het pontje van Jonen, omdat de Hevenweg veelvuldig wordt gebruikt door grote landbouwvoertuigen. Dit verdraagt zich niet met een intensief gebruik door recreatieve fietsers. Deze zienswijze wordt gehandhaafd. Zoals wij al hebben aangegeven ligt dit verzoek buiten de scope van ons project. U dient dit punt bij de gemeente als eigenaar van de weg en bevoegd gezag aanhangig te maken. Binnen de bestemming Natuur van het PIP word t het bewust uitgesloten, omdat de aanleg van een fietspad kan leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen .

Nee 8.15 Ten slotte stelt u: indien en voor zover wij van mening zijn dat het PIP (op hoofdlijnen) ongewijzigd moet worden vastgesteld, dan wenst uw cliënt dat ook alle door hem ingebrachte en (naar verwachting) toe te delen percelen de bestemming 'natuur' krijgen en dat de begrenzing van het plan in zoverre wordt aangepast. Als er geen toekomstperspectief is en er geen zicht is op verdere ontwikkeling van het bedrijf, dan is het beter om het maar te transformeren tot natuurterrein en dan zal cliënt zijn bedrijf voortzetten op een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Gelet op alle De uitvoeringscommissie heeft een ontwerp -ruilplan opgesteld en in het voorjaar 2019 ter inzage gelegd. Tegen dit ontwerp -ruilplan zijn zienswijzen ingediend. Momenteel handelt de commissie de zienswijzen af. Uw cliënt heeft ook een zienswijze ingebracht en is gehoord door de commissie. De commissie is verplicht uw cliënt percelen toe te delen die in redelijke mate qua aard en hoedanigheid vergelijkbaa r zijn met de ingebrachte percelen. De uitvoeringscommissie streeft ernaar komend najaar het ruilplan vast te stellen. De door ons ingeschakelde rentmeester is in gesprek met u w cliënt en zijn adviseur over de mogelijkheden van grondruil binnen het ruilpla n van de landinrichting. In afstemming met de landinrichtingscommissie wordt getra cht dit naar wens op te lossen.

Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr. Zienswijze 8 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig zaken die er spelen is uitkoop van het bedrijf van cliënt de enige overblijvende optie . Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassing van het PIP en wel tot aanpassing van de overgangsbepalingen. Nr. Zienswijze 9 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig 9.1 1.2 Het bestaand agrarisch gebruik, waaronder rietteelt wordt aangemerkt als niet in lijn met de inrichting van de gebieden als natuurland. Het is uw mening dat mocht rietteelt al als agrarisch gebruik gezien worden dat rietteelt feitelijk natuurbeheer is en derhalve wel degelijk in lijn is met de inrichting van genoemde natuurgebieden. Rietteelt buiten de op de verbeelding aangegeven zones wordt inderdaad als natuurbeheer gezien en dus in lijn met de inrichting van de na tuurbieden, maar niet op de wijze zoals u die voor ogen hebt . Het verschil zit namelijk in de oogstfrequentie. Commercieel rietmaaien gebeurt frequenter dan rietsnijden als natuurbeheer. De Grote Karekiet, de Roerdomp en andere soorten zijn met name gebaat bij overjarig riet en dat is voor de rietteelt van veel lagere economische waarde. Als riettelers daar brood in zien kunnen zij zich aanmelden voor het beheer. Zie ook het volgende punt. Wij zien geen reden de toelichting op dit punt te herzien.

Nee 9.2 1.4 In de beheerfase worden de ingerichte gronden doorgeleverd aan beheerders, dit kunnen uiteraard ook particuliere beheerders zijn dus niet uitsluitend TBO’s Zie zienswijze 2 bij 2.2. Het eigendom kan los gezien worden van het feitelijke beheer. Er is ook de mogelijkheid van zelfrealisatie. Nee 9.3 3.3.1 Rietteelt is feitelijk een natuurbeheergebruik en derhalve nauwelijks als agrarisch aan te merken en dus hoeft dit niet strijdig te zijn met de geplande natuurontwikkeling Zie onze reactie onder 9.1. Nee 9.4 3.5.1.2 Het extensief beheren van rietland zoals hier benoemd eens per 2 of 3 jaar maaien is geen duurzame vorm van beheer gezien de hoge kosten en de grote kans op snelle verbossing van deze rietlanden. Zie onze reactie onder 9.1. Nee 9.5 3.5.1.4.2 Het reeds aanwezige rietland zou niet voldoen aan de eisen die de soorten stellen aan rietland. Dit kunnen we ook anders benaderen, het bestaande rietland voldoet prima aan de huidig aanwezige soorten. Wij zijn het niet eens met uw omgekeerde benadering. De a anwezige soorten kunnen nog niet voldoende profiteren van het bestaande rietland omdat het te weinig overjarig riet bevat en daarmee is de levensvatbaarheid van de soort onvoldoende gegarandeerd. Leidend zijn de doelen zoals aangegeven in het N2000 beheerplan. Nee Nota van Antwoord NL.IMRO.9923.PIPWieden-va01 27-10-20 Nr.

Zienswijze 9 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PIP Nr. Zienswijze 10 Reactie Aanpassing PIP / MER nodig 10.0 U richt zich in uw zienswijze op de plannen om in de Wieden de komende 18 jaar in het totaal 270 ha, voornamelijk 70-80 jaar oud moerasbos te kappen, de veengronden af te graven met als doel petgaten te creëren. Feitelijk gaat het volgens u om een reconstructie van een open mijnbouw g ebied. Een reconstructie gemotiveerd met ecologische motieven waarbij historische ontwikkelingen leidraad zijn voor keuzes waar de aanleg zou kunnen plaatsvinden. Hierna somt u een aantal wereldwijde, Europese en landelijke ontwikkelingen en waarneming en op die hier niet herhaald worden omdat ze de opmaat zijn voor u eigenlijke zienswijze. Vanuit uw observatie komt u tot de volgende opmerkingen/vragen: Deze inleiding wordt voor kennisgeving aangenomen .

Nee 10.1 Is anno 2020 het kappen van 2,7 km 2 volwassen moerasbosecosysteem en het uitgraven van veen wel verantwoord? Hebben we hier niet te maken met een oud plan dat in de loop van de tijd niet of onvoldoende is geactualiseerd en maar marginaal is getoetst aan urgente thema’s zoals klimaatverande ring en behoud biodiversiteit? Er is door ecologen van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de provincie goed nagedacht wat er nodig is voor behoud van de biodiversiteit van De Wieden en De Weerribben. Zij achtten cyclisch beheer (zie hierna) hierbij essentieel. Een belangrijk onderdeel van het cyclisch beheer is het maken van kleine open wateren (petgaten). Het cyclische beheer is vastgelegd in het Natura 2000 beheerplan. Dit plan is getoetst, en goed bevonden, door een onafhankelijke commissie van wetenschappers. Veel van deze bijzondere natuurwaarden van De Wieden (w.o. veel Natura 2000 habitattypen en - soorten uit het aanwijzingsbesluit) zijn afhankelijk van het cyclische beheer. Dit cyclische beheer is te omschrijven als beheer voor de lange termijn, in tegenstelling tot bijvoorbeeld maaibeheer, dat jaarlijks wordt uitgevoerd. Het cyclisch beheer bestaat onder andere uit het maken van open wateren. In deze wateren kan één van de belangrijkste processen van het laagveen plaats gaan vinden; verlanding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/41f7e376-1393-439c-b4bd-43461700f7d1?agendaItemId=e52e89ae-c658-430a-8690-6371ae62bd23