Toelichting bestemmingsplan Kampstraat 44-Esdoornstraat Someren
Tekst van het document
26
Zoals in de vorige paragraaf reeds is gesteld, voorziet de beoogde ontwikkeling in de komst van één levensloopbestendige twee-onder-één-kapwoning op een bestaand woonperceel. Aangezien de gemeente Someren onder meer aangeeft dat nieuwbouw wenselijk is voor de leefbaarheid binnen de kernen, is de beoogde ontwikkeling in algemene zin passend binnen gemeentelijke uitgangspunten. Bovendien wordt met de beoogde ontwikkeling voldaan aan het beleidsuitgangspunt in de ‘Woonvisie Someren 2030’ voor vraag- en behoeftegericht bouwen. Met de beoogde ontwikkeling wordt immers voorzien in de komst van twee woningen in de hoedanigheid van levensloopbestendige twee-onderéén-kapwoningen. Gelet
vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend uitgangspunten, zoals vastgelegd in de ‘Woonvisie Someren 2030’. op
het
binnen
gemeentelijke
3. 4. 4 Bestemmingsplan Someren-Eind
Toetsingskader Het bestemmingsplan “Someren-Eind” is op 27 juni 2012 vastgesteld en is nadien in werking getreden en onherroepelijk geworden. De planlocatie kent op grond van voornoemd bestemmingsplan de bestemming “Wonen” en de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’. De enkelbestemming “Wonen” maakt het mogelijk om binnen een bouwvlak een woning te bouwen. Echter, op het beoogde perceel (gemeente Someren, sectie T, nummer 2507) is geen bouwvlak opgenomen. Bovendien schrijft het bestemmingsplan voor dat het toevoegen van woningen niet is toegestaan. In het bestemmingsplan is er geen passende wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toevoegen van een bouwkavel en het oprichten van een extra woning. In het onderstaande is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan “Someren-Eind” opgenomen.
Afbeelding12 Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Someren-Eind” (planlocatie is aangeduid met een rode omlijning)
27
Beoordeling Het planvoornemen om binnen de planlocatie één levensloopbestendige twee-onder-één-kapwoning te realiseren, is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat geen binnenplanse wijzigingsbevoegdheden om te kunnen voorzien in de beoogde ontwikkeling. Derhalve dient het bestemmingsplan ter plaatse van de planlocatie te worden herzien. Hiertoe is deze toelichting opgesteld. Conclusie Middels een partiële herziening van het bestemmingsplan kan het planvoornemen mogelijk worden gemaakt.
28
4 PLANOLOGISCH
4.1
RELEVANTE
(MILIEU)ASPECTEN
Inleiding
Milieubeleid
wordt steeds
andere
meer
is structureel
dan
is
aandacht
ook
in andere
beleidsvelden.
Verbreding van
milieubeleid
belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Someren is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens naar
beleidsterreinen
geïncorporeerd
een
voor
worden behandeld:
e
bodem;
e
cultuurhistorie;
e
archeologie;
e
natuur;
e
flora
en fauna; _wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid;
e
e e e
luchtkwaliteit;
e
kabels
leidingen; waterhuishouding; _milieueffectrapportage
e e
en
vormvrije m.e.r.-beoordeling.
en
4.2 Bodem
Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader
van
is
een
ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake functieveranderingen en/of gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk te worden of de de functieen/of gemaakt bodemverontreiniging voorgenomen bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. van
de Wet ander
Beoordeling Voor de planlocatie is op 19 februari 2011 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Kanters, zie bijlage 3. Dit verkennend bodemonderzoek is verbonden aan het besluit van gemeente MN (geanonimiseerd) voor
de
bouw
opgenomen
van
van
de
de
woning
boorpunten
Kampstraat ter
plaatse
44 van
van
de
21
augustus
planlocatie
van
2001.
Hieronder
is
een
uitsnede
onderhavig plan.
De lichte verontreinigingen met PAK, EOX, cadmium, chroom en zink hebben destijds niet de noodzaak voor nader onderzoek ten behoeve van de woonfunctie op locatie.
geleid
tot
29
Uitsnedes verkennend bodemonderzoek Kanters, 19 februari 2011 Aanvullend zijn in het onderstaande zijn historische kaarten opgenomen om inzicht te krijgen in het gebruik van de planlocatie door de jaren heen.
30
1954
1986
2021
Afbeelding13 Historische kaarten (planlocatie is indicatief aangeduid met rode cirkel)
De gronden behorende tot het plangebied kennen in de huidige planologische situatie reeds een woongebruik. De woning bevindt zich aan de Kampstraat 44 en de aangrenzende gronden behorende tot de planlocatie die eveneens een woonbestemming kennen, zijn onder meer in gebruik als intensief gebruikte tuin. De beoogde ontwikkeling voorziet in de komst van één twee-onder-één-kapwoning. Nu de gronden behorende tot het plangebied in zowel de huidige als de beoogde planologische situatie worden aangewend ten behoeve van een woongebruik, kan gesteld worden dat de beoogde functie geen andere benodigde bodemkwaliteit behelst dan de huidige functie. Aangezien in de huidige situatie reeds sprake is van een gevoelige functie, kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit eveneens geschikt is voor de beoogde functie. Nader onderzoek naar de bodemkwaliteit is derhalve in het kader van de onderhavige bestemmingsplanprocedure niet noodzakelijk. Indien nodig zal een verkennend bodemonderzoek in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen
worden uitgevoerd. Conclusie De bestaande grondkwaliteit staat het beoogde gebruik niet in de weg. 4. 3 Cultuurhistorie
Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3. 1. 6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
Beoordeling
31
Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie niet is gelegen binnen een gebied met provinciaal cultuurhistorisch belang. Onderhavig initiatief is daarbij kleinschalig van aard en draagt geen
noemenswaardige bijdrage aan eventueel cultuurhistorische waarden.
De dichtstbijzijnde cultuurhistorisch waardevolle lijn betreft de Kampstraat. Het initiatief vormt geen belemmering voor deze cultuurhistorisch waardevolle lijn. Het plangebied is verder gelegen in gebied Peelrand en aan een geografisch historische lijn van redelijk hoge waarde. Het plan is echter niet direct van
invloed op de Peelrand of de geografische historische lijn.
De ontwikkeling doet hierdoor geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Afbeelding14 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) (planlocatie is indicatief aangeduid met zwarte cirkel)
4. 4 Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9. 1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w. o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten
32
op voldoende
informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r. o. 2. 9. 7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Someren Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren met daarin een archeologische verwachtingskaart van de gemeente. In de nota wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. In het onderstaande is een relevante uitsnede opgenomen van de archeologische verwachtingenkaart. Hieruit blijkt dat de planlocatie is aangeduid als gelegen binnen categorie 6. Dit betreffen gebieden met een lage archeologische verwachting, waarvoor geen onderzoeksplicht geldt.
Afbeelding15 Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (planlocatie is indicatief aangegeven met een rode cirkel)
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Someren-Eind” is aan het plangebied geen dubbelbestemming voor archeologie toegekend aangezien de verwachtingswaarde laag is (categorie 6) en geen onderzoeksplicht geldt. Conclusie Het planvoornemen voorziet in de realisatie van één levensloopbestendige twee-onder-éénkapwoning waarbij bodemingrepen en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden. Echter geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting zonder onderzoeksplicht. Het initiatief heeft geen consequenties voor eventuele aanwezige archeologische waarden. 4. 5 Natuur
Toetsingskader
33
Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De
regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De
wet
De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. De afstand van de planlocatie tot omliggende Natura 2000-gebieden is weergeven op onderstaande afbeelding.
5,1 km.
4,1 km.
Afbeelding16 Ligging planlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met zwarte cirkel)
Gezien de afstand van de planlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden meer dan 4 kilometer bedraagt, is enkel de mogelijke stikstofdepositie ten aanzien van het planvoornemen relevant. Andere negatieve aspecten, zoals verstoring en versnippering en dergelijke, zijn hierdoor op voorhand uit te
sluiten. In de bijlage is derhalve een AERIUS-berekening toegevoegd voor de gebruiksfase, zijnde de dagelijkse verkeersbewegingen van de toekomstige bewoners van de woningen en een AERIUS-berekening voor
de aanlegfase. Voor de aanlegfase worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Voor wat betreft deze verkeersbewegingen is uitgegaan van 224 lichte
34
verkeersbewegingen per jaar, verkeersbewegingen per jaar.
224
middelzware
verkeersbewegingen
per
jaar
en
56
zware
Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ten aanzien van de aanlegfase is uitgegaan van een absoluut ‘worstcase’ scenario.
Afbeelding 17 Ingevoerde parameters mobiele bronnen aanlegfase
uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. De
Er is ook een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. Hierbij is uitgegaan van 17 verkeersbewegingen per etmaal. Deze berekening laat zien dat eveneens de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is eveneens als bijlage aan de onderhavige
toelichting opgenomen. Conclusie Het planvoornemen heeft een stikstofuitstoot op omliggende Natura2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jr, in de aanlegfase alsmede de gebruiksfase, zoals blijkt uit de Aerius berekeningen in bijlagen 1 en 2 bij de onderhavige toelichting. De beoogde ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijke effecten op een Natura-2000 gebied. 4. 6 Flora en fauna
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en
35
vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De
wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.
Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30. 000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c. q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de
planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de realisatie van de twee-onder-één-kapwoningen. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting
36
de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. van
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één twee-onder-één-kapwoning. Deze woningen worden gerealiseerd tussen bestaande woonbebouwing in bestaand stedelijk gebied. Er wordt geen relevante bebouwing of anderszins gesloopt. Verder zijn de gronden waar wordt voorzien in de tweeonder-één-kapwoning nu in gebruik als intensief gebruikte tuin. Gelet op de omstandigheid dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de sloop van bebouwing en het huidige intensieve gebruik van de planlocatie, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten in zijn algemeenheid uitgesloten. Op locatie zijn geen houtopstanden aanwezig behoudens een relatief jonge boom. In de boom zijn geen holtes en/of nesten aanwezig. Op onderstaande foto’s is de huidige situatie van de planlocatie in beeld gebracht (december 2022).
Overzichtsfoto’s planlocatie
Tuinhuisje op planlocatie, geen nesten/holtes. Niet verwarmd Door middel
van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is volledigheidshalve gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. De volgende activiteit is ingevoerd: ‘Woning bouwen’. In onderstaande afbeelding zijn de resultaten weergegeven.
37
Afbeelding 18 Invoergegevens en uitkomst Effectenindicator Soorten
Uit de Effectenindicator soorten blijkt dat ter plaatse van de planlocatie, in combinatie met de beoogde activiteiten, geen wettelijk beschermde soorten voorkomen waarbij schadelijke effecten
worden verwacht. Gezien dit huidige intensieve gebruik van de gronden ten behoeve van de woon- en tuinfunctie is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Daarnaast ontbreekt het aan
geschikt habitat. Conclusie Het plangebied is momenteel in gebruik als intensief gebruikte achtertuin waar geen wettelijke beschermde soorten zijn aangetroffen of worden verwacht. De ‘effectenindicator soorten’ van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit geeft bovendien aan dat geen wettelijk
38
beschermde soorten voorkomen waarbij schadelijke effecten worden verwacht. Verder is een veldbezoek uitgevoerd waaruit naar voren is gekomen dat beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten zijn. Alles in resumering nemende kan geconcludeerd worden dat voorliggend initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor flora en fauna, waardoor geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. 4. 7 Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1. 2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen is hierbij afhankelijk van de ligging en de hoeveelheid rijbanen. De onderzoekszones zijn inzichtelijk gemaakt in navolgende tabel.
Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.
Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van één levensloopbestendige twee-onder-éénkapwoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van twee gevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder. De beoogde woningen zijn gesitueerd aan de Esdoornstraat. De Esdoornstraat betreft een weg waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt. Aangezien de Wet geluidhinder niet van toepassing is voor 30 km/u wegen, omdat hier geen zones gelden, is een nadere beoordeling van de akoestische situatie op grond van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Dit omdat dergelijke 30 km/u wegen geen geluidsbelastingen tot gevolg hebben boven de voorkeusgrenswaarde. Gelet hierop kan worden aangenomen dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geluid. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is het toch wenselijk om inzicht te krijgen in de akoestische situatie ter plaatse van de planlocatie. Hierbij dient opgemerkt te worden dat op zeer korte afstand ten noordwesten van de planlocatie sprake is van een lopende
bestemmingsplanprocedure (het bestemmingsplan “Esdoornstraat 2”) waarmee eveneens aan de Esdoornstraat wordt voorzien in de komst van één vrijstaande woning. De gronden waar voornoemde
39
lopende bestemmingsplanprocedure op van toepassing is, bevinden zich op een kortste afstand van circa 20 meter ten noordwesten van de planlocatie. In het kader van het bestemmingsplan “Esdoornstraat 2” is reeds een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat de geluidsbelasting ver onder de grenswaarde blijft. Gelet hierop kan met zekerheid worden geconcludeerd worden dat de geluidsbelasting ter plaatse van de planlocatie eveneens ver onder de grenswaarde blijft, waardoor sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geluid. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4. 8 Bedrijven en milieuzonering 4. 8. 1 Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van één levensloopbestendige twee-onder-éénkapwoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van een tweetal milieugevoelige functies. Dit maakt dat het is vereist om inzichtelijk te maken of ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de beoogde ontwikkeling omliggende bedrijven beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden. De omgeving van de planlocatie laat zich omschrijven als een woongebied met enkele afwijkende functies, waaronder gronden met een maatschappelijke, een gemengde en een sportbestemming.
Echter, in casu is in voldoende mate sprake van functiemenging om de omgeving van de planlocatie als gemengd gebied te beschouwen. Ook bevindt zich in de directe nabijheid van het plangebied geen drukke ontsluitingsweg. Dit betekent dat de richtafstanden uit de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' als uitgangspunt gelden. In de omgeving van de planlocatie zijn verschillende bedrijven gelegen. Deze zijn opgenomen in
onderstaand schema:
Op onderstaande afbeelding zijn de afstanden van voornoemde bedrijvigheid tot de planlocatie weergeven.
40
tennisvereniging, 165 m richtafstand 50 m
Speeltuin, 65 m Richtafstand 30 m
Meubelhandel, 164 m Richtafstand 30 m
Afbeelding 19 Omliggende bedrijvigheid en afstanden van de planlocatie
In het onderhavige geval wordt, zoals bovenstaande afbeelding laat zien, ten aanzien van omringende bedrijvigheid voldaan aan de geldende richtafstanden. Gelet hierop kan met zekerheid geconcludeerd worden dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en voornoemde bedrijvigheid niet wordt belemmerd in eventuele ontwikkelingsmogelijkheden.
Conclusie Ten aanzien van relevante milieuaspecten wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de planlocatie ten aanzien van voornoemde milieuaspecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4. 8. 2 Wet geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen
moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op
41
grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2. Voorgrondbelasting (oue/m³)
Achtergrondbelasting (oue/m³)
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
< 1,5
< 3
< 5
Zeer goed
1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
3 – 7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Goed Redelijk goed Matig
Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 2: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
In de directe nabijheid van de planlocatie is één dominante veehouderij gelegen. De veehouderij die het meest van invloed is op de geurbelasting in de omgeving van de planlocatie is Laarstraat 13 (52. 053
ouE/s). Dit betreft in hoofdzaak een varkenshouderij. Verder bevindt zich aan de Vaartdijk 5 een (voormalige) veehouderij, te weten een pluimveehouderij met een geurbelasting van 3. 600 ou/s. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor de locatie aan de Vaartdijk 5 reeds een herbestemming naar wonen heeft plaatsgevonden. In onderstaande afbeelding is de ligging van de planlocatie ten opzichte van voornoemde (voormalige) veehouderijen weergegeven.
42
Laarstraat 13
Vaartdijk 5 3. 600 ou/s Afbeelding 20 Omliggende veehouderij (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)
4. 8. 3 Belangen omliggende veehouderijen De bestemmingswijziging mag de reguliere bedrijfsvoering van de omliggende veehouderijen niet schaden, c. q. het juridisch-planologisch toegestane gebruik niet belemmeren. Op 30 januari 2008 heeft de gemeenteraad van de gemeente Someren de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Op de kaart bij de verordening is de planlocatie aangeduid binnen gebied 3, zie
onderstaande uitsnede. In de verordening is bepaald dat bij toetsing van nieuwe aanvragen van veehouderijbedrijven voldaan moet worden aan de norm van 6 OUe/m3.
Afbeelding 21 Uitsnede Verordening geurhinder en veehouderij (planlocatie is indicatief aangeduid met rode cirkel)
43
Beoordeling Het planvoornemen schaadt de belangen van omliggende veehouderijen niet. Woningen van derden die eveneens zijn gelegen in gebied 3 van de bebouwde kom waarvoor een norm geldt van 6 OUe/m3 zijn immers korter gelegen tot het veehouderijbedrijf op Laarstraat 13. Gelet hierop kan met zekerheid gesteld worden dat de komst van een tweetal geurgevoelige objecten binnen de planlocatie niet van negatieve invloed is op diens ontwikkelingsmogelijkheden. 4. 8. 4 Voorgrond geurbelasting De voorgrondbelasting van het omliggende veehouderijbedrijf aan de Laarstraat 13 is in het kader van de bestemmingsplanprocedure “Esdoornstraat 2” reeds in beeld gebracht op basis van standaardparameters. Nu de onderhavige planlocatie op vergelijkbare afstand tot voornoemd veehouderijbedrijf is gelegen, kan deze berekening eveneens voor de onderhavige bestemmingsplanprocedure worden aangewend. Hiervoor is gebruik gemaakt van onderstaande uitgangspunten.
Berekende ruwheid: 0,33 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem. geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Laarstraat 13
178 390
373 928
5,0
5,0
0,50
4,00
52 053
Ycoordinaat 374 196 374 183 374 173 374 187
Geurnorm
Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID 2 Esdoornstraat 3 Esdoornstraat 4 Esdoornstraat 5 Esdoornstraat
Noord
Oost Zuid West
Xcoordinaat 178 861 178 867 178 840 178 835
3,0 3,0 3,0 3,0
Geurbelasting 2,7 2,7 3,0 3,0
Beoordeling Uit de berekening van de voorgrondbelasting blijkt dat sprake is van een geurbelasting van 2,7 tot 3,0 odourunits. De norm voor de bebouwde kom vanuit de Wet geurhinder en veehouderij van 3 odourunits wordt niet overschreden. Ter plaatse van de nieuw te realiseren woning is op basis van de handreiking sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat, waardoor het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar wordt beschouwd. 4. 8. 5 Achtergrond geurbelasting De huidige achtergrondbelasting veroorzaakt door alle omliggende veehouderijen is in beeld gebracht in onderstaande afbeelding. In onderstaande figuur is deze achtergrondbelasting weergegeven. Uit de afbeelding
blijkt dat ter plaatse van de planlocatie een ‘goed’ woon- en leefklimaat (3-7 OUe/m3) heerst conform de achtergrondbelasting.
44
Afbeelding 22 Kaart achtergrondbelasting geur (planlocatie is indicatief voorzien van zwarte cirkel)
Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de omliggende veehouderijen niet worden geschaad in hun belangen door de komst van één levensloopbestendige twee-onder-één-kapwoning binnen de planlocatie. Verder is gebleken dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is tevens geen sprake van belemmeringen voor het initiatief in het kader van bedrijven en milieuzonering. 4. 9 Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet
verplicht stellen.
45
\
3,
\ \
\
NK
ai
‘
\
/8 8% A
ik
KT
\
Ne hiii. \
en,
\
9
\
Sugstaa,
#
/ ò
\
4
gen
*
\
\
A”
E
Kar De
Á
%
hed A
Z
Ni
ib
Somer®-Eind
£
NMAs N
|
f
ek
é
N
EN
Ken
n
NS
l
/
e
\
y
15
On
|
&
5
$%
\
£ \
sobere
o\
Ed
4
eN
\
4
EE
\ \
'
Afbeelding 23 zwarte cirkel)
%
À
e
\
Uitsnede
Risicokaart
provincie
À
Noord-Brabant.
Bron:
Risicokaart.nl
(plantocatie
is
globaal aangeduid
met
Beoordeling ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron, het betreft één twee-onder-één-kapwoning. Daarnaast is de locatie, zoals weergegeven in de afbeelding, niet gelegen in de nabijheid van een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden. Bij de voorgenomen enkel de realisatie
van
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1
Effect op de luchtkwaliteit (NIBM)
Toetsingskader In het kader
wettelijke
van
een
normen
voor
omgeving als gevolg beeld te worden
planologische procedure van
dient te worden
wat
betreft luchtkwaliteit.
een
nieuwe
ontwikkeling,
aangetoond
dat voldaan wordt
aan
de
Hierbij
dient het effect op de luchtkwaliteit in de als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit’ in
gebracht.
De 'Wet luchtkwaliteit’
van
15 november
2007, opgenomen
in hoofdstuk
5, onder titel 5.2 van de (geanonimiseerd) |
milieubeheer
(Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 ug/m3 Het 24- uursgemiddelde 50 Hg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 ug/m3 Het 24-uursgemiddelde van 200 ug/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor PM10
.
van
.
46
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c. q. artikel 5. 16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen
belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2. 5), lood,
koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2. 5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor
luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1. 500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3. 000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100. 000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200. 000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. De onderhavige ontwikkeling is te bestempelen als woningbouw aangezien voorzien wordt in de komst van één levensloopbestendige twee-onder-één-kapwoning. Uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan
de luchtverontreiniging.
47
4. 10. 2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende
grenswaarden voor fijn stof: -
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Afbeelding 24 Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (PM10-2020) (planlocatie is indicatief voorzien van een zwarte cirkel)
Afbeelding 25 Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (PM2,5-2020) (planlocatie is indicatief voorzien van een zwarte cirkel)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16-17 μg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 μg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is gezien ruimschoots aan de geldende grenswaarden wordt voldaan.
48
4. 11 Gezondheid
Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4. 11. 1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt
aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam
Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³
aanvaardbaar woon- en overschreden. Door de opgesteld waarmee de eenvoudig bepaald kan
worden. Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’.
Beoordeling Binnen
250 meter
de planlocatie bevindt zich geen enkel veehouderijbedrijf. Het meest dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf bevindt zich aan de Laarstraat 13. De afstand bedraagt circa 350 meter. Deze is in onderstaande tabel opgenomen. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat ten aanzien van de locatie aan de Vaartdijk 5 sprake is van een (voormalige) veehouderij, waarbij reeds herbestemming naar wonen heeft plaatsgevonden. . De berekende afstand op basis van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’ alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 betreft ten aanzien van de veehouderij aan de Laarstraat 13 119 meter. van
49
Veehouderij adres Laarstraat 13
Soort
veehouderij Varkenshouderij
Werkelijke afstand in meters 350
Berekende minimale PM10(kg/jaar) afstand in meters 339
119
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4. 11. 2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd
aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een tweetal gevoelige functies. Op basis van de gegevens van de Kernregistratie dierenverblijven zijn binnen de gemeente Someren de volgende geitenhouderijen aanwezig: -
Kerkendijk 38; Michelslaan 18; Stipdonk 30; Nieuwendijk 114.
Beoordeling De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij (locatie Nieuwendijk 114) betreft ca. 1,4 kilometer tot het plangebied. Per raadsnotitie van 9 januari 2019 is de gemeenteraad van Someren in kennis gesteld van het VGO 2 en VGO 3 rapport, het geitenmoratorium van Brabant, de memo Verordening Ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen
én de uitwerking hiervan.
Het moratorium is een voorzorgsmaatregel met het oog op de volksgezondheid en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Opname in de verordening was nodig omdat: Een wettelijk toetsingskader niet beschikbaar is en het endotoxine toetsingskader 1. 0 voor pluimvee- en varkenshouderijen niet toepasbaar is bij de geitenhouderij; Bedrijfsgerichte maatregelen die het risico op longontsteking beperken nu nog niet mogelijk zijn; Een duidelijk kader ontbreekt waarmee bij de vergunningverlening aan de gezondheid van omwonenden voldoende bescherming kan worden geboden, waardoor het risico bestaat dat de gezondheidsrisico’s voor omwonenden toenemen; Voorkomen moet worden (voorzorgsprincipe) dat (nieuwe) knelpunten ontstaan vanwege de volksgezondheid rond geitenhouderijen, die mogelijk later met veel inspanning en kosten moeten worden weggenomen.
50
Op basis van het VGO 2, VGO 3 rapport en het geitenmoratorium is in de raadsnotitie een concreet
voorstel gedaan aangaande de ‘omgekeerde werking’ bij geitenhouderijen. Het
realiseren van woningen binnen 2 kilometer bij geitenhouderijen is onder de volgende voorwaarden nog mogelijk: 1. Geen woningbouwontwikkelingen toe te staan dichterbij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is; 2. Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen / objecten, te weten kinderen, kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de gezondheidslast (risico op longontsteking). Op basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt. Bij een toename is het voorstel om in overleg met de GGD te komen tot een juist advies over de ontwikkeling. Bij een gelijkblijvende of afnemende gezondheidslast is het advies om wel medewerking te verlenen aan de ontwikkeling. Dit scenario kan zich zeker voordoen (als voorbeeld: bij een kinder- of gastouderopvang, aangezien de meeste kinderen ook wonen binnen een straal van 2 km van de opvanglocatie). Het “tegenhouden” van een gastouder is lastig, aangezien deze vaak rechtstreeks binnen het bestemmingsplan passen als “aan huis gebonden beroep”; 3. Bij ontwikkelingen voor “grote” woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen, zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt.
Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de procedure voor het bestemmingsplan nog doorlopen moeten worden. Woningbouwontwikkelingen die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan, zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden. Het plan voldoet aan deze voorwaarden gezien 1) andere woningen dichter zijn gelegen tot de geitenhouderij, 2) niet gebouwd wordt voor een gevoelige groep, 3) geen sprake is van een “grote”
woningbouwlocatie. Het aspect ‘gezondheidsinvloeden vanwege geitenhouderijen’ is hierdoor niet van invloed op het
planvoornemen. 4. 12 Kabels en leidingen
Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
51
4. 13 Waterhuishouding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De planlocatie valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt.
Principes waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling; wateroverlastvrij bestemmen; waterschapsbelangen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt.
De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
52
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 wordt gestart met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat
schoon is moet schoon blijven
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:
beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van
sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van
• van water afvoeren naar elke gebruiken en slimmer sturen.
druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater
4. 13. 1 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de planlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het
waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een beschermd gebied in het kader van de keur. 4. 13. 2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater,
Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
53
Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te
voorkomen dat hemelwater als gevolg van een uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toename in verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden
betrokken. Wanneer sprake is van een toename in verhard oppervlak tussen de 2. 000 m² en 10. 000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10. 000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding. Het betreft dus versnelde afvoer van neerslag als gevolg van een toename in puntlozing. Ter plaatse van de planlocatie wordt één levensloopbestendige twee-onder-één-kapwoning met aanbouwen, erfverharding en aanhorigheden opgericht. De toename van het verhard oppervlak is met de ontwikkeling van voornoemde bouwwerken in elk geval minder dan 500 m.2 Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard
oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 4. 13. 3 Hemelwater na ontwikkeling Het gemeentelijke waterbeleid is vervat in het Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025. De gemeente Someren vereist dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd ter voorkoming van wateroverlast door toevoeging van de beoogde verharding binnen de planlocatie. In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woningen met aanhorigheden worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond.
Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, voert deze het water af naar een nieuw aan te leggen infiltratievoorziening. Deze voorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval. In het grootste deel van het jaar zal het water echter via infiltratiebuizen in de