Toelichting, regels en bijlagen bestemmingsplan
Tekst van het document
Bennenbroekstraat ong. naast 30
bestemmingsplan Bennenbroekstraat ong. naast 30
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Bijlagen bij toelichting
55
Bijlage 1
Kwaliteitsverbetering inclusief kwaliteitsberekening
56
Bijlage 2
Quickscan
63
Bijlage 3
Bodemonderzoek
104
Bijlage 4
AERIUS berkening gebruiks- en bouwfase
165
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek
173
Bijlage 6
Standaardadvies veiligheidsregio
243
Bijlage 7
Omgevingsdialoog
246
Bijlage 8
Toelichting invoergegevens AERIUS
250
Bijlage 9
Budgetraming ontsnipperingsmaatregelen
254
Regels
257
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
258 258 271
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Natuur Wonen Waarde - Archeologie 2
273 273 275 283
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
285 285 286 289 290 291
Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
293 293 294
Bijlagen bij regels
295
Bijlage 1
296
2 " (ontwerp)
Landschappelijk inpassingsplan en kwaliteitsverbetering
bestemmingsplan "Bennenbroekstraat ong. naast 30
bestemmingsplan Bennenbroekstraat ong. naast 30
Toelichting
bestemmingsplan "Bennenbroekstraat ong. naast 30" (ontwerp) 3
Toelichting Bestemmingsplan
Bennenbroekstraat ong. naast 30
Colofon
Gemeente:
Someren
Projectlocatie:
Bennenbroekstraat ong. (naast 30)
Datum:
18-10-2023
IMRO-Code:
NL.IMRO.0847.BP02022005-VO1
Opgesteld door:
Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Projectnummer:
21113.003/MLe
2 van 50
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Ligging planlocatie ........................................................................................... 5
1.3.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 6
1.4.
Procedure ....................................................................................................... 7
1.5.
Leeswijzer ....................................................................................................... 8
2. Planbeschrijving............................................................................................... 9 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 9
2.2.
Beoogde situatie ............................................................................................. 10
3. Beleidskader................................................................................................... 11 3.1.
Rijksbeleid...................................................................................................... 11
3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.2.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 12
3.2.1. 3.2.2. 3.3.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ...................................................... 11 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .............................................. 11 Ladder duurzame verstedelijking ............................................................... 11 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 12 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 18
3.3.1. 3.3.2. 3.3.3.
Structuurvisie ........................................................................................... 18 Bestemmingsplan ..................................................................................... 19 Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren ................................................. 20
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 22 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 22
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 23
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Natuur ........................................................................................................... 30
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 30 Wet natuurbescherming ............................................................................ 31
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 33
4.4.1. 4.4.2. 4.5.
Waterrelevant beleid................................................................................. 23 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 26 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 27
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 33 Archeologie .............................................................................................. 33
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 34
4.5.1. 4.5.2.
Beeldkwaliteitsplan Buitengebied ............................................................... 34 Landschappelijke inpassing plangebied ....................................................... 34
4.6.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 35
4.7.
Spuitzones ..................................................................................................... 36
3 van 50
4.8.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 36
4.9.
Geur .............................................................................................................. 37
4.9.1. 4.9.2. 4.10.
Omgekeerde werking ................................................................................ 37 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 37 Luchtkwaliteit .............................................................................................. 38
4.10.1. 4.10.2.
Niet in betekenende mate ......................................................................... 38 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 39
4.11.
Geluid ......................................................................................................... 40
4.12.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 41
4.13.
Externe veiligheid ........................................................................................ 41
4.13.1. 4.13.2.
Regelgeving ............................................................................................. 42 Toetsing aan beleid .................................................................................. 42
4.14.
Technische infrastructuur ............................................................................. 43
4.15.
Volksgezondheid .......................................................................................... 44
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 46 5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 46
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 46
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 47
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 48 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 48
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 48
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 48 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 48
7. Bijlagen .......................................................................................................... 49
4 van 50
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemer is voornemens om drie nieuwe burgerwoningen te realiseren naast de Bennenbroekstraat 30 te Someren-Eind. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in combinatie met een goede landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. Op de percelen waar woningbouw is voorzien wordt geïnvesteerd in het versterken van de omgevingskwaliteit. Het realiseren van de drie woningen is het doel van het bestemmingsplan. 1.2. Ligging planlocatie De planlocatie is gelegen aan de noordwestelijke zijde van de Bennenbroekstraat 30 in Someren-Eind. Het plangebied betreft de kadastrale percelen van de gemeente Someren in sectie T met nummers 2180 en 2181. Deze percelen liggen in het buitengebied van de gemeente Someren aan de rand van de kern van Someren-Eind. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich voornamelijk voor agrarisch bestemde gronden en voor wonen bestemde gronden. De planlocatie is in de huidige situatie bestemd als agrarische grond. In de huidige situatie wordt het perceel gebruikt voor het beweiden van dieren. Op het perceel sectie T, nummer 2180 zal de kwaliteitsverbetering die gepaard gaat met de ontwikkeling worden gerealiseerd.
Het perceel met nummer 2181 wordt landschappelijk ingepast.
Afbeelding 1: omgeving planlocatie
5 van 50
Afbeelding 2: Planlocatie
1.3. Geldend planologisch regime Het vigerende bestemmingsplan op de planlocatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’. Op de planlocatie zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen, zie Afbeelding 3. - Enkelbestemming: ‘Agrarisch’ - Enkelbestemming: ‘Wonen’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 2’ (noordoostelijke deel) - Maatvoering: ‘maximum oppervlakte bijgebouw: 360m2’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – stalderingsgebied’ - Gebiedsaanduiding: ‘vrijwaringszone – watergang’
6 van 50
Afbeelding 3: Uitsnede ruimtelijkeplannen.nl (planlocatie rood omkaderd)
In het vigerende bestemmingsplan is het niet mogelijk om rechtstreeks drie nieuwe woningen te realiseren. Derhalve wordt er een partiële herziening van het bestemmingsplan doorlopen. 1.4. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd.
Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd.
7 van 50
1.5. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
8 van 50
2. Planbeschrijving
In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie De planlocatie is gelegen tussen de Bennenbroekstraat 10 en de Bennenbroekstraat 30 te SomerenEind. Het betreft een agrarisch perceel dat gebruikt wordt voor het beweiden van dieren. Ook is een klein deel van het plangebied onderdeel van een woonbestemming. De planlocatie is voor het overgrote gedeelte niet gelegen in stedelijk gebied of in de kern van Someren-Eind. Aangezien de Bennenbroekstraat een overgangsgebied tussen stedelijk gebied en buitengebied betreft en er veel bebouwing aanwezig is in de directe omgeving, valt de planlocatie aan te merken als een kernrandzone. Een bebouwingsconcentratie betreft een zoekgebied voor eventuele (RvR) woningen. De planlocatie ligt ook binnen ‘verstedelijking afweegbaar gebied’ op basis van de Interim omgevingsverordening van Noord-Brabant. De realisatie van de woningen wordt gecombineerd met een ruimtelijke kwaliteitsverbetering door middel van een landschappelijke inpassing, een investering in het gemeentelijk groenfonds ten behoeve van het project “Ontsnipperende maatregelen ProvincialewegSomerenseweg” en de aankoop van een ruimte-voor-ruimte titel.
het project “Ontsnipperende maatregelen Provincialeweg-Somerenseweg” heeft betrekking op de Provincialeweg-Somerenseweg welke meerdere natuurgebieden doorsnijdt (Strabrechtse heide en Lieropsche heide/Somerensche heide) en welke daarmee een grote barrière vormt voor de aanwezige fauna. Er worden veel dieren doodgereden. Hoe meer dieren verkeersslachtoffer worden, hoe minder genenuitwisseling er mogelijk is. Populaties raken hierdoor genetisch verzwakt, steeds meer geïsoleerd en dus kwetsbaar en de kans op lokaal uitsterven neemt hierdoor toe. Om de barrièrewerking van de doorgaande weg en het aantal verkeersslachtoffers te verminderen worden faunavoorzieningen onder/door de Provincialeweg en Somerenseweg gerealiseerd. Dit project is in drie fasen opgedeeld. De begroting van dit project laat een financieel tekort zien dat met de bijdrage in het fonds geheel kan worden ingevuld. De planlocatie is gelegen aan de zuidwestelijke rand van de kern van Someren-Eind. In de huidige situatie is er geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Het deel van het plangebied dat wordt bestemd om te wonen heeft een oppervlakte van 5.000m2. het overige deel van het plangebied wordt gebruikt voor de realisatie van de kwaliteitsverbetering.
Afbeelding 4: vooraanzicht links planlocatie
9 van 50
Afbeelding 5: vooraanzicht rechts planlocatie
2.2. Beoogde situatie Zoals eerder benoemd zullen er op de planlocatie drie woningen met tuinen worden gerealiseerd op de gronden gelegen tussen de Bennenbroekstraat 10 en de Bennenbroekstraat 30. Dit gaat in combinatie met aanleg van nieuwe natuur op de agrarische gronden ten zuidwesten van de beoogde woningen. Alle kavels samen hebben een diepte van 42 meter (57 meter inclusief gronden bestemd voor de landschappelijke inpassing). In de beoogde situatie worden er drie losse woonbestemmingen gerealiseerd. De meest noordelijke woonbestemming is dertig meter breed en de andere woonbestemmingen zijn beide circa 28,5 meter breed. De gezamenlijke oppervlakte van de drie woonbestemmingen bedraagt 5.000m2. De te realiseren bebouwing zal op zo’n manier worden gebouwd dat het aansluit bij de bebouwing in de directe omgeving. De beoogde oppervlakte aan bijgebouwen zal 150m2 per woning bedragen. Dit sluit aan bij het stedenbouwkundig karakter van de Bennenbroekstraat. Ook zal er ruimte tussen de bebouwing worden gelaten zodat het uitzicht naar de achterliggende agrarische percelen niet volledig wegvalt. De woningen en de landschappelijke inpassing zullen worden gerealiseerd binnen het woonvlak. Op de gronden aansluitend aan de woonbestemming zal een kwaliteitsverbetering worden gerealiseerd.
10 van 50
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid
3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Hierin zijn de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd. Het Hoofddoel van de SVIR is Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. Voor de middellange termijn (2028) heeft het rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. - Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voorliggende plan en plangebied doen geen inbreuk op enig belang dat in de Structuurvisie van het Rijk is opgenomen.
3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De juridische borging van de nationale belangen uit de SVIR heeft het rijk geregeld middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Regels met betrekking tot de nationale bescherming zoals vastgelegd in de SVIR zijn opgenomen in het Barro. Gaandeweg zijn verschillende nationale belangen toegevoegd aan het Barro. Deze regels moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijk verordeningen, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 3 woningen tegen de kern van Someren Eind. Dit doet geen inbreuk op enig belang dat is opgenomen in het Barro.
3.1.3. Ladder duurzame verstedelijking
In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. In het Bro wordt een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd:
‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’ Het initiatief betreft een stedelijke ontwikkeling omdat het een woningbouwlocatie betreft. In de uitspraak bekend onder ECLI:NL:RVS:2017:1724 is het volgende beschreven:
Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.’ Het beoogde initiatief betreft een woonontwikkeling die voorziet in een zeer gering deel van de regionale woonbehoefte. Er is in het kader van de ladder geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Voor wonen geldt namelijk dat pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is wanneer in de woningbouwlocatie 12 woningen worden gerealiseerd. Met dit plan worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Derhalve is verdere toetsing aan de ladder niet nodig.
11 van 50
3.2. Provinciaal beleid
3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat in het buitengebied een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: ‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het belangrijkste programma dat in het stedelijk gebied een rol speelt is ‘Werken aan de slimme netwerkstad’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Het stedelijk netwerk van Brabant functioneert als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Brabant kenmerkt zich door een sterke sociale cohesie, een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem en een uitstekende (digitale) infrastructuur.’ 3.2.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen.
12 van 50
Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Verstedelijking afweegbaar’, ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’ zie Afbeelding 6.
Afbeelding 6: Uitsnede kaart hoofdstuk 3 'instructieregels aan gemeenten' (plangebied aangegeven middels rode omkadering)
Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. Met het initiatief worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.68 met toepassing van artikel 3.78 en 3.80. Ook zal er toetsing aan artikel 3.43 plaatsvinden voor de afwijkende regels binnen ‘verstedelijking afweegbaar’ In artikel 3.51 en 3.52 zijn de afwijkende regels ten aanzien van de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ en oppervlakte dierenverblijf opgenomen. Deze regels beperken de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. De ontwikkeling heeft geen betrekking op een veehouderij. Het artikel is derhalve niet van toepassing op het initiatief. Aan de relevante artikelen, waaronder artikel 3.9, zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8.
Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
13 van 50
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. In de huidige situatie is geen bebouwing aanwezig. Er zullen met de ontwikkeling drie aparte bouwpercelen gerealiseerd worden. Alle bebouwing zal binnen de bouwpercelen gerealiseerd worden. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de realisatie van de woningen te combineren met een kwaliteitsverbetering aansluitend aan de zuidwestelijke zijde van de woonbestemming.
Daarbij wordt er met de beoogde ontwikkeling een investering in het gemeentelijk groenfonds ten behoeve van het project “Ontsnipperende maatregelen Provincialeweg-Somerenseweg” gedaan en worden middels een landschappelijke inpassing de woonbestemmingen voorzien van groenstructuren. Daarbij wordt er met de beoogde ontwikkeling een ruimte-voor-ruimte titel aangekocht. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan.
14 van 50
Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Someren is ‘LIR2020’ van toepassing. Hierin is de beoogde ontwikkeling niet specifiek genoemd. Worstcasescenario wordt er vanuit gegaan dat de ontwikkeling een categorie 3 ontwikkeling betreft. Met de ontwikkeling worden drie nieuwe burgerwoningen gerealiseerd. Dit is niet opgenomen in categorie 1 of 2. Categorie 3 houdt het volgende in: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van normbedragen). Er is een kwaliteitsberekening gemaakt voor het de beoogde ontwikkeling. Deze berekening is toegevoegd in Bijlage 1. De investering zal plaatsvinden middels het realiseren van de landschappelijke inpassing, kwaliteitsverbetering, een investering in een groenfonds en de aankoop van een ruimtevoor-ruimte titel. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing evenals de kwaliteitsverbetering wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Er is een ruimtelijke kwaliteitsverbetering gemaakt. Deze kwaliteitsverbetering staat omschreven in Bijlage 1.
Hieruit blijkt dat de kwaliteitsverbetering in verhouding staan tot de ontwikkeling. In totaal dient er 375.000 euro geïnvesteerd te worden. De kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing brengt een investering met zich mee van € 49.250,50 aan fysieke investeringen. Tevens wordt €200.749,50 in het gemeentelijk fonds gestort en één titel wordt à €125.000,zie bijgevoegde begroting in Bijlage 1. Artikel 3.43 Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar
In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is;
In het stedelijk gebied is onvoldoende ruimte beschikbaar om de beoogde ontwikkeling te laten plaatsvinden. In onderstaande afbeelding is het stedelijk gebied (de landelijke kern) aangegeven.
15 van 50
Afbeelding 7: Stedelijk gebied (planlocatie met rood omkaderd)
b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort;
De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 3 woningen. Leegstaand vastgoed of cultuurhistorische bebouwing behoort niet tot de mogelijkheden voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast is er geen bebouwing op de planlocatie.
c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 3 woningen aan de rand van de kern van Someren-Eind. Dit is passend binnen de regionale afspraken.
d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied.
Er is in de beoogde ontwikkeling rekening gehouden met de omgevingskwaliteit in de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting. Voor het landschappelijke deel wordt hierop ingegaan in het landschappelijk inpassingsplan. Er wordt aangesloten bij de stedenbouwkundige waarden van de omgeving door maximaal 150m2 aan bijgebouwen te realiseren bij de woningen. Dit is passend binnen de omgeving.
Wonen in landelijk gebied (artikel 3.68) In artikel 3.68 van de Iov is opgenomen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan.
16 van 50
Aangezien de woningen in de beoogde situatie nog niet gerealiseerd zijn, is er geen sprake van bestaande bebouwing. Het initiatief voldoet derhalve niet aan artikel 3.68. Om het initiatief toch doorgang te laten ondervinden is getoetst aan de artikelen 3.78 en 3.80. Artikel 3.78 Kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties
Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Verstedelijking afweegbaar kan voorzien in de nieuwvestiging van één of meer woningen als uit een ontwikkelingsvisie blijkt dat: a. de woningen worden opgericht binnen een bebouwingsconcentratie;
De woningen worden opgericht vlak buiten het stedelijk gebied ter plaatse van de aanduiding ‘verstedelijking afweegbaar’. De planlocatie betreft een kernrandzone van Someren-Eind. Omdat de planlocatie een kernrandzone betreft, is de planlocatie gelegen binnen een bebouwingsconcentratie.
b. er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling;
Met de beoogde ontwikkeling worden drie woningen gerealiseerd. In hoofdstuk 3.1.1. is gemotiveerd dat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling betreft.
c. de nieuwvestiging: 1. bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit van de bebouwingsconcentratie;
Het plangebied wordt landschappelijk ingepast en voorzien van kwaliteitsverbetering. De landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering worden geborgd op de verbeelding middels de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing 202’.
2. Gepaard gaat met een fysieke tegenprestatie die in evenredige verhouding staat tot de ontwikkeling van de woningen; Er wordt een ruimtelijke kwaliteitsverbetering gerealiseerd. Er wordt circa 15.730m2 voorzien van de enkelbestemming ‘Natuur’. Hiermee wordt de realisatie van de kwaliteitsverbetering geborgd. De landschappelijke inpassing wordt voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing 202’. Op deze manier wordt geborgd dat de landschappelijke inpassing behouden blijft. in Bijlage 1 is een onderbouwing en berekening van de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering gegeven. Hierin is een beschrijving en ontwerp van de invulling van de natuurontwikkeling opgenomen.
3. is bezien of een ruimte voor ruimte ontwikkeling deel kan uitmaken van de kwaliteitsverbetering.
Initiatiefnemer heeft 1 ruimte-voor-ruimte titel gekocht. Voor de andere twee woningen is bezien of een ruimte voor ruimte ontwikkeling een optie is. Echter is initiatiefnemer voornemens om te investeren in het landschap in de buurt van de eigen woning. Om deze reden is ervoor gekozen om het geld, dat anders aan een ruimtevoor-ruimte titel zou moeten worden uitgegeven, te investeren in kwaliteitsverbetering in de buurt van de woning. Alle woningen zullen aansluiten bij het stedenbouwkundig karakter van de Bennenbroekstraat. Daarbij kunnen niet alle woonkavels 30 meter breed worden wat één van de eisen is om te participeren in een ruimte-voor-ruimte ontwikkeling.
Lid 2 Er is sprake van een evenredige verhouding als de fysieke tegenprestatie vergelijkbaar is met de regeling ruimte voor ruimte, bedoeld in artikel 3.80. Er is een ruimtelijke kwaliteitsverbetering gemaakt. Deze kwaliteitsverbetering staat omschreven in Bijlage 1. Hieruit blijkt dat de kwaliteitsverbetering in verhouding staan tot de ontwikkeling. In totaal dient er 375.000 euro geïnvesteerd te worden. De kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing brengt een investering met zich mee van € 49.250,50 aan fysieke investeringen. Tevens wordt
17 van 50
€200.749,50 in het gemeentelijk fonds gestort en één titel wordt à €125.000,zie bijgevoegde begroting in Bijlage 1. Ruimte-voor-ruimte (artikel 3.80) In artikel 3.80 van de Iov zijn de voorwaarden opgenomen voor realisatie van ruimte-voor-ruimte kavels in het landelijk gebied. Dit is toegestaan indien:
1. Er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit;
Een aanzienlijke winst voor de omgevingskwaliteit kan worden bewerkstelligd door de beoogde kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing zoals omschreven in Bijlage 1.
2. De ruimte-voor-ruimtekavel bebouwingsconcentratie ligt;
op
een
planologisch
aanvaardbare
locatie
in
een
Als naar de definitie van een bebouwingsconcentratie zoals opgenomen in de Iov wordt gekeken, ligt de locatie in een bebouwingsconcentratie. Er is namelijk sprake van een kernrandzone omdat de planlocatie aan de rand van de kern van Someren-Eind is gelegen. De ligging van de planlocatie in een kernrandzone maakt het een planologisch aanvaardbare locatie voor woningbouw.
3. Een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;
Zoals reeds uiteen is gezet zal de planlocatie zorgvuldig landschappelijk worden ingepast. Ook wordt er een kwaliteitsverbetering gerealiseerd. Het volledige landschappelijke inpassingsplan inclusief ecologische onderbouwing, detail uitwerking van het ontwerp en plantenlijst is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
4. Er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. De locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘Verstedelijking afweegbaar’
Omdat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in toename van oppervlakte dierenverblijf of betrekking heeft op een veehouderij, is niet getoetst aan de regels voor beperkingen veehouderij en stalderingsgebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan. Ook wordt er ingegaan op het beeldkwaliteitsplan.
3.3.1. Structuurvisie Op het plangebied is de structuurvisie ‘Someren 2028’ zoals vastgesteld op 24-04-2013 van toepassing. Volgens de structuurvisie is het plangebied gelegen in een gebied bestemt voor kwaliteitsverbetering van de bebouwingslinten of bebouwingsclusters buiten de bebouwde kom. Het realiseren van drie woningen in combinatie met een goede landschappelijke inpassing en het realiseren van extra kwaliteitsverbetering draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het bebouwingscluster waar het plangebied in ligt. In Afbeelding 8 is de planlocatie weergeven.
18 van 50
Afbeelding 8: Uitsnede kaart structuurvisie Someren 2028 (plangebied rood omkaderd)
In Afbeelding 8 is een uitsnede van de kaart van de structuurvisie ‘Someren 2028’ te zien. Aangezien de beoogde ontwikkeling in een bebouwingsconcentratie ligt en de beoogde ontwikkeling het realiseren van woningen betreft, sluit dit aan bij de structuurvisie. Ook wordt er een kwaliteitsverbetering gerealiseerd ter plaatse van de planlocatie. Dit sluit aan bij de aanduiding waarin het plangebied in is gelegen. Middels een landschappelijke inpassing maar ook middels een extra ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt het plangebied verbeterd. Daarbij wordt er ook geïnvesteerd in het gemeentelijk groenfonds ten behoeve van het project “Ontsnipperende maatregelen ProvincialewegSomerenseweg” en in een ruimte-voor-ruimte titel. Ook blijkt uit de structuurvisie dat voldoende aanbod van woningen een belangrijk punt is. Het realiseren van 3 woningen levert een positieve bijdrage aan dit punt. De te realiseren bebouwing zal aansluiten bij de overige bebouwing in de omgeving. Ook wordt er ruimte tussen de woningen gelaten zodat het uitzicht naar de achterliggende agrarische gronden niet volledig wegvalt. De woonpercelen zullen ook voorzien van een landschappelijke inpassing.
3.3.2. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ van de gemeente Someren geldend. Hierin zijn voor de planlocatie de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: ‘Agrarisch’ - Enkelbestemming: ‘Wonen’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 2’ (noordoostelijke deel) - Maatvoering: ‘maximum oppervlakte bijgebouw: 360m2’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – stalderingsgebied’ - Gebiedsaanduiding: ‘vrijwaringszone – watergang’
19 van 50
Afbeelding 9: Uitsnede ruimtelijke plannen
In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling, het realiseren van 3 woningen in combinatie met het realiseren van nieuwe natuur ter plaatse van het perceel aansluitend aan de beoogde woningen, niet rechtstreeks mogelijk. Ook is er geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het realiseren van drie nieuwe woningen. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’.
3.3.3. Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren
Sinds eind 2022 is het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren’ van toepassing binnen de gemeente Someren. Het beeldkwaliteitsplan is een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Het plan geeft kaders en richtlijnen waarmee de beeldkwaliteit van een bepaald gebied gewaarborgd wordt. In onderstaande afbeelding is te zien dat de projectlocatie is gelegen ter plaatse van de oudere heideontginningen en het beekdallandschap.
20 van 50
Afbeelding 10: Uitsnede kaart Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren (planlocatie rood omkaderd)
Ook in het streefbeeld ligt de planlocatie ter plaatse van de oudere heideontginningen en het beekdallandschap. Het Beekdallandschap is een van oorsprong laag gelegen, nat en kleinschalig landschap. Omdat de beekdalen gevoelig zijn voor hoog water, werd er van oudsher niet in gebouwd. De meeste beken in de gemeente Someren zijn in loop der jaren gekanaliseerd tot rechte sloten en watergangen. Doordat er door de jaren heen veel kenmerkende elementen uit het beekdallandschap verdwenen zijn, is de herkenbaarheid hiervan verloren gegaan. Met de beoogde investering in het landschap wordt aangesloten bij de waarden van het beekdallandschap. Het natuurperceel behoudt zijn open karakter binnen het beekdal. De oudere heideontginningen kunnen als een overgangslandschap tussen de jongere heideontginningen en het kampenlandschap gezien worden. Een van de richtlijnen binnen de structuur is dat bebouwing vanuit beleidsoverwegingen toegestaan wordt indien deze zoveel mogelijk in de bestaande linten, knopen of clusters worden gerealiseerd. De te realiseren bebouwing wordt binnen tussen bestaande woningen in gebouwd, grenzend aan de kern van Someren-eind. Dit is dus passend binnen het beeldkwaliteitsplan van de gemeente Someren.
21 van 50
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de realisatie van drie woningen geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig in initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Van een stedelijk ontwikkelingsproject is sprake wanneer dit de realisatie van 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 3 woningen. De beoogde ontwikkeling betreft dus geen stedelijk ontwikkelingsproject. De grenswaarden uit categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. worden niet overschreden. De beoogde ontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject. Er is daarom geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter ook een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a.
de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geeft aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het college van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen op een MER-beoordeling. Door middel van deze toelichting op het bestemmingsplan heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Deze toelichting kan dan ook worden beschouwd als vormvrije MER-beoordelingsnotitie. In overeenstemming met artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een MER-beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Dit maakt het mogelijk dat het college in één vergadering besluit over de MERbeoordeling en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Beide zaken liggen dan tegelijk ter inzage. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.
Het college kan gelijktijdig met het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan een besluit nemen op de vormvrije MERbeoordeling.
22 van 50
4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.1.4 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden.
Afbeelding 11: kaart grondwaterbescherming waterveiligheid en -berging
De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en
23 van 50
Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaat robuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten is duidelijk dat het doel om moet. Er moet zuinig om worden gegaan met de bodem en het water. Het doel van de RWP heeft betrekking op de volgende aspecten: -
Voldoende water Schoon water Veilig water Vitale bodem Klimaatadaptatie
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterschap Aa en Maas hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerplan 2022-2027, de Keur 2015, de legger en de uitgangspunten watertoets. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan (WBP) van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
24 van 50
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven: 1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is.
Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen de planlocatie verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 3. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer” In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen.
Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. 5. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”). Dat is erg
25 van 50
jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc.
6. Meervoudig ruimtegebruik “Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m 2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een planlocatie ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). 7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. 8. Waterschapsbelangen Er zijn “waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a. ruimteclaims voor waterberging b. ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel c. aanwezigheid en ligging watersysteem d. aanwezigheid en ligging waterkeringen e.