CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting, regels en bijlagen bestemmingsplan

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Bennenbroekstraat ong. naast 3027.140 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien bovenstaande rollen een belang spelen bij de beoogde ontwikkeling, wordt later in onderhavige toelichting hier aandacht aan besteed.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

De planlocatie is gelegen grenzend aan B-watergangen, ook is er, aan de westelijke zijde van het plangebied, een A-watergang gelegen. In de beoogde situatie zullen er geen landschapselementen binnen de beschermingszone van de A-watergang worden gerealiseerd. Ook wordt de beschermingszone van de B-watergang gerespecteerd en worden er geen gebouwen gerealiseerd op een kleinere afstand dan 1 meter tot de B-watergang.

Afbeelding 12: Uitsnede legger oppervlakte wateren

26 van 50

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie is er enkel niet-verontreinigd hemelwater ter plaatse van de planlocatie. Dit water wordt opgenomen in de grond en omliggende perceel sloten.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie worden drie woonkavels gecreëerd, waarbij op ieder kavel één woning gerealiseerd wordt. Bij alle woningen zal huishoudelijk afvalwater ontstaan. Hiervoor worden de nodige voorzieningen aangebracht. De nieuwe woningen worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het hemelwater dat op de woningen en het verhard oppervlak zal vallen, zal worden afgevoerd op de vijver achter de woning. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Zoals aangegeven is waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap Aa en Maas die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening.

De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2, na de inwerkingtreding van de Keur 2009 (22-12-2009). In de beoogde situatie is er een toename van circa 700 m2 verhard oppervlak. Dit betreft circa 1 x 200 m2 en 2 x 250 m2 per kavel. Worstcasescenario (rekening houdend met terras, oprit, parkeerplaatsen etc.) wordt gerekend met een toename van 500m2 per perceel (in totaal dus 1.500m2). Achter de te realiseren woningen wordt een infiltratiegreppel aangelegd. De greppel vormt een eerste buffer, hierna kan het water, indien de greppel vol is, verder in westelijke richting afstromen richting bestaande paddenpoel. De greppel wordt gebruikt als extra buffer. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Aa en Maas, verdeeld in drie categorieën.

Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 13 blijkt is er voor de locatie aan de Bennenbroekstraat een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.

27 van 50

Afbeelding 13: Uitsnede kaart gevoeligheidsfactor

De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Het gemeentelijk waterbeleid van de gemeente Someren houdt echter rekening met een waterschijf van 80 mm. Om deze reden wordt er gerekend met een factor van 0,08. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 1.500 m2 x 1 x 0,08 = 120 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Met toepassing van onderstaande afbeeldingen kan de GHG worden bepaald. Hieruit blijkt dat de GHG zo’n 25 centimeter onder het maaiveld is gelegen.

28 van 50

Afbeelding 14: Grondwatertrappenkaart (2018)

Afbeelding 15: grondwatertrappen

Er is reeds een vijver gerealiseerd op het perceel dat kadastraal bekend staat als SMR02, sectie T, nummer 2180 die zal dienen als retentievoorziening. Deze retentievoorziening kan ruimschoots de benodigde 120m3 vasthouden. De retentievoorziening heeft een oppervlakte van circa 550m2. De retentievoorziening is dieper dan 25 centimeter dus tot deze diepte kan de volledige inhoud worden

29 van 50

geteld als waterberging. De inhoud is dan circa 550m2 x 0,25m = 137,5m3. Dit is meer dan de benodigde 120m3. Verder wordt er achter de te realiseren woningen een infiltratiegreppel aangelegd. De greppel vormt een eerste buffer. Hierna kan het water, indien de greppel vol is, verder in westelijke richting afstromen richting de bestaande retentievoorziening waar, zoals eerder beschreven dus voldoende capaciteit is om het water op te slaan. De greppel wordt gebruikt als extra buffer. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 16. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan.

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing en de extra ruimtelijke kwaliteitsverbetering de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

30 van 50

Afbeelding 16: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Groote Peel, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven en Strabrechtse Heide & Beuven. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Groote Peel, dat op een afstand van circa 3,6 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in

31 van 50

stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Na het realiseren van de woningen zullen er meer vervoersbewegingen plaatsvinden aan de Bennenbroekstraat. Middels een AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een significant negatieve effecten op Natura-2000 gebieden. In dezelfde AERIUS is ook de bouwfase van de woningen meegenomen. Omdat de gebruiksfase en de bouwfase binnen een deel van het jaar gelijktijdig kunnen plaatsvinden is worstcase één berekening gemaakt van beide fasen. Omdat beide fasen gezamenlijk niet leiden tot stikstofdepositie op omliggende Natura-2000 gebieden valt met zekerheid te stellen dat de fasen apart van elkaar leiden tot stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Als separate bijlage zijn de AERIUS berekening en een toelichting op de ingevoerde gegevens toegevoegd

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Groote Peel leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

32 van 50

Gelet op de aard van het initiatief aan de Bennenbroekstraat, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren nieuw te realiseren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op de planlocatie is een quickscan uitgevoerd. Deze quickscan is toegevoegd in Bijlage 2. Uit de quickscan blijkt dat er ter plaatse van de planlocatie geen beschermde natuurwaarden voorkomen. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 17. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 17: Uitsnede kaart ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed’

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan is een aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen in de noordoostelijke hoek van het plangebied. Volgens het bestemmingsplan dient ter plaatse van de gronden, voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’, een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken

33 van 50

worden aangevraagd indien de oppervlakte groter dan 100m2 betreft en/of dieper dan 40 centimeter wordt gegraven. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 2’ niet dieper gegraven dan 40 centimeter. Daarnaast betreft de volledige dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 2’ binnen het plangebied maar 80m2. Dit is dus minder dan 100m2. De gronden ter plaatse van de beoogde woningen zijn in het verleden in gebruik als landbouwgrond. De gronden zijn ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de bouw slechts tot funderingsdiepte worden afgegraven in de bovenste grondlaag. In de bovenste grondlaag zijn het aantreffen van archeologische waarden nihil. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.5. Landschappelijke inpassing

4.5.1. Beeldkwaliteitsplan Buitengebied

De gemeente Someren heeft het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied’ vastgesteld als onderdeel van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. De gemeente Someren wil met dit beeldkwaliteitsplan de dynamiek en de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied op een positieve wijze met elkaar verbinden zodat veranderingsprocessen in het landelijk gebied op een liefst eenvoudige en bijna natuurlijke wijze bijdragen aan een duurzame ruimtelijke kwaliteit en diversiteit. In het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied’ is een gebiedsindeling opgenomen waarin is weergegeven op welke wijze de verschillende delen van het buitengebied hoofdzakelijk worden gebruikt. Dit beeld wordt gebruikt als referentiekader. Het plangebied is aangeduid als gelegen binnen een ‘Landbouwgebied met bijzondere aandacht voor dorp en landschap’. Bij het opstellen van het beeldkwaliteitsplan is het landschap ingedeeld in zes karakteristieke deelgebieden. Dit betreft de gebieden ‘heide- en bosgebieden’, ‘beekdalen’, ‘kampenlandschap’, ‘oudere heideontginningen’, ‘jongere heideontginningen’ en ‘linten, knopen en clusters’. Voor elk deelgebied zijn ontwerprichtlijnen opgenomen. Het plangebied is gelegen binnen het ‘kampenlandschap’ en is gelegen aan een ‘lint’. In het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied’ is navolgende omschrijving opgenomen van de ‘Oudere heide ontginningen’

‘Dit overgangslandschap tussen oude en jonge ontginningen is tot ongeveer 1910 ontgonnen. De landschappelijke lijnen zijn minder organisch dan die van het kampenlandschap en ook de schaal is iets groter. Maar ook in dit landschap hoort een rijke groenstructuur van houtwallen, lanen en bospercelen. Ontwikkelingen in deze ontginningen kunnen grootschaliger zijn dan in de oude landschappen, maar moeten begeleid worden door een stevige houtwallen of bosstroken.’ In het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied’ is aangegeven dat het niet het doel is om oude landschappen geheel ‘terug te brengen’ maar om het eigen karakter van het gebied te versterken en de ruimtelijke schaal te verkleinen. Voor dit landschap zijn de volgende ontwerprichtlijnen opgenomen. -

De Oudere Heidegebieden zijn de meest multifunctionele gebieden; Land- en tuinbouw, veehouderij, agrarisch gerelateerde bedrijven, maar ook verbrede landbouw, zorgfuncties, recreatie en natuurontwikkeling passen functioneel in dit landschap; Functiewijzigingen van bestaande agrarische bedrijven of verbreding naar kleinschalige bedrijvigheid (ambachtelijk, bedrijf aan huis of met kleinschalige zorgfunctie, agrarisch gerelateerd) zijn passend; Ruimte voor ruimtewoningen moeten binnen de aangewezen linten en clusters worden gebouwd.

4.5.2. Landschappelijke inpassing plangebied

Met de beoogde ontwikkeling gaat een landschappelijke inpassing en een kwaliteitsverbetering gepaard. Dit is, zoals omschreven paragraaf 3.2.3 van onderhavige toelichting, noodzakelijk op grond

34 van 50

van artikel 3.9 van de IOV. Conform dit artikel is ook een kwaliteitsberekening noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling. De kwaliteitsverbetering inclusief kwaliteitsberekening en het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd in Bijlage 1. De landschappelijke inpassing/kwaliteitsverbering is weergeven in onderstaande afbeelding. Er zullen onder andere landschapsbomen worden aangeplant. Verder zal de bestaande landschappelijke inpassing behouden blijven

Afbeelding 18: Landschappelijke inpassing

4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Het initiatief betreft het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Er worden drie nieuwe burgerwoningen gerealiseerd waar mensen langer dan 2 uur zullen verblijven. Er is daarom door Lycens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie ten aanzien van chemische parameters als onverdacht te beschouwen. Ten aanzien van asbest is de locatie eveneens als onverdacht te beschouwen.

Bij het aan- of afvoeren van grond zullen de regels van het Besluit bodemkwaliteit in acht worden genomen. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 3.

35 van 50

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt worden veel gewasbeschermingsmiddelen gebruikt tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen 50 meter van de beoogde woningen zijn geen landbouwgronden gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het perceel achter de beoogde woningen is bestemd voor landschappelijke inpassing/natuur en niet voor agrarisch gebruik.

Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen ook geen boomgaarden voor. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie.

De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk.

Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een bedrijf dat producten verkoopt voor woninginrichting en zonwering aan de Nieuwendijk 60. Een dergelijk bedrijf

36 van 50

is niet genoemd in de bedrijven en milieuzonering. Voor deze bedrijfsvorm is aangesloten bij de bouwmarkten, tuincentra en hypermarkten wat behoort tot milieucategorie 2. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, een richtafstand van 30 meter. Het bedrijf ligt op circa 70 meter van de planlocatie. Er wordt dus voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.9. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2.

Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?

4.9.1. Omgekeerde werking

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de beoogde kavels. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft de varkenshouderij aan de Vaartdijk 21 welke is gesitueerd op circa 550 meter van de beoogde woningen. Woningen op kortere afstand zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de woningen die gerealiseerd worden met dit plan. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen de planlocatie zullen doen.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

4.9.2. Woon- en leefklimaat Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG handreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan Vaartdijk 21. Dit betreft een varkenshouderij. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 200 meter. De rundveehouderij ligt op een afstand van circa 550 meter ten opzichte van de planlocatie. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de planlocatie nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. De achtergrondbelasting en de bijbehorende belasting met daaraan gekoppeld de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat zijn weergegeven in Afbeelding 19. Uit deze uitsnede van de contourenkaart blijkt dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van

37 van 50

een achtergrondbelasting tussen 3 en 7 OUE/m3, wat betekent dat er sprake is van een goed en dus acceptabel woon- en leefklimaat.

Afbeelding 19: Uitsnede achtergrondkaart geur (locatie voor woningen met rood omkaderd)

Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.10.1. Niet in betekenende mate Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt:

38 van 50

-

Categorie woningbouwlocaties; Categorie kantoorlocaties; Combinatie van woningbouw en kantoren; Categorie inrichtingen.

Het initiatief betreft het creëren van drie nieuwe woningen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts drie nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.10.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NOx ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 17,04 μg/m3, voor PM2,5 8,49 μg/m3 en voor NOx 14,31 μg/m3, zie Afbeelding 20, Afbeelding 21 en Afbeelding 22. Dit ligt allemaal onder de grenswaarden van 31,2 μg/m3 voor PM10, 20 μg/m3 voor PM2,5 en 40 μg/m3 voor NOx.

Afbeelding 20: Uitsnede GCN fijnstof PM10

39 van 50

Afbeelding 21 Uitsnede GCN kaart PM2,5

Afbeelding 22: Uitsnede GCN kaart NOx

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting

40 van 50

dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen het geluidszone van de Bennenbroekstraat. Voor de omliggende bedrijven wordt verwezen naar hoofdstuk 4.8 van onderhavige toelichting. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht in de vorm van drie burgerwoningen. Deze objecten liggen in de geluidszone van de Bennenbroekstraat. Dit betreft een 30 km/h weg, met een lage verkeersintensiteit. In de Wgh is bepaald dat een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is voor locaties waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd binnen een verkeerzone waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt. Dit omdat op wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/h geldt buiten de lage snelheid gewoonlijk ook een lage verkeersintensiteit aanwezig is. Hierdoor zal altijd voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daar de Bennenbroekstraat een 30 km/h weg betreft met een lage verkeersintensiteit is voor het toevoegen van een woning aan deze weg geen nader onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Echter is de Bennenbroekstraat ook gedeeltelijk en 60 km/h weg. Ook de Nieuwendijk is een 60 km/h weg.

De beoogde woningen liggen binnen de geluidszone van deze wegen. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van betreffend akoestisch onderzoek is toegevoegd in Bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat er in het er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Bennenbroekstraat te Someren-Eind. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door de Sluisstraat in oostelijke richting, de Nieuwendijk in noordelijke richting en verschillende zijwegen. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de planlocatie bewegen. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt tevens aangesloten bij CROW notitie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (editie 2018). Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen.

Voor een vrijstaande woning geldt een norm van 2,0-2,8 parkeerplaatsen per woning. Bij de woningen is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal drie privé parkeerplaatsen. Hiermee wordt rekening gehouden bij de inrichting van de kavels. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen een bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. Het standaardadvies van de veiligheidsregio is toegevoegd in Bijlage 6.

41 van 50

4.13.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s.

De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 108 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.13.2. Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 23.

42 van 50

Afbeelding 23: Uitsnede risicokaart

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten het realiseren van 3 burgerwoningen op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er enkele risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn rondom de planlocatie. Alle rode bollen te zien in de risicokaart duiden op een propaantank. De grootste veiligheidsafstand van de drie tanks bedraagt 15 meter. Aangezien de woningen op minimaal 130 meter van de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting worden gerealiseerd wordt ruimschoots voldaan aan de afstanden. Daarnaast is deze inrichting (aan de Vaartdijk 5) al gesaneerd. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de rijksweg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ en het bestemmingsplan ‘Someren-Eind’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. 4.14. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 23). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.

43 van 50

4.15. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Vooralsnog wordt er daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof.

Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Sinds de publicatie van verschillende onderzoeken buigt het Rijk zich met de veehouderijsectoren, in het bijzonder de pluimveesector, over maatregelen om de luchtkwaliteit rondom veehouderijen te verbeteren. Bekeken wordt hoe tot een plan van aanpak kan worden gekomen waarin deze maatregelen zijn ingebed. Na de zomer volgt nadere informatie over de te nemen maatregelen en het vervolgonderzoek (zie brief aan de Tweede Kamer van 7 juli 2016). De ontwikkeling door het Rijk - op advies van de Gezondheidsraad – van een landelijk toetsingskader voor endotoxine (zie pagina 3 en paragraaf 2.4) is nog niet afgerond. Het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht heeft daarom de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand hiervan kan gesteld worden of sprake is van een overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad. Uit deze toetsing blijkt dat het aantal kg fijnstof (275 kg) per jaar afkomstig van de varkenshouderij aan de Vaartdijk 21 een minimale afstand tot de dichtstbij liggende woning vraagt van minimaal 106 meter.

De beoogde woningen liggen op een afstand van 550 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt de varkenshouderij aan de Vaartdijk 21. In onderstaande afbeelding is te zien dat het plangebied niet binnen het endotoxinecontour van de Vaartdijk 21 ligt.

44 van 50

Afbeelding 24: Endotoxine afstand dichtstbijzijnde veehouderij (Vaartdijk 21), locatie beoogde woningen aangegeven met oranje kader

Binnen 1 kilometer van de planlocatie liggen 2 pluimveehouderijen. Dit betreffen de pluimveehouderijen aan de Ravelweg 4 (860 meter) en de Gezandebaan 2 (865 meter). De veehouderij aan de Ravelweg 4 betreft een veehouderij met ouderdieren van vleeskuikens met een fijnstofemissie van 861 kg/jaar. De Gezandebaan 2 betreft ook een veehouderij met ouderdieren van vleeskuikens. Deze veehouderij heeft een fijnstofemissie van 476 kg/jaar. De richtafstanden van beide bedrijven volgens het endotoxinekader betreffen voor de Ravelweg 4: 180 meter en de Gezandebaan 2 135 meter. De beoogde woningen liggen op ruim 850 meter van deze bedrijven, er wordt dus voldaan aan het endotoxinetoetsingskader. Er is ook één geitenhouderij gevestigd binnen 2 kilometer van de beoogde woningen. Dit betreft de veehouderij aan de Nieuwendijk 114 welke is gelegen op een afstand van circa 1,33 kilometer van de beoogde woningen. Binnen een straal van 200 meter van deze veehouderij zijn al vier andere woningen gelegen. Wet en regelgeving borgt voor deze woningen een acceptabel woon- en leefklimaat. Omdat de beoogde woningen worden gerealiseerd op circa 1,33 kilometer van de geitenhouderij valt te concluderen dat het woon- en leefklimaat op de planlocatie ook acceptabel is.

45 van 50

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: -

Enkelbestemming: ‘Wonen’ Enkelbestemming: ‘Natuur’ Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 2’ (noordoostelijke deel) Bouwvlak Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing 202’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – stalderingsgebied’ Gebiedsaanduiding: ‘vrijwaringszone – watergang’

Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. De veranderingen bestaan uit de wijziging van de enkelbestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ ter plaatse van de beoogde woningen. Tevens wordt de agrarische bestemming op een groot deel gewijzigd naar ‘Natuur’ en wordt op een deel voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing 202’.

46 van 50

5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de algemene gebruiksregels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap.

47 van 50

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Bennenbroekstraat betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden.

6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Aa en Maas en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg zijn er geen problemen ondervonden met de beoogde ontwikkeling. Ook heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De notulen van de omgevingsdialoog zijn toegevoegd in Bijlage 7.

6.2.2. Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

48 van 50

7. Bijlagen

Bijlage 1: kwaliteitsverbetering inclusief kwaliteitsberekening Bijlage 2: Quickscan Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: AERIUS berekening gebruiks- en bouwfase Bijlage 5: Akoestisch onderzoek Bijlage 6: Standaardadvies veiligheidsregio Bijlage 7: Omgevingsdialoog Bijlage 8: Toelichting invoergegevens AERIUS

49 van 50

50 van 50

bestemmingsplan Bennenbroekstraat ong. naast 30

54 " (ontwerp)

bestemmingsplan "Bennenbroekstraat ong. naast 30

bestemmingsplan Bennenbroekstraat ong. naast 30

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Bennenbroekstraat ong. naast 30" (ontwerp) 55

bestemmingsplan Bennenbroekstraat ong. naast 30

Bijlage 1 Kwaliteitsverbetering inclusief kwaliteitsberekening

56 " (ontwerp)

bestemmingsplan "Bennenbroekstraat ong. naast 30

Notitie: Locatie:

Toelichting Landschappelijke inpassing en Kwaliteitsverbetering Landschap Percelen nabij nieuwbouw Bennenbroekstraat 30 te Someren

Someren,

16-6-2023, aangepast 18-10-2023

Kenmerk: DB / 716001.265

Dhr. is initiatiefnemer voor herontwikkeling van zijn perceel grond gelegen aan de Bennenbroekstraat te Someren-Eind. Men beoogd hier 3 vrijstaande woningen te realiseren. Ten behoeve van deze ontwikkeling vindt een landschappelijke inpassing en investering in het kader van kwaliteitsverbetering landschap plaats. Voorliggende notitie beschrijft deze kwaliteitsverbetering. De investering in landschappelijke kwaliteit vindt plaats op percelen kadastraal bekend als Someren T 2181 en 2180 (gedeeltelijk) te samen groot 02.07.50 ha. De planlocatie voor de woningbouw, gelegen aan de Bennenbroekstraat betreft perceel T 2181. Binnen planlocatie worden 3 woningbouw kavels opgericht naast de reeds bestaande woning met adres Bennenbroekstraat 30. Dit betreft de woning van initiatiefnemer. Het vanaf straatzijde gezien achter de nieuwe en bestaande woningen gelegen perceel landbouwgrond (T 2181 ged. en 2180) wordt ten behoeve van de beoogde woningbouw ontwikkeling ingericht met kruidenrijk grasland en landschapsbomen. Hier is reeds een bestaande hoogstamfruitboomgaard, bloemrijk grasland en paddenpoel aanwezig. Betreffende percelen zijn reeds in eigendom van initiatiefnemer en worden ten behoeve van voorliggend plan omgevormd van reguliere landbouwgrond naar natuur. Planvoornemen is uitvoerig afgestemd met gemeente Someren en waterschap Aa & Maas.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13889161/1