CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Boerenkamplaan 110 Someren-Eind25.104 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toetsing en conclusie

Voor het project is een aanmeldnotitie vormvrije m. e. r. -beoordeling opgesteld (bijlage 4). De conclusie van deze notitie is dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status.

Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren heeft besloten dat het doorlopen van een volledige m. e. r. -procedure niet noodzakelijk is.

46/95

4. 3

Verkeer en parkeren

4. 3. 1

Normstelling en beleid Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt , te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie worst-case berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). Voor het juiste kencijfer wordt een ligging in rest bebouwde kom aangehouden. Op basis van CBS data heeft de gemeente Someren een weinig stedelijk karakter. heeft haar beleid ten aanzien van parkeren vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen' (vastgesteld op 28 juni 2018). In deze parkeernota wordt verwezen naar de actuele parkeercijfers van het CROW (in dit geval publicatie 744). Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het streven om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren en zo onnodige parkeerplaatsen in de openbare ruimte te voorkomen. Dit in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik. De gemeente Someren

parkeernormen die gemeente onderstaande uitgangspunten: De

Someren

gebruikt

bij ruimtelijke

ontwikkelingen

komen

voort

uit

Minimale grens Een berekende parkeerbehoefte kan een minimale of een maximale grens zijn. Uitgangspunt in Someren is de minimale grens. De minimale grens houdt in dat het berekende aantal parkeerplaatsen de ondergrens is. Als men meer parkeerplaatsen wil realiseren dan de norm aangeeft , is dat toegestaan. Er mogen echter niet minder parkeerplaatsen worden gerealiseerd. CROW Uitgangspunt zijn de kencijfers uit de 'CROW publicatie 317 , Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Wanneer

publicatie beschikbaar is met parkeerkencijfers , hanteert Someren de daarin opgenomen kencijfers als parkeernormen. Inmiddels is de publicatie 744 van kracht , waardoor dit het leidend toetsingskader een recentere CROW

is.

Stedelijkheidsgraad De parkeercijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad. Deze is voor de gemeente Someren 'weinig stedelijk' , op basis van de demografische kerncijfers van het CBS. Ten aanzien van gebiedsindeling ligt het plangebied binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Bandbreedte De parkeerkencijfers van het CROW geven een bandbreedte aan , minimaal en maximaal. Als uitgangspunt houdt Someren het gemiddelde van de bandbreedte aan als basis voor de parkeernorm. Het kan voorkomen dat , afhankelijk van locatie of gebruiksdoel , de gemeente van dit uitgangspunt afwijkt.

47/95

Bezoekersparkeren De parkeernorm is inclusief het bezokersparkeren. De parkeerplaatsen voor bezoekers moeten in principe openbaar toegankelijk zijn. Het aantal bezoekersplaatsen kan bepaald worden met de waarden in de kolom 'aandeel bezoekers'. 4. 3. 2

Toetsing 4. 3. 2. 1 Ontsluiting Autoverkeer De bestaande inrit van het plangebied is gelegen aan de Boerenkamplaan. Ook aan de Steenoven is momenteel een inrit gesitueerd , maar deze is momenteel niet in gebruik. Conform de stedenbouwkundige inrichtingstekening zoals weergegeven in paragraaf 2. 3 wordt de hoofdaansluiting gerealiseerd op de Boerenkamplaan. Daarmee is het mogelijk om kleinschalige woonstraten binnen het plangebied te realiseren. Omdat een tweede ontsluiting vanuit veiligheidsoverwegingen gewenst en noodzakelijk is , wordt tevens een aantakking gerealiseerd op de Steenoven in het zuiden van het plangebied. Deze zal een breedte van 35, meter hebben met een duidelijke suggestie voor langzaam verkeer. Dit wordt aangeduid via fietspaaltjes , waarbij het enkel voor hulpdiensten mogelijk verkeer om via de Steenoven met de auto het plangebied te bereiken. Openbaar vervoer Aan de Boerenkamplaan , op circa 350 meter ten zuiden van het plangebied , bevinden zich bushaltes waar buurtbussen in de richtingen Weert en Heeze halteren (buurtbuslijn 258). Ook per openbaar vervoer is het plangebied daarmee bereikbaar. Langzaam verkeer De beoogde woonbuurt wordt opgezet met nadrukkelijk aandacht voor fietsers en voetgangers. Fietsers delen

de toegangsweg met autoverkeer , terwijl wandelaars een gescheiden voetpad hebben. De langzaamverkeersverbinding met Steenoven zorgt ervoor dat het centrum van Someren-Eind voor fietsers en voetgangers vanuit dit plan gemakkelijk kan worden bereikt. Zodoende worden korte verplaatsingsafstanden voor fietsers gestimuleerd. Verkeersuitgangspunten ontsluiting en parkeren De hoofdentree naar het gebied verloopt via de Boerenkamplaan; De ontsluiting van het gebied is overzichtelijk en ligt rond het binnengebied van de woningbouwlocatie , met één aftakking naar een woonstraat; De hoofdstructuur kent een gecombineerde modaliteitenstroom om een veilige en rustige omgeving voor bewoners te realiseren. Bij voorbaat kruist de ontsluiting zo min mogelijk groenstructuren en wordt er meer groen toegevoegd dan verwijderd; Het parkeren wordt opgelost door middel van langsparkeren , twee parkeervelden ten behoeve van het appartementencomplex en bezoekers , en parkeren op eigen terrein. Hiermee kan een evenredige verdeling van parkeren binnen het gebied worden gerealiseerd; Een verbinding naar de Steenoven voor langzaam verkeer met een breedte van 35, meter biedt naast een

48/95

extra loop- en fietsverbinding , een noodzakelijke ontsluitingsweg voor hulpdiensten. 4. 3. 2. 2 Parkeren

Parkeerbehoefte In onderstaande tabel (tabel 4. 1) wordt de parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling getoond , waarbij is uitgegaan van de toevoeging van 2 vrijstaande woningen , 12 geschakelde of twee-onder-een-kapwoningen , 14 huurappartementen in de categorie 'huur , appartement , midden/goedkoop' en 3 huurappartementen in de categorie

'huur , appartement , duur'. Voor het parkeergebied Someren-Eind is de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' van toepassing , met een gemiddeld parkeerkencijfer. Tabel 4. 1 Toekomstige parkeerbehoefte Type Aantal woningen 17 huur appartement midden/goedkoop 12 half vrijstaand 2 vrijstaand 31 bezoekers Totaal

Norm

Behoefte

1

17

19,

228,

2

4

03,

93,

CROW

richtlijn

en

531,

De totale parkeerbehoefte (inclusief bezoekersparkeren) bedraagt conform de tabel 531, parkeerplaatsen.

Parkeeraanbod Bij woningbouwprojecten wordt parkeergelegenheid vaak in de vorm van een oprit of garage gerealiseerd. Daarmee zijn in theorie voldooende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. In de praktijk blijkt echter dat deze parkeervoorzieningen niet altijd worden gebruikt voor het parkeren van een voertuig , maar bijvoorbeeld als opslagruimte. Gevolg is dat auto's toch regelmatig op de openbare weg parkeren. Bij de toetsing moet dit worden meegenomen. Hiervoor hanteert de gemeente Someren enkele rekenwaardes. Deze zijn gebaseerd op de omrekenwaardes van het CROW (tabel 4. 2). Tabel 4. 2 Omrekenwaardes parkeervoorzieningen woningen

De beoogde

49/95

vrijstaande woningen worden gerealiseerd met garage en dubbele oprit. Hiervoor wordt een

omrekenwaarde van 2 parkeerplaatsen gehanteerd. Voor de 12 twee-onder-een-kapwoningen geldt een Het aanbod aan parkeerplaatsen op eigen terrein bedraagt hiermee (4 + 156) 196, (tabel omrekenwaarde van 13. , , 4. 3). Tabel 4. 3 Parkeren op eigen terrein bij de grondgebonden woningen Categorie Categorie Aantal Omrekenwaarde parkeervoorziening Koop , huis , vrijstaand Garage met 2 20, dubbele oprit Koop , huis , Garage met lange 12 13, oprit twee-onder-een-kap 14 Totaal

Aanbod eigen terrein 4 156, 196,

In figuur 4. 1 is een (concept-)uitwerking voor de aanleg van parkeerplaatsen (binnen de kavels én in beoogd openbaar gebied binnen het plangebied) opgenomen. Deze is ook geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan

zoals opgenomen als bijlage 2. Hierop zijn naast de 196, parkeerplaatsen op eigen terrein bij de kavels nog 35 parkeerplaatsen binnen het openbaar gebied binnen het plangebied ingetekend. Daarmee komt het toale aanbod op 546, parkeerplaatsen en kan ruimtelijk ruimschoots voorzien worden in de behoefte.

Figuur 4. 1 Concept-uitwerking parkeren binnen het plangebied (Bron: STRK)

parkeerplaatsen staat echter nog niet vast en zal ten tijde van omgevingsvergunning bouwen volledig worden uitgewerkt en door bevoegd gezag worden getoetst. De

daadwerkelijke

situering

van

de

In artikel 13. 1 van de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat het definitieve bouwplan moet voorzien in

de realisatie van voldoende parkeerplaatsen op basis van de 'Nota Parkeernormen' (met daarin de dynamische verwijzing naar de actuele CROW publicatie) van de gemeente Someren. Hiermee is juridisch verankerd dat binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. 4. 3. 2. 3 Verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie bestaande situatie

50/95

De verkeersgeneratie is worst-case berekend met kencijfers van het CROW (publicatie 381). In de huidige situatie zijn de bedrijfsopstallen sterk verouderd en nauwelijks meer in gebruik , maar bestaat er planologisch gezien al een verkeersaantrekkende werking van circa 782, mvt/etmaal op een weekdag en 1041, mvt op een werkdag. Hierbij kan worden aangesloten bij de gemiddeld generatie op basis van de functie 'Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief'. In tabel 4. 4 is de uitwerking hiervan weergegeven.

Tabel 4. 4 Verkeersgeneratie bestaande planologische situatie Functie Aantal Kencijfer Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief

1. 630 m² (bvo)

48, per 100 m²

Weekdag (mvt/etmaal)

Werkdag (mvt/etmaal)

782,

1041,

bvo

Verkeersgeneratie toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt voor het plangebied aan Boerenkamplaan 110 te Someren-Eind uitgegaan van de toevoeging van 2 vrijstaande woningen , 12 geschakelde of twee-onder-een-kapwoningen en 17 huurappartementen in de categorie 'huur , appartement , midden/goedkoop'. De bijbehorende toekomstige verkeersgeneratie is weergegeven in tabel 4. 5. Op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Someren conform het CBS kan per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte worden aangehouden. De

verkeersafwikkeling wordt beoordeeld op basis van werkdagintensiteiten. Daarom zijn naast de weekdagintensiteiten ook werkdagintensiteiten berekend. De omrekenfactor hierbij is 133 , voor werkfuncties en 111 , voor woonfuncties. Tabel 4. 5 Toekomstige verkeersgeneratie worst-case benaderd Categorie Aantal Kencijfer CROW Koop , huis , vrijstaand 2 81, Koop , huis , 12 77, twee-onder-een-kap Huur , appartement ,

17

41,

Weekdag

Werkdag

162,

18

924,

1026,

697,

774,

1783,

198

midden/goedkoop Totaal

31

Doordat planologisch gezien al een verkeersaantrekkende werking aanwezig is , kan voor de toekomstige situatie rekening worden gehouden met saldering. Per saldo zal de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie 1001, mvt/etmaal op een weekdag en (198 - 1041) 939, mvt/etmaal op een werkdag gemiddeld (1783, - 782) , , bedragen. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in een spitsuur maatgevend , waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalintensiteit (werkdag) wordt afgewikkeld. In een gemiddeld spitsuur betekent dit

verkeersgeneratie van afgerond 198, mvt , waarbij de toename ten opzichte van de huidige planologische situatie 94, mvt bedraagt. Deze verkeersgeneratie is dusdanig beperkt dat het zal opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Het effect op verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid om omliggende wegen is een

51/95

daarmee verwaarloosbaar. 4. 3. 3

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de planrealisatie.

4. 4

Bedrijven en milieuzonering

4. 4. 1

Normstelling en beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;

rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen , wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is

lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid , geur , gevaar en stof. een

Voor het omgevingstype

'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4. 4. 2

Toetsing Someren-Eind is voornamelijk een woondorp. Het bedrijventerrein ‘t Vaartje ligt ten noordoosten van het dorp , nabij de kruising van de Brugstraat en de N266. Het bedrijventerrein wordt van het dorp gescheiden door agrarische percelen. Binnen het dorp zijn enkele bedrijven te vinden , waaronder een zoetwarenbedrijf , een autobedrijf (inclusief tankstation zonder lpg) en een metaalbedrijf , gelegen in het noordelijke deel van het plangebied aan weerszijden van de Boerenkamplaan. Bij veel van deze bedrijven is een bedrijfswoning aanwezig. Enkele solitaire bedrijfsvestigingen zijn verspreid door de kern te vinden , onder andere aan de Sluisstraat en de Van den Eijndenstraat. de beoogde situatie worden binnen het plangebied 31 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende bedrijfsfuncties , horeca , detailhandel , maatschappelijke en overige centrumfuncties functies gevestigd en/of planologisch (conform geldend bestemmingsplan zoals beschreven in paragraaf 1. 3) toegestaan. Hierdoor kan het gebied getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Er is namelijk sprake van meerdere niet-woonfuncties in de directe omgeving en de locatie is gelegen aan de ontsluitingsweg Boerenkamplaan.

De oorspronkelijke richtafstanden worden In

52/95

daarom verminderd met één afstandsstap. De gronden ten noorden (Boerenkamplaan 108) en ten (zuid)oosten van het plangebied (Steenoven 29) worden gekenmerkt door een bestemming 'Bedrijf' waar planologisch via een bijbehorende functieaanduiding een

bedrijf met maximaal milieucategorie 3. 1 toegestaan is. Doordat er sprake is van een gemengd gebied kan deze richtafstand verlaagd worden tot 30 meter. Aan de Boerenkamplaan 108 is 'Uniekglas' gelegen. Dit bedrijf houdt zich bezig met reperaties , frezen , snijden , waterstraal snijden en metaalbewerking en valt hierdoor in millieucategorie 3. 1 met een richtafstand van 30 meter voor geluid en 10 meter voor de aspecten geur , stof en gevaar. Er wordt met het beoogde plan niet voor alle woningen voldaan aan de richtafstanden. Alle werkzaamheden vinden echter inpandig plaats , waardoor de

geluid- , geur- en stofhinder beperkt zijn. Aan de zijde van de nieuwe woningen heeft de bedrijfsbebouwing ook geen te openen delen (zoals ramen of deuren) dus vindt afscherming van geluid reeds plaats. Daarnaast moet het bedrijf voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Activiteitenbesluit en/of de omgevingsvergunning milieu. -6 worden ook de externe veiligheidsrisico's beperkt. Het bedrijf heeft geen PR-contour of invloedsgebied. In Nederland staan risicovolle inrichtingen vermeld in het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Het bedrijf is niet opgenomen op de risicokaart , en wordt daarmee niet gezien als risicovolle inrichting. Hiermee vormt dit bedrijf ten aanzien van het aspect gevaar geen belemmering voor op te richten woningen. Omgekeerd vormen de op te richten woningen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van dit bedrijf. Daarnaast bevinden zich momenteel al woningen aan de Boerenkamplaan 110A. De bestaande woningen liggen op een kortere afstand dan de te realiseren woningen en zijn daarmee maatgevend voor de ontwikkelruimte van de bedrijven. Ter plaatse van deze dichterbij gelegen woningen moet immers al voldaan worden aan de wettelijk geldende milieunormen. De aanwezigheid van deze woningen bepaalt dus reeds in de bestaande situatie de ontwikkelruimte van het bedrijf aan de Boerenkamplaan 108.

Dat betekent dat dit bedrijf niet wordt beperkt in de huidige bedrijfsvoering en slechts gedeeltelijk in de planologische uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van het voorgenomen plan. In het kader hiervan zijn met grondeigenaar gesprekken gevoerd , waarbij geen bezwaren of belemmeringen naar voren zijn gebracht.

Hiermee

Aan de Steenoven 29 is een boekbinderij gelegen. Bij kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen is er sprake van milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter voor geluid in een gemengd gebied. Voor de overige aspecten is er geen sprake van een richtafstand. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op minder dan 10 meter

afstand. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand. De werkzaamheden vinden echter inpandig plaats en ook wordt het bedrijf ontsloten via Steenoven , waardoor verkeer niet langs het plangebied komt. Daarnaast moet het bedrijf voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Activiteitenbesluit en/of de omgevingsvergunning milieu. De

bedrijfsactiviteiten zijn gezien hun aard en omvang zodanig weinig belastend dat dit niet leidt tot onaanvaardbare milieuhinder ter plaatse van de beoogde woningen of bestaande woningen in de omgeving. 4. 4. 3

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

53/95

4. 5

Archeologie

4. 5. 1

Normstelling en beleid Erfgoedwet In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet , welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1 , lid 1 van de Erfgoedwet , welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt , bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V , paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V , paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w. o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen , bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102 , r. o. 2. 9. 7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beleid gemeente Someren Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren met daarin een archeologische verwachtingskaart van de gemeente. In de nota wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. 4. 5. 2

Toetsing Algemeen De archeologische beleidskaart van de gemeente Someren met aanduiding van het plangebied aan de Boerenkamplaan is weergegeven in figuur 4. 1. Het plangebied kent drie verschillende archeologische beleidscategorieën , te weten: Categorie 4 (donker oranje): gebieden met een hoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 250 m.2 Cateogorie 5 (licht oranje): gebieden met een hoge archeologische verwachting Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 250 m.2 Categorie 7 (grijs): gebieden zonder een archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven. Geen onderzoeksplicht.

54/95

Uitsnede Gemeente Someren) Figuur

4. 1

archeologische beleidskaart gemeente

Someren

met

aanduiding

plangebied (Bron:

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 5. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Met

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is er een lage tot middelhoge verwachting op het aantreffen van resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum. Voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen is er een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten. Voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is er een lage archeologische verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een eerddek met hieronder een C-horizont van dekzandafzettingen. In boringen 1 tot en met 4 begint deze C-horizont op 050 , – 070 , m -mv. In boringen 5 tot en met 7 is in de bovenste laag de top van de C-horizont opgenomen in het eerddek. Aangezien het alleen om de top gaat , blijft

55/95

de trefkans op archeologische sporen behouden. De gespecificeerde archeologische verwachting , zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek , is door het booronderzoek dan ook bevestigd. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek

noodzakelijk om deze te toetsen. Op grond van het archeologisch booronderzoek kan worden geconcludeerd dat er nog archeologische resten binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van

grondsporen worden verwacht , is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. In het kader van dit bestemmingsplan kan het plangebied daarom nog niet volledig worden vrijgegeven en

blijven de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' die gelden op basis van de bestemmingsplannen 'Someren-Eind' en 'Buitengebied Deelgebied 2' van kracht. Hiermee wordt de onderzoeksverplichting voor het vervolgonderzoek doorgeschoven naar de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. 4. 5. 3

Conclusie Het plangebied kan nog niet volledig worden vrijgegeven op het gebied van archeologie. Vervolgonderzoek is noodzakelijk in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. Voor dit bestemmingsplan wordt volstaan met het overnemen van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' die gelden op basis van de bestemmingsplannen 'Someren-Eind' en 'Buitengebied Deelgebied 2'.

4. 6

Cultuurhistorie

4. 6. 1

Normstelling en beleid

Modernisering Monumentenzorg Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6 , lid 5 Bro gewijzigd. Wat eerst voor alleen archeologie gold , geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van de onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) De 'Cultuurhistorische waardenkaart' (vastgesteld 26 september 2006) van de provincie Noord-Brabant vormt het kader voor het inhoudelijke cultuurhistorische beleid met behulp waarvan dat beleid getoetst en ontwikkeld kan

56/95

worden. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn meerdere aanduidingen opgenomen (historische bouwkunst , historische stedenbouw , historische geografie (lijnen en vlakken) , historische groenstructuren , historische zichtrelaties , archeologische monumenten en indicatieve archeologische waarden). 4. 6. 2

Toetsing Uit de cultuurhistorische waardenkaart (figuur 4. 2) volgt dat de locatie niet is gelegen binnen een gebied met provinciaal cultuurhistorisch belang.

Figuur 4. 2 Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant met aanduiding plangebied (Bron: Provincie Brabant)

Onderhavig initiatief aan Boerenkamplaan 110 is daarbij kleinschalig van aard en draagt geen noemenswaardige bijdrage aan eventueel cultuurhistorische waarden. 4. 6. 3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4. 7

Geluid

4. 7. 1

Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder (Wgh) en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen , windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai , spoorwegverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen.

57/95

4. 7. 2

Wegverkeerslawaai In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd , opgenomen als bijlage 6. Hierbij is de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woningen die het dichtst bij de Boerenkamplaan zijn gesitueerd berekend. De geluidbelasting is gegeven inclusief de aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh. De geluidbelasting ten gevolge van de Boerenkamplaan is weergegeven in figuur 4. 3. De rekenresultaten zijn in

detail weergegeven in bijlage D van het onderzoeksrapport.

Figuur 4. 3 Geluidbelasting in dB ten gevolge van de Boerenkamplaan na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh (Bron: Van Keulen advies) De geluidbelasting op de gevels van de grondgebonden woningen van fase 1 is maximaal 37 dB op de oostelijke gevel van de dichtst bij de weg gelegen woning. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet

overschreden. Voor de woningen is geen verdere actie vereist. Dat de geluidbelasting zo laag is komt door de lage verkeersintensiteit de afstand tot de weg en de afschermende bebouwing tussen de weg en het bouwplan. De geluidbelasting op de gevel van het appartementencomplex is maximaal 53 dB op de oostgevel. De gevel ligt op circa 10 m van de Boerenkamplaan. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt alleen op de oostgevel

overschreden. De overschrijding is maximaal 5 dB.

58/95

Geluidmaatregelen om deze overschrijdingen weg te nemen zijn niet mogelijk. Schermen zijn niet inpasbaar en geluidarm asfalt over een beperkte lengte van de weg (ongeveer 40 m) ter plaatse van het appartementencomplex is om redenen van beheer en onderhoud niet wenselijk. Voor het appartementencomplex geldt dat wordt voldaan aan de geluideisen van de gemeente Someren dat de woningen ten minste één gevel moet hebben met een lager geluidniveau. Een oplossingsrichting kan zijn om de oostelijke gevel uit te voeren als een zogenaamde “dove gevel”. Een dove gevel is een gevel waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoeld karakteristieke

geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A) , alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn , mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Een dove gevel is geen gevel in de zin van de Wet geluidhinder en daarom gelden de grenswaarden uit het Besluit geluidhinder niet op een “dove gevel”. Dan zijn er geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB meer

zoals dat als toetswaarde gold onder de Wet geluidhinder.

Een dove gevel hoeft dus niet te worden getoetst aan de grenswaarden in de Wet geluidhinder. De dove gevel moet , zo blijkt uit jurisprudentie , wel vastgelegd zijn in de bouwregels van het bestemmingsplan. Dit vormt dan

de basis bij toetsing van de bouwvergunning aan het bestemmingsplan om het binnenniveau te borgen. De dove gevel kan ook als onderdeel van de gebruiksregels worden vastgelegd. Hierbij wordt het gebruik " wonen " alleen toegestaan als een gevel als dove gevel volgens de Wgh wordt uitgevoerd. Hiermee kan ook na het verlenen van de bouwvergunning gegarandeerd worden dat bewoners niet zelf de gevel veranderen. In het kader van bovenstaande resultaten is in 4. 4. 1 van de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke

verplichting opgenomen. 4. 7. 3

Industrielawaai Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4. 7. 4

Railverkeerslawaai

Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan.

4. 7. 5

Conclusie Met in acht name van de betreffende voorschriften ten aanzien van wegverkeerslawaai zijn er wat betreft geluid geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

59/95

4. 8

Externe veiligheid

4. 8. 1

Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken , namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen , spoor , water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang , te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt

getroffen door een ongeval , indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving , en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet

beoogt voor de lange termijn (2020 , met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van , en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor , Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10 -5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10 -6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10 -6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten , en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10 -6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te

worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

60/95

4. 8. 2

Toetsing Algemeen Conform de risicokaart (figuur 4. 4) vindt in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het water , de weg of door buisleidingen met een externe werking plaats. De invloedsgebeden en PR 10 -6 contouren liggen niet over het plangebied.

Figuur 4. 4 Uitsnede risicokaart met het plangebied rood omcirkeld (Bron: Atlas Leefomgeving)

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten' , zoals brand of wateroverlast , als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid , is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Boerenkamplaan en de Sluisstraat. Het wegnetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen , waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De mogelijk aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar.

Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de

61/95

blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen , in het kader van effectieve zelfredzaamheid , de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen , waaronder de calamiteitenzenders , de sirenes , crisis.nl , NL-Alert en het gebruik van sociale media. 4. 8. 3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4. 9

Luchtkwaliteit

4. 9. 1

Normstelling en beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor

luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5 , titel 5. 2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide , stikstofdioxide en stikstofoxiden , fijn stof , lood , koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4. 6 weergegeven. Tabel 4. 6 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO)2 jaargemiddelde

Grenswaarde 40 µg/m³

concentratie

fijn stof (PM) 10

jaargemiddelde

40 µg/m³

concentratie

24-uurgemiddelde

max. 35 keer p. j. meer

dan 50 µg / m³

concentratie

fijn stof (PM) 25 ,

jaargemiddelde

25 µg /m³

concentratie Op grond van artikel 5. 16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een

overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM 10 (= 12, µg/m³); een

62/95

project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën

betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1. 500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3. 000 woningen bij twee ontsluitingswegen , kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100. 000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200. 000 m 2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens

rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

4. 9. 2

Toetsing Zoals beschreven in paragraaf 4. 3 zal de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie per saldo toenemen met gemiddeld (1783, - 782) , 1001, mvt/etmaal op een weekdag en (198 - 1041) , 939, mvt/etmaal op een werkdag. In het kader van het aspect luchtkwaliteit wordt uitgegaan van een (worst-case) aandeel vrachtverkeer van 10%. In de nibm-tool (versie 2023) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat de

verkeerstoename van 1001, mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 016 , µg/m³ en van fijnstof van 002 , µg/m³ (tabel 4. 7). Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. Tabel 4. 7 Resultaten NIBM-tool 2023 (Bron: Infomil)

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het

plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Boerenkamplaan is de maatgevende weg. Uit de tool (figuur 4. 5 en bijbehorende tabellen 4. 8 t/m 4. 11) blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO)2 en fijn stof (PM 10 en PM) langs deze weg 25 ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. ,

63/95

Figuur

4. 5

Maatgevend

toetspunt

Luchtkwaliteit) Tabel 4. 8 Concentraties NO 2

Tabel 4. 9 Concentraties PM 10

64/95

directe

omgeving

plangebied (Bron: Centraal Instrument

Monitoring

Tabel 4. 10 Concentraties PM 25 ,

4. 9. 3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4. 10

Kabels en leidingen

4. 10. 1

Normstelling en beleid

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4. 10. 2

Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen , hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

65/95

4. 11

Bodem

4. 11. 1

Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie , de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek , het historisch onderzoek , te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de

betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4. 11. 2

Toetsing

4. 11. 2. 1

Verkennend bodemonderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bijhorend rapport is opgenomen als bijlage 7. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Algemeen In het kader van het bodemonderzoek is het plangebied opgedeeld in deellocatie A (de bebouwde gronden) en deellocatie B (de onbebouwde gronden). De bodem in deellocatie A bestaat voornamelijk uit matig siltig , zeer fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak humeus. Zintuiglijk zijn in de bovengrond geen verontreinigingen

aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium , zink en PCB. Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met barium en cadmium. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie A als " heterogeen verdacht " dient te worden beschouwd , wordt aanvaard. Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen , bestaat er géén reden voor een nader onderzoek van deze deellocatie. In deellocatie B bestaat de bodem voornamelijk uit matig tot sterk siltig , zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak humeus. De ondergrond is ter plaatse van boring B06 zwak verontreinigingen waargenomen.

baksteen-

en

kolengruishoudend.

Verder

zijn

er

zintuiglijk

geen

Deellocatie A: bebouwing Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie " heterogeen verdacht , niet lijnvormig " (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. Zintuiglijk zijn in de bovengrond geen

66/95

verontreinigingen

aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium , zink en PCB. Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met barium en cadmium. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie A als " heterogeen verdacht " dient te worden beschouwd , wordt aanvaard. Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen , bestaat er géén reden voor een nader onderzoek van deze deellocatie. Deellocatie B: weiland Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie " onverdacht " (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. In het opgeboorde materiaal zijn ter plaatse van boring B06 zintuiglijk verontreinigingen met baksteen en kolengruis aangetroffen. De bovengrond is ter plaatse sterk verontreinigd met koper en zink , matig verontreinigd met nikkel en lood en licht verontreinigd met cadmium , kobalt , molybdeen en PAK. Voor het overige zijn op deellocatie B in de bodem geen verontreinigingen aangetoond. Dit geldt ook voor de boringen die ten oosten van de grondwal zijn geplaatst. Er zijn derhalve geen aanwijzingen dat de grondwal op

het aangrenzende perceel de bodemkwaliteit op deellocatie B heeft beïnvloed. Het grondwater is ter plaatse van peilbuis B01 sterk verontreinigd met cadmium en zink , matig verontreinigd met koper en licht verontreinigd met nikkel en xylenen. Deze peilbuis bevindt zich bovenstrooms op de locatie. Ter plaatse van peilbuis B02 is het grondwater matig verontreinigd met koper en licht verontreinigd met barium , molybdeen en naftaleen. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie B als " onverdacht " dient te

worden beschouwd , wordt verworpen. Advies Gelet op de aangetoonde sterke verontreiniging op de locatie zijn er mogelijk sanerende maatregelen nodig teneinde het terrein geschikt te maken voor het voorgenomen gebruik (wonen). Derhalve wordt conform het onderzoek geadviseerd om de aard en de omvang van de vastgestelde verontreinigingen met zware metalen ter plaatse van boorpunt B06 nader te onderzoeken. Met betrekking tot sterke tot lichte verontreinigingen met zware metalen in het grondwater bij beide peilbuizen wordt geadviseerd , met verwijzing naar het beleid van de gemeente Someren , zoals vastgelegd in de Nota

Bodembeheer van de gemeente Someren , geen verdere actie te ondernemen. Echter wordt afgeraden om het freatisch grondwater te gebruiken voor besproeiing van gewassen , veedrenking of consumptie. Voor de lichte xylenenverontreiniging bij peilbuis B01 en lichte naftaleenverontreiniging bij peilbuis B02 is vooralsnog geen verklaring. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem , tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de

locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

67/95

4. 11. 2. 2

Aanvullend onderzoek boorpunt B06 Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek , op basis waarvan onder andere is geconstateerd dat de ondergrond ter plaatse van boring B06 sterk verontreinigd is met koper en zink , is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 8. De ondergrond over traject 05, -10, m -mv is , met uitzondering van boring 103 , zwak baksteenhoudend. Middels XRF is de uitkomende grond op locatie onderzocht op aanwezigheid van koper en zink , waarbij maximaal licht

verhoogde gehalten koper en zink zijn aangetoond. De bovengrond (traject 00, – 05, m -mv) en ondergrond (traject 15, tot 20, m -mv) van de centrale boring 100 , zijn analytisch schoon , waardoor de verontreiniging verticaal is ingeperkt. In het traject 05, tot 10, m- mv van de contourboringen 101 tot en met 104 is enkel bij boring 104 nog slechts een lichte verontreiniging met zink geconstateerd. De sterke koper en zinkverontreiniging is daarmee ook horizontaal ingeperkt en beperkt zich tot de directie omgeving van B06. Er is sprake van een puntverontreiniging van beperkte omvang ( < 1 m3) en bevindt zich op een diepte van 07-15 , , m -mv. Uitgaande van de mate en het volume van de geconstateerde grondverontreiniging op de onderzoekslocatie (minder dan 25 m³ sterk verontreinigde grond) wordt gesteld dat het hier in het kader van de Wet Bodembescherming géén geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Advies Gezien het toekomstig gebruik , groenvoorziening , en het feit dat de puntverontreiniging niet in de bovengrond is geconstateerd

kan worden gesteld dat er geen reden is tot directe sanering. Het werken met en in verontreinigde grond is echter aan regels gebonden. Als er in de toekomst grondroerende activiteiten plaatsvinden in de directe omgeving van de verontreiniging dient hiermee rekening gehouden te worden. Het mengen van sterke verontreiniging met de omliggende bodem moet te allen tijde voorkomen worden. 4. 11. 2. 3

Aanvullend onderzoek diverse deellocaties Op basis van voorgaande onderzoeken en in afstemming met gemeente en Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is voor diverse deellocaties aanvullend onderzoek uitgevoerd. Onderstaande tabel toont de onderzoeksstrategie per deellocatie. Tabel 4. 12 Onderzoeksstrategie per deellocatie

Het totale onderzoeksrapport is als bijlage 9 opgenomen. De resultaten van het aanvullend bodemonderzoek geven géén aanleiding tot een verder nader onderzoek. De deellocaties A en B voldoen aan de

68/95

interventiewaarde bodemkwaliteit en daarmee aan de gestelde eisen in het omgevingsplan van de gemeente Someren. De op de locatie aanwezige stortingen komen

echter niet voor toepassing op de locatie in aanmerking en conform het rapport wordt geadviseerd deze als samengestelde partij aan te bieden aan een erkende innemer (BRL9335 gecertificeerde grondbank). Tevens dient de situatie van de zuid- en noordzijde van de schuur , deellocatie C en D , opnieuw beoordeeld te worden bij aanvang van de bouwactiviteiten op het noordelijke terreindeel. Vanuit het rapport wordt geadviseerd deze verontreiniging bij de eerst mogelijke gelegenheid te verwijderen. 4. 11. 3

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.

4. 12

Geurhinder

4. 12. 1

Normstelling en beleid

De Wet

geurhinder en veehouderij (Wgv) en/of het Activiteitenbesluit vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit de omliggende veehouderijen. Dat kader stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten (alleen intensieve veehouderijen) en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten (alle veehouderijen). Daarnaast moet worden beoordeeld of ter plaatse van het nieuwe geurgevoelig object sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat en mag het nieuw geurgevoelig object geen (aanvullende) beperking worden voor de omliggende veehouderijen. De geurbelasting is afkomstig van dieren , waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een emissiefactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens , vleesvee , pluimvee , schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (OUE/m).3 De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen

wordt in de Wgv ook rekening gehouden met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden). De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. 4. 12. 2

Toetsing In de voorliggende situatie is sprake van woningbouwontwikkeling. Er is hierbij geen sprake van bouwkavels die onderdeel hebben uitgemaakt van het bouwvlak van een veehouderij. Een toetsing aan vaste afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten is in dit geval niet aan de orde. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van circa 500 meter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden ingegaan op de aanvaardbaarheid van het heersende geurniveau ter plaatse. Figuur 4. 6 toont een uitsnede van de achtergrondbelasting geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

69/95

De leefkwaliteit in het gebied is berekend op basis van een concentratiegebied. Het plangebied is echter gelegen in een niet-concentratiegebied. Gezien het geringe aantal veehouderijen en de afstand van het

plangebied tot deze veehouderijen , mag worden aangenomen dat ter plaatse van het plangebied een goede kwaliteit van de leefomgeving verwacht.

Figuur 4. 6 Uitsnede achtergrondbelasting geur (Bron: ODZOB) 4. 12. 3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4. 13

Water

4. 13. 1

Normstelling en beleid Waterbeheer en watertoets Voor alle ruimtelijke plannen zal een watertoets moeten worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde infiltreren , retentie binnen het plangebied , retentie buiten het plangebied of berging in bestaand watersysteem. Aspecten als oppervlaktewater , grondwater , hemelwater , afvalwater , waterkwaliteit en -kwantiteit , omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding , allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's , waarbij het beleid nader wordt behandeld.

70/95

Europa:

Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet

Provinciaal: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Waterschapsbeleid Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer , watersysteembeheer , beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met

het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Aa en Maas met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust , wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen , bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt , stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen , hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan.

Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat , omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet

71/95

de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. meer

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) , waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.

Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen;

Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool. Keur De keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen , dijken , sloten , beken , rivieren , gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in , met of rondom het water is wet- en regelgeving uit

de keur van toepassing. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag

door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte , tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3. 6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak , en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater , Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 3. 6 van de keur is van toepassing tenzij:

Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10. 000 m 2 is , of;

de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is , of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m 2 en 10. 000 m 2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan , in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m)3

= toename

verhard oppervlak (in m)2

x gevoeligheidsfactor x 006. ,

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast , dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn , om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

72/95

Bij ontwikkelingen waarbij de toename waterschap retentie geëist.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14800633/2