Toelichting
Tekst van het document
Strategielijn 2: Someren bedient de doelgroepen op hun wenken door te beschikken over uitgebreid dagrecreatief aanbod binnen de lifestyle outdoor, samen gezellig en actief. De gemeente wil haar dagrecreatief aanbod uitbreiden door werving van regionale trekkers. De initiatiefnemer ontvangt op dit moment reeds groepen van buiten Someren en bewijst daarmee bij te dragen aan het trekken van mensen uit de regio. Het aanbod van initiatiefnemer kenmerkt zich door outdoor activiteiten in groepsverband. •
Strategielijn 3: Ondernemers werken onderling en met de gemeente structureel samen, ook op regionaal niveau.
Initiatiefnemer biedt arrangementen aan waarbij andere Somerense bedrijven worden betrokken. Zo wordt een ‘Tour en Taste’ arrangement aangeboden waarbij bezoekers een tour door de omgeving maken en daarbij stoppen bij verschillende horecazaken, en de streekproductenroute waarbij gasten de ingrediënten voor de maaltijd die ze koken, kopen bij verschillende streekproductenwinkels. Tevens draagt het bedrijf bij aan het zichtbaar maken van aanbod van andere bedrijven in de gemeente. •
Strategielijn 4: Someren is een aantrekkelijk gebied om zich te vestigen door een goed ondernemersklimaat en gunstige vestigingsvoorwaarden. De gemeente wil een eenduidig horecabeleid voeren met daarin oog voor het belang van horeca voor de gezonde exploitatie van een toeristisch bedrijf. Dit horecabeleid is als nadere uitwerking op de Toeristische visie in 2021/2022 vastgesteld. De initiatiefnemer werkt nauw samen met andere bedrijven binnen de gemeente. •
Strategielijn 6: Someren profileert zich op de kernwaarden 'outdoor, samen gezellig en actief' door haar fysieke en landschappelijke kwaliteiten te versterken Initiatiefnemer draagt bij aan de genoemde kernwaarden ‘samen gezellig’ en ‘actief’. Het verzorgen van workshops voor het koken van maaltijden en het verhuren van voertuigen kan worden aangemerkt als gezellig en actief. De gasten beleven op De Longhorn Ranch het natuurlijke, weidse en agrarische karakter dat Someren kenmerkt. De ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijk inpassingsplan VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
dat bijdraagt aan de landschappelijke kwaliteit zoals beschreven in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022. De gemeente Someren faciliteert ondernemers die initiatieven hebben en stimuleert ontwikkelingskansen. De Longhorn Ranch/BuitenEten is van toegevoegde waarde voor de gemeente Someren. Het unieke concept sluit aan bij de wensen van de gemeente Someren om recreatieve gemeente te zijn met onderscheidend vermogen. Bezoekers uit de regio en verre omstreken weten de ranch te vinden, voor de bezichtiging van de bijzondere runderen en het beleven van de activiteiten op de ranch. Daarnaast heeft De Longhorn Ranch een verbindende functie met de omgeving. Met het verhuur van de rijwielen en voertuigen wordt de waardevolle natuurlijke omgeving die Someren te bieden heeft belicht voor het brede publiek. De beoogde ontwikkeling is daarmee passend binnen de toeristische visie voor de gemeente.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
4. MILIEUASPECTEN Bodemkwaliteit 4.1.1
Beleidskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet.
4.1.2
Toets
Binnen het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend wordt hiervan de conclusie weergegeven. “Op een terrein aan de Beliënberkdijk 42 te Someren is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als niet-verdacht beschouwd. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740. In de ondergrond en het grondwater ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank zijn geen verontreinigingen aangetroffen met minerale olie en/of vluchtige aromaten. Onder de verhardingen (beton/asfalt) worden plaatselijk sterke verontreinigingen aangetroffen met zink en koper ten gevolge van zinkassen. Ter plaatse van de onverharde terreindelen op het erf worden lichte tot geen verontreinigingen aangetroffen in de grond. In de zandige ondergrond zijn evenmin verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en/of zink. Naar aanleiding hiervan merken wij op dat er ons inziens, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld behoeven te worden aan de beoogde wijziging van de bestemming. Ten aanzien van de sterke verontreinigingen is feitelijk sprake van een gesaneerde situatie, de verontreinigingen zijn afgedekt met een sluitende verharding.
Wanneer de verhardingen verwijderd worden en hier graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dan zullen deze werkzaamheden als sanering moeten worden uitgevoerd door een SIKB7000 erkende aannemer. Voor uitvoer van deze werkzaamheden dient een BUS-melding of saneringsplan bij het bevoegd gezag te worden ingediend. Ons inziens behoeven er voor het overige, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan toekomstige activiteiten op de onderzochte locatie. De lichte verontreinigingen in de onverharde bovengrond en in het grondwater vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar. Het is echter raadzaam om geen freatisch grondwater te gebruiken voor consumptieve doeleinden, zoals het besproeien van gewassen en/of drenken van dieren. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit vormt geen bezwaar voor de gewenste herontwikkeling. Wel gelden enkele aandachtspunten. De verharding ter plaatse van de geconstateerde sterke verontreinigingen met enkele zware metalen dient in stand gehouden te worden. Als deze wordt verwijderd/vervangen dient een bodemsanering plaats te vinden en dient vooraf een nader bodemonderzoek te worden verricht om de omvang van de verontreiniging met zware metalen aangetoond te worden en dient op die plaatsen waar zich puin in de grond bevindt bodemonderzoek naar asbest te worden verricht conform NEN 5707. Deze verhardingen bevinden zich ter hoogte van de zuidelijke inrit. Deze blijft intact. Ter plaatse van de Beliënberkdijk (openbare weg en bermen) dient rekening gehouden te worden met de bodemverontreinigingen met zware metalen. In het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) zijn zeer waarschijnlijk aanvullende procedures noodzakelijk om b.v. een oprit en de huisaansluitingen (water, stroom, riolering, data) te realiseren.
Het is aan de initiatiefnemer in samenwerking met de betrokken partijen (nutsbedrijven en de gemeente Someren) om hierover afspraken te maken zodat voldaan wordt aan de eisen zoals gesteld in de Wet bodembescherming. Het hergebruiken van grond valt onder de regels van de Besluit bodemkwaliteit. Indien als gevolg van graafwerkzaamheden op de locatie (bijv. bij het bouwrijp maken van het terrein en het graven van een kelder) grond vrijkomt die niet op locatie kan worden hergebruikt, dan dient deze te worden afgevoerd conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Voor het toepassen van grond zijn eveneens de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Het toepassen van grond (>50 m3) dient gemeld te worden bij het meldpunt bodemkwaliteit.
Verkeer en parkeren 4.2.1
Parkeren
Momenteel zijn er 20 parkeerplaatsen aan de voorzijde van het perceel gerealiseerd ten behoeve van de recreatieve functie. Deze parkeerplaatsen bevinden zich op de erfverharding ten zuiden van de bedrijfswoning. Dit aantal is niet toereikend voor de beoogde toekomstige situatie. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan. Ingevolge artikel 30.4.1 van de planregels dient voor het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen de parkeercijfers van het CROW te worden gebruikt. Daar onderhavige dagrecreatieve activiteiten niet staan opgesomd in het CROW, kan aansluiting worden gezocht bij de CROW-kencijfers welke gelden voor leisure. Voor leisure gelden de volgende CROW-kencijfers: 2,6 personen per auto en 80% autogebruik (Verkeersgeneratie leisure, Frank Aalbers, Floris Frederix en Jeroen Plantinga). In de regel kennen de grootste groepen die de Longhorn Ranch bezoeken een groepsgrootte plusminus 65 personen. Voor het koken op kampvuur geldt gemiddeld genomen een maximale groepsgrootte van VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
circa 30 personen. Omdat het recreatieve bedrijf is ingericht voor het ontvangen van groepen, rijden de meeste gasten samen waardoor de verkeersstromen beperkt blijven. Gelet op de CROW-kencijfers zijn bij een maximaal aantal personen van 65 personen voor verhuur van voertuigen en een groepsgrootte van 30 personen voor koken op kampvuur afgerond maximaal 37 parkeerplaatsen benodigd (65+30/2,6=36,53). Om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient een nieuwe adequate parkeervoorziening te worden aangelegd op eigen terrein. Aan de achterzijde van het perceel, ter plaatse van de kuilvoeropslag, zullen in het verlengde van het huidige bouwvlak 42 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit is ruim voldoende voor de beoogde bedrijfsvoering. De parkeerplaatsen aan de voorzijde kunnen daarmee deels komen te vervallen en voor het overige deel worden gebruikt voor de bedrijfswoning en het personeel. In navolgende figuur wordt weergegeven hoe de indeling van de parkeerplaatsen kan worden ingericht.
Figuur 16: mogelijke indeling parkeervakken
Op het parkeerterrein kan ruimte gevonden worden voor ten minste 42 parkeerplaatsen met een afmeting van 2,5 x 5 meter. Om eventuele overlast naar de omgeving te beperken zal er bewegwijzering op het perceel komen dat geparkeerd dient te worden op de achterzijde van het perceel. Het komt wel eens voor dat gasten met een touringcar naar locatie komen. Om de overlast naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken komt er bewegwijzering dat deze bus naar de achterzijde van het perceel dient te rijden en daar ook kan keren (ter hoogte van de blauwe pijlen). Als gasten besluiten te komen met een touringcar kan deze tevens parkeren op de parkeervakken omdat er logischerwijs plaatsen van personenauto’s vrijkomen. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
4.2.2
Verkeer
In de voorbijgaande twee jaren hebben zich circa 5.300 tot 5.400 bezoekers gemeld op de Longhorn ranch. De meeste van deze bezoeken vallen in de weekenden of schoolvakanties. Omdat het gros van de bezoekers carpoolt kan worden gesteld dat er jaarlijks circa 4.119 vervoersbewegingen van/naar de locatie plaatsvinden. Op weekbasis gaat het dan om gemiddeld 79 verkeersbewegingen. Daarnaast worden op jaarbasis de Tuk Tuks ongeveer 530 keer verhuurd. De overige vervoersmiddelen zijn circa 2.020 keer verhuurd. Op weekbasis gaat het dan om 49 verkeersbewegingen. Voordat de voertuigen door gasten in gebruik worden genomen krijgt iedere gast instructies mee. Eén van die instructies is om het terrein in alle rust te verlaten en niet te claxonneren. Op het perceel is eveneens bewegwijzering aanwezig dat de voertuigen links de oprit dienen te verlaten, waardoor ze niet over de overharde weg van de Dertiensedijk zullen rijden. Hoewel deze cijfers een realistisch beeld geven van het aantal voertuigbewegingen is er bij deze cijfers geen rekening gehouden met een maximale (piek) situatie. Nu het bedrijf volledig wordt omgeschakeld naar een recreatief bedrijf wordt beoogd de bedrijfsexploitatie te maximaliseren binnen wat ruimtelijk aanvaardbaar is. Voorkomen dient te worden dat de ontwikkeling op piekdagen leidt tot (overmatige) verkeershinder en bermschade aan de wegen.
Daarvoor is relevant wat de wegbreedte is en hoeveel verkeersbewegingen er (kunnen) plaatsvinden. De Beliënberkdijk heeft ter hoogte van nummer 42 een rijbaanbreedte van circa 3 meter. Het plangebied kent twee logische ontsluitingsroutes; aan de noordzijde sluit de Beliënberkdijk aan op de Nieuwendijk en via de Landbouwstraat is er een ontsluiting op de N266. Vanaf de Nieuwendijk en de N266 kan het verkeer zich verder verspreiden. Aan de zuidzijde sluit de Beliënberkdijk aan op de Dertiensedijk. Dit is onverharde weg die er vaak slecht bij ligt en deze weg zal in de praktijk niet worden gebruikt als ontsluiting van het gebied. De Landbouwstraat en het gedeelte van de Beliënberkdijk tussen Landbouwstraat en Nieuwendijk zijn voorzien van bermbeton of graskanttegels, waardoor de totale verhardingsbreedte bij deze wegen in ieder geval boven de 4 meter ligt. In het Handboek wegontwerp 2013 - Erftoegangswegen van het CROW is een tabel met indicatieve grenzen voor de verkeersintensiteit opgenomen. In deze tabel staat voor een weg met een verhardingsbreedte van 3 meter een maximale intensiteit van 350 motorvoertuigen per etmaal ter voorkoming van bermschade.
Om te bepalen of de wegenstructuur in de omgeving de verkeersbewegingen kan verwerken is de maximale verkeerssituatie inzichtelijk gemaakt (daarbij moet in acht worden genomen dat deze situaties slechts voorkomen op de drukste dagen van het seizoen). Bepalend hiervoor is de omvang van de verhuurvloot en de maximale groepsgrootte bij workshops. Daarom worden navolgende deze aspecten bekeken. In het uiterste geval verhuurt men de voertuigen twee keer per dag en word twee keer per dag een kookworkshop gegeven voor het maximale aantal gasten. Daaruit volgen de volgende cijfers:
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Verkeersbewegingen voor gasten en personeel 2x65 gasten in de verhuur en 2x30 gasten in de kookworkshops is 190 gasten. 190/2,6=73 is dan in het uiterste geval het aantal auto’s van gasten. Op drukke dagen zijn drie personeelsleden aanwezig (6 verkeersbewegingen). Dan komen we op een totaal van 146 verkeersbewegingen voor gasten en 6 voor werknemers. Totaal komt men dan tot 152 verkeersbewegingen. Verkeersbewegingen voor de verhuurvloot Het bedrijf heeft een verhuurvloot van 10 tuk tuks, 5 carvers en 32 e-choppers, deze gaan maximaal tweemaal weg per dag. Met de Carvers en de e-choppers is dit in de praktijk niet mogelijk gelet op de accu capaciteit en de laadtijd. In de praktijk heeft men 15 reserve accu’s voor de e-choppers dus die 15 kunnen twee keer weg de overige 17 niet. Dit leidt dit tot de volgende berekening: (10+5+32)x2= 94 verkeersbewegingen. De tuktuks kunnen in theorie tweemaal worden verhuurd. Dat geldt ook voor 15 van de de e-choppers. Dit brengt het totaal verkeersbewegingen op maximaal 144 verkeersbewegingen indien er tweemaal daags zou worden verhuurd (wat in de praktijk weinig gebeurd). Verkeersbewegingen voor leveranciers Tweemaal per week vinden leveringen plaats. Dat zorgt voor 4 verkeersbewegingen. Het gaat om benodigdheden voor de kookworkshops, dranken en voedselwaren.
Totaal aan verkeersbewegingen en maximalisering verhuurvloot Uitgaande van de maximale situatie is er sprake van 152 verkeersbewegingen voor gasten en personeel, een maximum van 144 verkeersbewegingen voor de verhuurvloot, en 4 verkeersbewegingen voor leveranciers komt men uit op 300 verkeersbewegingen. Er is nu sprake van 47 voertuigen. Om de ondernemer wat vrijheid te geven in de bedrijfsvoering, maar tegelijkertijd het aantal verkeersbewegingen te begrenzen wordt het maximum voertuigen voor recreatief gebruik begrenst op maximaal 55 stuks. Dit is tevens geborgd in de regels. Daarmee bedraagt het maximum aantal verkeersbewegingen in totaal 328 verkeersbewegingen. Het is gebruikelijk dat gasten een combinatie van het aanbod boeken, dus zowel een voertuig huren als een kookworkshop doen. In de praktijk liggen de verkeersbewegingen lager dan het maximum wat hier is geschetst. Daarbij hebben de voertuigen die verhuurd worden een beperkte breedte en lengte. In elk geval kunnen deze voertuigen elkaar eenvoudiger passeren dan reguliere personenauto’s. De wegenstructuur is de omgeving heeft voldoende capaciteit deze vervoersbewegingen te verwerken. Ten aanzien van de rijroute is het uitgangspunt dat het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld op de N266 (Kanaaldijk Zuid).
Dit is een drukke ontsluitingsweg, waar het extra verkeer niet meer herleidbaar zal zijn tussen het overige verkeer. Een klein gedeelte van het verkeer zal tevens gebruik maken van andere ontsluitingswegen in het buitengebied, zoals de Beliënberkdijk en Scheidingsweg. Aangezien dit een beperkt aantal verkeersbewegingen per etmaal betreft, zal dit deel van het verkeer snel worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Water 4.3.1
Beleidskader
4.3.1.1 Inleiding Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegenomen in de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een ‘waterparagraaf’ in de toelichting van alle ruimtelijke plannen, met de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van een plan voor de waterhuishouding. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de initiatieven binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. 4.3.1.2
Waterbeheerplan2022-2027
In het Waterbeheerplan is beschreven welke doelen door het waterschap worden nagestreefd in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen. Het nog vast te stellen waterbeheerplan is geldig van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is gebaseerd op de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 3. Afvalwaterketen. Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma ‘Afvalwaterketen’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: − schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; − de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; − −
de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Om deze doelen te bereiken zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: − het maken van actieplannen met maatregelen gericht op een klimaatrobuust watersyteem; − het verkennen van de mogelijkheden om de hoeveelheid water die vanuit bebouwd gebied wordt afgevoerd op het regionale systeem te beperken; − inzetten op extra maatregelen: ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken; − meedenken met gemeenten bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen, hemelwaterverordeningen en het opnemen van klimaatadaptatie in bestemmingsplannen; VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
− − −
handhaven van de stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied en deze koppelen waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, ontwikkelaars en de bouwsector breed opzoeken in het bebouwde gebied; Intensief samenwerken op de overgang tussen bebouwd gebied en landelijk gebied, ook rondom bedrijventerreinen.
4.3.1.3
Keur
De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. 4.3.1.4 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², een toename tussen 500 m² en 10.000 m² en een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Voor plannen met toename van het verhard oppervlak met een omvang minder dan 500 m² vereist het waterschap geen compensatie van hemelwaterberging.
Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Middels deze herziening neemt het verhard oppervlak toe met meer dan 500 m². Bij een toename vanaf 500 m² geldt een regenwaterbergingsplicht. De benodigde compensatie in m³ wordt berekend met de formule: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in mm). De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te worden geplaatst. 4.3.1.5
vGRP Someren 2021-2025
In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025’ (vGRP 2021-2025) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd. Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet, worden doorgezet in de komende planperiode. De gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige manier invulling geven aan het beheer en onderhoud. Ook in Someren is de landelijke trend zichtbaar dat bewoners en bedrijven voor- en achtertuinen (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt extra verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor afkoppelinspanningen van de gemeente deels te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook de ambitie
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het o.a. bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress. Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld, waarbij de gemeente alleen voorziet in een vuilwaterhuisaansluiting. De gemeente houdt hierbij de trits vasthouden – bergen – afvoeren aan. Ter voorkoming van overlast en schade op particulier terrein en uit oogpunt van doelmatigheid vertaalt de gemeente een redelijke inspanning van particulieren als volgt: Bij ver- en nieuwbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Vanuit waterbelang, i.v.m. zichtbaarheid, bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver, wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Ondergrondse buffering en infiltratie is, mits goed aangelegd en onderhouden, een goed alternatief als bovengrondse buffering niet gewenst is. Uitgangspunt is dat een buffer gerekend met een k-waarde van 1,0 m¹ per dag binnen 24 uur weer beschikbaar is.
Een particuliere infiltratievoorziening mag uitsluitend op maaiveldniveau (zichtbaar) een overstort hebben naar openbaar gebied. Waar infiltreren aantoonbaar niet mogelijk is, mag het water vanuit een buffer vertraagd afgevoerd worden naar de openbare ruimte.
4.3.2
Toets
Binnen het plangebied is sprake van een zandgronden; voedselarm en vochtig tot droog. Deze bodem is geschikt voor hemelwaterinfiltratie. De GHG bedraagt volgens de kaartbank van provincie NoordBrabant naar verwachting 20 tot 60 cm-mv. Navolgende figuur betreft een kaart met uitsnede van de GHG, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Figuur 17: Uitsnede kaart GHG met de ligging van het plangebied aangeduid
Op grond van kaartmateriaal BROloket lijkt de grondwaterstand nog hoger te liggen. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Figuur 18: https://www.broloket.nl/ondergrondmodellen/kaart voorjaarsdiepte grondwater
4.3.3
Hemelwaterberging
Dit bestemmingsplan ziet op herinrichting van een bestaand bouwperceel. In de huidige situatie stroomt het hemelwater via dakgoten naar een put welke is aangesloten op de sloot aan de straatzijde. Bij verbouw en nieuwbouw binnen het perceel dient hemelwater te worden geïnfiltreerd op eigen terrein. Gelet op de relatief hoge grondwaterstand wordt voorgesteld het hemelwater dat valt op de verharding te infiltreren in verlagingen in het maaiveld. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de hoge grondwaterstand. Het plangebied biedt daartoe de ruimschoots de ruimte. In het uiteindelijke bouwplan zal de hemelwaterinfiltratie nader worden uitgewerkt ten behoeve van de minimale berging van 60 mm met inachtname van deze paragraaf. Een significant deel van het bouwvlak is nu reeds verhard. In navolgende tabel is het verhard oppervlak in de huidige situatie inzichtelijk. Huidig verhard oppervlak m² Daken
2.157 m²
Terrein verharding
Circa 3.990
Totaal
6.147 m²
Nieuwe bebouwing wordt opgericht waar nu reeds verharding aanwezig is, bebouwing dan wel sleufsilo’s. Van de bestaande bebouwing wordt per saldo 493 m² bebouwing gesloopt. Aan de achterzijde van het perceel worden parkeerplaatsen toegevoegd. Dit terrein heeft zoals voorgesteld een omvang van circa 1.200 m². hiertoe dient te worden voorzien in een waterberging van 72 m³. Voorgesteld wordt het water te laten afstromen naar de westzijde en hier een verlaging aan te brengen in het perceel. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Figuur 19: Verhardingen parkeren
Daarnaast wordt een nieuwe toegangsweg voorzien met een verhard oppervlak van circa 1.000. De uitvoering hiervan staat nog niet vast. Voorgesteld wordt deze uit te voeren in een halfverharding. Hemelwater kan deels ter plaatse infiltreren, wat niet kan infiltreren stroomt af in het weiland. Ten noorden hiervan is ook een zaksloot aanwezig (aangewezen met de rode pijl). Beoogd wordt om op termijn een nieuw gebouw voor recreatief gebruik op te richten van maximaal 200 m². Voor het oprichten van nieuwe bebouwing en verbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden op grond van gemeentelijk beleid. Vanuit waterbelang, i.v.m. zichtbaarheid, bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver, wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Bij bouw- of verbouw zal worden voorzien in een infiltratielaagte op eigen terrein. In navolgende tabel wordt het verhard Toekomstig verhard oppervlak m² Daken
Maximaal 1.840 m²
Terrein verharding
Circa 2.800 m²
Parkeerterrein
Circa 1.200 m²
Toegangsweg
Circa 1.000 m²
Totaal
6.840 m²
In de nieuwe situatie zal het verhard oppervlak beperkt toenemen. Dat is met name te wijden aan de toegangsweg (waarschijnlijk half-verhardingen) en het parkeerterrein. Gelet op de hoge grondwaterstand in het plangebied wordt voorgesteld te werken met infiltratielaagtes. Er zijn geen a- of b-watergangen aanwezig waar een noodoverloop op kan worden aangesloten. Wel monden de sloten ten noorden en zuiden van het perceel uit in een a-watergang.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Figuur 20: Watersystemen in de omgeving
4.3.4
Afvalwater
Het terrein is reeds aangesloten op het bestaande riool. Er mag geen hemelwater worden aangekoppeld op het riool. Al het regenwater dient te worden afgekoppeld. De locatie is aangesloten op drukriool. Concreet betekent dit dat maximaal 0,5 m 3/ uur en 1,5 m3 per dag mag worden geloosd. Indien men meer wil lozen is dit alleen mogelijk na aanvullende maatwerkvoorschriften. Men dient hier rekening mee te houden bij het wassen van de voertuigen. De voertuigen worden in elk geval gewassen op de dagen dat deze niet verhuurd worden. Derhalve is er geen dubbeling te verwachten bij het wassen van de voertuigen en het afvalwater dat gepaard gaat met de andere activiteiten (keuken en toiletten). Wanneer de voertuigen grondig gewassen dienen te worden gebeurt dit doorgaans in een wasstraat buiten het plangebied.
Cultuurhistorie 4.4.1
Beleidskader
4.4.1.1 Inleiding Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. 4.4.1.2 Beleid Conform de cultuurhistorische waardenkaart is het plangebied aangeduid als een gebied met ‘provinciaal cultuurhistorisch belang’ (Regio Peelrand). De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Het oud zandlandschap bij Stiphout is van provinciaal belang. Dragende structuren in de regio zijn de onder andere de oude zandontginningen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden, de jonge heideontginningen, de Zuid-Willemsvaart en het dal van de Aa. De Beliënberkdijk is niet nader aangeduid als geografische lijn van waarde, de Dertiensedijk is dat wel. Hiervinden geen wijzigingen plaats. Daarnaast is binnen het plangebied geen waarde van cultuurhistorisch waardevolle opstallen of groen.
Archeologie 4.5.1
Beleidskader
4.5.1.1 Inleiding De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. 4.5.1.2 Archeologiebeleid Someren De gemeente Someren heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van de beleidskaart weergegeven waarop het plangebied is aangeduid.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Figuur 21: Uitsnede Archeologische Beleidskaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
4.5.2
Toets
Het plangebied is grotendeels aangeduid als een categorie 6 gebied, gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde. Op deze gebieden zijn geen ondergrenzen of een aanlegvergunning van toepassing. Archeologisch onderzoek is voor deze herbestemming niet noodzakelijk.
Natuur 4.6.1 4.6.1.1
Beleidskader Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura2000-gebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming dienen plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het dichtst bij het plangebied gelegen Natura2000-gebied betreft het gebied ‘Weerter- en Budelerbergen & Ringselven’, gelegen op een afstand van circa 1.900 meter ten zuidwesten van het plangebied. Navolgende figuur geeft een kaart met ligging van Natura2000-gebieden ten opzichte van het plangebied.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Plangebied
Figuur 22: Ligging Natura2000-gebieden ten opzichte van het plangebied
Rondom het plangebied zijn evenmin NNB-gebieden gelegen. Wel zijn aan de Limburgse zijde van de Diertiensedijk een Bronsgroene landschapszone en een Goudgroene landschapszone aanwezig. De sanering van het melkveebedrijf zal enkel een positieve uitwerking hebben op deze gebieden. Van een aantasting zal geen sprake zijn. 4.6.1.2
Stikstofdepositie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura2000-gebied. Voor stikstofdepositie zijn de Wet stikstofreductie en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit. 4.6.1.3
Soortenbescherming
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
4.6.2
Toets
4.6.2.1 Gebiedsbescherming De ontwikkeling heeft wegens de afstand tot omliggende richtlijngebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling geen effecten op een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. 4.6.2.2 Stikstofdepositie Deze herbestemming ziet op herbestemming van het melkveebedrijf naar een recreatiebedrijf. De vergunning voor het houden van melkvee en bijbehorend jongvee wordt ingetrokken. Wel blijven op de locatie circa 10 Longhorn runderen met bijbehorend jongvee aanwezig. Derhalve is er sprake van een significante afname van ammoniakemissie en daarmee stikstofdepositie. Voor de recreatieonderneming is er sprake van een fors aantal vervoersbewegingen vanwege de verhuur activiteiten en het personenvervoer van een naar de locatie. De stikstofemissie van deze verkeersbewegingen is inzichtelijk gemaakt met Met Aerius – Calculator. Realisatie van het plan leidt niet tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. De Aerius-berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.6.2.3 Soortenbescherming Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.
Het plangebied is in gebruik voor de melkveehouderij en voor recreatieve activiteiten. Het plangebied wordt intensief gebruikt. Het gros van de bebouwing wordt hergebruikt. Enkel een gedeelte van de rundveestal en de kraamstal wordt gesloopt. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat deze bebouwing geschikte verblijfplaatsen biedt voor beschermde diersoorten. Er worden geen groenstructuren verwijderd. Wel wordt er behoorlijk wat nieuwe landschapselementen aangeplant en in relatie met deze ontwikkeling wordt de natuurwaarde van de aangelegen landbouwgronden significant versterkt. Derhalve kan worden gesteld dat onderhavige ontwikkeling geen negatieve invloed heeft wat betreft flora en fauna. Door de aanleg van nieuwe landschappelijke inpassing wordt het aanwezige groen in de omgeving van het plangebied uitgebreid met gebiedseigen soorten. Foerageermogelijkheden voor vleermuizen, vogels en kleine zoogdieren worden daardoor versterkt. Voor de algemene broedvogelsoorten die binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, daar geen groen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn.
In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats vinden.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloopwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Binnen het plangebied is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie weergegeven. Quickscan Flora en fauna Overtredingen van de regelgeving van de Interim omgevingsverordening NB en Wet natuurbescherming met betrekking tot de gebiedsbescherming zijn niet aan de orde. Met het oog op aanwezigheid van jaarrond beschermde verblijfplekken van huismussen dient de sloop van de bebouwing buiten het broedseizoen van huismussen plaats te vinden om verstoring van deze verblijfplekken en daarmee een overtreding van Wnb Art 3.1 lid 4 te voorkomen. Verblijfplekken van vleermuizen binnen het plangebied en invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling worden niet direct verwacht. Wel bevinden zich binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden potentiële zomerverblijfmogelijkheden. Om verstoring van vleermuizen en een overtreding van Wnb Art 3.2 lid 2 geheel uit te sluiten, dient de sloop buiten de actieve periode van vleermuizen plaats te vinden.
Als verder de voorzorgsmaatregelen die het volgende hoofdstuk (6) vermelden in acht worden genomen, wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht. Daarnaast wordt geadviseerd de nieuwbouw Natuurinclusief te bouwen. Handvatten hiervoor zijn te vinden op www.checklistgroenbouwen.nl. 4.6.2.4 Houtopstanden Er worden geen bomen of houtopstanden gekapt. Toetsing aan de beschermingsregimes voor houtopstanden is dan niet aan de orde.
Geluid 4.7.1 4.7.1.1
Beleidskader Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 4.7.1.2
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
4.7.2 4.7.2.1
Toets Wegverkeerslawaai
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidgevoelig object opgericht. Het aspect wegverkeerslawaai is in het kader van de beoogde ontwikkeling dan ook niet relevant. 4.7.2.2
Industrielawaai
Middels de beoogde herontwikkeling wordt de locatie herbestemd naar een recreatief bedrijf. Voorzien word in het geven van (kook)workshops en verhuur van personenvervoer met recreatieve doeleinden. Deze activiteiten vallen in milieucategorie 2. Middels een akoestisch onderzoek industrielawaai is onderzocht of het beoogde gebruik geen geluidsoverlast veroorzaakt op de omgeving. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. “Uit de resultaten van de berekeningen, die in het kader van het akoestisch onderzoek rond de inrichting, gelegen aan Beliënberkdijk 42 te Someren zijn uitgevoerd, kunnen de in onderstaande paragrafen vermelde conclusies worden getrokken.
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.” De ontwikkeling is derhalve op basis van geluid inpasbaar.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Geurhinder 4.8.1
Beleidskader
Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vragen: - is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? - wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet).
4.8.2
Veehouderijbedrijven in de omgeving
In de omgeving zijn meerdere veehouderijbedrijven gevestigd. Op navolgende afbeelding zijn de meest dichtbij gelegen veehouderijen afgebeeld met groene bolletjes.
Plangebied
Figuur 23: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
4.8.3
Voormalige agrarische bedrijfswoning
De huidige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als bedrijfswoning bij het recreatiebedrijf. In de Wet geurhinder en veehouderij is opgenomen dat, wanneer een woning op of na 2000 van een veehouderij wordt onttrokken en bestemd wordt als burgerwoning, deze woning niet anders beoordeeld dient te worden als ware het nog een bedrijfswoning. Voor deze woning geldt een vaste afstand van 50 meter. Ten opzichte van alle omliggende veehouderijen, behoudens Beliënberkdijk 35, wordt ruimschoots aan de afstand van 50 meter voldaan. Op de locatie Beliënberkdijk worden paarden gehouden. De bedrijfswoning bevindt zich op een afstand van 30 meter tot het bouwvlak, maar op 52 meter tot het meest dichtbij gelegen bedrijfsgebouw. Ter plaatse worden paarden gehouden, het meest dichtbij gelegen dierenverblijf ligt op circa 80 meter.
4.8.4
Woon- en leefklimaat
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. 4.8.4.1 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen; de dominante veehouderij. In de omgeving liggen twee intensieve veehouderij bedrijven, te weten Beliënberkdijk 32 gelegen op een afstand van 325 meter en Landbouwstraat 25 gelegen op meer dan 500 meter. Met dergelijke afstanden zal de achtergrondbelasting bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. 4.8.4.2 Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) heeft een kaart opgesteld voor de achtergrondbelasting in Noord-Brabant. De kaart is op navolgende afbeelding weergegeven.
4.8.5
Toets
Binnen het plangebied is sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat aanwezig. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van het plangebied en het indicatieve woon- en leefklimaat.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Plangebied
Figuur 24: Uitsnede kaart met indicatieve achtergrondbelasting binnen het plangebied
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een ‘redelijk goed’ woon en leefklimaat op basis van de berekende voorgrondbelasting. De achtergrondbelasting varieert tussen de 7-13 oue/m³. Gesteld kan worden op dat hiermee sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
4.8.6
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen
De huidige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als bedrijfswoning bij het recreatiebedrijf. In de Wet geurhinder en veehouderij is opgenomen dat, wanneer een woning op of na 2000 van een veehouderij wordt onttrokken en bestemd wordt als burgerwoning, deze woning niet anders beoordeeld dient te worden als ware het nog een bedrijfswoning. De recreatieve functie is niet voor geur gevoelig omdat er relatief kortstondig wordt verbleven. De recreatieve functie voorziet in verhuur van voertuigen en dagrecreatieve activiteiten. Deze activiteiten duren doorgaans enkele uren, maar geen volledige dag. Derhalve is er geen sprake van een voor geur gevoelige functie. Derhalve worden als gevolg van deze herbestemming geen agrarische bedrijven gehinderd.
Gezondheid 4.9.1
Beleidskader
4.9.1.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof in Nederland, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
4.9.1.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. 4.9.1.3
Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.
4.9.2
Toets
4.9.2.1 Endotoxinen Met deze ontwikkeling worden geen geurgevoelig objecten toegevoegd. Er is geen sprake van een gezondheidsrisico. De ontwikkeling binnen het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving niet. Het aspect endotoxinen is in het kader van deze ontwikkeling niet relevant. 4.9.2.2 Geitenhouderijen Met deze ontwikkeling wordt ook geen geurgevoelig object opgericht. Er is geen sprake van een gezondheidsrisico. De ontwikkeling binnen het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving niet. De ligging van geitenhouderijen is in het kader van de beoogde ontwikkeling niet relevant. 4.9.2.3 Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen Binnen het plangebied wordt gerecreëerd in de buitenlucht. Derhalve dient te worden onderzocht of er sprake is van een veilige situatie in het kader van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten.
Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Rond het plangebied is sprake van een agrarische bestemming. De gronden zijn nagenoeg allemaal in eigendom van de initiatiefnemer. Op de gronden worden geen gewassen geteeld waarbij gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast en het gebruik van deze middelen ligt niet voor de hand in combinatie met de gewenste bedrijfs-
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
functie. Tegenover de bedrijfswoning liggen een agrarische bedrijfsbestemming, een reguliere bedrijfsbestemming en een burgerwoning. Deze bouwvlakken worden niet gebruikt voor agrarische teelt. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Bedrijven en milieuzonering 4.10.1 Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en Milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Het plangebied, gelegen aan een agrarisch georiënteerd lint, kan getypeerd worden als gelegen binnen een ‘gemengd gebied’. Het kan in een gemengd gebied gaan om bestaande gebieden met functiemenging of gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt onder een gemengd gebied verstaan.
De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in gemengd gebied, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.
4.10.2 Toets Het plangebied is thans bestemd voor een veehouderijbedrijf (milieucategorie 3.2). Middels de beoogde herontwikkeling wordt de locatie herbestemd naar een recreatief bedrijf. Voorzien word in het geven van (kook)workshops, dagrecreatieve activiteiten, en verhuur van personenvervoer met recreatieve doeleinden. Deze activiteiten vallen in milieucategorie 2. In gemengd gebied geldt voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 2 een richtafstand van 10 meter. Voldaan kan worden aan deze richtafstanden. De bedrijfsactiviteiten worden geconcentreerd aan de achterzijde van het perceel. Daarnaast is er sprake van voortuigen die vertrekken van de locatie. Het gros van de activiteiten vindt overdag plaats en voertuigen dienen voor zonsondergang terug te zijn op locatie. Initiatiefnemer verhuurt hoofdzakelijk elektrische voertuigen (o.a. e-choppers, carvers). Middels een geluidsonderzoek is inzichtelijk gemaakt of er geen hinder te verwachten valt in het kader van geluid. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Daarnaast worden er binnen het plangebied kookworkshops op kampvuur gegeven. Deze open vuren mogen alleen worden gebruikt ter plaatse van de daartoe bestemde aanduiding (specifieke vorm van recreatie – vuurplaats’). De afstand tot omliggende woningen bedraagt meer dan 120 meter.
De sleufsilo vormt een afschermende werking voor richting de kookvuren. De kookworkshops worden gehouden op een TundraGrill. Op navolgende figuur is een dergelijke grill te zien.
VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
56
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
Figuur 25: TundraGrill
Het voordeel van de Tundragrill is dat er minder vuren gemaakt worden omdat er twee pannen tegelijkertijd op deze grill geplaatst kunnen worden. De grill heeft een hoge schoorsteen (3 meter) waardoor de rook omhoog gaat. Initiatiefnemer beschikt over twee windschermen (de achterwand) welke verstelt kunnen worden met de windrichting. Op deze wijze wordt de wind gebroken en gaat de rook door de schoorsteen. Op een dergelijke afstand worden derhalve geen problemen verwacht met rookontwikkeling. De beoogde herontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering derhalve geen bezwaar.
Externe veiligheid 4.11.1 Beleidskader 4.11.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: − Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); − Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; − Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; − Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); − Structuurvisie buisleidingen; VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
57
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
− −
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 4.11.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
2.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten; Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
4.11.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s binnen het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 4.11.1.4 Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) kan onder andere worden getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.
4.11.2 Toets 4.11.2.1 Risicovolle inrichtingen Binnen het plangebied of in omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die vanwege de aanwezigheid of het werken met gevaarlijke stoffen, beperkingen opleveren binnen het plangebied. 4.11.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Geconcludeerd is dat in de omgeving van het plangebied geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour 10-6. 4.11.2.3 Hoogspanningsleidingen en buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Ten westen van het plangebied zijn op een afstand van circa 800 meter twee buisleidingen gelegen. Het plangebied bevindt zich buiten het invloedsgebied van deze leidingen. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv
58
Bestemmingsplan ‘Beliënberkdijk 42 Someren’ - Toelichting
In de omgeving van het plangebied is geen hoogspanningsleiding aanwezig.
Luchtkwaliteit 4.12.1 Beleidskader 4.12.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: − beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; − voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. 4.12.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen dit programma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 4.12.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.