15.0 Schriftelijke vragen GL - Jacht op hazen en konijnen - beantwoording 20211103.pdf
Tekst van het document
Aantallen geschoten grauwe ganzen in de periode 1 oktober t/m 1 april (bron: BIJ12, unit Faunazaken) 7.2.7.2 Uitvoering beheermaatregelen In WBE-gebieden waarvoor ontheffing was verleend voor verjaging met ondersteunend afschot kon de grondgebruiker in gezamenlijk overleg met een jachtaktehouder in de afgelopen beheerperiode diverse maatregelen treffen om belangrijke landbouwschade te voorkomen. Hierbij in acht nemend dat populatiebeheer bij overzomerende grauwe ganzen en verjaging met ondersteunend afschot bij overwinterende grauwe ganzen het ultimum remedium is en er eerst maatregelen lager op de preventieladder dienen te worden genomen uit de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). Bijlage 2 geeft weer in hoeverre hiervan gebruik gemaakt is. 7.2.7.3 Registratie van tellingen en afschot en monitoring Monitoring van de populatie, schade en afschot van ganzen in Overijssel is een belangrijk onderdeel van het beheer. Op deze wijze kan de Faunabeheereenheid het beleidsdoel van de provincie om voor overzomerende ganzen terug te gaan naar de populatie van 2005 en voor overwinterende ganzen de schade van 2005 jaarlijks monitoren (zijn we op de goede weg?).
Ook kan hiermee invulling worden gegeven aan het “hand-aan-de-kraan-principe” doordat de gunstige staat van instandhouding van overzomerende grauwe ganzen en het instandhoudingsdoel van overwinterende grauwe ganzen gemonitord kan worden. “Om te borgen dat het aantal overwinterende ganzen niet onder de doelaantallen van de instandhoudingsdoelstelling komen, wordt een ‘hand aan de kraan’ principe gehanteerd. Dit houdt in dat er niet meer geschoten mag worden, dan het verschil in aantal ganzen tussen aan de ene kant het gemiddelde van de wintertellingen van de afgelopen 5 jaar en aan de andere kant het doelaantal van de instandhoudingsdoelstelling.” Om te borgen dat het aantal overzomerende ganzen niet onder de aantallen van 2005 komen, wordt het “hand-aan-de-kraan-principe” gehanteerd. Dit houdt in dat het verschil in aantal ganzen tussen de laatste zomertelling en het aantal van 2005 geschoten mag worden. Indien uit de afschotgegevens in het Faunaregistratiesysteem (FRS) blijkt dat het maximale aantal ganzen geschoten is, worden de beheer- en schadebestrijdingsmaatregelen aangepast. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063659/284 53 Voor de overwinterende grauwe ganzen dient jaarlijks achteraf bepaald te worden of het schadeniveau van 2005 al bereikt is.
Mocht dit in een jaar het geval zijn dienen de schadebestrijdingsmaatregelen voor het jaar daaropvolgend aangepast te worden. De afschotgegevens dienen binnen 7 dagen in het FRS ingevoerd te worden, waardoor er sprake is van het “real-time” registreren van gegevens. De FBE dient het aantal geschoten ganzen te monitoren. Indien door het schieten van grauwe ganzen het minimumaantal overzomerende grauwe ganzen in Overijssel behaald wordt (aantallen 2005) dient de FBE dit te signaleren, en daarna meteen te rapporteren aan de provincie. Aan deze monitoring wordt invulling gegeven door: • Bijhouden van afschotgegevens in het faunaregistratiesysteem en periodiek te rapporteren aan de provincie. • Jaarlijkse zomer- en wintertellingen uit te voeren door WBE’s conform het protocol zomertelling ganzen van de landelijke technische werkgroep zomertelling ganzen (april, 2012, bijlage 3). 7.2.7.4 Staat van instandhouding Als niet-broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de grauwe gans in Nederland beoordeeld als gunstig (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1610). Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Als broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de grauwe gans in Nederland beoordeeld als gunstig (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1610).
Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig De (toekomstige) staat van instandhouding in Overijssel, voor zowel de grauwe gans als niet- broedvogel als broedvogel is gunstig te noemen, omdat de aantallen grauwe ganzen toenemen dan wel stabiliseren en de aantallen voldoende hoog zijn. Zoals weergegeven in 7.2.4 is het doel om in de zomer bij te dragen aan het verlagen van populatie naar een niveau wat passend is bij de aantallen van 2005 en voor de overwinterende grauwe gans naar een schadeniveau als in 2005. Bij deze aantallen komt de gunstige staat van instandhouding in Overijssel niet in gevaar, mede omdat er beperkingen aan de ontheffing gekoppeld zijn en afschot in de toekomst niet geïntensiveerd wordt. Daarnaast is het monitoren van maatregelen een taak van de Faunabeheereenheid. Onderdeel van deze monitoring zijn de uit te voeren zomer- en wintertellingen welke georganiseerd worden door de Faunabeheereenheid. Tevens worden afschotgegevens College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063660/284 54 bijgehouden in het Faunaregistratiesysteem van de Faunabeheereenheid. De Faunabeheereenheid moet de voortgang bewaken en ontwikkelingen signaleren.
7.2.7.5 Effectiviteit van beheermaatregelen Voordat gebruik gemaakt kan worden van de voorgestelde ontheffing waarin verjaging met ondersteund afschot wordt toegestaan, dient tenminste één visueel en tenminste één akoestisch (behalve in het geval van overjarig grasland) verjagingsmiddel, zoals beschreven in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken), te zijn ingezet. Bij verjaging, anders als verjaging met ondersteunend afschot, kan gewenning optreden (zie 7.1.7). Bij verjaging met ondersteunend afschot is dit niet het geval (Guldemond et al., 2016). Vogels en zoogdieren leggen de relatie tussen een schot en een soortgenoot welke wordt gedood waardoor het effect van verjaging met ondersteunend afschot versterkt wordt. Voor een uitgebreide toelichting op de effectiviteit van verjaging met ondersteunend afschot (zie bijlage 1). In paragraaf 7.1.8.1 is daarnaast in een tijdlijn weergegeven hoe het afschot, schade en de beperking van het gebruik van de ontheffing zich met elkaar verhouden. 7.2.8 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden.
Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 7.2.9 Plaats en periode van beheermaatregelen De Faunabeheereenheid Overijssel vraagt ontheffing ex. art. 3.17 Wnb aan voor het doden van grauwe ganzen met behulp van het geweer en voor legselbeperking bij grauwe ganzen (periode 1 februari tot 1 augustus) ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op agrarische gronden voor de duur van dit plan: Overzomerende grauwe ganzen (van 1 april tot 1 oktober) Vanaf een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang met gebruikmaking van lokmiddelen voor alle WBE-gebieden. Legselbeperking grauwe ganzen van 01 februari tot 01 augustus Van de ontheffing dienen gebruik te kunnen maken: grondgebruikers, medewerkers en vrijwilligers van terreinbeherende organisaties, leden en vrijwilligers van agrarische natuurverenigingen, leden en vrijwilligers van WBE’s. Overwinterende grauwe ganzen (van 1 oktober tot 1 april) Vanaf een uur voor zonsopkomst tot uiterlijk 12.00 uur ‘s middags met een maximum van 10 stuks per bejaagactie per schadeperceel. t.b.v.
ondersteunend afschot voor de volgende WBE-gebieden College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063661/284 55 waar schade is getaxeerd in de afgelopen beheerperiode en/of gebruik gemaakt is van de ontheffing ten behoeve van voorkoming van belangrijke schade: IJssellanden, IJsselstreek-Salland, Jachtvereniging Kampen, Noord-Westhoek, Oldematen, Steenwijkerwold e.o., De Weerribben, De Noorder Vechtlanden, Salland-Midden, Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden, Zuider Vechtlanden, De Vechtstroom, Twickel, West-Twente en Zuid-Oost Twente. Gebruik van de ontheffing moet mogelijk zijn tussen een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang (in de winterperiode tot 12.00 uur ‘s middags). Dit, omdat zo effectief mogelijk schade aan gewassen voorkomen kan worden. Ganzen beginnen namelijk al een uur voor zonsopkomst op percelen met schadegevoelige gewassen (waaronder blijvend grasland) te foerageren. Ook foerageren zij nog een uur na zonsondergang op percelen met schadegevoelige gewassen. Het gebruik van lokmiddelen is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat overzomerende ganzen binnen schootsafstand komen. Kolgans 7.3.1 Algemeen De kolgans is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Deze soort is als instandhoudingsdoelstelling van diverse Natura 2000-gebieden opgenomen, waarbij zij is aangewezen als niet-broedvogel.
7.3.2 Kwantitatieve gegevens Overzomerende kolganzen Kolganzen broeden vanaf 1980 in ons land in snel toenemende aantallen. In eerste instantie ging het om lokvogels, gebruikt bij de jacht en losgelaten nadat dit middel verboden werd. De populatie groeide tot maximaal 250 paren rond 2000 en het drievoudige nog geen tien jaren later. Kerngebieden liggen rond de Friese Meren, in de Zaanstreek, oostelijk Zuid-Holland en het rivierengebied, vooral daar waar ook de meeste jagers actief waren. De totale broedpopulatie werd in de periode 2013 – 2015 geschat op 420 – 700 kolganzen (www.sovon.nl). Overwinterende kolganzen Kolganzen zijn voornamelijk aanwezig van oktober tot en met maart, met de hoogste aantallen midden in de winter. Maximaal vertoeven er bijna 900.000 kolganzen in ons land, 80% van de wereldpopulatie. De grootste concentraties houden zich op in graslanden in Friesland en het rivierengebied. Strenge vorst en zware sneeuwval kan leiden tot een leegloop uit Noordoost- Nederland (en toenemende aantallen in Zuidwest-Nederland en het rivierengebied), soms ook tot een massale toestroom of doortrek van vogels die eerst oostelijker pleisterden. De landelijke aantallen namen sinds 1975 fors toe. Dit berust deels op een herverdeling van kolganzen binnen Europa overwinterende kolganzen en verlaagde jachtdruk.
Tegelijkertijd arriveerde de voorhoede steeds vroeger en namen kolganzen College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063662/284 56 nieuwe pleisterplaatsen buiten de traditionele in gebruik. Kolganzen blijven overigens niet langer hangen dan voorheen: in zachte winters trekt al een fors deel weg in februari. De in Nederland overwinterende aantallen zijn sinds 2005 stabiel; dat de seizoengemiddelden nog toenamen komt vooral doordat grote aantallen soms al vroeg in de herfst arriveren. Bij de meest recente telling van 2015/2016 zijn als landelijk seizoenmaximum 773.318 kolganzen geteld (www.sovon.nl). Figuur 32. De verspreiding van de kolgans in Nederland zowel als broedvogel als niet -broedvogel (bron: http://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/1590) Figuur 33. Verspreiding van de kolgans in Overijssel als overzomerende gans en overwinterende gans (bron: https://www.sovon.nl/provincies) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063663/284 57 7.3.3 Voorkomen en trend in Overijssel In Overijssel komt de kolgans vooral voor in en rondom het Zwarte Meer, in de kop van Overijssel en de IJsseluiterwaarden. Deze gebieden kenmerken zichzelf door de aanwezigheid van grote oppervlakten open water. Daarnaast bevinden zich ook kleine hoeveelheden overwinterende kolganzen in de rest van Overijssel.
Dit met name in de open gebieden met veel voedselrijke graslanden. Zie voor de verspreiding van overzomerende ganzen en overwinterende ganzen in Overijssel, de verspreidingskaart figuur 31. Overzomerende kolganzen Figuur 33 geeft de resultaten weer van de provinciebrede zomertelling van overzomerende ganzen in Overijssel. Uit deze telling valt op dat het aantal overzomerende ganzen in de periode 2013 tot 2018 behoorlijk gefluctueerd heeft. Naar de toekomst is de verwachting dat het aantal kolganzen toe zal blijven nemen vanwege een licht toenemende landelijke trend en de in ruime mate aanwezigheid van beschikbaar leefgebied en voedsel voor brandganzen. Figuur 34. Provinciebrede zomertelling van overzomerende ganzen in Overijssel Jaarlijks moet een provinciebrede zomertelling van grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen door de FBE worden georganiseerd. Deze telling geschiedt op de derde zaterdag van juli, en overeenkomstig het “Protocol zomertelling ganzen” (zie bijlage 3) van de Landelijke technische werkgroep zomertelling ganzen, uit april 2012. Bovenstaande grafiek (figuur 33) geeft van deze telling de uitkomsten van de laatste 6 jaar weer. Overwinterende kolganzen Het aantal overwinterende kolganzen heeft de afgelopen 5 jaar behoorlijk gefluctueerd.
Het diagram (figuur 34) geeft een goed beeld van de fluctuatie die het aantal overwinterende kolganzen in Overijssel de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. 0 100 200 300 400 500 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Aantal overzomerende kolganzen College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063664/284 58 Figuur 35. Aantalsontwikkeling van de kolgans in Overijssel als overwinterende kolgans, deze is gebaseerd op de midwintertelling januari (bron: www.sovon.nl) 7.3.4 Wettelijke status en provinciaal beleid De kolgans is een beschermde diersoort. De kolgans is als ‘niet-broedvogelsoort’ aangewezen voor de Wieden, Rijntakken, Ketelmeer & Vossemeer, Zwarte Meer en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. De gebieden hebben voor de kolgans met name een functie foerageren als slaap- en rustplaat. Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht hebben voornamelijk een functie als foerageergebied. De ganzen foerageren zowel binnen als buiten het gebied. Het doel van het beheer is om de populatie overzomerende kolganzen planmatig terug te brengen waarbij de staat van instandhouding gegarandeerd blijft. Doel van de schadebestrijding is om bij overwinterende kolganzen de schade te beperken tot het niveau van 2005 en te verzekeren dat de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 niet in gevaar komen (Bron: Kader_faunabeheerplan_2019-2024 zie bijlage 9).
Het schadeniveau van 2005 is voor overwinterende kolganzen € 188.091,-. Het aantal overzomerende kolganzen is vastgesteld op 188 kolganzen (Bron: Kader_faunabeheerplan_2019-2024). 7.3.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding: Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen 7.3.5.1 Risico op landbouwschade en verwachting indien beheer uitblijft De getaxeerde schade veroorzaakt door Kolganzen concentreert zich het overgrote deel op blijvend grasland gevolgd op ruime afstand door nieuw ingezaaid grasland. Figuur 36 geeft deze schademeldingen weer in termen van getaxeerde schade en aantal meldingen per gewas. Gewas Aantal meldingen Getaxeerde schade Blijvend grasland 630 € 1.617.750 Nieuw ingezaaid grasland 14 € 25.264 Graszaad 1 € 1.800 Peen, grove peen/winter 1 € 420 Wintergraan 7 € 6.305 Mais 2 € 150 Figuur 36. Gecumuleerde getaxeerde schade in euro’s per jaar College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063665/284 59 In alle jaren komen de getaxeerde bedragen allen ruim boven het schadeniveau van 2005 uit. Figuur 38 geeft duidelijk weer dat de schade per jaar kan fluctueren. Het jaar 2017 valt op door de hoge schade. Figuur 37 geeft de gecumuleerde getaxeerde schade in euro’s per jaar weer. Jaar Getaxeerde schade 2014 € 257.187 2015 € 364.718 2016 € 256.477 2017 € 512.551 2018 € 260.756 Figuur 37.
Getaxeerde schade per jaar 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 38. Getaxeerde schade per jaar 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De periode waarin de schade aanvangt concentreert zich in de eerste 4 maanden van het jaar, zie hiervoor figuur 40. Deze schade wordt veroorzaakt in de eerste maanden van het jaar, omdat dan ook de overwinterende kolganzen nog aanwezig zijn (wat zorgt voor grotere aantallen) en er reeds gras begint te groeien. Deze eerste snede heeft voor agrarische ondernemers de meeste bedrijfseconomische waarde, omdat dit kwalitatief de beste en daarmee ook de duurste snede is. €0 €100.000 €200.000 €300.000 €400.000 €500.000 €600.000 2014 2015 2016 2017 2018 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063666/284 60 Figuur 39 geeft de verhouding tussen de gecumuleerde schade 2014 – 2018 in de verschillende maanden weer. Periode Getaxeerde schade Januari € 75.294 Februari € 709.233 Maart € 721.001 April € 50.199 Mei € 17.850 Juni € 20.399 Juli € 20.394 Augustus € 5.525 September € 1.866 Oktober € 642 November € 6.660 December € 22.626 Figuur 39. Gecumuleerde getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 40.
Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Wanneer er geen populatiebeheer van de overzomerende en geen schadebestrijding van de overwinterende kolganzen plaatsvindt is de verwachting dat het aantal overzomerende kolganzen in Overijssel verder toe zal nemen, en in de winter de schade veroorzaakt door kolganzen verder toeneemt. €0 €100.000 €200.000 €300.000 €400.000 €500.000 €600.000 €700.000 €800.000 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063667/284 61 7.3.6 Noodzaak beheer en schadebestrijding Overzomerende ganzen Voor wat betreft het aantal overzomerende kolganzen is reeds geconcludeerd dat de aantallen de afgelopen jaren fluctueren. Ook de getaxeerde schade binnen de verschillende WBE-gebieden fluctueren, waarbij opvalt dat binnen bepaalde WBE-gebieden al jarenlang relatief veel landbouwschade gesignaleerd wordt. Daarnaast vallen een aantal WBE-gebieden op, omdat zij geen of nagenoeg geen schade in de afgelopen jaren hebben gehad. De schade aangericht door de overzomerende kolgans in verschillende WBE-gebieden de afgelopen decennia is weergegeven in figuur 41. In een aantal WBE-gebieden is in de periode 2014 tot 2018 geen belangrijke schade, zijnde schade gelijk aan dan wel groter dan € 250,- getaxeerd.
WBE 2014 2015 2016 2017 2018 De IJssellanden € 474 € 941 € 0 € 499 € 2.463 IJsselstreek Salland € 787 € 4.227 € 2.405 € 1.963 € 6.031 Jachtvereniging Kampen € 0 € 0 € 1.741 € 420 € 1.152 De Noord-Westhoek € 4.318 € 6.873 € 15.445 € 18.724 € 8.922 D’Oldematen € 2.863 € 3.913 € 0 € 11.183 € 72 De Weerribben € 4.136 € 5.948 € 2.462 € 1.634 € 2.244 Steenwijkerwold e.o. € 146 € 1.280 € 951 € 1.633 € 0 De Koerkamp € 0 € 0 € 0 € 383 € 0 Figuur 41. Getaxeerde schade door kolganzen in de periode 1 april tot 1 oktober in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Gelet op de schadecijfers van de afgelopen jaren per WBE-gebied, kan geconcludeerd worden dat verjaging met ondersteunend afschot in een aantal WBE-gebieden noodzakelijk is om belangrijke schade te voorkomen. Dit vanwege de aanwezigheid van belangrijke schade en het lerend vermogen van ganzen (zie ook 7.3.7.5). De provincie Overijssel heeft als doelstelling het aantal overzomerende kolganzen planmatig terug te brengen naar het niveau van 2005 met het daarbij behorende schadeniveau (zie 7.3.4). Zowel het schadeniveau als de aantallen zijn momenteel groter als de gestelde doelen. Een ontheffing voor verjaging met ondersteunend afschot is dan ook noodzakelijk voor de periode 1 april tot 1 oktober.
Dit met name voor de WBE-gebieden met belangrijke schade zijnde De IJssellanden, Jachtvereniging Kampen, De Noord-Westhoek, D’Oldematen, De Weerribben, Steenwijkerwold en De Koerkamp. Overwinterende kolganzen De getaxeerde schade bij overwinterende kolganzen, welke weergegeven is in figuur 42, laat duidelijk hogere schadebedragen zien dan de getaxeerde schades bij de overzomerende kolganzen. De verklaring hiervan de grotere aantallen overwinterende kolganzen dan overzomerende kolganzen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063668/284 62 Een aantal WBE-gebieden, zoals De IJssellanden, IJsselstreek/Salland, Jachtvereniging Kampen, De Noord-Westhoek, D’Oldematen, De Weerribben, Steenwijkerwold en De Koerkamp vallen op doordat zij structureel belangrijke schade, zijnde schade gelijk aan dan wel groter dan € 250,- in de winterperiode binnen het werkgebied hebben. WBE 2014 2015 2016 2017 2018 De IJssellanden € 36.382 € 51.037 € 28.504 € 96.247 € 44.707 IJsselstreek Salland € 15.444 € 17.744 € 13.905 € 25.969 € 11.119 Jachtvereniging Kampen € 20.804 € 37.935 € 20.342 € 13.812 € 11.908 De Noord-Westhoek € 127.306 € 172.058 € 115.490 € 240.220 € 136.912 D’Oldematen € 10.961 € 20.253 € 23.519 € 16.165 € 1.934 Lonneker Losser € 117 € 0 € 0 € 0 € 0 Steenwijkerwold e.o.
€ 9.118 € 6.011 € 7.919 € 13.984 € 0 De Weerribben € 24.019 € 34.277 € 22.777 € 64.960 € 33.292 De Koerkamp € 312 € 2.221 € 1.017 € 4.705 € 0 Figuur 42. Getaxeerde schade door Kolganzen in de periode 1 oktober t/m 1 april in Overijssel (bron BIJ12, unit Faunazaken) Gelet op de schadecijfers van de afgelopen jaren is het voor grondgebruikers noodzakelijk om aan schadebestrijding te doen voor het oogsten van tenminste een redelijke opbrengst van de eerste snede gras. De schadebestrijding bestaat uit het gebruik maken van de maatregelen, als opgenomen in de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken. Volgens de regels in de Omgevingsverordening Overijssel en Beleidsregel Natuur Overijssel 2017, dient de grondgebruiker, om voor een tegemoetkoming faunaschade in aanmerking te komen, aan te tonen dat hij/zij zo veel mogelijk heeft gedaan om de faunaschade te voorkomen en te beperken. Faunazaken toetst of een aangevraagde en verleende ontheffing om de schade te bestrijden adequaat is ingezet. Dit houdt in dat de ontheffing minimaal op twee verschillende dagen per week is gebruikt om schade te bestrijden door middel van ondersteunend afschot van enkele van de schadeveroorzakende diersoorten. Ondersteunend afschot is daarbij o.a. noodzakelijk vanwege het lerend vermogen van ganzen, zie 7.3.8.5).
De provincie Overijssel heeft als beleidsdoel om de schade veroorzaakt door overwinterende ganzen planmatig terug te brengen naar het niveau van 2005 (zie 7.3.4). Het schadeniveau is momenteel groter dan dit gestelde beleidsdoel. Een ontheffing voor verjaging met ondersteunend afschot is dan ook wenselijk voor de periode 1 oktober tot 1 april voor de WBE- gebieden met belangrijke schade. 7.3.7 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Schade wordt voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Dat is zeker belangrijk tijdens de meest kwetsbare perioden van gewas of gras. Ook kan de grondgebruiker de kans op schade in een volgend gewas verminderen door oogstresten afdoende onder te werken. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan, (zie rapport bijlage 1). Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063669/284 63 met ondersteunen afschot, wordt de effectiviteit verhoogd en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen. Voor de preventieve middelen wordt verwezen naar de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken.
In een recent uitgekomen rapport (Buij et al 2018) wordt geconstateerd dat met name actieve verjaging, zeker als het gaat om gecombineerde verjagingsacties, effect hebben, maar dat er na verloop van tijd wel gewenning lijkt op te treden. In dat verband legt dit rapport een verband met een (verhoogde) effectiviteit indien ook gecombineerd wordt met verjaging met ondersteunend afschot. Een overzicht van de uitgevoerde preventieve maatregelen in de afgelopen periode is opgenomen in bijlage 2. 7.3.8 Beheer 7.3.8.1 Gevoerd beheer afgelopen periode De afgegeven ontheffing in 2014 maakte het mogelijk jaarrond kolganzen te doden. Voor overzomerende ganzen betekent dit dat in de periode van 1 april tot 1 oktober ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op agrarische gronden ontheffing is verleend voor het gebruik van het geweer vanaf een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang. In de winterperiode van 1 oktober tot 1 april is ontheffing verleend voor het doden van kolganzen met behulp van het geweer ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op agrarische gronden ontheffing is verleend vanaf een uur voor zonsopkomst tot 12:00 u. ‘s middags.
Als voorschrift is aan de ontheffing verbonden dat op percelen met schadegevoelige gewassen (met uitzondering van grasland, graszaad en graan vanaf zes maanden na inzaai) de volgende waarneembare preventieve maatregelen zijn genomen: tenminste één visueel en tenminste één akoestisch verjagingsmiddel, zoals beschreven in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken. Na inwerkingtreding van deze ontheffing zijn er door diverse juridische procedures beperkingen gesteld aan de ontheffing. De belangrijkste beperkingen hieruit zijn: • Afschot is beperkt tot vanaf zonsopkomst tot zonsondergang. • In en in de nabijheid van diverse Natura 2000 gebieden zijn beperkingen gesteld aan het gebruik van de ontheffing (zie bijlage 4). Daarnaast is het gedurende diverse perioden niet mogelijk geweest gebruik te maken van de ontheffing in verband met deze juridische procedures en vanwege het verbod om te jagen in periodes waarin de vogelgriep in Nederland heerste, zie hiervoor figuur 42. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063670/284 64 Jaar Afschot Schademeldingen Schade Gestelde beperkingen 2014 6.580 110 257.187 20-11-2014 tot 04-12-2014 verbod tot gebruik van de ontheffing i.v.m.
vogelgriep 2015 4.951 99 364.718 15-01-2015 tot 31-03-2015 schorsing ontheffing grauwe- kol- en brandgans 01-04-2015 beperking ontheffing zomerganzen, alleen schadebestrijding en geen populatiebeheer 17-04-2015 beperkingen N2000 29-05-2015 beperking ontheffing zomerganzen (max. 10 stuks tot 12.00 uur) 28-08-2015 beperking aantal WBE’s voor het gebruik van de ontheffing 02-12-2015 beperking gebruik van ontheffing in een zone van 500m1 rondom N2000 2016 4.093 93 256.477 08-03-2016 tweede beslissing op bezwaar ganzenontheffing in en nabij N2000-gebieden 02-11-2016 einde beperking van 02-12-2015, minder beperkingen o.g.v. Nb-wet vergunning 2017 4.472 135 512.551 24-10-2016 Nb-wet vergunning rekening houdend met verschillende verstoringsafstanden. Aanvang schadebestrijding niet een uur eerder. 2018 4.850 114 262.367 13-03-2018 vogelgriep Kamperveen, beperking in zone 10 km rond Kamperveen 11-04-2018 Wnb- vergunning N2000 beperking gebruik van ontheffing in een zone van 300m1 rondom leefgebieden van kwalificerende soorten binnen en buiten N2000. Tot okt 2018 nog niet uur eerder. Figuur 43. Gebruik ontheffing kolgans Figuur 43 geeft het totaalafschot per jaar weer afgezet tegen het aantal meldingen en de totale schade. Daarnaast zijn beperkingen benoemd welke geleid hebben tot aanpassingen in de ontheffing of het niet kunnen gebruiken van de ontheffing.
Opvallend is dat 2017 er uitspringt door de hoogte van de schade. Dit valt samen met het moment waarop LTO-Noord inspanningen heeft geleverd, in de vorm van voorlichtingsavonden, om faunaschade en het melden hiervan onder agrariërs toe te lichten. Hiertoe zijn vijf bijeenkomsten georganiseerd, in de periode 08-06-2016 tot 03-05-2017, welke goed bezocht zijn. Doordat niet alleen de schade toeneemt, maar daarbij ook het aantal meldingen, is het zeer waarschijnlijk dat deze voorlichtingscampagne geleid heeft tot meer meldingen en meer taxaties van landbouwschade. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063671/284 65 Overzomerende kolganzen De afschotgegevens van kolganzen in de periode 1 april tot 1 oktober laten een wisselend beeld zien. Een aantal WBE-gebieden vallen op door hogere afschotcijfers. In algemeenheid zijn de WBE- gebieden waar grotere aantallen ganzen worden geschoten ook de WBE-gebieden waar grotere schade is getaxeerd, zie hiervoor figuur 44. WBE 2014 2015 2016 2017 2018 De IJssellanden 7 7 5 28 29 De Koerkamp 0 1 0 0 2 De Noord-Westhoek 29 10 4 5 0 De Vechtstroom 0 0 0 0 0 De Weerribben 1 3 0 0 0 D’ Oldematen 5 3 2 2 4 IJsselstreek Salland 4 44 0 8 4 Jachtvereniging Kampen 1 2 0 14 1 Salland Midden 1 0 0 0 5 Steenwijkerwold e.o. 2 4 2 4 1 Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden 0 2 4 5 7 Vriezenveen e.o.
0 2 0 0 0 West-Twente 0 0 1 6 0 Zuid-Oost Twente 0 3 0 0 0 Figuur 44. Aantallen geschoten kolganzen in de periode 1 april t/m 1 oktober (bron: FRS) Bij de afschotgegevens van de verschillende WBE-gebieden valt op dat afschot voornamelijk in dezelfde WBE-gebieden plaatsvindt. De WBE-gebieden waar afschot plaatsvindt, zijn ook de WBE- gebieden waar schade geconstateerd is. Overwinterende kolganzen De afschotgegevens van de verschillende WBE-gebieden laten ook voor de winterperiode sterk verschillende getallen zien. In de WBE-gebieden met veel getaxeerde schade is ook sprake van meer afschot als gevolg van de regels in de Omgevingsverordening Overijssel en Beleidsregel Natuur Overijssel 2017. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063672/284 66 WBE 2014 2015 2016 2017 2018 De Hof van Twente 28 10 1 0 10 De IJssellanden 1.090 684 591 767 725 De Koerkamp 86 59 43 84 46 De Noord-Westhoek 2.262 1.631 1.878 1.269 1.857 De Vechtstroom 18 2 0 0 0 De Weerribben 552 561 330 417 355 D’ Oldematen 325 224 285 379 291 Heeten e.o. 5 0 0 0 0 Het Reestgebied 1 0 0 0 8 Holten 2 0 0 0 0 IJsselstreek Salland 768 681 181 592 491 Jachtvereniging Kampen 896 588 487 640 787 Lemelerberg 5 0 0 0 0 Noorder Vechtlanden 19 1 10 4 20 Oldebroek/Oosterwolde 46 22 43 0 0 Ommen-Den Ham 2 0 0 0 0 Salland Midden 27 32 27 9 19 Steenwijkerwold e.o.
314 357 179 231 174 Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden 38 12 15 0 5 Tussen Vecht en Dedemsvaart 14 1 0 0 0 Lonneker Losser 1 0 0 0 0 Vriezenveen e.o. 18 1 0 0 0 West-Twente 2 0 0 0 0 Zuider Vechtlanden 8 4 5 8 4 Zuid-Oost Twente 3 0 0 0 0 Figuur 45. Aantallen geschoten Kolganzen in de periode 1 oktober t/m 1 april in Overijssel (bron: FRS) 7.3.8.2 Uitvoering beheermaatregelen In WBE-gebieden waarvoor ontheffing was verleend voor verjaging met ondersteunend afschot kon de grondgebruiker in gezamenlijk overleg met een jachtaktehouder in de afgelopen beheerperiode diverse maatregelen treffen om belangrijke landbouwschade te voorkomen. Hierbij in acht nemend dat populatiebeheer bij overzomerende kolganzen en verjaging met ondersteunend afschot bij overwinterende kolganzen het ultimum remedium is en er eerst maatregelen lager op de preventieladder dienen te worden genomen uit de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken). Bijlage 2 geeft weer in hoeverre hiervan gebruik gemaakt is. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063673/284 67 7.3.8.3 Registratie van tellingen en afschot en monitoring Monitoring van de populatie, schade en afschot van ganzen in Overijssel is een belangrijk onderdeel van het beheer.
Op deze wijze kan de Faunabeheereenheid het beleidsdoel van de provincie om voor overzomerende ganzen terug te gaan naar de populatie van 2005 en voor overwinterende ganzen de schade van 2005 jaarlijks monitoren (zijn we op de goede weg?). Ook kan hiermee invulling worden gegeven aan het “hand-aan-de-kraan-principe” doordat de gunstige staat van instandhouding van overzomerende kolganzen en het instandhoudingsdoel van overwinterende kolganzen gemonitord kan worden. Om te borgen dat het aantal trekganzen niet onder de doelaantallen van de instandhoudingsdoelstelling komen, wordt een ‘hand aan de kraan’ principe gehanteerd. Dit houdt in dat er niet meer geschoten mag worden, dan het verschil in aantal ganzen tussen aan de ene kant het gemiddelde van de wintertellingen van de afgelopen 5 jaar en aan de andere kant het doelaantal van de instandhoudingsdoelstelling. Om te borgen dat het aantal overzomerende ganzen niet onder de aantallen van 2005 komen, wordt het “hand-aan-de-kraan-principe” gehanteerd. Dit houdt in dat het verschil in aantal ganzen tussen de laatste zomertelling en het aantal van 2005 geschoten mag worden. Indien uit de afschotgegevens in het Faunaregistratiesysteem (FRS) blijkt dat het maximale aantal ganzen geschoten is, worden de beheer- en schadebestrijdingsmaatregelen aangepast.
Voor de overwinterende kolganzen dient jaarlijks achteraf bepaald te worden of het schadeniveau van 2005 al bereikt is. Mocht dit in een jaar het geval zijn dienen de schadebestrijdingsmaatregelen voor het jaar daaropvolgend aangepast te worden. De afschotgegevens dienen binnen 7 dagen in het FRS ingevoerd te worden, waardoor er sprake is van het “real-time” registreren van gegevens. De FBE dient het aantal geschoten ganzen te monitoren. Indien door het schieten van grauwe ganzen het minimumaantal overzomerende kolganzen in Overijssel behaald wordt (aantallen 2005) dient de FBE dit te signaleren, en daarna meteen te rapporteren aan de provincie. Aan deze monitoring wordt invulling gegeven door: • Bijhouden van afschotgegevens in het faunaregistratiesysteem en periodiek te rapporteren aan de provincie. • Jaarlijkse zomer- en wintertellingen uit te voeren door de WBE-gebieden conform het protocol zomertelling ganzen van de landelijke technische werkgroep zomertelling ganzen (april, 2012, bijlage 3). 7.3.8.4 Staat van instandhouding Als niet-broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de kolgans in Nederland beoordeeld als gunstig (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1590).
Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063674/284 68 Als broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de kolgans in Nederland beoordeeld als gunstig (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1590). Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig De (toekomstige) staat van instandhouding in Overijssel, voor zowel de kolgans als niet-broedvogel en als broedvogel is gunstig te noemen. Dit, omdat de aantallen kolganzen toe nemen en de aantallen voldoende hoog zijn. Zoals weergegeven in 7.3.4 is het doel om in de zomer bij te dragen aan het verlagen van de populatie passend bij de aantallen van 2005 en voor de wintergans naar een schadeniveau als in 2005. Bij deze aantallen komt de gunstige staat van instandhouding in Overijssel niet in gevaar. Dit mede omdat er beperkingen aan de ontheffing gekoppeld zijn en afschot in de toekomst niet geïntensiveerd wordt. Daarnaast is het monitoren van maatregelen een taak van de Faunabeheereenheid. Onderdeel van deze monitoring zijn de uit te voeren zomer- en wintertellingen welke georganiseerd worden door de Faunabeheereenheid.
Tevens worden afschotgegevens bijgehouden in het Faunaregistratiesysteem van de Faunabeheereenheid. De Faunabeheereenheid moet de voortgang bewaken en ontwikkelingen signaleren. 7.3.8.5 Effectiviteit van de beheermaatregelen Voordat gebruik gemaakt kan worden van de voorgestelde ontheffing waarin verjaging met ondersteund afschot wordt toegestaan, dient tenminste één visueel en tenminste één akoestisch (behalve in het geval van overjarig grasland) verjagingsmiddel, zoals beschreven in de Faunaschade Preventie Kit (BIJ12 unit Faunazaken), te zijn ingezet. Bij verjaging, anders als verjaging met ondersteunend afschot, kan gewenning optreden (zie 7.3.7). Bij verjaging met ondersteunend afschot is dit niet het geval (Guldemond et al., 2016). Vogels en zoogdieren leggen de relatie tussen een schot en een soortgenoot welke wordt gedood waardoor het effect van verjaging met ondersteunend afschot versterkt wordt. Voor een uitgebreide toelichting op de effectiviteit van verjaging met ondersteunend afschot (zie bijlage 1). In paragraaf 7.3.8.1 is daarnaast in een tijdlijn weergegeven hoe het afschot, schade en de beperking van het gebruik van de ontheffing zich met elkaar verhouden. 7.3.9 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn.
Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063675/284 69 7.3.10 Plaats en periode van beheermaatregelen De Faunabeheereenheid Overijssel vraagt ontheffing ex. art. 3.17 Wnb aan voor het doden van kolganzen met behulp van het geweer ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op agrarische gronden voor de duur van dit plan: Overzomerende kolganzen (van 1 april tot 1 oktober) Vanaf een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang met gebruikmaking van lokmiddelen voor de volgende WBE-gebieden waar belangrijke schade is getaxeerd in de afgelopen beheerperiode en/of gebruik gemaakt is van de ontheffing ten behoeve van voorkoming van belangrijke schade: Salland-Midden, Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden, West Twente, IJsselstreek-Salland, Jachtvereniging Kampen, De Noord-Westhoek, De Weerribben en Steenwijkerwold e.o., D’Oldematen, De Koerkamp, en De IJssellanden Overwinterende kolganzen (van 1 oktober tot 1 april) Vanaf een uur voor zonsopkomst tot uiterlijk 12.00 uur ‘s middags met een
maximum van 10 stuks per bejaagactie per schadeperceel t.b.v. ondersteunend afschot voor de volgende WBE-gebieden waar schade is getaxeerd in de afgelopen beheerperiode en/of gebruik gemaakt is van de ontheffing ten behoeve van voorkoming van belangrijke schade: IJssellanden, IJsselstreek-Salland, Jachtvereniging Kampen, Noord-Westhoek, Oldematen, Steenwijkerwold e.o., De Weerribben, Noorder Vechtlanden, Salland-Midden, Tussen Vecht & Grens De Akkerlanden en Zuider Vechtlanden. Gebruik van de ontheffing moet mogelijk zijn tussen een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang (in de winterperiode tot 12.00 uur). Dit, omdat zo effectief mogelijk schade aan gewassen voorkomen kan worden. Ganzen beginnen namelijk al een uur voor zonsopkomst op percelen met schadegevoelige gewassen (waaronder blijvend grasland) te foerageren. Ook foerageren zij nog een uur na zonsondergang op percelen met schadegevoelige gewassen. Het gebruik van lokmiddelen is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat overzomerende ganzen binnen schootsafstand komen. Kleine rietgans 7.4.1 Algemeen De kleine rietgans is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. De kleine rietgans is voor Overijssel niet opgenomen als instandhoudingsdoel binnen de Overijsselse Natura 2000-gebieden.
7.4.2 Kwantitatieve gegevens Overzomerende kleine rietganzen Kleine rietganzen overzomeren niet in Nederland en/of Overijssel. In deze paragraaf zal dan ook alleen ingegaan worden op de kleine rietgans als overwinterende gans. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063676/284 70 Overwinterende kleine rietganzen De eerste kleine rietganzen arriveren in september, maar pas in oktober en november gaat het om aantallen tot enkele tienduizenden. Ze concentreren zich in Zuidwest-Friesland en trekken vervolgens merendeels door naar overwinteringsgebieden in Vlaanderen. Veel kleinere aantallen pleisteren in het Midden-Delfland ZH. Sterke trek kan worden gezien langs de Groningse Waddenkust en in Zeeland. Onder normale tot zachte weersomstandigheden vertrekken al in december grote aantallen naar pleisterplaatsen in Denemarken. In de nawinter en het voorjaar zijn kleine rietganzen in ons land dan ook schaarser dan in het najaar. De landelijke aantallen namen sinds 1975 fors toe, wat de toegenomen broedpopulatie weerspiegelt. Sinds 2005 nemen de bij ons waargenomen aantallen af, terwijl de populatie nog steeds groeit. Veel kleine rietganzen blijven ook in het najaar in Denemarken en doen ons land niet meer aan. Het seizoengemiddelde lag in 2015 op 1849 kleine rietganzen. Figuur 46.
De verspreiding van de kleine rietgans in Nederland als broed- en als niet-broedvogel (bron: http://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/1580) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063677/284 71 7.4.3 Voorkomen en trend in Overijssel Overwinterende kleine rietganzen De populatie overwinterende kleine rietganzen komt in Overijssel vooral voor langs de IJssel en in de Kop van Overijssel. De aantallen lijken in de jaren iets toe te nemen. Echter, hier zijn nog geen trendgrafieken of aantallen van beschikbaar (https://www.sovon.nl/provincies). Figuur 47. Voorkomen van de kleine rietgans als overwinterende gans (bron: https://www.sovon.nl/provincies) 7.4.4 Wettelijke status en provinciaal beleid De kleine rietgans is voor Overijssel niet opgenomen als instandhoudingsdoel van de Overijsselse Natura 2000-gebieden en is niet opgenomen in ander provinciaal beleid. De provincie streeft voor de kleine rietgans na dat er geen verslechtering van de staat van instandhouding plaats mag vinden en dat belangrijke schade aan gewassen voorkomen dan wel beperkt wordt (Bron: Kader_faunabeheerplan_2019-2024 zie bijlage 9).
7.4.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding 7.4.5.1 Risico op landbouwschade en verwachting indien beheer uitblijft De getaxeerde schade veroorzaakt door kleine rietganzen concentreert zich het overgrote deel op blijvend grasland gevolgd op ruime afstand door nieuw ingezaaid grasland. Figuur 48 geeft deze getaxeerde waarden in aantal meldingen en euro’s weer per gewas. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063678/284 72 Gewas Aantal meldingen Getaxeerde schade Blijvend grasland 26 € 28.097 Nieuw ingezaaid grasland 1 € 3.980 Totaal 27 € 32.077 Figuur 48. Getaxeerde schade per gewas in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 49 geeft de getaxeerde schade per jaar weer. Wat opvalt is dat de schade erg fluctueert over de jaren. Figuur 50 geeft deze getallen grafisch weer. Jaar Getaxeerde schade 2014 € 4.151 2015 € 9.995 2016 € 5.657 2017 € 7.576 2018 € 4.698 Figuur 49. Getaxeerde schade per jaar in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 50.
Getaxeerde schade 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) €0 €2.000 €4.000 €6.000 €8.000 €10.000 €12.000 2014 2015 2016 2017 2018 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063679/284 73 De periode waarin de schade optreedt concentreert zich in de maanden februari en maart, zie figuur 51. Buiten deze maanden is er geen schade of ligt deze veel lager. Dit is ook de periode waarin de kleine rietganzen nog in Nederland zijn en het gras reeds begint te groeien. Deze eerste snede heeft voor agrarisch ondernemers de meeste waarde daar dit kwalitatief de beste en daarmee ook de duurste snede is. Figuur 51 geeft de verhouding tussen de schade in de verschillende maanden weer. Periode Getaxeerde schade Januari € 0 Februari € 13.074 Maart € 17.995 April € 0 Mei € 0 Juni € 0 Juli € 72 Augustus € 0 September € 0 Oktober € 0 November € 0 December € 0 Figuur 51. Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 52.
Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) €0 €2.000 €4.000 €6.000 €8.000 €10.000 €12.000 €14.000 €16.000 €18.000 €20.000 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063680/284 74 Wanneer er geen schadebestrijding plaats zal vinden is het niet de verwachting dat de schade veroorzaakt door kleine rietganzen sterk toe zal nemen. Dit vanwege de geringe aantallen welke niet sterk lijken te stijgen. 7.4.6 Noodzaak beheer en schadebestrijding Overwinterende kleine rietganzen Vanwege de lage aantallen, de matige ongunstige staat van instandhouding en het niet de verwachting is dat de aantallen en de schade sterk toe zullen nemen en is er geen ontheffing noodzakelijk voor beheer of schadebestrijding. Wel is er in een aantal WBE-gebieden schade getaxeerd. WBE schadetotaal kleine rietgans 2014 2015 2016 2017 2018 De Weerribben € 0 € 1.532 € 619 € 1.990 € 890 Steenwijkerwold e.o. € 1.532 € 619 € 1.990 € 0 De IJssellanden € 2.168 € 0 € 0 € 0 € 0 IJsselstreek Salland € 258 € 1.287 € 410 € 666 € 334 De Noord-Westhoek € 1.725 € 5.644 € 4.009 € 2.930 € 3.474 Totaal € 4.151 € 9.995 € 5.657 € 7.576 € 4.698 Figuur 53.
Getaxeerde schade per WBE-gebied (bron: BIJ12, unit Faunazaken) 7.4.7 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Schade wordt voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Dat is zeker belangrijk tijdens de meest kwetsbare perioden van gewas of gras. Ook kan de grondgebruiker de kans op schade in een volgend gewas verminderen door oogstresten afdoende onder te werken. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan, (zie rapport bijlage 1). Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met ondersteunen afschot, wordt de effectiviteit verhoogd en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen. Voor de preventieve middelen wordt verwezen naar de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken. In een recent uitgekomen rapport (Buij et al 2018) wordt geconstateerd dat met name actieve verjaging, zeker als het gaat om gecombineerde verjagingsacties, effect hebben, maar dat er na verloop van tijd wel gewenning lijkt op te treden. In dat verband legt dit rapport een verband met een (verhoogde) effectiviteit indien ook gecombineerd wordt met verjaging met ondersteunend afschot.
College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063681/284 75 7.4.8 Beheer 7.4.8.1 Gevoerd beheer afgelopen periode In de afgelopen beheerperiode zijn er geen beheermaatregelen uitgevoerd specifiek voor kleine rietganzen uitgevoerd. Preventieve en schadevoorkomende maatregelen, uitgevoerd ter voorkoming van schade door andere soorten, kan echter wel bijgedragen hebben in het voorkomen van schade door kleine rietganzen. 7.4.8.2 Staat van instandhouding Als niet-broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de kleine rietgans in Nederland beoordeeld als matig ongunstig. Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Matig ongunstig Gunstig Gunstig Gunstig Matig ongunstig De (toekomstige) staat van instandhouding in Overijssel is matig ongunstig te noemen. Dit omdat de aantallen kleine rietganzen relatief laag zijn. 7.4.9 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden.
Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. 7.4.10 Beheermaatregelen Voor de komende beheerperiode worden voor de kleine rietgans geen beheermaatregelen verwacht. Toendrarietgans 7.5.1 Algemeen De toendrarietgans is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Deze soort is als instandhoudingsdoelstelling van diverse Natura 2000- gebieden opgenomen, waarbij zij is aangewezen als niet-broedvogel. 7.5.2 Kwantitatieve gegevens Overzomerende toendrarietganzen Broedende toedrarietganzen worden enkele malen aangetroffen. Deze enkele broedgevallen in Nederland hebben betrekking op achtergebleven vogels. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063682/284 76 Overwinterende toendrarietganzen De toendrarietgans is een klassieke overwinterende gans waarvan de voorhoede in oktober arriveert en de aantallen midden in de winter het hoogst zijn. In februari (zachte winters) of uiterlijk maart (koude winters) verlaat de meerderheid het land. Strenge vorst en sneeuwval leiden niet tot massale wegtrek uit Nederland, soms wel tot een forse toestroom van vogels die eerder oostelijk van Nederland pleisterden. De soort heeft een voorkeur voor bouwland met oogstresten.
De grootste concentraties doen zich gewoonlijk voor in het noordoosten en zuidoosten van het land. De landelijk getelde aantallen stegen vooral na 1995, met in het noorden van het land een veel sterkere toename dan elders in het land. In topwinters zijn bijna 300.000 toendrarietganzen aanwezig. Figuur 54. Verspreiding van de Toendrarietgans in Nederland als niet-broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1574) 7.5.3 Voorkomen en trend in Overijssel De toendrarietgans komt in Overijssel bijna alleen voor als overwinterende gans. Broedende toendrarietganzen worden zelden aangetroffen. De overwinterende toendrarietganzen komen vooral in de Kop van Overijssel, rondom Slagharen en Engbertsdijksvenen tot aan Wierden en Holten voor. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063683/284 77 Figuur 55. Verspreiding van de toendrarietgans in Overijssel als broed- en niet broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/provincies) De trend van de toendrarietgans is een sterk stijgende vanaf ca. 2000. De laatste jaren nemen de aantallen in Overijssel echter weer af, zie hiervoor figuur 56. Figuur 56.
Trend van de toendrarietgans in Overijssel als niet broedvogel (bron: https://www.sovon.nl/provincies) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063684/284 78 7.5.4 Wettelijke status en provinciaal beleid De toendrarietgans is opgenomen als ‘niet broedvogelsoort’ voor de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Engbertsdijksvenen, Ketelmeer & Vossemeer en Zwarte Meer. Deze gebieden hebben voor de toendrarietgans met name een functie als slaap- en rustplaats. De ganzen foerageren zowel binnen als buiten het gebied. De provincie heeft als doelstelling voor de toendrarietgans dat er geen verslechtering van de staat van instandhouding plaats mag vinden en dat belangrijke schade aan gewassen voorkomen dan wel beperkt wordt (Bron: Kader_faunabeheerplan_2019-2024, zie bijlage 9). 7.5.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding 7.5.5.1 Risico op landbouwschade en verwachting indien beheer uitblijft De getaxeerde gewasschade veroorzaakt door toendrarietganzen in Overijssel concentreert zich voor het overgrote deel op blijvend grasland. Ook het aantal schademeldingen is vooral gelieerd aan blijvend grasland. Figuur 57 geeft deze getaxeerde schade waarden in aantal meldingen en euro’s weer per gewas. Gewas Aantal meldingen Getaxeerde schade Blijvend grasland 89 € 172.643 Nieuw ingezaaid grasland 1 € 435 GPS Silage 1 € 744 Wintergraan 2 € 1.768 Figuur 57.
Getaxeerde schade per gewas in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Figuur 58 geeft de getaxeerde schade in euro’s per jaar weer. Figuur 58 geeft de schadeontwikkeling per jaar grafisch weer. Jaar Getaxeerde schade 2014 € 19.183 2015 € 43.435 2016 € 17.073 2017 € 62.189 2018 € 33.710 Figuur 58. Getaxeerde schade per jaar in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063685/284 79 Figuur 59. Getaxeerde schade 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijsel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) De schade vindt vooral plaats in de eerste 3 maanden van het jaar waarbij februari er uit springt, zie hiervoor figuur 60. Deze schade wordt veroorzaakt in de eerste maanden van het jaar, omdat dan de overwinterende toendrarietganzen nog aanwezig zijn en er reeds gras begint te groeien. Deze eerste snede heeft voor agrarisch ondernemers de meeste waarde daar dit kwalitatief de beste en daarmee ook de duurste snede is. Zoals reeds weergegeven in 7.5.3 komen overzomerende toendrarietganzen zelden voor. Het schadeniveau in de zomermaanden is hierdoor laag. Figuur 60 geeft de verhouding tussen de schade in de verschillende maanden grafisch weer.
Periode Getaxeerde schade Januari € 9.500 Februari € 113.019 Maart € 45.701 April € 826 Mei € 275 Juni € 0 Juli € 2.173 Augustus € 0 September € 0 Oktober € 0 November € 631 December € 3.465 Figuur 60. Gecumuleerde getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) €0 €10.000 €20.000 €30.000 €40.000 €50.000 €60.000 €70.000 2014 2015 2016 2017 2018 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063686/284 80 Figuur 61. Getaxeerde schade per maand in de periode 01-01-2014 t/m 31-12-2018 in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) Wanneer er geen schadebestrijding van Toendrarietganzen plaatsvindt is de verwachting dat de schade veroorzaakt door toendrarietganzen in Overijssel verder toeneemt. Maar gelet op de trend van de getaxeerde schadecijfers en de trend van de aantallen is een sterke toename niet te verwachten. WBE schadetotaal toendrarietgans 2014 2015 2016 2017 2018 STAD Losser € 78 € 0 € 0 € 0 € 0 Steenwijkerwold e.o. € 436 € 0 € 0 € 0 € 0 De Noord-Westhoek € 18.669 € 39.407 € 16.097 € 60.663 € 33.710 De Weerribben € 0 € 2.891 € 976 € 1.526 € 0 Tussen Grens en Vecht De Akkerlanden € 0 € 1.137 € 0 € 0 € 0 Figuur 62.
Getaxeerde schade per WBE-gebied in Overijssel (bron: BIJ12, unit Faunazaken) 7.5.6 Noodzaak beheer en schadebestrijding In de afgelopen jaren hebben toendrarietganzen belangrijke schade, zijnde schade gelijk aan dan wel groter dan € 250,- veroorzaakt. Echter, er is geen ontheffing afgegeven voor maatregelen ter voorkoming van deze belangrijke schade aan landbouwgewassen. In de komende jaren is het niet de verwachting dat deze schade sterk toe zal nemen. Dit vanwege de daling van het aantal toendrarietganzen in Overijssel. €0 €20.000 €40.000 €60.000 €80.000 €100.000 €120.000 Getaxeerde schade College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063687/284 81 7.5.7 Preventieve en schadevoorkomende maatregelen Schade wordt voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Dat is zeker belangrijk tijdens de meest kwetsbare perioden van gewas of gras. Ook kan de grondgebruiker de kans op schade in een volgend gewas verminderen door oogstresten afdoende onder te werken. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan, (zie rapport bijlage 1). Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met ondersteunen afschot, wordt de effectiviteit verhoogd en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen.
Voor de preventieve middelen wordt verwezen naar de Faunaschade Preventie Kit van BIJ12 unit Faunazaken. In een recent uitgekomen rapport (Buij et al 2018) wordt geconstateerd dat met name actieve verjaging, zeker als het gaat om gecombineerde verjagingsacties, effect hebben, maar dat er na verloop van tijd wel gewenning lijkt op te treden. In dat verband legt dit rapport een verband met een (verhoogde) effectiviteit indien ook gecombineerd wordt met verjaging met ondersteunend afschot. 7.5.8 Beheer 7.5.8.1 Gevoerd beheer afgelopen periode In de afgelopen beheerperiode zijn er geen beheermaatregelen uitgevoerd specifiek voor toendrarietganzen uitgevoerd. Preventieve en schadevoorkomende maatregelen, uitgevoerd ter voorkoming van schade door andere soorten, kan echter wel bijgedragen hebben in het voorkomen van schade door toendrarietganzen. 7.5.8.2 Staat van instandhouding Als niet-broedvogel is de (toekomstige) staat van instandhouding van de toendrarietgans in Nederland beoordeeld als gunstig (bron: https://www.sovon.nl/nl/soort/1574). Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie Verspreiding Leefgebied Toekomst Eindoordeel Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig Gunstig De (toekomstige) staat van instandhouding in Overijssel is gunstig te noemen. Dit omdat de aantallen toendrarietganzen voldoende hoog zijn.
Vanwege het geringe voorkomen als broedvogel is er geen staat van instandhouding van de toendrarietgans als broedvogel bekend. 7.5.9 Natura 2000 Voor het eventuele gebruik van een ontheffing (art. 3.17 Wnb) in en nabij Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000- gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063688/284 82 7.5.10 Plaats en perioden van Beheermaatregelen Voor de komende beheerperiode worden voor de toendrarietgans vooralsnog geen beheermaatregelen voorgesteld. Mochten de maatregelen, niet zijnde ondersteunend afschot, leiden tot onvoldoende resultaat en toename van de schade zal alsnog ontheffing voor ondersteunend afschot worden aangevraagd. Overwinterende toendrarietganzen (van 1 oktober tot 1 april) Indien en voor zover een ontheffing voor ondersteunend afschot wordt aangevraagd dan is dit van toepassing vanaf een uur voor zonsopkomst tot uiterlijk 12.00 uur ‘s middags met een maximum van 10 stuks per bejaagactie per schadeperceel per dag.
Rotgans 7.6.1 Algemeen De rotgans is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. De rotgans is niet als instandhoudingsdoel opgenomen voor de Overijsselse Natura 2000-gebieden. 7.6.2 Kwantitatieve gegevens Rotganzen arriveren vanaf eind september in ons land en vertrekken eind mei of begin juni. De soort is sterk aan zoute wateren gebonden en is in het diepe binnenland ronduit schaars. In het Waddengebied pieken de aantallen in het voorjaar, wanneer tot 100.000 rotganzen opvetten voor de terugkeer naar de broedgebieden. In het Deltagebied overwinteren tot 20.000 rotganzen en blijven de aantallen het hele winterhalfjaar op hetzelfde niveau. De landelijk getelde aantallen namen toe tot ongeveer 1995. Vervolgens vielen ze wat terug en bleven ze op lager niveau schommelen. De schommelingen houden voornamelijk verband met goede of slechte broedseizoenen, die veel of weinig jongen opleveren. Na 1995 is de kenmerkende afwisseling van goede en slechte broedjaren doorbroken door het wegvallen van de lemmingcyclus in de broedgebieden. Het seizoengemiddelde in 2015 was op landelijk niveau 43.815 rotganzen (bron: www.sovon.nl). College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063689/284 83 Figuur 63.
De verspreiding van de kleine rietgans in Nederland als broed- en als niet-broedvogel (bron: http://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/1680) 7.6.3 Voorkomen en trend in Overijssel Rotganzen zijn sterk aan zout water gebonden en komen in Overijssel dan ook alleen als dwaalgast voor. Waarnemingen van rotganzen in Overijssel vinden incidenteel plaats in de winter langs de IJssel, zie hiervoor ook figuur 64. Figuur 64. Voorkomen van de rotgans als broedvogel en niet broedvogel in Overijssel (bron: https://www.sovon.nl/provincies College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063690/284 84 7.6.4 Wettelijke status en provinciaal beleid De rotgans is niet als instandhoudingsdoel opgenomen voor de Overijsselse Natura 2000-gebieden. De provincie streeft voor de rotgans na dat er geen verslechtering van de staat van instandhouding plaats mag vinden en dat belangrijke schade aan gewassen voorkomen dan wel beperkt wordt (Bron: Kader_faunabeheerplan_2019-2024, zie bijlage 9). 7.6.5 Noodzaak beheer en schadebestrijding 7.6.5.1 Risico op landbouwschade en verwachting indien beheer uitblijft De getaxeerde schade veroorzaakt door rotganzen concentreert zich het overgrote deel op blijvend grasland. Figuur 64 geeft deze getaxeerde waarden in aantal meldingen en euro’s weer per gewas.