17.0 Informatienota 2020 - 7 - Beheerplan Eikenprocessierups 2020.pdf
Tekst van het document
Het is de taak van de wegbeheerder om Eikenprocessierupsen en hun brandharen van het wegdek of berm te verwijderen of maatregelen te nemen zoals waarschuwen of afzetten van de weg.” College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 39/85 18 Op basis van artikel 6:162 BW, de Wegenverkeerswet en jurisprudentie kan gesteld worden: Eigenaren hebben een zorgplicht en dienen maatregelen te treffen om overlast van brandharen van Eikenprocessierupsen te voorkomen; Eigenaren dienen op voldoende effectieve wijze te waarschuwen voor de aanwezigheid van rupsen en brandharen; Eigenaren moeten kunnen onderbouwen waarom het bestrijden van de rupsen niet mogelijk is of tot onvoldoende resultaat heeft geleid. Een benadeelde kan trachten zijn schade ex artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek ( onrechtmatige daad) te verhalen op de aansprakelijke persoon of rechtspersoon. Indien de aansprakelijk gestelde in een gerechtelijke procedure kan aantonen dat bestrijding op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat ook voldoende is gewaarschuwd etc. dan is niet snel te verwachten dat een schadeclaim succesvol zal zijn. Bescherming van bedreigde vlinders In bermen en lanen waar Eikenprocessierupsen kunnen worden aangetroffen, kunnen ook andere vlinders voorkomen.
De bestrijdingsmiddelen die gebruikt worden tegen Eikenprocessierupsen tasten ook de rupsen andere vlinders aan. Deze vlinders zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming (Wnb). Beheerders zijn daarom verplicht om te voorkomen dat beschermde vlinders en andere dieren schade ondervinden van de bestrijding van Eikenprocessierupsen ter plaatse. De wet voorziet echter wel in een handelingsmogelijkheid mits kan worden aangetoond dat er sprake is van “erkend belang.” Hiervan is sprake indien er aantoonbare gevolgen zijn voor de volksgezondheid en er geen andere alternatieven beschikbaar zijn om overlast te voorkomen. De basis voor het bepalen van mogelijk aantoonbare gevolgen voor de volksgezondheid is een grondige monitoring van de hotspots: locaties waar veel mensen aanwezig zijn of langdurig verblijven (zie hoofdstuk 4: prioritering). Ingeval van “erkend belang” dient bij de aanwezigheid van beschermde vlindersoorten een ontheffing te worden aangevraagd voor overtreding van de beschermingsbepalingen van de Wnb. In gebieden met bedreigde vlinders is het daarom verstandiger om zoveel mogelijk alleen curatieve bestrijding (het verwijderen van rupsen, nesten en brandharen) toe te passen. Mocht de overlast daarmee onvoldoende bestreden kunnen worden, dan kan bespuiting met nematoden het beste worden uitgevoerd.
Deze bestrijding vindt al vroeg in het jaar plaats en de werkzame stof is van korte duur, waardoor andere vlindersoorten minder geraakt worden. De Vlinderstichting levert kaarten waarop de aanwezigheid van beschermde vlinders op basis van waarnemingen is aangegeven. Zij onderscheiden daarbij twee categorieën: Passief beschermde vlindersoorten: dit zijn de meest bedreigde soorten, waarbij bespuitingen met bestrijdingsmiddelen voorkomen moeten worden Actief beschermde vlindersoorten: in gebieden waar deze soorten voorkomen kunnen, indien curatieve bestrijding onvoldoende soelaas biedt, de eiken bespoten worden met nematoden, vanwege het verminderd doorwerkend effect van dit middel op andere rupsen. Het verdient aanbeveling om bij de Vlinderstichting kaarten te laten maken van het voorkomen van mogelijk bedreigde vlindersoorten en al naar gelang deze kaarten wel of geen bespuitingen in te zetten. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 40/85 19 Bescherming van inheemse fauna Zowel preventieve als curatieve bestrijding kan leiden tot verstoring van inheemse boombewonende dieren, zoals vogels, vleermuizen, eekhoorns, kevers en spinnen. Bij preventieve bestrijding wordt gebruik gemaakt van een luchtondersteunende bomennevelspuit.
Zowel de aanwezigheid van mensen alsook het geluid van de bomennevelspuit kan ertoe leiden dat dieren wegvluchten of dat hun nesten geraakt worden. Bij curatieve bestrijding wordt gebruik gemaakt van een industriële zuiger. Ook hierbij geldt dat de aanwezigheid van mensen alsook het geluid van de zuiger ertoe kan leiden dat dieren wegvluchten. De Wnb schrijft voor dat zo zorgvuldig mogelijk gehandeld moet worden om verstoring zoveel mogelijk te voorkomen (het Zorgvuldigheidsbeginsel uit de Wnb). Deskundige bedrijven en grotere organisaties die vaak groenonderhoud plegen, werken meestal met een zgn. gedragscode. Door het opvolgen van de werkwijze die in deze gedragscode staat, wordt verstoring van beschermde soorten tot een aanvaardbaar niveau beperkt. Partijen die niet regelmatig groenonderhoud plegen, hebben een dergelijke gedragscode niet. Toegelaten middelen Op basis van de Wet op de Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Wgb) moeten in Nederland bestrijdingsmiddelen eerst goedgekeurd worden alvorens ze toegepast mogen worden. Deze toetsing gebeurt door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De gangbare bestrijdingsmiddelen voor Eikenprocessierupsen zijn: Inzet van een middel met nematoden Inzet van een middel met bacteriën Nematoden of aaltjes zijn kleine wormachtige beestjes die van nature in de bodem voorkomen.
Een spuitmiddel met nematoden bevat geen chemische middelen en geen biociden en valt daarom niet onder de Wgb. Het middel is dus toegestaan. De middelen die gebaseerd zijn op bespuiting met een bacteriehoudend middel zijn door het Ctgb eveneens goedgekeurd. Deze middelen vallen onder de biociden omdat ze de bacterie Bacillus thuringiensis aizawai bevatten. Dit middel is echter alleen schadelijk voor vlinders. De middelen mogen daarom worden toegepast, mits er geen beschermde vlindersoorten in het doelgebied voorkomen. Nadere uitwerkingen op juridisch gebied Ondanks het feit dat jurisprudentie omtrent wettelijke aansprakelijkheid, zorgplicht en waarschuwingsplicht al geruime tijd van kracht is, zijn er tal van onduidelijkheden op juridisch vlak. Daarom vindt er komend jaar een juridisch onderzoek plaats om tot meer duidelijkheid te komen. Vragen waarop bijvoorbeeld een éénduidig antwoord welkom is, zijn: In hoeverre kan een eigenaar van een groot terrein (zoals bijv. een bos- of natuurterreinbeheerder, een stichting of een vereniging) aansprakelijk worden gesteld voor het naleven van de zorgplicht voor zijn gehele terrein? Hoe verhoudt de zorgplichtbepaling ex art.
6:162 BW zich tot belendende percelen, gelet op het feit dat nesten of brandharen kunnen verwaaien naar algemeen toegankelijke gebieden? Wanneer is er precies sprake van erkend belang, geldt dit ook als er in het voorgaande jaar/jaren sprake is geweest van aantoonbare klachten? Bij welke mate van overlast is er sprake van erkend belang? En maakt het daarbij ook uit welke beschermde vlindersoort aanwezig is? College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 41/85 20 Hoe kunnen particulieren en eigenaren van aangetaste eiken gefaciliteerd worden in een zorgvuldige bestrijding, zodat inheemse boombewonende fauna niet onacceptabel verstoord wordt en strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Wnb ontstaat? De juridische werkgroep die hiervoor wordt ingesteld, zal eind 2020 met aanbevelingen komen. De landelijke Leidraad beheersing Eikenprocessierups (sept. 2019) zal hierna geactualiseerd worden. In navolging daarvan zal ook dit Plan van Aanpak, dat gebaseerd is op de landelijke Leidraad, aangepast worden. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 42/85 21 Hoofdstuk 3 Leefwijze en herkenning van Eikenprocessierupsen Inleiding De Eikenprocessievlinder is een nachtvlinder die oorspronkelijk in Zuid-Europa voorkwam. De Romeinen schreven reeds over de overlast die de brandharen van de rupsen kunnen veroorzaken.
Reeds in de 19e eeuw kwam de vlinder in Zuid-Nederland voor en de rupsen veroorzaakten toen ook klachten. Vreemd genoeg lijkt de soort vanaf 1880 uit ons land verdwenen te zijn, waarna de soort pas een eeuw later in de omgeving van Tilburg weer werd waargenomen. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de rupsen en vlinders zo efficiënt zijn weggevangen door hun natuurlijke predatoren, dat ze in de periode 1880-1980 nergens in grote getale zijn waargenomen of dat er sprake is geweest van overlast. Met de klimaatopwarming en het gebrek aan biodiversiteit in eikenlanen, heeft de Eikenprocessievlinder kans gezien om een snelle opmars te maken. In dit hoofdstuk wordt informatie over de Eikenprocessievlinder gegeven teneinde de soort te kunnen herkennen en te weten in welke levensfase men het beste kan ingrijpen om overlast te voorkomen. Levensfases van de Eikenprocessievlinder Zoals bij andere vlindersoorten maakt ook de Eikenprocessievlinder een ontwikkelingscyclus door van ei-rups-pop-vlinder. Net zoals bij veel andere insecten is het uiterlijk en de leefwijze van larve (rups) en imago (vlinder) verschillend van elkaar. Hieronder volgt een beschrijving van de vier levensfasen van de Eikenprocessievlinder. NB.
Aan onderstaande beschrijvingen worden nog foto’s van de verschillende levensfases toegevoegd, deze zijn in dit concept/werkdocument nog niet opgenomen, vanwege het voorkomen van voortdurende lay-outaanpassingen en om de totale bestandsgrootte in de conceptfase beperkt te houden. Ei-fase De eitjes worden door de vrouwelijke vlinders in augustus en september in groepen afgezet op de takken van vooral Zomereiken en Moseiken. In andere eiken, zoals Amerikaanse eik, Moeraseik, Wintereik, Hongaarse eik, Hulsteik en Donseik worden minder vaak ei-pakketten aangetroffen. Omdat de soort warmteminnend is, worden vooral zon-beschenen bomen uitgekozen. Dat zijn eiken die solitair, in lanen of aan de randen van plantsoenen staan. De vlinders hebben ook een voorkeur voor jonge en halfwas bomen. Deze bomen zullen waarschijnlijk eerder uitgekozen worden. Wat overigens NIET wil zeggen dat er geen ei-afzettingen plaats vinden in oudere eiken! De eitjes worden in de regel afgezet aan de zuidzijde van de takken in een langvormig pakket, dat ter bescherming en aanhechting wordt bedekt met een kleverige substantie, schubben en haren van de vrouwelijke vlinder. Hierdoor zijn de ei-pakketten zeer goed gecamoufleerd. De vlinder kan al haar eitjes in één pakket afzetten (tot 300 eitjes) of in meerdere kleine pakketten. De eitjes hebben een doorsnede van ongeveer 2 mm.
De ei-pakketten zitten doorgaans hoog in de kronen van de bomen, zodat de jonge rupsen te zijner tijd dicht bij hun voedingsbron (uitbottende knoppen en jonge bladeren) zijn. Gedurende de nazomer en vroege herfst ontwikkelen zich binnen de eischalen kleine rupsjes. De rupsjes blijven echter binnen de eischalen tot het voorjaar. Het moment dat de rupsen uit de eischalen kruipen is afhankelijk van de temperatuur in het voorjaar en gekoppeld aan de daglengte en bladontwikkeling van de eiken. De eitjes van één pakket komen allemaal tegelijk uit. Hierdoor wordt de kans om ten prooi te vallen aan een predator kleiner. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 43/85 22 Omdat plantgoed meestal in het winterhalfjaar wordt verhandeld en gepoot, is het van belang om jonge eikenbomen voor het poten goed te inspecteren op de aanwezigheid van EPR-eieren op de twijgen. Rupsfase Tijdens de rupsfase groeien de dieren sterk (van 2 tot 29 mm) en moeten daardoor tot 5 keer vervellen. Pas na de derde vervelling verschijnen de brandharen. De rupsen hebben in de eerdere stadia wel hun lange kenmerkende “steriele” haren. In de eerste drie rupsfasen (afhankelijk van voorjaarstemperatuur valt deze periode meestal tussen half april en eind mei) veroorzaken de rupsen geen overlast. De rupsen voeden zich met jonge eikenbladeren en knoppen.
Kenmerkend is dat ze alleen de zachte delen van het eikenblad - het bladmoes - eten. De nerven blijven achter. In elke rupsfase verandert de rups uiterlijk: in grootte, in mate van beharing, soms van kleur en van de locatie waar ze hun nesten hebben. Om een goed beeld te vormen, worden de rupsfasen hier onder uitgebreid besproken. Daarbij wordt ook de duur van het rupsstadium vermeld. N.B.: Het is belangrijk om te weten dat de duur van de verschillende rupsstadia bepaald wordt door de weersomstandigheden (met name temperatuur) en het voedselaanbod. De hieronder genoemde termijnen weerspiegelen de gemiddelde duur van elke rupsfase bij de relatief warme voorjaren van het laatste decennium. Indien de klimaatopwarming zich de komende jaren verder manifesteert met warmere voorjaren, kan de duur van de ontwikkelstadia van de Eikenprocessierups nog korter worden. Zo is bijv. in de warme voorzomer van 2018 een groot deel van de Eikenprocessierupsen vanuit rupsfase 5 gaan verpoppen en hebben ze rupsfase 6 geheel overgeslagen. Eerste rupsfase De rupsen zijn in het eerste rupsstadium ongeveer 2 mm lang en zijn nog kortbehaard. Ze hebben een bruingele kleur en een in verhouding grote, zwarte kop. De jonge rupsen bevinden zich doorgaans in de buurt van het uiteinde van de takken, hoog in de kronen van de eik. De rupsen kunnen draden spinnen die als “leidraad dienen”.
Gezamenlijk vormen ze een gesponnen schild, waarachter ze zich overdag beschermen tegen predatoren, felle zon en regen. In de nacht kruipen ze naar de uitbottende knoppen en jonge bladeren om daarvan te eten. Omdat de rupsen blind zijn, spinnen ze vanuit het nest een “geleidingsdraad” naar de knoppen en de bladeren. Aan het einde van de nacht kruipen ze terug naar het schild door de geleidingsdraad te volgen. De duur van de 1ste larvenstadium is afhankelijk van de voedselbeschikbaarheid en temperatuur. Gemiddeld duurt de eerste rupsfase 13 dagen, maar er zijn sterke afwijkingen mogelijk. Soms kunnen de rupsen te vroeg uitkomen en moeten dan wachten op voedsel. Ze kunnen het wel anderhalve maand volhouden zonder voedsel en goed vorst verdragen. Tweede rupsfase In het tweede rupsstadium zijn de rupsen ongeveer 9 mm lang. De rugzijde van de rups is nu donkergrijs, de flanken zijn lichter grijs en de buikzijde is grijsgroen. De kop is net als in de eerste rupsfase donker van kleur. De rups heeft nu lange witte “steriele” haren van 1 cm lang. Dit zijn geen brandharen, er is dus nog geen sprake van overlast. Deze lange witte haren zijn ingeplant op wratachtige oranje uitstulpingen op de flanken van de rups. De rupsen bevinden zich in dit stadium nog steeds hoog in de kronen. Overdag houden ze zich schuil achter het gesponnen schild, dat versterkt is met afgeworpen vervellingshuiden.
‘s Nachts kruipen de rupsen via de geleidingsdraden in lange rijen (kop-staart) naar de knoppen en bladeren, om aan het einde van de nacht weer naar hun schuilplaats terug te keren. In de dagen dat de rupsen dichtbij hun vervellingsmoment komen, worden ze bruiner van kleur en veel minder bewegelijk. Afhankelijk van de temperatuur duurt de tweede rupsfase eveneens gemiddeld 13 dagen. Echter als ze lang op voedsel moesten wachten in College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 44/85 23 het eerste stadium en de eiken vervolgens snel uitlopen door warmere voorjaarstemperaturen, dan kunnen ze al binnen 1 week vervellen naar het 3de larvestadium. Derde rupsfase De rupsen hebben nu een lengte van ongeveer 15 mm lang en hebben dezelfde kleur als in de tweede rupsfase. Naast het feit dat de rupsen groter zijn, zijn nu ook de eerste brandharen aanwezig. Het zijn er echter nog niet veel, omdat de rups nog vrij klein is. Deze kleine brandharen (0,2 mm) staan ingeplant op donkere vlekken die aan weerszijde van de rug zichtbaar zijn. Daarnaast heeft de rups ook de lange witte “steriele” haren. In deze fase wordt voor het eerst vraatschade in de boom zichtbaar: er hangen aangevreten bladeren aan de bomen. De rupsen bevinden zich nog steeds in de buurt van de takuiteinden, liefst bovenin de kronen van de boom.
De nestschilden zijn versterkt en vergroot doordat ook de vervellingshuiden van het tweede rupsstadium in het spinsel zijn bevestigd. Deze fase duurt gemiddeld 12 dagen maar kan - afhankelijk van het temperatuurverloop in het voorjaar - variëren tussen 7 – 14 dagen. Vierde rupsfase In deze fase hebben de rupsen een lengte van 22 mm en zijn grijsgroen van kleur waarbij de flanken lichter van kleur zijn dan de rugzijde. In deze fase hebben de rupsen grotere hoeveelheden brandharen, die gegroepeerd zijn in borstels. Deze borstels staan in huidplooien op de rug van de rups, waardoor ze in normale toestand afgedekt zijn. Bij gevaar worden deze huidplooien strak getrokken en “schiet” de rups brandharen af. In deze fase worden ook grotere, zakvormige nesten gemaakt, die vaak op zonnige plekken van de stam of in de oksels van grotere zijtakken te vinden zijn. De rupsen zakken dus vanuit de boomkronen naar beneden. De rupsen gebruiken hun nieuwe nesten in principe tot en met de popfase. In de spinsels van de nesten zitten nu ook losgelaten brandharen. Nu de rupsen lager in de boom zitten, is de weg naar de bladeren langer. De geleidingsdraad die ze gebruiken van nest naar boomkroon, is veel dikker dan de eerdere geleidingsdraad hoog in de boomkroon en duidelijk zichtbaar.
Langs de geleidingsdraden kruipen de rupsen iedere avond richting boomkroon om in de vroege ochtend weer terug te keren via de geleidingsdraden naar het nest. Aan het einde van deze fase vervellen de rupsen waarbij hun oude huid met brandharen in de nesten achterblijft. Zo raken de nesten steeds voller met brandharen. De vierde rupsfase duurt gemiddeld 12 dagen. Ook hier zijn de weersomstandigheden bepalend voor de snelheid van de ontwikkeling. Vijfde rupsfase De rupsen hebben nu een lengte van 26 mm. Het aantal brandharen is sterk toegenomen. De rupsen vergroten hun nesten verder. Er kunnen zeer grote nesten ontstaan met het formaat van een voetbal. Zulke nesten worden gevormd door rupsen uit ei-pakketten die door verschillende vrouwelijke Eikenprocessievlinders zijn afgezet en kunnen meer dan duizend rupsen bevatten. Er is een verschil in vraat waarneembaar tussen de mannelijke en de vrouwelijke rupsen. De eerste groep eet minder en is meer betrokken bij de bouw van de steeds groter wordende nesten. Soms komt het voor dat de zonkracht te hoog is en de temperatuur in het nest oploopt tot meer dan 32 graden. De rupsen ontvluchten dan hun nest en spinnen een nieuw nest aan de schaduwzijde van de boom. Als het zelfs in de schaduw nog warmer is dan 32 graden, verplaatsen de rupsen zich omlaag om dichter bij de grond of zelfs in de grond een nest te maken.
Bij een normaal temperatuursverloop in het voorjaar, volgt na de vijfde vervelling een zesde rupsfase. Maar als er sprake is geweest van een warm (niet te heet) voorjaar, wordt soms het volgende rupsstadium overgeslagen en gaan de rupsen al aan het einde van dit vijfde larvale stadium verpoppen. Is het echter te warm en zijn de rupsen in een grondnest gekropen, dan gaan ze een rustfase in (zie grondnesten) die een langere periode kan duren. Deze fase duurt gemiddeld 7 dagen in warmere perioden. In koudere zomers kunnen ze soms 14 dagen in het 5de larvestadium blijven. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 45/85 24 Zesde rupsfase In deze laatste larvefase bereiken de rupsen hun maximale lengte van 29-30 mm. In deze fase worden de nesten soms zo ver vergroot dat ze aaneen kunnen groeien tot er “dekens van spinharen” over de boomstammen ontstaan. Aan het einde van deze fase gaan de rupsen verpoppen. Dit doen ze in hun nesten. Tijdens de popfase wordt de rups omgebouwd tot vlinder en kan geen voedsel worden opgenomen. In de nesten blijven de oude vervellingshuid en de brandharen achter. De zesde rupsfase duurt gemiddeld 7 dagen in warmere perioden. Dit rupsstadium kan in koudere voorzomers veel langer duren (19 dagen), maar in warme voorzomers juist nog korter of geheel overgeslagen worden.
De rupsen verpoppen dan al aan het einde van de vijfde rupsfase. Popfase De verpopping is het proces waarbij de rups langzaam verandert in een vlinder. Het hele lichaam wordt hierbij getransformeerd: de monddelen en het spijsverteringsstelsel veranderen, geslachtsorganen worden aangelegd en het dier krijgt vleugels, zodat actief op zoek kan worden gegaan naar een partner ten behoeve van voortplanting en nieuwe leefgebieden bezet kunnen worden. Tijdens deze “ombouwfase” is de rups immobiel en daardoor kwetsbaar. Bij Eikenprocessievlinders vindt de verpopping plaats binnen de beschermde omgeving van het nest, waarin door alle voorgaande vervellingen inmiddels veel brandharen aanwezig zijn. Indien de temperatuur erg hoog is, maken de rupsen eerst een nieuw nest op de bodem of in de grond. De rupsen spinnen het nest dicht en verstevigen de wand (het nest wordt daardoor grijzer van kleur) alvorens tot verpopping over te gaan. De verpopping vindt plaats in een dun gesponnen pophuid, de zgn. cocon. De poppen zijn door de pophuid zichtbaar en hebben een roodbruine kleur. De popfase duurt gemiddeld 40 dagen, maar ook hier kan de duur sterk variëren, afhankelijk van temperatuur en vochtigheid. Indien het erg warm blijft en de temperatuur daarna sterk daalt, kan de popfase zelfs over het jaar heen getild worden. De pop gaat dan in een lange sluimerfase (zgn.
diapauze) en de vlinders komen dan vroeg in het voorjaar tevoorschijn. Het traditionele overlastseizoen kan daardoor anders verlopen (vroegere of latere ontwikkeling van de rupsen). Onder normale omstandigheden breekt de cocon open zodra de vlinder volledig ontwikkeld is. De mannelijke vlinders komen iets eerder uit dan de vrouwelijke vlinders. Hierdoor wordt de kans op inteelt kleiner. Vlinderfase De volwassen vlinders eten en drinken niet. De benodigde voedsel hebben ze in de rupsfase al opgedaan. Afhankelijk van de temperatuur komen de Eikenprocessievlinders eind juli-begin september uit hun cocon. De mannetjes gaan kort na het uitkomen op zoek naar vrouwtjes. Deze kunnen ze gemakkelijk vinden doordat de vrouwelijke nachtvlinder een soortspecifieke geur afscheidt, een zogenaamd feromoon. De mannelijke vlinders hebben sterk vertakte antennes, waarmee ze deze feromonen kunnen waarnemen. Kort na de paring sterven de mannetjes. De vrouwelijke vlinder zet na de paring tot ongeveer 300 eitjes af, maar niet alles op dezelfde plek. Er wordt ongeveer 200- 250 eitjes afgezet en daarna vliegt het vrouwtje verder weg met de resterende eitjes om een nieuwe kolonie te starten. Dat kan kilometers ver zijn van de plek waar ze is uitgekomen. Na afzetting van de resterende eitjes sterft ze.
De vlinderfase is dus kort en duurt normaliter slecht ongeveer een week, maar in perioden dat te veel regent en weinig migratie mogelijk is kunnen ze langer in leven blijven. Vooral vlinders die nog niet hebben gepaard kunnen langer overleven als ze niet opgegeten worden door vogels, spinnen en vleermuizen. De vrouwelijke vlinders blijven aanvankelijk rond de “geboorteboom” hangen om daar het merendeel van de eitjes af te zetten. Vervolgens vliegen de meeste vrouwtjes met het resterende ei-pakket naar in eikenboom in de verdere omgeving. Geholpen door de wind kan dit zelfs een afstand tot 20 km bedragen. Van de mannelijke vlinders is echter bekend dat ze grote afstanden (tot 50 km) kunnen afleggen. Dit kan te maken hebben met het feit dat de geslachtsratio niet gelijk verdeeld is: uit de College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 46/85 25 poppen komen dubbel zoveel mannetjes als vrouwtjes. Men veronderstelt dat de mannelijke vlinders daardoor verder vliegen om vrouwtjes te vinden die nog niet gepaard hebben. In onderstaande tabel zijn de levensfasen van de Eikenprocessievlinder aangegeven, alsmede de tijd waarin veel brandharen aanwezig zijn en er dus sprake is van verhoogde gezondheidsrisico’s.
deel van het jaar leeftijdsfase Eikenprocessievlinder risico op brandharen Januari tot half april Ei Klein (haren uit oude nesten) Half april tot eind mei* Rups stadium 1-2-3 Beperkt Half mei tot begin juli* Rups stadium 4-5-6 Zeer groot Begin juli tot half september Pop Groot (haren uit nesten) Eind juli tot eind september Vlinder Groot (haren uit nesten) Augustus tot januari Ei Beperkt (haren uit lege nesten) * NB. de rupsstadia kunnen wijzigen afhankelijk van het temperatuursverloop in het voorjaar. Nesten op stammen en nesten in de grond De locatie van de nesten van Eikenprocessierupsen hangen af van de ontwikkelfase van het dier en de omgevingstemperatuur. De ei-pakketten en de nesten van de jonge rupsen(rupsfase 1 t/m 3) bevinden zich hoog in de boomkronen, aan het einde van de takken. De rupsen zijn in deze fase nog klein, de loopafstand tot de voedingsbron (uitbottende knoppen en jonge bladeren) is daarom niet zo groot. Als de rupsen groter worden (rupsfase 4 t/m 6) maken ze nieuwe nesten op grotere afstand van de bladeren, meestal kiezen ze als nieuwe nestlocatie grotere tak-oksels of de boomstam. Er ontstaat een dikke geleidingsdraad tussen nest en boomkroon, waarlangs de blinde rupsen op en neer kruipen.
Onder normale weersomstandigheden bevinden de nesten zich aan de zon-beschenen kant van de stam, maar als de temperaturen te hoog oplopen worden nieuwe nesten gemaakt aan de schaduwzijde van de boom en/of dichter bij de grond. Mocht de stam aan deze zijde al bezet zijn of is er sprake van langdurige hoge temperaturen (hoger dan 32º C.) dan kruipen de rupsen in de grond en vormen hier een grondnest waarin ze verpoppen. Afhankelijk van het aanhouden van de hittegolf kunnen de poppen in een langdurige rustfase komen (diapauze) en pas het volgend jaar tevoorschijn komen. Uit recente waarnemingen is vastgesteld dat grondnesten ook gevormd worden bij voedselgebrek of als er een hoge predatiedruk is (de rupsen veelvuldig worden aangevallen). De grond moet wel toegankelijk zijn: indien sprake is van een lage bodemporositeit (zeer vette kleigronden, “Parkgoud”, sluitende bestrating) worden er geen grondnesten in de bodem gevormd, maar zijn er nesten bij de stamvoet en in de bermbegroeiing mogelijk. Deze lage nesten vormen een gevaar bij maaiwerkzaamheden (de brandharen worden door het maaien verspreid) en voor (landbouw)huisdieren. Grondnesten in de bodem zijn moeilijk waar te nemen. Soms is er spinsel zichtbaar bij de stamvoet, maar dit hoeft niet zo te zijn.
Een goede aanwijzing voor de aanwezigheid van een grondnest is een forse aantasting van de bladkroon (veel aangevreten blad), zonder dat er volle nesten van Eikenprocessierupsen zichtbaar zijn. Vooral bij jonge, solitair staande bomen met een nog kleine kroon zijn grondnesten bij kaalvraat of bij hoge temperaturen te verwachten. Gevolgen voor eiken Bomen kunnen bij zware aantastingen van Eikenprocessierupsen een groot deel van hun vroege blad verliezen. De bomen hebben echter slapende knoppen: deze knoppen lopen uit vanaf eind juni. Deze nieuwe uitgroei wordt Sint-Janslot genoemd. We zien dit ook bij andere bomen die door rupsen aangetast worden, zoals bijv. bij Kardinaalsmuts en Meidoorn (aantasting van Stippelmot). De rupsen College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 47/85 26 gaan op het moment dat het Sint-Janslot uitloopt in verpopping. Voor de boom is er dus geen acuut probleem, maar er zijn wel degelijk effecten die wijzen op ondervonden nadeel: het blad dat aan Sint-Jansloten verschijnt is kwetsbaarder voor aantastingen van schimmels zoals Eikenmeeldauw. Het aantal en de grootte van de eikels kan door de vroege kaalvraat sterk afnemen. Als bomen ieder jaar een zware aantasting van Eikenprocessierupsen te verduren krijgen, kan dit hun vitaliteit sterk doen verminderen. De bomen worden dan kwetsbaar voor zwakteparasieten zoals bijv.
Honingzwammen. De rol van natuurlijke vijanden Tot de natuurlijke vijanden van de Eikenprocessierups behoren verschillende roofinsecten en zangvogels. Tot de roofinsecten behoren diverse soorten kevers (bijv. Lieveheersbeestje, Kleine poppenrover), roofwantsen, oorwormen, roofvliegen, wespen en de larven van sluipvliegen, sluipwespen en gaasvliegen. De zangvogels die Eikenprocessierupsen prederen zijn Koolmees, Pimpelmees, Roodborst, Winterkoning, Huismus, Heggemus, Ringmus, Spreeuw, Merel, Boomkruiper, Boomklever, Grote bonte specht, Gaai, Ekster en Kauw. Bij bosranden kunnen ook schuwere vogels zoals Koekoek, Wielewaal, Kleine bonte specht, Zwarte specht en Zanglijster zich aan de rupsen tegoed doen. Met uitzondering van Koolmees en Boomkruiper prederen de kleinere zangvogels de rupsen alleen in de eerste ontwikkelfases (rupsstadium 1-2-3) wanneer de Eikenprocessierupsen nog weinig brandharen hebben. De grotere zangvogels eten de oudere rupsen. Eikenprocessievlinders worden ook door allerlei zangvogels gegeten. Echter in de periode van de vlucht van de vlinders is er sprake van voldoende voedselaanbod waardoor ze deels de dans ontlopen, mede doordat de vlinders overdag in rust zijn en een goede schuttingskleur hebben. De vlinders worden ook gegeten door vleermuizen, Hoornaarwespen en door spinnen.
Het natuurlijk systeem zit zo in elkaar dat voor ieder exces dat optreedt in principe een oplossing voorhanden is. Sterke toename van de ene soort, leidt tot een toename van predatoren, zodat de eerste soort in aantal afneemt. Bekend is het voorbeeld van de muizen en uilen. In goede “muizenjaren” neemt het aantal uilen toe, vanwege de ruime beschikbaar aan voedsel. Als daardoor het aantal muizen afneemt, wordt ook het broedresultaat van de uilen kleiner en neemt het aantal uilen af. Daardoor kan de muizenpopulatie weer groeien. Dit systeem wordt het biologisch evenwicht genoemd en is goed ontwikkeld zodra er sprake is van een grote biodiversiteit. Helaas is de biodiversiteit in veel eikenlanen niet op orde. De bermen zijn soortenarm en bieden weinig voedsel en weinig dekking. Bovendien is sprake van een monocultuur: we vonden en vinden het immers aantrekkelijk om lanen in te planten met één enkele boomsoort van éénzelfde leeftijdsklasse. Daardoor komen er in dergelijke lanen maar weinig natuurlijke vijanden van Eikenprocessierupsen voor. In hoofdstuk 5 is aangegeven hoe de biodiversiteit in eikenlanen en de omgeving daarvan te vergroten is, waarmee de rol van natuurlijke vijanden versterkt kan worden. Verwarring met andere kolonielevende rupsen Er zijn meer vlindersoorten waarvan de rupsen in kolonies leven.
Een veel voorkomende kolonierups in Nederland is de Kardinaalsmutsstippelmot (Yponomeuta cagnagella). Deze rups leeft in grote groepen op Kardinaalsmuts. Ook deze rupsen spinnen draden waarmee ze zich beschermen tegen predatoren. De rupsen kunnen Kardinaalsmutsen geheel doen ontbladeren, waardoor er in juni kale struiken zijn die vol zitten met “spinnenrag.” De rupsen zijn echter ongevaarlijk. Aangetaste struiken lopen eind juni opnieuw uit (Sint-Janslot). De rupsen zijn op dat tijdstip in verpopping. Er komen meer leden van de familie van de stippelmotten (Yponomeuta) in Nederland voor, die allemaal genoemd zijn naar de waardplant waarop de rupsen voorkomen: de bekendste zijn de Vogelkersstippelmot, de Meidoornstippelmot, de Appelstippelmot en de Wilgenstippelmot. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 48/85 27 Omdat al deze rupsen in groepsverband leven en spinselnesten maken in dezelfde tijd als de Eikenprocessierups, ligt verwarring bij leken op de loer. De rupsen zijn echter ongevaarlijk. Ook de rupsen van de Ringelrups (Malacosoma neustria) zijn ongevaarlijk. De rupsen van deze nachtvlinder komen wel op eiken voor en maken in de eerste rupsstadia ook spinselnesten, waardoor er verwarring met Eikenprocessierupsen kan optreden.
Ringelrupsen zijn echter blauwgrijs/leigrijs van kleur en hebben een centrale witte band op de rug met aan weerszijde daarvan 2 zwart/oranje banden. Meest opvallend zijn 2 grote zwarte vlekken op de kop van de rups, die lijken op 2 grote ogen en daarmee predatoren moeten afschrikken. Ringelrupsen zijn bedekt met lange bruine haren, maar ze hebben geen brandharen. De nachtvlinder dankt haar naam aan het ei- pakket, dat als een ring rondom een eikenloot wordt afgezet. Een wel gevaarlijke kolonierups met spinselnesten is de rups van de Bastaardsatijnvlinder (Euproctis chrysorrhoea). De rupsen van deze inheemse nachtvlinder komen vooral voor op de Duindoorn, maar kunnen ook op Eik, Meidoorn, Braam, Iep en Beuk voorkomen. Net als de Eikenprocessierups leeft de rups van de Bastaardsatijnvlinder in kolonies, maken de rupsen spinselnesten en zijn ze uitgerust met irriterende brandharen. In Nederland komt deze soort echter vooral in de kuststreken voor. Nu nog uitheems, maar sterk in opmars is een andere processierups, de Dennenprocessierups (Thaumetopoea pityocampa). Deze rups uit Zuid-Europa is net als de Eikenprocessierups met een noordelijke opmars bezig en is al in het zuiden van België opgedoken. Deze kolonierups komt voor op dennen, maakt spinselnesten en heeft net als de Eikenprocessierups brandharen.
College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 49/85 28 College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 50/85 29 Hoofdstuk 4 Prioritering en bestrijdingskeuze Inleiding Met name op de hogere zandgronden komen Eikenprocessierupsen inmiddels in zulke grote aantallen voor dat er veel klachten over brandharen binnenkomen. Gelet op de variatie in soorten en leeftijd van de bomen en de kruidenrijkheid van de bermen, kun je stellen dat de biodiversiteit in veel eikenlanen abominabel is. Het optimaliseren van de biodiversiteit is echter een verhaal van lange adem en zal in sterk verstedelijkte gebieden een moeilijke opgave zijn. In hoofdstuk 2 is aangegeven dat bestrijding onontkoombaar is, wil men niet wettelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden bij gegrond verklaarde klachten. De gangbare bestrijdingstechnieken zijn in te delen in twee groepen: Preventieve bestrijding: hierbij worden de rupsen bestreden alvorens ze zo oud zijn dat ze brandharen hebben ontwikkeld. Curatieve bestrijding: hierbij worden nesten met of zonder rupsen vernietigd. De gebeurt in latere ontwikkelfases van de rups, zodra de nesten zich lager in de boom (grotere tak-oksels, op de stam) bevinden en de rupsen al brandharen hebben.
Prioritering op basis van risico-inschatting Omdat in veel gemeenten de rupsen in grote getale voorkomen, is men vaak gedwongen om een prioritering te maken in de aanpak en de meest urgente plekken met voorrang te behandelen. Deze prioritering is gebaseerd op een risico-inschatting. Deze risico-inschatting bestaat uit 3 onderdelen: 1. Aanwezigheid van veel Zomereiken of Moseiken: de voedselbeschikbaarheid voor EPR 2. Aanwezigheid van veel Eikenprocessierupsen: de plaagdruk van EPR 3. Aanwezigheid van mensen en (landbouw)huisdieren: de verblijfsfrequentie van mens en dier. Ad 1. De voedselbeschikbaarheid voor Eikenprocessierupsen Eikenprocessierupsen komen voornamelijk op eiken voor en hebben een voorkeur voor jonge of halfwas exemplaren van Zomereik, Moseik en Wintereik. De vrouwelijke vlinders zetten hun eitjes af op de takken van deze bomen. Bij voedselgebrek of door het uitwaaien van rupsen bij harde wind kan het gebeuren dat Eikenprocessierupsen op andere bomen voorkomen. Toch zal dit altijd maar een klein gedeelte van de populatie zijn en nauwelijks leiden tot overlast. De rups is warmteminnend en daarom zet de vrouwelijke vlinder haar eitjes bij voorkeur af op zon-beschenen eiken. Lange lanen met eiken zijn daarvoor ideaal: er is warmte en heel veel voedsel voorhanden. Bosranden en plantsoenen met eiken (in bijv. stadsparken) vormen andere geschikte locaties.
Indien men bekend is met het lokale bomenbestand, kan op voorhand een inschatting gemaakt worden waar Eikenprocessierupsen kunnen opduiken. Hoe groter het percentage eiken, des te meer kans op de aanwezigheid van Eikenprocessierupsen. Dat wil overigens niet zeggen dat de rupsen niet kunnen voorkomen in situaties waar maar één of enkele eiken staan. Bij solitaire eiken die bijv. op een druk marktplein, naast een verzorgingscentrum, een buurtcentrum of een schoolplein staan, is de kans op Eikenprocessierupsen kleiner maar is het van toch van belang om goed te inspecteren. Aanwezigheid eiken Voedselbeschikbaarheid Kans op EPR 1-3 eiken klein laag <10% bomenbestand ter plekke matig matig 10-20% bomenbestand ter plekke groot hoog >20% bomenbestand ter plekke zeer groot zeer hoog College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 51/85 30 Ad 2. De plaagdruk van Eikenprocessierupsen De mate van aanwezigheid van Eikenprocessierupsen in voorgaande jaren (op basis van meldingen, inzet van bestrijding en vangsten in feromoonvallen) geeft een belangrijke indicatie van de kans dat er overlast van Eikenprocessierupsen te verwachten is. Dit komt, omdat de vrouwelijke vlinders het merendeel van hun eitjes (> 75%) afzet op de geboorteboom of de directe omgeving daarvan.
Op basis van het aantal nesten dat in het voorgaande jaar gevonden is, wordt wel de volgende inschatting gebruikt: Aantal nesten per 10 bomen Plaagdruk Geen (0) Nul Maximaal 1 nest met formaat tennisbal Laag 2-5 nesten met formaat tennisbal Matig >5 nesten met formaat tennisbal 1 of meer nesten met formaat voetbal Hoog Ad 3. De verblijfsfrequentie van mens en (landbouw)huisdier De voedselbeschikbaarheid en de plaagdruk van voorgaande jaren zijn indicatoren die aangeven of er ergens veel Eikenprocessierupsen te verwachten zijn. Of dit daadwerkelijk ook noopt tot de inzet van bestrijdingsmethodieken, hangt af van de derde factor: de aanwezigheid, aantallen en verblijfsduur van mensen en (landbouw)huisdieren op locaties die op basis van bovenstaande 2 indicatoren als hoog risicovol zijn aangeduid. Om dit vast te stellen gaat men uit van 3 verblijfsfrequentieklassen: hoog, matig en laag.
Indien er sprake is van een capaciteitsprobleem in aanpak, kunnen de verblijfsfrequentieklassen hoog en matig nog verder opgesplitst worden: In gebieden met een hoog risico wordt dan onderscheid gemaakt in locaties die mensen moeilijk kunnen mijden en locaties waar men de keuze heeft om deze te vermijden als men waarschuwingslinten en –borden ziet; In gebieden met een matig risico kan dan onderscheid gemaakt worden in locaties waar veel mensen komen, maar slechts kortstondig (buiten) verblijven en locaties waar veel minder mensen komen. In onderstaande tabel zijn de verblijfsfrequentieklassen weergegeven. Verblijfsfreq. Redenering Voorbeelden Hoog 1 Veel mensen aanwezig en/of mensen verblijven er langdurig Stads- en dorpscentra met scholen, speeltuinen, woonstraten, zorgcentra, centrale pleinen, winkelcentra, haltes openbaar vervoer, bedrijfsparken. 2 Drukke (school)fiets- en wandelroutes, hondenuitlaat- plekken, campings, dagrecreatie- en evenementterreinen, (sport)parken en kinderboerderijen. Matig 3 Gebieden waar mensen minder vaak en/of minder lang verblijven Doorgaande fietsroutes in de bebouwde kom, buitenwijken, industrieterreinen, carpool- en parkeerterreinen. 4 Doorgaande fietsroutes buiten de bebouwde kom, extensieve bebouwing, maneges, kleinschalig landbouwgebied met veel vee.
Laag 5 Gebieden waar weinig mensen komen en/of kortstondig verblijven Buitengebied met weinig woningen, doorgaande wegen, bos- en natuurgebieden, grootschalige landbouwgebieden, grote wateren en vaarten. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 52/85 31 Uit de combinatie van de voedselbeschikbaarheid, de plaagdruk uit voorgaande jaren en de aanwezigheid van mensen of (landbouw)huisdieren kan een risico-inschatting van te verwachten overlast worden gemaakt. In onderstaande tabel is de gecombineerde risico-inschatting voor te verwachten klachten/overlast aangegeven: Verblijfsfrequentie mens/dier Plaagdruk EPR Aanwezigheid eiken (hoger/lager dan 10% bomenbestand) Gecombineerde risico- inschatting overlast hoog nul lager Laag risico hoger Laag risico laag lager Laag risico hoger Matig risico matig lager Matig risico hoger Hoog risico hoog lager Hoog risico hoger Hoog risico matig nul lager Laag risico hoger Laag risico laag lager Laag risico hoger Laag risico matig lager Laag risico hoger Matig risico hoog lager Matig risico hoger Hoog risico laag nul lager Laag risico hoger Laag risico laag lager Laag risico hoger Laag risico matig lager Laag risico hoger Laag risico hoog lager Laag risico hoger Matig risico Hierna volgt de afweging of men, gelet op de kosten die bestrijding met zich meebrengt en de acceptatienorm van overlast, overgaat tot de
inzet van preventieve bestrijding, curatieve bestrijding of, in het geval van een hoge risico-inschatting een combinatie van beide technieken. Die afweging kan er als volgt uit zien: Gecombineerde risico- inschatting overlast Doelstelling Inzet preventieve bestrijding Inzet curatieve bestrijding Hoog risico Zeer beperkte overlast EPR aanvaardbaar Indien 20% van de bomen voorgaand jaar is aangetast Als stamnesten verschijnen, inspectie noodzakelijk Matig risico Beperkte overlast EPR aanvaardbaar Indien 30% van de bomen voorgaand jaar is aangetast Bij melding van klachten Laag risico Enige overlast EPR aanvaardbaar Indien 40% van de bomen voorgaand jaar is aangetast Afweging: mate van hinder College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 53/85 32 Stroomdiagram afwegingskader voor handelen Print topografische kaarten met eikenopstanden (zie tabel van blz. 29) Geef verblijfsfrequentiezones op deze kaarten aan (zie tabel van blz. 30) Teken zichtwaarnemingen EPR op de kaarten in, afkomstig van: - inspecties - meldingen/klachten - bestrijdingsdiensten Huidig jaar: Bepaal inzet preventieve of curatieve bestrijding (zie tabel van blz.
31) Monitoring EPR: - registratie feromoonvallen - inspecties na preventieve bestrijding - registratie klachten na bestrijding Aankomend jaar: Behandelkaart voor preventieve bestrijding College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 54/85 33 Hoofdstuk 5 Lange termijnbeheer Inleiding De huidige overlast van Eikenprocessierupsen heeft zich sterk kunnen ontwikkelen doordat er veel monotone eikenlanen zijn. Met name op de hogere, droge zandgronden zijn veel Zomereiken aangeplant, omdat deze boomsoort goed presteert op voedselarme grond met een hangwaterprofiel. Vanuit verkeersveiligheid en kostenoptiek bestond het bermbeheer jarenlang uit meermaals maaien of klepelen. Daardoor zijn de bermen kort en soortenarm geworden en is het beeld ontstaan dat deze vorm van bermbeheer een gewenst eindbeeld geeft. Het gevolg van dit beleid is dat er voor Eikenprocessierupsen veel voedsel aanwezig is, terwijl natuurlijke vijanden zo goed als ontbreken. Dit geldt zowel voor stedelijk gebied (woonwijken, bedrijfsterreinen) als voor het landelijk gebied. Deze aspecten kunnen wel veranderen, maar dat vraagt om een andere esthetische keuze hoe men tegen de inrichting van lanen en bermen aankijkt.
In zijn algemeenheid geldt dat in stedelijk gebied het draagvlak voor een ingrijpende verandering van het bermbeheer en het bomenbestand kleiner zal zijn dan in het landelijk gebied. Daarnaast duurt zo’n omvorming een aantal jaren, vandaar dat we spreken over het lange termijn beheer. Om ermee te starten moet er nu al jaarlijks budget voor beschikbaar worden gesteld. In de tussentijd zal overlast bestreden moeten worden via de gangbare preventieve en curatieve bestrijdingsmethoden. Daarbij moet met behulp van goede monitoring getracht worden om de nadruk van bestrijding van overlast (curatief) te laten verschuiven naar beheersing (voorkomen van overlast door goede preventieve bestrijding) en uiteindelijk tot beheer van Eikenprocessierups. Aanpassen van het bomenbestand We vinden het esthetisch mooi als laanbeplanting uit één soort bomen bestaat. Eiken zijn heel geschikt als laanboom, zeker op de hogere, voedselarme zandgronden: ze wortelen diep en drukken daarom het wegdek niet omhoog, ze kunnen luchtverontreiniging goed verdragen en zijn redelijk bestand tegen perioden van droogte. Eiken kunnen oud worden, zijn niet erg ziektegevoelig en goed bestand tegen harde wind en snoeiwerkzaamheden. Daarnaast veroorzaken ze in de regel weinig overlast, zoals bijv. Berken (veel zaad), Populieren (vruchtpluis) en Linden (honingdauw) dat wel kunnen doen.
Dit maakt dat er zeer veel Zomereiken zijn aangeplant langs wegen in zowel stedelijk als landelijk gebied. In steden en dorpen zijn soms ook Moseiken (kleiner, smaller) en Amerikaanse eiken aangeplant. Voor Eikenprocessierupsen zijn zulke eikenlanen een luilekkerland. Er is voedsel in overvloed en door de open standplaatsen staan de bomen vaak in de volle zon, waardoor de ontwikkeling van de warmteminnende Eikenprocessierupsen in het voorjaar voorspoedig verloopt. Door veel meer variatie in laanbeplanting aan te brengen, loopt zowel het voedselaanbod als het aantal voortplantingslocaties terug. Hierdoor kan de totale populatie aan Eikenprocessierupsen afnemen. De Amerikaanse arboreticus F. Santamour heeft een richtlijn bedacht die bekend staat als de 10-20- 30 diversiteitsrichtlijn van Santamour. De richtlijn richt zich op het voorkomen van ziekten en plagen in bomen. De richtlijn houdt in dat: maximaal 10% van het totale bomenbestand van dezelfde soort mag zijn (bijv. Zomereik) maximaal 20% van het totale bomenbestand van hetzelfde geslacht mag zijn (andere eiken) maximaal 30% van het totale bomenbestand van dezelfde familie mag zijn (de Napjesdragers waaronder naast Eik ook Beuk en Tamme kastanje gerekend worden).
College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 55/85 34 Op plaatsen waar de diversiteitsrichtlijn van Santamour in eikenlanen is toegepast, loopt de overlast van Eikenprocessierupsen inderdaad terug. Het aanpassen van bestaande lanen stuit echter op weerstand en levert hoge kosten op. Het is verstandig om bij vervanging van openbaar groen deze richtlijn toe te passen. In nieuwbouwwijken en bedrijfsterreinuitbreidingen kan begonnen worden om de richtlijn toe te passen. Men kan in woonstraten en andere drukke plaatsen veiligheidshalve zelfs uitgaan van een striktere invulling van de diversiteitsrichtlijn van Santamour door een strengere norm van 5-10-20 te hanteren. In nieuwbouwwijken kan buiten wegen en bermen ook meer ruimte gereserveerd worden voor opgaand groen, zoals hagen en struwelen. Daarmee wordt voorkomen dat in woonwijken bouwterreinen geheel bebouwd en bestraat worden, zodat er nauwelijks groen aanwezig is dat voor voedsel en dekking kan zorgen voor allerlei dieren die in stedelijk gebied kunnen leven. Om bestaande lanen om te vormen is meer tijd en draagvlak nodig. Men kan wel anticiperen op deze omvorming door hier jaarlijks budget voor te reserveren. Versterking van de biodiversiteit Een ander aspect van het huidige lanenbeheer is de voorkeur voor gladde, monotone bermen. Bermen worden veelvuldig gemaaid.
Deels voor verkeersveiligheid, maar ook omdat veel mensen strak gemaaide bermen er netjes uit vinden zien en men dat dit de standaard behoort te zijn. De biodiversiteit van zulke bermen is echter laag. Veel natuurlijke vijanden van Eikenprocessierupsen zijn direct of indirect afhankelijk van kruidenrijke bermen met veel bloemen. Sommige soorten, zoals sluipwespen, sluipvliegen en roofwantsen leven als imago (volwassen dier) van nectar en stuifmeel. Ze zetten hun eieren echter af op of in Eikenprocessierupsen, alleen de larve eet de Eikenprocessierups. Zonder bloeiende kruiden in de omgeving zijn deze predatoren niet aanwezig. Andere roofinsecten leven niet direct van bloemen met nectar en stuifmeel, maar volgen de “planteneters”. Mieren, oorwormen, bidsprinkhanen en roofkevers zoals het Lieveheersbeestje, de Kortschildkever en de Rupsenaaskever, houden zich op in de nabijheid van kruidenrijke, bloeiende bermen waar ze de omgeving afstruinen op zoek naar voedsel. Gelet op de vroege ontwikkeling van Eikenprocessierupsen in het jaar is het van belang om te zorgen dat er in de periode april – juli bloeiende planten in de berm aanwezig zijn. Bij de selectie van zaden, bollen en knollen moet er, naast de aanwezige grondsoort, rekening gehouden worden met de juiste bloeitijd. Tevens moet men kiezen voor soorten (liefst inheems) die daadwerkelijk insecten aantrekken.
Vooral open, ondiepe bloemen zijn belangrijk om roofinsecten te kunnen aantrekken. Het gaat dan met name om schermbloemigen, kruisbloemigen, anjers, ranonkels en composieten. Spinnen en vogels komen ook op kruidenrijke, bloeiende bermen af. Ze vinden hier voedsel, ook buiten de maanden dat er Eikenprocessierupsen voorhanden zijn. Indien vogels zich kunnen vestigen in de buurt van de bomen en daar broeden, neemt de predatiedruk op de Eikenprocessierupsen enorm toe. Daarvoor is het van belang dat niet alleen de berm soortenrijker wordt, maar dat er in de omgeving ook rustige en beschutte nestmogelijkheden zijn. In het buitengebied kan dit gerealiseerd worden door meer struweel aan te planten in de omgeving, bijv. in de buitenbermen van fietspaden. Lage heggetjes bieden bijv. geschikte nestlocaties voor Roodborst, Winterkoning en Heggemus. Met agrariërs kan getracht worden om kruidenrijke randen langs akkers, weilanden en sloten aan te leggen, hetgeen past in de streven om te komen tot een meer natuurinclusieve landbouw. Met waterschappen kan overlegd worden om schouwpaden en oevers soortenrijker in te richten door een ander (verschalend) beheer toe te passen. Daarnaast kunnen er nestkasten opgehangen worden. Hiervoor kan bijv. samenwerking met een lokale natuurvereniging gezocht worden. Zij kunnen adviseren waar en op welke wijze de nestkasten opgehangen moeten worden.
Ze kunnen er ook voor zorgen dat de nestkasten iedere herfst gereinigd worden. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 56/85 35 Naast overleg en aanpassen van beleidsstandpunten is het van belang om voor de aanleg van kruidenrijke bermen, randen en groene struwelen jaarlijks budget te reserveren. In meer stedelijke omgevingen kan in bestaande situaties gezocht worden naar overhoeken die met lage dichte struiken ingeplant worden. Bij nieuwbouw moet meer ruimte gereserveerd worden voor groenvoorzieningen. In dit hele traject is communicatie met omwonenden van belang om draagvlak te krijgen, maar ook om hen te stimuleren om in hun eigen tuin een bijdrage te leveren aan de verhoging van de lokale biodiversiteit. Men kan nestkasten ophangen, maar ook zorgen voor beschutting middels hagen, klimplanten en dichte struiken en voor kruidenrijke borders. Ook (stromend) water in de tuin draagt bij aan verhoging van de biodiversiteit. Mensen moeten leren dat een goede biodiversiteit kan bijdragen aan het voorkomen van plagen en excessen in de natuur en dat ze zelf kunnen bijdragen aan het verhogen van de lokale biodiversiteit. Vermijd echter te hoge verwachtingen: het duurt lang voordat de biodiversiteit zo sterk verbeterd is dat de plaagdruk van Eikenprocessierupsen verdwenen is.
Natuurlijke vijanden Tot de natuurlijke vijanden van Eikenprocessierupsen behoren onder meer: Sluipwespen, gaasvliegen, sluipvliegen, zweefvliegen, roofvliegen, wespen, mieren, roofkevers, weekschildkevers (soldaatjes), roofwantsen, (bid)sprinkhanen, oorwormen, spinnen, Koolmees, Pimpelmees, Roodborst, Winterkoning, Heggemus, Ringmus, Boomkruiper, Boomklever, Grote bonte specht, Spreeuw, Merel, Zanglijster, Gaai, Ekster en Kauw. In grote parken, recreatieterreinen en bosranden kunnen daar ook Grote lijster, Koekoek, Wielewaal, Kleine bonte specht en Zwarte specht aan toegevoegd worden. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 57/85 36 College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 58/85 37 Deel B: Uitvoeringshandelingen College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 59/85 38 College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 60/85 39 Hoofdstuk 6 Bestrijding Inleiding Er zijn diverse bestrijdingsmethoden om de overlast van Eikenprocessierupsen aan te pakken. De meest gangbare bestrijdingsmethoden zijn preventieve bestrijding met nematoden (aaltjes) of met een bacteriepreparaat en curatieve bestrijding door nesten te verwijderen. Deze twee bestrijdingsmethoden worden hier besproken.
Aangezien de problematiek rond de Eikenprocessierups groot is en er soms een tekort is aan bestrijdingscapaciteit, worden ook andere bestrijdingsmethoden aangeboden. Deze methoden worden hier ook besproken. Ze zijn vaak niet voldoende effectief of moeten nog toegelaten worden door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De bestrijding van Eikenprocessierupsen dient op de juiste manieren plaats te vinden. Verkeerde ontwikkelstadia van de rupsen, het verkeerd aanbrengen van de middelen of ongunstige weersomstandigheden kunnen leiden tot ongewenste (lage) resultaten. We benadrukken dat bestrijdingsdiensten met aantoonbare deskundigheid en ervaring en effectief bewezen en door het Ctgb toegelaten bestrijdingsmethoden gebruikt moeten worden om tot een goed resultaat te komen. Preventieve bestrijding De term preventieve bestrijding heeft betrekking op het moment van bestrijding: deze vindt plaats in de eerste levensfasen van de Eikenprocessierups, waarbij de rups geen of zeer weinig brandharen heeft (rupsfase 1-2-3) en er dus nog geen sprake is van overlast. Door bestrijdingsdiensten zoals groen- en boomverzorgingsbedrijven worden diverse bestrijdingsmethoden aangeboden.
Daar zitten methoden bij die gebruik maken van bestrijdingsmiddelen die niet door het Ctgb zijn goedgekeurd of technieken waarvan niet wetenschappelijk is vast komen te staan dat ze echt werken. Wij raden aan om alleen beproefde bestrijdingsmethoden te gebruiken, vanwege kosten, verwachtingen en ecologische impact. Voor de preventieve bestrijding worden 2 methoden gebruikt: bespuiting van de jonge rupsen met nematoden (Steinernema feltiae) en bespuiting van de jonge rupsen met een bacteriepreparaat (Bacillus thuringiensis). Wanneer preventieve bestrijding succesvol wordt uitgevoerd, zal er nauwelijks overlast van brandharen ervaren worden, omdat de rupsen niet de levensfase L4 – L5 - L6 bereiken waarin ze brandharen dragen. Bespuiting met nematoden (productnaam Tp-nema of Entonem) Nematoden of aaltjes zijn kleine wormachtige diertjes die van nature in de Nederlandse bodem voorkomen. Voor de behandeling van Eikenprocessierupsen wordt de nematode Steinernema feltiae gebruikt. Deze nematode leeft in symbiose met een bacterie die er de oorzaak van is dat de rups sterft. De bacterie zorgt voor een darminfectie bij de rups, waardoor de rups stopt met eten en na 5-10 dagen sterft. Het aanbrengen van nematoden gebeurt door middel van een draagstof die rijkelijk (tot druipends toe) in de gehele boomkronen wordt geblazen met een luchtondersteunende bomennevelspuit (>300 m3 luchtdebiet).
Aangezien nematoden bodemdieren zijn, kunnen ze buiten de bodem maar gemiddeld 2 á 3 uur in leven blijven. Ze drogen gemakkelijk uit en sterven snel bij blootstelling aan UV-licht. De bespuiting met nematoden dient daarom plaats te vinden in de avond en nacht, bij een temperatuur van minimaal 4º C., lage windsnelheden (minder dan 3m/sec) en zo goed als droge weersomstandigheden, omdat de nematoden bij regen van de takken spoelen. College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 61/85 40 Hoge luchtvochtigheid en zachte motregen werken echter positief omdat de nematoden dan minder snel uitdrogen. Gezien de korte werkingsduur van de nematoden en de weersomstandigheden optimaal moeten zijn voor een hoog resultaat, kan de effectiviteit lager uitvallen dan verwacht. Het is daarom wenselijk om de bespuiting na een week nogmaals te herhalen. De nematoden dringen de rupsen binnen via mond, anus en stigmata (ademsopeningen). Door de opgelopen darminfectie stoppen de rupsen met eten en sterven in hun nest. In de kadavers ontstaat een nieuwe generatie nematoden die naar de dichtstbijzijnde rupsen kruipen. Voorwaarde is dat het op dat moment vochtig en donker is. Als de nieuwe generatie nematoden geen nieuwe gastheren vindt, zullen ze sterven. De nematoden dringen ook bij andere insecten met een zacht lijf binnen, zoals rupsen van andere vlinders.
Deze soorten kunnen echter worden ontzien door de bespuiting zeer vroeg in het seizoen te laten plaatsvinden (EPR-rupsstadium 1 en 2), als rupsen van andere vlinders nog niet of slechts in kleine aantallen aanwezig zijn. Door het Kenniscentrum Processierups wordt ieder jaar bekend gemaakt wanneer de eerste Eikenprocessierupsen zijn waargenomen in Nederland, via de website Nature today. Binnen een week na deze melding kan de eerste toepassing van de nematoden plaatsvinden bij geschikte weersomstandigheden. Nematoden zijn niet schadelijk voor mensen en voor andere dieren dan vlinders. Na de bespuiting(en) moet worden bekeken hoeveel Eikenprocessierupsen nog tot ontwikkeling komen. Als het resultaat lager is dan 80%, moet in het volgend jaar de dosis nematoden verhoogd worden of gekozen worden voor een bespuiting met een bacteriepreparaat. Samenvattend + Redelijk selectief middel, door vroege toepassing (EPR-rupsstadium 1 en 2) kan schade aan andere rupsen voorkomen worden; + De nematoden brengen buiten andere rupsen en “soft body-insecten” geen schade aan voor andere dieren en voor de mens; + Bespuiting met nematoden die goed wordt uitgevoerd, leidt ertoe dat er minder Eikenprocessie- rupsen uitgroeien tot vlinder.
Daardoor is er in het volgend jaar minder overlast te verwachten; - Het middel moet ’s avonds en ’s nachts met een luchtondersteunende bomennevelspuit (>300 m3 luchtdebiet) worden aangebracht, dit levert ’s nachts geluidhinder op; - Het middel is alleen effectief als het onder gunstige weersomstandigheden (temperatuur >4º C., windsnelheid <3 m/sec, geen regen) wordt aangebracht; - De nematoden leven buiten de rupsen maar maximaal 3 uur, daarom is het raadzaam om op plekken met een hoge prioriteit de bespuiting na een week te herhalen. Dit betekent dat er twee maal ’s nachts sprake is van geluidhinder en verstoring. Bespuiting met bacteriepreparaat (productnaam Xen Tari WG, Turex WG/spuitpoeder en Florbac) Bij dit bestrijdingsmiddel worden bacteriën van de stam Bacillus thuringiensis (Bt) aizawai in de boomkronen gespoten met een luchtondersteunende boomnevelspuit (>300 m3 luchtdebiet). Het is daarbij de bedoeling dat de bacteriën op het jonge blad van eiken belanden. Spuitmiddel dat direct op de rupsen belandt, heeft geen effect. Doordat de Eikenprocessierups van de bladeren eet, krijgt het dier de bacteriën binnen. De bacteriën scheiden een schadelijke stof af die het darmkanaal van de rupsen aantast. De rupsen stoppen met eten en sterven na 2 tot 10 dagen. Voor een goed effect moeten de bomen een bladontplooiing van 40-50% hebben.
Als er te vroeg wordt gespoten en er nog weinig bladontplooiing is, zijn er naderhand teveel onbehandelde bladeren beschikbaar en neemt slechts een deel van de rupsen de bacteriën op. Dit middel is biologisch afbreekbaar door UV-licht en afspoeling door regen. Maar het is beduidend persistenter dan de nematodenpreparaten: afhankelijk van de weersomstandigheden blijft het middel 1-7 dagen effectief. Daar waar het middel tegelijkertijd wordt aangewend met een UV- College van burgemeester en wethouders - 11 februari 2020 - 2020_B&W_00048 62/85 41 beschermer, kan de werking van het bacteriepreparaat worden verlengd tot 14 dagen. Daarnaast kan het wenselijk zijn om de bespuiting te herhalen indien de weersomstandigheden bij de eerste spuitronde ongunstig waren. Het middel kan zowel overdag als ’s nachts worden opgebracht. Tijdens en tot een uur na de bespuiting mag het niet regenen en niet te hard waaien (minder dan 3m/sec). Een optimale werking wordt verkregen bij een dagtemperatuur van 15º C. omdat de Eikenprocessierupsen bij deze temperatuur hard groeien en veel eten. Na de bespuiting moet worden bekeken hoeveel Eikenprocessierupsen nog tot ontwikkeling komen. Als het resultaat lager is dan 80%, moet goed onderzocht worden waarom het resultaat tegenvalt: bij een juiste uitvoering met het bacteriepreparaat mag het resultaat niet lager dan 80% zijn.