12.0 - VNG - Bijzondere ledenbrief rijksbegroting 2025 en de gevolgen voor gemeenten
Tekst van het document
Ook levert dit voor gemeenten een extra uitdaging voor het (financieel) mogelijk maken van fair pay in de lokale culturele en creatieve sector. Hierover is recent de VNG handreiking over fair pay verschenen. Sport Wat wil het kabinet? In het regeerprogramma geeft het kabinet aan te streven naar een gezonder, fitter en sportiever Nederland met als doel een gezonde generatie in 2040. Het bevorderen van bewegen en sport, vooral onder jongeren en kwetsbare groepen, staat centraal. Ze gaan investeren in de sportinfrastructuur en een duurzame leefomgeving die uitnodigt tot bewegen. Integriteit binnen de sport en veilige sportomstandigheden zijn speerpunten. Verder richt het kabinet zich op preventie van gezondheidsproblemen, met speciale aandacht voor jongeren, en ondersteunt het (top)sport en sportevenementen. Dit beleid wordt verbonden met andere domeinen zoals leefbaarheid om bredere gezondheidswinst te boeken. Wat betekent dit voor gemeenten? Alle gemeenten doen mee aan de Brede Regeling Combinatiefuncties en het Sportakkoord II. Deze programma’s lopen tot en met 2026. De uitkeringswijze is via de zogeheten Brede spuk. De korting van 10% is al wel ingeboekt vanaf 2026 op de begroting van VWS. De btw-verhoging van 9 naar 21% op sport raakt gemeenten niet direct.
Zwembadexploitanten die winst beogen, vertalen echter de btw-verhoging door aan de hand van de verhuur aan verenigingen en de prijs van het zwembad (-les)kaartje. Voor sportexploitaties die geen winstoogmerk hebben blijft de btw-vrijstelling en de compensatie via de spuk- Stimulering Sport van kracht. De spuk- Stimulering Sport loopt tot en met 2025. De inzet van buurtsportcoaches wordt niet door de consument afgenomen. Als het rijk de meerkosten als gevolg van de btw-verhoging niet compenseert, dan landen deze kosten volledig bij de gemeente. Deze compensatie kan verlopen via het btw-compensatiefonds. 40% van de gemeenten die btw betaalden over de buurtsportcoaches compenseert dit al geheel of deels via het BCF. De overige gemeenten compenseren dit via de spuk Stimulering Sport (44%) of niet (16%). 37 Vereniging van Nederlandse Gemeenten De generieke vermindering op subsidies van 1 miljard betekent voor het ministerie van VWS een taakstelling van 250 miljoen euro. Dit zal ook voor een deel het budget van de directie Sport en Bewegen raken. Daarover is nog geen besluit genomen. Dit zal gebeuren in de begrotingsbehandeling op 22 en 23 oktober 2024 en dan worden ingeboekt per 2026. Wetsvoorstel van School naar Duurzaam werk Wat wil het kabinet? Het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk heeft als doel om kwetsbare leerlingen en studenten te ondersteunen naar werk.
In het wetsvoorstel wordt onder andere geregeld dat scholen aanvullende loopbaanbegeleiding bieden, doorstroompunten en gemeenten jongeren zonder startkwalificatie tot 27 jaar begeleiden naar school en/of werk, en gemeenten en onderwijs samenwerken aan plannen om vroegtijdig schoolverlaten terug te dringen. Er is in 2025 in totaal € 104,6 miljoen beschikbaar voor scholen en gemeenten samen voor uitvoering van het Regionaal Programma. Een deel hiervan (€ 65,8 miljoen) gaat via een spuk naar de contactgemeenten. Wat betekent dit voor gemeenten? Voor gemeenten betekent dit een uitbreiding van de doelgroep voor de doorstroomcoördinatoren van 16 tot 23 jaar naar 16 tot 27 jaar. We onderzoeken met OCW en mbo’s welke zorg nu op scholen wordt aangeboden en hoe gemeenten en mbo’s hierin samenwerken. Het resultaat van dit onderzoek is een voorstel voor een basisinfrastructuur zorg voor alle mbo-studenten. Onze verwachting is dat het wetsvoorstel op zijn vroegst op 1 januari 2026 ingaat. Dit is mede afhankelijk van de vraag of de spuk die aan dit wetsvoorstel is gekoppeld een spuk blijft of opgaat in het gemeentefonds.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 38 6 Infrastructuur en Waterstaat Mobiliteit en infrastructuur Wat wil het nieuwe kabinet? Het Regeerprogramma spreekt over een grote impuls voor infrastructuur op minimaal basisniveau en voor bereikbaarheid (mogelijk weer oppakken van gepauzeerde MIRT-projecten en OV-verbindingen op het platteland). Voor rijksinfrastructuur worden extra middelen vrijgemaakt (bijvoorbeeld + 1 miljard voor rijkswegen). Er zijn echter geen extra middelen toegekend voor bereikbaarheid, behalve 2,5 miljard per 5 jaar voor het ontsluiten van woningbouw. De ambities worden vaak verbonden aan regiodeals en gebiedsontwikkelingen. Er is aanzienlijk meer aandacht voor de auto (actieprogramma en 130 km/u). Het kabinet wil ZE-zones uitstellen in verband met het landelijk regelen van uitzonderingen en stopt de subsidies voor elektrische voertuigen. Wat betekent dit voor gemeenten? Er worden geen extra middelen vrijgemaakt voor het beheer en onderhoud van gemeentelijke infrastructuur. Extra middelen voor ontsluiting woningbouwlocaties gaan in het mobiliteitsfonds: ontsluiting wordt daarmee een ontwikkeling-per-ontwikkeling-onderhandeling met I&W. Onduidelijk blijft met welke middelen de ambities voor bereikbaarheid moeten worden gerealiseerd. Gemeenten worden niet concreet gesteund in de mobiliteitstransitie en verkeersveiligheid.
Het instellen van ZE-zones is een gemeentelijke bevoegdheid. Gemeenten willen dat ZE-zones niet uitgesteld worden en gaan verder met de invoering ervan. De vraag is hoe elektrische voertuigen gestimuleerd worden als de subsidies stopgezet worden. Water Wat wil het kabinet? Het kabinet werkt in 2025 samen met de drinkwaterbedrijven, decentrale overheden en andere stakeholders aan besparing en aan het blijvend beschikbaar houden van voldoende drinkwater. Ook Nederland weerbaar maken tegen zoetwatertekorten in 2050 is het streven. Eind 2025 moet er een conceptversie klaarliggen van ontwikkelpaden en maatregelpakketten op basis waarvan het rijk beslissingen neemt over onder andere zoetwaterverdeling. Beslissingen bieden transparantie over de te verwachten regionale verzilting en watercondities voor alle functies. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten worden betrokken bij waterkwesties maar tot aan die beslissingen kampen omgevingsvisies en -plannen met onzekerheden. Voldoende zoetwater en drinkwater is essentieel voor gemeenten om andere maatschappelijk opgaven aan te pakken (o.a. woningbouw, bepaalde types bedrijvigheid). Klimaatadaptatie Wat wil het kabinet? In 2026 presenteert het kabinet een nieuwe Nationale Klimaatadaptatie Strategie (NAS).
Daarnaast wordt in 2025 een actieagenda hitte opgesteld en worden stresstesten uitgevoerd om de impact van extreme regenval in kaart te brengen. Voor bodemdaling komt er een beleidsprogramma in 2026. Er is geen structurele financiering voor klimaatadapatie. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten spelen een sleutelrol in het uitvoeren van de klimaatadaptatie en werken hierbij samen met inwoners, bedrijven en andere overheden. Gemeenten worden ook betrokken bij de stresstesten voor wateroverlast en bij de uitvoering van hitteplannen. Het ontbreken van financiële kaders bemoeilijkt het realiseren van de ambities om in 2050 klimaatbestendig te zijn. 39 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Water en Bodem Sturend (WBS) Wat wil het kabinet? Het kabinet bevestigt de lijn dat water en bodem bepalend zijn voor de inrichting van ons land. Het kabinet zet in op Voortzetting van het programma Water Bodem Sturend (WBS). Voor water en bodem sturend zijn geen specifieke extra middelen beschikbaar gesteld. Het kabinet meent dat er voor veel maatregelen wel financiering beschikbaar is uit bestaande middelen (Deltaprogramma, de KRW-maatregelen en het Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater).
Het is onduidelijk in hoeverre de 5 miljard voor 5 jaar (VRO) en 2,5 miljard voor 5 jaar (I&W) die het kabinet voor woningbouw en infrastructuur beschikbaar stelt ook aangewend zal kunnen worden voor het (waar nodig) financieren van WBS-maatregelen bij nieuwbouwprojecten. Veel van de WBS structurerende keuzes en maatregelen stonden in de planning om uitgewerkt te worden in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Het kabinet stopt echter met het NPLG. Een ‘uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifieke’ aanpak komt in de plaats van het NPLG. De eerste richting van deze aanpak stuurt het kabinet voor het einde van 2024 naar de Kamer. Wat betekent dit voor de gemeenten? Gemeenten worden aangespoord verder aan de slag te gaan met Water en Bodem Sturend bij ruimtelijke plannen, waaronder bij de woningbouwopgave. Het is ook duidelijk dat dit kabinet voortgaat met beleidsontwikkeling met potentieel grote impact voor gemeenten en inwoners. De keuzes die gemaakt worden in de Nota Ruimte; de voortgang ten aanzien van drinkwaterbeschikbaarheid; en de verdeling van in toenemende mate schaars zoet water – hebben allemaal potentieel grote gevolgen voor gemeenten, inwoners en ondernemers.
De VNG zet zich in voor de belangen van gemeenten in deze processen en voor het verkrijgen van voldoende middelen om maatregelen te kunnen treffen die nodig zijn gezien de ontwikkelingen in het water en bodemsysteem, zowel bij de woningbouw als in het landelijk gebied. Circulaire economie Wat wil het kabinet? Het kabinet vindt het belangrijk dat het voor bedrijven in Nederland aantrekkelijk is om te investeren in verduurzaming, met ruimte voor nieuwe groene markten. Het kabinet beoogt een krachtige, toekomstbestendige circulaire economie. Door het schaarser worden van grondstoffen worden Nederland en de Europese Unie steeds afhankelijker. Wanneer tijdig wordt ingesprongen op deze grondstoffentransitie, biedt dit kansen voor de Nederlandse economie en arbeidsmarkt. Het ministerie van I&W wil deze kansen verzilveren met beleid gericht op innovatie en het behoud van de waarde van grondstoffen binnen onze economie. Iedereen is erbij gebaat als producten langer meegaan en repareren weer loont. Het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) blijft daarbij ingezet worden voor een brede grondstoffentransitie, waarbij zoveel mogelijk materialen worden hergebruikt. Vanuit het NPCE worden verschillende maatregelen uitgevoerd, zoals de verbetering en uitbreiding van de producentenverantwoordelijkheid (UPV).
Om de markt voor secundaire grondstoffen te stimuleren, werkt het kabinet bovendien aan het invoeren van een minimumaandeel plastic recyclaat. Het plan is om dit stapsgewijs in te voeren met oplopende percentages tot 25-30% in 2030. Wat betekent dit voor gemeenten? De inzet op circulaire economie biedt kansen voor innovatie rondom de transitie naar een meer circulaire economie en grondstoffenzekerheid kan betekenen dat er meer vraag ontstaat naar bijvoorbeeld afvalstromen om te kunnen recyclen in plaats van deze te verbranden. Gemeenten verwachten echter dat er meer nodig zal zijn om de ambitie van een circulaire economie daadwerkelijk dichterbij te brengen. Denk hierbij aan maatregelen op het gebied van externe (ook financiële) prikkels, die substantieel bijdragen aan de gewenste systeemverandering. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 40 Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) Wat wil het kabinet? Het stelsel van milieuvergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) is essentieel voor een gezonde, schone en veilige leefomgeving. Het is nu nog te vrijblijvend en te gefragmenteerd, waardoor vermijdbare milieuschade ontstaat. Het kabinet zet daarom, samen met betrokken partijen, ook na afronding van het interbestuurlijke programma in op verdere verbetering, in lijn met de adviezen van de commissie-Van Aartsen en de Algemene Rekenkamer.
Het kabinet past de wet aan zodat de staatssecretaris vanuit de stelselverantwoordelijkheid kan bijsturen als de kwaliteit van de VTH-uitvoering onvoldoende is. Wat betekent dit voor gemeenten? Het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) is een cruciale schakel bij het adviseren over en beoordelen van ontwikkelingen in onze leefomgeving en voorkomen van milieuschade. Robuuste omgevingsdiensten zijn daarbij een vereiste. Gemeenten zijn samen met provincies eigenaar en opdrachtgever van de omgevingsdiensten. In 2025 wordt in dit kader verder gewerkt aan de versterking van het VTH-stelsel. Het is duidelijk dat het interbestuurlijk programma VTH (dat per 1 oktober 2024 wordt afgerond) niet lang genoeg heeft geduurd om alle ontwikkelde producten en diensten afdoende te implementeren en te borgen. Dit heeft inmiddels geresulteerd in verschillende implementatieplannen of aanzetten daartoe, inclusief een inschatting van de benodigde middelen. Het gaat daarbij vooral om de uitvoerbaarheid en versterking van het VTH-stelsel als geheel, waarin producten in samenhang worden geleverd. Omgevingsveiligheid Wat wil het kabinet? Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingegaan. Een veilige fysieke leefomgeving is hierin een van de maatschappelijke doelen. Het uitgangspunt is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid.
Zo kunnen zij een milieuramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Het kabinet werkt in 2025 verder aan de omgevingsveiligheid, zodat activiteiten met gevaarlijke stoffen in de industrie en het vervoer van gevaarlijke stoffen op een veilige manier kunnen plaatsvinden. Dit houdt in: bedrijven opereren veilig, de leefomgeving is veilig ingericht en de burgers die rondom bedrijven wonen, voelen zich veilig. Voor het bevorderen van omgevingsveiligheid en het verkleinen van milieurisico’s blijft daarnaast ingezet worden op kennisontwikkeling via de Meerjarenagenda Versterking Omgevingsveiligheid 2025-2028. Wat betekent dit voor gemeenten? Bij het vaststellen van een omgevingsplan, een project-/trajectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevaarlijke stoffen moet het bevoegd gezag via aandachtsgebieden expliciet nadenken over de risico’s en mogelijke effecten van een incident. Mede op basis van het risicoprofiel van de activiteit zal het bevoegd gezag overwegen of en welke maatregelen in het aandachtsgebied moeten worden genomen, om personen te beschermen en om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Er zijn echter belangrijke kanttekeningen te plaatsen met betrekking tot het werken met aandachtsgebieden. Dit betreft onder meer het voorstel rondom het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen.
Zo geeft het huidige voorstel belemmeringen voor de woningbouw, in de vorm van regeldruk, bureaucratische en administratieve lasten. Het draagt nog onvoldoende bij aan beheersing en/of verbetering van de veiligheidssituatie. Een versterkte inzet vanuit de VNG is hier de komende tijd op gericht, tegen de achtergrond van door diverse gemeenten ervaren knelpunten. De Meerjarenagenda Versterking Omgevingsveiligheid zorgt voor een impuls voor een adequate en gecoördineerde uitvoering van taken inzake omgevingsveiligheid, teneinde goed toegerust te zijn op bestaande en toekomstige ontwikkelingen. 41 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Milieu en gezonde leefomgeving Wat wil het kabinet? Iedereen wil leven in een schone, gezonde en veilige omgeving. Het kabinet vindt dat de afgelopen decennia flinke stappen zijn gezet wil deze lijn doorzetten. Het kabinet wil gezondheidsschade voorkomen en bijdragen aan een goed vestigingsklimaat en een gezonde economische groei. Genomen maatregelen zijn nu onvoldoende zichtbaar voor de burger. Ook ziet men een toename van juridische procedures. Dit alles doet afbreuk aan het vertrouwen in de overheid. Daarom zet het kabinet zich, samen met burgers, bedrijven en overheden, in voor een schone, gezonde en veilige leefomgeving (water, bodem, lucht en hinder).
Begin 2025 stelt het kabinet hiervoor een Nationaal Milieuprogramma op om de basis te leggen onder alle maatregelen. De luchtkwaliteit in Nederland wordt beter maar luchtverontreiniging leidt nog steeds tot gezondheidsschade, met maatschappelijke kosten als gevolg. In 2020 startte het Schone Lucht Akkoord. Dit heeft als doel om in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst te realiseren ten opzichte van 2016. Voor Nederland gelden vanaf 2030 de nieuwe aangescherpte normen uit de EU-richtlijn Luchtkwaliteit. Ook in de periode daarna is verdere (gezondheids-) verbetering nodig. In 2025 wordt in samenwerking met decentrale overheden de implementatie van de nieuwe EU-richtlijn Luchtkwaliteit voorbereid. Het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) constateert dat extra maatregelen nodig zijn om de gezondheid van omwonenden van de industrie te beschermen. De Actieagenda Industrie en Omwonenden, die naar aanleiding van dit rapport is opgesteld, is ook voor dit kabinet het vertrekpunt. In 2025 worden verdere keuzes gemaakt en stappen gezet om gezondheid volwaardig mee te wegen in vergunningen en beleid, om zo de negatieve impact van industriële bedrijvigheid op omwonenden en Nederland als geheel te verkleinen. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de transitie naar een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving.
De blijvende focus op milieu zorgt ervoor dat deze kwesties prioriteit krijgen op nationaal niveau en dat gemeenten gesteund worden door de stelselverantwoordelijken in de uitvoering van hun complexe en uitdagende taken. Het Nationaal Milieuprogramma kan gemeenten daarbij de hand reiken, maar de complexiteit vereist intensieve en proactieve samenwerking op het gebied van beleid, uitvoering, kennisdeling en probleemanalyses. Dit moet zowel binnen de gemeente, als in de samenwerking tussen gemeenten met alle andere overheden gebeuren. Bodem en ondergrond Wat wil het kabinet? IenW is systeemverantwoordelijk voor de aanpak van bodemverontreinigingen en beleid en regelgeving rondom bodemkwaliteit. De uitvoering hiervan is grotendeels belegd bij decentrale overheden. Hiertoe zijn bestuurlijke afspraken gemaakt voor de periode 2023-2030. Via het Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater worden instrumenten ontwikkeld voor het expliciet ruimtelijk ordenen van bodem en ondergrond. Wat betekent dit voor gemeenten? Met vele opgaven die om schaarse ruimte vragen, is het ook belangrijk dat gemeenten goed regie voeren op de ondergrond. Vanuit het Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater worden instrumenten ontwikkeld die gemeenten daarbij kunnen helpen.
Versterking Nationale Aanpak Cybersecurity Wat wil het kabinet? I&W zet de Versterking Nationale Aanpak Cybersecurity (VNAC) verder in om de cyberweerbaarheid binnen de watersector en de maritieme sector gericht te vergroten en planmatig vorm te geven. Daarnaast wordt de implementatie van de herziene Netwerk en informatiebeveiligingsrichtlijn (NIB) in 2024 verder vormgegeven. I&W begroot voor Cybersecurity per sector: (afval- en drink-) water, spoor- en wegvervoer, maritieme sector en haven gerelateerde activiteiten. Dit betreft middelen voor de implementatie van de Critical Entities Vereniging van Nederlandse Gemeenten 42 Resilience Directive (CER/Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) en de Network and Information Security Directive (NIS2/Cyberbeveiligingswet) en het toezicht daarop. Er wordt vanuit verschillende beleidsartikelen budget overgemaakt naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) voor toezicht op en handhaving van de Europese richtlijnen CER en NIS2. Wat betekent dit voor gemeenten? Voor gemeenten wordt dit diffuus, omdat zij verschillende wettelijke taken in de fysieke leefomgeving uitvoeren en er dus meerdere sectoren van I&W voor gemeenten van belang zijn. De RDI is toezichthouder voor de gemeenten op NIS-2. De ILT wordt toezichthouder op de CER en NIS2.
De samenhang in toezicht en de mogelijke administratieve lasten hiervan voor gemeenten is nog onduidelijk. Digitaal stelsel mobiliteitsdata Wat wil het kabinet In het kader van de opgaven in het mobiliteitsdomein en in het licht van Europese regelgeving wil I&W mobiliteitsdata via het Digitaal Stelsel Mobiliteitsdata (DSM) beschikbaar maken en uitwisselen. Wat betekent dit voor gemeenten Ook gemeenten dienen door het Europese Real-Time Traffic Information (RTTI) data ter beschikking te stellen, als onderdeel van het Digitaal Stelsel Mobiliteit. Het beoogde Wegennetwerkregistratie wordt als kern en basis van het stelsel gezien. Als grootste wegbeheerder zal de rol van bronhouder in het nieuwe stelsel voor gemeenten gepaard gaan met aanzienlijk impact, waarover afspraken worden gemaakt met het departement. 43 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 7 Economische Zaken Ondernemings- en vestigingsklimaat Wat wil het kabinet? Het kabinet wil het verdienvermogen en daarom het ondernemingsklimaat versterken. Het kabinet benoemt dat ondernemen en ondernemers gewaardeerd moeten worden en moet lonen om de welvaart op hoog niveau te houden. Daarbij hoort ook dat internationaal opererende bedrijven zich in Nederland willen vestigen, oftewel een gunstig vestigingsklimaat. Het kabinet vindt daarbij voor bedrijven een duidelijk, stabiel en voorspelbaar beleid belangrijk.
Het kabinet zet daarbij onder meer in op: • Een stabiel en fiscaal beleid en lastenverlichtingen voor het bedrijfsleven. • Betere toegang tot financiering, onder meer voor innovatieve, duurzame en startende ondernemers en voor bedrijven die essentieel zijn voor de Nederlandse economie. • Een Pact en randvoorwaarden voor het ondernemersklimaat, waaronder het aanpakken van netcongestie aan de hand van het versterken van het Landelijk Actieplan Netcongestie. Wat betekent dit voor gemeenten? De voorgestelde maatregelen hebben in de basis een positief effect op het mkb, gevestigd in gemeenten, in Nederland. Het Pact Ondernemingsklimaat is een goede stap in de richting om structureel in gesprek te zijn. Een vertaalslag naar de signaalfunctie en praktische rol die gemeenten hierbij (kunnen) vervullen wordt nog gemist en maatregelen versnipperd gepresenteerd. Het is goed dat het kabinet oog blijft houden voor schuldhulpverlening en de effecten van faillissementen wil beperken. Gemeenten hebben hierin een wettelijke taak. Het is ongewis nog hoe het kabinet hier gemeenten qua rol en financiering in kan ondersteunen. Het kabinet zet onder meer expliciet in op een herijking van het topsectorenbeleid. Gemeenten zijn daarbij een logische gespreks- en samenwerkingspartner. Regeldruk Wat wil het kabinet? Het kabinet vergroot de inzet op regeldrukreductie van 1,1 miljoen naar 2,3 miljoen.
Regeldruk kost ondernemers veel tijd, energie en geld. Het kabinet spant zich in om met name overbodige regeldruk tegen te gaan en om het naleven van regels makkelijker te maken onder andere door: • Een wettelijke verplichting om het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) structureel en vroegtijdig te betrekken. • Door nationale koppen op Europees beleid te schrappen geen nieuwe aan te gaan. • Het in gesprek gaan met toezichthouders en handhavers over hoe regeldruk, ook vanuit hen, kan worden verminderd. Wat betekent dit voor gemeenten? Het effectief aanpakken van regeldruk draagt bij aan het verdienvermogen van het mkb en kan gemeenten ontlasten. Het invoeren van een wettelijke verplichting om het ATR vroegtijdig de toetsing te laten verzorgen is zeer gewenst. Het is belangrijk dat gemeenten tijdig betrokken worden. Het voorkomen van nationale koppen op regelgeving en het mogelijk terugdringen daarvan is vooral goed voor het MKB, dat in alle gemeenten aan de basis van groei en ontwikkeling staat. Ook gemeenten hebben een rol in de regeldrukaanpak. De financiële impact en impact op de uitvoeringskracht van gemeenten is nog onduidelijk, net als de spanning die Vereniging van Nederlandse Gemeenten 44 verminderen regeldruk ondernemers kan opleveren met andere gemeentelijke verplichtingen en afwegingen.
Arbeidsmarktkrapte en menselijk kapitaal Wat wil het kabinet? Het kabinet streeft naar een sterke concurrentiepositie voor Nederland met voldoende arbeidskrachten voor een breed welvaartsniveau met onder andere gerichte arbeidsmigratie voor sectoren zoals logistiek en bouw, actieplan groene en digitale banen, en arbeidsbesparende innovaties. Het kabinet werkt daarnaast een rijksbrede arbeidsmarktagenda uit. Wat betekent dit voor de gemeenten? De aandacht voor arbeidsmarktkrapte is een positieve ontwikkeling. Het vergroot de urgentie tot samenwerking vooral voor gemeenten die een regisserende rol hebben binnen de arbeidsmarktregio. De aandacht voor menselijk kapitaal lijkt niet vertaald in een directe investering. De concrete vertaling en financiële onderbouwing is niet goed herleidbaar en de beschikbare middelen zijn versnipperd. Dit bemoeilijkt de regisserende rol van gemeenten en hun uitvoeringskracht. Helderheid over financiering en samenwerking tussen sectoren zijn cruciaal voor effectieve uitvoering en impact in de arbeidsmarktregio’s. Ook binnen gemeenten bestaat arbeidsmarktkrapte. Gemeenten hebben hopelijk baat bij de uit te werken rijksbrede arbeidsmarktagenda. De lessen uit het lopende Programma Arbeidsmarktkrapte van de VNG kunnen daarbij ingebracht worden.
Regionaal economische samenwerking Wat wil het kabinet? Het kabinet wil oog hebben voor regionale verschillen en investeren in structurele samenwerking met regio’s. Nationaal beleid wordt getoetst aan de regionale praktijk en bij belemmeringen op regionale ontwikkeling zo aangepast dat elke regio zich kan ontwikkelen. Het kabinet vindt de volgende thema’s hierbij urgent: gezondheid en zorg, onderwijs, economie, wonen en bereikbaarheid. Het kabinet ontwikkelt samen met regio’s aan de randen van het land een gebiedsgerichte aanpak met langjarige agenda’s. Bij deze aanpak werken 8 ministeries samen onder coördinatie van BZK. Het kabinet heeft in het regeerprogramma aangekondigd de regiodeals te willen ombouwen tot structurele investeringsagenda’s in het kader van Elke Regio Telt. In de begroting van VRO (waar Regiodeals onder vallen) is dit voornemen nog niet te zien. Het kabinet zegt aan de ene kant dat de aanpak van Elke Regio Telt uit bestaande middelen moet komen maar aan de andere kant reserveert zij vanaf 2025 5 miljoen euro per jaar voor diverse regio’s om toe te werken naar een strategische investeringsagenda. Wat betekent dit voor gemeenten? Het is positief voor gemeenten dat het kabinet de aanpak van Elke Regio Telt doorzet en prioriteit geeft aan regio’s die te maken hebben met het spiraal van verschraling.
Het lijkt er echter steeds meer op dat de structurele samenwerking zich gaat toespitsen op de 10 regio’s die al zijn uitgekozen voor de aanpak. Hierbij is het de vraag of de 5 miljoen jaarlijks voor een strategische investeringsagenda voor alle regio’s beschikbaar is of alleen de 10 regio’s die elders in de plannen worden benoemd. Als uit wordt gegaan van provincies als regio’s, zou dit in ieder geval voor een deel van gemeenten onwenselijk zijn. Het is nu nog lastig te voorspellen aan welke regionale praktijk getoetst wordt en hoe. Ruimte voor economie Wat wil het kabinet? Samen met partners zoals provinciale, regionale en lokale overheden, uitvoeringsorganisaties en (vertegenwoordiging van) bedrijfsleven geeft EZ uitvoering aan Ruimtelijke Economische Verkenningen en het Programma Ruimte voor Economie. EZ werkt daarnaast mee aan de ruimtelijke ordening van Nederland via de Nota Ruimte. 45 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Wat betekent dit voor gemeenten? We delen de zorgen over de (toekomstig) beschikbare ruimte voor bedrijven en ondernemingen. Daarnaast hebben gemeenten ook zorgen over de aantrekkelijkheid van het lokaal en regionaal vestigingsklimaat. Een nationale ruimtelijk-economische visie kan een bouwsteen zijn voor het maken van nationale keuzes over waar we welke economie en industrie huisvesten.
De VNG heeft haar eigen inzet geformuleerd in een position paper Ruimte voor werken en ondernemen. Voor het toekomstbestendig maken van bedrijventerreinen is € 24 miljoen opgenomen voor 8 additionele pilots voortoekomstbestendige bedrijventerreinen zodat in totaal 12 pilots kunnen worden uitgevoerd, één per provincie. Herstructurering winkelgebieden Wat wil het kabinet? Het kabinet investeert de komende jaren € 100 miljoen in het realiseren van toekomstbestendige winkelgebieden en in vitale binnensteden met de regeling specifieke uitkering Impulsaanpak winkelgebieden. Wat betekent dit voor gemeenten? De na-ijl effecten van de COVID- en energiecrisis, de oorlog in Oekraïne en Rusland en inflatie zorgen voor een stapeling van problematiek voor ondernemers die essentieel zijn voor de leefbaarheid en vitaliteit van onze dorpen en steden. Gemeenten maken zich zorgen om de leefbaarheid en vitaliteit die onder druk staat. De impulsaanpak winkelgebieden kan een verschraling van het voorzieningenniveau slechts gedeeltelijk stoppen. Het ontbreekt aan een gecoördineerde aanpak van het rijk. Op 1 juli 2024 sloot de laatste van 4 openstellingen binnen de impulsaanpak winkelgebieden. Een deel van die middelen zijn in de begroting tot 2029 opgenomen aangezien subsidieontvangers op dit moment nog in de voorbereidende fase zitten.
Inkoop & Aanbesteden Wat wil het kabinet? Het programma Beter Aanbesteden stopt na 2024, maar de regiomanagers blijven bestaan; vanaf 2025 worden ze structureel onderdeel van PIANOo Expertisecentrum Aanbesteden. EZ zet de constructieve dialoog met de samenwerkingspartners voort. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten kunnen ook na beëindiging van het programma Beter Aanbesteden een beroep doen op de regiomanagers voor onder meer advies, contacten met andere aanbestedende diensten en tips voor het organiseren van marktdagen en andere manieren om goed in contact te staan met bedrijven. Rechtsbescherming Wat wil het kabinet? De Aanbestedingswet 2012 wordt gewijzigd om de klachtafhandeling bij aanbestedingen te verbeteren. Een onderdeel van de wetswijziging is het aanpassen van de rol van de bestaande Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE), zodat zij meer klachten van ondernemers in behandeling kan nemen en sneller kan adviseren. De verwachte inwerkingtreding van de aangepaste wet is januari 2026. Wat betekent dit voor gemeenten? Een klachtenloket voor aanbestedingen wordt verplicht. In de aanbestedingsprocedure moet rekening worden gehouden met de termijnen voor klachtafhandeling. Bedrijven kunnen een klacht in tweede instantie voorleggen aan de CvAE, waarmee in de planning ook rekening moeten worden gehouden.
Doel van de wetswijziging is een betere rechtsbescherming voor bedrijven, betere aanbestedingsprocedures en het voorkomen van rechtszaken Vereniging van Nederlandse Gemeenten 46 Digitale open strategische autonomie Wat wil het kabinet? De digitale ambities van het Ministerie van EZ richting 2030 zijn vastgelegd in de Strategie Digitale Economie en de Agenda voor een Digitale Open Strategische Autonomie. In 2025 richt het kabinet zich op versterking van de digitalisering van het mkb, het stimuleren van digitale innovatie en vaardigheden, het creëren van de juiste randvoorwaarden voor goedwerkende digitale markten, het behouden en versterken van een veilige, betrouwbare, hoogwaardige digitale infrastructuur en het versterken van cybersecurity. Ook werkt EZ aan goede kaders om aanbestedingen te gebruiken als strategisch beleidsinstrument om doelen als duurzaamheid en open strategische autonomie te bevorderen. Wat betekent dit voor gemeenten? Ook gemeenten kennen onwenselijke afhankelijkheden op het gebied van IT. De inzet van het kabinet is voor gemeenten positief, omdat gemeenten alleen door interbestuurlijk op te trekken en Europese sturingsmechanismen te gebruiken hun digitale onafhankelijkheid kunnen versterken.
Innovatie en digitale vaardigheden Wat wil het kabinet? Het ministerie van Economische Zaken richt zich op het stimuleren van innovatie en het vergroten van de digitale vaardigheden in Nederland. Het doel is om tegen 2030 één miljoen mensen digitaal te scholen. Er wordt specifiek aandacht besteed aan het opleiden van AI- en cybersecurityspecialisten om Nederland veiliger en innovatiever te maken. Wat betekent dit voor gemeenten? Voor gemeenten kan dit betekenen dat ze kunnen profiteren van een toename in digitale kennis en vaardigheden onder hun medewerkers en inwoners. Gemeenten kunnen zich voorbereiden op technologische veranderingen en gebruikmaken van de nieuwe kennis en expertise die voortvloeit uit de nationale opleidingsprogramma’s. Dit kan helpen om gemeentelijke IT-infrastructuren te moderniseren en de dienstverlening te verbeteren. Digitale veiligheid in EU wet- en regelgeving Wat wil het kabinet? EZ wil in Europees verband wet- en regelgeving en certificering creëren, bijvoorbeeld via de Cyber Resilience Act (CRA). Daarmee kunnen consumenten en bedrijven vertrouwen op veilige digitale producten en diensten. De implementatie van de herziene Europese richtlijn voor Netwerk- en Informatiebeveiliging (NIS2) maakt een grotere groep bedrijven verplicht om digitale weerbaarheidsmaatregelen te treffen.
Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten zijn afhankelijk van een select aantal ICT-aanbieders. Doordat de CRA en de NIS-2 ook eisen stellen aan ICT-leveranciers, -producten en -diensten kunnen gemeenten als afnemers vanaf ongeveer 2027 gaan vertrouwen op de keurmerken en het toezicht dat hierop gaat rusten. Met deze regulering wordt een basisniveau van digitale weerbaarheid afgesproken in heel de EU. Tegelijkertijd moeten bij het aangaan of onderhouden van contracten goede afspraken gemaakt worden over het niveau van de informatiebeveiliging. Ook moet er goed gecontroleerd worden op het nakomen van die afspraken. Rijksinspectie Digitale Infrastructuur Wat wil het kabinet? Rijksinspectie Digitale Infrastuctuur (RDI) voert het toezicht uit op de Europese eIDAS-Verordening, de Cyber Security Act (CSA) en de NIS2- en CER-richtlijnen. Wat betekent dit voor gemeenten? De NIS2, CER, gaan ook van toepassing zijn op gemeenten. De CSA en eIDAS zijn al ingegaan. Dit zijn allemaal regelingen met Informatieveiligheidsaspecten. De manier waarop RDI toezicht gaat houden op de naleving gaat directe gevolgen hebben voor de uitvoeringslast bij gemeenten.
Een integrale en 47 Vereniging van Nederlandse Gemeenten samenhangende aanpak op toezichtstelsel is voor gemeenten van belang om de administratieve lasten van verantwoording en toezicht in balans te houden met de inzet om de feitelijke veiligheid te garanderen. Arbeidsmarktkrapte digitalisering Wat wil het kabinet? EZ zet stevig in op de aanpak van het tekort aan digitaal talent. Hierbij wordt vooral gekeken naar de opschaling van succesvolle initiatieven. Hierbij is onder andere extra aandacht voor AI-specialisten en cybersecurityspecialisten voor een innovatieve, veilige en weerbare samenleving. Daarnaast wordt door EZ samen met provincies, gemeenten en ondernemers onder leiding van het Platform Techniek voor Technologie gewerkt aan een plan van aanpak om de Digitale Werkplaatsen door te ontwikkelen. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten hebben een tekort aan voldoende gekwalificeerd cybersecuritypersoneel. Aansluiten op succesvolle om- en bijscholingsinitiatieven kunnen hierbij een uitkomst bieden. Ook gemeenten dienen voldoende aan te sluiten op en gebruik te maken van initiatieven voor het opleiden van cybersecurityspecialisten.
Europese regelgeving Wat wil het kabinet? Samen met de toezichthouders, zoals de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI), blijft het Ministerie van EZ werken aan een effectieve implementatie van Europese regelgeving en inrichting van het toezicht in Nederland (Digital Services Act, Data Governance Act, Data Act, AI Act, eIDAS). Daarnaast zet het Ministerie van EZ in 2025 gezamenlijk met de toezichthouders in op het uitvoeren van een midterm-review van de Europese digitale regelgeving. Wat betekent dit voor de gemeenten? Vanuit verschillende departementen wordt ingezet op implementatie van Europese digitale regelgeving. Deze regelgeving raakt de gehele informatiehuishouding van de gehele overheid. De impact voor gemeenten is groot. Een effectieve inrichting van toezicht op deze wetgeving is van belang voor gemeenten. Digital Europe Programme Wat wil het kabinet? Er wordt vanuit EZ veel geld beschikbaar gemaakt voor cofinanciering op het Digital Europe Programma (DEP). AI, Cybersecurity en vertrouwen, digitale vaardigheden en European Digital Innovation Hubs zijn hier de speerpunten bij. Wat betekent dit voor gemeenten? Gegeven de financiële positie in 2026, is het interessant voor gemeenten om samen met de rijksoverheid te kijken naar de subsidiemogelijkheden vanuit het DEP op het gebied van AI, cybersecurity en digitale vaardigheden.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 48 8 Klimaat en Groene Groei Klimaatdoelen Wat wil het kabinet? Het kabinet wil de klimaatdoelen uit de Klimaatwet, 55% CO2-reductie in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050, behalen. Daarnaast staat het kabinet positief tegenover de EU-tussendoelstelling van 90% CO2- reductie in 2040. Om deze doelen te bereiken, houdt het kabinet grotendeels vast aan bestaand beleid, gericht op verduurzaming, energiebesparing en het stimuleren van duurzame energie. Hierbij krijgt de verduurzaming van de industrie een prominentere rol. Het kabinet blijft binnen de kaders die in het hoofdlijnenakkoord zijn gesteld en werkt de afspraken uit dat akkoord verder uit. Dat betekent bijvoorbeeld dat de energiebelasting op gas in het belastingplan van 2025 wordt verlaagd, dat er geen verplichte labelsprongen voor koopwoningen komen, geen verplichting voor warmtepompen en dat er wordt bezuinigd op subsidiebudgetten voor inwoners en bedrijven voor verduurzaming. Er komt meer nadruk te liggen op de opwekking van duurzame energie op zee en de ontwikkeling van de waterstofinfrastructuur. Ook maakt het kabinet aanzienlijk meer budget vrij voor kernenergie, met een extra investering van 9,5 miljard euro. Het oplossen van netcongestie heeft hoge prioriteit om aan deze ambities te kunnen voldoen.
Het uitbreiden van het elektriciteitsnet vraagt volgens het kabinet om duidelijke nationale regie en forse investeringen in de nationale energie-infrastructuur. Daarnaast wordt voortgebouwd op maatregelen die in vorige jaren in gang zijn gezet: • Het kabinet continueert de aanpak gericht op het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Middelen uit het klimaatfonds blijven volgend jaar beschikbaar voor de inzet van het Nationaal Isolatie Programma waaronder de Lokale Aanpak Isolatie, soortenmanagement, verduurzaming van maatschappelijk vastgoed als ook ondersteunende verduurzamingssubsidies zoals de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE). • Het kabinet continueert in 2025 de rentekorting voor financiering voor VvE’s en de 0% lening in het warmtefonds voor woningeigenaren met een verzamelinkomen tot 60.000 euro. Hier is bij de voorjaarsbesluitvorming 2024 reeds 212 miljoen voor beschikbaar gesteld uit het klimaatfonds. • Er is aandacht voor de wetgevingstrajecten van de Wet collectieve warmte (Wcw), Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en de energiewet in relatie tot de uitvoerbaarheid en betaalbaarheid van de warmtetransitie.
• De voorwaardelijke toekenning van 215 miljoen inzake het waarborgfonds voor Warmtenetten blijft in stand en ook de eerdere aangekondigde middelen voor de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) blijven meerjarig beschikbaar. • Voor de aanpak van netcongestie worden extra middelen vrijgemaakt uit het Klimaatfonds, onder andere voor de ondersteuning van energyhubs, batterijverplichting bij zonneparken, het efficiënter benutten van netten en toekomstbestendige energienetwerken. Over de periode van 2024 tot circa 2030 gaat dit over een bedrag van circa € 349 miljoen. Een deel van deze middelen was reeds aangekondigd. • Het kabinet reserveert € 9,5 miljard extra uit het Klimaatfonds voor kernenergie. Hiermee zet het kabinet in op de realisatie van 2 nieuwe kerncentrales (totaal 4 nieuwe), de inzet levensduurverlenging in Borssele maar ook op de ontwikkeling van SMR’s (Small Modular Reactors). • Het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie wordt voortgezet waarbij de nadruk ligt op verbeteren van het economische vestigingsklimaat en het realiseren van groene groei. • Voor de 20 grootste bedrijven wordt de maatwerkaanpak gecontinueerd, maar ook worden er extra middelen (6,9 miljoen voor de periode 2025-2030) uit het Klimaatfonds vrijgemaakt voor het opzetten van een programma gericht op de verduurzaming van Cluster 6 bedrijven. • Het noodfonds energie loopt in 2024 af.
Voor 2025 en 2026 wordt daarom € 60 miljoen per jaar gereserveerd om een energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen. 49 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Wat betekent dit voor gemeenten? Het kabinet wil de doelen halen, maar ontwikkelt weinig nieuw beleid en schrapt zelfs beleid, zonder indicatie dat de doelen in de nieuwe situatie haalbaar zijn. Gemeenten kunnen te maken krijgen met directe of indirecte verslechtering van de balans tussen taken en middelen in het deel van de kaders en ambities dat naar hen wordt doorgezet. Voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving blijft de aangekondigde laatste tranche van het Nationaal Isolatieprogramma beschikbaar en dat ook in 2025 gemeenten middelen kunnen aanvragen om kwetsbare woningeigenaren te helpen met isoleren. Voor de betaalbaarheid van de warmtetransitie zijn er naast de WIS en het vasthouden aan de 0% lening uit het Warmtefonds, nog geen structurele middelen om de haalbaarheid en betaalbaarheid van onder andere warmtenetten te verbeteren. Op het gebied van het verduurzamen van het maatschappelijk vastgoed is de begroting als voorzien. Het risico van een korting op de spuk-regelingen waaronder de Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE-regeling) heeft gevolgen voor de realiseerbaarheid van de warmtetransitie.
Uitvoeringsmiddelen voor uitvoering Klimaatakkoord Wat wil het kabinet? Het kabinet heeft besloten vanaf 2026 een generieke budgetkorting van 10% door te voeren op spuk. Dit leidt op de KGG-begroting tot een bezuiniging oplopend tot € 89 miljoen in 2029. Voor de uitvoeringsmiddelen (CDOKE) loopt dit op tot circa € 80 miljoen in 2029.Ook wordt er vanwege de rijksbrede taakstelling op subsidies bezuinigd op een groot aantal instrumenten en beschikbare subsidies. Het totaal van de taakstelling voor het voormalige EZK loopt op tot € 174 miljoen in 2029, waarvan € 129 miljoen voor KGG. In de begroting is geen gehoor gegeven aan het advies van de ROB om de uitvoeringsmiddelen voor decentrale overheden op te hogen (zie ROB Advies ‘Koersen op Klimaatneutraal” – april 2024). Wat betekent dit voor gemeenten? De ambities van het kabinet blijven onveranderd hoog, evenals het daarbij behorende takenpakket voor gemeenten. De 10% korting kan ook niet worden gecompenseerd door besparing op de administratieve lasten door overheveling van de middelen naar het gemeentefonds. De administratieve lasten zijn bij deze regeling (de CDOKE) maar een fractie van de 10%.
Dit, in combinatie met het uitblijven van aanvullende middelen uit het ROB-advies, onder andere bedoeld voor het oplossen van netcongestie, het opstellen en monitoren van soortenmanagementplannen en het oprichten van publiek warmtebedrijven, heeft direct effect op de haalbaarheid van de voorgenomen beleidsdoelen en de uitvoering van taken. VNG zal onvermijdelijk het gesprek met het rijk moeten aangaan, hoe taken en middelen in de energietransitie in balans blijven. De aanvullende taakstellingen op subsidies en instrumenten zorgt er daarnaast voor dat de haalbaarheid en betaalbaarheid voor inwoners en bedrijven onder druk komt te staan. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 50 9 Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur De begroting van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) focust op voedselzekerheid, de innovatiekracht van de landbouwsector en de toekomst van boeren, vissers en tuinders. De totale begroting bedraagt komend jaar bijna € 4,7 miljard. In het hoofdlijnenakkoord is extra geld gereserveerd voor de agrarische sector, daarvan gaat komend jaar een bedrag van € 40 miljoen als startpakket naar de LVVN-begroting.
Het geld is bedoeld voor maatregelen om de mestmarkt te verlichten (€ 15 miljoen), voor doelsturing (€8 miljoen), natuurmonitoring (€ 8 miljoen), visserij (€ 4,5 miljoen), innovatie (€ 3,5 miljoen) en dierwaardigheid (€ 1 miljoen). Het NPLG stopt; andere aanpak internationale doelen Wat wil het kabinet? Om de lasten en regeldruk te verminderen worden ‘nationale koppen’ op Europees beleid waar mogelijk geschrapt. Er zal op een andere manier gewerkt worden aan de internationale doelstellingen op het gebied van stikstof, water, natuur en klimaat. Het kabinet stopt daarom met het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en een nieuwe werkwijze wordt eind dit jaar naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze is meer ‘gebiedsspecifiek’ en ‘uitvoeringsgericht’ van opzet en omvat onder meer de structurele extra middelen voor agrarisch natuurbeheer, die vanaf 2026 beschikbaar zijn. Ook stelt het kabinet € 45,5 miljoen extra beschikbaar voor provincies om koplopersprojecten uit te voeren in het landelijk gebied en is er de komende jaren € 172 miljoen beschikbaar voor de nationale grondbank. Het kabinet geeft aan de ruimtelijke regie te nemen en de verbinding te leggen met lopende processen zoals de NOVEX en Nota Ruimte, onder coördinatie van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).
Om maatschappelijke doelen te behalen legt het kabinet de focus op innovatie en doelsturing. Hiervoor wordt gewerkt aan een langetermijnaanpak voor investering en de doorontwikkeling van doelsturingssystematiek. De toepassing van innovatieve stal- en managementmaatregelen, innovaties voor weerbare teelten, visserij, robotisering en digitalisering wordt ondersteund via onder andere vraaggestuurde experimenteerlocaties, waarbinnen nieuwe innovaties in de praktijk samen met boeren, tuinders en vissers worden uitgetest. Hiervoor is € 3,5 miljoen gereserveerd in de begroting. Wat betekent dit voor gemeenten? De opzet en ontwikkeling van het NPLG vond plaats in een periode dat er veel maatschappelijke spanning was rondom het landelijk gebied. Omdat wij dicht bij onze inwoners en bedrijven staan, hebben wij dit ook nadrukkelijk ervaren. Het NPLG heeft in elk geval bijgedragen dat in veel gebieden partijen met elkaar om tafel gingen in gebiedsprocessen. Hoewel het NPLG daarin nog niet het verschil heeft gemaakt in de uitvoering, ervaren veel gemeenten deze gebiedsprocessen als positief: je kunt beter met dan over elkaar praten. Met het stopzetten van het NPLG en het schrappen van het Transitiefonds van circa 24 miljard euro, hebben wij zorgen dat er minder draagvlak is voor de deelname van diverse partijen aan gebiedsprocessen.
Met het wegvallen van het NPLG verdwijnt de noodzaak van lokale en regionale integraliteit van opgaven echter niet. Juist daar waar regionaal energie is, blijven wij graag samen met provincies en waterschappen gebiedsgericht werken aan de opgaven voor natuur, water en klimaat om daarmee bij te dragen aan de benodigde stikstofreductie én sociaaleconomisch perspectief voor het landelijk gebied. Gericht op wat ‘wél kan’. Gemeenten dienen dan ook in staat te worden gesteld om samen met gebiedspartners tot lokaal en 51 Vereniging van Nederlandse Gemeenten regionaal passende oplossingen te komen: haalbaarheid, uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid zijn randvoorwaardelijk. Ook bij de lopende processen - NOVEX en Nota Ruimte – dienen gemeenten betrokken te worden gezien de taken en bevoegdheden op het gebied van ruimtelijke ordening. De aandacht van het kabinet voor innovatie en doelsturing van de agrarische sector raakt gemeenten in vergunningverlening, toezicht en handhaving. De voorgestelde doorontwikkeling van doelsturing – d.m.v. een stoffenbalans – vraagt om inzet op juridische houdbaarheid en technische uitvoerbaarheid. De ervaring met de mineralenboekhouding is hierin van belang.
Mede met het oog hierop vinden wij het belangrijk dat de uitvoering van het convenant ‘Versnellen innovatie emissiereductie duurzame veehouderij’ wordt doorgezet en we met inzet van het Regieorgaan tot werkbare en juridisch houdbare innovaties te komen. Ook het afgeven van omgevingsvergunningen voor experimenteerruimte bij innovaties vraagt nauwe samenwerking met gemeenten. Groot aandachtspunt – naast voldoende financiële middelen - is de juridische houdbaarheid en de uitvoerbaarheid van nieuwe beleidslijnen die worden aangekondigd, ook tegen de achtergrond van afspraken die het kabinet in Brussel (Europees beleid). Natuur en biodiversiteit Wat wil het kabinet? Het kabinet committeert zich aan de verplichtingen die volgen uit (inter)nationale wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en biodiversiteit. Agrariërs die bijdragen aan het behalen van deze verplichtingen, bijvoorbeeld door middel van agrarisch natuurbeheer, worden beter beloond. Hiervoor stelt het kabinet vanaf 2026 per jaar € 500 miljoen beschikbaar via het programma Verbinden Landbouw en Natuur. Aanvullend gaat het kabinet aan de slag met de uitvoering van de natuurherstelverordening door een nationaal natuurherstelplan op te stellen, in eerste instantie gericht op 2030 en zonder nationale koppen. Hiervoor is € 43,8 miljoen gedurende de komende twee jaar beschikbaar (waarvan € 17,5 miljoen in 2025).
Ook zet het kabinet in op het realiseren van de natuurdoelen via verdere integratie van natuur in onze woon-, werk- en leefomgeving via de Agenda Natuurinclusief. Hierbij speelt samenwerking met medeoverheden een belangrijke rol. Wat betekent dit voor gemeenten? Bij het rijk ligt een grote verantwoordelijkheid om zich te houden aan internationaal gemaakte afspraken en daarmee de noodzaak tot het maken van een natuurherstelplan. Vanwege onder meer ruimtelijke consequenties van de natuurherstelplannen is samenwerking met gemeenten noodzakelijk, zodat het realiseren van natuurherstel steeds vanuit een integrale blik wordt uitgevoerd. De verdere uitwerking van de Agenda Natuurinclusief zien wij met belangstelling tegemoet. Sociaaleconomisch- en toekomstperspectief agrarische sector Wat wil het kabinet? Het kabinet vindt een leefbaar en sociaaleconomisch vitaal landelijk gebied, waar het goed wonen, werken, recreëren en ondernemen is, belangrijk. Nationaal beleid moet, in lijn met het gedachtengoed van ‘Elke regio telt’, aansluiten bij omstandigheden van het landelijk gebied en zo de leefbaarheid verbeteren. De plannen hiervoor worden begin 2025 bekendgemaakt. Het kabinet richt zich primair op een toekomstperspectief voor de agrarische sector d.m.v. het beschermen van hoogwaardige landbouwgrond.
Waar knelpunten optreden zal het kabinet het gesprek aangaan met de Europese Commissie, andere overheden en sectorpartijen. Voor veehouders die vrijwillig willen stoppen werkt het kabinet aan een nieuwe financieel ruimhartige brede beëindigingsregeling in 2026. Wat betekent dit voor gemeenten? Het regeerprogramma biedt tot nu toe weinig concrete aanknopingspunten voor het verbeteren van de leefbaarheid in het landelijk gebied. Het lijkt erop dat de strategische investeringsagenda’s die onder coördinatie van de minister van VRO met de regio’s gemaakt worden hierin een rol spelen. Het is van belang dat gemeenten in die regionale processen een duidelijke rol krijgen. Mogelijk biedt de brede beëindigingsregeling ruimte om aspecten waarmee de leefbaarheid verhoogd wordt – overlast van geur- en fijnstof – te betrekken. De aankondiging van de brede beëindigingsregeling maakt het Vereniging van Nederlandse Gemeenten 52 mogelijk voor gemeenten om te anticiperen op de werklast die hieruit voortvloeit. Naar verwachting zal van gemeenten gevraagd worden deze werkzaamheden uit te voeren als momenteel bij de Lbv en Lbv-plus wordt gedaan. Financiële tegemoetkoming en ondersteuning in de uitvoering voor gemeenten is essentieel voor het succes van de regeling.
Daarnaast dient er in deze regeling voldoende flexibiliteit te zijn om vanuit een integrale ruimtelijke visie ruimte te bieden voor én sturing te geven aan alternatieve functies voor vrijkomende agrarische bebouwing en grond. 53 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 10 Sociale Zaken en Werkgelegenheid Bestaanszekerheid Wat wil het kabinet? Het kabinet wil zorgdragen voor bestaanszekerheid en werkgelegenheid als kerntaak van de overheid. Het staat immers in de Grondwet. Het kabinet wil de bestaanszekerheid van mensen vergroten. Ze richt zich daarbij op: • Werkzekerheid • Inkomenszekerheid • Betaalbaar wonen en toegankelijke publieke voorzieningen • Integratie en maatschappelijke samenhang Wat betekent dit voor gemeenten? We hebben gedeelde ambities op bestaanszekerheid met dit kabinet. We zien kansen op de lange termijn bestaanszekerheid, proactieve dienstverlening en schuldhulpverlening. We zien nog wel een kloof tussen die ambities en de tekortschietende middelen van gemeenten. We willen hierover op korte termijn met het kabinet in gesprek. Het is voor ons belangrijk dat er politieke besluiten worden genomen voor de toekomst van het stelsel van Bestaanszekerheid (fiscaliteit, toeslagen en sociale zekerheid) en dat we samen met ministeries, publieke dienstverleners en gemeenten gezamenlijk toewerken naar die stip op de horizon.
We werken graag met het kabinet een langetermijnvisie uit met bouwstenen voor de korte, middellange en lange termijn die de inwoner en gemeenten toekomstperspectief bieden. Bouwstenen hiervoor hebben we eerder meegegeven in de Verklaring van de Top Bestaanszeker Nederland en ons ‘Essay Bestaanszekerheid als Belofte’. We zijn bereid om constructief mee te denken en ons steentje bij te dragen aan fundamentele fiscale hervormingen, structurele en toereikende inkomensvoorzieningen en voorstellen om bestaanszekerheid structureel te borgen. In de Miljoenennota staan de middelen genoemd die zijn vrijgemaakt voor het thema Bestaanszekerheid. Dat neemt niet weg dat voor het waarmaken van de ambities op werkzekerheid, inkomenszekerheid en toegankelijke en betaalbare voorzieningen toereikende middelen en mogelijkheden noodzakelijk zijn om het goede te kunnen doen voor onze inwoners. In de Enveloppe ‘groepen in de knel’ zijn zo’n €400 miljoen euro aan middelen op de Aanvullende Post gereserveerd voor nog nader uit te werken beleidsopties bij onderwerpen zoals OCTAS, Participatiewet, Toeslagenwet, Caribisch Nederland en werkende armen. Deze middelen worden betrokken bij de Voorjaarsbesluitvorming 2025 en we pleiten ervoor om met het bedrag te focussen op een specifieke implementatie, hervorming, vereenvoudiging of verandering.
We willen ervoor waken dat de middelen verstrooid worden over allerlei onderwerpen waardoor het allemaal net niet van de grond komt. Het bedrag lijkt aanzienlijk maar voor deze grote thema’s zijn miljoenen nodig om het goed tot uitvoering te kunnen brengen. We denken graag mee over de juiste inzet van deze middelen richting Voorjaarsnota 2025. In de miljoenennota lezen we verschillende kleinere intensiveringen die hoofdzakelijk uit de enveloppe groepen in de knel komen. Zo worden er middelen vrijgemaakt voor een verruiming van de handhavingsbevoegdheden en een bredere herijking van het handhavingsinstrumentarium (cumulatief circa €67 miljoen), het verruimen van het toeslagpartnerbegrip om knelpunten in regelgeving op te lossen (cumulatief circa €62 miljoen) en voor het verlengen van de tijdelijke IPS-regeling (€9 miljoen). Vereniging van Nederlandse Gemeenten 54 Hersteloperatie Toeslagen Wat wil het kabinet? Het kabinet wil in deze kabinetsperiode alle gedupeerde ouders en getroffen jongeren van de toeslagenaffaire helpen hun leven weer op de rit te krijgen. Het kabinet beseft dat naast financieel herstel en brede ondersteuning juist ook emotioneel herstel daarbij van groot belang is. Het is de ambitie om voor de laatste ouders in de loop van 2025 hun integrale beoordeling te hebben afgerond.
De verwachting is dat uiterlijk eind 2027 alle ouders die daar recht op hebben, compensatie van aanvullende schade hebben ontvangen. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten staan door ondersteuning op vijf leefgebieden (geld, gezin, wonen, werken en zorg) naast hun inwoner. Het is voor gemeenten belangrijk dat het financieel herstel zo snel als mogelijk wordt afgerond. In de praktijk zien gemeenten dat het trage herstelproces leidt tot onzekerheid en toenemende stress. Dit staat heling en het weer oppakken van het leven in de weg. Gemeenten zijn blij met de stappen die het kabinet onderneemt om het financieel herstelproces deze kabinetsperiode af te kunnen ronden. Voor sommige ouders begint het emotionele herstel en de brede ondersteuning pas als het besluit over de compensatie is genomen. Daarom is het belangrijk dat gemeenten nu en in de toekomst hun inwoners kunnen blijven ondersteunen. De afspraken over de compensatie van de kosten die gemeenten in het kader van de hersteloperatie maken, zijn opgenomen in een specifieke uitkering welke tot 31 december 2026 loopt. De einddatum en het huidige plafondbedrag van de spuk zijn niet in overeenstemming met de huidige aantallen en de planning van het kabinet. Het kabinet heeft gemeenten toegezegd voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen.
Om getroffenen nu en in de toekomst te kunnen blijven ondersteunen, is financiële dekking noodzakelijk. Werkzekerheid en sociaal ontwikkelbedrijven Wat wil het kabinet? Het kabinet ziet werk als de basis van bestaanszekerheid. Het kabinet wil met de volgende maatregelen of wet- en regelgeving komen: • Een wetsvoorstel voor meer werkzekerheid voor flexwerkers met maatregelen om uitzendkrachten, oproepkrachten en tijdelijke werknemers beter te beschermen. En een wetsvoorstel dat duidelijker maakt wanneer je werkt als werknemer of als zelfstandige. Vervolgens komt er een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. • Mogelijkheden bieden zodat kleine en middelgrote werkgevers onder voorwaarden straks na één jaar ziekte de re-integratie van de werknemer volledig kunnen richten op het vinden van een werkplek bij een andere werkgever. Daarnaast werken ze aan een regeling waarmee werkgevers hun werknemers kunnen behouden tijdens een crisis buiten het reguliere ondernemersrisico. Ze kunnen werknemers tijdelijk herplaatsen of minder laten werken en bij dat laatste een loonsubsidie aanvragen. • Ook wil het kabinet de dienstverlening over werk en scholing in een arbeidsmarktregio samenbrengen: het Werkcentrum. Hierbij moet de ondersteuningsbehoefte van de burger centraal staan en niet de inkomenssituatie.
Het kabinet spreekt van het vergroten van baankansen voor mensen met een arbeidsbeperking. Het kabinet wil stappen zetten naar een inclusievere arbeidsmarkt waarin mensen met een arbeidsbeperking volop meedoen en bij een reguliere werkgever aan de slag kunnen. SZW zorgt samen met OCW voor een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt voor kwetsbare jongeren (Wet School naar Duurzaam Werk, zie Onderwijs in deze Ledenbrief). Het kabinet wil dat sociaal ontwikkelbedrijven ook in de toekomst banen kunnen blijven bieden aan mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is. Het eerder gepresenteerde pakket aan maatregelen om beschut werk te stimuleren en de sociaal ontwikkelbedrijven toekomstbestendig in te richten is nu ook in financiële zin vertaald. Gemeenten ontvangen een impulsbudget van €35 miljoen in 2025 en dit budget loopt door tot 2034 (aflopend naar €19,8 miljoen). Elders is ook te lezen dat de 10% korting op spuks ook op dit onderwerp van toepassing zou zijn (€3,5 miljoen minder). Per 2025 wordt een ondersteuningsteam beschikbaar gesteld dat gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven gericht kan adviseren en ondersteunen. Tot slot wordt een 55 Vereniging van Nederlandse Gemeenten structurele infrastructurele opslag ingevoerd, per beschutte werkplek. Deze basisfinanciering bedraagt in 2025 €19,8 miljoen en loopt op naar structureel €35,9 miljoen.
Wat betekent dit voor gemeenten? Het toewerken naar regionale werkcentra in de publiek-private samenwerking kan worden voortgezet. Voor gemeenten is het belangrijk dat we in de hele breedte aan de slag gaan met mensen die nu een uitkering krijgen of niet-uitkeringsgerechtigd zijn. Zij verdienen een baankans en kunnen ook op andere manieren participeren en van waarde zijn in onze samenleving. Aan het voornemen “om de ondersteuningsbehoefte centraal te stellen en niet de inkomenssituatie” zijn geen middelen gekoppeld. Het beperkte impulsbudget (€1 miljoen per arbeidsmarktregio) is daarvoor ook niet toereikend. De vraag is hoe ontschotte dienstverlening vorm krijgt, zonder benodigde middelen. Het benutten van het arbeidspotentieel van mensen die nu in de bijstand zitten draagt bij aan het verlichten van de krapte op de arbeidsmarkt. Het goede nieuws is dat de toegezegde middelen voor de (transformatie van de) sociale infrastructuur en beschut werk behouden blijven, maar tegelijkertijd ontbreekt een extra stap van dit kabinet. Ook is er nu onzekerheid over de hoogte van het transformatiebudget door een ingeboekte korting van €3,5 miljoen. Hierover voeren we het gesprek met SZW en BZK omdat dit geen spuk betreft, maar een decentralisatieuitkering.