Toelichting - bijlage 1 Onderbouwing Achterbroek 7 Lierop incl bijlagen
Tekst van het document
Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeft geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. De ontwikkeling die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt, valt niet direct onder een categorie uit de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. In dit geval is de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ dan ook niet van toepassing. Aan de hand van berekeningen moet aangetoond worden dat de bijdrage van de beoogde ontwikkelingen NIBM is. Ten behoeve van dergelijke berekeningen heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool. Hiermee kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of er sprake is van een NIBM bijdrage. In de NIBM-tool dient alleen het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van een ontwikkeling te worden ingevoerd. Navolgende tabel betreft het rekenresultaat van de NIBM-tool op basis van het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling zoals omschreven in paragraaf 3.6 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing.
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2022 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 62 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 2,5% Maximale bijdrage extra verkeer
NO2 in μg/m3
0,05
PM10 in μg/m3
0,01
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Uit de NIBM-tool blijkt dat het plan op basis van deze gegevens onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is.
Blootstelling aan verontreiniging 5.3.3.1
Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide.
5.3.3.2
Fijnstof
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Ter plaatse van het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 10 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.3.3.3
Stikstofdioxide
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Ter plaatse van het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 18 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.4
Externe veiligheid Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
Risico’s Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Beleidskader 5.4.3.1
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
5.4.3.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.4.3.3
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
Beoordeling projectgebied 5.4.4.1
Inleiding
Binnen het projectgebied wordt de agrarische bedrijfsbestemming ten behoeve van de intensieve veehouderij omgezet in een niet-agrarische bedrijfsbestemming. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en er is geen sprake van een toename van het aantal personen binnen het projectgebied en daarmee is er ook geen toename van het plaatsgebonden risico dan wel het groepsrisico. De beoogde ontwikkeling is in het kader van externe veiligheid dan ook geen bezwaar. Desondanks wordt navolgend het projectgebied beoordeeld.
5.4.4.2
Bedrijven
Het projectgebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid.
5.4.4.3
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Someren zijn de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Het projectgebied ligt op een afstand van circa 560 meter van de A67 en circa 680 meter van de N266 en N612. Plaatsgebonden risico In het Bevt wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheids-zone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 106/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van het projectgebied een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. Het projectgebied ligt buiten deze veiligheidszone. Voor de provinciale wegen N266 en N612 gelden geen veiligheidsafstanden. Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het gehele projectgebied ligt buiten 200 meter van de A67.
Ook ligt het groepsrisico van de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 ruim beneden de oriëntatiewaarde.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
Invloedsgebied Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien het projectgebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van de A67. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor de A67 zijn dit vloeibare toxische stoffen (LT1, LT2 en LT3). De A67 kent dan ook een invloedsgebied van 4.000 meter. Het projectgebied is dan ook gelegen in het invloedsgebied van de A67. Specifiek voor vloeibare toxische stoffen kan in het kader van de (beperkte) verantwoording van het groepsrisico gebruik worden gemaakt van het standaard advies van de veiligheidsregio: -
Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.
-
Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt.
-
Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.
Vervoer over het water Het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 700 meter van de Zuid-Willemsvaart. De Zuid-Willemsvaart is in het Basisnet Water gekenmerkt als een groene route. Dit betekent dat het gevaar van vervoer van gevaarlijke stoffen over het Zuid-Willemsvaart dermate klein is dat er geen PR-contouren aanwezig zijn en dat het GR buiten beschouwing gelaten kan worden. Buisleidingen Circa 300 meter ten zuiden van het projectgebied is een buisleiding gelegen (hogedruk aardgastransportleidingen). Deze aardgasleiding A-585-KR heeft een diameter van 1067 mm en een gasdruk van maximaal 66,2 bar. Circa 1,3 kilometer ten oosten van het projectgebied is een buisleiding gelegen (hogedruk aardgastransportleiding). De aardgasleiding Z-540-01 heeft een diameter van 368 mm en een gasdruk van maximaal 40,0 bar. Plaatsgebonden risico Ten aanzien van de ondergrondse hoge druk aardgastransportleidingen geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan een belemmerde strook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Buiten deze belemmeringenstrook is geen plaatsgebonden risico (10-6/jaar) aanwezig. De buisleidingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
Groepsrisico De aardgasleiding Z-540-01 heeft een invloedsgebied (1% letaal) van 180 meter. De aardgasleiding A-585-KR heeft een invloedsgebied (1% letaal) van 490 meter. Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied (1% letaal) van de aardgasleiding A-585-KR. In de ‘Visie externe veiligheid gemeente
Someren
2013’
is
aangegeven
dat
er
ter
aanzien
van
hogedruk
aardgastransportleidingen, een risico op twee mogelijke incidenten bestaat: een lekkage of leidingbreuk (guillotinebreuk). Het maatgevend scenario voor aardgastransportleidingen is een gasbrand en/of explosie als gevolg van een breuk van de leiding (door een externe oorzaak, bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). De kans op een breuk is echter zeer klein (kans op een breuk is 5 tot 10 keer kleiner dan een lek). Het meest geloofwaardige scenario is een lek in de buisleiding. Voor de aardgasleiding ten zuiden van het projectgebied ligt de effectafstand van een lek op circa 10 meter van de buisleidingen. De beoogde woning binnen het projectgebied is buiten de effectafstand van een lek gelegen. Gelet op de zeer kleine kans op een guillotinebreuk en de naar verhouding hoge kosten die gemaakt moeten worden om de gebouwde omgeving hiertegen te beschermen, is het niet reëel om hiervoor extra maatregelen op te leggen in een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. Ook voor het scenario van een lek van een buisleiding is het niet zinvol maatregelen aan de gebouwde omgeving op te leggen. De effectafstand is immers zeer klein (ligt op de buisleiding zelf of op zeer korte afstand), en bebouwing op de buisleiding is al uitgesloten vanwege de vrij te houden onderhoudszone van 5 meter of de plaatsgebonden risicocontour.
5.4.4.4
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van 900 meter van het projectgebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.5
Agrarische bedrijvigheid Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.
Geurverordening gemeente Someren De Wet geurhinder en veehouderij biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Door de gemeenteraad van de gemeente Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. De ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het projectgebied. Tevens heeft de gemeenteraad vastgesteld dat er sprake dient te zijn van een achtergrondbelasting van maximaal 20 oue/m³ voor het buitengebied. Voor een voormalig agrarische bedrijfswoning geldt een maximum achtergrondbelasting van 28 oue/m³.
Veehouderijen in omgeving In de omgeving van het projectgebied zijn diversen veehouderijen gelegen. De veehouderij met de grootste geuremissie op de kortste afstand betreft de veehouderij aan Verhagenstraat 2 te Lierop. Navolgend is de milieuvergunning van deze veehouderij weergegeven.
Figuur 12: Actueel vergunde situatie Verhagenstraat 2 (BVB-Brabant)
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
Woon- en leefklimaat 5.5.4.1
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het projectgebied inzichtelijk gemaakt.
5.5.4.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De veehouderij aan Verhagenstraat 2 is in dit geval de dominante veehouderij. Met behulp van het programma V-Stacks Vergunning is de voorgrondbelasting van deze veehouderij op het projectgebied in een worstcasescenario berekend. De resultaten van de berekening zijn navolgend weergegeven:
Navolgende tabel geeft de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’. Voorgrondbelasting
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
≤1
<5
Zeer goed
1-3
5 - 10
Goed
4-6
10 - 15
Redelijk goed
7-9
15 - 20
Matig
10 - 13
20 - 25
Tamelijk slecht
14 - 18
25 - 30
Slecht
19 - 24
30 - 35
Zeer slecht
≥ 25
35 - 40
Extreem slecht
Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het projectgebied sprake van een ‘matig’ woon- en leefklimaat.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.5.4.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Achtergrondbelasting
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
≤3
<5
Zeer goed
3–7
5 - 10
Goed
7 – 13
10 - 15
Redelijk goed
13 – 20
15 - 20
Matig
20 – 28
20 - 25
Tamelijk slecht
28 - 38
25 - 30
Slecht
38 -50
30 - 35
Zeer slecht
≥ 50
35 - 40
Extreem slecht
Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de achtergrondbelasting (peildatum februari 2021) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het projectgebied met een zwarte cirkel is aangeduid.
Figuur 13: Achtergrondbelasting ter plaatse van het projectgebied
Momenteel is ter plaatse van het projectgebied nog sprake van de aanwezigheid van een intensieve veehouderij. Deze zal middels de beoogde herontwikkeling worden gesaneerd. Gelet op de contouren in de omgeving van het projectgebied, kan gesteld worden dat na herontwikkeling binnen het projectgebied sprake zal zijn van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat met een achtergrondbelasting van 7-13 oue/m³.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.5.4.4
Conclusie
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting is in dit geval bepalend voor het woon- en leefklimaat. Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse sprake van een ‘matig’ woon- en leefklimaat. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van het woon- en leefklimaat dan ook geen bezwaar. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt een intensieve veehouderij gesaneerd, wat een enorme verbetering van het woon- en leefklimaat er plaatse van de omliggende woningen tot gevolg zal hebben.
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De beoogde ontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen het projectgebied en de omliggende veehouderijen zijn reeds burgerwoningen gelegen die de veehouderijen belemmeren. Derhalve worden middels de beoogde ontwikkeling de omliggende veehouderijen niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.6
Gezondheid Endotoxine
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Deze
notitie
haakt
in
op
de
lopende
ontwikkeling
van
het
landelijke
endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinekaart waarop de endotoxine contour ter plaatse het projectgebied zichtbaar is.
Figuur 14: Endotoxinecontour projectgebied
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling komt de endotoxine contour ter plaatse van het projectgebied te vervallen Het projectgebied is niet gelegen binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderijbedrijven. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.
Geitenhouderijen Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Binnen een straal van 2 kilometer rondom het projectgebied zijn geen bedrijven gelegen waar geiten worden gehouden. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van het aspect ‘geitenhouderijen’ dan ook geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.7
Bedrijven en milieuzonering Inleiding
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
Niet-agrarische bedrijvigheid in omgeving projectgebied De situatie ten aanzien van de bestaande woning aan Achterbroek 7 wijzigt niet. Dit is een bestaande situatie. Bedrijvigheid in de omgeving van het projectgebied vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Niet-agrarische bedrijvigheid binnen projectgebied In de toekomstige situatie zal ter plaatse van het projectgebied een assemblagebedrijf met een productieoppervlakte van 200 m² aanwezig zijn. Het assemblagebedrijf zal zich richten op het assembleren van o.a.:
-
gereedschap; machines; machine onderdelen; elektronica; besturingskasten.
Ten behoeve van het assemblagebedrijf zal tevens een opslagoppervlakte van 200 m² in gebruik worden genomen. Deze opslag is ten behoeve van het assemblagebedrijf en niet voor derden en wordt dan ook niet apart beschouwd. De loods voor de akkerbouwtak zal een oppervlakte hebben van 620 m². Het assemblagebedrijf valt op grond van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de omschrijving ‘overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. < 200 m² en valt daarmee in categorie 3.1. Middels een akoestisch onderzoek industrielawaai is aangetoond dat sprake is van bedrijvigheid in milieucategorie 2. De rapportage van dit onderzoek d.d. 13 januari 2021 met rapportnummer CRR001-0001 is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Navolgend zijn de samenvatting en conclusies van dit onderzoek weergegeven:
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
“Goede ruimtelijke ordening De geluidbelasting vanwege de inrichting is berekend ter plaatse van toetspunten die gelegen zijn op een afstand van 30 meter vanaf de grens van de inrichting en ter plaatse van woningen die zijn gelegen binnen de richtafstand. Het hoogst berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de rekenpunten 41 dB(A) in de dagperiode (41 dB(A) etmaalwaarde). Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) op de richtafstand conform de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Het hoogst berekende maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van de beschouwde rekenpunten ten hoogste 65 dB(A) in de dagperiode. Conform stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” zijn maximale geluidniveaus toegestaan op de richtafstand van ten hoogste 65 dB(A). De berekende maximale geluidniveaus (LAmax) voldoen derhalve aan e gehanteerde normstelling. Op basis van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en maximale geluidniveaus (LAmax) ter plaatse van de richtafstand is binnenplanse ontheffing mogelijk. Activiteitenbesluit milieubeheer In deze situatie is de geluidbelasting berekend ter plaatse van de woningen die in de nabijheid van het bedrijf zijn gelegen.
Het hoogst berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de woningen 38 dB(A) in de dagperiode (Verhagenstraat 15). Hiermee wordt voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conform het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn de maximale geluidniveaus (LAmax) vanwege het laden en lossen en de aanverwante activiteiten in de dagperiode uitgesloten van toetsing. Het hoogst berekende maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt 64 dB(A) ter plaatse van de woning gelegen aan de Achterbroek 6 te Lierop. Hiermee wordt in de dagperiode ter plaatse van alle rekenpunten voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de avond- en nachtperiode vinden geen relevante activiteiten plaats. De inrichting voldoet aan het BBT-principe. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting (verkeersaantrekkende werking) bedraagt ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde. De richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” wordt gerespecteerd. Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is er sprake van een goede ruimtelijke ordening en voldoet het bedrijf na realisatie conform de aangeleverde uitgangspunten aan de normstelling met betrekking tot het aspect geluid aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag wordt verzocht
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
bij acceptatie van de melding geen lagere geluidniveaus dan de standaardvoorschriften bij maatwerkvoorschrift vast te stellen.” Uit de rapportage blijkt dat sprake zal zijn van bedrijvigheid die gelijk te stellen is aan milieucategorie 2. De beoogde ontwikkeling is in het kader van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
46
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.8
Natuur en ecologie Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
Gebiedsbescherming 5.8.2.1
Inleiding
In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het meest dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het natuurgebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’. Dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 5 kilometer meter ten noordwesten van het projectgebied. De Strabrechtse Heide bestaat grotendeels uit glooiend dekzandlandschap, met daarnaast een deel stuifzandlandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van droge stukken met heide (deels op voormalig stuifzand), kleine stuifzanden en laagtes met natte heide en vennen. In het oosten van het gebied ligt het Beuven, het grootste ven van Nederland.
De omringende bossen van het gebied bestaan vooral uit grove dennen. Aan de noordwestkant van het gebied ligt het beekdal van de Kleine Dommel, met alluviale bossen, wilgenstruweel, moerasruigten en vochtige schraallanden. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is primair als Habitatrichtlijngebied begrensd vanwege de aanwezigheid van de navolgende habitattypen: 2310: Psammofiele heide met Struikhei (Calluna) en Stekelbrem (Genista);
3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Noord-Atlantische zandvlakten met oeverkruidvegetatie (Littorelletalia uniflorae);
3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Oeverkruidorde (Littorelletalia uniflorae) en/of Dwergbiezen-klasse (Isoëto-Nanojuncetea).
Daarnaast is het gebied aangemeld voor de volgende habitattypen en -soorten: 2330: Open grasland met Buntgras en Struisgrassoorten (Corynephorusen Agrostis-soorten) op landduinen;
4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei (Erica tetralix);
Crijns Rentmeesters bv
47
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
91E0: Alluviale bossen met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) (AlnoPadion, Alnion incanae, Salicion albae);
1831: Drijvende waterweegbree.
Vanuit de Vogelrichtlijn is het gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ voor drie soorten nietbroedvogels aangewezen als beschermd gebied, te weten: A021: Roerdomp;
A022: Woudaap;
A127: Kraanvogel.
Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting.
5.8.2.2
Potentiële externe effecten, niet zijnde stikstof
Gezien de afstand van het projectgebied tot het Natura 2000-gebied en de aard van de ontwikkeling (sanering van een intensieve veehouderij) zal er geen sprake zijn van oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoringen, geluids- en lichtverstoring of mechanische effecten op het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’.
5.8.2.3
Stikstof
In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Een negatief effect door stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten. In de huidige situatie is ter plaatse een intensieve veehouderij aanwezig. Deze veehouderij heeft een ammoniakemissie 1.012 kg NH3/jr. Een dergelijke functie heeft een grotere stikstofuitstoot dan een niet-agrarisch bedrijf in categorie 2 in de vorm van een assemblagebedrijf. De stikstofemissie zal als gevolg van de beoogde ontwikkeling dan ook afnemen ten opzichte van de huidige situatie.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen.
Crijns Rentmeesters bv
48
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek d.d. 27 december 2021 met rapportnummer 2142 is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Navolgend is de eindconclusie uit de rapportage weergegeven:
- “Met de sanering van de intensieve varkenshouderij, de sloop van een deel van de stallen en de omzetting naar een niet agrarisch bedrijf in milieucategorie 2 op de locatie Achterbroek 7 in Lierop worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden.
- Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet aan de orde. - De voorzorgsmaatregelen voor Vogels algemeen (Paragraaf 8) dienen te worden opgevolgd.” Als gevolg van de beoogde ontwikkeling ontstaan dan ook geen conflicten met beschermde dieren plantensoorten.
Crijns Rentmeesters bv
49
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.9
Archeologie Inleiding
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld.
Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Someren heeft in het kader van de Wamz een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van deze beleidskaart weergegeven waarop de ligging van het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 15: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren
Crijns Rentmeesters bv
50
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
Het projectgebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ gedeeltelijk aangeduid als een locatie in een categorie 3 gebied; gebieden van hoge archeologische waarde. De vrijstellingsdrempel bij deze categorie gebieden is een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m. Het projectgebied is tevens gedeeltelijk aangeduid als locatie in categorie 5; gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. De vrijstellingsdrempel is bij de categorie middelhoge verwachting een bodemingreep met een oppervlakte van 2.500 m² en/of een diepte van 0,4 m. Het projectgebied is daarnaast aangeduid als locatie in een categorie 7 gebied; gebieden zonder een archeologische verwachting (verstoord, opgegraven, dan wel op andere wijze vrij van archeologie). Op deze gebieden zijn geen ondergrenzen of een aanlegvergunning van toepassing. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Gebouwen met een oppervlakte van 700 m² binnen categorie 7 gebied worden gesloopt. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is dan ook niet aan de orde.
Crijns Rentmeesters bv
51
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.10
Cultuurhistorie
Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het projectgebied is op de CHW aangeduid als ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’, ‘Archeologische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang)’ en ‘Cultuurhistorische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang)’. De betreffende regio betreft ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Het archeologisch landschap betreft ‘Dekzandeiland Asten-Deurne’. Dit landschap bestaat uit de met oude bouwlanden en stuifduinen bedekte dekzandeilanden van Asten, Deurne, Vlierden en Milheeze. De eilanden worden van elkaar gescheiden door de beken de Astensche Aa, Oude Aa en Kaweische loop. In het noorden wordt de grens gevormd door het beekdal van de Esperloop, in het zuiden door het beekdal van de Aa.
De genoemde beekdalen ontspringen op de oostelijker gelegen Peelhorst. Het cultuurhistorisch landschap betreft ‘Dommeldal’. Dit betreft een samenhangend en relatief gaaf oud zandlandschap met beekdalen, akkercomplexen, landgoederen, woeste gronden en jonge ontginningen. Aan het projectgebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.
Crijns Rentmeesters bv
52
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.11
Water Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het projectgebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.
Beleidskader 5.11.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021
In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van 4 programma’s: 1.
Veilig en Bewoonbaar beheergebied: Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.
2.
Voldoende water en Robuust watersysteem: Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate
en
duurzame
watervoorziening
in
ons
beheergebied
voor
de
diverse
gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3.
Gezond en Natuurlijk water: Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten.
4.
Schoon water: Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.
5.11.2.2
Keur waterschap Aa en Maas 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het projectgebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan
Crijns Rentmeesters bv
53
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het projectgebied is niet in een Keurgebied gelegen.
5.11.2.3
Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze uitgangspunten zijn op 26 maart 2021 geactualiseerd onder de titel ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1.
hergebruik
2.
vasthouden / infiltreren
3.
bergen en afvoeren
4.
afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect)
5.
afvoeren naar de riolering
De waterschappen vragen aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Omdat niet alle plannen een door het waterschap goedgekeurd waterparagraaf hebben, ziet het waterschap de noodzaak een grens te benoemen. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen of afgekoppeld verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine
plannen.
Hoewel
er
relatief
veel
kleine
plannen
zijn
veroorzaken
deze
op
deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Het gaat dan om plannen met een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m² tot en met 10.000 m². Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid
Crijns Rentmeesters bv
54
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³).
5.11.2.4
VGRP Someren 2018-2022
In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2021’ (vGRP 2018-2022) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd. Het vGRP 2018-2022 is vastgesteld door de raad op 20 december 2017. Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet, worden doorgezet in de komende planperiode. De gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige manier invulling geven aan het beheer en onderhoud. Ook in Someren is de landelijke trend zichtbaar dat bewoners en bedrijven voor- en achtertuinen (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt extra verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor afkoppelinspanningen van de gemeente deels te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook de ambitie om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het o.a. bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress.
Hemelwaterafvoer na herontwikkeling De beoogde ontwikkeling heeft geen nieuwe bebouwing en daarmee geen toename van verhard oppervlak tot gevolg. Het aspect hemelwaterafvoer is dan ook niet relevant voor de ontwikkeling.
Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het projectgebied wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Indien het rioolstelsel ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient te worden aangepast, dan worden deze kosten verhaald op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt eveneens zorg voor de aansluitingskosten.
Crijns Rentmeesters bv
55
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
5.12
Besluit milieueffectrapportage Inleiding
De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een mer moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een mer te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarden dient een mer te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een mer nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarden uit lijst D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit mer dient een vormvrije mer-beoordeling plaats te vinden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit mer in werking getreden. In dit besluit is de vormvrije merbeoordeling voor activiteiten uit lijst D, ook beneden de grenswaarden, vervangen door de merbeoordelingsplicht.
Toets beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling kan geschaard worden onder lijst D 11.3 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’. Onder industrieterrein worden terreinen verstaan die bedoeld zijn voor de vestiging van industriële bedrijven. Het begrip ‘industrieterrein' is beperkter dan het begrip ‘bedrijventerrein'. Niet elk bedrijventerrein is een industrieterrein in de zin van categorie D 11.3 Besluit mer. De beoogde herbestemming van het plangebied valt wegens aard en omvang van het project niet aan te merken als een industrieterrein. Het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
56
Ruimtelijke onderbouwing – Achterbroek 7 Lierop - gemeente Someren
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg
In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan aangeboden aan de vooroverlegpartners.
Zienswijzen In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.
Crijns Rentmeesters bv
57
VERBEELDING BEHORENDE BIJ RUIMTELIJKE ONDERBOUWING - 'ACHTERBROEK 7' - GEMEENTE SOMEREN
LEGENDA !
!
!
!
340
AW-L Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden
!
!
!
V
!
V
V
!
!
103 4
109 3
VERKLARINGEN
!
!
kadastrale ondergrond
!
!
V
! !
!
V
V
!
V
VV
!
!
V (sb-oa) specifieke vorm van bedrijf - opslag assemblagebedrijf
!
V
AW-L
!
334
!
V
V
akkerbouw
V
V
(sb-a) specifieke vorm van bedrijf - assemblagebedrijf
!
(sb-oa) (ak)
! !
V (ak)
V
V
V
!
!
!
!
!
!
!
!
!
! ! !
!
!
!
!
!
!
!
AANDUIDINGEN
!
!
!
!
V V
114 7
816
V
!
!
V (sb-a)
109 5
Bedrijf
V
!
!
B
V
B
!
!
!
!
!
114 6
Plangebied
BESTEMMINGEN
128 5
440
!
!
!
124 0
0
35
70
140 Meters 1:2.000
±
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING BEHORENDE BIJ RUIMTELIJKE ONDERBOUWING - 'ACHTERBROEK 7 LIEROP' - GEMEENTE SOMEREN
BEPLANTING
\H \H ! ! H z W Wz W Knip- en scheerhaag (bestaand) 1
² ! w ² ! w ² ! w ² ! w ² ! w ²² ! w ! w ² ! w ² ! w ²w ! ²w ² ! ! w 2
4
\H \H \ \H \H \ \H ! ! ! ! H ! ! ! H H z W z Wz Wz WH W z Wz Wz WH W W
bedrijfswoning
400 m²
sloop 502 m²
² ! w
Bomen (bestaand)
² ! w
Bomenrij
² ! w 4
Bomen klein
2
1
3
620 m²
sloop 198 m²
3
0 Esri Nederland, beeldmateriaal.nl
Breedte: 1 meter Lengte: 50 meter Aantal: 4 stuks per strekkende meter Plantverband: enkele rij Soort: Beuk (Fagus sylvatica) Maat: 60-80
Aantal: 8 stuks Plantafstand: minimaal 6 meter Soort: Keuze uit: Els (Alnus glutinosa) Es (Fraxinus excelsior) Beuk (Fagus sylvatica) Berk (Betula) Eik (Quercus) Maat: 12-14
Aantal: 3 stuks Plantafstand: minimaal 6 meter Soort: Keuze uit: Es (Fraxinus excelsior) Beuk (Fagus sylvatica) Haagbeuk (Carpinus betulus) Eik (Quercus) Maat: 12-14
Aantal: 1 stuks Plantafstand: minimaal 6 meter Soort: Keuze uit: Els (Alnus glutinosa) Wilg (Salix) Veldesdoorn (Acer campestre) Maat: 12-14
15
30
60 Meters 1:1.000
±
Rapport
vooronderzoek Achterbroek 7 te Lierop
Projectnaam Projectnummer
Achterbroek 7 te Lierop B2909
Opdrachtgever Postadres
Maatschap van den Einden Achterbroek 7 5715 BM Lierop A. van den Einden
Contactpersoon Status Versie
Definitief 1
Aantal pagina’s Datum
7 (exclusief bijlagen) 7 januari 2022
Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole
Mw H.M.E. Vissers
Paraaf
Bezoekadres Postcode en plaats Telefoon e-mail internet
Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068 info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl
Inhoudsopgave 1 INLEIDING ................................................................................................................................................................. 3
2
3
1.1
Algemeen ................................................................................................................................................................ 3
1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek.................................................................................................................... 3
1.3
Partijdigheid ............................................................................................................................................................ 3
1.4
Opbouw van het rapport ........................................................................................................................................ 3
VOORONDERZOEK .................................................................................................................................................... 4 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie ............................................................................................................................... 4
2.2
Voormalig en huidig gebruik van de locatie ............................................................................................................ 4
2.3
Toekomstig gebruik................................................................................................................................................. 5
2.4
Beschikbare onderzoeksgegevens .......................................................................................................................... 5
2.5
Bodem- en geohydrologische gegevens ................................................................................................................. 6
2.6
Terreinverkenning ................................................................................................................................................... 6
2.7
Conclusie vooronderzoek en hypothese ................................................................................................................. 6
CONCLUSIES EN ADVIES ............................................................................................................................................ 7
BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 1a: foto’s onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten
rapport B2909 Achterbroek 7 te Lierop
2
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van Maatschap van den Einden te Lierop heeft Bodeminzicht een vooronderzoek uitgevoerd op het perceel Achterbroek 7 te Lierop (gemeente Someren). 1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek
Aanleiding voor het vooronderzoek is de aanvraag van een sanering van (een deel van de) stallen en aanvraag van een bestemmingswijziging op de onderzoekslocatie. Het doel van het onderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek gebruikt worden bij de interpretatie van de resultaten van een verkennend bodemonderzoek. 1.3