Toelichting bestemmingsplan Smulderslaan 30-40
Tekst van het document
• • • • • •
Rondom de ‘oude’ stallen, waarvan in 2016 de asbesthoudende golfplaten zijn verwijderd, zijn fragmenten asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de bovengrond is plaatselijk een zwakke tot matige bijmenging met baksteen aangetroffen. de baksteenhoudende grond uit de bovenlaag (0-1 m-mv) is licht verontreinigd met zink. De zintuiglijk schone grond uit de bovenlaag (0-0,95 m-mv) is licht verontreinigd met cadmium, koper en zink. Het grondwater is plaatselijk sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met cadmium, kobalt en/of barium. De hypothese niet-verdachte locatie kan voor het grondwater worden aangenomen en dient voor de bovengrond te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten.
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies geldt het volgende: • • •
Het aantreffen van asbestverdacht materiaal op het maaiveld en de aangetroffen bijmengingen met baksteen in de bodem vormen, in lijn met de NEN 5707, aanleiding tot een verkennend onderzoek naar asbest. Ons inziens behoeven er voor het overige, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan de gewenste functiewijziging van de onderzochte locatie; De lichte verontreinigingen met cadmium, koper en zink in de bovengrond vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering. De
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Smulderslaan 30
44
•
•
aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar; Gelet op de aangetroffen concentratie aan nikkel in het grondwater ter plaatse van peilbuis 101 dient volgens de Circulaire Interventiewaarden Bodemsanering een nader onderzoek naar herkomst en verspreiding te worden ingesteld. Aangezien sprake is van een diffuus verhoogd gehalte wordt een aanvullend onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen weinig zinvol geacht; Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Smulderslaan 40
Regendrupzone • • • •
Op het sterk begroeide maaiveld is ter plaatse van de onverharde regendrupzone geen asbest aangetroffen. In de grove fractie (>20 mm) van inspectiesleuven is geen asbest aangetroffen. In de fijne fractie (<20 mm) is één enkel fragment asbest aangetroffen, wat leidt tot een gewogen gehalte van 11 mg/kgds. In geen van de onderzochte sleuven wordt de interventiewaarde van 100 mg/kgds (gewogen) overschreden. Derhalve is er ter plaatse van de onderzochte regendrupzone ook geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Verkennend bodemonderzoek • •
• • •
In de bovengrond is plaatselijk een zwakke tot matige bijmenging met puin aangetroffen. De matig puinhoudende grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) van boring 111 is zeer licht verontreinigd met PCB’s (1,43x AW). De zwak puinhoudende en zintuiglijk schone grond uit de bovenlaag (0-1,0 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. De grond uit de onderlaag (1-2 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium, koper, nikkel en zink. De hypothese niet-verdachte locatie kan worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten.
• • •
•
•
De aangetroffen bijmengingen met puin in de bodem vormen, in lijn met de NEN 5707, aanleiding tot een verkennend onderzoek naar asbest. Ons inziens behoeven er voor het overige, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan de gewenste functiewijziging van de onderzochte locatie; De bij boring 111 aangetroffen lichte verontreiniging met PCB’s in de bovengrond vormt geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar. Gelet op de aangetroffen concentraties aan zware metalen in het grondwater is het uitvoeren van een nader onderzoek naar de herkomst volgens de Circulaire Interventiewaarden Bodemsanering niet noodzakelijk. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is blijft het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies geldt het volgende:
45
Conclusie Het aspect bodem vormt voor het vervolg van de bestemmingsplanprocedure geen belemmering.
4.1.2 Geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • •
wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Ook dient hierbij gekeken te worden dat bepaalde te ontwikkelen inrichtingen geen negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies.
Afweging
In het plangebied worden met onderhavig planvoornemen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt waardoor een wegverkeerslawaaionderzoek niet noodzakelijk is. De bestaande bedrijfswoningen zijn reeds getoetst onder het regime van de Wet geluidhinder en worden in het kader van onderhavig plan niet belemmerd. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen een geluidszone van industrie en spoorwegen. De Wet geluidhinder legt geen restricties aan onderhavig planvoornemen. Voor wat betreft de richtafstanden ten aanzien van geluid zie paragraaf 4.1.5 milieuzonering.
4.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • •
het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
• • • •
46
Onderzoek
In de veehouderijsector is voornamelijk de emissie van fijnstof (PM10) bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Emissies van de overige stoffen waaraan volgens de Wet luchtkwaliteit getoetst moet worden zijn voor onderhavig bedrijf verwaarloosbaar. De stallen zijn de belangrijkste bron van fijnstof (PM10) emissie. De NO2- en PM10-emissie door de transportbewegingen van en naar een veehouderij kunnen aangemerkt worden als Niet In Betekende Mate. De wettelijke normen voor PM10 zijn: • Jaargemiddelde concentratie 31,2 μg/m3 • Maximaal 35 overschrijdingsdagen van 50 μg/m3 In de huidige situatie wordt er 973.839 gram per jaar aan fijnstof geëmitteerd. In de nieuwe situatie wordt er ongeveer 14.000 gram per jaar aan fijnstof geëmitteerd (waarbij voor de schapen het kengetal voor geiten is aangehouden). Dit wil zeggen dat het project per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit veroorzaakt. Bijdrage voertuigbewegingen In ondergeschikte mate kan emissie van fijnstof plaatsvinden als gevolg van (interne) voertuigbewegingen. Om te bepalen of de NO2- en PM10-emissie ten gevolge van de voertuigbewegingen aan te merken is als ‘Niet In Betekenende Mate’, kan de NIBM-tool van het Ministerie van I&M gebruikt worden. De NIBM-tool geeft aan dat er gerekend dient te worden met de extra bewegingen.
Om een beoordeling te geven over de voertuigbewegingen en de bijdrage in fijnstof daarvan is in de NIBM-tool, als worstcase-benadering, het totale aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de aanvraag ingevoerd en wordt er uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 100%. (Bron: Handleiding NIBM-tool).
Activiteiten Afvoer dieren Aanvoer voer Afvoer mest Aanvoer zwavelzuur Afvoer spuiwater Afvoer kadavers (op afroep) Aanvoer dieren Aanvoer akkerbouw benodigdheden Lichtverkeer B.transportbewegingen Retour zwaar transport Retour licht transport
Aanvraag (toekomst) 12 per jaar 26 per jaar 26 per jaar 0 per jaar 0 per jaar 12 per jaar 12 per jaar 26 per jaar 2.345 per jaar Aanvraag 228 per jaar 4.690 per jaar
Referentie (varkenshouderij) 128 per jaar 52 per jaar 336 per jaar 1 per jaar 26 per jaar 52 per jaar 12 per jaar 0 per jaar 3.650 per jaar Vergund 1.166 per jaar 7.300 per jaar
Gem. transportbewegingen
13,5 per dag
23,2 per dag
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Situatie voor dit bedrijf Op de locatie is een bestaande varkenshouderij aanwezig. In het kader van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij wordt de varkenshouderij gesaneerd en is er sprake van een wijziging in agrarisch functie. Door het staken van de intensieve veehouderij verbeterd de milieusituatie aanzienlijk. In navolgende tabel is een overzicht van de transportbewegingen weergeven voor wat betreft de vergunde situatie van de varkenshouderij en voor wat betreft de aangevraagde agrarische situatie.
47
Bovendien is er sprake van transport voor de overige activiteiten in het voornemen: Activiteiten Ambachtelijk bedrijf (trapleuningen) SM30
Agrarisch technisch hulpbedrijf SM40
Voornemen Lichtverkeer 10 per dag Zwaar vrachtverkeer 4 per week
Uitleg 5 keer per dag rijdt een werkbus het erf op en af ten behoeve van het trapleuningen bedrijf. 2 keer per week rijdt een vrachtwagen het erf op en af ten behoeve van het trapleuningen bedrijf. 5 keer per dag rijdt een werkbus het erf op en Lichtverkeer af ten behoeve van het agrarisch technisch 10 per dag hulpbedrijf. Zwaar 2 keer per week rijdt een vrachtwagen het erf vrachtverkeer op en af ten behoeve van het agrarisch 4 per week technisch hulpbedrijf.
In het kader van de luchtkwaliteit zijn alle verkeersbewegingen van het voornemen ingevoerd in de rekentool NIBM. De volgende transportbewegingen vinden plaats in het voornemen ten opzichte van de vergunde situatie.
Transportbewegingen Gem. transportbewegingen agrarisch Gem. transportbewegingen ambachtelijk bedrijf Gem. transportbewegingen agrarisch technisch hulpbedrijf Toename transportbewegingen Percentage zwaar verkeer
Aanvraag 13,5 Per dag
Vergund 23,2 Per dag
10,6 Per dag
0 Per dag
10,6 Per dag 34,1 Per dag 4 %
0 Per dag 23,2 Per dag 86 %
In het voornemen is een toename van transportbewegingen van circa 11 transporten per dag, echter is dit hoofdzakelijk licht verkeer. Resultaat rekentool NIBM 2020 Bijdrage extra verkeer Ministerie van I&M/Infomil
Jaar van planrealisatie
2024
Totaal verkeer als gevolg van het plan Totaal voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer
4%
NO2 in μg/m3
0,03
PM10 in μg/m3
0,00
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
34,1
1,2
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit
48
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2019 ter plaatse tussen de 12 en 14 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 20 en 22 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren ter plaatse van het plangebied door voortschrijdende technologie en doordat met het planvoornemen de varkenshouderij wordt gesaneerd. Eveneens is sprake van meerdere bedrijven welke deelnemen aan de Sanering in het gebied. Conclusie Uit bovenstaand resultaten blijkt dat het project per saldo tot een verbetering van de luchtkwaliteit leidt, dat de bijdrage van voertuigbewegingen van en naar de inrichting in het kader van de luchtkwaliteit beschouwd kan worden als niet in betekende mate. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots voldoende. De voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Verder onderzoek op dit punt is niet noodzakelijk.
4.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Beleid
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
49
Uitsnede Risicokaart met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Toetsing
Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. In het kader van het planvoornemen wordt de intensieve veehouderij gestaakt en wordt het bedrijf omgeschakeld naar een akkerbouwbedrijf als hoofdfunctie op locatie Smulderslaan 40 en wonen als hoofdfunctie op locatie Smulderslaan 30. Ter plaatse van Smulderslaan 30 wordt het wonen gecombineerd met het hobbymatige houden van enkele paarden en een nevenactiviteit ambachtelijk bedrijf (trapleuningen). Ter plaatse van Smulderslaan 40 is er sprake van een akkerbouwbedrijf, nevenactiviteit zoogkoeien, nevenactiviteit agrarisch technisch hulpbedrijf en 0,5 hectare zonnepanelen. Geen van de nieuwe ontwikkelingen behoren tot beperkt kwetsbare objecten, waarvoor de effecten op het gebied van externe veiligheid niet moeten worden getoetst. De bestaande woningen blijven namelijk ongewijzigd wat betreft het aspect ‘externe veiligheid’. Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied een inrichting is gelegen die mogelijk van invloed is op onderhavig planvoornemen. Het betreft een bovengrondse propaantank behorende bij de inrichting van Michelslaan 17. De risicoafstand (PR 10-6) bedraagt 25 meter. Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van de risicovolle activiteit.
Risicovol transport over wegen, spoorwegen, water en door buisleidingen Er vindt in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen, spoorwegen, water of door buisleidingen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen of transportroutes. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Kortom, gelet op de afstanden in de tabel liggen risicovolle inrichtingen op dusdanige afstand dat het invloedsgebied niet tot het plangebied reikt. Derhalve vormt de ligging ten opzichte van de risicovolle activiteiten geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
50
4.1.5 Milieuzonering Algemeen
Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied.
In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, aangezien sprake is van een omgeving met diverse functies zoals agrarische bedrijfsactiviteiten, (bedrijfs)woningen, een camping, bed & breakfast en een zorgboerderij. Op basis van de ligging in gemengd gebied mogen de richtafstanden met één afstandstap worden teruggebracht.
Toetsing activiteiten
In de bestaande situatie is sprake van het intensief houden van varkens. Op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt dit onder milieucategorie 4.1 ‘fokken en houden van varkens’. Tot deze activiteit geldt ten aanzien van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar respectievelijk de richtafstanden van 100 meter, 10 meter, 30 meter en 0 meter. Echter, daar waar met onderhavige ontwikkeling conform de Subsidieregeling sanering varkenshouderij de varkenshouderij wordt gesaneerd, zal er in de toekomstige situatie sprake zijn van een akkerbouwbedrijf op locatie Smulderslaan 40 met nevenactiviteiten in de zin van een een agrarisch technisch hulpbedrijf, zoogkoeienhouderij en zonneweide à 0,5 ha. Ter plaatse van Smulderslaan 30 zal er sprake zijn van een hoofdzakelijke woonfunctie met nevenactiviteit ambachtelijk bedrijf (trapleuningen). Op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt voor alle activiteiten dat deze niet exact zijn omschreven en opgenomen in de VNG-publicatie. Desalniettemin zijn in de VNG-publicatie diverse overeenkomende bedrijfsactiviteiten opgenomen die vergelijkbaar zijn met de activiteiten ter plaatse van Smulderslaan 30 en Smulderslaan 40.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
De beoogde ontwikkeling betreft een combinatie van activiteiten die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieu gevoelige functies gegarandeerd is.
51
Akkerbouwbedrijf (akker- en tuinbouwbedrijf): milieucategorie 2 -
Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter
Nevenactiviteit in de zin van een ambachtelijk bedrijf (trapleuningen) ter plaatse van Smulderslaan 30. Dit komt het meest overeen met de categorie ‘bouwnijverheid, aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²’. Dit betreft een milieucategorie 2 activiteit. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden: -
Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter
Nevenactiviteit in de zin van een zoogkoeienhouderij ter plaatse van Smulderslaan 40. Dit komt overeen met de categorie ‘fokken en houden van rundvee’. Dit betreft een milieucategorie 3.2 activiteit. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden: -
Geur 50 meter Stof 10 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter
Nevenactiviteit in de zin van een agrarisch technisch hulpbedrijf ter plaatse van Smulderslaan 40. Dit komt het meest overeen met de categorie ‘bouwnijverheid, aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²’. Dit betreft een milieucategorie 2 activiteit. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden: -
Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter
-
Geur: 0 meter Stof: 0 meter Geluid: 10 meter Gevaar: 0 meter
De nevenactiviteiten hebben een beperkt vloeroppervlak. Deze activiteiten zijn conform het vigerende beleid ondergeschikt aan de hoofdactiviteit. Voor wat betreft de duurzame energieproductie door middel van zonnepanelen op het dak en op het maaiveld geldt dat bij bijbehorende transformators enige geluidproductie kan worden verwacht. Deze zijn het best vergelijkbaar met de in de VNG-brochure vermelde categorie ‘elektriciteitsdistributiebedrijven <10 MVA’ . Dit staat gelijk aan een milieucategorie 2 activiteit. Het dichtstbijzijnde gelegen milieugevoelige object ten opzichte van Smulderslaan 40 betreft een agrarische bedrijfswoning ter plaatse van de Smulderslaan 41 te Someren op 61 meter ten zuidwesten van het plangebied.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Duurzame energieproductie ter plaatse van Smulderslaan 40. Dit komt het meest overeen met de categorie: ‘energieopslag en transformatorvoorziening: <10 MVA’. Dit betreft een milieucategorie 2 activiteit. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden:
52
Het dichtstbijzijnde gelegen milieugevoelige object ten opzichte van Smulderslaan 30 betreft een agrarische bedrijfswoning ter plaatse van de Smulderslaan 33 te Someren op 44 meter ten zuidwesten van het plangebied. Mede gelet op de richtafstanden en een worstcasescenario waarbij sprake is van een milieucategorie 3.2 activiteit, kan worden geconcludeerd dat ruim aan de richtafstanden wordt voldaan. Overige milieugevoelige objecten (burger- en bedrijfswoningen) zijn op grotere afstand gelegen waardoor deze niet belemmerd worden door onderhavige ontwikkeling. Tot slot leidt onderhavige ontwikkeling door de sanering van de intensieve varkenshouderij tot een verbetering van de milieusituatie, aangezien sprake is van een wijziging van de milieuactiviteiten van categorie 4.1 naar maximaal categorie 3.2. Ter plaatse van de omliggende milieugevoelige functies kan mede daardoor een goed woon- en leefklimaat, als gevolg van onderhavige ontwikkeling, gegarandeerd worden.
Toetsing woonfuncties
De beoogde ontwikkeling voor wat betreft het wijzigen van de bedrijfswoning gelegen aan Smulderslaan 30 naar een woonfunctie met een ambachtelijk bedrijf als nevenactiviteit (conform ‘wonen plus’) betreft zowel een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Dit is reeds in voorgaande sub paragraaf gedaan. Daarnaast betreft de burgerwoning Smulderslaan 30, als zijnde voormalige bedrijfswoning, een milieugevoelige functie. Medewerking aan het plan is dus pas mogelijk indien blijkt dat enerzijds een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte van Smulderslaan 30 gegarandeerd is en de voormalige bedrijfswoning bedrijven in de omgeving niet in haar activiteiten belemmerd.
Op grotere afstand zijn respectievelijk Smulderslaan 28 (melkveebedrijf), Brabantlaan 6 (melkveebedrijf) en Smulderslaan 40 gelegen. Wat betreft de melkveehouderijen geldt dat deze overeenkomen met de categorie ‘fokken en houden van rundvee’. Dit betreft een milieucategorie 3.2 activiteit. Hierbij dient voor het aspect geur uit te worden gegaan van 50 meter. Wat betreft stof en geluid geldt een afstand van 10 meter. De werkelijke afstand van Smulderslaan 28 (melkveebedrijf) en Brabantlaan 6 (melkveebedrijf) bedragen respectievelijk 165 meter ten oosten en 115 meter ten oosten. Gezien de werkelijke afstand wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. De bedrijven worden niet belemmerd in haar bedrijfsontwikkelingen. Tot slot is Smulderslaan 40 gelegen op circa 165 meter ten westen van Smulderslaan 30. Zoals uit voorgaande sub paragraaf blijkt, zullen de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van Smulderslaan 40 van dusdanige aard en omvang zijn dat deze, gezien de milieucategorieën, geen belemmering op zullen leveren voor het woon- en leefklimaat van Smulderslaan 30. Daarnaast zal Smulderslaan 30 de bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden van Smulderslaan 40 niet negatief beïnvloeden. Kortom, het omzetten van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning (‘wonen plus’) leidt niet tot een belemmering van omliggende bedrijven en haar ontwikkelingsmogelijkheden.
Daarnaast kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, als gevolg van onderhavige ontwikkeling, gegarandeerd worden.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
In de omgeving van de bedrijfswoning Smulderslaan 30 te Someren ligt op circa 16 meter afstand ten zuidwesten, een kleinschalig agrarisch bedrijf ter plaatse van Smulderslaan 33. Het is onduidelijk wat voor een bedrijf op locatie plaatsvindt, echter op basis van een inventarisatie van de huidige mogelijke activiteiten betreft het een akkerbouwbedrijf, danwel kleinschalig dienstverlenend agrarisch bedrijf. Conform de VNG-richtlijnen geldt voor dergelijke bedrijven een milieucategorie van 2 (SBI-2008, 011, 012, 013; ofwel SBI-2008, 016). Hierbij dient voor het aspect geur en geluid uit te worden gegaan van 10 meter. In geval van de Smulderslaan 33 wordt voldaan aan de geldende richtafstand, aangezien de voormalige bedrijfswoning op meer dan 10 meter afstand van Smulderslaan 33 is gelegen.
53
Wat betreft de bestaande bedrijfswoningen en plattelandswoning ter plaatse van Smulderslaan 40 geldt dat er geen sprake is van een wijziging ten opzichte van hetgeen reeds is afgewogen in het vigerende bestemmingsplan. Derhalve leidt het planvoornemen niet tot een belemmering ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijfsactiviteiten. Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief.
4.1.6 Geurhinder veehouderijen Beleid
De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een wettelijke vastgestelde bandbreedte, de beleidsvrijheid om zelf geurnormen vast te stellen. De raad van de gemeente Someren heeft in haar vergadering van 29 september 2010 de ‘verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. Met het vaststellen van de gemeentelijke geurverordening en de beleidsregel ten aanzien van geur en ruimtelijke ontwikkelingen wordt een betere bescherming ten aanzien van geuroverlast door veehouderijen beoogd. Daarnaast blijft het noodzakelijk om ruimte te houden voor gewenste functieveranderingen in het buitengebied en voor een duurzame ontwikkeling van de veehouderij. Binnen de gemeente Someren gelden voor zowel voor de bebouwde kom als voor het buitengebied verschillende normen.
Toetsing
In het kader van het planvoornemen wordt de intensieve veehouderij gestaakt en wordt het bedrijf omgeschakeld naar een akkerbouwbedrijf als hoofdfunctie op locatie Smulderslaan 40 en wonen als hoofdfunctie op locatie Smulderslaan 30. Ter plaatse van Smulderslaan 30 wordt het wonen gecombineerd met het hobbymatige houden van enkele paarden en een nevenactiviteit ambachtelijk bedrijf (trapleuningen). Ter plaatse van Smulderslaan 40 is er sprake van een akkerbouwbedrijf, nevenactiviteit zoogkoeien, nevenactiviteit agrarisch technisch hulpbedrijf en 0,5 hectare zonnepanelen.
Wat betreft Smulderslaan 30, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar ‘wonen plus’ dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting onderzocht te worden. Voorgrondbelasting In de gemeentelijke geurverordening is bepaald dat voor de verschillende deelgebieden verschillende maximale waarden gelden voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied. Het plangebied is gelegen in het ‘Buitengebied’. Voor dergelijke categorieën geldt een maximale geurbelasting van 14,0 OUe/m3. Voor de veehouderijen aan Smulderslaan 44, 45 en 46 is een geurberekening gemaakt met als uitgangssituatie de vergunde situatie op bovengenoemde bedrijven. Hieronder zijn de rekenresultaten gegeven op de 4 hoekpunten van de woning aan Smulderslaan 30.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Wat betreft de bestaande bedrijfswoningen en plattelandswoning ter plaatse van Smulderslaan 40 geldt dat er geen sprake is van een wijziging ten opzichte van hetgeen reeds is afgewogen in het vigerende bestemmingsplan. Derhalve leidt het planvoornemen niet tot een belemmering ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijfsactiviteiten.
54
55
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
De geurbelasting op de 4 hoekpunten van de woning aan Smulderslaan 30 blijft ruimschoots onder de 14. De conclusie is dat het voornemen tot herbestemming naar ‘wonen plus’ in het kader van voorgrond geurbelasting uitvoerbaar is.
Voor wat betreft de vaste afstanden geldt dat enerzijds de afstand tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt van het betreffende gedeelde van de inrichting bepaald moet worden. Deze afstand moet minimaal 50 meter zijn. Anderzijds gaat het om de afstand tussen de buitenzijde van een milieugevoelig object en de dichtstbijzijnde buitenzijde van een dierenverblijf (stal) van het betreffende gedeelte van de inrichting. Deze afstand moet minimaal 25 meter zijn. In het kader van onderhavig planvoornemen wordt ruim aan de minimale afstand van 50 meter voldaan. Het dichtstbijzijnde gelegen geurgevoelige object is op meer dan 50 meter gelegen ten opzichte van het plangebied.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Achtergrondbelasting Op basis van gemeentelijke geurverordening is de geursituatie in 2015 in beeld gebracht. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een slecht tot zeer slecht woon- en leefklimaat. Deze informatie is mede gebaseerd op basis van de aanwezige milieuvergunning van de voormalige intensieve veehouderij. In het kader van het planvoornemen wordt de intensieve veehouderij gestaakt en wordt het bedrijf omgeschakeld naar een akkerbouwbedrijf als hoofdfunctie op locatie Smulderslaan 40 en wonen als hoofdfunctie op locatie Smulderslaan 30. Ter plaatse van Smulderslaan 30 wordt het wonen gecombineerd met het hobbymatige houden van enkele paarden en een nevenactiviteit ambachtelijk bedrijf (trapleuningen). Ter plaatse van Smulderslaan 40 is er sprake van een akkerbouwbedrijf, nevenactiviteit zoogkoeien, nevenactiviteit agrarisch technisch hulpbedrijf en 0,5 hectare zonnepanelen. Gelet op de aard en omvang van de toekomstige situatie zullen de milieueffecten op de omgeving sterk verbeteren.
56
Uitsnede kaart verordening geurhinder en veehouderij met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Ondanks de vaste afstanden is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een achtergrondgeurbelastingberekening gemaakt. Op 7 maart 2023 is via de website KRD.IGO-VIEW het bronnenbestand gedownload van de gemeente Someren. De (varkens)bedrijven, die meegedaan hebben aan de SRV-regeling zijn gemakshalve uit het bronnenbestand verwijderd. Voorts is een raster van 4 x 4 km gemaakt en zijn 10% rekenuren gebruikt. Met behulp van de receptorpunten conform de voorgrondbelasting geur is een cumulatie geur berekening gemaakt voor de voorgenomen situatie. Zie hieronder de rekenresultaten. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 175545 373677 20.00 15.94 2 175548 373690 20.00 16.29 3 175574 373679 20.00 15.56 4 175571 373671 20.00 15.25
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Achtergrondbelastingberekening
57
Op alle hoekpunten van de woning aan Smulderslaan 30 is de cumulatieve geurbelasting < 20. Er kan derhalve gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling ten behoeve omschakeling naar ‘wonen plus’ uitvoerbaar is in het kader van achtergrondbelasting geur. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat zowel wordt voldaan aan de gemeentelijke geurnormen, als dat met de ontwikkeling sprake zal zijn van een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Vanuit geurhinder en veehouderijen bestaan er hiermee geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
4.1.7 Gezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.
De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: • Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt; • Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijn stof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; • Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstofendotoxine emissie van de veehouderij; • Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie.
Inhakend op de lopende ontwikkeling van een landelijk endotoxinen toetsingskader zijn op basis van metingen en modelberekeningen afstandsgrafieken opgesteld voor vleeskuikens, leghennen en vleesvarkens, waarbij de fijnstofemissie in kg/jaar is gerelateerd aan een minimale afstand in meters. Wat betreft de bestaande bedrijfswoningen en plattelandswoning ter plaatse van Smulderslaan 40 geldt dat er geen sprake is van een wijziging ten opzichte van hetgeen reeds is afgewogen in het vigerende bestemmingsplan. Derhalve leidt het planvoornemen niet tot een belemmering ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijfsactiviteiten. Wat betreft Smulderslaan 30, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar ‘wonen plus’, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening het endotoxinen toetsingskader toegepast te worden.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen.
58
In de omgeving zijn er een 4 tal veehouderijen met een substantiële fijnstof uitstoot waarvan beoordeeld moeten worden of de ontwikkelmogelijkheden van deze bedrijven niet belemmerd wordt door de voorgenomen omschakeling van bedrijfswoning naar ‘wonen plus’ voor locatie Smulderslaan 30. Deze bedrijven zijn de varkenshouderijen aan Smulderslaan 44 en 46, de legpluimveehouderij aan Smulderslaan 45 en de vleeskuikenhouderij aan Michelslaan 17. De fijnstof emissie is afgeleid via de website KRD.IGO-VIEW. Zie hieronder de tabellen waarin de berekende afstand is uitgezet tegenover de gemeten afstand tussen het dichtstbijzijnde hoekpunt van de betreffende veehouderij en het dichtstbijzijnde hoekpunt van de woning aan Smulderslaan 30.
Smulderslaan 44 Smulderslaan 46
PM10 invullen (kg/jaar) 521 1.003
berekende afstand (m) 144 183
Werkelijke afstand (m) 420 620
Smulderslaan 45
PM10 invullen (kg/jaar) 2.288
berekende afstand (m) 162
Werkelijke afstand (m) 390
Michelslaan 17
PM10 invullen (kg/jaar) 4.394
berekende afstand (m) 402
Werkelijke afstand (m) 650
In alle gevallen is de werkelijke afstand groter dan de berekende afstand worden de bovengenoemde veehouderijen niet belemmerd in hun ontwikkelmogelijkheden. De omschakeling in bestemming bedrijfswoning naar ‘wonen plus’ voor locatie Smulderslaan 30 is in het kader van het aspect endotoxinen dus eveneens uitvoerbaar. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige ontwikkeling zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
4.2 Fysieke aspecten 4.2.1 Cultureel erfgoed Archeologie
Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Someren is het plangebied deels gelegen in een gebied dat is aangemerkt als categorie 6 ‘gebieden met een lage archeologische verwachting’. Voor dit categorie 6-gebied geldt dat deze in het vigerende bestemmingsplan niet zijn opgenomen, aangezien er sprake is van een lage archeologische verwachting. Voor deze gebieden zijn geen ondergrenzen of een aanlegvergunning van toepassing.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Spuitzones In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Derhalve vormen spuitzones geen belemmering voor het planvoornemen.
59
Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Mochten tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW of bij de gemeente Someren conform Artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en Artikel 5.11 (Waarneming) van de Erfgoedwet 2016.
Cultuurhistorie
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Het plangebied ligt volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart binnen de regio Peelrand. Door het westelijk gedeelte van de Peelrand loopt de Peelrandbreuk, die de Centrale Slenk en de Peelhorst van elkaar scheidt. Langs de breuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak is de breuklijn hier en daar te zien als een trede in het terrein met een hoogteverschil van enkele meters. Langs de breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Deze natte delen vormen het brongebied van de bovenlopen van de Aa. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa. In het kader van onderhavige ontwikkeling en landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de cultuurhistorische waarden van het landschap. Hierdoor heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van de Peelrand.
4.2.2 Ecologie Wetgeving
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
60
2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Nationaal Natuurnetwerk’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Toetsing gebiedsbescherming en soortenbescherming
Om te kunnen toetsen of de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met de natuurwetgeving kan worden uitgevoerd, heeft FarmConsult samen met Fopma Natuuradvies een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 8. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en ‘Weerter- en Budelerbergen & Ringelsven’ bevinden zich beiden op circa 4 kilometer afstand ten noordwesten en zuiden van het projectgebied. Gelet op de grote afstand zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling het saneren van een varkenshouderij op beide locaties betreft, en het bedrijf wordt omgeschakeld naar een akkerbouwbedrijf als hoofdfunctie op locatie Smulderslaan 40 en wonen als hoofdfunctie op locatie
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
61
Smulderslaan 30 met nevenactiviteiten in de zin van een ambachtelijk bedrijf (trapleuningen) ter plaatse van Smulderslaan 30 en een agrarisch technisch hulpbedrijf, zoogkoeienhouderij en zonneweide à 0,5 ha ter plaatse van Smulderslaan 40, is een toename aan stikstofuitstoot niet uit te sluiten. Met name tijdens de sloop en aanlegbase in de toekomstige situatie. Gelet op de diverse activiteiten, ontwikkelingen binnen het plangebied en het stoppen van een intensieve veehouderij, is een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd. De resultaten zijn nader uitgewerkt in het onderzoek stikstofdepositie. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige melding in bijlage 9. Voor de voorgenomen activiteiten is op basis van intern salderen aangetoond dat er geen vergunningsplicht is. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt op 1,3 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling zullen de omgevingscondities verbeteren.
In het kader van het planvoornemen wordt een intensieve veehouderij gesaneerd op basis van Subsidieregeling sanering varkenshouderij en een toekomstbestendig akkerbouwbedrijf voortgezet met nevenactiviteiten in de zin van een ambachtelijk bedrijf (trapleuningen) ter plaatse van Smulderslaan 30 en een agrarisch technisch hulpbedrijf, zoogkoeienhouderij en zonneweide à 0,5 ha ter plaatse van Smulderslaan 40. Hierdoor zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Bij de plannen worden verder geen (onderdelen van) houtopstanden verwijderd waardoor toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming niet aan de orde is.
Gezien de potentie en geen aangetroffen sporen van deze soort zijn er geen effecten voor deze soort te verwachten. De bedrijfsvoering in en om de planlocaties is er altijd op gericht om kieren zoveel mogelijk te dichten en ongedierte te weren in het streven naar een zo hoog mogelijke gezondheid van de aanwezige varkens. Dientengevolge is er als basis al geen potentieel leefgebied voor deze soort. Voor de overige soorten flora en fauna in het plangebied geldt dat die niet/ zeer beperkt aanwezig waren en niet beschermd; daarmee is er geen ontheffing aan de orde. De beoogde werkzaamheden kunnen zonder effecten op broedvogels of overige beschermde soorten uitgevoerd worden. Er is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er is ook voor de overige natuurwaarden geen ontheffing noodzakelijk. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna wordt geconcludeerd dat gezien de plaatsen en afstand tot de planlocatie geen effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten zijn te verwachten. Na uitvoering van het voornemen blijft het aanwezige leefgebied voor huismussen en nestelen in de struiken in de tuinen aan de zuidzijde van de locatie aanwezig en wordt uitgebreid door de aanplant van de singels om het zonnepanelen veld bij huisnummer 40 en de rijbak en stapmolen bij huisnummer 30.
62
Conclusie Op basis van uitgevoerde quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNB) niet noodzakelijk geacht. Het plan kan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd.
4.2.3 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: beschrijving waterrelevant beleid en beschrijving kenmerken van het watersysteem ter plaatse van het plangebied gelegen aan Smulderslaan 30-40 te Someren.
Beleidskader
EU- en Rijksniveau De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
-
vasthouden – bergen – afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen – scheiden – zuiveren (waterkwaliteit).
In de provincie Noord-Brabant is dit beleid vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Interim omgevingsverordening. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod -
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding;
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Provincie Noord-Brabant Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Het belangrijkste gezamenlijke punt uit de Europese, landelijke en provinciale beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:
63
vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: -
voldoende water voor mens, plan en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Voor wat betreft
het plangebied geldt dat het plangebied niet is gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, regionale waterberging danwel reservering waterberging. Zoals weergeven in voorgaande afbeelding heeft het plangebied in de IOV de waterhuishoudkundige norm ‘Wateroverlast buiten Stedelijk gebied’ toegewezen gekregen. Waterschap De Dommel - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma van Waterschap De Dommel is op 23 december 2021 in werking getreden. Het programma omschrijft de koers en de ambities van het waterschap voor de periode 2022-2027. Het waterschap streeft naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet en een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans met de omgeving is. De toekomstbestendige waterhuishouding wordt vormgegeven door drie richtinggevende principes: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; agrarische bedrijven hebben de bodem op orde om maximaal te kunnen infiltreren en zij maken, boven of onder de grond, ruimte voor berging van al het ‘eigen water’. 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan: agrarische bedrijven passen hun grondgebruik op termijn aan op de lokale bodem- en watercondities. Zij maken in hun
Bestemmingsplan “ Smulderslaan 30-40 Someren”
Uitsnede IOV Kaart 8 ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en –berging’ met aanduiding plangebied (rood omlijnd)
64
bedrijfsvoering keuzes inclusief risico’s om in extremere weersomstandigheden een duurzame toekomst te hebben. Het waterschap ondersteunt hen in dit veranderingsproces. 3. Wat schoon is moet schoon blijven: agrarische percelen mogen geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater. Middels de Keur van Waterschap De Dommel is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap De Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn altijd van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Het plangebied is niet gelegen in een dergelijk gebied. Op de planlocatie is rekening gehouden met het nieuwe beleid dat wordt gevoerd met het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Gemeente Someren: verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025’ (vGRP 2021-2025) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd.
Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet, worden doorgezet in de komende planperiode. De gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige manier invulling geven aan het beheer en onderhoud. Ook in Someren is de landelijke trend zichtbaar dat bewoners en bedrijven het perceel (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt extra verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor afkoppelinspanningen van de gemeente deels te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook de ambitie om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het onder andere bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress.
-
-
-
In beginsel dient de perceeleigenaar zelf voor de verwerking van hemelwater (volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren) te zorgen. Aangenomen wordt dat op deze locatie voldoende mogelijkheden zijn om het hemelwater in de bodem te brengen. Alleen wanneer geen andere oplossingen mogelijk zijn, biedt de gemeente de mogelijkheid om het hemelwater (indirect) via bermsloten af te voeren. Indien een bestemmingswijziging voorziet in het mogelijk maken van meer verhard oppervlak dan de huidige situatie, dient bij vaststelling geborgd te worden dat bij een bui van 80 mm in 1 uur de kans op schade door wateroverlast buiten de ontwikkeling niet toeneemt. De kosten om dit te bereiken komen voor rekening van de ontwikkelaar. Bij nieuw-, ver-, herbouw dient tenminste de eerste 30 mm (30 liter per m² horizontaal geprojecteerd dakoppervlak) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Uitgangspunt hierbij is dat een buffer (gerekend met een k-waarde van 1,0 m¹ per dag) binnen 24 uur weer beschikbaar is en dat de buffer boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) aangelegd wordt.