CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

15.0 Schriftelijke vragen GL - Jacht op hazen en konijnen - beantwoording 20211103.pdf

Raadsvergadering 9 november 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken77.590 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 9

In het werkplan wordt per jachtveld aangegeven hoeveel reeën gedood moet worden om de belangen uit de ontheffing te bedienen. Dit is in hoofdzaak gericht op verkeersknelpunten waarbij het lineaire verband tussen populatiegrote en verkeersaanrijdingen uitgangspunt is. Voor het jaarlijks bepalen van verkeersknelpunten worden de aanrijdingslocaties uit het BoaRegistratieSysteem gebruikt. Ook dit werkplan wordt eerst beoordeeld door de FBE en vervolgens ter vaststelling voorgelegd aan de provincie. De FBE legt in de komende planperiode contact met de wegbeheerder teneinde maatregelen in de buurt van verkeersknelpunten te treffen en daarmee het aantal aanrijdingen te verminderen. Voorkomen van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren Het belang van de voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige reeën is wenselijk, mede gelet op de intrinsieke waarde van het individuele dier. In geval van onnodig lijden van deze dieren moet regulerend opgetreden kunnen worden. Er moet sprake zijn van schade voor het individuele dier. De noodzaak tot het uit hun lijden verlossen van in het wild levende dieren kan met name aan de orde zijn bij gewonde of zieke grote hoefdieren. Opdracht valwild Deze opdracht wordt aangevraagd voor de volgende 2 situaties: 1.

door aanrijding verwonde grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) moeten met behulp van het geweer gedood worden en eventueel is een zweethond nodig om ze na te zoeken. Dit is in heel Overijssel; 2. grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) die zich op of in de onmiddellijke nabijheid van verkeerswegen bevinden in geheel Overijssel kunnen een gevaar voor de verkeersveiligheid zijn, ze moeten dan met behulp van het geweer geschoten worden; 8.1.9 Registratie van tellingen en afschot en monitoring In dit faunabeheerplan staan de hoofdlijnen en doelen van het planmatige beheer van het Reewild binnen Overijssel. Zoals reeds aangegeven zijn hiertoe Reewildregio’s in het leven geroepen. Daarnaast wordt voorgesteld om het beheer meer gebiedsspecifiek te maken door het concretiseren van de hoofdlijnen van het beleid binnen op regio niveau op te stellen Reewildbeheerplannen en jaarlijks vast te stellen werkplannen. Hierbij geldt dat de faunabeheereenheid, in samenwerking met de binnen de reewildregio’s gevestigde WBE’s, zorgdraagt voor het opstellen van vier College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636126/284 120 Reewildbeheerplannen op regioniveau. Deze plannen worden opgesteld voor de looptijd van het faunabeheerplan en worden goedgekeurd door de provincie.

Op jaarbasis worden op WBE-niveau werkplannen opgesteld, waarbij voor een jaar wordt geconcretiseerd hoe het Reeënbeheerplan wordt uitgevoerd. De provincie zal het werkplan vervolgens vaststellen. Uiterlijk 2019 stellen FBE en provincie gezamenlijk concrete en toetsbare criteria vast, aan welke inhoudelijke eisen het werkplan moet voldoen en hoe de goedkeuring van de plannen tot stand komt. Omdat sprake is van uitvoering van taken door vrijwilligers worden zij gefaciliteerd door de faunabeheereenheid met een format. De provincie ontvangt jaarlijks een overzicht van deze werkplannen. Naast het werkplan zal het resultaat van het uitgevoerde beheer en tellingen jaarlijks door de WBE aan de faunabeheereenheid worden gerapporteerd. Deze tellingen zullen plaatsvinden op basis van het “Telprotocol Reeën Overijssel”. De faunabeheereenheid rapporteert jaarlijks aan de provincie. Wildmerken Uit oogpunt van registratie, toezicht en handhaving, vermindering administratieve lastendruk maar in toenemende mate ook vanuit traceerbaarheid in kader van de voedselveiligheid, is het noodzakelijk dat mede gelet op de aantallen stuks reewild, deze worden voorzien van een uniek nummer. Elke geschoten ree wordt derhalve van een uniek wildmerk voorzien. De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor de distributie van de wildmerken aan de WBE’s.

De unieke nummers staan vermeld op de machtiging voor het gebruik van de ontheffing die de jachthouder ontvangt. WBE- gebieden hebben de mogelijkheid om na uiteindelijke goedkeuring door de provincie in beperkte mate een aantal van de merken gedurende het seizoen opnieuw te verdelen. Namelijk: de WBE’s kunnen binnen hun eigen werkgebied tot maximaal 5% van de toegekende wildmerken schuiven met de merken zonder goedkeuring vooraf door de FBE en provincie. Het komt in de praktijk voor dat door werkzaamheden in het veld sommige jachthouders niet geheel kunnen voldoen aan hun verplichting. Door te kunnen schuiven kan het afschot op WBE-niveau dan mogelijk wel gerealiseerd worden. Daarnaast heeft de WBE de mogelijkheid om eveneens tot maximaal 5% van de toegekende wildmerken te gebruiken als stimulering voor vroeg afschot in de toegestane periode zonder goedkeuring vooraf door de FBE en provincie. De eventuele herverdeling op basis van beide bovenstaande mogelijkheden blijft uiteraard gebaseerd op de knelpuntenanalyse (locaties met relatief veel aanrijdingen) met controle door FBE en/of provincie achteraf. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636127/284 121 Het gebruik van wildmerken is bedoeld voor de nacontrole of inderdaad al het afschot is gemeld. Juist omdat hierdoor elk stuk reewild uniek gemaakt wordt.

Tevens is het een probaat hulpmiddel bij het traceren waar en wanneer een ree is geschoten. De provincie Overijssel kent een zgn. valwildregistratie systeem. Aangereden en doodgereden reeën dienen gemeld te worden bij de meldkamer van de politie. Deze zorgt er vervolgens voor dat er een zogenaamde valwildvrijwilliger wordt gewaarschuwd en deze gaat naar de locatie van de aanrijding. Vervolgens draagt de valwildvrijwilliger er zorg voor dat het dier wordt afgemeld in het BRS (BoaRegistratieSysteem). Op deze manier wordt inzicht gekregen in het aantal verkeersongevallen met reewild. Voor de afhandeling van aangereden hoefdieren in het kader van de uitvoering van de valwildregeling worden door de valwildvrijwilligers (aangewezen personen) zogenaamde valwildmerken gebruikt. 8.1.10 Staat van instandhouding Door de IUCN wordt de ree aangeduid als ‘Least Concern’ en wordt gesteld dat het ree wijdverspreid en algemeen voorkomend is met een aantal van rond de 15 miljoen individuen in Europa. In Overijssel komt de ree in de gehele provincie voor met een populatie van gemiddeld 10.000 getelde individuen. De huidige staat van instandhouding van het ree wordt niet negatief beïnvloed door het beheer in het kader van verkeersveiligheid.

Voor Nederland en voor Overijssel volgt dat het ree geen bedreigde diersoort is en waarbij ook met zekerheid kan worden gesteld dat ook op de langere termijn geen bedreigingen bestaan die de soort in gevaar kunnen brengen. Ook de op te stellen reewildbeheer- en werkplannen dragen bij aan het borgen van de staat van instandhouding. Deze plannen zorgen voor borging zodat er jaarlijks gestuurd kan worden ten aanzien de aantallen reeën, de voorjaarsstand, het aantal verkeersaanrijdingen en de draagkracht. 8.1.11 Effectiviteit van beheermaatregelen Groot Bruinderink (2010) stelt dat er een relatie is aangetoond tussen de dichtheid van reewild (en wild zwijn) en het optreden van aanrijdingen. Het reguleren van de populatieomvang (beheer), is dan ook noodzakelijk om aanrijdingen met reeën, als gevolg van migratie van reeën, te beperken (verkeersveiligheid). Hierdoor wordt dan onnodig lijden als gevolg van aanrijdingen voorkomen. Indien de populatieomvang de optimale draagkracht van het gebied overstijgt leidt dit tot meer migratie van het ree, hetgeen de kans op aanrijdingen verhoogt. Risico’s op aanrijdingen ontstaan uit enerzijds de omvang van de populatie, maar ook uit het gedrag van Reeën. Bokken houden als regel van jaar tot jaar hetzelfde territorium en verdedigen dit tegen andere bokken. Jaarlingbokken, hebben nog geen eigen territorium en zwerven rond.

Onderling maken ze dan een rangorde uit. Omdat ze nog weinig concurrentie vormen, worden zwakke jaarlingen in het territorium van een volwassen of oude bok geduld, maar worden sterke jaarlingbokken meestal wel weggejaagd. Dit verklaart een deel van de toename van het aantal aanrijdingen gedurende de maanden april en mei van het jaar. Een andere factor is dat de geit in deze periode haar kalveren verstoot. Als eerste wordt het bokkalf verstoten en deze verdwijnt dan voorgoed uit het leefgebied van de geit. Kort voordat de geit weer opnieuw kalveren krijgt, verstoot ze het geitkalf. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636128/284 122 Een andere oorzaak voor toename of afname van het aantal aanrijdingen kan zijn gelegen in aanpassingen van de openbare ruimte, toegenomen of verminderd gebruik van infrastructuur, de aanleg van infrastructuur (o.a. aanleg van een ecoduct) of aanpassing (intensivering) van recreatief (mede)gebruik van gebieden. Ook deze aspecten moeten worden meegenomen bij de bepaling van de noodzaak van de inzet van beheerinstrumentarium bij het duurzaam reewildbeheer. Om in de jaarlijkse beheerperiode effectief te kunnen sturen op het verminderen van verkeersaanrijdingen moeten WBE’s met een valwildpercentage hoger dan 8% voor de periode 1 januari tot 1 april wildmerken voor het beheer van bokkalveren toekennen.

Deze bokkalveren dienen ook opgenomen te worden in de werkplannen. Deze maatregel dient te voorkomen dat bokkalveren die bij de geit weggejaagd worden, gaan zwerven, op zoek naar een territorium, en daarbij onrust veroorzaken bij soortgenoten waardoor de migratie van soortgenoten toeneemt. 8.1.12 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 8.1.13 Plaats en perioden van beheermaatregelen Ten behoeve van het wettelijk belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid in dit geval specifiek voor de optimalisatie van de verkeersveiligheid wordt voor het gehele werkgebied van de FBE ontheffing aangevraagd ten behoeve van: • Het populatie reducerend beheer van de reeënpopulatie door middel van afschot in de periode van 01 januari tot 01 oktober. In de periode van 01 januari tot 01 april vindt beheer plaats van beide geslachtsklasses (geiten, geitkalveren en bokkalveren).

Met name beheer van de bokkalveren in deze periode draagt bij aan de reductie van de piek in het aantal aanrijdingen in april en mei. In de periode van 01 april tot 01 oktober vindt beheer plaats van de gehele mannelijke klasse. De keuze voor verruiming van de beheerperiode (van 15 september naar 01 oktober) t.o.v. de vorige planperiode is gebaseerd op het beter zichtbaar zijn van de reeën i.v.m. de maisoogst in die periode. • Het jaarrond voorkomen en bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige reeën, mede gelet op de intrinsieke waarde van het individuele dier. In geval van onnodig lijden van deze dieren moet regulerend opgetreden kunnen worden. Voor valwild, zie paragraaf. 8.5 College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636129/284 123 Edelhert (Cervus elaphus) 8.2.1 Algemeen Het edelhert is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming. Deze soort is niet als instandhoudingsdoelstelling binnen de Overijsselse Natura 2000-gebieden opgenomen. 8.2.2 Kwantitatieve gegevens Tot ongeveer 1500 kwam het edelhert nog in verschillende delen van het land voor. Na de eerste helft van de negentiende eeuw heeft de soort alleen op de Veluwe standgehouden. In 1992 zijn in de Oostvaardersplassen 44 edelherten losgelaten. In 2012 omvatte deze populatie, net als op de Veluwe, zo’n 2500 exemplaren.

In 2005 werd een kleine groep edelherten ‘geparkeerd’ in een raster in het Weerterbos, met als doel deze later uit te zetten in het Belgisch-Nederlands Kempens Plateau. Vanwege de geringe oppervlakte van dit raster (<5000 ha) is hun status die van ‘gehouden dieren’. De stijging in het aantal atlasblokken waarin in deze periode edelherten zijn waargenomen is niet alleen het gevolg van gericht ‘ontsnipperingsbeleid’ op de Veluwe en groei van de populatie in de Oostvaardersplassen, maar ook doordat in Twente, de Achterhoek en Zuid-Limburg incidenteel edelherten opduiken uit Duitsland en de Ardennen. Figuur 114. Verspreiding van het edelhert in Overijssel (bron: https://www.verspreidingsatlas.nl) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636130/284 124 Edelherten leefden van oorsprong in open bossen maar zijn aangepast aan allerlei biotopen, van drogere loofbossen en heidevelden tot vochtige milieus als vennen en moerassen, maar ook in hoogland en berggebieden tot boven de boomgrens. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor bosgebieden die grenzen aan grasgebieden en rivierdalen met ooibossen. In de winter moet er gras binnen bereik zijn en ook de aanwezigheid van (drink)water is belangrijk (Bron: Zoogdiervereniging). In Nederland is voedsel in ruime mate aanwezig voor edelherten waardoor dit geen beperking vormt voor uitbreiding van de populatie.

Daarentegen hebben edelherten behoefte aan plekken waar zei in alle rust kunnen verblijven. Deze verstoringsgevoeligheid maakt een groot aantal gebieden in Nederland en ook Overijssel minder geschikt voor edelherten. Een duidelijke landelijke trend is momenteel lastig in te schatten echter lijkt deze in aantallen te gaan dalen door het afschot van grote aantallen (ca. 1800) edelherten in de Oostvaardersplassen. 8.2.3 Voorkomen en trend in Overijssel Incidenteel worden edelherten waargenomen in Overijssel. Het merendeel van de waarnemingen zijn afkomstig uit Twente, langs de Duitse grens. In 2010 worden ook herten gezien in Hoge Hexel, op de Sallandse Heuvelrug en in de landgoederen Twickel bij Delden en het Lankheet bij Haaksbergen. Het aantal edelherten dat min of meer permanent voorkomt wordt geschat op 3 tot 6 exemplaren. Van een trend is door dit geringe aantal geen sprake. 8.2.4 Wettelijke status en provinciaal beleid Het edelhert is niet opgenomen als instandhoudingsdoel van Natura 2000-gebieden en ook niet in Overijsselse beleidsplannen. Een gewenste stand is voor het edelhert in Overijssel niet bepaald. Doelstellingen voor het edelhert zijn het voorkomen van onnodig lijden van dieren en alleen optreden wanneer er onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid. Dit optreden dient alleen plaats te vinden in opdracht van de politie of Gedeputeerde Staten.

8.2.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding Momenteel is in het geval van het edelhert nog geen noodzaak voor schadebestrijding. In het geval van toenemende landbouwschade of verkeersaanrijdingen zou dit heroverwogen kunnen worden. 8.2.6 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Mocht de situatie zich voordoen dat er belangrijke schade aan wettelijke belangen ontstaat kan allereerst naar de middelen worden gekeken welke reeds benoemd zijn in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). In de afgelopen periode heeft zich 1 aanrijding voorgedaan en is er geen belangrijke landbouwschade getaxeerd 8.2.7 Gevoerd beheer afgelopen periode. Voor het edelhert is in de afgelopen beheerperiode geen sprake geweest van een ontheffing welke verstoren, verjagen of doden mogelijk maakt. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636131/284 125 8.2.8 Uitvoering beheermaatregelen In de afgelopen beheerperiode zijn er geen beheermaatregelen uitgevoerd. Naar verwachting zullen beheermaatregelen in de nieuwe beheerperiode ook niet noodzakelijk zijn. Optreden is alleen wenselijk wanneer onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid en dan alleen in opdracht van Gedeputeerde Staten. Deze opdracht wordt aangevraagd voor de volgende 2 situaties: 1.

door aanrijding verwonde grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) moeten met behulp van het geweer gedood worden en eventueel is een zweethond nodig om ze na te zoeken. Dit is in heel Overijssel; 2. grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) die zich op of in de onmiddellijke nabijheid van verkeerswegen bevinden in geheel Overijssel kunnen een gevaar voor de verkeersveiligheid zijn, ze moeten dan met behulp van het geweer geschoten worden. 8.2.9 Registratie van tellingen en afschot en monitoring Momenteel vinden er geen tellingen van edelherten plaats en zijn deze ook niet gepland voor de komende beheerperiode. Afschot van edelherten is momenteel niet toegestaan anders dan wanneer onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid. Monitoring van dit afschot is momenteel niet aan de orde. 8.2.10 Staat van instandhouding Gezien de geruime periode dat edelherten al in Nederland aanwezig zijn, met stabiele aantallen en dit met een toenemende verspreiding zal de huidige staat van instandhouding van edelherten in de komende beheerperiode niet in gevaar komen. 8.2.11 Effectiviteit van beheermaatregelen Voor de komende beheerperiode worden geen andere beheermaatregelen voorgesteld dan in de vorige beheerperiode.

Optreden is binnen dit beleid alleen wenselijk wanneer onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid en dan alleen in opdracht van Gedeputeerde Staten. De effectiviteit van beheermaatregelen behoeft dan ook geen nadere toetsing. 8.2.12 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 8.2.13 Beheermaatregelen Het edelhert staat in het Kader FBP 2019-2024 in de kolom beheer- en schadesoorten, echter niet voor een ontheffing met een looptijd van 5 jaar. Als uit de monitoring blijkt dat er sprake is van College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636132/284 126 belangrijke schade door, dan wel het veelvuldig voorkomen van aanrijdingen met het edelhert dan kan de FBE besluiten om een ontheffing aan te vragen voor beheer. Valwild, Zie par. 8.5 Damhert (Dama dama) 8.3.1 Algemeen Het damhert is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming.

Deze soort is niet als instandhoudingsdoelstelling binnen de Overijsselse Natura 2000-gebieden opgenomen. 8.3.2 Kwantitatieve gegevens Het damhert behoort niet tot onze inheemse fauna. Vanwege de jacht is deze in ons land ingevoerd en uitgezet. Het damhert komt voornamelijk voor op de Veluwe en in de duinstreek. Grote vrij levende populaties (vele honderden dieren) komen voor in de duingebieden van Kennemerland (Nationaal Park Zuid-Kennemerland, de Amsterdamse waterleidingduinen), Schouwen-Duiveland (Kop van Schouwen), de Veluwe en kleinere populaties in de Manteling van Walcheren, het Horsterwold en op de Utrechtse Heuvelrug. Vanuit deze natuurgebieden zwerven dieren regelmatig uit naar de omgeving. Door het hele land worden damherten gehouden op kinderboerderijen en hertenkampen. Daar ontsnappen wel eens dieren zodat er verspreid over Nederland in vrijwel elke provincie meerdere groepjes in de vrije natuur voorkomen. Figuur 115. Verspreiding van het damhert (bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/8496059#) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636133/284 127 Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onder begroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is.

Ook komt hij voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden. Damherten zijn van nature dagdieren maar door de jacht en in verstoorde gebieden zijn ze schemeringsdieren geworden. Overdag rusten en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op een afgelegen grasland. Het damhert kan goed zwemmen en springen en verplaatst zich met sprongen tot 2,5m ver en 2 meter hoog. Het reukvermogen, gezichtsvermogen en gehoor van het damhert zijn uitstekend. Een damhert dat gevaar ruikt, licht zijn staart op om zo de andere te waarschuwen. Damherten leven in roedels. Na de paartijd leven de mannetjes in vrijgezellengroepjes, terwijl de vrouwtjes (hinden) met hun jongen van dit en het voorgaande jaar in groepjes van vijf tot zeven dieren samenleven. Een hindenroedel wordt geleid door een dominant vrouwtje. Het damhert eet uitsluitend plantaardig voedsel. Het voedt zich met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge (boom)bladeren, dennen- en sparrennaalden, bessen, eikels, beukennoten, granen, wortelen en ‘s winters schors, hulst en heide (bron: www.zoogdiervereniging.nl). Dit voedsel is in zowel Overijssel als Nederland in ruime mate beschikbaar.

8.3.3 Voorkomen en trend in Overijssel De weinige dieren die van tijd tot tijd in Overijssel worden waargenomen zijn waarschijnlijk ontsnapte exemplaren uit hertenparken of uit een van de vele particuliere verzamelingen die de provincie telt. Mocht een wild exemplaar de provinciegrens oversteken is de hoeveelheid geschikt voedsel in ruime mate aanwezig. Direct aan de randen van de provincie zijn echter geen vrij levende populaties bekend. 8.3.4 Wettelijke status en provinciaal beleid Het damhert is niet opgenomen in Overijsselse beleidsstukken en is niet als instandhoudingsdoel opgenomen voor Natura 2000-gebieden. Doelstellingen (kader) voor het damhert zijn het voorkomen van onnodig lijden van dieren en alleen optreden wanneer er onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid. Dit optreden dient alleen plaats te vinden in opdracht van de politie of Gedeputeerde Staten. 8.3.5 Noodzaak schadebestrijding Voor het damhert is in de afgelopen beheerperiode geen sprake geweest van ontheffingen welke verstoren, verjagen of doden mogelijk maakt. Wel hebben er aanrijdingen plaatsgevonden in de periode van 08-02-2013 tot 12-08-2018, zie hiervoor figuur 116. Daar er geen wilde populatie damherten in Overijssel bekend is, betreffen dit ontsnapte exemplaren.

College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636134/284 128 Jaar Valwild aantal 2013 8 2014 5 2015 6 2016 3 2017 3 2018 1 Figuur 116. Aanrijdingen met damherten in de periode 08-02-2013 t/m 12-08-2018 in Overijssel (bron: BRS) De aanrijdingen met damherten vinden verspreid plaats over de provincie. In Bijlage 6 is een kaart bijgevoegd met daarop de aanrijdingen welke weergegeven zijn in figuur 117. WBE Valwild aantal De Hof van Twente 1 De Vechtstroom 1 Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden 3 Het Reestgebied 1 Hugale 1 Noorder Vechtlanden 2 Noord Oost Twente 4 Steenwijkerwold e.o. 2 Tussen Vecht en Dedemsvaart 3 Twickel 5 West-Twente 1 Zenderen 2 Figuur 117. Aanrijdingen met damherten per WBE in de periode 08-02-2013 t/m 12-08-2018 in Overijssel (bron: BRS) 8.3.6 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Mocht de situatie zich voordoen dat er belangrijke schade aan belangen ontstaat kan allereerst naar de middelen worden gekeken welke reeds benoemd zijn in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636135/284 129 8.3.7 Gevoerd beheer afgelopen periode. Voor het damhert is in de afgelopen beheerperiode geen sprake geweest van een ontheffingen welke verstoren, verjagen of doden mogelijk maakt.

Landbouwschade veroorzaakt door damherten is niet getaxeerd echter hebben er wel aanrijdingen plaats gevonden. Deze aanrijdingen betreffen aanrijdingen met gehouden/losgebroken dieren en vallen daardoor niet onder de werking van dit plan. 8.3.8 Uitvoering beheermaatregelen In de afgelopen beheerperiode zijn er geen beheermaatregelen uitgevoerd. Ook is er geen landbouwschade getaxeerd. Naar verwachting zullen beheermaatregelen in de nieuwe beheerperiode niet noodzakelijk zijn. Optreden is alleen wenselijk wanneer onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid en dan alleen in opdracht van Gedeputeerde Staten. Deze opdracht wordt aangevraagd voor de volgende 2 situaties: 1. door aanrijding verwonde grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) moeten met behulp van het geweer gedood worden en eventueel is een zweethond nodig om ze na te zoeken. Dit is in heel Overijssel; 2. grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) die zich op of in de onmiddellijke nabijheid van verkeerswegen bevinden in geheel Overijssel kunnen een gevaar voor de verkeersveiligheid zijn, ze moeten dan met behulp van het geweer geschoten worden. 8.3.9 Registratie van tellingen en afschot en monitoring Momenteel vinden er geen tellingen van damherten plaats en zijn deze ook niet gepland voor de komende beheerperiode.

Afschot van damherten is momenteel niet toegestaan anders dan wanneer onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid. Monitoring van dit afschot is momenteel niet aan de orde. 8.3.10 Staat van instandhouding Gezien de geruime periode dat damherten al in Nederland aanwezig zijn, met stabiele aantallen en dit met een toenemende verspreiding zal de staat van instandhouding van damherten in de komende beheerperiode niet in gevaar komen. 8.3.11 Effectiviteit van beheermaatregelen Voor de komende beheerperiode worden geen andere beheermaatregelen voorgesteld dan in de vorige beheerperiode. Optreden is binnen dit beleid alleen wenselijk wanneer onmiddellijk gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid en dan alleen in opdracht van Gedeputeerde Staten. De effectiviteit van beheermaatregelen behoeft dan ook geen nadere toetsing. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636136/284 130 8.3.12 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden.

Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 8.3.13 Beheermaatregelen Het damhert staat in het Kader FBP 2019-2024 in de kolom beheer- en schadesoorten, echter niet voor een ontheffing met een looptijd van 5 jaar. Als uit de monitoring blijkt dat er sprake is van belangrijke schade door, dan wel het veelvuldig voorkomen van aanrijdingen met het damhert dan kan de FBE besluiten om een ontheffing aan te vragen voor beheer. Valwild, Zie par. 8.5 Wild zwijn (Sus scorfa) 8.4.1 Algemeen Het wild zwijn is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming. Deze soort is niet als instandhoudingsdoelstelling binnen de Overijsselse Natura 2000-gebieden opgenomen. 8.4.2 Kwantitatieve gegevens Vanaf 2002 is het wild zwijn een bij de wet beschermd inheems zoogdier. Vanaf 2004 is het aantal plaatsen waar wilde zwijnen worden gezien verdubbeld en is de populatie ook meer verspreid over het oosten van het land. De wilde zwijnen komen in grote aantallen voor op de Veluwe, maar ook in Noord Brabant, Limburg, Overijssel en Drenthe zijn wilde zwijnen te vinden. Het aantal wilde zwijnen neemt al een aantal jaren toe. Op de Veluwe leeft verreweg de grootste populatie van Nederland en is daarmee een belangrijke pijler als het gaat om aantallen wilde zwijnen in Nederland.

Op de Veluwe hanteert men aan een aantal jaren een doelstand van tussen de 1000 en 1500 wilde zwijnen. Hierbij worden de aantallen jaarlijks door middel van afschot naar de gewenste doelstand gebracht. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636137/284 131 Figuur 118. Verspreiding van het wild zwijn in Nederland (bron https://www.verspreidingsatlas.nl/8496237#) 8.4.3 Voorkomen in Overijssel In Overijssel vinden we wilde zwijnen op de Sallandse Heuvelrug, in de Engbertsdijksvenen, het noordoosten van Twente en de natuurgebieden langs de grens. Precieze aantallen van wilde zwijnen in Overijssel zijn niet bekend. Dit heeft te maken met het feit dat nieuwe wilde zwijnen regelmatig over de grens met Duitsland komen. Wel zijn het aantal waarnemingen bekend. Het aantal waarnemingen van wilde zwijnen in Overijssel neemt jaarlijks toe. Figuur 119. Aantal waarnemingen van wild zwijn per jaar in Overijssel (bron: NDFF, gegevens tot 10 oktober 2017, waarnemingen levende exemplaren, sporen, uitwerpselen) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636138/284 132 8.4.4 Wettelijke status en provinciaal beleid Tot 1 januari 2017 golden de Beleidsregels Faunabeheer Provincie Overijssel 2014 op basis van de Flora- en faunawet. Deze beleidsregels zijn ingetrokken in verband met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming.

Op het punt van Faunabeheer is de provincie Overijssel beleidsneutraal overgegaan, en het bestaande beleid zoals dat gold onder de Flora- en faunawet wordt voortgezet. Dat blijkt ook uit het document ‘Handreiking onderdeel Schadebestrijding en faunabeheer’ dat de provincie Overijssel gebruikt voor de beoordeling van ontheffingsaanvragen. In de Handreiking onderdeel Schadebestrijding en faunabeheer van de provincie Overijssel staat op bladzijde 13: “Verkeersveiligheid, vallend binnen het begrip openbare veiligheid, kan in het geding komen wanneer grotere dieren wegen oversteken. Relevante soorten zijn Damhert, Edelhert, Wild zwijn en Ree. Onder meer vanwege verkeersveiligheid kan ontheffing c.q. aanwijzing worden afgegeven voor afschot van deze dieren.” Het Kader Faunabeheerplan 2019-2024 (zie bijlage 9) wordt gebruikt voor het beoordelen van het verzoek om een ontheffing. Het Kader voor het nieuwe Faunabeheerplan concretiseert het bestaande beleid. In het kader staat op bladzijde 21 over het wild zwijn het volgende: Wild zwijn Beoogd resultaat: • Voorkomen schade. • Beperken landbouwschade tot maximaal niveau 2014 • Voorkomen schade aan flora en fauna. • Voorkomen risico’s volksgezondheid, ook het risico van dierziekten. • Voorkomen aanrijdingen (verkeersveiligheid). • Voorkomen onnodig lijden van dieren.

8.4.5 Noodzaak schadebestrijding: ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen Kijkend naar de getaxeerde schade door wilde zwijnen vanaf 2010 valt op dat de schade per jaar sterk verschilt, zie hiervoor figuur 120 en figuur 121. In 2011, 2014 en 2017 was er een piek in de getaxeerde schade waarnaast in 2012 en 2013 de schade een stuk lager was. In 2014 en 2015 was er weer een piek en in 2016 werd geen schade getaxeerd. Dit komt doordat er in 2016 wel meldingen van schade zijn gedaan echter zijn er geen aanvragen om tegemoetkoming in de schade ingediend bij BIJ12. Jaar Getaxeerde schade 2010 € 2.715 2011 € 6.249 2012 € 116 2013 € 216 2014 € 9.118 2015 € 3.100 College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636139/284 133 2016 € 0 2017 € 12.314 2018 € 2.572 Figuur 120. Getaxeerde schade periode 2010 t/m 2018 provincie Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 121. Getaxeerde schade 2010 t/m 2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De gewassen waar vanaf 2010 de meeste schade in is aangericht zijn mais, aardappelen en grasland, zie hiervoor figuur 122. Ook de meeste meldingen zijn gedaan voor schade aan mais en blijvend grasland. Door de kapitaalintensievere teelt van aardappelen en mais ten opzichte van blijvend grasland betreft het bij deze gewassen echter al snel hoge schadebedragen.

Gewas Aantal meldingen Getaxeerde schade Aardappels 5 € 8.274 Blijvend grasland 10 € 4.681 Nieuw ingezaaid grasland 2 € 6.564 Mais 12 € 15.227 Suikerbieten 2 € 1.654 Totaal 31 € 36.400 Figuur 122. Getaxeerde schade per gewas in de periode 2010 t/m 2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Het WBE-gebied waar de meeste schade getaxeerd is betreft WBE Vriezenveen e.o. zie hiervoor figuur 123. Dit is ook het WBE-gebied waar de aparte ontheffing voor het doden van wilde zwijnen ook in de nachtperiode met geweer en nachtzichtapparatuur om het N2000-gebied Engbertsdijksvenen loopt. €- €2.000,00 €4.000,00 €6.000,00 €8.000,00 €10.000,00 €12.000,00 €14.000,00 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636140/284 134 WBE Aardappels Blijvend grasland Nieuw ingezaaid grasland Mais Suikerbieten Totaal getaxeerde schade Noord Oost Twente € 216 € 216 Salland Midden € 322 € 322 Vriezenveen e.o. € 8.274 € 1.086 € 6.564 € 15.011 €1.654 € 32.589 Zuid-Oost Twente € 3.273 € 3.273 Totaal € 36.400 Figuur 123. Getaxeerde schade per gewas per WBE in de periode 2010 t/m 2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De meeste schade ontstaat in de maand mei, zie hiervoor figuur 124 en figuur 125. In de vorige maanden is wel schade getaxeerd echter valt dit niet te vergelijken met de schade van mei.

Periode Getaxeerde schade Januari € 576 Februari €1.160 Maart € 836 April € 0 Mei € 22.457 Juni €5.832 Juli € 216 Augustus € 0 September € 0 Oktober €3.786 November €1.537 December € 0 Figuur 124. Getaxeerde schade per maand in de periode 2010 t/m 2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636141/284 135 Figuur 125. Getaxeerde schade per maand in de periode 2010 t/m 2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) 8.4.6 Noodzaak schadebestrijding: ten behoeve van de openbare veiligheid Het aantal stuks valwild lijkt in de jaren toe te nemen, figuur 126 geeft dit weer. In algemeenheid lijkt dit te wijzen op een toenemende stand van de wilde zwijnen. Een kaart van de locaties van de aanrijdingen met wilde zwijnen is in bijlage 7 opgenomen. Jaar Valwild aantal 2013 2 2014 1 2015 3 2016 3 2017 5 2018 3 Figuur 126. Valwild in de periode 2013 t/m 2018 (bron: BRS) 8.4.7 Noodzaak schadebestrijding: ter voorkoming van ernstige schade aan veehouderijen Op 13 september 2018 is Afrikaanse varkenspest (AVP) vastgesteld bij wilde zwijnen in de Belgische provincie Luxemburg. AVP is een ernstige besmettelijke virusinfectie bij varkens (inclusief wilde zwijnen) die vaak tot sterfte leidt. De ziekte is op basis van Europese regelgeving bestrijding plichtig.

AVP verspreidt zich direct door contact tussen varkens en zwijnen en indirect via met virus verontreinigd materiaal, zoals transportmiddelen en mest. Het virus kan ook worden overgebracht door het voeren van besmet varkensvlees en andere varkensproducten. Het voeren van deze producten (swillvoedering) is in de Europese Unie (EU) verboden. Introducties worden echter wel geweten aan het illegaal voeren van varkens met deze producten. Er is geen vaccin tegen AVP beschikbaar. €- €5.000,00 €10.000,00 €15.000,00 €20.000,00 €25.000,00 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636142/284 136 De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geeft in haar kamerbrief van 24 september 2018 aan dat het verloop van de epidemie in de afgelopen maanden, waarbij de besmetting van wilde zwijnen in België een onverwachte en zorgwekkende ontwikkeling is. Daarom blijft het van groot belang dat maatregelen worden getroffen om de kans op introductie zo klein mogelijk te maken, en om goed voorbereid te zijn op de bestrijding als een besmetting van wilde zwijnen of uitbraak onder gehouden varkens onverhoopt toch plaatsvindt. De minister geeft aan dat de kans dat de AVP zich in Nederland verspreid door menselijk handelen door de deskundigengroep dierziekten ingeschat wordt als ‘klein tot medium’.

De gevolgen van een uitbraak van AVP zijn, blijkens de voorbeelden in andere Europese lidstaten in Oost-Europa heel groot. Het ministerie van LNV heeft een landelijk draaiboek uitgevaardigd in het kader van de AVP. 2 8.4.8 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen In de Handreiking Faunaschade van BIJ12 unit Faunazaken staan preventieve middelen opgesomd die genomen kunnen worden ter bestrijding van schade door wilde zwijnen. Voorbeelden zijn geurstoffen, gaasraster, elektrisch draadraster, emeltbestrijding en het gebruik van het geweer. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven aan welke vereisten een gaasraster voor wilde zwijnen moet voldoen. Het treffen van preventieve maatregelen, zoals het plaatsen van afrastering langs wegen en schadegevoelige percelen (waaronder blijvend grasland) is vanwege de rondtrekkende aard van wilde zwijnen niet mogelijk. De werende middelen zijn praktisch gezien niet overal toepasbaar of effectief. Mede gelet op de kosten kunnen rasters gezien de grote weglengte en de grote lengte van de schadepercelen, niet als bevredigende alternatieven worden beschouwd. Bovendien beperkt de plaatsing van rasters de mogelijkheid tot uitwisseling van andere dieren tussen de verschillende kerngebieden in Overijssel. Dit laatste is in strijd met de doelstellingen voor het Nationaal Natuurnetwerk om uitwisseling van deelpopulaties mogelijk te maken.

Door deskundigen wordt, vooral bij drukkere wegen, getwijfeld aan de effectiviteit van wildspiegels. In specifieke individuele gevallen kan het plaatsen van een afrastering een oplossing bieden bij het tegengaan van schade aan kapitaalintensieve gewassen. Echter, gezien de oppervlakte van agrarische percelen met kwetsbare gewassen in oostelijk Overijssel is het afrasteren van die percelen onwenselijk (om eerder genoemde redenen) en bedrijfseconomisch niet haalbaar. Andere preventieve maatregelen bieden alleen een oplossing in combinatie met afrastering. Alternatieve maatregelen zoals wildreflectoren en waarschuwingsfluiten blijken weinig tot geen effect te hebben bij het voorkomen van aanrijdingen. 8.4.9 Gevoerd beheer afgelopen periode Op 5 februari 2004 heeft Gedeputeerde Staten van Overijssel een aanwijzingsbesluit genomen voor het doden van wilde zwijnen met gebruikmaking van het geweer in de Overijsselse gemeente 2 https://www.nvwa.nl/documenten/dier/dierziekten/vogelgriep/protocollen/nvwa-draaiboek-uitvoering-ai-kvp--avp-en-mkz College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636143/284 137 Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hardenberg, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Ommen, Rijssen, Tubbergen, Twenterand en Wierden.

Op 20 oktober 2008 heeft Gedeputeerde Staten van Overijssel een aanwijzingsbesluit genomen voor het doden van wilde zwijnen met gebruikmaking van het geweer in de Overijsselse gemeenten Raalte, Zwolle, Olst-Wijhe, Dalfsen, Deventer, Kampen, Staphorst, Steenwijkerland en Zwartewaterland. Daarnaast is voor het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen ontheffing verleend, waarbij gebruik mag worden gemaakt van het geweer met nachtzichtapparatuur, in een zone van 5 kilometer om het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen. Binnen het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen is het niet toegestaan zwijnen te schieten. Op 20 november 2018 is aanvullend op de aanwijzing ex. art 67 FF-wet van 2004 een ontheffing ex, art 3.26 lid 3 Wnb afgegeven. Deze ontheffing is verleend voor het doden van wilde zwijnen met het geweer 1 uur voor zonsopkomst en vanaf zonsondergang tot 24:00, ook op gronden niet zijnde een jachtveld, op het grondgebied van de volgende 16 gemeenten: Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hardenberg, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Ommen, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand en Wierden.

Op 17 december 2018 heeft Gedeputeerde Staten van Overijssel een opdracht aan een geselecteerd aantal buitengewoon opsporingsambtenaren gegeven die bij een dreiging van Afrikaanse Varkenspest de omvang van de populatie wilde zwijnen in heel Overijssel met het geweer met een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten, kunnen beperken. Dit kan in heel Overijssel tussen zonsondergang en zonsopkomst. Het aantal gedode dieren concentreert zich vooral in de WBE-gebieden Vriezenveen e.o. en Zuid- Oost Twente. Dit zijn ook de WBE-gebieden waarin de meeste schade is geconstateerd. Daarbij valt ook op dat de aantallen gedode dieren toenemen. Zie hiervoor figuur 127 en figuur 128. WBE 2014 2015 2016 2017 2018 Noord Oost Twente 0 1 0 1 5 De Hof van Twente 0 0 0 1 0 Lonneker Losser 0 1 0 3 3 Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden 0 0 0 2 0 Vriezenveen e.o. 0 7 24 34 16 Zuid- Oost Twente 5 11 8 19 15 Totaal 5 20 32 60 39 Figuur 127. Afschot van wilde varkens van 2014 t/m 2018 per jaar per WBE (bron: FRS) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636144/284 138 Figuur 128. Aantal gedode wilde zwijnen 2014-2018 (bron: FRS) 8.4.10 Uitvoering beheermaatregelen Een wild zwijn is een nacht- en schemerdier.

Op zoektochten naar voedsel kan het dier vanuit zijn dagverblijfplaats ‘s nachts grote afstanden afleggen tot wel vijftien kilometer, waarbij ook verkeerswegen overgestoken worden. Het wilde zwijn komt verspreid over het oostelijk deel van Overijssel voor, en langs de gehele Duitse grens. Door de foerageerrange van 15 kilometer vormt het wilde zwijn een gevaar voor de verkeersveiligheid, en is ernstige schade aan landbouw en veeteelt mogelijk in de volgende zestien gemeenten: Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hardenberg, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Ommen, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand en Wierden. Daarnaast wordt een opdracht aangevraagd voor de volgende 2 situaties: 1. door aanrijding verwonde grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) moeten met behulp van het geweer gedood worden en eventueel is een zweethond nodig om ze na te zoeken. Dit is in heel Overijssel; 2. grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) die zich op of in de onmiddellijke nabijheid van verkeerswegen bevinden in geheel Overijssel kunnen een gevaar voor de verkeersveiligheid zijn, ze moeten dan met behulp van het geweer geschoten worden. Dieren als hiervoor genoemd onder punt 1 en punt 2 kunnen slechts geschoten worden in opdracht van de politie en Gedeputeerde Staten.

Dieren als genoemd onder punt 2 kunnen slechts geschoten worden in opdracht van de politie en Gedeputeerde Staten, indien ze een onmiddellijk gevaar voor de verkeersveiligheid vormen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636145/284 139 Het gebruik van het geweer voor valwild en grote hoefdieren (te weten: het Ree, het Damhert, het Edelhert en het Wild zwijn) moet ook toegestaan worden op of in de onmiddellijke nabijheid van verkeerswegen, moet ook toegestaan worden van zonsondergang tot zonsopgang. Voor het naspeuren en doden van valwild moet het toegestaan worden kunstlicht te gebruiken en honden. Het geweer moet, indien noodzakelijk, ook gebruikt worden in de bebouwde kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen, Ook moet het mogelijk zijn om op zon- en feestdagen van deze aanwijzing gebruik te maken. De Faunabeheereenheid dient het gebruik van deze aanwijzing nauwkeurig te registreren naar aard en locatie in het Fauna Registratie Systeem (FRS).

8.4.11 Registratie van tellingen en afschot en monitoring Om de stand van het wilde zwijn in Overijssel beter te kunnen monitoren, dienen de jachthouders met een jachtakte nadat zij gebruik hebben gemaakt van de ontheffing, niet alleen het aantal geschoten dieren in het faunaregistratie systeem (FRS) in te voeren, maar hoeveel (niet geschoten) wilde zwijnen tijdens het gebruik van de ontheffing geteld werden. In verband met het voorkomen van de verspreiding van de Afrikaanse varkenspest dienen extra voorschriften aan de ontheffing toegevoegd te worden. Zo dient een persoon die in het bezit is van een in Nederland gehaald certificaat “gekwalificeerd persoon” na afschot van het wild zwijn en tijden het ontweiden, te beoordelen of er sprake is van besmettelijke dierzieken zoals de Afrikaanse varkenspest. In het geval een wild zwijn tekenen vertoont van de Afrikaanse varkenspest, mag het dier niet meer verplaatst worden en dient per ommegaande met de volgende instanties contact opgenomen te worden: • NVWA landelijk meldpunt dierziekten (045-546 31 88) • Provincie Overijssel (038-425 24 23) Binnen 24 uur dienen in het FRS de volgende zaken geregistreerd worden: a. hoeveel wilde zwijnen geschoten zijn; b. hoeveel (niet geschoten) wilde zwijnen tijdens het gebruik van de ontheffing geteld werden.

8.4.12 Staat van instandhouding Het ministerie heeft gesteld dat er in Nederland drie leefgebieden voor wilde zwijnen zijn, op de Veluwe en in Limburg de Meinweg en Meerlebroek. In Overijssel streven wij volgens ons Kader Faunabeheerplan 2019-2024 een ‘schade gestuurd’ zwijnenbeheer na. Dat houdt in dat we streven om de schade door wilde zwijnen minimaal te houden door schadebeheer en bestrijding. De huidige gunstige staat van instandhouding van de soort wordt mede gegarandeerd door het voortbestaan van de populaties binnen de drie leefgebieden (Veluwe, Meinweg en Meerlebroek). 8.4.13 Effectiviteit van beheermaatregelen Het treffen van preventieve maatregelen, zoals het plaatsen van afrastering langs wegen en schadegevoelige percelen (waaronder blijvend grasland) is vanwege de rondtrekkende aard van wilde zwijnen niet mogelijk. De werende middelen zijn praktisch gezien niet overal toepasbaar of College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636146/284 140 effectief. Mede gelet op de kosten kunnen rasters gezien de grote weglengte en de grote lengte van de schadepercelen, niet als bevredigende alternatieven worden beschouwd. Bovendien beperkt de plaatsing van rasters de mogelijkheid tot uitwisseling van andere dieren tussen de verschillende kerngebieden in Overijssel.

Dit laatste is in strijd met de doelstellingen voor het Natuurnetwerk Nederland om uitwisseling van deelpopulaties mogelijk te maken. In specifieke individuele gevallen kan het plaatsen van een afrastering een oplossing bieden bij het tegengaan van schade aan kapitaalintensieve gewassen. Echter, gezien de oppervlakte van agrarische percelen met kwetsbare gewassen in Oostelijk Overijssel is het afrasteren van die percelen onwenselijk (om eerdergenoemde redenen) en bedrijfseconomisch niet haalbaar. Uit onderzoek blijkt dat andere alternatieve maatregelen zoals wildreflectoren en waarschuwingsfluiten weinig tot geen effect te hebben bij het voorkomen van aanrijdingen. Voor de aanvraag voor een ontheffing voor het schieten van wilde zwijnen in de nachtperiode rondom Engbertsdijksvenen heeft de FBE in 2014 verschillende grondeigenaren, grondgebruikers en jachthouders uit de WBE Vriezenveen gevraagd aan te geven welke preventieve maatregelen al dan niet getroffen zijn, waarom deze al dan niet getroffen zijn, en waarom het gebruik van de vigerende aanwijzing destijds onvoldoende was. De grondeigenaren, grondgebruikers en jachthouders geven aan dat schrikpoppen en geurvlaggen geplaatst zijn, mensenhaar verspreid is, lampen geplaatst zijn en dat men in de nachtelijke uren radio’s liet spelen. Dit is gebeurd op percelen met pas ingezaaide maïsland, tarwe en grasland en langs de bosrand.

Deze maatregelen hadden echter geen effect; desondanks veroorzaakten de wilde zwijnen schade. Meerdere malen is in de ochtenduren geprobeerd vanuit verschillende hoogzitten wilde zwijnen te schieten, evenwel zonder resultaat. Volgens de jachthouders verschijnen de wilde zwijnen nagenoeg niet bij daglicht op de velden waar de gewasschade aangericht wordt. Het is aannemelijk dat het treffen van preventieve middelen voldoende uitgenut is, en sommige andere maatregelen niet effectief zijn, en dat maatregelen zoals het plaatsen van afrastering onwenselijk en/of te duur zijn. 8.4.14 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk.

8.4.15 Plaats en perioden van beheermaatregelen Ten behoeve van de genoemde wettelijke belangen, openbare veiligheid, het voorkomen van schade aan gewassen en ter voorkoming van ernstige schade aan veehouderijen wordt ontheffing aangevraagd voor het doden van wilde zwijnen met het geweer en nachtzichtapparatuur voor de werkgebieden van de WBE’s Vriezenveen, Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden en WBE Zuid-Oost Twente. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636147/284 141 • Registratie: binnen 24 uur dient het afschot geregistreerd te worden in het daarvoor geldende registratiesysteem (FRS). En de aantallen niet geschoten wilde zwijnen welke geteld zijn tijdens het gebruik van de ontheffing dienen te worden geregistreerd. • De WBE’s moeten er zorg voor dragen dat de jachthouders met een jachtakte meewerken aan het monitoringsonderzoek (bloed en trichine) voor wilde zwijnen. De jachthouders met een jachtakte en in het bezit van een in Nederland certificaat “gekwalificeerd persoon dienen hiertoe van elk geschoten wild zwijn een bloedmonster te (laten) nemen. • Bij het gebruik van de ontheffing dient het gebruik van middelen, waaronder nachtzicht apparatuur op, aan of bij het geweer toegestaan te worden.

In verband met het voorkomen van de verspreiding van de Afrikaanse varkenspest dienen extra voorschriften en middelen (geluidemper) aan de ontheffing toegevoegd te worden. Zo dient een persoon die in het bezit is van een in Nederland gehaald certificaat “gekwalificeerd persoon” na afschot van het wild zwijn en tijden het ontweiden, te beoordelen of er sprake is van besmettelijke dierzieken zoals de Afrikaanse varkenspest. In het geval een wild zwijn tekenen vertoont van de Afrikaanse varkenspest, mag het dier niet meer verplaatst worden en dient per ommegaande met de volgende instanties contact opgenomen te worden: • NVWA landelijk meldpunt dierziekten (045-546 31 88) • Provincie Overijssel (038-425 24 23) Binnen 24 uur dienen in het FRS de volgende zaken geregistreerd worden: a. hoeveel wilde zwijnen geschoten zijn; b. hoeveel (niet geschoten) wilde zwijnen tijdens het gebruik van de ontheffing geteld werden. Gebruikmaking van geweer (met nachtzichtapparatuur) in de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst dient uiterlijk op de dag van gebruikmaking voor 17.00 uur gemeld te worden bij de politie ‘Eenheid Oost-Nederland’ tel 0900-8844 of http://www.politie.nl/melden. 8.5 Valwildregeling Grofwild (Ree, Edelhert, Damhert en Wild Zwijn) kunnen als zij op verkeerswegen komen aangereden worden.

Jaarlijks sterft onder andere ongeveer 8% van de reeënpopulatie van Overijssel in het verkeer. Grofwild leveren een gevaar op voor de openbare veiligheid (c.q. verkeersveiligheid). Aangereden dieren kunnen alsnog een gevaar voor de verkeersveiligheid opleveren, als ze op de weg geraken. Daarnaast kunnen door aanrijding verwonde dieren in het bos verdwijnen, lijden en doodgaan. Het is wenselijk, mede gelet op de intrinsieke waarde van het individuele dier, dat in geval van onnodig lijden van deze dieren regulerend kan worden opgetreden. De noodzaak tot het uit hun lijden verlossen van in het wild levende dieren kan met name aan de orde zijn bij gewonde of zieke grote hoefdieren. Het onnodig lijden van dieren vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is ongewenst. Uit oogpunt van verkeersveiligheid, is het gewenst onmiddellijk na de melding van een groot hoefdier op of in de buurt van een weg, of na de melding van een aanrijding in te kunnen grijpen. Daarbij is het van College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636148/284 142 belang dat gehandeld kan worden zonder toestemming van de grondeigenaar op de plaats van de aanrijding, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, of tijdens het nazoeken van dieren. Het is ondoenlijk om eerst de grondgebruiker te achterhalen en diens toestemming te vragen.

Artikel 3.18 Wnb biedt in tegenstelling tot artikel 3.17 Wnb de mogelijkheid om dit zonder toestemming van de grondgebruiker te doen en het biedt de mogelijkheid dieren te bemachtigen, en te bepalen wat er met de gemachtigde dieren gebeurt. Grofwild vormen lang niet in alle situaties en overal in de nabijheid van wegen een gevaar voor de openbare veiligheid. De verantwoordelijkheid voor de afweging of grofwild een gevaar voor de verkeersveiligheid vormt, rust bij het bevoegd gezag, en niet bij de individuele jager. Opdracht/ontheffing wordt aangevraagd voor het gebruik van het geweer en munitie voor valwild (Ree, Edelhert, Damhert en Wild Zwijn) op of in de onmiddellijke nabijheid van verkeerswegen, en gedurende tijdens en buiten de daglichtperiode en op zon- en feestdagen. Voor het naspeuren en doden van valwild wordt ontheffing aangevraagd voor het gebruik van kunstlicht op of aan het geweer, het mes en honden. Het gebruik van het geweer moet, indien noodzakelijk, ook gebruikt kunnen worden in de bebouwde kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende tuinen.

College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636149/284 143 9 Wildsoorten Algemeen Onder het regime van de jacht vallen op het moment van het vaststellen van dit faunabeheerplan vijf in het wild levende soorten te weten: • fazant (Phasianus colchicus); • wilde eend (Anas platyrhynchos); • houtduif (Columba palumbus); • haas (Lepus Europaeus); • konijn (Oryctolagus cuniculus). De jacht mag, gelet op artikel 3.20 tweede lid van de Wnb, worden uitgeoefend in een periode van het jaar zoals deze is vastgelegd in de Regeling natuurbescherming. Bij de soortbeschrijving wordt de openstelling jacht op de betreffende soort afzonderlijk benoemd. De jacht mag niet worden uitgeoefend ingeval Gedeputeerde Staten van de aan hen toegekende bevoegdheid gebruik maken om de jacht te sluiten indien de weersomstandigheden daartoe noodzaken. De WBE’s stimuleren en faciliteren hun leden in het nastreven van goed jachthouderschap door de gedrags- en weidelijkheidsregels (gedragscode), zoals deze door alle landelijk jachtorganisaties worden gehanteerd en zijn vastgesteld. De door de jagersorganisaties opgestelde code omvat regels voor een fatsoenlijke en respectvolle omgang met het in het wild levende dieren en de natuur.

9.1.1 Redelijke wildstand In artikel 3.20 lid 3 Wnb is opgenomen dat de jachthouder datgene doet wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van de in zijn jachtveld aanwezig wild te handhaven, dan wel bij het ontbreken daarvan te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild te voorkomen. De aard en omvang van de handelingen van de jachthouder (grondeigenaar of andere jachtgerechtigden) moeten zodanig zijn dat binnen een jachtveld een redelijke wildstand wordt gehandhaafd of kan worden bereikt. Wat onder een redelijke wildstand wordt verstaan is niet uitgewerkt in de wet of regelgeving. Wel volgt uit de wetsgeschiedenis en de memorie van toelichting dat de wetgever de uitoefening van de jacht juist ziet als middel om het doel - een redelijke wildstand in het jachtveld - te houden. Hiermee doelt de wetgever op de gedachte dat jacht (benutting) in een veld alleen redelijkerwijs kan plaatsvinden, als daar een redelijke wildstand voorkomt, die een bepaalde vorm van benutting kan verdragen. Onder de ‘zorg voor een redelijke wildstand’ wordt dan ook verstaan dat de jachthouder de stand niet zover doet oplopen dat hierdoor schade aan wettelijke belangen optreedt, maar anderzijds ook (door terughoudende of zelfs geen bejaging) ervoor zorgt dat de populatie in het jachtveld als gevolg van de jacht niet dreigt te verminderen/verdwijnen.

De verantwoordelijk voor een redelijke wildstand ligt bij de jachthouder. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636150/284 144 Welke maatregelen een jachthouder kan nemen hangt af van de situatie en de wettelijk kaders. Lang niet alle maatregelen die gunstig zouden kunnen zijn voor de wildstand zijn toegestaan bij wet. Het is daarom aan de jachthouder om een goede afweging te maken welke maatregelen moeten of kunnen plaatsvinden. De jachthouder weet welke soorten er van oudsher voorkomen in zijn jachtveld en welke (plan)ontwikkelingen in het gebied en het grondgebruik hebben plaatsgevonden en zullen plaatsvinden. Deze kan de jachthouder veelal niet beïnvloeden. De verdergaande intensivering van de landbouw is daarvan een voorbeeld. In zijn/haar rol wordt de jachthouder geacht met de grondgebruikers en -eigenaren af te spreken hoe desondanks in het jachtveld de leefomstandigheden voor het wild kunnen worden bevorderd, maar ook op welke wijze er in of buiten het jachtseizoen zo min mogelijk kans is op schade aan gewassen. Dat vergt vaak ook een jachtveld overstijgende aanpak waarbij de WBE een belangrijke rol dient te spelen.

De WBE’s staan hun leden bij en informeren hen over relevante aspecten die samenhangen met de staat van instandhouding van wildsoorten, alsmede over relevante aspecten die samenhangen met jacht en faunaschade als gevolg van wildsoorten. Dit doen de WBE’s door hun leden te stimuleren in het uitvoeren van tellingen van wildsoorten, onder andere met het oogmerk de staat van instandhouding te kunnen monitoren, en door hun leden te stimuleren in het nakomen van hun wettelijke verplichtingen inzake de registratie van afschot en de registratie van de uitgevoerde tellingen. 9.1.2 Maatregelen De maatregelen die een jachthouder kan nemen om een redelijke wildstand te realiseren hangen af van de omstandigheden in zijn jachtveld. Het is aan de jachthouder om te bepalen op welke wijze hij door middel van maatregelen invulling geeft aan het bereiken van een redelijke wildstand en om daarbij een goede afweging te maken tussen benutten, schadebestrijding en andere maatschappelijke belangen (zie ook onder 9.1.1). 9.1.3 Verplichte registratie afschot Op grond van de art. 3.13 lid 1 Wnb is de jachtaktehouder verplicht zijn of haar afschot van wildsoorten te registreren. De jachtaktehouder is verplicht het afschot te melden binnen het betreffende veld, naar aantallen en datum.

De jachtaktehouder kan, voor zover hij/zij in gezagsverhouding staat tot de jachthouder, de registratie van afschot ook laten uitvoeren door de jachthouder. De registratie van afschot vindt plaats binnen één maand ná het sluiten van de openingstijd van de jacht op de desbetreffende wildsoort. De registratie vindt plaats op een door de faunabeheereenheid vastgestelde wijze en/of in een door haar beschikbaar gestelde applicatie. De gegevens zijn o.a. noodzakelijk voor monitoring, publicatie en het eerstvolgende faunabeheerplan. 9.1.4 Kwantitatieve gegevens In de POV worden in artikel 7.8.5 nadere eisen gesteld aan de uitoefening jacht. Om de voor het faunabeheerplan noodzakelijke telgegevens te verzamelen wordt van alle uitvoerders van het faunabeheerplan inspanning gevraagd voor de uitvoering van trendtellingen. Het betreft de trendtelling wildsoorten, veelal gepland in het voorjaar. Deze trendtelling is erop gericht om de College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636151/284 145 trend van de wildsoorten te kunnen bepalen voor het hele gebied waarover zich de zorg van de faunabeheereenheid uitstrekt. Hiervoor wordt geteld op basis van een door de faunabeheereenheid vast te stellen protocol en geregistreerd in een door haar beschikbaar gestelde applicatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/76d15840-0ec0-4aef-ba71-9af176503148?agendaItemId=3d82f736-511f-4e52-9955-6e930de97e94