Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Boerenkamplaan 110 Someren-Eind Someren
RHO ADVISEURS DATUM
12-12-2024
IMRO IDN
NL.IMRO.0847.BP02023014-VS01
PROJECT
Boerenkamplaan
110 Someren-Eind
PROJECTLEIDER
(geanonimiseerd)
OPDRACHTGEVER
(geanonimiseerd)
PROJECTNUMMER
20211088.002
AUTEUR
(geanonimiseerd)
STATUS
vastgesteld
EISELAIMER
Afra Adviseurs BV.
Niets wit dif drukwerk mag Hoorsriueren daa deBV,opdtacttgeverwardert verveelvoudigd en/of vpertrear pale) voorafgaande toestarrimmg van Rha Adviseurs belieudens voor tover dit: drukwerk werelijk gen voor enig anden doel dan waarvoor hiet Is vervaardigd: o
b
AVG
Oran producren worden vrijgegevenrtontorm hat:ptotaeal en etter uit het Kwailteitssysteem van A! worden, vooratgeand an pijbiicatie.of tij tarlevering aan derden, persoonsgegevensvan derden e-maiiadtestten) var Rha AdviseursBV, et: refefoanntmmer(s} van adviseur (s), zijnde (4
ramen,
Ad
© RHO ADVISEURS BV Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk , fotokopie , microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv , behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1. 1
Aanleiding en doel
6
1. 2
Ligging plangebied
6
1. 3
Geldend bestemmingsplan
8
1. 4
Planproces
8
1. 5
Leeswijzer
9
Planvoornemen
10
2. 1
Historie
10
2. 2
Huidige situatie
13
2. 3
Toekomstige situatie
19
Beleidskader
26
3. 1
Inleiding
26
3. 2
Rijksbeleid
26
3. 3
Provinciaal beleid
33
3. 4
Gemeentelijk beleid
42
Milieu- en omgevingsaspecten
46
4. 1
Inleiding
46
4. 2
Vormvrije m. e. r. -beoordeling
46
4. 3
Verkeer en parkeren
47
4. 4
Bedrijven en milieuzonering
52
4. 5
Archeologie
54
4. 6
Cultuurhistorie
56
4. 7
Geluid
57
4. 8
Externe veiligheid
60
4. 9
Luchtkwaliteit
62
4. 10
Kabels en leidingen
65
4. 11
Bodem
66
4. 12
Geurhinder
69
4. 13
Water
70
4. 14
Ecologie
77
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/95
4. 15
Gezondheid
85
4. 16
Duurzaamheid
88
Juridische planbeschrijving
90
5. 1
Algemeen
90
5. 2
Opbouw van de regels
90
Uitvoerbaarheid
94
6. 1
Economische uitvoerbaarheid
94
6. 2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
94
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
4/95
Toelichting
Hoofdstuk 1
1. 1
Inleiding
Aanleiding en doel
Van den Eijnde Netwerk B. V. is als initiatiefnemer voornemens aan de Boerenkamplaan 110 te Someren-Eind de bestaande verouderde bedrijfspanden te slopen en hiervoor in de plaats woningbouw te realiseren. Door de
sloop van de bestaande opstallen en de realisatie van woningbouw wordt een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst behaald en wordt verdere verloedering van het terrein voorkomen. Ook de achterliggende agrarische gronden zullen in de beoogde ontwikkeling worden meegenomen. Voor de locatie gelden de bestemmingsplannen 'Someren-Eind' en 'Buitengebied Deelgebied 2' , waarbij de gronden zijn bestemd als 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. De beoogde herontwikkeling is in strijd met deze bestemmingsplannen. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te kunnen maken heeft initiatiefnemer een (gefaseerd) principeverzoek
ingediend. Het verzoek is ambtelijk behandeld op 7 maart 2023. Het college van burgemeester en wethouders heeft in de vergadering van 20 juni 2023 een voorwaardelijk positief principebesluit genomen op dit verzoek en geeft aan dat hiervoor een ruimtelijke procedure opgestart kan worden. De gecommuniceerde voorwaarden en aandachtspunten voor de procedure zijn gericht op de verdeling en eisen uit de Regionale Woondeal Zuidoost Brabant , uitwerking van de openbare ruimte , wateropgave en landschappelijke inpassing. Voorliggend bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader waarbinnen het initiatief voor fase 1 , met daarin de realisatie van in totaal 31 woningen , mogelijk kan worden gemaakt. Fase 2 is vanwege een mogelijke voorsortering en een integrale afweging wel integraal meegenomen in het opgestelde stedenbouwkundig conceptplan zoals opgenomen in bijlage 1 , maar maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
1. 2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het noorden van Someren-Eind , wordt kadastraal aangeduid met de percelen T-923 , T-1529 en T-2142 en heeft een oppervlakte van circa 14. 427 m². De ligging en begrenzing zijn weergegeven in de figuren 1. 1 en 1. 2.
6/95
Figuur 1. 1 Ligging plangebied (Bron: Google Maps)
Figuur 1. 2 Begrenzing plangebied (Bron: Ruimtelijkeplannen. nl)
7/95
1. 3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van de beschreven percelen gelden de bestemmingsplannen 'Someren-Eind' (vastgesteld op 27 juni 2012) en 'Buitengebied Deelgebied 2' (vastgesteld op 5 maart 2020). De percelen T-2142 en T-923 vallen onder het
planologisch regime van het bestemmingsplan 'Someren-Eind' en zijn bestemd als 'Bedrijf'. Tevens gelden de bijbehorende functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3. 1' en de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 5'. Perceel T-1529 maakt in zijn geheel onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied Deelgebied 2' , waarin de gronden bestemd zijn als 'Agrarisch met waarden – Landschapswaarden'. Hiervoor gelden aanvullend gedeeltelijk de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 5' en 'Waarde – Archeologie 4' en zijn (al dan niet gedeeltelijk) de volgende gebiedsaanduidingen van toepassing: overige zone – bebouwingsconcentratie; overige zone – beperkingen veehouderij; overige zone – stalderingsgebied; overige zone – vestigingsgebied glastuinbouw. Een uitsnede van de geldende bestemmingsplannen is weergegeven in figuur 1. 3.
Figuur 1. 3 Uitsnede bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijkeplannen. nl) De beoogde herontwikkeling naar woningbouw met bijbehorende voorzieningen en functies is in strijd met de geldende bestemmingsplannen. Om de gewenste planologische medewerking te kunnen verlenen aan het initiatief is daarom het voorliggend bestemmingsplan 'Boerenkamplaan 110 Someren-Eind' opgesteld.
1. 4
Planproces
bestemmingsplan doorloopt de procedure zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het voorontwerpbestemmingsplan wordt gepubliceerd en ex art. 3. 1. 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor advies voorgelegd aan Rijk , provincie , waterschap en andere overlegpartners. Binnengekomen reacties uit het wettelijk vooroverleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Een
8/95
Tijdens de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan kan eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken. De ingediende zienswijzen worden afgewogen in het vast te stellen bestemmingsplan. Het vastgestelde bestemmingsplan
wordt ter inzage gelegd. Gedurende deze terinzagelegging kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
1. 5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie in en rond het plangebied en geeft inzicht in de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk , de provincie Noord-Brabant en de gemeente Someren. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de sectorale milieuen omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de procedure.
9/95
Hoofdstuk 2
2. 1
Planvoornemen
Historie
Halverwege de 19 e eeuw bestond Someren uit een aaneenschakeling van gehuchten en kleine bebouwingsconcentraties. In deze periode bevond zich in het gebied een groot akkercomplex , omsloten door de beekdalen van de Aa en de Kleine Aa , met daarin verspreid nederzettingen. Er was sprake van een zogenaamd kransakkerdorp , bestaande uit een krans van nederzettingen met elk hun eigen akkers. In het begin van de 20e eeuw was dit beeld al niet meer herkenbaar. Rond 1900 (figuur 2. 1) is er sprake van een begin van buurtschapsvorming in het uiterste zuiden van het akkercomplex. De topografische kaart van 1906 laat zien dat er in de ‘Nieuwe Parochie’ een school , kerk en begraafplaats aanwezig waren. Er is een kleinschalige en verspreide bebouwingsontwikkeling op de uiterste grens van het akkerbouwgebied , daar waar de akkers overgaan in de heidevelden van de Somerense Heide. Ter hoogte van het plangebied is een kleinschalige route zichtbaar die momenteel niet meer bestaat. Hoofdas binnen dit buurtschap was de Boerenkamplaan/Sluisstraat en de Nieuwendijk. Deze laatste weg was een nieuwe ontsluitings- en ontginningsweg in zuidwestelijke richting , waar enkele boerenhoven aan waren gesitueerd. Een tweede ontsluitings-/ontginningsas , in zuidelijke richting , werd gevormd door de Goord Verbernedijk.
Langs deze weg werd de ontginning van de zuidelijke (natte) gronden richting Diepenhoek en Groote Heide begonnen. De oorspronkelijke hoofdwegen (Boerenkamplaan , Brugstraat , Sluisstraat en Nieuwendijk) zijn behouden gebleven als de voornaamste structuurlijnen van het dorp. In de loop van de 20e eeuw (figuur 2. 2) is het stratenpatroon in de kern verder verdicht. Alleen in het centrale middendeel , rond de kerk en de pastorie aan de Nieuwendijk , zijn nog grotere open terreinen aanwezig. Figuur 2. 3 toont een afbeelding van de ruimtelijke structuur in en rondom Someren-Eind in 2017.
10/95
Figuur 2. 1 Someren-Eind rond 1900 (Bron: Topotijdreis)
11/95
Figuur 2. 2 Someren-Eind rond 1970 (Bron: Topotijdreis)
12/95
Figuur 2. 3 Someren-Eind rond in 2017 (Bron: Topotijdreis)
2. 2
Huidige situatie
2. 2. 1
Ruimtelijke structuur
De belangrijkste structuurlijnen van Someren-Eind zijn de Boerenkamplaan en de Nieuwendijk. Voorzieningen en bedrijfsactiviteiten zijn over deze straten verspreid. Er is geen echt dorpscentrum , maar er is wel een hoge concentratie van functies op de kruising van de hoofdstructuren. Daarnaast zijn er een aantal grootschalige gebouwen met een maatschappelijke functie in het dorp aanwezig. De bebouwing langs de meeste straten is van kleinschalige aard. Grotere panden komen voor langs het noordelijke deel van de Boerenkamplaan en langs de
Nieuwendijk. De bebouwingsstructuur kenmerkt zich door een wisselend karakter van historische en nieuwere bebouwing. De ruimtelijke structuur van de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 2. 4.
13/95
Figuur 2. 4 Ruimtelijke structuur omgeving plangebied De woningtypologieën rondom het plangebied aan het lint van de Boerenkamplaan en de dorpstraten bestaan voornamelijk uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen van één à twee bouwlagen met een kap , weergegeven in figuur 2. 5. Een groot deel van de niet-woonfuncties is gevestigd in panden met een vergelijkbare bouwmassa als de woningen. Incidenteel komen grotere panden voor.
14/95
Figuur 2. 5 Woningtypologieën rondom plangebied Het bebouwde dorpsgebied heeft door de relatief korte situering van voorgevels op de verkeersstructuur een
versteend karakter. Andere dorpswegen , zoals die ten zuiden van het plangebied (Steenoven , Leemskuilen , Korteweg en Ketelberg) , hebben overwegend een groener karakter. In de woongebieden tussen de oorspronkelijke dorpswegen zijn naast vrijstaande en halfvrijstaande woningen ook aaneengebouwde woningen aanwezig. Het plangebied is gesitueerd aan het lint van de Boerenkamplaan en moet zich verhouden tot de lintbebouwing en de bebouwde komstructuur met dorpstraten ten zuiden daarvan. Ten noorden van het plangebied zijn voornamelijk bedrijven gecombineerd met een woonfunctie aanwezig. Onderstaande figuren 2. 6 /m 2. 8 tonen foto's van de directe omgeving van het plangebied.
Figuur 2. 6 Lint Boerenkamplaan (Bron: Google Streetview)
15/95
Figuur 2. 7 Straatbeeld Leemskuilen - Steenoven ten zuiden van het plangebied
Figuur 2. 8 Zicht op plangebied en naastgelegen bedrijfsfuncties vanuit Korteweg
16/95
2. 2. 2
Plangebied Het plangebied aan Boerenkamplan 110 te Someren-Eind bestaat uit de kadastrale percelen T-923 , T-1529 en 2 T-2142 en heeft een oppervlakte van circa 14. 427 m.2 Hiervan is in de bestaande situatie circa 1. 630 mbebouwd met verouderde bedrijfsopstallen. Daarnaast is aan de noordzijde , parallel aan de bebouwing , terreinverharding in de vorm van een inrit aanwezig. Het westelijk gedeelte van de percelen T-923 en T-2142 vormt een dicht begroeid gebied met bomen en struiken. Perceel T-1529 vormt een open agrarisch gebied met doorkijk richting de Korteweg. In de figuren 2. 9 t/m 2. 12 zijn diverse afbeeldingen van de huidige situatie van het plangebied weergegeven.
Figuur 2. 9 Voorzijde plangebied gezien vanaf Boerenkamplaan
17/95
Figuur 2. 10 Noordoostzijde plangebied met zicht op bestaande opstallen en terreinverharding
Figuur 2. 11 Zicht op begroeid achterterrein gezien vanaf perceelsgrens T-923 - T-1529
18/95
Figuur 2. 12 Open agrarisch gebied (perceel T-1529) met doorkijk richting de Korteweg
2. 3
Toekomstige situatie
Algemeen Van den Eijnde Netwerk B. V. is voornemens binnen het plangebied de bedrijfspanden te slopen en woningbouw mogelijk te maken. Voor de beoogde ontwikkeling is een stedenbouwkundig conceptplan opgesteld , weergegeven in figuur 2. 13 en opgenomen als bijlage 1 van deze toelichting.
19/95
Figuur 2. 13 Stedenbouwkundig conceptplan
stedenbouwkundig conceptplan is na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan door architectenbureau STRK nader uitgewerkt en geoptimaliseerd , waarbij er (ten opzichte van het ontwerp) vier extra woningen in het appartementengebouw mogelijk zijn gemaakt. Het nader uitgewerkt stedenbouwkundig plan is opgenomen in figuur 2. 14 en bijlage 2. Figuren 2. 15 en 2. 16 tonen de uitgewerkte 3D-visualisaties van het plan. Dit
20/95
Figuur 2. 14 Stedenbouwkundig plan nader uitgewerkt (Bron: STRK)
Figuur 2. 15 3D-visualisatie totaalplan (Bron: STRK)
21/95
Figuur 2. 16 3D-visualisatie appartementengebouw (Bron: STRK)
Figuur 2. 17 3D-visualisatie grondgebonden woningen en openbaar gebied (Bron: STRK) Uitgangspunt voor dit bestemmingsplan (plangebied fase 1) is het toevoegen van maximaal 31 woningen. Het
plan bestaat uit een appartementengebouw aan de zijde van de Boerenkamplaan met daarachter een vriendelijk opgezette buurt met groen , parkeervoorzieningen en grondgebonden woningen. Figuur 2. 18 en 2. 19 tonen impressies van de beoogde woningen. Er is een gedifferentieerde bouw
voorzien die is opgenomen in het woningbouwprogramma dat vanuit de
provinciale prognose naar boven is bijgesteld. Het voorliggend planvoornemen gaat uit van: 17 huurappartementen categorie huur , appartement , midden/goedkoop; 12 geschakelde of twee-onder-een-kapwoningen (categorie koop , huis , twee-onder-een-kap); 2 vrije kavels bestemd voor twee woningen (categorie koop , huis , vrijstaand of categorie koop , huis ,
22/95
twee-onder-een-kap).
Figuur 2. 18 Impressie appartementen aan zijde van de Boerenkamplaan (Bron: STRK)
Figuur 2. 19 Impressie twee-onder-een-kapwoningen (Bron: STRK)
Aansluiting op omgeving Het ontwerp van de beoogde ontwikkeling sluit aan bij de bestaande bebouwing rondom het plangebied , waar met name grondgebonden woningen in één of twee lagen met kap en twee-laagse appartementsgbouwen voorkomen. In het stedenbouwkundig plan is aandacht besteed aan het creëren van verbindingen met het dorpscenturm van
Someren-Eind. Zo is er gekeken naar de richting van de straten en de positie van de nieuwe bebouwing ten opzichte van de bestaande bebouwing. Door deze lijn door te trekken , ontstaat er herkenbaarheid en overzichtelijkheid ten aanzien van routing en zichtlijnen. Landschap en groen Naast de verbinding met het dorpscenturm vormen de thema's groen en landschap een wezenlijk aandachtsgebied bij de totstandkoming van dit stedenbouwkundig plan en zullen ook bij de nadere uitwerking een prominente rol spelen. De ambitie bij deze inbreidingslocatie met uitloop naar het buitengebied is het toevoegen van kwaliteit en het creëren van een zachte verbinding tussen buitengebied en bestaand bebouwd gebied. De openbare ruimte tussen de woningen vormt een kleinschalige dorpse groene structuur die door middel van wiggen kleinere plekken met elkaar verbindt. De openbare ruimte op het landschappelijk gedeelte van het
plangebied vormt een grootschalige groene landschapsstructuur met ruimte voor waterberging en biodiversiteit. Voor dit gebied is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld , weergegeven in figuur 2. 20 en opgenomen als
bijlage 1 bij de regels van voorliggend bestemmingsplan.
23/95
De
belangrijkste landschappelijke thema's en
uitgangspunten zijn:
Waterberging op een natuurlijke plek; Toevoegen langzaamverkeersroute; Toevoegen en behouden van groenstructuur; Klimaatadaptieve maatregelen.
Figuur 2. 20 Landschappelijke inpassing , kaart 1
Doorkijk fasering Voorliggend bestemmingsplan biedt zoals eerder beschreven het juridisch-planologisch kader waarbinnen het initiatief voor fase 1 mogelijk kan worden gemaakt. Fase 2 is vanwege een mogelijke voorsortering en een integrale afweging wel meegenomen in het opgestelde concept stedenbouwkundig en landschappelijk inpassingsplan , maar maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Daarbij kan gesteld worden dat fase 1 zowel op zichzelf als in samenhang met fase 2 kan functioneren. Mocht fase 2 niet worden gerealiseerd , biedt fase 1 an sich nog steeds de mogelijkheid om een kwalitatieve en passende ontwikkeling mogelijk te maken. De landschappelijke inpassing is weergegeven in figuur 2. 21.
24/95
Figuur 2. 21 Landschappelijke inpassing wanneer fase 2 niet haalbaar is Bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is ook rekening gehouden met eventuele toekomstige
ontwikkelingen van het achterliggende agrarisch gebied voor woningbouw.
25/95
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Inleiding
3. 1
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3. 2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3. 3. Tot slot wordt in paragraaf 3. 4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Rijksbeleid
3. 2 3. 2. 1
Nationale Omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie , kortweg NOVI , loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden , maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere , meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050?
Als we alle wensen naast elkaar leggen , ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is , met schone lucht , schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
met een uitstekend functionerende economie , die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze
buurlanden en de rest van de wereld , als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen , en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid , waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt , met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen , ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap , tussen natuur en cultuur , tussen land en water; dat openstaat voor verandering , en waar de kracht van zijn traditie , cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten , waterschappen , provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale , regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin
26/95
meerdere nationale belangen bij elkaar komen , en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn:
Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte voor overgang naar een circulaire economie;
Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen
bestaand stedelijk gebied , zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige , gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer , veilige fiets- en wandelpaden , meer groen , ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad , en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod , maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing Net zoals in grote delen van Nederland is er op dit moment in de regio en in de gemeente Someren sprake van een schaarste aan geschikte woningen , met als gevolg een overspannen woningmarkt. Er is behoefte aan nieuwe
woningbouwlocaties , te beginnen in het bestaand bebouwd gebied. De locatie aan de Boerenkamplaan te Someren-Eind biedt hiervoor nadrukkelijk kansen. 3. 2. 2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in de NOVI. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de NOVI wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam , het kustfundament en defensie. Toetsing Op het plangebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro.
27/95
3. 2. 3
Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3. 1. 6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken , aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt bij woningen op basis van jurisprudentie op circa 11-14 woningen. De ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit twee stappen: de eerste stap bestaat uit het aantonen van
de behoefte voor de beoogde ontwikkeling. Voor de tweede stap wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied , dient dit nadrukkelijk gemotiveerd te worden in de toelichting van het bestemmingsplan. Toetsing
Algemeen Uitgangspunt voor fase 1 is het toevoegen van maximaal 31 woningen. Er is een gedifferentieerde bouw op het
deze woningbouw is opgenomen in het woningbouwprogramma dat vanuit de provinciale prognose naar boven is bijgesteld. Het planvoornemen is zoals beschreven berust op: 17 huurappartementen categorie huur , appartement , midden/goedkoop; 12 geschakelde of twee-onder-een-kapwoningen (categorie koop , huis , twee-onder-een-kap); 2 vrije kavels bestemd voor twee woningen (categorie koop , huis , vrijstaand of categorie koop , huis , twee-onder-een-kap). oog en
Bestaand stedelijk gebied In artikel 1. 1. 1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen , dienstverlening , bedrijvigheid , detailhandel of horeca , alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen , stedelijk groen en infrastructuur. Het plangebied aan Boerenkamplaan 110 ligt voor een groot deel in bestaand stedelijk gebied. Het landschappelijk gedeelte van het terrein ligt echter buiten de bebouwde kom. Stedelijke ontwikkeling Het geldende bestemmingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan maakt geen woningen mogelijk. In dit geval worden in totaal maximaal 31 woningen mogelijk gemaakt. Het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Relevante woonregio Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van wat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Someren , binnen de regio Zuidoost-Brabant. De regio Zuidoost-Brabant is verder onderverdeeld in een drietal subregio's. De gemeente Someren valt onder de
28/95
subregio De Peel. De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de beoogde ontwikkeling blijkt uit diverse bronnen die hierna
worden behandeld. Kwantitatieve behoefte Regionale woondeal Zuidoost-Brabant Er is sprake van een groot woningtekort. De regio zet zich , in samenwerking met corporaties en marktpartijen , in voor de realisatie van minimaal 45. 135 woningen in de periode 2022 tot en met 2030. Elke gemeente neemt een fair share van de regionale opgave. Ze maken daarom afspraken over de minimale opgave per gemeente. Meer realiseren mag , dan wordt het woningtekort sneller ingelopen. De regionale woondeal is raadpleegbaar via deze link:
https://noordbrabant. bestuurlijkeinformatie. nl/Document/View/dd515c11-420d-4b1a-9b8e-7a9db1c0bf71. Tabel 3. 1 Fair share woningbouwopgve Zuidoost-Brabant 2022 t/m 2030 (Bron: Provincie Noord-Brabant)
29/95
Tabel 3. 2 Woningbouwopgave per gemeente per jaar 2022 t/m 2030 (Bron: Provincie Noord-Brabant)
30/95
In de regionale woondeal Zuidoost-Brabant staat voor gemeente Someren het te bouwen aantal van netto 820 woningen tot en met 2030 , waarvan tweederde betaalbaar (30% sociaal , 16% middenhuur en 20% betaalbare
koop). Ook is aangegeven dat er slechts harde plancapaciteit is voor 405 woningen. De opgave ligt 30% hoger dan wat in de Woonvisie , welke ook in deze paragraaf aan bod komt , van de gemeente Someren staat. Momenteel is de gemeente Someren bezig om een Omgevingsvisie op te stellen waaruit moet blijken waar en wanneer er extra huizen worden gebouwd. Kwalitatieve behoefte Woonvisie Someren 2030 De Woonvisie Someren 2030 is op 12 december 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Someren. Om een aantrekkelijke woongemeente te blijven en nog meer te worden , worden de volgende beleidspunten en
gehanteerd. Voor voorliggend bestemmingsplan zijn de algemene uitgangspunten ten aanzien van duurzaamheid en cirulariteit en nieuwbouw relevant. Hierna worden de uitgangspunten opgesomd. uitvoeringspunten
Duurzaamheid en circulariteit 1. Realisatie van duurzaam , maar ook blijvend betaalbaar , wonen. Betaalbaar wonen is een uitgangpunt bij het opstellen van bijvoorbeeld de Warmtevisie en -plan(nen) en het ontwikkelen van een aanpak om particuliere woningen transitie gereed te maken. 2. Gezamenlijk optrekken met partners zoals de woningstichtingen en corporaties (Zummere Power , Lierop Leeft) en bewoners voor de realisatie van een energie neutrale en aardgasloze woningvoorraad. 3. De voorlichtingscampagne onweerstaanbaar Someren verbreden om naast de woning klimaatbestendig te maken , ook te verduurzamen met oog voor circulaire materialen en natuur inclusieve materialen. 4. De statiegeldregeling circulair bouwen Groote Hoeven te evalueren en bij een positieve evaluatie deze regeling gemeentebreed inzetten bij nieuwe woningbouwplannen. 5. Daar waar mogelijk inzetten op regeninfiltratie op eigen terrein. 6. De Duurzaamheidslening wordt voortgezet. Bij een volgende actualisatie wordt bezien of het toepassen van circulaire materialen en natuur inclusieve materialen ook onder de lening kan vallen. Nieuwbouw
31/95
1.
2.
3.
4. 5.
Basisprincipe blijft vraag- en behoeftegericht bouwen , waarbij ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen een ruime mate van flexibiliteit kennen om relatief snel in te kunnen springen op behoefteveranderingen.
Gestuurd wordt op gedifferentieerde wijken en buurten met een goede verhouding tussen sociale huur en koop in verschillende klassen. De prioriteit ligt op een kwalitatieve aanvulling van het woonaanbod (niet meer van hetzelfde) en daarmee op de doelgroepen die onvoldoende mogelijkheden hebben op de huidige woningmarkt: a. Medioren / senioren (zelfstandig wonend). Dit is de doelgroep die de komende jaren het hardst in aantal zal groeien en specifieke woonwensen heeft waaraan in de bestaande woningvoorraad (nog) niet voldoende kan worden tegemoetgekomen. b. (Her)starters en jonge gezinnen doordat zij , voornamelijk vanuit betaalbaarheid , vaker moeite hebben om een passende woning te vinden in de gemeente Someren. Daarbij draagt deze doelgroep bij aan de leefbaarheid van de kernen. c. Sociale huur , omdat in dit segment vaak de inwoners wonen die extra aandacht nodig hebben. Adequate huisvesting is nog meer dan bij andere doelgroepen een goed fundament. Aandacht dient daarbij te zijn voor een goede verdeling koop en huur in de verschillende wijken. Prioritaire woonsegmenten zijn levensloopgeschikte woningen (huur en koop) , starterswoningen tot idealiter € 200. 000 (prijspeil 2019 , volgend uit de MRE-begrippenlijst) , sociale huurwoningen en woonvormen met een koppeling met zorg. Woningbouwplannen die hierin voorzien worden met prioriteit opgepakt.
Someren conformeert zich aan de subregionale woningbouwafspraken. Someren hanteert een verdeling van het nieuwbouwprogramma van 35% in de sociale sector en 65% in de vrije sector.
6.
Een beperkte toename van vrije sector huur is wenselijk (tussen de huurtoeslaggrens en € 1.000-) , , maar heeft geen prioriteit.
7.
Om de leefbaarheid in de kernen te versterken wordt de nieuwbouw naar sturende behoefte verdeeld over de kernen. In de startnotitie is nog als huidige opgave opgenomen: Someren-Dorp kent een opgave van 61% ,
Someren-Eind 19% , Someren-Heide 8% en Lierop 12%. 8. Gemeentelijke kavels in nieuwe plannen en/of op moment dat signalen zijn dat er kavels interessant bevonden worden , worden via loting aangeboden. 9. Toewijzing door anderen vindt eerlijk , transparant en achteraf controleerbaar plaats. 10. Om te voorzien in voldoende planologische bouwmogelijkheden wordt voor inbreidingslocaties een totale plancapaciteit nagestreefd van 130%. 11. Goede volkshuisvestelijke en stedenbouwkundige plannen op inbreidingslocaties , stranden niet op een stringente toetsing aan de geldende parkeernormen en/of waterhuishoudkundige normen en/of flora- en faunanormen. Conclusie ladder De beoogde ontwikkeling is aan te merken als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De woningbouwplannen zijn kwantitatief afgestemd op de provinciale en regionale behoeften. Vanuit kwalitatief oogpunt blijft vraagen behoeftegericht bouwen het basisprincipe. Hierbij dienen ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen een ruime mate van flexibiliteit kennen om relatief snel in te kunnen springen op behoefteveranderingen. Gestuurd wordt op gedifferentieerde wijken en buurten met een goede verhouding tussen sociale huur en koop in verschillende klassen. De prioriteit hierbij ligt op een kwalitatieve aanvulling van het woonaanbod en daarmee
32/95
de doelgroepen die onvoldoende mogelijkheden hebben op de huidige woningmarkt , te weten medioren/senioren , (her)starters en jonge gezinnen en sociale huur. Het initiatief aan Boerenkamplaan 110 te op
Someren-Eind speelt nadrukkelijk in op deze ambities en past het hiermee binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3. 2. 4
Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen het rijksbeleid.
3. 3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend , verbonden , klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende , duurzame economie 3. 3. 1
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen , werken en verblijven blijft.
Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing
Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Herbestemmen wordt gezien als het nieuwe bouwen: als gevolg van economische , technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen namelijk de kansen om de forse woningbouwopgave van circa 120. 000 woningen in de komende tien jaar te realiseren. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij. 3. 3. 2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) zijn instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit , inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. In de Iov N-B zijn regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het plangebied ligt conform de kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' zoals weergegeven in figuur 3. 1 binnen het
33/95
werkgebied 'landelijke kern' en 'verstedelijking afweegbaar'. Daarbij geldt dat het appartementengebouw en zes twee-onder-een-kapwoningen zoals beschreven in paragraaf 2. 3 voorzien zijn binnen het werkgebied 'landelijke kern' en zes twee-onder-een-kapwoningen en twee vrije kavels voorzien zijn binnen het werkgebied 'verstedelijking afweegbaar'. Conform de themakaart 'landelijk gebied' (figuur 3. 2) ligt het plangebied in het werkgebied 'gemengd landelijk gebied'. Conform de themakaart 'Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen' (figuur 3. 3) zijn gedeeltelijk ook diverse werkgebieden van kracht , te weten 'beperkingen veehouderij' , 'stalderingsgebied' en 'glastuinbouw-vestigingsgebied'. Tenslotte zijn conform de themakaart 8 'Instructieregels voor waterschappen: watersystemen , -veiligheid en -berging' de werkgebieden 'norm wateroverlast stedelijk gebied' en 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' van toepassing. Deze kaart is weergegeven in figuur 3. 4.
Figuur 3. 1 Uitsnede kaart 'stedelijke ontwikkelingen en erfgoed' (Bron: Provincie Noord-Brabant)
34/95
Figuur 3. 2 Uitsnede kaart 'landelijk gebied' (Bron: Provincie Noord-Brabant)
Figuur 3. 3 Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen' (Bron: Provincie Noord-Brabant)
35/95
Figuur 3. 4 Uitsnede kaart 'Instructieregels voor waterschappen: watersystemen , -veiligheid en -berging' (Bron: Provincie Noord-Brabant) In
hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit , inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Voor het planvoornemen zijn onderstaande regels en basisprincipes uit de Interim omgevingsverordening van toepassing.
Regels voor stedelijke ontwikkeling artikel 3. 43 afwijkende regels verstedelijking afweegbaar; Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies: artikel 3. 5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
artikel 3. 6 zorgvuldig ruimtegebruik; artikel 3. 7 toepassing van de lagenbenadering; artikel 3. 8 meerwaardecreatie; artikel 3. 9 kwaliteitsverbetering landschap; Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Interim omgevingsverordening getoetst.
Artikel 3. 43 afwijkende regels verstedelijking afweegbaar
36/95
Regels In afwijking van artikel 3. 42 Duurzame stedelijke ontwikkeling , eerste lid , kan een bestemmingsplan , ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken , bedoeld in afdeling 5. 4 Regionaal samenwerken; d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Toetsing a.
b. c.
d.
Met
de beoogde ontwikkeling worden maximaal 31 woningen mogelijk gemaakt. Hiervan worden 23 woningen binnen het werkingsgebied 'landelijke kern' en 8 woningen binnen de aanduiding 'verstedelijking afweegbaar' mogelijk gemaakt. Binnen het werkingsgebied 'landelijke kern' is onvoldoende ruimte om de heersende woningbouwbehoefte zoals beschreven in paragraaf 3. 2. 3 volledig op te vangen. Daarom onderzoekt de gemeente Someren in het kader van de Omgevingsvisie momenteel ook de mogelijkheden om woningbouw binnen het gebied 'verstedelijking afweegbaar' te realiseren , bij voorkeur in aansluiting op inbreidingslocaties. Hiervoor liggen nadrukkelijk kansen aangezien de toekomstige Omgevingsgwet , welke per 1 januari 2024 in werking treedt , meer maatwerkmogelijkheden biedt om het doel omgevingskwaliteit te creëren. Het initiatief aan de Boerenkamplaan biedt nadrukkelijk kansen om in aansluiting op reeds bebouwde gronden een waardevolle , landschappelijk geïntegreerde woningbouwontwikkeling mogelijk te maken en hierbij ook kwaliteitsverbetering te realiseren. Hierbij kan de inbreidingslocatie als een gekoppelde groene loper doorgetrokken worden in het werkingsgebed 'verstedelijking afweegbaar'. Het realiseren van maximaal 31 woningen is binnen bestaand leegstaand vastgoed momenteel niet mogelijk / niet aan de orde.
De ontwikkeling past binnen de Regionale woondeal Zuidoost-Brabant , zoals beschreven in paragraaf 3. 2. 3. De kern krijgt een duurzame afronding en past binnen de landschapsstructuur zoals beschreven in paragraaf 2. 3 en weergegeven in bijlage 1. Het te ontwikkelen landschap van de nieuwe wijk is van belang als 'uitloper' voor bestaande bewoners van Someren-Eind en biedt kansen om de waterkundige en landschappelijke waarden in het gebied te versterken. Met deze ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de waterproblematiek in Someren-Eind. In paragraaf 4. 13wordt dit nader toegelicht. Daarnaast kan gesteld worden dat de stedelijke rand op de planlocatie wordt doorgezet , waarmee er een duidelijke strakke grens ontstaat tussen bebouwd gebied en open landschap.
Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels voor verstedelijking afweegbaar , er wordt voldaan aan de regels van artikel 3. 43 van Iov N-B. Artikel 3. 5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Artikel 3. 5 vormt de opmaat voor een goede omgevingskwaliteit. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige , gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met:
37/95
zorgvuldig ruimtegebruik; de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3. 6 t/m 3. 8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3. 9). Deze artikelen
worden hierna nader toegelicht. Artikel 3. 6 zorgvuldig ruimtegebruik Regels Hierna worden de regels van artikel 3. 6 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing , behalve in de gevallen dat: nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding , al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie , op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
b. c.
bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 , tweede lid , van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); gebouwen , bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel
Toetsing a.
b.
c.
38/95
Ingevolge artikel 3. 6 lid 2 wordt onder bestaand ruimtebeslag verstaan: 'bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel'. Onder nieuwvestiging verstaat de Iov Noord-Brabant: 'vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan'. Voorliggend plan voorziet in de wijziging van het gebruik van de locatie met een bedrijfs- en agrarische bestemming naar wonen met de benodigde infrastructuur en groenvoorzieningen ten behoeve van de realisatie van maximaal 31 woningen. Binnen het bestaand stedelijk gebied is onvoldoende ruimte beschikbaar om de volledige behoefte op te vangen. Daarom wordt , in aansluiting op de inbreiding binnen het werkingsgebied 'landelijke kern' , uitgeweken naar het gebied 'verstedelijking afweegbaar' (artikel 3. 43) en wordt ingespeeld op de koppelkansen voor waterberging en landschap. Er wordt daarmee voldaan aan deze regel. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking , als bedoeld in artikel 3.1.6 , tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening , heeft plaatsgevonden in paragraaf 3. 2. 3. Daar wordt onderbouwd dat de woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt passen binnen de behoefte en wordt de potentie van deze locatie onderbouwd. De ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van de omliggende wegen- en bomenstructuur.
De woningen worden conform het stedenbouwkundig ontwerp per bouwblok geconcentreerd , met voldoende openbare ruimte tussen de verschillende bouwblokken. Ten aanzien van het gehele plangebied kan worden gesteld dat de stedelijke rand op de planlocatie wordt doorgezet , waarmee er een duidelijke strakke grens ontstaat tussen bebouwd gebied en open landschap.
Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik , er wordt voldaan aan de regels van artikel 3. 6 van Iov Noord-Brabant. Artikel 3. 7 toepassing van de lagenbenadering Hierna worden de regels van artikel 3. 7 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. Regels 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond , zoals de bodem , het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag , zoals infrastructuur , natuurnetwerk , energienetwerk , waterwegen waaronder een goede , multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies , de effecten op volksgezondheid , veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde , vanuit het verleden , de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Toetsing De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen.
Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op:
de ondergrond; de netwerklaag; de bovenste laag. Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem , grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur , natuurnetwerk , energienetwerk , waterwegen waaronder een goede , multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de
beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies , de effecten op volksgezondheid , veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden , heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Hieruit blijkt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied
voorstelbaar is en dat er geen nadelige effecten zijn. De
waarden en structuren in en om het plangebied worden in acht genomen. In het stedenbouwkundig plan voor deze uitbreidingswijk is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden binnen het plangebied , zie paragraaf 2. 3. Daarbij wordt tevens aangesloten op
39/95
aanwezige
waarden en structuren uit de directe omgeving , zodaat het plan inpasbaar is. Vanuit landschappelijk oogpunt wordt ingespeeld op de volgende uitgangspunten: Doortrekken stedelijke rand: de stedelijke bebouwingsrand wordt op de planlocatie doorgezet , zodat er een zuidelijke strakke grens ontstaat tussen rand en open landschap. Behouden bestaand groen: zoveel mogelijk behoud van bestaande groenstructuren die aanwezig zijn op de planlocatie. Zichtbare waterberging: de noodzakelijke waterberging die gecrëeerd moet worden op de planlocatie dient op een zichtbare en beleefbare manier worden vorm gegeven. Dit gedeelte van het plangebied ligt lager en is dus een logische locatie voor waterberging. In de vorm van een wadi wordt het regenwater geborgen. Aan de randen van de wadi is ruimte voor een natuurvriendelijke oever. Zo heeft de wadi niet alleen waterbergende functie , maar draagt de wadi ook bij aan het versterken van de biodiversiteit. Open zicht op landschap: het noordelijk deel van de planlocatie grenst aan het open landschap , open zicht vanuit de planlocatie op het landschap dient behouden te blijven. Eigen ontsluiting: vanaf de Boerenkamplaan komt er een nieuwe ontsluitingsweg naar de nieuwe ontwikkeling op de planlocatie.
Koppeling recreatief netwerk: koppelkans om binnen de nieuweontwikkeling nieuwe recreatieve verbindingen aan te leggen die het recreatief netwerk van Someren verbeteren. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan het principe van de lagenbenadering. Artikel 3. 8 meerwaardecreatie Hierna worden de regels van artikel 3. 8 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. Regels 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische , ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken , waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit , bedoeld in artikel 3. 9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling wordt meerwaarde gecreëerd door het toekennen van een nieuwe functie , namelijk de realisatie van maximaal 31 woningen en bijbehorende ondergeschikte voorzieningen. De wijk wordt
natuur-inclusief ontwikkeld en zowel fysiek als beleefbaar betrokken bij de omgeving. Op het gebied van landschappelijke inpassing (bijlage 1 van de regels van voorliggend bestemmingsplan) wordt ingespeeld op de uitgangspunten groenbehoud , open zicht en zichtbare waterberging. Hiermee ontstaat een toekomstgericht en duurzaam woningbouwplan met daarbij de integratie van groen en water inclusief een beleefbare overgang tussen bebouwd en landelijk gebied. Conclusie Er wordt voldaan aan het basisprincipe van meerwaardecreatie.
40/95
Artikel 3. 9 kwaliteitsverbetering landschap Hierna worden de regels van artikel 3. 9 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. Regels 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel , juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg , bedoeld in artikel 62 Regionaal Overleg , worden nagekomen. 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit omvat mede: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen , versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Toetsing Met de herontwikkeling van een inbreidingslocatie van maximaal 31 woningen wordt het plangebied betrokken bij htoeet stedelijk gebied. Op basis van artikel 3. 43 verstedelijking afweegbaar is dit mogelijk en hiervoor heeft ,
zoals beschreven in paragraaf 3.2.3 , een zorgvuldige afweging plaatsgevonden. De landschappelijke inpassing is uitgewerkt in bijlage 1 van de regels van het bestemmingsplan. Over de uitwerking van de kwaliteitsverbetering in relatie tot het plan heeft afstemming met gemeente en provincie plaatsgevonden en is nader uitgewerkt in paragraaf 3. 4. 2.
Conclusie Voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de regels voor kwaliteitsverbetering zoals is bedoeld in artikel 3. 9 Iov
Noord-Brabant. 3. 3. 3
Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 11 maart 2022 hebben Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De verordening treedt gelijktijdig met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking. In de Omgevingsverordening komt het werkingsgebied 'verstedelijking afweegbaar' , zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening , te vervallen. De gemeente krijgt meer ruimte om een eigen afweging te maken mits een afweging is gemaakt in een gebiedsvisie en de lagenbenadering is toegepast. Toetsing
41/95
De gemeente is momenteel bezig met het opstellen van de omgevingsvisie om in de toekomst ontwikkelingen nader af te kunnen wegen. De afweging voor de ontwikkeling van het plangebied aan de Boerenkamplaan heeft in de principeverzoekfase reeds uitgebreid plaatsgevonden. Het initiatief is voorstelbaar mits de voorwaarden en aandachtspunten ten aanzien van eisen uit de Regionale Woondeal Zuidoost Brabant , uitwerking van de
openbare ruimte , wateropgave en landschappelijke inpassing in acht genomen worden. 3. 3. 4
Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.
Gemeentelijk beleid
3. 4 3. 4. 1
Structuurvisie Someren 2028 Op 24 april 2013 is de 'Structuurvisie Someren 2028' vastgesteld. Deze structuurvisie integreert reeds bestaande beleidsdocumenten en scherpt het beleid op sommige punten aan. In de Structuurvisie geeft de gemeente Someren aan in 2028 een duurzame , krachtige , zelfbewuste en zelfstandige gemeente te willen zijn die haar landelijke positie in Brainport goed weet te benutten. Someren ontleent haar identiteit aan het landelijke Brabantse karakter. Het kwalitatief goede bos- , natuur- en buitengebied zorgt er mede voor dat Someren een goed woonklimaat kent en een aantrekkelijke vestigingslocatie is voor bedrijven met een schaal die past bij Someren. Door de verscheidenheid en toegankelijkheid van het buitengebied in zijn algemeenheid en een landelijk bekende toeristische attractie specifiek , heeft Someren een aantrekkingskracht op recreanten. Voor het buitengebied wordt gestreefd naar het handhaven en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Om dit te bereiken , is er voorrang in dit gebied voor boeren , burgers en buitenlui (recreanten). De landschappelijk waarden en de natuur willen we behouden en daar waar mogelijk versterken. Bedrijfsmatige activiteiten die hierin niet thuishoren worden tegengegaan. Voor specifiek
het thema wonen in de kern Someren-Eind wordt het volgende gesteld. Er zijn beoogde woningbouwlocaties aangewezen voor de korte termijn. In de periode tot 2028 wordt nog conform de provinciale woningbouwprognose 2011 de bouw voorzien van 279 woningen in de gehele gemeente Someren. Someren-Eind neemt hiervan 19% voor haar rekenig , wat resulteert in 53 woningen. Verschillende herstructureringslocaties , alsmede een verdere voltooiing van de nieuwe uitbreidingslocatie in het oosten kunnen deze vraag ruimtelijk faciliteren. Toetsing Het plangebied kent conform de structuurvisiekaart Someren-Eind (figuur 3. 5) globaal een drietal gebiedstypes:
Gemengd dorpslint: combinatie wonen en kleinschalige bedrijvigheid; Bebouwde kom; Groene rand.
42/95
Figuur 3. 5 Structuurvisiekaart Someren-Eind met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Someren) De verschillende gebiedstypes conform de structuurvisiekaart tonen aan dat het plangebied een gemengd gebied met mogelijkheden betreft. Functies die door hun groei in aard , schaal en karakter niet thuis horen in
zo’n gemengde omgeving dienen te verhuizen naar een specifieke locatie zoals het bedrijventerrein of het centrumgebied. Als actie wordt ingezet op het versterken van de beeldkwaliteit en het optimaliseren van het ruimtegebruik van de beschikbare openbare en private ruimte door middel van herstructurering in samenwerking met de grondeigenaren. Uitbreiding van de bedrijfsfuncties op deze locatie is qua maat , schaal en afstanden ten opzichte van de bestaande woningen aan de Steenoven en Leemskuilen niet wenselijk.
43/95
Woningbouw met daarbij oog voor een kwalitatieve openbare ruimte op deze locatie is daarentegen wel voorstelbaar. 3. 4. 2
Landschapsinvesteringsregeling Op grond van het provinciaal beleid geldt de regeling 'Kwaliteitsverbetering van het landschap'. Het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling is in 2015 geactualiseerd en bevat een categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. De beoogde ontwikkeling valt in categorie 3. Dit zijn ontwikkelingen met een grote impact waarbij naast een
landschappelijke inpassing een kwaliteitsverbetering van het landschap moet plaatsvinden. Het afsprakenkader geeft richting aan de minimale kwaliteitsverbetering. De kwaliteitsverbetering komt bovenop de verplichte landschappelijke inpassing. Deze kwaliteitsverbetering kan op onderstaande wijze , of een combinatie daarvan , geeffectueerd worden:
Fysieke bijdrage binnen het plangebied en of de directe projectomgeving , waarbij de waarde overeenkomt met 20% van de grondwaardevermeerdering; 1. Fysieke bijdrage elders binnen de gemeente mits in overeenstemming met gemeentelijke uitvoeringsprojecten op het gebied van natuur en landschap; 2. Storting van de 20% van de grondwaardevermeerdering in het 'Fonds Omgevingskwaliteit” 3. Diverse fysieke en zichtbare verbeteringen in het landschap dragen bij aan de kwaliteitsverbetering. Door de gemeente Someren wordt een rekenmethodiek gehanteerd waarmee de waardevermeerdering van de
gewijzigde situatie wordt berekend. Minimaal 1% van de uitgifteprijs moet in de kwaliteitsverbetering worden geïnvesteerd. De kosten van de sloop van gebouwen en het verwijderen van verharding mag hierop in mindering worden gebracht. Toetsing De uitgifteprijs van de kavels kan gebaseerd worden op de grondprijzen die de gemeente hanteert. In dit geval
bedraagt de grondprijs voor vrije sector kavels € 314/m.2 (zie ook https://www. someren. nl/fileadmin/Someren/PDF_formulieren_producten/Raad_en_college/Financiele_stukke n/Programmabegroting_2023.pdf , pagina 113). Door de oppervlakte (in m)2 uitgeefbare grond voor het westelijk deel van het plangebied (de 2 kavels en 6
twee-onder-een-kapwoningen te vermenigvuldigen met €314 , (1% van de uitgifteprijs) , kan de minimale omvang van de investering in het landschap berekend worden. Dit westelijk deel van het plangebied omvat 2.57146 , m 2 uitgeefbaar inclusief tuinen. Dit betekent een noodzakelijke investering in het landschap van minimaal € 8.07438. , Uit de berekening , bijgevoegd als bijlage 3 , blijkt dat de investering in het landschap is geraamd op € 8.79465. , Hiermee wordt voldaan aan het beleid.
44/95
3. 4. 3
Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het gemeentelijk beleid.
45/95
Hoofdstuk 4
4. 1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende
paragraaf.
4. 2
Vormvrije m. e. r. -beoordeling
4. 2. 1
Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m. e. r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig , projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m. e. r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen , na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu , gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Conform het besluit m. e. r. moet voor de ontwerpfase een m. e. r-beoordelingsbeslissing worden genomen , waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is , gelet op de kenmerken van het project , de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4. 2. 2