15.0 Schriftelijke vragen GL - Jacht op hazen en konijnen - beantwoording 20211103.pdf
Tekst van het document
Gewas Aantal meldingen Getaxeerde schade Blijvend grasland 4 € 5.433 Nieuw ingezaaid grasland 1 € 427 Figuur 65. Getaxeerde schade per gewas in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 65 geeft de getaxeerde schade per jaar weer. Figuur 66 geeft deze getallen grafisch weer. Jaar Getaxeerde schade 2014 € 0 2015 € 4.069 2016 € 0 2017 € 1.791 2018 € 0 Figuur 66. Getaxeerde schade per jaar in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 67. Getaxeerde schade 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De schade vindt voornamelijk plaats in de maand februari, zie figuur 69. Dit is ook de periode waarin de rotganzen nog in Nederland zijn en het gras reeds begint te groeien. Deze eerste snede heeft €0 €1.000 €2.000 €3.000 €4.000 €5.000 2014 2015 2016 2017 2018 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063691/284 85 voor agrarisch ondernemers de meeste waarde daar dit kwalitatief de beste en daarmee ook de duurste snede is. Figuur 68 geeft de verhouding tussen de schade in de verschillende maanden weer. Periode Getaxeerde schade Januari € 0 Februari € 4.069 Maart € 0 April € 0 Mei € 0 Juni € 0 Juli € 514 Augustus € 0 September € 1.277 Oktober € 0 November € 0 December € 0 Figuur 68.
Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 69. Getaxeerde schade 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Wanneer er geen schadebestrijding plaats zal vinden is het niet de verwachting dat de schade, veroorzaakt door rotganzen sterk toe zal nemen. Dit vanwege de geringe aantallen, zijn gebondenheid aan zout water en de aantallen welke niet sterk lijken te stijgen. €0 €500 €1.000 €1.500 €2.000 €2.500 €3.000 €3.500 €4.000 €4.500 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063692/284 86 7.6.6 Noodzaak beheer en schadebestrijding Zie figuur 70 voor getaxeerde schade veroorzaakt door de rotgans is in de afgelopen beheerperiode in een aantal WBE-gebieden. WBE schadetotaal Rotgans 2014 2015 2016 2017 2018 Jachtvereniging Kampen € 0 € 4.069 € 0 € 0 € 0 D’Oldematen € 0 € 0 € 0 € 1.364 € 0 De Noord-Westhoek € 0 € 0 € 0 € 427 € 0 Totaal € 0 € 4.069 € 0 € 1.791 € 0 Figuur 70. Getaxeerde schade rotganzen per jaar in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Vanwege de lage aantallen, de matige ongunstige staat van instandhouding, zijn gebondenheid aan zout water en het niet de verwachting is dat de aantallen en de schade sterk toe zullen nemen is er geen ontheffing noodzakelijk voor beheer of schadebestrijding.
7.6.7 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Schade wordt voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Dat is zeker belangrijk tijdens de meest kwetsbare perioden van gewas of gras. Ook kan de grondgebruiker de kans op schade in een volgend gewas verminderen door oogstresten afdoende onder te werken. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan, (zie rapport bijlage 1). Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met ondersteunen afschot, wordt de effectiviteit verhoogd en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen. Voor de preventieve middelen wordt verwezen naar de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken. In een recent uitgekomen rapport (Buij et al 2018) wordt geconstateerd dat met name actieve verjaging, zeker als het gaat om gecombineerde verjagingsacties, effect hebben, maar dat er na verloop van tijd wel gewenning lijkt op te treden. In dat verband legt dit rapport een verband met een (verhoogde) effectiviteit indien ook gecombineerd wordt met verjaging met ondersteunend afschot. 7.6.8 Beheer 7.6.8.1 Gevoerd beheer afgelopen periode In de afgelopen beheerperiode zijn er geen beheermaatregelen uitgevoerd specifiek voor Rotganzen uitgevoerd.
Preventieve en schadevoorkomende maatregelen, uitgevoerd ter voorkoming van schade door andere soorten, kan echter wel bijgedragen hebben in het voorkomen van schade door Rotganzen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063693/284 87 7.6.8.2 Staat van instandhouding Als niet-broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de rotgans in Nederland beoordeeld als matig ongunstig. Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Matig ongunstig Gunstig Gunstig Gunstig Matig ongunstig De (toekomstige) staat van instandhouding in Overijssel is matig ongunstig te noemen. Dit omdat de aantallen rotganzen relatief laag zijn. 7.6.9 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 7.6.10 Beheermaatregelen Voor de komende beheerperiode worden voor de rotgans geen beheermaatregelen verwacht.
Smient 7.7.1 Algemeen De smient is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Deze soort is als instandhoudingsdoelstelling van diverse Natura 2000-gebieden opgenomen, waarbij zij is aangewezen als niet-broedvogel. 7.7.2 Kwantitatieve gegevens Smienten zijn het talrijkst in de maanden november tot en met maart, maar per winter treden er verschillen op. Bij de inval van strenge vorst en zware sneeuwval vertrekt een deel van de vogels naar Engeland of Frankrijk, in zachte winters blijven grote aantallen in Nederland. Concentraties treden op zowel nabij zoute wateren (Waddengebied, deel van Deltagebied) als zoete wateren (open graslandpolders). De landelijk getelde aantallen namen tot ongeveer 1990 toe maar dalen weer vanaf 2000. De recente daling staat waarschijnlijk in verband met een verschuiving van de winterverspreiding binnen Noordwest-Europa. Door gemiddeld zachtere winters blijft een deel van de vogels noordelijker overwinteren. Het geschatte maximumaantal smienten in de periode 2013 – 2015 bedraagt 860.000 – 940.000 smienten (www.sovon.nl). De midwintertellingen (januari) van Sovon geven een gemiddelde per jaar van 647.000 stuks in Nederland in de periode van 2012 t/m 2015. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063694/284 88 Figuur 71.
De verspreiding van de smient in Nederland zowel als broedvogel als niet -broedvogel (bron: http://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/1790) 7.7.3 Voorkomen en trend in Overijssel De Overijsselse populatie smienten (niet broedvogel) is sinds 1975 toegenomen, maar sinds 2000 is er weer een afname te zien. Dit komt overeen met het landelijke patroon. De laatste jaren schommelt het aantal getelde smienten in Overijssel rond de 12.000 vogels, dit is ongeveer 2 % van de landelijke winterpopulatie, zie figuur 72. De Smient komt als broedvogel in Overijssel nauwelijks voor. Figuur 72. Verspreiding van de smient in Overijssel als broedvogel en niet broedvoge l (bron: https://www.sovon.nl/provincies) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063695/284 89 Figuur 73. Aantalsontwikkeling van de smient in Overijssel als wintergast, deze is gebaseerd op de midwintertelling januari (bron: www.sovon.nl) 7.7.4 Wettelijke status en provinciaal beleid De smient is als ‘niet broedvogelsoort’ aangewezen de Natura 2000 gebieden de Wieden, Rijntakken, Veluwerandmeren, Zwarte Meer en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Deze gebieden hebben een foerageer en slaapfunctie voor deze soort.
De provincie streeft voor de smient na dat er geen verslechtering van staat van instandhouding plaats mag vinden, dat belangrijke schade voorkomen dan wel beperkt blijft en dat instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gehaald worden. (Bron: Kader_faunabeheerplan_2019-2024, zie bijlage 9). 7.7.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding 7.7.5.1 Risico op landbouwschade en verwachting indien beheer uitblijft De getaxeerde schade veroorzaakt door smienten concentreert zich het overgrote deel op blijvend grasland gevolgd op ruime afstand door nieuw ingezaaid grasland. Figuur 74 geeft deze getaxeerde waarden in aantal meldingen en euro’s weer per gewas. Gewas Aantal meldingen Getaxeerde schade Blijvend grasland 73 € 153.245 Nieuw ingezaaid grasland 4 € 8.103 Mais 1 € 0 Figuur 74. Getaxeerde schade per gewas in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) 0 2000 4000 6000 8000 10000 12000 14000 16000 18000 2012 2013 2014 2015 2016 midwintertelling Smient in Overijssel College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063696/284 90 Figuur 75 geeft de getaxeerde schade per jaar weer. 2018 is een jaar met veel schade. Deze schade is veroorzaakt door een aantal zeer grote taxaties in het WBE-gebied De IJssellanden. De lijn met stijgende schade was al in 2017 ingezet en zet in 2018 sterk door.
Figuur 76 geeft de getaxeerde schade per jaar grafisch weer. Jaar Getaxeerde schade 2014 € 11.721 2015 € 18.248 2016 € 9.147 2017 € 38.691 2018 € 83.541 Figuur 75. Getaxeerde schade per jaar 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 76. Getaxeerde schade per jaar 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De periode waarin de schade optreedt concentreert zich in de eerste 3 maanden van het jaar, zie hiervoor figuur 77. Deze schade wordt veroorzaakt in de eerste maanden van het jaar, omdat dan ook de overwinterende smienten nog aanwezig zijn (wat zorgt voor grotere aantallen) en er reeds gras begint te groeien. Deze eerste snede heeft voor agrarisch ondernemers de meeste bedrijfseconomische waarde, omdat dit kwalitatief de beste en daarmee ook de duurste snede is. €0 €10.000 €20.000 €30.000 €40.000 €50.000 €60.000 €70.000 €80.000 €90.000 2014 2015 2016 2017 2018 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063697/284 91 Periode Getaxeerde schade Januari € 6.534 Februari € 115.728 Maart € 37.056 April € 788 Mei € 110 Juni € 0 Juli € 137 Augustus € 0 September € 0 Oktober € 0 November € 0 December € 995 Figuur 77. Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 78.
Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Wanneer er geen maatregelen ter voorkoming van belangrijke schade in de maanden december t/m maart plaatsvinden lijkt het op basis van de ingezette trend van 2017 en 2018 er op dat de schade aan gewassen door smienten toe zal nemen. €0 €20.000 €40.000 €60.000 €80.000 €100.000 €120.000 €140.000 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063698/284 92 7.7.6 Noodzaak beheer en schadebestrijding Ondanks de afnemende trend in aantallen stijgt de getaxeerde schade aan landbouwgewassen veroorzaakt door smienten in de jaren 2017 en 2018. Dit valt samen met het moment waarop LTO- Noord inspanningen heeft geleverd, in de vorm van voorlichtingsavonden aan grondgebruikers, om faunaschade en het noodzakelijk melden hiervan onder de aandacht te brengen. Hiertoe zijn vijf bijeenkomsten georganiseerd, in de periode 08-06-2016 tot 03-05-2017, welke goed bezocht zijn. Deze bijeenkomsten hebben vermoedelijk bijgedragen tot meer meldingen en meer taxaties van landbouwschade, met name in de polder Mastenbroek welke is gelegen in het werkgebied van de WBE De IJssellanden.
WBE schadetotaal Smient 2014 2015 2016 2017 2018 Steenwijkerwold € 1.002 € 1.195 € 1.125 € 1.770 € 0 D’ Oldematen € 243 € 243 € 1.036 € 0 € 0 De IJssellanden € 6.729 € 11.367 € 1.565 € 30.411 € 83.541 De Noord-Westhoek € 505 € 0 € 560 € 0 € 0 De Weerribben € 1.344 € 1.678 € 1.283 € 1.904 € 0 Jachtvereniging Kampen € 1.898 € 3.765 € 3.578 € 4.606 € 0 Figuur 79. Getaxeerde schade per WBE-gebied 7.7.7 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Schade wordt voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Dat is zeker belangrijk tijdens de meest kwetsbare perioden van gewas of gras. Ook kan de grondgebruiker de kans op schade in een volgend gewas verminderen door oogstresten afdoende onder te werken. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan, (zie rapport bijlage 1). Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met ondersteunen afschot, wordt de effectiviteit verhoogd en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen. Voor de preventieve middelen wordt verwezen naar de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken. In een recent uitgekomen rapport (Buij et al 2018) wordt geconstateerd dat met name actieve verjaging, zeker als het gaat om gecombineerde verjagingsacties, effect hebben, maar dat er na verloop van tijd wel gewenning lijkt op te treden.
In dat verband legt dit rapport een verband met een (verhoogde) effectiviteit indien ook gecombineerd wordt met verjaging met ondersteunend afschot. 7.7.8 Beheer 7.7.8.1 Gevoerd beheer afgelopen periode De afgegeven ontheffing in 2014 maakt het mogelijk in de periode van 1 november tot 1 mei smienten te doden echter alleen in de WBE-gebieden waar belangrijke schade optreedt. Als voorschrift is aan de ontheffing verbonden dat op percelen met schadegevoelige gewassen (met uitzondering van grasland, graszaad en graan vanaf zes maanden na inzaai) de volgende College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063699/284 93 waarneembare preventieve maatregelen zijn genomen: tenminste één visueel en tenminste één akoestisch verjagingsmiddel, zoals beschreven in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). Na inwerkingtreding van deze ontheffing zijn er door diverse juridische procedures beperkingen gesteld aan de ontheffing. De belangrijkste beperkingen hieruit zijn: • Afschot is beperkt tot vanaf zonsopkomst tot zonsondergang. • In en in de nabijheid van diverse Natura 2000 gebieden zijn beperkingen gesteld aan het gebruik van de ontheffing (zie bijlage 4). • Per verjaagactie mogen maximaal 4 smienten geschoten worden, met een maximum van 10 smienten per schadeperceel per dag.
Afschotgegevens De gegevens van het verjagen met ondersteunend afschot per WBE van smienten in de periode 1 november tot 1 mei laten net zoals de schade van smienten per WBE grote verschillen zien, zie hiervoor figuur 80. In algemeenheid valt op dat het verjaging door middel van ondersteunend afschot bij van smienten gedurende de afgelopen beheerperiode leek toe te nemen. Dit past bij het beeld van de toenemende landbouwschade. De afschotgegevens laten zien dat de WBE-gebieden met de meeste smientenschade ook het meest gebruik gemaakt hebben van de ontheffing. WBE 2014 2015 2016 2017 2018 De IJssellanden 67 128 161 184 134 De Noord-Westhoek 28 32 67 92 62 De Weerribben 5 34 19 17 13 D’ Oldematen 24 116 273 283 187 IJsselstreek Salland 0 51 187 63 16 Jachtvereniging Kampen 7 12 5 21 14 Oldebroek/Oosterwolde 13 23 6 0 0 Salland Midden 5 35 45 50 50 Steenwijkerwold e.o. 0 1 0 1 0 Figuur 80. Afschotgegevens smienten in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: FRS) 7.7.8.2 Uitvoering beheermaatregelen In WBE-gebieden waarvoor ontheffing was verleend voor verjaging met ondersteunend afschot kon de grondgebruiker in gezamenlijk overleg met een jachtaktehouder in de afgelopen beheerperiode diverse maatregelen treffen om belangrijke landbouwschade te voorkomen.
Hierbij in acht nemend dat verjaging met ondersteunend afschot bij smienten het ultimum remedium is en er eerst maatregelen lager op de preventieladder dienen te worden genomen uit de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636100/284 94 7.7.8.3 Registratie van tellingen en afschot en monitoring Om te borgen dat de staat van instandhouding niet in gevaar komt mogen er maximaal 4 smienten per bejaagactie per schadeperceel geschoten worden en maximaal 500 stuks per winterseizoen. De afschotgegevens dienen binnen 24 uur in het FRS ingevoerd te worden, waardoor er sprake is van het “real-time” registreren van gegevens. De FBE dient het aantal geschoten smienten te monitoren. Aan deze monitoring wordt invulling gegeven door: • Bijhouden van afschotgegevens in het faunaregistratiesysteem en periodiek te rapporteren aan de provincie. • Jaarlijkse wintertellingen te organiseren door de FBE conform het protocol zomertelling ganzen van de landelijke technische werkgroep zomertelling ganzen (april, 2012, bijlage 3). En dit jaarlijks rapporteren aan de provincie. 7.7.8.4 Staat van instandhouding De (toekomstige) staat van instandhouding van de smient als niet broedvogel in Nederland is beoordeeld als matig ongunstig.
Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Matig ongunstig Gunstig Gunstig Matig ongunstig Matig ongunstig De staat van instandhouding wordt in Overijssel als matig ongunstig beoordeeld. Echter, de aantallen nemen niet significant af en de voorlopige cijfers van de Sovon midwintertelling 2017 laten een positief beeld zien. Ruim 600.000 smienten zijn geteld en dit aantal zal nog stijgen omdat de informatie van een aantal belangrijke gebieden ontbreekt (bron Sovon). 7.7.8.5 Effectiviteit van beheermaatregelen Voordat gebruik gemaakt kan worden van de voorgestelde ontheffing waarin verjaging met ondersteund afschot wordt toegestaan dient tenminste één visueel- en tenminste één akoestisch verjagingsmiddel, zoals beschreven in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken) te zijn ingezet. Bij verjaging, anders dan verjaging met ondersteunend afschot, kan gewenning optreden. Echter, bij verjaging met ondersteunend afschot is dit niet het geval (Guldemond et al., 2016). Vogels en zoogdieren leggen de relatie tussen een schot en een soortgenoot welke wordt gedood waardoor het effect van verjaging met ondersteunend afschot versterkt wordt. Voor een uitgebreide toelichting op de effectiviteit van verjaging met ondersteunend afschot, zie bijlage 1.
College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636101/284 95 7.7.9 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 7.7.10 Plaats en perioden beheermaatregel. De Faunabeheereenheid Overijssel vraagt ontheffing ex. art. 3.17 Wnb aan voor het doden van smienten met behulp van het geweer ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op agrarische gronden voor de duur van dit plan: • Voor de volgende WBE-gebieden waar schade is getaxeerd in de afgelopen beheerperiode: De IJssellanden, Jachtvereniging Kampen, ‘d Oldematen, De Noord-Westhoek en De Weerribben; • In de periode van 01 december tot 01 april; • Vanaf een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang. I.v.m. de matig ongunstige staat van instandhouding mogen per bejaagactie maximaal 4 smienten geschoten worden en mag het maximum aantal gedode dieren niet meer dan 500 stuks per winterseizoen bedragen. Dit is ca.
0,07% van het gemiddelde van de landelijke midwintertelling periode 2012 t/m 2015. Door het instellen van een maximaal afschot zal de huidige staat van instandhouding niet verslechteren. Als voorschrift dient aan de ontheffing te worden verbonden dat op percelen met kwetsbare gewassen (met uitzondering van grasland en graszaad) de volgende waarneembare preventieve maatregelen zijn genomen: tenminste één visueel en tenminste één akoestisch verjagingsmiddel, zoals beschreven in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). De afschotgegevens dienen binnen 24 uur in FRS ingevoerd te worden, waardoor er sprake is van het “real-time” registreren van gegevens. De FBE dient het aantal geschoten smienten te monitoren. Hiermee kan invulling gegeven worden aan het “hand-aan-de-kraan-principe” en kan erop worden toegezien dat per winterseizoen niet meer dan 500 stuks geschoten worden Knobbelzwaan 7.8.1 Algemeen De knobbelzwaan is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. De knobbelzwaan is voor Overijssel niet opgenomen als instandhoudingsdoel binnen de Overijsselse Natura 2000-gebieden.
College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636102/284 96 7.8.2 Kwantitatieve gegevens Overzomerende knobbelzwanen De meeste knobbelzwanen broeden in de laaggelegen delen van het land, vooral in open graslanden met veel sloten in het veenweidegebied. Rond meren en plassen treden soms concentraties op. Veel knobbelzwanen zijn nazaten van om hun dons gekweekte vogels. De laatste van zulke ‘zwanendriften’ werden rond 1965 opgedoekt. Losgelaten vogels en hun nazaten vormden een groeiende en zich uitbreidende broedpopulatie. Intensieve vervolging remt deze ontwikkeling regionaal af. De broedpopulatie wordt ook gereguleerd door koude winters die zowel wintersterfte veroorzaken als slechte broedprestaties, door verzwakte conditie van broedvogels. De broedpopulatie in Nederland werd in de periode 2013 – 2015 geschat op 7000 – 9000 knobbelzwanen (bron: www.sovon.nl). Zie figuur 80 voor de verspreiding van de knobbelzwaan. Overwinterende knobbelzwanen Om de vleugelrui veilig door te brengen, zoeken knobbelzwanen grote open wateren op. Op de Randmeren, in het IJsselmeergebied en Deltagebied ruien in de zomer duizenden exemplaren, waaronder ook vogels uit het westen van Duitsland. In de herfst zoeken grote aantallen de Randmeren op om te profiteren van de gunstige voedselsituatie met veel waterplanten.
In het winterhalfjaar zijn veel knobbelzwanen te vinden in open graslandgebieden in Laag-Nederland. Koud winterweer leidt tot enige verplaatsingen, meestal binnen Nederland maar soms tot in Frankrijk. Tegelijk kan dan een influx van oostelijke vogels optreden. In het late voorjaar vormen zich plaatselijk groepen onvolwassen vogels, die vervolgens in mei-juni naar de ruigebieden vertrekken. De landelijke aantallen namen lange tijd toe in het voetspoor van de toenemende eigen broedpopulatie. Sinds 2000 stabiliseren de aantallen of nemen ze licht af. Hartje winterverblijven er minstens 40.000 knobbelzwanen in ons land. Zie figuur 80 voor de verspreiding van de knobbelzwaan. Figuur 81. Verspreiding van de knobbelzwaan in Nederland als broed- en als niet-broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1520) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636103/284 97 7.8.3 Voorkomen en trend in Overijssel In Overijssel komen knobbelzwanen vooral voor langs de grote rivieren en in de kop van Overijssel. Opvallend is dat het voorkomen als broedvogel en als niet broedvogel ongeveer dezelfde gebieden betreft, zie figuur 82. De trend van de knobbelzwaan als niet broedvogel in Overijssel is een sterk toenemende trend. De trend als broedvogel is minder sterk stijgend. Figuur 82.
Verspreiding van de knobbelzwaan in Overijssel als broed- en niet broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/provincies) Figuur 83. Trend van de knobbelzwaan in Overijssel als broedvogel en als niet broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/provincies) 7.8.4 Wettelijke status en provinciaal beleid De knobbelzwaan is voor Overijssel niet opgenomen als instandhoudingsdoelsoort van de Overijsselse Natura 2000-gebieden en is niet opgenomen in ander provinciaal beleid. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636104/284 98 De provincie streeft voor de knobbelzwaan na dat er geen verslechtering van de staat van instandhouding plaats mag vinden en dat belangrijke schade aan gewassen voorkomen dan wel beperkt wordt (Bron: Kader_faunabeheerplan_2019-2024, zie bijlage 9). 7.8.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding: Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen 7.8.5.1 Risico op landbouwschade en verwachting indien beheer uitblijft De getaxeerde gewasschade veroorzaakt door knobbelzwanen in Overijssel concentreert zich voor het overgrote deel op blijvend grasland, zie figuur 84.
WBE Blijvend grasland Nieuw ingezaaid grasland Totaal getaxeerde waarde De IJssellanden € 41.508 € 563 € 42.071 Jachtvereniging Kampen € 1.351 € 1.351 De Noord-Westhoek € 960 € 960 D’Oldematen € 2.354 € 2.354 De Weerribben € 2.618 € 2.618 IJsselstreek Salland € 445 € 445 Ootmarsum en omstreken € 1.063 € 1.063 Figuur 84. Getaxeerde schade per gewas in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 85 geeft de getaxeerde schade in euro’s per jaar weer. Figuur 86 geeft de tabel van figuur 85 grafisch weer. Jaar Getaxeerde schade 2014 € 2.528 2015 € 2.451 2016 € 7.490 2017 € 23.829 2018 € 14.564 Figuur 85. Getaxeerde schade per jaar in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636105/284 99 Figuur 86. Getaxeerde schade 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De periode waarin de schade aanvangt concentreert zich in de maanden februari t/m april waarbij februari eruit springt, zie hiervoor figuur 87. Deze schade wordt veroorzaakt in de eerste maanden van het jaar daar dan ook de wintergasten nog aanwezig zijn (wat zorgt voor grotere aantallen) en er reeds gras begint te groeien. Deze eerste snede heeft voor agrarisch ondernemers de meeste waarde daar dit kwalitatief de beste en daarmee ook de duurste snede is.
Figuur 87 geeft de verhouding tussen de schade in de verschillende maanden weer. Periode Getaxeerde schade Januari € 886 Februari € 34.430 Maart € 11.968 April € 2.878 Mei € 453 Juni € 0 Juli € 36 Augustus € 211 September € 0 Oktober € 0 November € 0 December € 0 Figuur 87. Gecumuleerde getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636106/284 100 Figuur 88. Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De verwachting is dat door de toenemende aantallen knobbelzwanen ervoor zullen zorgen dat landbouwschade toe zal nemen wanneer een ontheffing voor het gebruik van ondersteunend afschot uit zal blijven. Dit ook vanwege het lerend vermogen van knobbelzwanen wat kan zorgen voor gewenning wanneer preventieve maatregelen uitgevoerd worden. 7.8.6 Noodzaak beheer en schadebestrijding De schade veroorzaakt door knobbelzwanen neemt toe sinds 2015 waarbij ook de aantallen knobbelzwanen toe nemen. De WBE’s waar in de afgelopen jaren belangrijke schade, zijnde schade groter dan € 250,-, getaxeerd is betreffen de WBE-gebieden, De IJssellanden, IJsselstreek Salland, Jachtvereniging Kampen, D’ Oldematen, Ootmarsum en omstreken, De Weerribben en De Noord- Westhoek, zie hiervoor figuur 89.
WBE schadetotaal knobbelzwaan 2014 2015 2016 2017 2018 De IJssellanden € 1.036 € 933 € 5.391 € 20.228 € 14.483 IJsselstreek Salland € 85 € 179 € 181 € 0 € 0 Jachtvereniging Kampen € 292 € 347 € 0 € 712 € 0 D’Oldematen € 0 € 0 € 0 € 2.354 € 0 Ootmarsum en omstreken € 0 € 0 € 1.063 € 0 € 0 De Weerribben € 611 € 785 € 606 € 535 € 81 De Noord-Westhoek € 504 € 207 € 249 € 0 € 0 Figuur 89. Getaxeerde schade per WBE-gebied (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Voor het terugdringen van de schade en om gewenning aan preventieve maatregelen te voorkomen is een ontheffing waarin ondersteunend afschot toegestaan wordt noodzakelijk. Dit uiteraard nadat gebruik gemaakt is van de maatregelen als opgenomen in de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken. €0 €5.000 €10.000 €15.000 €20.000 €25.000 €30.000 €35.000 €40.000 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636107/284 101 7.8.7 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Schade wordt voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Dat is zeker belangrijk tijdens de meest kwetsbare perioden van gewas of gras. Ook kan de grondgebruiker de kans op schade in een volgend gewas verminderen door oogstresten afdoende onder te werken. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan, (zie rapport bijlage 1).
Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met ondersteunen afschot, wordt de effectiviteit verhoogd en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen. Voor de preventieve middelen wordt verwezen naar de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken. In een recent uitgekomen rapport (Buij et al 2018) wordt geconstateerd dat met name actieve verjaging, zeker als het gaat om gecombineerde verjagingsacties, effect hebben, maar dat er na verloop van tijd wel gewenning lijkt op te treden. In dat verband legt dit rapport een verband met een (verhoogde) effectiviteit indien ook gecombineerd wordt met verjaging met ondersteunend afschot. 7.8.8 Beheer 7.8.8.1 Gevoerd beheer afgelopen periode De afgegeven ontheffing in 2014 maakt het mogelijk om jaarrond knobbelzwanen te doden echter alleen in de WBE-gebieden waar belangrijke schade optreedt. Als voorschrift is aan deze ontheffing verbonden dat er pas gebruik mag worden gemaakt van deze ontheffing, nadat de inzet van 2 preventieve maatregelen zijn genomen. Dat zijn: tenminste één visueel en tenminste één akoestische verjagingsmiddel, zoals beschreven in de regels in de Omgevingsverordening Overijssel en Beleidsregel Natuur Overijssel 2017. Ondanks de inspanningen van grondgebruikers en schadebestrijders is de schade veroorzaakt door knobbelzwanen vanaf 2017 sterk toegenomen.
Dit valt samen met het moment waarop LTO-Noord inspanningen heeft geleverd, in de vorm van voorlichtingsavonden, om faunaschade en het melden hiervan onder agrariërs toe te lichten. Hiertoe zijn vijf bijeenkomsten georganiseerd, in de periode 08-06-2016 tot 03-05-2017, welke goed bezocht zijn. Doordat de schade toeneemt is het zeer waarschijnlijk dat deze voorlichtingscampagne geleid heeft tot meer meldingen en meer landbouwschade. Daarnaast is er in het geval van de knobbelzwaan sprake van een trend met stijgende aantallen. Afschotgegevens De afschotgegevens, voortkomend uit het gebruik van de ontheffing met ondersteunend afschot, van knobbelzwanen verschillen sterk per WBE-gebied. Dit valt te verklaren daar het voorkomen van knobbelzwanen gelieerd is aan grote open wateren en daarom vooral voorkomt langs de IJssel en in de kop van Overijssel. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636108/284 102 WBE 2014 2015 2016 2017 2018 De Hof van Twente 32 4 30 14 6 De IJssellanden 51 37 104 122 38 De Noord-Westhoek 51 64 7 16 6 De Vechtstroom 3 6 2 0 0 De Weerribben 3 7 0 0 3 D’Oldematen 5 25 21 26 28 Heeten e.o. 0 0 19 14 9 IJsselstreek Salland 11 18 3 2 7 Jachtvereniging Kampen 51 144 22 29 17 Noorder Vechtlanden 0 0 0 0 0 Noord Oost Twente 3 0 3 2 6 Salland Midden 0 27 0 6 0 Steenwijkerwold e.o.
3 1 0 4 9 Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden 1 0 0 0 0 West-Twente 0 0 14 4 9 Figuur 90. Aantallen geschoten knobbelzwanen (bron: FRS) 7.8.8.2 Uitvoering beheermaatregelen In WBE-gebieden waarvoor ontheffing was verleend voor verjaging met ondersteunend afschot kon de grondgebruiker in gezamenlijk overleg met een jachtaktehouder in de afgelopen beheerperiode diverse maatregelen treffen om belangrijke landbouwschade te voorkomen. Hierbij in acht nemend dat verjaging met ondersteunend afschot bij knobbelzwanen het ultimum remedium is en er eerst maatregelen lager op de preventieladder dienen te worden genomen uit de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). 7.8.8.3 Registratie van tellingen en afschot en monitoring Om te borgen dat de staat van instandhouding niet in gevaar komt mogen er maximaal 3 knobbelzwanen per verjaagactie per schadeperceel geschoten worden. De afschotgegevens dienen binnen 24 uur in het FRS ingevoerd te worden, waardoor er sprake is van het “real-time” registreren van gegevens. De FBE dient het aantal geschoten knobbelzwanen te monitoren. Aan deze monitoring wordt invulling gegeven door: • Bijhouden van afschotgegevens in het faunaregistratiesysteem en periodiek te rapporteren aan de provincie. • Jaarlijkse voorjaarstelling Faunasoorten, te organiseren door de WBE’s.
College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636109/284 103 7.8.8.4 Staat van instandhouding Als niet-broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de knobbelzwaan in Nederland beoordeeld als gunstig (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1520). Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Als broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de knobbelzwaan in Nederland beoordeeld als gunstig (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1520). Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig De (toekomstige) staat van instandhouding in Overijssel, voor zowel de knobbelzwaan als niet- broedvogel als broedvogel is gunstig te noemen, omdat de aantallen knobbelzwanen voldoende hoog zijn. Bij schadebestrijding wordt de staat van instandhouding van knobbelzwanen niet verslechterd omdat er beperkingen aan het gebruik van de ontheffing zijn. Daarnaast is het monitoren van maatregelen een taak van de Faunabeheereenheid. Onderdeel van deze monitoring zijn de uit te voeren voorjaarstelling welke georganiseerd worden door de WBE’s. Tevens worden afschotgegevens bijgehouden in het Faunaregistratiesysteem van de Faunabeheereenheid.
De Faunabeheereenheid moet de voortgang bewaken en ontwikkelingen signaleren. 7.8.8.5 Effectiviteit van de beheermaatregelen Voordat gebruikgemaakt kan worden van de voorgestelde ontheffing waarin verjaging met ondersteund afschot wordt toegestaan dient tenminste één visueel- en tenminste één akoestisch verjagingsmiddel, zoals beschreven in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken) te zijn ingezet. Bij verjaging, anders als verjaging met ondersteunend afschot, kan gewenning optreden. Echter, bij verjaging met ondersteunend afschot is dit niet het geval (Guldemond et al., 2016). Vogels en zoogdieren leggen de relatie tussen een schot en een soortgenoot welke wordt gedood waardoor het effect van verjaging met ondersteunend afschot versterkt wordt. Voor een uitgebreide toelichting op de effectiviteit van verjaging met ondersteunend afschot, zie bijlage 1. Ondanks de inspanningen van grondgebruikers en schadebestrijders is de schade veroorzaakt door knobbelzwanen vanaf 2017 sterk toegenomen. Dit valt samen met het moment waarop LTO-Noord inspanningen heeft geleverd, in de vorm van voorlichtingsavonden, om faunaschade en het melden hiervan onder agrariërs toe te lichten. Hiertoe zijn vijf bijeenkomsten georganiseerd, in de periode 08-06-2016 tot 03-05-2017, welke goed bezocht zijn.
Doordat de schade vanaf 2017 toeneemt is het College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636110/284 104 zeer waarschijnlijk dat deze voorlichtingscampagne geleid heeft tot meer landbouwschade. Daarnaast is er in het geval van de knobbelzwaan sprake van een trend met stijgende aantallen. 7.8.9 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 7.8.10 Plaats en perioden van beheermaatregelen In dit Faunabeheerplan Overijssel paragraaf knobbelzwaan wordt in de Wet natuurbescherming en Provinciale omgevingsverordening de relatie met handelingen in het kader van beheer en schadebestrijding omschreven en wordt onderbouwd dat ontheffing nodig is om belangrijke landbouwschade te voorkomen. Er wordt ontheffing aangevraagd voor het doden van knobbelzwanen met behulp van het geweer.
Het verjagen met ondersteunen afschot vindt alleen plaats in de WBE-gebieden waar in de afgelopen beheerperiode belangrijke schade is getaxeerd of gebruik gemaakt is van de ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade. Afgaande op de afgelopen beheerperiode zijn dat de volgende WBE’s: De Hof van Twente, De IJssellanden, De Noord-Westhoek, De Weerribben, D’ Oldematen, Heeten e.o., IJsselstreek Salland, Jachtvereniging Kampen, Noord- Oost Twente, West Twente, Salland Midden en Steenwijkerwold e.o. Aan deze ontheffing dienen de volgende voorschriften te worden verbonden: • Gebruik is alleen toegestaan in de periode 1 januari tot 1 juni. • Er mag pas van deze ontheffing gebruik gemaakt worden, nadat de inzet van 2 preventieve maatregelen onvoldoende gebleken zijn. Deze preventieve maatregelen zijn: tenminste één visueel en tenminste één akoestisch verjaagmiddel, zoals beschreven in de regels in de Omgevingsverordening Overijssel en Beleidsregel Natuur Overijssel 2017. • Afschot van knobbelzwanen die zich ophouden in groepen kleine- en/of wilde zwanen is niet toegestaan. • Van deze ontheffing mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van zonsopkomst tot zonsondergang met een maximum van 3 stuks per bejaagactie per schadeperceel per dag t.b.v. ondersteunend afschot. • Gebruik van de ontheffing dient binnen 24 uur in FRS gerapporteerd te worden.
Meerkoet 7.9.1 Algemeen De meerkoet is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Deze soort is als instandhoudingsdoelstelling van diverse Natura 2000-gebieden opgenomen, waarbij zij is aangewezen als niet-broedvogel. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636111/284 105 7.9.2 Kwantitatieve gegevens Overzomerende meerkoeten Meerkoeten broeden bijna overal waar zoet water met enige oevervegetatie aanwezig is. Ze ontbreken dan ook alleen in de droogste delen van de hogere gronden. De dichtheden zijn het hoogst in moerassen en open boerenland met veel sloten in de lage delen van het land. In de twintigste eeuw wist de meerkoet te profiteren van de uitbreiding van oppervlaktewateren en de voedselverrijking van zulke wateren. Bovendien verdween zijn schuwheid en werd de meerkoet tot in de grote steden een bekende broedvogel. De landelijke stand was de afgelopen decennia betrekkelijk stabiel, met echter een forse inzinking na een tweetal strenge winters rond 1995. De broedpopulatie werd in de periode 2013-2015 geschat op 110.000 -140.000 meerkoeten (bron: www.sovon.nl). Overwinterende meerkoeten Buiten de broedtijd zijn meerkoeten overal bij zoet water te vinden, van grachten in steden of boerenland met sloten tot plassengebieden.
Nederlandse meerkoeten, voor zover standvogel, worden in het winterhalfjaar aangevuld door noordoostelijke soortgenoten. In het najaar vinden we concentraties tot tienduizenden meerkoeten op het Veluwemeer, het Markermeer en soms elders; de vogels doen zich hier te goed aan waterplanten. Daarna verspreiden ze zich wat egaler over het land. De landelijke aantallen zijn het hoogst midden in de winter, met bij strenge vorst concentraties op ijsvrije wateren. De getelde aantallen vertonen geen duidelijke trend. De schommelingen hangen maar ten dele samen met het winterweer in Nederland. Het geschatte winter maximum werd in de periode 2013 2015 geschat op 350.000 – 370.000 meerkoeten (bron: www.sovon.nl). Figuur 91. Verspreiding van de meerkoet in Nederland als broed- en als niet-broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/4290) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636112/284 106 7.9.3 Voorkomen en trend in Overijssel De Overijsselse populatie meerkoeten is sinds 1975 toe genomen tot het begin van de jaren 80. Waarna er een daling werd ingezet welke rond het jaar 2000 is gestabiliseerd. In de landelijke trend komt dezelfde piek en daling van de jaren tachtig voor. Echter, de landelijke trend zet de laatste jaren weer een stijgende lijn in. Het provinciaal seizoengemiddelde lag in 2015 op 5.118 meerkoeten. Figuur 92.
Verspreiding van de meerkoet in Overijssel als broed- en niet broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/provincies) Figuur 93. Trend meerkoet in Overijssel (bron: https://www.sovon.nl/provincies) 7.9.4 Wettelijke status en provinciaal beleid De meerkoet is als ‘niet broedvogel’ aangewezen voor de Natura 2000-gebieden De Rijntakken, Ketelmeer & Vossemeer, Veluwerandmeren, Zwarte Meer en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Deze gebieden hebben een foerageer en slaapfunctie voor deze soort. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636113/284 107 De provincie streeft voor de meerkoet na dat er geen verslechtering van de staat van instandhouding plaats mag vinden en dat belangrijke schade aan gewassen voorkomen dan wel beperkt wordt (Bron: Kader_Faunabeheerplan_2019-2024, zie bijlage 9). 7.9.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding: Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen 7.9.5.1 Risico op landbouwschade en verwachting indien beheer uitblijft De getaxeerde schade veroorzaakt door meerkoeten beperkt zich tot blijvend grasland. Figuur 94 geeft deze getaxeerde waarden in aantal meldingen en euro’s weer per gewas. Gewas Aantal meldingen Getaxeerde schade Blijvend grasland 3 € 1.997 Figuur 94. Getaxeerde schade per gewas in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 94 geeft de getaxeerde schade in euro’s per jaar weer.
Wat opvalt is dat de getaxeerde schade vrij laag is vergeleken met bijvoorbeeld de verschillende ganzensoorten. Jaar Getaxeerde schade 2014 € 109 2015 € 1.305 2016 € 583 2017 € 0 2018 € 0 Figuur 95. Getaxeerde schade per jaar in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 96. Getaxeerde schade 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) €0 €200 €400 €600 €800 €1.000 €1.200 €1.400 2014 2015 2016 2017 2018 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636114/284 108 De periode waarin de schade optreedt concentreert zich voornamelijk in maart, zie hiervoor figuur 97. Figuur 97 geeft de verhoudingen tussen de schade in de verschillende maanden nog duidelijker weer. Periode Getaxeerde schade Januari € 0 Februari € 0 Maart € 1.888 April € 109 Mei € 0 Juni € 0 Juli € 0 Augustus € 0 September € 0 Oktober € 0 November € 0 December € 0 Figuur 97. Gecumuleerde getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 98. Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) 7.9.6 Noodzaak beheer en schadebestrijding Gekeken naar WBE-gebieden valt op dat alleen in WBE De IJssellanden belangrijke schade is geconstateerd, zie hiervoor figuur 99.
Voor wat betreft het aantal meerkoeten is reeds geconcludeerd dat deze aantallen de laatste jaren stabiel zijn. Het getaxeerde schadebedrag per jaar fluctueert maar loopt langzaam terug. €0 €500 €1.000 €1.500 €2.000 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636115/284 109 In een groot aantal WBE-gebieden is in de periode van 2014 tot 2018 geen belangrijke schade, zijnde schade gelijk aan dan wel groter dan € 250,-, getaxeerd. WBE Blijvend grasland Totaal getaxeerde waarde De IJssellanden € 1.997 € 1.997 Totaal € 1.997 Figuur 99. Getaxeerde schade meerkoeten per WBE 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) 7.9.7 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Schade wordt voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Dat is zeker belangrijk tijdens de meest kwetsbare perioden van gewas of gras. Ook kan de grondgebruiker de kans op schade in een volgend gewas verminderen door oogstresten afdoende onder te werken. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan, (zie rapport bijlage 1). Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met ondersteunen afschot, wordt de effectiviteit verhoogd en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen. Voor de preventieve middelen wordt verwezen naar de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken.
In een recent uitgekomen rapport (Buij et al 2018) wordt geconstateerd dat met name actieve verjaging, zeker als het gaat om gecombineerde verjagingsacties, effect hebben, maar dat er na verloop van tijd wel gewenning lijkt op te treden. In dat verband legt dit rapport een verband met een (verhoogde) effectiviteit indien ook gecombineerd wordt met verjaging met ondersteunend afschot. 7.9.8 Beheer 7.9.8.1 Gevoerd beheer afgelopen periode In de afgelopen beheerperiode zijn er geen beheermaatregelen uitgevoerd specifiek voor meerkoeten uitgevoerd. Preventieve en schadevoorkomende maatregelen, uitgevoerd ter voorkoming van schade door andere soorten, kan echter wel bijgedragen hebben in het voorkomen van schade door meerkoeten. 7.9.8.2 Staat van instandhouding De (toekomstige) staat van instandhouding van de meerkoet als broedvogel in Nederland is beoordeeld als gunstig. Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636116/284 110 Als niet-broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de meerkoet in Nederland beoordeeld als matig ongunstig.
Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Matig ongunstig Gunstig Matig ongunstig Matig ongunstig Matig ongunstig De toekomstige staat van instandhouding van de meerkoet als zowel broedvogel als niet-broedvogel in Overijssel is beoordeeld als matig ongunstig. Dit onder andere vanwege de landelijk stijgende trend welke in Overijssel nog niet ingezet is. 7.9.9 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 7.9.10 Beheermaatregelen Voor de komende beheerperiode worden voor de meerkoet, in verband met de staat van instandhouding en de relatief kleine hoeveelheid schade geen beheermaatregelen verwacht. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636117/284 111 8 Grofwild Ree (Capreolus capreolus spp capreolus) 8.1.1 Algemeen Het ree is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming.
Deze soort is niet als instandhoudingsdoelstelling binnen de Overijsselse Natura 2000-gebieden opgenomen. 8.1.2 Kwantitatieve gegevens Het aantal reeën in Nederland neemt sinds 1855 weer toe, na een periode van afname door bejaging. Langzamerhand werd heel Nederland weer bevolkt door het ree. In 1947 werden reeën uitgezet op Ameland en in 1992 op Terschelling. In het midden van de twintigste eeuw neemt het aantal reeën flink toe mede door de invoering van de Jachtwet in 1954. Door de invoering van wild- en faunabeheereenheden kwam er een betere controle op het aantal aanwezige reeën. Het ree komt voor in heel Nederland met uitzondering van de Waddeneilanden Texel, Vlieland en Schiermonnikoog en de poldergebieden van Noord- en Zuidholland en Utrecht. Inmiddels leven er naar schatting ruim 100.000 reeën in Nederland (bron: www.reewild.nl). De groei van de populatie reeën lijkt zich inmiddels wat te stabiliseren doordat het ree bijna al het geschikte leefgebied in Nederland gekoloniseerd heeft. Reeën hebben een voorkeur voor een afwisselend bijna parkachtig landschap. Zij leven het liefst op overgangen van verschillende landschappen waar ook een diversiteit aan voedsel te vinden is. Het voedsel wat reeën opnemen is gevarieerd, hoogwaardig en licht verteerbaar. Vooral jonge scheuten en eiwitrijke delen van planten zijn bij reeën favoriet.
Deze overgangen in landschappen en elementen, en daarmee ook het favoriete voedsel van reeën, zijn in Nederland en Overijssel in grote mate aanwezig. Deze grote mate van aanwezigheid van voedselaanbod maakt dat andere factoren als bijvoorbeeld, stress, verkeer en predatie eerder regulerend zijn voor de populatie dan voedsel. 8.1.3 Voorkomen en trend in Overijssel Rond het eind van de 18e eeuw was het ree vrijwel uit Overijssel verdwenen. Vanaf 1874 vestigden uit Duitsland afkomstige reeën zich weer in Twente. De toename en verspreiding hebben zich daarna sterk voortgezet, waarbij in de jaren 1960 het ree weer, op polder Mastenbroek na, in de hele provincie voorkomt. In 1997 wordt het aantal reeën geschat op 10.000 dieren. In de periode 2004- 2008 blijkt het aantal reeën met 10% te zijn toegenomen. De hoogste dichtheden worden bereikt in de laagveenmoerassen in het noordwesten van Overijssel. De tellingen worden sinds 2009 uitgevoerd op basis van een gestandaardiseerde telmethode. De tellingen van 2013 tot en met 2018 laten een redelijk stabiel beeld zien, zie hiervoor figuur 100. Binnen deze telling kunnen vanwege bijvoorbeeld weersomstandigheden, verstorende recreatieve activiteiten en landbouwwerkzaamheden de aantallen getelde reeën per jaar ook nog verschillen. Gemiddeld worden er ongeveer 10.000 reeën geteld in Overijssel, zie hiervoor ook figuur 101.
College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636118/284 112 Jaar Getelde voorjaarsstand 2013 10.824 2014 8.993 2015 10.125 2016 9.819 2017 8.424 2018 10.754 Figuur 100. Getelde aantal reeën in de periode 2013 t/m 2018 in Overijssel (bron: FRS) Figuur 101. Getelde aantal reeën in de periode 2013 t/m 2018 in Overijssel (bron: FRS) Binnen de provincie Overijssel zijn in de vorige beheerperiode 4 regio’s onderscheiden. Deze regio’s zijn geografische werkgebieden van aaneengesloten clusters van WBE’s binnen de provincie Overijssel. Binnen deze regio’s bevinden zich WBE-gebieden met vergelijkbare biotoopkenmerken en zij worden begrensd door natuurlijk dan wel infrastructurele barrières. Het gemiddelde aantal reeën welke binnen deze regio’s geteld is, is uitgesplitst in figuur 102. Reewildregio Gemiddelde aantal reeën Voorjaarstelling2013 - 2018 Noordwest Overijssel 1.115 Stroomgebied IJssel, Reest & Vecht 2.626 Centraal gebied Sallandse heuvelrug 1.576 Twente 4.525 Overijssel totaal 9.842 Figuur 102. Het gemiddelde aantal getelde reeën per reewildregio in Overijssel (bron: FRS) 0 2000 4000 6000 8000 10000 12000 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Getelde voorjaarsstand College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636119/284 113 8.1.4 Wettelijke status en provinciaal beleid Het provinciaal beleid voor het ree: 1.
Geen afbreuk aan de staat van instandhouding. 2. Voorkomen aanrijdingen (verkeersveiligheid borgen): max 8% van de populatie die blijkt uit de voorjaarstelling. 3. Voorkomen onnodig lijden van dieren. 8.1.5 Noodzaak beheer: ten behoeve van de openbare veiligheid Het aantal verkeersaanrijdingen met reeën blijkt uit figuur 103 toe te nemen. Kanttekening hierbij is dat in nauwkeurigheid van de registratie van verkeersaanrijdingen de laatste jaren nog stappen zijn gezet. Door nauwkeuriger registreren is het waarschijnlijk dat verkeersaanrijdingen in het verleden ook al hoger lagen. Figuur 104 geeft de verkeersaanrijdingen grafisch weer. Jaar Aanrijdingen 2014 695 2015 833 2016 858 2017 1.019 2018 925 Figuur 103. Aantal verkeersslachtoffers onder reeën in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BRS) Figuur 104. Aantal verkeersslachtoffers onder reeën in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BRS) 0 200 400 600 800 1000 2014 2015 2016 2017 2018 Aanrijdingen ree College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636120/284 114 8.1.6 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Preventieve maatregelen ter verbetering van de verkeersveiligheid zijn onder ander het weren van dieren door plaatsing van wildrasters, het plaatsen van wildspiegels, het aanleggen van faunapassages (o.a.
ecoducten) en het plaatselijk verlagen van de maximumsnelheid. Deze maatregelen zijn praktisch gezien echter niet overal toepasbaar of effectief. Mede gelet op de kosten kunnen rasters en snelheid beperkende maatregelen gezien de grote weglengte waar zich problemen voordoen, niet als bevredigende alternatieven worden beschouwd. Bovendien beperkt de plaatsing van rasters de mogelijkheid tot uitwisseling van andere dieren tussen de verschillende kerngebieden in Overijssel. Dit laatste is in strijd met de doelstelling van het Netwerk Nieuwe Natuur (NNN) met name het ontsnipperingsbeleid om uitwisseling van deelpopulaties mogelijk te maken. Door deskundigen wordt, vooral bij drukkere wegen, getwijfeld aan de effectiviteit van wildspiegels (Klop, E, 2009 en Leidraad voor het Beheer van Reen, 2007, Vereniging “Het Reewild”). 8.1.7 Gevoerd beheer afgelopen periode In de afgelopen planperiode is beheerd op grond van een ontheffing voor het doden van reeën ten behoeve van de openbare veiligheid (verkeersveiligheid) en voor het voorkomen en bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige reeën. Deze ontheffing maakte het mogelijk reegeiten en reekalveren te doden met het geweer van 1 december tot 1 april, reebokken te doden met het geweer van 1 april tot 16 september en jaarrond zieke of gebrekkige reeën te doden.
Met deze ontheffing is de afgelopen beheerperiode ingezet op een knelpunt gestuurd beheer. Daarbij vindt de verdeling van het toegestane afschot per WBE plaats op basis van ingediende reewildwerk- en reewildbeheerplannen. Uitgangspunt van deze plannen is draagkrachtberekening (van Haaften 2007) en een knelpuntenanalyse voor verkeersveiligheid. Het aantal aanrijdingen betreft gemiddeld ongeveer 800 per jaar. Het geregistreerd aantal neemt gering toe, zie hiervoor figuur 105 en 106. Jaar Bokkalf Geitkalf Jaarlingbok Smalree Bok Geit n.b. 2014 37 64 73 72 183 191 75 2015 66 86 85 86 204 218 88 2016 57 92 97 75 226 221 90 2017 58 106 108 124 219 281 123 2018 35 105 93 127 185 283 97 Figuur 105. Aantal verkeersslachtoffers reeën in de periode van 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BRS) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636121/284 115 In de loop der jaren is het aanrijdingen in Overijssel toegenomen. Echter, er zijn in de jaren 2016, 2017 en 2018 ook duidelijk meer reeën geschoten dan in de jaren daarvoor, zie hiervoor figuur 106. Door meer aandacht voor het melden van aangereden reen en adequate registratie geven deze cijfers een sterk vertekend beeld. Hierdoor lijken valwildcijfers toe te nemen terwijl deze in de jaren daarvoor waarschijnlijk feitelijk hoger waren dan de gegevens nu weergeven.
Daarnaast is ook het aantal verkeersbewegingen in Nederland sterk toegenomen. Jaar Aantal gedode dieren 2013 3.217 2014 3.101 2015 3.261 2016 3.511 2017 3.487 2018 3.419 Figuur 106. Aantal gedode reeën in de periode van 01-01-2013 t/m 20-09-2018 in Overijssel (bron: FRS) Figuur 107. Valwild reeën in de periode van 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: FRS) 0 200 400 600 800 1000 2014 2015 2016 2017 2018 Aanrijding ree Bokkalf Geitkalf Jaarlingbok Smalree Bok Geit n.b. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636122/284 116 Figuur 108. Aantal gedode dieren in de periode 01-01-2013 t/m 20-09-2018 (bron: FRS) Gekeken naar het valwild per maand vallen de maanden januari, maart maar vooral april en mei op door de hoge valwildcijfers, zie hiervoor figuur 109 en 110. In april en mei valt vooral op dat de aanrijdingen met jaarling bokken, smalreeën en bokken sterk toeneemt. Logischerwijs valt dit te verklaren doordat de geiten in deze periode de kalveren ter wereld brengen en daarvoor de kalveren van het vorige jaar verjaagd. Daarnaast beginnen bokken in mei hun territorium te markeren en verjagen daarvoor andere bokken. Dit zorgt beiden voor veel verplaatsingen en het zoeken naar nieuwe territoria. Hierbij steken reeën logischerwijs veel wegen over wat zorgt voor een verhoogd aantal aanrijdingen.
Daarnaast is ook het aantal verkeersbewegingen in Nederland sterk toegenomen. Figuur 109. Gecumuleerde aanrijdingen per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BRS) 2800 2900 3000 3100 3200 3300 3400 3500 3600 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Aantal gedode dieren Periode Bokkalf Geitkalf Jaarlingbok Smalree Bok Geit n.b. Januari 33 30 37 30 46 119 37 Februari 19 33 18 30 63 100 33 Maart 24 15 20 31 100 91 28 April 8 47 92 39 236 101 60 Mei 11 32 108 84 149 107 70 Juni 8 24 39 48 91 92 18 Juli 11 29 35 41 88 81 46 Augustus 20 48 29 34 64 57 40 September 39 53 16 18 36 60 29 Oktober 32 42 10 30 32 62 26 November 26 35 19 29 42 85 40 December 22 22 20 30 43 102 31 College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636123/284 117 Figuur 110. Aanrijdingen per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BRS) De aantallen aangereden dieren afgezet tegen de maanden (zie figuur 110) laat zien dat het meeste aanrijdingen van reeën plaatsvinden in de maanden april en mei Daarnaast zien we een kleine piek in de maanden juli en augustus. Zeer waarschijnlijk heeft dit te maken met de reeën bronst waardoor bokken in deze maanden beter zichtbaar zijn. Periode Aantal gedode dieren Januari 920 Februari 2.753 Maart 6.537 April 1.172 Mei 1.657 Juni 1.187 Juli 1.969 Augustus 2.155 September 1.554 Oktober 2 November 1 December 89 Figuur 111.
Gedode dieren per maand in de periode 2013 – 2018 (bron: FRS) 0 100 200 300 400 500 600 700 Aanrijding ree Bokkalf Geitkalf Jaarlingbok Smalree Bok Geit n.b. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636124/284 118 Figuur 112. Gedode dieren per maand in de periode 2013 – 2018 (bron: FRS) Wanneer de getelde voorjaarsstand afgezet wordt tegen het aantal aanrijdingen en het maximale valwildpercentage van 8% als benoemd in 8.1.4 geeft deze weer dat het aantal geregistreerde aanrijdingen en het percentage aanrijdingen t.o.v. de voorjaarsstand redelijk constant is, zie hiervoor figuur 113. Deze gegevens maken duidelijk dat het gevoerde beheer in de afgelopen periode nog niet geresulteerd heeft in het maximale valwildpercentage van 8%. Als reeds benoemd speelt een meer volledige registratie van valwild hierin een belangrijke rol. Ook is het aantal verkeersaanrijdingen de laatste jaren sterk toegenomen als gevolg van economische groei en recreatiedruk en daarmee samenhangend een groeiend aantal verkeersbewegingen (zie bijlage 10). Jaar Getelde voorjaarsstand Aanrijdingen Valwildpercentage 2013 10.940 863 8% 2014 8.993 857 10% 2015 10.125 894 9% 2016 9.973 815 8% 2017 8.424 978 12% 2018 10.450 930 9% Figuur 113.
Getelde voorjaarsstand afgezet tegen het aantal aanrijdingen (bron: FRS en BRS) 8.1.8 Uitvoering beheermaatregelen Verkeersveiligheid Voor de uitvoering van het ingezette knelpunt gestuurd populatiebeheer worden reewildbeheerplannen per WBE opgesteld voor het gehele werkgebied van de WBE, inclusief terreinen in beheer van TBO’s. Deze beschrijven het beheer voor de duur van het faunabeheerplan op hoofdlijnen. Onderdeel van deze reewildbeheerplannen zijn een knelpuntenanalyse (van de(potentieel) risicovolle verkeerssituaties) en een draagkrachtberekening op basis van de “verbeterde methode Van Haaften”. Ook komt in de reewildbeheerplannen afschotcriteria te staan 0 1000 2000 3000 4000 5000 6000 7000 Aantal gedode dieren College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_00636125/284 119 dat de basis is voor de jaarlijks op te stellen werkplannen. Dit reewildbeheerplan moet goedgekeurd worden door de provincie. Vervolgens wordt op basis van het goedgekeurde reewildbeheerplan jaarlijks een werkplan opgesteld door de WBE waarin ze verantwoording aflegt over het afgelopen jaar en een voorstel doet voor het komend jaar. Dit voorstel is gebaseerd op een analyse van aantallen, afschot en aanrijdingen. Voor WBE’s met een aanrijdingspercentage van meer dan 8% dienen bij de analyse in ieder geval ook de terreinen van de TBO’s betrokken te zijn.