Toelichting v2
Tekst van het document
Conclusie Geconcludeerd wordt dat er gezien het historisch bodemonderzoek geen beperkingen gelden voor de beoogde plannen in het plangebied en dus geen bedreiging vormen voor de bodem en/of voor het grondwater. Nader (verkennend) onderzoek is niet aan de orde.
pagina 26 van 55
Geluid Een nieuwe ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een nieuw geluidgevoelig object, dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. In het kader van ‘Geluid’ wordt met naastgelegen ontwikkelingen aan Zandstraat 42, Zandstraat 42a en Ruiter 28b opgetrokken, dit zal hierna worden toegelicht. Aan de Zandstraat 42a wordt in een bijgebouw een bedrijf geëxploiteerd dat zal worden afgesplitst van de (voormalige) bedrijfswoning. In overleg met de gemeente Someren is voor de situatie omtrent industrielawaai, als gevolg van de bedrijvigheid aan Zandstraat 42a, één rapport opgesteld waarin de gehele situatie is beoordeeld. Hierin worden de gevolgen voor zowel Zandstraat 44 als Zandstraat 42 (de afgesplitste woning) beoordeeld. Door Tritium Advies BV zijn twee rapporten opgesteld. De rapporten zijn toegevoegd als bijlagen 7 en 8. Deze hebben de akoestische effecten op de nieuw toegevoegde woning aan de noordzijde van de langgevelboerderij in beeld gebracht: 1. De invloed van het wegverkeerlawaai op de gevel van de planologisch gezien nieuwe woning in het kader van de Wet geluidhinder; 2. De invloed van industrielawaai van een nieuw bedrijf aan de Zandstraat 42a op de nieuwe woning aan de noordkant van de langgevelboerderij aan de Zandstraat 44. 1. Wegverkeerlawaai (Wet geluidhinder), rapport d.d.
16-12-2019, kenmerk 1902/170/NB-01, versie 3 De beoogde situatie is getoetst aan de normstelling van de Wet geluidhinder (verder: Wgh) en er is aangegeven wat de consequenties zijn. Op basis van de resultaten van deze toetsing is vervolgens beoordeeld of voor het af te splitsen (noordelijke) deel extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Voor de wegen Hooghoefweg en Ruiter geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woonfunctie overschrijdt. Voor de Zandstraat geldt dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde op zowel de voor- als zijgevel overschrijdt. Ter plaatse van de voorgevel wordt tevens de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor een nieuwe woonbestemming in buitenstedelijk overschreden. Een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde wordt in principe niet toegestaan door de Wet geluidhinder. Om toch woningbouw te kunnen realiseren is het mogelijk de geveldelen ter plaatse van deze toetspunten als "dove gevel" conform artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder uit te voeren. Een "dove gevel" is namelijk geen gevel volgens de Wet geluidhinder.
Dit betekent derhalve dat er geen te openen delen (ramen en deuren) in deze gevels zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, dient hier in de plattegrond rekening mee te worden gehouden. De te openen delen in de voorgevel dienen derhalve te worden vastgezet, zodat de voorgevel aangemerkt kan worden als 'dove' gevel. Voor de zijgevel is reeds sprake van een 'dove' gevel, aangezien er geen te openen delen in deze gevel aanwezig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Aangezien er voor de nieuwe woonfunctie sprake is van een 'dove' voor- en zijgevel is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van deze gevels noodzakelijk. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat
pagina 27 van 55
gewaarborgd. Het aanvullend onderzoek (mede in het kader van het Bouwbesluit) zal als aanvulling van een later in te dienen aanvraag omgevingsvergunning bouwen toegevoegd moeten worden. Tevens dient dit juridisch te worden vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting. 2. Industrielawaai (Zandstraat 42a), rapport d.d. 16-12-2019, kenmerk 1902/169/NB01, versie 4 Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de beoogde splitsing van de woonboerderij aan Zandstraat 44. Aan Zandstraat 42a wordt servicestation voor auto’s gerealiseerd. Voor de locatie Zandstraat 42 en 42a geldt nu nog één bestemming 'bedrijf agrarisch verwant' met milieucategorie 3. Het perceel van Zandstraat 42a krijgt de bestemming 'bedrijf'. Voor deze bestemming geldt in de beoogde situatie maximaal milieucategorie 2. Voor het af te splitsen noordelijk deel van de boerderij wordt de bestemming 'Wonen' beoogd. Aangezien er reeds een woonbestemming geldt voor de boerderij zal er door de splitsing geen inperking ontstaan voor het bedrijf aan Zandstraat 42a. Volgens de VNG-uitgave wordt met betrekking tot een categorie 2 bedrijf voor beide beoogde woonbestemmingen niet voldaan aan de geldende richtafstand.
In onderhavig onderzoek is op de gevels van beide beoogde woningen de geluidbelasting bepaald ten gevolge van alle geluidrelevante activiteiten het bedrijf aan Zandstraat 42a. Aan de hand hiervan is bepaald of er in de toekomstige situatie sprake is van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat en dus van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van de beoogde woning. Naast de splitsing van boerderij aan Zandstraat 44 wordt voor het perceel behorende bij het zuidelijke deel van de boerderij een bestemming ‘Wonen’ met een aanduiding ‘Specifieke vorm van wonen - Wonen plus’ beoogd, waarbij naast de woonbestemming mogelijkheid is voor een klein bedrijf. De bedrijfsactiviteiten richten zich op het beheer van vastgoed. In de ten zuiden van de boerderij gelegen bedrijfsruimte zal, enkel in de dagperiode en op beperkte schaal, kleinschalige opslag, onderhoud en reparatie van inventaris ten behoeve van bedrijfspanden en woningen plaatsvinden. Gezien de beperkte activiteiten en de afstand van minimaal 25 meter tot het af te splitsen deel van de boerderij, wordt verder akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: •
In de avondperiode zullen uitsluitend personen- en bestelwagens mogen parkeren vóór de poort op de zuidelijke inrit, het zuidelijke deel van het voorterrein en aan de noordzijde van de hal zo ver mogelijk naar achteren (tot minimaal de loopdeur in de noordgevel). Het blijft wel mogelijk via de noordelijke inrit personen- en bestelwagens binnen te rijden in het voorste gedeelte van de hal. Aangezien de poort naar de inrichting altijd is gesloten kan bij aankomst van bezoekers de eigenaar van de inrichting de poort openen waarbij hij de bezoekers zal verzoeken te parkeren op de twee parkeerplekken ter plaatse van ‘parkeerstrook 1’. Bij een derde bezoeker zal deze worden verwezen naar ‘parkeerstrook 2’. Voornoemde beperkingen zullen als organisatorische maatregel worden doorgevoerd. De beschouwde situatie voldoet aan het BBT principe daar er redelijkerwijs geen andere maatregelen te treffen zijn.
•
Conform de resultaten met betrekking tot wegverkeerslawaai welke zijn opgenomen in het gelijktijdig door Tritium opgestelde rapport 1902/170/NB-01, versie 3 dient de voorgevel van de beoogde woonbestemming van Zandstraat 44 'doof' te worden gemaakt. De noordgevel (zijgevel) van voornoemde woning betreft reeds een 'dove' gevel aangezien er geen te openen delen in aanwezig zijn. De geluidbelasting op deze 'dove' gevels hoeft niet te worden betrokken bij de toetsing aangezien een 'dove' gevel geen gevel is conform de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit.
•
Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) kan worden gesteld dat op alle gevels van de beoogde woonbestemmingen aan Zandstraat 44 wordt voldaan aan de
pagina 28 van 55
eis van 45 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 uit de VNG-uitgave. Daarmee wordt ook voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde behorende bij het gebiedstype "landelijk" uit het gemeentelijk geluidbeleid. •
Met betrekking tot het maximale geluidniveau (LAmax) kan worden gesteld dat zowel in de dagals avondperiode niet op alle gevels van de beoogde woonbestemmingen aan Zandstraat 42 en 44 wordt voldaan aan de eis van 65 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 uit de VNG-uitgave. Op alle gevels met uitzondering van de achtergevel van Zandstraat 44 (toetspunt t08) wordt echter wel aan de eis van 70 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 3 voldaan.
•
Een overschrijding van stap 2 tot maximaal stap 3 is alleen mogelijk indien er gemotiveerd kan worden waarom dit acceptabel wordt geacht. In onderhavige situatie zijn in de directe omgeving geen andere bedrijven aanwezig waarvan een geluidbelasting op de beoogde woonbestemmingen verwacht kan worden. Daarbij zal de verlaging van milieucategorie 3 naar 2 op onderhavige locatie in het algemeen een gunstig effect hebben op de akoestische situatie van de te beoordelen woonbestemmingen.
•
Er kan worden gesteld dat met uitzondering van de achtergevel van Zandstraat 44 tevens wordt voldaan aan de eisen conform het Activiteitenbesluit.
•
De overschrijding van het maximale geluidniveau op de achtergevel van Zandstraat 44 in de avondperiode bedraagt slechts 1 dB en wordt enkel veroorzaakt door het dichtslaan van een autoportier ter plaatse van ‘parkeerstrook 2’. Aangezien onderhavige inrichting een nevenvestiging betreft waar voornamelijk in de avondperiode werkzaamheden zullen worden verricht zijn de parkeerplaatsen op het zuidelijk deel van het voorterrein in de avondperiode noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Naast twee mogelijke parkeerplekken voor bezoekers ter plaatse van ‘parkeerstrook 1’ is het derhalve noodzakelijk één extra parkeerplek toe te staan ter plaatse van ‘parkeerstrook 2’. Door middel van organisatorische maatregel wordt het parkeren op ‘parkeerstrook 2’ beperkt tot maximaal 1 keer per maand. Er is gekozen voor ‘parkeerstrook 2’ aangezien parkeren op andere locaties op het buitenterrein nog grotere overschrijdingen opleveren of de wegen naar de toegangen van de bedrijfshal blokkeren. Tevens zal, uitgaande van een minimale gevelgeluidwering van 16 dB, het geluidbinnenniveau in de verblijfsruimten voldoen aan de eis van maximaal 55 dB(A) etmaalwaarde voor maximale niveaus conform het Activiteitenbesluit.
•
Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de inrichting kan worden gesteld dat ruimschoots kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
In onderliggend rapport zijn de geluidniveaus tijdens de representatieve bedrijfssituatie berekend, inzichtelijk gemaakt en tevens getoetst aan de gestelde geluideisen. Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat ter plaatse van de beoogde woonbestemmingen een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er wordt gevraagd stap 4 volgens de VNG-uitgave voor toetspunt t08 toe te staan en in het kader van het Activiteitenbesluit ontheffing te verlenen voor voornoemde overschrijding. Zoals eerder genoemd zal de verlaging van milieucategorie 3 naar 2 op onderhavige locatie in het algemeen al een gunstig effect hebben op de akoestische situatie. Eindconclusie In het af te splitsen gedeelte van de woonboerderij, dat in de toekomst als zelfstandige woning fungeert, worden een dove gevel gerealiseerd aan de kopse kant en aan de voorzijde. Om dit juridisch vast te leggen dient dit in de regels van het bestemmingsplan te worden geborgd. Ondanks de monumentale status van het pand levert dit geen problemen op. Voor wat betreft het aspect geluid zijn er derhalve geen bezwaren de bestemmingsplanwijziging door te voeren.
pagina 29 van 55
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ kent een aantal nieuwe begrippen zoals 'niet in betekenende mate' (NIBM) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor nieuwe plannen betekent dit dat er nagegaan dient te worden of het plan past binnen het Besluit en/of de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’. Kleine en grote projecten Niet alle ruimtelijke projecten hoeven in het NSL te worden opgenomen. Nederland telt ongeveer 5000 bouwprojecten. Het overgrote deel ervan heeft vrijwel geen invloed op de luchtkwaliteit. Daarom introduceert de “Wet luchtkwaliteit” ‘kleine’ en ‘grote’ projecten. Een paar honderd grote projecten dragen ‘in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat dan vooral om bedrijventerreinen, infrastructuur (wegen) en woningbouwprojecten met meer dan 1500 woningen. NSL-monitor Met behulp van de NSL-monitoringstool is vastgesteld of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen.
De waarde van het dichtstbijzijnde rekenpunt op de kruising tussen de Boerenkamplaan en de Hooghoefweg (225255) bedraagt in het jaar 2030 < 9,2 μg/m3 (PM2,5), 16,6 μg/m3 (PM10), 11,6 μg/m3 (NO2). Daarmee wordt ruim voldaan aan de norm van respectievelijk 20 en 40 μg/m3 voor fijnstof en 40 μg/m3 voor stikstof. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de NSL-monitoringstool viewer opgenomen, daarop is het plangebied oranje omlijnd.
Afbeelding 4.1: Uitsnede NSL-monitoring viewer
pagina 30 van 55
Conclusie Middels voorliggend planvoornemen wordt een extra woning mogelijk gemaakt. Het gaat in dit geval niet over bedrijventerreinen, infrastructuur of woningbouwprojecten met meer dan 1500 woningen. Het project draagt dan ook ‘niet in betekende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Wel moet worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat, daarom is gekeken naar de NSLmonitoringstool. Daaruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied een goede luchtkwaliteit is gegarandeerd. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan bij de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; •
het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten.
Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Inventarisatie Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de risicokaart Noord-Brabant. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart, met daarop het plangebied oranje omlijnd. Hierbij zijn geen risicobronnen gevonden die reiken tot in het plangebied.
pagina 31 van 55
Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied oranje omlijnd)
Op circa 350 meter afstand van het plangebied bevindt zich Coöperatieve Tuinbouwvereniging Isidorus (gelegen aan de Zandstraat 25 Someren). Gelet op de in acht te nemen veiligheidsafstand van 20 meter in het kader van het BARIM, in verband met de opslag aldaar van bestrijdingsmiddelen, kan gesteld worden dat ruimschoots aan de in acht te nemen veiligheidsafstand wordt voldaan. Op circa 450 meter afstand van het plangebied, aan de Vlasstraat 5, ligt een pluimveebedrijf met een bovengrondse propaaninstallatie met een inhoud van 20 m³. Uit de contour die rondom de installatie is getekend blijkt dat het plangebied op zeer ruime afstand is gelegen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Bedrijven en Milieuzonering De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. In deze publicatie worden per bedrijfssoort en milieucompartiment indicatieve afstanden gegeven tot gevoelige objecten. Deze vormen vaak de basis voor de Staat van Inrichtingen van bestemmingsplannen. De afstanden hebben een signalerende werking wat betekent dat, zeker wanneer niet direct duidelijk is óf de nieuwe beoogde situatie inpasbaar is, nader onderzoek noodzakelijk kan zijn. Een goede milieuhygiënische kwaliteit in het gebied kan worden gerealiseerd door een juiste afstemming van de situering van bedrijven ten opzichte van milieugevoelige functies. Het gebiedstype waar het plangebied in ligt is te typeren als ‘gemengd gebied’. Het betreft hier namelijk lintbebouwing in het buitengebied, met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Er is sprake van een matige functiemenging, naast woningen komen andere functies zoals kleine bedrijven en agrarische functies voor. Volgens de VNG brochure is dit te typeren als ‘gemengd gebied’. De bedrijven in en nabij het plangebied betreffen:
pagina 32 van 55
1. Huskens beheer, Zandstraat 44 (maximaal milieucategorie 2) Kleinschalige opslag <2.000 m², onderhoud en reparatie van inventaris tbv bedrijfspanden en woningen), in bijgebouw 3 aan de zuidkant van de langgevelgebouw gelegen. De indicatieve richtafstand bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ voor een categorie 2 bedrijf bedraagt 10 meter. De afstand tot de (nieuwe) woonfunctie aan de noordzijde bedraagt zo’n 24,5 meter en daarmee wordt voldaan aan de minimale richtafstand en daarmee kan gegarandeerd worden dat de bewoners van de noordelijke woonfunctie in de langgevelboerderij weinig tot geen hinder van de lichte bedrijfsactiviteiten zullen hebben. 2. Service Station Van Kol, Zandstraat 42a (SBI 2008, 451, 452 en 454, milieucategorie 2) De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het opslaan van autobanden en het onderhouden en repareren van auto’s. De werkzaamheden zullen in een bedrijfsgebouw plaats vinden dat eerder hoorde bij een bedrijfswoning op nummer 42. Door de beoogde splitsing van dit bedrijfsperceel ontstaat een nieuwe situatie, hoewel de beoogde milieucategorie van dit bedrijf afneemt ten opzichte de bestaande categorie namelijk van categorie 3 naar 2. Ook voor deze bedrijfslocatie geldt dat er een indicatieve richtafstand geldt van 30 meter. Die afstand wordt niet gehaald ten opzichte van de noordelijk gelegen woonfunctie in de langgevelboerderij aan de Zandstraat 44.
Omdat het aspect ’geluid’ de meest bepalende factor is qua mogelijke hinder is een akoestisch rapport opgesteld door Tritium Advies om te bezien of aan de Zandstraat 44 sprake kan zijn van een goed woon- en leefklimaat en of ook het bedrijf op de Zandstraat 44 niet te veel beperkt wordt door het nieuwe geluidgevoelige object (woning) aan Zandstraat 44. Op basis van het akoestisch onderzoeksrapport van Tritium blijkt dat aan beide randvoorwaarden voldaan kan worden. Dit is reeds aangetoond in paragraaf 4.2 ‘Geluid’. Conclusie Op basis van de richtafstanden kan niet worden aangetoond dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Na uitvoering van het akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de aanwezige bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van het nieuwe geluidgevoelige object. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige initiatief. De van toepassing zijnde aspecten worden nader getoetst en gemotiveerd in de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk.
Watertoets Nationaal beleid Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21 e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen.
pagina 33 van 55
Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).
Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het ‘Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021’, waarvan de regels thans zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant. Het plangebied ligt binnen het Provinciaal Milieu- en Waterplan niet binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone, Natura 2000-gebied of Natte Natuurparel. Beleid Waterschap Aa en Maas Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke effecten van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk negatieve effecten beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.
Het waterschap heeft een aantal principes die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: ✓
gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;
✓
doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’;
✓
hydrologisch neutraal bouwen;
✓
water als kans;
✓
meervoudig ruimtegebruik;
✓
voorkomen van vervuiling;
✓
wateroverlastvrij bestemmen;
✓
waterschapsbelangen.
pagina 34 van 55
Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water. Voor nu en later’ In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1.
Veilig en Bewoonbaar beheergebied
Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Voldoende ruimte voor water om de overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. 2.
Voldoende water en Robuust watersysteem
Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3.
Gezond en Natuurlijk water
Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. 4.
Schoon water
Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. De Keur De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Hydrologisch neutraal bouwen - Keur 2015 (geactualiseerd 16 november 2018) Bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen of bedrijven of de aanleg van parkeerterreinen en wegen, neemt de hoeveelheid verharding vaak toe. Het waterschap vindt het belangrijk dat deze verhardingstoename niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater. De ontwikkeling dient daarom ‘hydrologisch neutraal’ te zijn. Per 1 maart 2015 gelden de bepalingen uit de Keur 2015 en ‘de Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Hierbij is de regelgeving versoepeld.
Per 16 november 2018 heeft het waterschap Aa en Maas het keur gewijzigd vastgesteld en gepubliceerd. Dit gezien het feit dat sinds de vaststelling van de ‘Keur’ op 27 februari 2015 de behoefte is ontstaan om de tekst van de ‘Keur’ op enkele plaatsen te verduidelijken, te nuanceren of taalkundig te verbeteren, zodat de intentie beter tot uitdrukking komt. Inhoudelijk leiden deze aanpassingen niet tot een andere beoordeling van de beoogde ontwikkelingen in het plangebied.
pagina 35 van 55
In minder gevallen is er sprake van een vergunningplicht en/of het moeten nemen van compenserende maatregelen. Plannen met een verhardingstoename tót 500 m² zijn onder de keur 2015 vrijgesteld van het moeten nemen van compenserende maatregelen. Vanuit het watersysteem geredeneerd bestaat er geen aanleiding om onder deze oppervlaktemaat compenserende maatregelen te eisen. Op het plangebied aan de Zandstraat 44 neemt de hoeveelheid verhard oppervlak niet toe door de (beoogde) ontwikkelingen. Het verhard oppervlak neemt juist af aangezien een bijgebouw wordt gesloopt. Derhalve hoeven er geen aanvullende maatregelen te worden getroffen wat betreft de waterhuishouding. Gemeentelijk Rioleringsplan Someren 2021-2025 Op 6 november 2020 heeft de gemeenteraad van Someren de ‘Actualisatie GRP Someren 2021 – 2025’ vastgesteld. Dit gemeentelijk rioleringsplan (GRP) beschrijft, als verplichte planvorm, op hoofdlijnen hoe de gemeente invulling geeft aan de rioleringszorg. In dit plan wordt ten aanzien van nieuwbouw gesteld dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. De burger is in eerste instantie zelf voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver. De gemeente wil mensen stimuleren om deze maatregelen te nemen en hemelwater lokaal op te vangen en te infiltreren.
Er wordt gewerkt aan beleid waarbij gebieden kunnen worden aangewezen waar afkoppeling van het verhard oppervlak verplicht wordt. Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld, waarbij de gemeente alleen voorziet in de vuilwaterhuisaansluiting. De gemeente houdt hier de trits vasthouden-bergen-afvoeren aan. Indien een bestemmingswijziging voorziet in het mogelijk maken van meer verhard oppervlak dient een waterberging voor een bui tot 80 mm te worden gedimensioneerd. Het planvoornemen betreft geen nieuwbouw of herbouw. Er is sprake van het behoud van bestaande bebouwing en een afkoppelplicht is niet aan de orde. Conclusie Gelet op de beoogde plannen binnen de grenzen van het plangebied is het treffen van aanvullende maatregelen in het kader van een goede waterhuishouding niet noodzakelijk. Ook geldt er geen afkoppelingsplicht in het kader van het GRP.
Flora en fauna Quickscan flora en fauna Op 5 maart 2019 is door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek een Quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het beoogde planvoornemen. Het doel van dit onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Met name voor de sloop van het bijgebouw is het noodzakelijk om in kaart te brengen of er mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn. De conclusies worden hier beschreven en het volledige rapport is opgenomen in bijlage 9.
pagina 36 van 55
Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB en van Natura 2000. De provincie NoordBrabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In het onderzoek wordt bepaald of de ontwikkelingen tot effecten kunnen leiden op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden die vallen onder de Habitatrichtlijn (Natura 2000) en de ecologische hoofdstructuur (NNN). Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder wordt er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Conclusie Natura 2000-gebied Gelet op de kleinschaligheid en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden.
Voor de verkeersaantrekkende werking is een AERIUS-berekening uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 10. Er is geen toename aan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van het planvoornemen. NNN-gebied (voormalige EHS) Er worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op een geruime afstand. Een nadere toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Soorten habitatrichtlijn De enige soort die onder strenge beschermingsregiem van de Habitatrichtlijn vallen en met enige waarschijnlijkheid binnen het plangebied verwacht kunnen worden zijn vleermuizen en in het bijzonder de Gewone dwergvleermuis. Als gevolg van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling worden geen negatieve effecten verwacht op verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van vleermuizen. Jaarrond beschermde verblijfplekken van zoogdieren en vogels Er werden tijdens het veldbezoek binnen het plangebied geen verblijfplaatsen die als jaarrond beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren kunnen worden aangemerkt. Zover de ingreep de sloop van de bebouwing betreft kan schade aan verblijfplekken uitgesloten worden. Verblijfplekken van kleine marterachtigen elders op het terrein kunnen niet geheel uitgesloten worden.
De kans op verblijfplekken van vleermuizen in of aan de overige bebouwing wordt momenteel klein geacht, o.a. als gevolg van het feit dat de daken recent vernieuwd zijn. Mogelijke effecten en overtredingen ✓
Als gevolg van de voorgenomen ingreep, de sloop van overtollige bebouwing, wordt geen aantasting van jaarrond beschermde verblijfplekken of de functionaliteit daarvan verwacht en daarmede geen overtredingen van artikel Wnb 3.5 lid 2 en 4.
✓
Bij de herinrichtingswerkzaamheden zoals die op langer termijn zijn voorgenomen kan
pagina 37 van 55
verstoring van verblijfplekken van kleine marterachtigen plaats vinden. Indien onvoldoende voorzorgsmaatregelen en mitigatie in acht wordt genomen kan dit een overtreding van Wnb Art 3.10 lid 1b betekenen. ✓
Indien het broedseizoen onvoldoende in acht wordt genomen kan vernietiging en beschadiging van broedgevallen plaats vinden waardoor Wnb artikel Art 3.1 lid 2, 4 en 5 overtreden worden.
✓
Indien onvoldoende de zorgplicht in acht wordt genomen waardoor onnodig verwonding en doden van een aantal soorten kleine zoogdieren en amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt plaats wordt artikel Wnb 1.11. inzake de zorgplicht overtreden. In dit geval dient in het bijzonder rekening gehouden te worden met konijnenholen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Vervolgonderzoek Vervolgonderzoek is in dit stadium van herontwikkeling niet noodzakelijk. In een later stadium kan vervolgonderzoek noodzakelijk zijn indien onvoldoende garantie gegeven kan worden dat ten gevolge van werkzaamheden verblijfplekken van kleine marterachtigen schade ondervinden. Ontheffingsaanvraag Als de voorzorgsmaatregelen die in het volgende hoofdstuk staan vermeld in acht worden genomen wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht. Eindconclusie Algemene voorzorgsmaatregelen Bij uitvoering van ingrepen dient het broedseizoen in acht genomen te worden indien niet voldoende gegarandeerd kan worden dat nesten van broedende vogels niet beschadigd of vernietigd kunnen worden. Als aanbeveling geldt, om bij wijze van voorzorgsmaatregel elke schade aan broedgevallen uit te sluiten, ingrepen geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Als broedseizoen wordt de periode half maart-half juli aangemerkt. Ook als na die periode nog broedende vogels of nestjongen worden waargenomen dan geldt dat het broedseizoen nog niet is afgelopen is. Indien men binnen het broedseizoen wil werken geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedende vogels en vervolgens voorafgaande de werkzaamheden het plangebied te controleren op broedende vogels.
Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden stopgezet dienen te worden als een broedgeval geconstateerd wordt. Voor aanwezigheid onbeschermde en vrijgestelde zoogdieren en amfibieën dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Dit wil zeggen dat men verstoring, verwonding en doden van deze diersoorten zoveel mogelijk tracht te voorkomen. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd. Er dienen voorzorgsmaatregelen genomen te worden om foeragerende vleermuizen en nachtvogels zo weinig mogelijk te verstoren. De invloeden van licht- en geluidsbelasting dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden, zowel in de uitvoerende fase als bij de nieuwe inrichting die het plangebied verkrijgt. Bij herinrichting dient de aanbeveling om naar een lichtplan te streven waarbij weinig lichtuitstrooiing naar de omgeving is.
pagina 38 van 55
Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen Met het oog op mogelijke aanwezigheid van kleine marterachtigen dienen bij sloop-, opruim- en herinrichtingwerkzaamheden plaats vinden volgens de richtlijnen die gegeven zijn in de uitgave de “Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming (Sander Bouwens; uitgave ProvincieNoord-Brabant 2017)”. Deze richtlijnen betreffen o.a. het uitvoeren van de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van kleine marterachtigen, openlaten van vluchtwegen en aanbieden van toevluchtmogelijkheden. Ook geeft de handleiding richtlijnen voor de mitigatie van het leefgebied. Voorgenomen mitigatieplan Initiatiefnemer hebben voorgenomen het deel van plangebied buiten de nieuwe erfbegrenzing een inrichting te geven die het aspect van “kleinschalig agrarisch landschap” benadrukt en een versterking betekent van het leefgebied van onder andere kleine marterachtigen en de steenuil. Bestaande houtbegroeiingen worden zoveel mogelijk binnen dit inrichtingsplan geïntegreerd, takkenrillen e.d. blijven intact of worden uitgebreid en extensieve begrazing zal de beheervorm worden. De ingrepen zullen voornamelijk betrekking hebben op het verwijderen van zaken en begroeiing die kenmerkend voor siertuinen zijn. De ingrepen zullen kleinschalig uitgevoerd worden en indien noodzakelijk buiten het broedseizoen van vogels.
De intentie is om het huidig karakter en inrichting van het terrein zoveel mogelijk te handhaven en geen aanpassingen te doen die hier geheel mee in strijd zijn. Indien voornoemde voorzorgs- en mitigatiemaatregelen in acht worden genomen wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht. Vervolgonderzoek en een ontheffingsaanvraag is dan niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. In navolgende afbeelding is het plangebied in het oranje weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Het plangebied is niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen complexen van cultuurhistorisch belang gelegen. Het aspect cultuurhistorie vormt in deze zin geen belemmering voor het planvoornemen.
pagina 39 van 55
Afbeelding 4.3: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant (plangebied oranje omlijnd)
De woonboerderij met bijbehorende schuur staat op de gemeentelijke monumentenlijst van 31 oktober 1966 en wordt aangeduid als ‘Roncalli-Hoeve’. De boerderij dateert uit het jaar 1851. Het pand vormt, volgens het gemeentelijk besluit, samen met de schuur een beeldbepalend ensemble en gaaf onderdeel van de historische agrarische bebouwing aan de Zandstraat. De locatie is met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ bestemd voor het behoud en herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een verbouwing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van deze waarden. Derhalve is een bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd (bijlage 3) en is een onderbouwing opgesteld van de waardestelling na splitsing (bijlage 4). Uit de bouwhistorische verkenning volgen historische waarden met een hoge monumentale waarde waarvan het behoud noodzakelijk is. Dit zijn onder andere het bouwvolume (contour en dakvorm van de boerderij uit 1851), de oorspronkelijke gevelindeling en metselwerk (met name de voorgevel aan de straatzijde), de hoge mendeur aan de voorgevel, de restanten van het oorspronkelijke metselwerk van de overige gevels, de structuur (voor zover herkenbaar) van de driedelige hoofdindeling (woonhuis, stal en schuur) en de houten kapconstructie.
Een positieve monumentwaarde waarvan het behoud wenselijk is, is de later aangebrachte getoogde stalramen aan de voorgevel, achtergevel en kopse gevel aan de noordzijde. Daarnaast volgt uit de bouwhistorische verkenning een aantal indifferente monumentwaarden, waarvan vervangen of verwijdering vanuit monumentaal opzicht geen bezwaar is. Dit zijn de later aangebrachte terrasdeur en twee ramen in het nieuwe woongedeelte , de later aangebrachte raamelementen in de twee schuurdeuren aan de voorgevel en de omstreeks 2001 aangebrachte nieuwe indeling van de beide woningen in de boerderij. De monumentencommissie heeft het bouwhistorisch rapport positief beoordeeld. Het advies van de monumentencommissie (d.d. 22 maart 2024) is opgenomen in bijlage 5. De genoemde historisch waardevolle elementen zullen bij het splitsen van de woning in stand worden gehouden; er worden geen nieuwe openingen in de gevels gemaakt, de kapconstructie blijft behouden en de stalramen zullen niet wijzigen. Wel zullen er een vijftal dakramen worden aangebracht, maar de vorm van het dak zal hierdoor niet veranderen. Voor het bouwtechnisch opsplitsen van de woonboerderij zal bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen een tekening worden ingediend die aan de monumentencommissie zal worden voorgelegd. Hierna is een impressie van de woonboerderij opgenomen, zoals deze is opgenomen in de gemeentelijke monumentenlijst.
pagina 40 van 55
Afbeelding 4.4: Zandstraat 44 zoals opgenomen in gemeentelijke monumentenlijst
Conclusie Onderhavige plannen van initiatiefnemer passen binnen de kaders voor cultuurhistorie en tasten geen cultuurhistorische waarden aan in de omgeving. Wel zullen, gezien de status van de langgevelboerderij en de zuidelijk gelegen schuur, werkzaamheden (bijvoorbeeld als gevolg van de beoogde splitsing van de boerderij), altijd voorafgaand ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de gemeente.
pagina 41 van 55
Archeologie Gemeente Someren heeft op 28 maart 2012 de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ vastgesteld en in 2015 is de geactualiseerde archeologische waardenkaart vastgesteld. In navolgende afbeelding is in het rood omlijnd te zien waar het plangebied zich binnen deze kaart bevindt. Te zien is dat het hier om een categorie 3 gebied gaat.
Afbeelding 4.5: Archeologische beleidskaart
De vrijstellingsdrempel bij deze categorie gebieden is bij bodemingrepen met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 meter. Overigens is in de beoogde situatie alleen sprake van het wijzigen van de bestemming van het plangebied en de sloop van een enkel bouwwerk. Nader onderzoek is dan ook niet aan de orde. De sloop van het bijgebouw, à 100 m² is toegestaan in het kader van de dubbelbestemming, middels de uitzondering (artikel 26.3.2) op het verbod ex artikel 26.3.1 onder 10 van het vigerend bestemmingsplan. Conclusie Onderhavige plannen passen binnen de kaders voor archeologiebeleid, er worden geen bodemingrepen gepleegd. Een nader onderzoeksplicht is dan ook niet aan de orde. Mocht er bij werkzaamheden op toevalsvondsten worden gestuit dan wordt dit uiteraard gemeld bij het bevoegd gezag. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zal worden gehandhaafd zodat eventuele aanwezige waarden in de toekomst beschermd blijven bij ingrepen.
pagina 42 van 55
Kabels en leidingen In de direct omgeving van het plangebied is een buisleiding aanwezig, dit onderwerp is reeds behandeld in paragraaf 4.4 over externe veiligheid. Verder zijn er geen relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor het planvoornemen. Wanneer er bodemingrepen zullen zijn wordt een klic-melding gedaan.
Verkeer en parkeren Het herbestemmen van het plangebied zal leiden tot een beperkte toename van het aantal vervoersbewegingen door enerzijds het toevoegen van een bedrijf aan huis alsook door de planologische toevoeging van een woning aan de noordkant van de langgevelboerderij. Om de verkeersgeneratie en het aantal parkeerplaatsen te bepalen wordt gekeken naar de normen van het CROW. Het plangebied heeft een adressendichtheid van 730 adressen per vierkante kilometer. Dit houdt in dat het valt binnen de klasse ‘niet stedelijk’ volgens de Publicatie 381 van het CROW: ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. De woningen vallen in de categorie ‘Koop, huis, twee-onder-een-kap’. Het bedrijf is te typeren als ‘arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’. De verkeersgeneratie van de woningen is 7,4 verkeersbewegingen per woning. Planologisch gezien is er nu één woning, daarom wordt alleen uitgegaan van de verkeersgeneratie voor de toegevoegde woning. Deze bedraagt afgerond 8 verkeersbewegingen per etmaal. Het aantal parkeerplaatsen is 1,8 parkeerplaats per woning, in totaal dienen er dus bij elke woning voor de woonfunctie 2 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. De verkeersgeneratie van het bedrijf is 3,9 verkeersbewegingen per 100 m2 bruto vloeroppervlak.
De bedrijvigheid vindt plaats op een oppervlak van ongeveer 330 m2, daarom is er een verkeersgeneratie van 13 verkeersbewegingen per dag. Het aantal parkeerplaatsen is 0,8 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Er moeten voor de bedrijvigheid dus 3 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In navolgende afbeelding is te zien waar de parkeerplaatsen ten behoeve van de woningen en de bedrijvigheid worden gerealiseerd.
pagina 43 van 55
Afbeelding 4.6: Situatie parkeren
Conclusie In totaal moeten er in het plangebied 7 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, per woning 2 en voor de bedrijvigheid 3. Op het perceel is daarvoor voldoende ruimte aanwezig. De verkeersgeneratie is gering en kan op de Zandstraat goed worden verwerkt. Het gaat per dag slechts om 13 extra verkeersbewegingen van de bedrijvigheid en 8 verkeersbewegingen als gevolg van de toegevoegde woning. Hiermee vormen de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor het planvoornemen.
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. In het kader van de omgekeerde werking moet bij planherzieningen ook getoetst worden of de beoogde ontwikkelingen geen omliggende veehouderijbedrijven (verder dan bestaand) in hun ontwikkelingen belemmeren. In de directe omgeving bevinden zich geen intensieve veehouderijen. In de directe omgeving bevinden zich geen intensieve veehouderijen. Aan de overzijde van de Zandstraat, ten oosten van het plangebied, bevindt zich wel een agrarisch bouwvlak. Op het perceel liggen enkele veldschuren, waarin momenteel tractoren en ander materieel worden opgeslagen. Momenteel zijn de gebouwen niet in gebruik of vergund als dierenverblijven. Aangezien er geen aanduiding is ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ is het niet mogelijk om hier een veehouderij op te richten. Planologisch gezien is er slecht een mogelijkheid om een productiegerichte paardenhouderij op te richten. Echter mogen nieuwe dierverblijven met paarden niet worden opgericht binnen de wettelijke afstand van 50 meter.
Dit is geregeld in het Activiteitenbesluit en in de Wet geurhinder en veehouderij, waarbij 50 meter de minimumafstand is voor dieren zonder geuremissiefactor zoals bij paarden het geval is.
pagina 44 van 55
Door de gemeente is in kaart gebracht wat de achtergrondbelasting geur is, navolgend is een afbeelding daarvan opgenomen. Hierop is het plangebied oranje omlijnd. Te zien is dat er sprake is van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat.
Afbeelding 4.7: Achtergrondbelasting geur 2018
Conclusie Aangezien er geen (intensieve) veehouderijen in de nabije omgeving zijn gelegen, en hiervoor ook geen concrete plannen bestaan, vormt het aspect geur geen belemmering voor het planvoornemen. Op basis van de in kaart gebrachte achtergrondbelasting is te stellen dat er sprake is van een ‘redelijk goed’ woon en leefklimaat.
Endotoxinen Een (landelijk) wettelijk toetsingskader voor intensieve veehouderij en de effecten op de volksgezondheid ontbreekt nog altijd. Er bestaan derhalve nog geen concrete wettelijke normen of aan te houden afstanden die in acht genomen moeten worden bij de vergunningverlening en/of bij de ruimtelijke planning. Verschillende gemeenten in Brabant, de Provincie en de GGD’s in Brabant hebben evenwel bijgedragen aan een toetsingskader om zo rekening te kunnen houden met de gezondheidsaspecten van intensieve veehouderijen bij onder meer ruimtelijke plannen. Daarin wordt geadviseerd om een afstand van 250 meter aan te houden tot intensieve veehouderijen. Er zijn binnen deze afstand hogere concentraties fijn stof, endotoxinen en veespecifieke MRSA-bacterie meetbaar met mogelijk negatieve gezondheidseffecten. Dit betekent dat binnen een straal van 250 meter van intensieve veehouderijbedrijven geen nieuwe gevoelige bouwwerken en bestemmingen kunnen worden gerealiseerd. Andersom geldt dat binnen een straal van 250 meter rond gevoelige bestemmingen of bouwwerken de ontwikkelingsruimte
pagina 45 van 55
van intensieve veehouderijen verder zouden kunnen beperken als een nieuw gevoelig object zou worden opgericht. De GGD sluit ontwikkeling van veehouderijen binnen 250 meter echter niet uit en ziet de geurnorm en de achtergrond geurbelasting als het toetsingskader om ontwikkelingen toe te staan. Net als bij geur geldt voor de endotoxine dat twee kanten op beredeneerd wordt en er ook sprake is van een omgekeerde werking om te voorkomen dat gevoelige objecten zich te dicht bij veehouderijen zouden kunnen vestigen. Hierdoor zou mogelijk de bedrijfsontwikkeling van veehouderijen in het gedrang kunnen komen als ook de gezondheid van omwonenden. In onderhavige situatie is sprake een bestaand aanwezig gevoelig object dat gesplitst wordt en als gevolg van die splitsing een geurgevoelig object wordt toegevoegd. Het gehele pand/perceel heeft daarentegen al langere tijd een woonbestemming en vormde al voor de bedrijven in de omgeving een geurgevoelig object. Daarin verandert de wijziging van de bestemming noch de woningsplitsing niets aan.
De gezondheid van bewoners/initiatiefnemer wordt door de beoogde ontwikkelingen niet verder verslechterd en andersom geredeneerd worden omliggende veehouderijen door deze ontwikkelingen niet verder in hun bedrijfsvoering belemmerd, temeer deze bedrijven zich op een afstand van meer dan 250 meter van het gevoelig object, de woning van initiatiefnemer, bevinden.
Afbeelding 4.8: Endotoxinen rond veehouderijen 2018
Hoewel het plangebied is niet gelegen is binnen de berekende endotoxine-contouren van veehouderijen, is het wel gelegen binnen 1 kilometer van meerdere pluimveehouderijen. Twee pluimveebedrijven bevinden zich op circa 400 meter afstand: ✓
Boerenkamplaan 34, op 385 meter afstand;
✓
Vlasstraat 4, op 410 meter afstand.
pagina 46 van 55
Uit het VGO onderzoek (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) is gebleken dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m³ in de buitenlucht. Ook is er sprake van cumulatie in dit geval. Uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 volgt dat het in zo’n situatie wenselijk is om advies te vragen aan de GGD. In het laatste VGO-onderzoek is het eerder gevonden verband tussen longontstekingen en de nabijheid van pluimveehouderijen ontkracht. Gelet op de afstand van de veehouderijen tot het plangebied is het niet in de verwachting dat het perceel binnen endotoxinecontouren is gelegen. Verder zijn er woningen dichterbij de veehouderijen gelegen zijn dan het plangebied, zoals woningen in de kern Someren, waardoor door het initiatief de belangen van de veehouderijbedrijven niet (verder) worden geschaad. Hierdoor mag in redelijkheid worden aangenomen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Geitenmoratorium In juni 2017 en in oktober 2018 zijn de onderzoeken Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO 2 en 3) naar buiten gebracht. Deze rapporten tonen gezondheidsrisico’s aan bij omwonenden van geitenhouderijen in een straal van 500 meter tot 2 km.
Naar aanleiding van het VGO 2 heeft de provincie op 7 juli 2017 een moratorium afgekondigd, op basis waarvan geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden gevestigd én de gebouwen van bestaande geitenhouderijen niet meer mogen worden uitgebreid Op basis van het VGO 3 onderzoek is het moratorium van kracht gebleven. Het geitenmoratorium betreft een rechtstreeks werkende regel in de Verordening ruimte, namelijk: “Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geitenhouderijen door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van gebouwen voor het houden van geiten is niet toegestaan”. Specifiek voor de Somerense situatie hebben we te maken met één geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114 die vanwege de omvang valt onder het Activiteitenbesluit. Een kleine toename van extra geiten is mogelijk op deze locatie, gezien vanuit de dierwelzijnseisen in de combinatie met het geitenmoratorium. De extra geiten moeten namelijk in de huidige geitenstallen gehuisvest kunnen worden. Bij ruimtelijke besluiten (bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik) moet rekening gehouden worden met de omgekeerde werking. Zolang het geitenmoratorium van kracht is, is het advies om binnen de straal van 2 km rondom de geitenhouderij: ✓
Geen woningbouwontwikkelingen toe te staan dichterbij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is;
✓
Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen / objecten, te weten kinderen, kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de gezondheidslast (risico op longontsteking). Op basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt.
✓
Bij ontwikkelingen voor “grote” woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen, zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt. Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de procedure voor het bestemmingsplan nog doorlopen moeten worden. Woningbouwontwikkelingen die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan, zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden.
pagina 47 van 55
Het plangebied is gelegen op een afstand van 2,80 kilometer van de geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114 en levert ook het geitenmoratorium geen beperkingen op aan de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. Andersom wordt de geitenhouderij niet verder belemmerd door deze plannen. In het kader van endotoxine bestaan er dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de plannen van initiatiefnemer op voornoemd plangebied. Conclusie Wet geurhinder en veehouderij en/of het endotoxinebeleid vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Ook wordt het woon- en leefklimaat van bewoners van het beide woningen in de langgevelboerderij als redelijk goed beschouwd.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.beoordeling Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welke activiteiten direct een m.e.r.-plicht geldt. Verder zijn in onderdeel D van het Besluit m.e.r.-activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In dit kader zijn voor deze activiteiten in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de ontwikkeling in het plangebied is de categorie stedelijk ontwikkelingsproject het meest relevant. Op de D-lijst van het Besluit m.e.r. is in categorie 11.2 aangegeven dat een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit is, wanneer de volgende drempelwaarden worden overschreden: •
een oppervlakte van 100 hectare of meer;
•
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of;
•
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De ontwikkeling betreft de realisatie van één extra woning binnen bestaande bebouwing. De drempelwaarde zoals omschreven ligt vele malen hoger dan onderhavige ontwikkeling. Evenwel dient het bevoegd gezag bij activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: •
de kenmerken van de projecten;
•
de plaats van de projecten;
•
de kenmerken van de potentiële effecten.
pagina 48 van 55
Onderzoek en conclusies Gelet op de kenmerken van het project, zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten. Voor het plan is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
pagina 49 van 55
Juridische toelichting Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maken de bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn aangegeven: •
de grens van het plangebied;
•
de (dubbel)bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden;
•
aanduidingen waarnaar in de regels wordt verwezen.
De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. Een bepaalde kleur geeft aan om welke bestemming het gaat. Deze kleur maakt daarom meteen duidelijk welk artikel uit de regels geraadpleegd moet worden. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.