Toelichting
Tekst van het document
van
het verhard oppervlak 500 m 2 of groter is , wordt vanuit het
Voor plannen groter dan 10. 000 m 2 geldt Beleidsregel 13 ‘Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’. Op basis van deze beleidsregel zijn plannen met een omvang van meer dan 10. 000 m 2
vergunningsplichtig en dient een waterhuishoudkundigplan te worden opgesteld conform de onderwerpen zoals genoemd in paragraaf 4. 6 van de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater , Brabantse waterschappen. Gemeentelijk beleid Algemeen De gemeente Someren conformeert zich ten aanzien van de omgang met hemelwater in principe aan het beleid van Waterschap Aa en Maas. De gemeentelijke watertaken van de gemeente Someren zijn vastgelegd in het
Gemeentelijk Rioleringsprogramma (GRP) 2021-2025 ‘Klimaatrobuust Someren’. Vanuit
de hemelwaterzorgplicht , conform artikel 3. 5 van de Waterwet , heeft de gemeente de verantwoordelijkheid voor een doelmatige inzameling van overtollig hemelwater uit de openbare ruimte. Zij heeft ook de zorgplicht voor de afvoer van hemelwater van particuliere percelen , voor zover dit niet redelijkerwijs van de perceeleigenaar kan worden verwacht. Belangrijk vertrekpunt in de wetgeving is dat de zorgplicht in eerste instantie bij de burger ligt. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik , infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is , moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Ambitie en doelen In aansluiting op Onweerstaanbaar Someren is in het voorliggend GRP nadrukkelijk invulling gegeven in het klimaatadaptief maken van Someren. Uitgangspunt is dat er geen schade ontstaat bij een bui T=100 van 80 mm in één uur. Voor het klimaatbestendig maken , richt de gemeente zich waar mogelijk op de bovengrondse inrichting van het openbaar gebied. Hinder - overlast – schade De gemeente hanteert de acceptatieniveaus hinder , overlast en schade. Water-op-straat hoeft echter niet direct problemen te veroorzaken , daarom vindt in Someren de volgende differentiatie plaats naar drie typen van toenemende ernst.
Hierna worden de gebeurtenissen omschreven. Hinder: periode van water-op-straat van geringe omvang , waarbij vervoer en transport nog mogelijk is (wegen blijven toegankelijk). Overlast: ernstige hinder (zoals verdund afvalwater op straat of stremming). Het water blijft hierbij buitenshuis. Schade: water op straat van een dusdanige omvang dat er inpandige schade aan eigendommen optreedt en/of er essentiële (gebruiks-)functies uitvallen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding)
73/95
Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. De gemeente stimuleert hydrologisch neutraal bouwen om de uitdagingen van het veranderende klimaat tegen te gaan. Hierbij is de trits vasthouden – bergen – afvoeren van toepassing. Ter voorkoming van overlast en schade op particulier terrein en uit oogpunt van doelmatigheid vertaalt de gemeente een redelijke inspanning van
particulieren als volgt: Ver- en nieuwbouw Bij ver- en nieuwbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Vanuit waterbelang , i. v. m.
zichtbaarheid , bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver , wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Ondergrondse buffering en infiltratie is , mits goed aangelegd en onderhouden , een goed alternatief als bovengrondse buffering niet gewenst is. Uitgangspunt is dat een buffer gerekend met een k-waarde van 10, m¹ per dag binnen 24 uur weer beschikbaar is. Een particuliere infiltratievoorziening mag uitsluitend op maaiveldniveau (zichtbaar) een overstort hebben naar openbaar gebied. Waar infiltreren aantoonbaar niet mogelijk is , mag het water vanuit een buffer vertraagd afgevoerd worden naar de openbare ruimte. Met 30 mm berging wordt globaal 95 % van het afstromend hemelwater op eigen terrein verwerkt. Alles wat meer valt dan 30 mm mag direct afstromen naar het openbaar gebied. In het buitengebied of bij specifieke situaties in bebouwd gebied waar overtollig hemelwater wordt afgevoerd via watergangen van het waterschap , zal de waterberging op eigen terrein moeten voldoen aan de eisen uit de Keur die het waterschap als ontvangende partij stelt. Daarbij zal regelmatig meer dan 30 mm bergingscapaciteit gerealiseerd moeten
worden. Wijziging bestemming
Indien een bestemmingswijziging voorziet in het mogelijk maken van meer verhard oppervlak dan de huidige situatie , dient bij vaststelling geborgd te worden dat bij een bui van 80 mm in 1 uur de kans op schade door wateroverlast buiten de ontwikkeling niet toeneemt. De kosten om dit te bereiken komen voor rekening van de ontwikkelaar. 4. 13. 2
Toetsing Bij ruimtelijke ontwikkelingen of bouwplannen dient water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen en beschermd. Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden , bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. In dit kader is er een watertoets uitgevoerd , opgenomen als bijlage 10. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden , bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden , scheiden , zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; De waterbergings-/compensatieopgave baseren op de toename uitgegaan van een toekomstig oppervlak 6. 590
m 2 en een
in het verhard oppervlak. Vooralsnog is
toename van 4. 450 m.2
Voldoende bergings- en afvoercapaciteit te creëren zodat bij T=100 (80 mm in 1 uur)
74/95
Compensatieopgave 527 m;3
Waterbergingsopgave 796 m;3 De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur; Rekenwaarde infiltratiecapaciteit 10, m/dag; Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; GHG ingeschat op 2550 , m +NAP; Calamiteit in beschouwing nemen (bui 80 mm in 1 uur mag niet tot overlast leiden , maximaal 20 cm water op straat); Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Compensatie Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde
droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt.
Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van een " groene " bovengrondse hemelwaterbuffer aan de westzijde van de planlocatie. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een
zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp , aanleg , beheer en onderhoud. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort , is navolgend de aanleg van een hemelwaterbuffer indicatief uitgewerkt (figuur 4. 7). Hierbij is uitgegaan van een diepte van 08, meter en
talud van 1 op 3. Bij een buffer met een oppervlak van ca. 2. 070 m 2 kan met inachtneming van een waking van 01, meter (waterhoogte 07, m) ca. 1. 175 m 3 worden geborgen. Bij een volledige vulling (berging tot aan 3 maaiveld) kan ca. 1. 370 mwater worden geborgen. De beschikbare bergingscapaciteit is berekend met behulp van de formule van de afgeknotte piramide. In het kader van de noodzakelijke waterberging is in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting (artikel 4. 4. 4) en een dubbelbestemming Waarde - Waterbergende functie (artikel 7) en opgenomen. een
Er zal in de toekomstige situatie dus meer capaciteit voor waterberging worden aangelegd dan formeel vereist , waardoor het plan bijdraagt aan de waterproblematiek in dit gedeelte van Someren-Eind.
75/95
Figuur 4. 7 Impressie potentiële invulling hemelwater
Lediging De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening. De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer het volledig gevuld is. Op basis van de bodemopbouw , textuur en resultaten van het doorlatendheidsonderzoek worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Calamiteit Het systeem dient dusdanig robuust te zijn dat een situatie waarbij in een korte tijd meer dan 60 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt zal water zich verzamelen in
het landschappelijk gebied aan de oostzijde van de planlocatie. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Door in dit gebied te werken met lokale hoogteverschillen kunnen zonder problemen grote hoeveelheden water worden opgevangen en kan geborgd worden dat bij een bui van 80 mm in 1 uur de kans op schade door
wateroverlast buiten de ontwikkeling niet toeneemt. De exacte doorwerking/toetsing zal in een later stadium van het plan nader onderzocht worden. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is , dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De
waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogend
76/95
bouwmaterialen (koper , zink , lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen , graven , bouwen , onttrekken , lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.
Riolering Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld , verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal de ontwikkeling zorgen voor een toename in het aanbod van vuilwater op het riool. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. 4. 13. 3
Conclusie
Het aspect water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing
duurzame wijze verwerkt. In het kader van de noodzakelijke waterberging is in voorliggend bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde - Waterbergende functie opgenomen. Hiermee is de haalbaarheid ten aanzien van het beleid geborgd en kan worden gesteld dat water geen belemmering vormt voor vaststelling van het bestemmingsplan. genomen en op een
4. 14
Ecologie
4. 14. 1
Normstelling en beleid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de
bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met
de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving , zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden , te weten: Natura-2000 gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN).
77/95
Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de
leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied , kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende
beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan , onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen , kan het plan worden vastgesteld , indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang , met inbegrip van redenen van sociale of economische aard , en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking , zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000 , ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4 , eerste lid , van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000 , geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee , tenzij' principe , wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en de bescherming van overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten , eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten
78/95
(hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten , genoemd in bijlage IV , onderdeel a , bij de Habitatrichtlijn , bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn , in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij
provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee , voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden , daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied , bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw , bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen , watergangen , waterkeringen , waterstaatswerken , oevers , vliegvelden , wegen , spoorwegen of bermen , of natuurbeheer , of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis , bastaardkikker , bosmuis , bruine kikker , dwergmuis , dwergspitsmuis , egel , gewone bosspitsmuis , gewone pad , haas , huisspitsmuis , kleine watersalamander , konijn , meerkikker , ondergrondse woelmuis , ree , rosse woelmuis , tweekleurige bosspitsmuis , veldmuis , vos , wild zwijn en woelrat. 4. 14. 2
Toetsing
4. 14. 2. 1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 De beoogde
ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming , waarbij mogelijk gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 4. 7 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Groote Peel. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt circa 38, kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.
79/95
Figuur 4. 7 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Rijksoverheid) Met het rekenmodel
Aerius (versie 2024) zijn berekeningen uitgevoerd om
de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen , daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In de als bijlage 11 toegevoegde memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten , de resultaten en de conclusie. De rekenbladen zijn opgenomen in de bijlagen 12 en 13. Uit de berekeningen voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger
dan 000 , mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt echter wel in de nabijheid van een gebied , behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 13, kilometer ten oosten van het plangebied. In figuur 4. 8 is de ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Gezien aard , omvang en ligging zijn negatieve effecten door externe werking op voorhand uit te sluiten. Een effectenanalyse met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
80/95
Figuur 4. 8 Plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas leefomgeving)
Houtopstanden Op te kappen houtopstanden kunnen drie beschermingsregimes van toepassing zijn , te weten Wnb , APV en het geldend bestemmingsplan. Om de bestaande situatie en de potentiële gevolgen voor bomen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling in beeld te brengen is , mede naar aanleiding van het participatietraject , een bomeninventarisatie uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 16. Voor de bomen binnen het gebied met de in figuur 4. 9 gele aangeduide contour (bebouwde kom) geldt in de bestaande situatie het reguliere beschermingsregime van de APV. De betreffende bomen maken geen
onderdeel uit van een lijst met beschermwaardige bomen. Voor de bomen binnen het gebied met de in figuur 4. 9 rode aangeduide contour (buiten bebouwde kom) geldt
conform het vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied deelgebied 2' de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Binnen deze bestemming (artikel 7. 5 lid 4) geldt een omgevingsvergunningplicht werken en werkzaamheden voor het verwijderen van landschapselementen.
81/95
Figuur 4. 9 Aanwezige bomen binnen het plangebied (Bron: Pius Floris) Uitgangspunt bij de situering van de toekomstige woningen en de inrichting van de openbare ruimte is het zoveel mogelijk behouden van bomen die conditioneel goed in orde en levensvatbaar zijn. Toch blijkt uit de
analyse uit de bomeninventarisatie met doorkijk naar de toekomstige situering en inrichting dat het om meerdere redenen niet helemaal haalbaar en gewenst is om alle bomen te behouden. Dit geldt met name voor het middengebied zoals met gele contour aangeduid in figuur 4. 9 (bomen 38 t/m 107 op basis van de inventarisatie). Redenen hiervoor zijn dat de bomen zijn niet in goede / gezonde staat zijn , er slecht uitzien en dusdanig dicht op elkaar staan dat deze niet levensvatbaar zijn. Mede hierdoor en door de verkaveling van de percelen zullen diverse bomen hier gekapt moeten worden. Voor de met rode kleur aangeduide strook (bomen 1 t/m 37) geldt in de bestaande en de toekomstige situatie een wat strenger beschermingsregime. De toekomsitge woningen en openbare ruimte worden zo gesitueerd en
ingericht dat deze bomen behouden kunnen blijven. Van de 37 bomen die hier aanwezig zijn zullen er 4 worden gekapt aangezien deze niet in voldoende of goede staat zijn. In de planregels en op de verbeelding is voor deze strook de aanduiding 'Overige zone - waardevolle bomenrij' opgenomen. Deze aanduiding regelt dat noodzakelijke kap enkel kan via een aanvraag omgevingsvergunning , waarbij tevens een herplantplicht binnen het plangebied geldt. Daarnaast worden op basis van het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels
landschappelijke groenelementen toegevoegd. 4. 14. 2. 2
Soortenbescherming
Quickscan In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is weergegeven als bijlage 14. Hierna volgt een beknopte samenvatting.
82/95
Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3. 1 Wnb In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels cat. 1-4 jaarrond beschermde nesten in de te slopen bebouwing en de bomensingels aanwezig. Functioneel leefgebied voor de steenuil is aanwezig , blijft behouden en wordt versterkt in het nieuwe plan. Uit de cat. 5 beschermde verblijfplaatsen zijn geen nesten in bomen aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overtreding van art. 3. 1 lid 24, en 5 van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Overige vogelrichtlijnsoorten Het
plangebied vormt geschikt foerageergebied en nestgelegenheid voor een groot aantal algemene vogelrichtlijnsoorten. Met het behoud van de bomensingels en de aanvullende landschappelijke inpassing in het nieuwe plan , zullen foerageer- en nestmogelijkheden voor algemene vogelrichtlijnsoorten worden versterkt. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3. 2 Wnb
Vleermuizen: vliegroutes en foerageergebied De bomensingels binnen het plangebied vormen mogelijk onderdeel van een vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. De bomensingels blijven behouden in het nieuwe plan. Het plangebied en directe omgeving vormt foerageergebied van goede kwaliteit. De aanvullende landschappelijke inpassing en de aanleg van een waterberging zullen foerageermogelijkheden doen toenemen. Vleermuizen: verblijfplaatsen De te slopen bebouwing biedt potenties voor vleermuisverblijfplaatsen. Met de sloop van de bebouwing is mogelijk een overtreding van art. 3. 5 lid 14, en lid 2 Wnb aan de orde. Gelet op de geschiktheid van de te slopen gebouwen voor vleermuizen , zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van de bebouwing voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Door het ontbreken van potentiële vleermuisbomen kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen in bomen voor vleermuizen worden uitgesloten. Nationaal beschermde / Andere soorten art. 3. 3 Wnb Op basis van het veldbezoek kan het voorkomen van landzoogdieren met jaarrond beschermde verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied en directe omgeving worden verder geen beschermde soorten verwacht die op de lijsten staan van de Habitatrichtlijn of de 'Andere soorten' , (provinciaal beschermde soorten) door het ontbreken van geschikt leefgebied.
Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Negatieve effecten zijn niet aan de orde. Vrijgestelde soorten Het konijn is aanwezig binnen het plangebied. Verder worden nog enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals egel , bruine kikker , gewone pad en enkele algemene spits- en woelmuizen. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling , maar de algemene zorgplicht (zie blz. 11) is altijd van kracht , beschermd of niet. Voor toepassing van de zorgplicht zie onder 'Aanbevelingen' paragraaf 10 blz. 26. Nader onderzoek
83/95
Uit de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied mogelijk beschermde verblijfsfuncties voor vleermuizen vervuld. Het is daarmee niet uit te sluiten dat met de beoogde herontwikkeling vaste rust- en
verblijfplaatsen verloren gaan en daarmee verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. In navolging hierop is een aanvullend onderzoek vleermuizen uitgevoerd , opgenomen als bijlage 15. Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied en directe omgeving 4 soorten vleermuizen waargenomen: Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Bij inspectie rondom en binnen de bebouwing zijn geen sporen (keutels , vetvegen , afgebeten insectenvleugels enz. ) gevonden die aan vleermuizen toegekend kunnen worden. Ook zijn geen uit- of invliegende vleermuizen gezien , of is zwermgedrag waargenomen. Paarverblijfplaatsen zijn niet vastgesteld. Vliegroutes en foerageergebied De Boerenkamplaan wordt gebruikt als route voor Gewone dwergvleermuis. Laatvlieger vliegt vanuit een vermoedelijk verblijfplaats over de tuin van het naastgelegen perceel , over de Boerenkamplaan en vervolgens over de woonhuizen heen. In het plangebied is geen (essentiële) vliegroute aanwezig. Delen van het plangebied vormen foerageergebied van goede kwaliteit voor vleermuizen. In de directe groene omgeving zijn voldoende alternatieven voor foerageergebieden en vliegroutes. Toetsing aan de Wet Natuurbescherming
Verblijfplaatsen vleermuizen In de Wet natuurbescherming (artikel 3.5 , lid 4) is het verboden om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen. In het plangebied zijn geen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde vleermuizen vastgesteld. Er zijn vanuit de te slopen bebouwing geen invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen en zomerzwermgedrag (dat kan wijzen op een kraamverblijfplaats) is niet waargenomen. Om deze reden zullen als gevolg van de beoogde herontwikkeling , geen verbodsbepaling worden overtreden. Vliegroutes en foerageergebied Foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd als het van essentieel belang is voor het in stand houden van een vaste verblijfplaats. Er zijn geen essentiële vliegroutes en het plangebied wordt niet intensief gebruikt als foerageergebied. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan gesteld worden dat het plangebied afdoende is onderzocht op aanwezigheid van verblijfsfuncties voor vleermuizen. Uit de onderzoeken is gebleken dat binnen de bebouwing
of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Hiermee is het nader onderzoek afgesloten. Verdere procedures in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet aan de orde. geen vaste rust-
84/95
4. 14. 3
Conclusie De aspecten soortenbescherming en gebiedsbescherming zijn in het kader van de voorgenomen plannen in voldoende mate onderzocht en vormen geen belemmering. Procedures in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet aan de orde. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
4. 15
Gezondheid
4. 15. 1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen , waarvan endotoxinen onderdeel uit
(kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De
ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk , op advies van de Gezondheidsraad , is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze
De
heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinekaart waarop het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.
85/95
gemeente
Someren
advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.
Figuur 4. 9 Endotoxinecontouren in de omgeving van het plangebied (Bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant) Het
plangebied is niet gelegen binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderijbedrijven. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar. 4. 15. 2
Geitenhouderijen Mensen die in de nabijheid van veehouderijen (met name geitenhouderijen) wonen , hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Een eerdere studie , over de periode 2007-2013 , gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3 , september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU , WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij.
gevoelige objecten
De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij (locatie Nieuwendijk 114) betreft circa 2 kilometer tot het
plangebied , zoals ook inzichtelijk is in figuur 4. 9. De beoogde woningen
binnen het plangebied worden niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen. Daarnaast worden de nieuwe woningen niet gebruikt door ‘meer kwetsbare personen’ op het vlak van gezondheidsredenen. Vanwege de huidige regelgeving omtrent geitenhouderijen zal het woon- en leefklimaat in de toekomstige situatie niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Gelet op voornoemde aspecten is het toevoegen van de beoogde woningen binnen het plangebied aanvaardbaar in het kader van gezondheid en veehouderijen. Het realiseren van woningen binnen 2 kilometer bij geitenhouderijen is onder de volgende
voorwaarden nog mogelijk:
86/95
Geen woningbouwontwikkelingen toe te staan dichterbij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is; Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen / objecten , te weten kinderen , kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de gezondheidslast (risico op longontsteking). Op
basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt. Bij een toename is het voorstel om in overleg met de GGD te komen tot een juist advies over de ontwikkeling. Bij een gelijkblijvende of afnemende gezondheidslast is het advies om wel medewerking te verlenen aan de ontwikkeling. Dit scenario kan zich zeker voordoen (als voorbeeld: bij een kinder- of gastouderopvang , aangezien de meeste kinderen ook wonen binnen een straal van 2 km van de opvanglocatie). Het “tegenhouden” van een gastouder is lastig , aangezien deze vaak rechtstreeks binnen het bestemmingsplan passen als “aan huis gebonden beroep”; Bij ontwikkelingen voor “grote” woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen , zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt. Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de procedure voor het bestemmingsplan nog doorlopen moeten worden. Woningbouwontwikkelingen die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan , zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden. Het plan voldoet aan deze voorwaarden gezien 1) andere woningen dichter zijn gelegen tot de geitenhouderij , 2) niet gebouwd wordt voor een gevoelige groep , 3) geen sprake is van een “grote” woningbouwlocatie.
Er is ten aanzien van het planvoornemen daarom geen sprake van onevenredige gezondheidsinvloeden vanwege
geitenhouderijen. 4. 15. 3
Gewasbeschermingsmiddelen Ter plaatse van de naastgelegen agrarische gronden kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan gezondheidsrisico's met zich meebrengen. Bij ruimtelijke plannen in de omgeving van agrarische gronden dienen deze mogelijke gezondheidsrisico's te worden afgewogen. Er gelden geen wettelijke normen of afstandseisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van woningen. Wel zijn in het Activiteitenbesluit voorwaarden opgenomen die zijn gericht op de bescherming van oppervlaktewater. Deze eisen zijn de afgelopen jaren aangescherpt , waardoor het onder andere verplicht om op het hele perceel spuittechnieken te gebruiken die de spuitnevel (drift) met minimaal 75% beperken. Voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen naast oppervlaktewater gelden extra eisen (een strook die niet mag worden bespoten , waarbij de breedte afhankelijk is van het specifieke gewas). Voor een deel van het beoogde woongebied geldt dat er watergangen zijn gelegen tussen de agrarische gronden en de toekomstige woningen. Daarnaast is van belang dat over het algemeen de omvang van de spuitzones bij lage teelten aanzienlijk kleiner is dan bij hoge teelten.
Gezien de situatie ter plaatse zal het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de agrarische gronden in de omgeving van het plangebied naar verwachting niet leiden tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's binnen het toekomstige woongebied. De afstand van de bestemming 'Woongebied' tot aan de nabijgelegen agrarische gronden is meer dan 100 meter. 4. 15. 4
Conclusie
Het aspect gezondheid biedt geen belemmering ten aanzien van het initiatief.
87/95
4. 16
Duurzaamheid
4. 16. 1
Normstelling en beleid Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens , milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik , comfort , binnenmilieu , bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en
beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als: bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering); uitputting van grondstoffen te verminderen; vervuiling van bodem , water en lucht tegen te gaan. Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een maximaal primair fossiel energiegebruik , eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 02, in. Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente , bij zwaarwegende redenen van algemeen belang , een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht.
De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 100 , euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie , milieu , gezondheid , gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw.
88/95
4. 16. 2
Toetsing en conclusie Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woningen de volgende maatregelen beoogd: Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); Mogelijke aanleg van zonnepanelen; Compensatie waterbergingsopgave op eigen terrein; Geen aansluiting op gasnet; Toepassing van luchtwarmtepompen; Extra isolatie ten behoeve van de benodigde geluidwering van 26 dB om aan het vereiste binnenniveau van het Bouwbesluit te kunnen voldoen. Een standaard gevel heeft een geluidwering van 20 dB. Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van de EPC , de Wet VET en GPR Gebouw.
89/95
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
Algemeen
5. 1
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare
Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan , zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden , met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende
bestemmingen vastgelegd , in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen
juridische status , maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
Opbouw
5. 2
van
de regels
De indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen , kent de volgende vaste volgorde. In
Hoofdstuk 1 Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen , voor zover nodig , gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen , nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden , zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing). Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. 5. 2. 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
90/95
Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier bouwwerken/percelen gemeten moeten worden.
hoogte , lengte , breedte , inhoud
en
oppervlakte
van
5. 2. 2
Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd (niet altijd overal van toepassing): Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning
Artikel 3 Groen De tot 'Groen' bestemde gronden zijn o. a. bedoeld voor groenvoorzieningen , bermen en beplantingen , voorzieningen voor langzaam verkeer , inritten , speelvoorzieningen , water en waterhuishoudkundige voorzieningen , geluidwerende voorzieningen , straatmeubilair en kunstobjecten. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Wel zijn bouwwerken , geen gebouwen zijnde toegestaan. Artikel 4 Woongebied De tot 'Woongebied' bestemde gronden zijn o. a. bedoeld voor wonen , groen- en nutsvoorzieningen , parkeervoorzieningen en ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf. Per bestemmingsvlak mogen niet meer woningen worden gebouwd dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen , waarbinnen moet worden gebouwd. De maximum bouwhoogte en eventuele maximum goothoogte zijn vastgelegd , afgestemd op de gewenste stedenbouwkundige kaders zoals voortkomend uit het ontwerp. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken , geen gebouwen zijnde. Het
bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal bouw- en gebruiksregels. Er zijn o. a. gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Artikel 5 Waarde - Archeologie 4 en Artikel 6 Waarde - Archeologie 5 Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. De vrijstellingsdrempel is bij categorie 4 (gebied met een hoge verwachting) een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en een verstoringsdiepte van 04, m. Bij categorie 5 (gebied met middelhoge verwachting) geldt een vrijstellingsdrempel van 2500 m² en een verstoringsdiepte van 04, m. Vrijstelling kan worden verleend als één of beide drempels niet worden overschreden. De oppervlaktecriteria zijn gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze
is , hoe groter een
onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen.
91/95
De gebieden met een hoge verwachting liggen merendeels in landschappelijke zones , die bewezen hebben over het algemeen een rijk bodemarchief te herbergen (bijvoorbeeld de dekzandruggen met een grondwatertrap VI
of VII , voorzien van een Laatmiddeleeuws plaggendek. Op grond van maatschappelijke overwegingen , maar ook van inhoudelijke overwegingen is voor gebieden met een hoge verwachtingswaarde gekozen voor een vrijstellingsgrens van 250 meter , omdat de aard van eventueel te verwachten archeologische resten op een dergelijke beperkte schaal in de meeste gevallen geen wezenlijke inhoudelijke (wetenschappelijke) bijdrage zullen leveren. Vanuit maatschappelijk oogpunt wordt rekening gehouden met het feit dat de kosten van professioneel archeologisch onderzoek bij dergelijke kleine bodemingrepen meestal niet in verhouding staat tot de kosten van het plan. Om nieuwe vindplaatsen met relevante archeologische informatie op te kunnen sporen moet dus ook hier sprake zijn van een minimale omvang. In de gebieden met een middelhoge verwachting is sprake van de combinatie van onderzoekslacune en een op grond van kengetallen verwachte geringe(re) dichtheid aan archeologische vindplaatsen. De doelstelling is hier om bij grotere ingrepen ( > 2500 m²) in de toekomst vooronderzoek te realiseren , zodat de bestaande kennislacune kan worden opgevuld. Artikel 7 Waarde - Waterbergende functie Deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de waterbergende functie.
In aanvulling op het bepaalde onder de op de gronden voorkomende (dubbel)bestemming(en) is het op gronden ter plaatse van deze dubbelbestemming 'Waarde - Waterbergende functie' alleen toegestaan bouwwerken te bouwen als deze bouwwerken de verwezenlijking , het behoud en het beheer van de waterbergende functie van de gronden niet minder geschikt maken. Het is binnen deze dubbelbestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in de regels gespecificeerde werken en/of werkzaamheden uit te voeren. 5. 2. 3
Algemene regels Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene , niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde , regels. Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Een antidubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat , wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan , het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk , waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening
(artikel 3. 2. 4 Bro). Artikel 9 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is opgenomen dat bouwgrenzen , niet zijnde bestemmingsgrenzen , mogen worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld stoepen , balkons , entreeportalen , veranda's en afdaken. Artikel 10 Algemene gebruiksregels
92/95
In dit artikel wordt genoemd welk gebruik van de gronden in ieder geval valt onder strijdig gebruik. Het gaat
hierbij om onder andere het gebruik van de gronden ten behoeve van stort- of opslagplaats van goederen en aan het gebruik onttrokken machines of het gebruik ten behoeve van seksinrichtingen. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Onder algemene aanduidingsregels krijgen regels met betrekking tot een of meer gebiedsaanduidingen een plaats. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten en afmetingen. Artikel 13 Overige regels In dit artikel zijn de overige regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor parkeergelegenheid en de werkingwettelijke regelingen. 5. 2. 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 14 Overgangsrecht In dit artikel wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 15 Slotregel In dit artikel wordt de naam van de regels vastgesteld.
93/95
Hoofdstuk 6
6. 1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen , moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de
grondexploitatiewet opgenomen. Hierin is geregeld dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om kosten van de planontwikkeling te verhalen op grondeigenaren. Het kostenverhaal dient verplicht door de gemeente opgesteld te worden. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6. 2. 3 tot en met 6. 2. 5 Bro) als een bouwplan (6. 2. 1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. De gemeente is van mening dat er geen belemmeringen zijn aangaande de financiële uitvoerbaarheid. Deze ontwikkeling wordt geheel bekostigd door de initiatiefnemer. De door de initiatiefnemer aan de gemeente
overlegde gegevens tonen afdoende aan dat deze de benodigde investeringen financieel kan dragen. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk aangezien met een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente in het kostenverhaal is voorzien.
6. 2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3. 1. 6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de
planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3. 1. 1 Bro. 6. 2. 1
Participatietraject In het kader van de beoogde ontwikkeling is een omgevingsdialoogtraject opgestart en heeft in zaal De Platte Vonder (Nieuwendijk 10-14 te Someren-Eind) op woensdag 22 november van 20:00 tot circa 21:15 uur een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens deze informatiebijeenkomst werden aanwezigen geïnformeerd over de beoogde ontwikkelingen en werden zij uitgenodigd om met betrokken partijen in gesprek te gaan. De getoonde presentatie is opgenomen als bijlage 17. Van de informatiebijeenkomst en het dialoogtraject daarna is een verslag opgesteld. Dit verslag is opgenomen
als bijlage 18. Hierin wordt ingegaan op de belangrijkste ontwikkelpunten , relevante bevindingen , eventuele wijzigingen en besproken verbeterpunten. Ten slotte wordt een doorkijk gegeven richting het vervolgtraject. Met het oog op het vervolgtraject en concretisering van het plan lopen momenteel nog diverse gesprekken met omwonenden.
94/95
6. 2. 2
Vooroverleg ex artikel 3. 1. 1 Bro In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3. 1. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan inzichtelijk gemaakt voor de vaste overlegpartners. Op basis hiervan heeft het Waterschap Aa en Maas in reactie van 25 september 2023 geadviseerd om in de regels van het bestemmingsplan een verplichting voor waterberging of voor hydrologisch neutraal ontwikkelen op te nemen. Daarnaast zijn in deze reactie nog enkele aandachtspunten benoemd. Het bestemmingsplan is op basis hiervan aangepast en aangescherpt en later door het Waterschap akkoord bevonden. Provincie Noord-Brabant en Veiligheidsregio hebben aangegeven in dit stadium geen opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. 6. 2. 3
Ontwerp
Het ontwerpbesluit en het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken hebben conform het bepaalde in artikel 3. 8. en 6. 12 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf 21 december 2023 zes weken ter inzage gelegen. In
die periode kon een ieder zijn of haar zienswijze naar keuze schriftelijk of mondeling indienen. In de (geanonimiseerde) Nota van zienswijzen zoals opgenomen als bijlage XX wordt een reactie gegeven op de zienswijzen. De zienswijzen zijn uit praktische overwegingen en vanwege de leesbaarheid samengevat weergegeven maar in de reactie
komen alle relevante elementen aan de orde. De zienswijzen zijn dus in zijn
geheel beoordeeld. Het bestemmingsplan is op basis van de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen op enkele aspecten aangepast en geactualiseerd. De wijzigingen zijn inzichtelijk gemaakt in de als bijlage XX opgenomen Lijst van wijzigingen. 6. 2. 4
Vaststelling Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld , is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
95/95