CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kerkenhuis 5 te Lierop16.843 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

nevenactiviteiten zorg, kinderopvang en dagbesteding, statische opslag bij de bestemmingen ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ en ‘Wonen’, kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties bij de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. Daarnaast zijn de regels met betrekking tot de oppervlakte bijgebouwen bij de bestemming ‘Wonen’ aangepast ten opzichte van de moederplannen. Als laatste zijn er een aantal wijzigingsbevoegdheden opgenomen in het kader van Wonen plus, statische opslag, opslag ruwvoer voor een veehouderij, agrarisch verwant bedrijf en agrarisch-technisch hulpbedrijf. In onderhavig bestemmingsplan ‘Kerkenhuis 5 te Lierop’ is dit NAF-beleid, voor zover van toepassing, eveneens opgenomen

3. 3. 3

in de bijbehorende regels.

Structuurvisie Someren 2028 Op 24 april 2013 is de ‘Structuurvisie Someren 2028’ vastgesteld. Deze structuurvisie integreert reeds bestaand beleidsdocumenten en scherpt het beleid op sommige punten aan. In de Structuurvisie heeft de gemeente aangegeven in 2028 een duurzame, krachtige, zelfbewuste en zelfstandige gemeente te willen zijn die haar landelijke positie in Brainport goed weet te benutten. Someren ontleent haar identiteit aan het landelijke Brabantse karakter. Het kwalitatief goede bos-, natuur- en buitengebied zorgt er mede voor dat Someren een goed woonklimaat kent en een aantrekkelijke vestigingslocatie is voor bedrijven met een schaal die past bij Someren. Door de verscheidenheid en toegankelijkheid van het buitengebied in zijn algemeenheid en een landelijk bekende toeristische attractie specifiek, heeft Someren een aantrekkingskracht op recreanten.

28

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

Voor het buitengebied wordt gestreefd naar het handhaven en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Om dit te bereiken, is er voorrang in dit gebied voor boeren, burgers en buitenlui (recreanten). De landschappelijk waarden en de natuur moet behouden blijven en daar waar mogelijk versterken. Bedrijfsmatige activiteiten die hierin niet thuishoren worden tegengegaan. Een landelijk Brabants karakter maakt ook dat de gemeente Someren nog ruimte biedt aan de

schaalvergroting van de agrarisch ondernemer, waaronder ook onderhavig planvoornemen kan worden geschaard. Onderdeel van de ‘Structuurvisie Someren 2028’ is de ‘Algemene Structuurvisiekaart Someren 2028’. In de Structuurvisie Someren 2028 is de locatie van het plangebied aangeduid als gelegen binnen het Kampenlandschap. Voor de planlocatie is deels het geformuleerde belang “Kwaliteitsverbetering bebouwingslinten of bebouwingsclusters buiten de bebouwde kom’ van toepassing. Zoals al vermeld in paragraaf 3. 2. 3 van deze toelichting krijgt dit belang de aandacht en komt dit in deze toelichting verder nog aan de orde in hoofdstuk 5. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de ligging van het plangebied op de kaart behorende bij de Structuurvisie Someren 2028.

Figuur 17. Uitsnede kaart Structuurvisie Someren met aanduiding plangebied.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

29

M16073. 02. 026/FSC

3. 3. 4

Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 gemeente Someren De gemeente Someren heeft het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 vastgesteld. Het doel van dit beeldkwaliteitsplan is het creëren van en het bijdragen aan een duurzame ruimtelijke kwaliteit en diversiteit. Het beeldkwaliteitsplan biedt bouwstenen voor landschappelijke inpassing bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dit beeldkwaliteitsplan zijn ontwerprichtlijnen per gebiedstype opgenomen.

In dit beeldkwaliteitsplan is het plangebied aangeduid als gelegen in een ‘Kampenlandschap’. Voor dit

gebied gelden de navolgende kernmerken en richtlijnen: “In het noordelijk deel van de gemeente Someren ligt het kampenlandschap. Dit oude agrarische landschap wordt gekenmerkt door een onregelmatige structuur. De verkaveling is kleinschalig en op sommige plekken grillig van vorm. In de loop der tijd heeft het landschap een relatief meer open karakter gekregen. Van oorsprong komen hier veel meer landschapselementen voor zoals houtsingels en bosjes. Het gebied kent een grote afwisseling van groen en bebouwing. De boerderijen die van oudsher vrijliggend of in kleine clusters gebouwd zijn, liggen inmiddels in relatief dichte linten, knopen en clusters. De bolle akkers en steilranden, die door jarenlang landbouwkundig gebruik zijn ontstaan kenmerken het gebied en onderscheiden het van de andere landschapstypen in Someren. Maar deze elementen zijn vaak ook kwetsbaar omdat ze soms niet passen in het hedendaags landbouwkundig gebruik. ” In het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022’ is navolgende omschrijving opgenomen voor de

inrichting van de kavel: Groene en kleinschalige uitstraling met de inrichting van een ‘groen voorerf’. Het voorerf kan omzoomd worden met een lage haag of landschappelijk houten hekwerk, maar in het kampenlandschap is ook een open overgang van openbaar naar privé passend. Een solitaire boom of kleine boomgroep bijvoorbeeld ter markering van de erfgrens. Een gedeelte van de tuin naast de voorgevel inrichten als boomgaard. De zijkanten van het erf worden begeleid door boomgaarden, houtsingels en/of struweelhagen. De achterzijde van het erf wordt ingepast met een dichte houtsingel of onregelmatige kleine bosjes. Op strategische plekken en met aantoonbare meerwaarde kan het achtererf ingepast worden met een andere meer transparante bouwsteen zoals een bomenrij, of kruidenrijke akker- of weiderand. Zoals in paragraaf 3. 2. 3. al is vermeld wordt het bouwplan op een passende wijze ingepast in het landschap en vindt realisatie van de nieuwbouw en bijbehorende voorzieningen plaats op gronden die momenteel al intensief gebruikt worden door het bedrijf voor vollegronds groenteteelt. Daarbij wordt de bestaande loods geïntegreerd in de nieuwbouw waardoor een compact geheel ontstaat dat qua vormgeving en uitstraling aansluit aan de in het beeldkwaliteitsplan opgenomen richtlijnen. De beoogde planontwikkeling past daarmee binnen de karakteristiek van het Kampenlandschap.

30

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

3. 3. 5

Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

31

M16073. 02. 026/FSC

32

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

4

Milieutechnische aspecten Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.

4. 1

Bodem Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Bij onderhavig voornemen is sprake van een wijziging van de bestemming ‘agrarisch met waarden – landschappelijke waarden’ naar ‘agrarisch – agrarisch bedrijf’. Deze wijziging is noodzakelijk om de gewenste uitbreiding van het huidige bedrijf te kunnen realiseren. In verband met deze uitbreiding is het noodzakelijk om onderzoek te verrichten naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is om vast te stellen of de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie verontreinigd is, en zo ja of de concentraties van de onderzochte componenten aanleiding vormen voor het instellen van een nader onderzoek. Dit onderzoek is verricht door Aelmans Eco BV. De rapportage van het onderzoek (rapportnummer: E198151. 007/HWO) is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. De conclusies luiden als volgt. - Bovengrond

Uit de analyseresultaten van beide bovengrondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden (AW2000) overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan voornoemde bovengrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden. - Ondergrond

Uit de analyseresultaten van beide ondergrondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden (AW2000) overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan voornoemde bovengrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden. - Grondwater

Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt, dat enkele marginale overschrijdingen worden aangetroffen met cadmium, zink en/of barium. Voornoemde concentraties overschrijden de betreffende streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Voornoemde concentraties zijn van dien aard dat deze veelvuldig worden aangetroffen in het ondiepe grondwater. De (licht) verhoogde concentraties in het grondwater vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen voor de geplande bestemmingswijziging van het te onderzoeken perceel.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

33

M16073. 02. 026/FSC

- Asbest

Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het historisch bodemonderzoek is geen verder onderzoek naar asbest verricht. Op basis van vorenstaande kan de hypothese “onverdacht” met betrekking tot asbest worden bevestigd. - Toetsing

hypothese

De hypothese “onverdacht” wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd.

Nader bodemonderzoek Voor wat betreft de onderzoekslocatie zijn er geen aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. 4. 1. 1

Conclusie bodem Gelet op vorenstaande planontwikkeling.

vormt

het aspect

bodem

geen

belemmeringen

voor

de beoogde

de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is aanvullend op het uitgevoerde en door hun beoordeelde bodemonderzoek nog opgemerkt dat het hergebruiken van grond buiten de locatie valt onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Indien als gevolg van graafwerkzaamheden op de locatie (bijv. ten behoeve van het bouwrijp maken van het terrein) grond vrijkomt die niet op locatie kan worden hergebruikt, dan dient deze te worden afgevoerd conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. In het kader van het ‘Tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie’ dient de grond aanvullend te worden onderzocht op PFAS. Door

4. 2

Geluid betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Met

als gevolg van

Ten aanzien van alle wegen, behalve 30 km/u wegen en wegen behorende bij een woonerf, geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor wegen die buitenstedelijk zijn gelegen en die bestaan uit één of twee rijstroken, geldt een wettelijk vastgestelde geluidzone van 250 meter aan weerszijden van de weg (gemeten vanuit de wegas). Wanneer er geluidgevoelige ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen geluidzones van wegen, zal middels een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wet geluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een hogere Waarde gevolgd dienen te worden.

Onderhavig voornemen heeft geen betrekking op het realiseren van een geluidgevoelige functie. Het verrichten van een akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting is derhalve niet aan de orde, zie ook geluid en milieuzonering in onderstaande paragraaf 4. 3.

34

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

4. 2. 1

4. 3

Conclusie geluid Gelet op vorenstaande planontwikkeling.

vormt

het aspect

geluid geen

belemmeringen

voor

de beoogde

Milieuzonering Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.

Geluid Met betrekking tot de geluidbelasting van onderhavige ontwikkeling op geluidgevoelige objecten in de omgeving dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen onevenredige toename van de geluidbelasting op gevoelige objecten met zich meebrengt. Voor de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is t. b. v. de planontwikkeling aan de Kerkenhuis 5 te Lierop gebruik gemaakt van bijlage 5 uit de VNG-publicatie. Deze omschrijft voor

de beoordeling van geluidhinder het volgende stappenplan: 1. Indien de richtafstand niet wordt overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven, buitenplanse inpassing is mogelijk. 2. Indien stap 1 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek (vanaf deze stap noodzakelijk) aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 2 als weergegeven in figuur 17. Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk. 3. Indien stap 2 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 3 als weergegeven in figuur 17. Indien voldaan wordt, is buitenplanse inpassing mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. 4. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

35

M16073. 02. 026/FSC

Figuur 18. Geluidgrenswaarden VNG brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) 1) Exclusief piekgeluiden door aan- en afrijden verkeer

De planlocatie is overeenkomstig de VNG-brochure gelegen in gebiedstype “rustige woonwijk”. Stap 1. De onderhavige inrichting is een categorie 2 inrichting (Tuinbouw). Hierbij wordt voor geluid bij een rustige woonwijk een richtafstand aangegeven van 30 meter. Woningen van derden zijn gelegen op 40 meter en meer van de inrichtingsgrens. Conclusie: er wordt voldaan aan stap 1. Verder toetsing kan achterwege blijven. Geur, stof en gevaar Op basis van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ bedraagt de richtafstand voor tuinbouwbedrijven met bedrijfsgebouwen voor de aspecten geur, stof en gevaar, 10 meter. Bij onderhavig voornemen bedraagt de afstand van de nieuw op te richten gebouwen tot aan de dichtstbij gelegen woning van derden ca. 70 meter. Vanaf de inrichtingsgrens bedraagt dit ca. 40 meter. Er wordt derhalve ruim aan de richtafstanden voldaan voor de aspecten geur, stof en gevaar. 4. 3. 1

Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4. 4

Luchtkwaliteit

4. 4. 1

Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, artikel 5. 2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in artikel 5. 2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van artikel 5. 2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5. 16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;

36

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

-

4. 4. 2

project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. een

Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde 3 concentratie van fijn stof (PM)10 of stikstofdioxide (NO). 2 Dit komt overeen met 1,2 microgram/m voor zowel PM 10 als NO.2 Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. De Regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen: • akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt. * • • • •

inrichtingen die alleen of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw. * permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen* permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare. kinderboerderijen. *

* Al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf. In onderhavige situatie gaat het om

een tuinbouwbedrijf met open grondteelt. Gezien het bovenstaande wordt deze ontwikkeling beschouwd als NIBM.

NIBM-tool 2019 InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat in 2019 tot 1. 369 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. In onderhavige situatie is slechts sprake van ca. 5 vrachtwagen (= 10 extra voertuigbewegingen) en 5 personenauto’s/busjes (= 10 voertuigbewegingen) per dag. Deze aantallen zijn in onderstaande berekening met de NIBM-tool gehanteerd.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

37

M16073. 02. 026/FSC

Figuur 19. Uitdraai Worst-case berekening m. b. v. NIBM-tool 2019 van InfoMil.

4. 4. 3

Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

4. 5

Externe veiligheid

4. 5. 1

Inleiding Externe veiligheid (EV) gaat over het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen

onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook

ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

38

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

4. 5. 2

Plaatsgebonden- en groepsrisico Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle

activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

4. 5. 3

Situatie plangebied inzake BEVI / risicovolle inrichtingen In onderhavige planontwikkeling is sprake van het realiseren van een zogenaamd beperkt kwetsbaar object. De inrichting is geen BEVI inrichting en bij onderhavige ontwikkeling is ook geen sprake van het installeren van nieuwe risicobronnen in het kader van externe veiligheid. Uit inventarisatie met behulp van de nationale risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen op ca 70 meter ten noorden/noordwesten van een aardgasleiding van de Gasunie en ca. 230 meter ten noorden van de A67 (Autosnelweg) welke is aangemerkt als een risicovolle transportas (transport gevaarlijke stoffen). Ten aanzien van de aardgasleiding (A585: 42 inch, 66 bar) van de Gasunie worden geen PR- en GR plafonds vermeld. Wel geldt een belemmeringstrook van 5 meter. De effectafstanden (1% letaal) van deze leiding is 490 meter (invloedsgebied) en ligt daarmee over het plangebied. De hitte op deze afstand bedraagt 12,5 kW/m2. Deze effectafstand is bepaald op basis van het scenario van een guillotinebreuk. Het gas ontsteekt en er treedt een (fakkel)brand op. De kans op een guillotinebreuk is echter zeer klein (kans op een breuk is 5 tot 10 keer kleiner dan een lek). Het meest geloofwaardige scenario is een lek in de buisleiding. Voor deze gasleiding (42 inch) ligt de effectafstand van een lek van de buisleiding op circa 10 meter van de buisleiding.

Gelet op de zeer kleine kans op een guillotinebreuk en de naar verhouding hoge kosten die gemaakt moeten worden om de gebouwde omgeving hiertegen te beschermen, is het niet reëel om hiervoor extra maatregelen op te leggen in een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. Ook voor het scenario van een lek van een buisleiding

is het niet zinvol maatregelen aan de gebouwde omgeving op te leggen. De effectafstand is immers zeer klein (ligt op de buisleiding zelf of op zeer korte afstand), en bebouwing op de buisleiding is al uitgesloten vanwege de vrij te houden onderhoudszone van 5 meter of de plaatsgebonden risicocontour. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de 100% letaalzone van deze buisleiding moet het

groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding (beperkt) verantwoord worden conform artikel 12 “Besluit externe veiligheid buisleidingen”. Een verantwoording van het groepsrisico is aan de orde

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

39

M16073. 02. 026/FSC

als de persoonsdichtheid binnen het plangebied substantieel toeneemt. In onderhavig planvoornemen zullen 10 tot 15 personen in de gebouwen aanwezig zijn en dan ook nog alleen tijdens de oogstseizoenen. Buiten de oogstseizoenen zijn dit er minder. Een adviesaanvraag bij de Veiligheidsregio en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet aan de orde.

- Groepsrisico

Het plangebied ligt tussen de 200 meter en 4 km van de snelweg A67. Het plangebied ligt op circa 230 m van de snelweg A67 en daarmee buiten de 200 meter, maar binnen het invloedsgebied. Conform artikel 7 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarnaast ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van een aardgasleiding. Naar verwachting zal er geen sprake zijn van een groepsrisico of een zeer laag groepsrisico door de ontwikkeling in relatie tot de aardgasleiding. Hierdoor kan volstaan worden met een beperkte verantwoording volgens artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Op 11 mei 2017 heeft de Veiligheidsregio voor ontwikkelingen op grote afstand van risicobronnen en

kleine ontwikkelingen, zoals omzetting naar een woning een standaard advies opgesteld. Samengevat luidt dit advies: • Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen; • Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe; • Pas risicocommunicatie toe. voor

Hieronder wordt ingegaan op voornoemd advies. Mechanische ventilatie De ontwikkeling betreft geen nieuw te bouwen woning, waardoor dit niet is af te dwingen. Beleidsregels Het betreft een bestaand perceel, waar alleen een functie wijzigt. Aan de bereikbaarheid of bluswatervoorziening vinden geen aanpassingen plaats. Risicocommunicatie Gemeente Someren sluit zich aan bij de landelijke risicocommunicatie.

Het plangebied ligt verder niet in plasbrandaandachtsgebieden van de A67 (30 meter) en/of PR 10-6 contouren van inrichtingen, transportroutes (weg, spoor of water) en buisleidingen.

40

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

Figuur 20. Uitsnede Risicokaart Noord-Brabant met aanduiding plangebied.

4. 5. 4

Conclusies externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico’s in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

41

M16073. 02. 026/FSC

42

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

5

Overige ruimtelijke aspecten Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 4, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten cultuurhistorie, archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur, flora en fauna en duurzaamheid.

5. 1

Cultuurhistorie De locatie Kerkenhuis 5 ligt niet in een gebied dat door de provincie is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol (het Dommeldal). Er is daarmee in het plangebied geen sprake van een

provinciaal cultuurhistorisch belang. Ten noorden van de weg Kerkenhuis ligt, op een afstand van ruim 200 meter de Jonge heidebebossing Herselsche Heide/Gebergten. Het gebied is een jonge heideontginning, overwegend bestaande uit productiebossen met naaldhout, grotendeels op gefixeerd stuifzand. De veldnaam Gebergten geeft aan dat hier stuifduinen tot ontwikkeling zijn gekomen. Al voor 1840 heeft men bosstroken aangelegd langs de zandweg van Lierop naar Stipdonk om de verstuiving tegen te gaan. Het gebied is verkaveld en ontgonnen in de periode 1880-1945. Bij het uitzetten van de bospercelen zijn de oude verbindingswegen van Lierop naar de molen van Stipdonk en tussen Lierop en Hersel bewaard gebleven. Onder het stuifzand liggen plaatselijk oude akkerbodems. Het gebied kent een samenhang met het akkercomplex Herselsche Akkers. Verder is het woongedeelte op de locatie Kerkenhuis 5 een gemeentelijk monument. Deze ligt in het open landschappelijke buitengebied ten zuiden van de hiervoor genoemde natuurgebieden. Het betreft een langgevelboerderij bestaande uit één bouwlaag met een zadeldak van riet en pannen met wolfseinden aan de kopse kanten. De uitbreiding van de bouwkavel vindt niet plaats rond dit monument. De bouwkavel wordt uitgebreid aan de oostzijde van dit monument op een afstand van ruim 40 meter van het monument zelf.

Conclusie: Gezien vorenstaande overwegingen worden de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden niet geschaad door de uitbreiding van de bouwkavel.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

43

M16073. 02. 026/FSC

5. 2

Archeologie

5. 2. 1

Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Met de Erfgoedwet (1 juli 2016) beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. Ook dient het College van burgemeester en wethouders het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken.

5. 2. 2

Nota Archeologiebeleid gemeente Someren De gemeente Someren heeft in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg en de

Erfgoedwet een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de 'Nota Archeologiebeleid gemeente Someren'. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur, e. d. , en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de 'Nota Archeologiebeleid gemeente Someren' is de 'Archeologiekaart van Someren'. In figuur 20 op de volgende pagina is een uitsnede van een geactualiseerde versie (mei 2015) van deze beleidskaart weergegeven, waarin het plangebied met ‘rood’ is omkaderd. Volgens deze kaart is het plangebied voor een klein deel gelegen in een zone van categorie 3 (hoge archeologische waarde), in categorie 4 (hoge verwachting), en een grote zone van categorie 5 (middelhoge verwachting). Verder is het gebied aan de oostzijde, tussen de bestaande bebouwing en de buren, aangeduid met ‘mogelijke verstoringen’. 5. 2. 3

Verricht archeologisch onderzoek Het plangebied is in 2014 al eens onderzocht (bureau- en veldonderzoek) door ArcheoPro in het kader van een groter plangebied. Uit dit onderzoek blijkt dat de ondergrond ter plekke van het huidige plangebied (uitbreiding bouwvlak/bestemming) vrij diep is verstoord (tot circa 0,75 m-mv). Er is ook een oppervlakte kartering ter plekke van de huidige uitbreiding uitgevoerd, waarbij er geen archeologische vondsten zijn aangetroffen. Daaruit blijkt dat de kans klein is dat er een archeologische vindplaats aanwezig is. In de noordoosthoek heeft volgens het minuutplan in het verleden bebouwing gestaan, maar daar zijn bij het onderzoek geen concentraties van relevante indicatoren zoals bouwpuin aangetroffen, die er op zouden kunnen wijzen dat daar nog resten van de voormalige bebouwing zijn te verwachten. Op grond van het eerder uitgevoerde onderzoek en de daaruit voortvloeiende resultaten is de kans beperkt dat er binnen het huidige plangebied nog archeologische resten te verwachten zijn. De op te richten bebouwing wordt een verlenging van de bestaande loods. Het is vanuit de bedrijfsvoering en ook vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk dat die bebouwing op een andere locatie wordt opgericht.

Omdat voor de op te richten bebouwing poeren moeten worden gegraven die de bodem dieper verstoren dan 75 cm minus maaiveld, kan niet worden uitgesloten dat bij de grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw archeologische waarden in het geding komen. De nieuwe bebouwing wordt opgericht binnen de dubbelbestemming waarde archeologie-5. Gezien de beperkte verstoring van de ondergrond en het feit dat vastligt waar de uitbreiding van de

44

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

bebouwing plaats gaat vinden is het niet noodzakelijk om de archeologische waarden verder te onderzoeken middels een proefsleuvenonderzoek. Wel is het wenselijk dat de ontgravingen ten behoeve van de bebouwing plaats vinden onder archeologische begeleiding door een daartoe gecertificeerd bedrijf. Om dit te waarborgen is aan de dubbelbestemming waarde archeologie-5 een voorwaardelijke verplichting toegevoegd welke bepaalt dat bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm minus maaiveld binnen de dubbelbestemming waarde-archeologie 5, ontgravingen ten behoeve van het realiseren van bebouwing/gebouwen dienen plaats te vinden onder archeologisch begeleiding door een daartoe gecertificeerd bedrijf. Met in acht name van deze aan de regels verbonden voorwaardelijke verplichting wordt verder archeologisch onderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht. Het in 2014 uitgevoerde onderzoek is als bijlage 4 opgenomen bij deze toelichting.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

45

M16073. 02. 026/FSC

Figuur 21. Uitsnede Archeologisch kaart gemeente Someren 2015.

Het onderzoekgebied is destijds tot een bepaalde diepte vrijgegeven in verband met het aanleggen van een drainagesysteem. Het nu voorliggende plan betreft een bouwplan. Om die reden worden de

archeologische waarden in het plangebied gehandhaafd en zijn deze opgenomen op de verbeelding. Ten behoeve van het bouwplan dient er bij overschrijding van de archeologische onderzoeksgrenzen derhalve minimaal een archeologische begeleiding te worden uitgevoerd bij de realisatie van de bebouwing.

46

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

5. 3

Kabels en leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen

sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit

punt.

5. 4

Verkeer en parkeren Met

betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 5. 4. 1

voor

de

Verkeersstructuur De verkeerstructuur ter plaatse blijft ongewijzigd. De bestaande inritten zullen ter plaatse van de aansluiting aan de weg zodanig worden aangepast dat vrachtwagens (trekkers met opleggers) voldoende ruimte hebben om het terrein op- en af te rijden, zonder daarbij gebruik te hoeven maken van de wegberm. Voor wat betreft de verkeersgeneratie (voertuigbewegingen/etmaal) en parkeren sluit de bedrijfsvoering aan op een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf. Een dergelijk bedrijf kent in het buitengebied een theoretische verkeersgeneratie van 4,8 motorvoertuigen per 100 m2 bruto vloeroppervlakte. Uitgaande van een uitbreiding met 1400m2 bebouwing geeft dat een theoretische extra verkeergeneratie van (14 x 4,8 = (afgerond)) 68 motorvoertuigen/etmaal. Deze kengetallen zijn echter globaal en niet representatief voor de specifieke situatie bij dit bedrijf. In de huidige situatie komen er gemiddeld per dag 2 vrachtwagens en/of busjes naar deze locatie. Er worden compost en zaden geleverd en biologische voedingsmiddelen voor de teelt. Het vrachtverkeer volgt als aanvoerroute in de regel de Kanaaldijk (N612) en de Herselseweg, Steemertseweg naar Kerkenhuis. De afvoerroute loopt via diezelfde wegen. Tijdens het zaaien zijn er drie personen per dag die met de trekkers naar de percelen rijden.

Tijdens de oogst zijn er maximaal vier personen per dag die met 1 trekker en 1 busje naar de percelen rijden. Het verzorgen van de gewassen gebeurt machinaal (schoffelen). Dat gebeurt door 1 persoon met een trekker die vanuit alle richtingen de percelen kan oprijden. De aanrijroute van Steemertseweg direct naar de locatie is daarbij ook mogelijk. De oogst gebeurt in de huidige situatie door medewerkers die starten vanuit Achterbroek 26 te Lierop en met de trekker naar de percelen van de locatie Kerkenhuis rijden en met geoogst product naar Achterbroek 26 terugrijden. Ze kunnen de percelen ook bereiken vanuit de Groene Beemdweg, Steemertseweg en de twee opritten op het perceel hoek Kerkenhuis/Steemertseweg. De weg Kerkenhuis wordt tijdens de oogstperiode zoveel mogelijk ontzien door de inritten van de akkerbouwpercelen op de hoek Kerkenhuis-Steemertseweg en/of Steemertseweg en Groene Beemdweg te gebruiken om van en richting de locatie Achterroek 26 te rijden met landbouwverkeer. De weg Kerkenhuis wordt daarmee in die oogstperiode zoveel mogelijk ontzien. Het bedrijf is 6 dagen per week van ’s morgens 7. 00 tot 17. 30 in bedrijf. Als er niet geoogst hoeft te worden zijn in de week ook dagen dat er geen activiteiten zijn. Daarnaast loopt het seizoen van maart tot december. In de wintermaanden zijn er minder activiteiten en daardoor ook aanzienlijk minder verkeersbewegingen.

De bedrijfsactiviteiten passen qua verkeersbewegingen verder goed bij de activiteiten van de motorcross wedstrijden. De wedstrijddagen, welke extra verkeer aantrekken, zijn in de regel op

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

47

M16073. 02. 026/FSC

zondag. Dan wordt er bij het bedrijf niet gewerkt. Ook vindt er omtrent die wedstrijden overleg met vertegenwoordigers van MAC Lierop plaats om één en ander goed af te stemmen. Ook voor de in de omgeving gelegen paardenhouderij geldt dat daar de wedstrijddagen in de regel op zondag plaatsvinden; zijnde de dag dat bij het bedrijf niet wordt gewerkt. Door de bouw van de loods neemt het aantal bewegingen niet noemenswaardig toe. Omdat de landbouwmachines en biologische hulpstoffen dan op de locatie worden gestald/opgeslagen (hetgeen nu deels elders gebeurt) zal het aantal tractorbewegingen zelfs afnemen. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting zal als gevolg van de uitbreiding daarom slechts beperkt toenemen met maximaal 10 verkeersbewegingen per dag van en naar de inrichting (5 personenauto’s / busjes die af- en aanrijden). De weg Kerkenhuis is een erftoegangsweg met een standaard inrichting met een rijbaan van ongeveer 3 m breed. Dit is een vrij standaard inrichting voor een 60 kilometerweg in het buitengebied en

daarmee ook geschikt voor vracht- en tractorverkeer. Geconcludeerd wordt dat de uitbreiding van de bouwkavel geen noemenswaardige gevolgen heeft voor de verkeersstructuur ter plaatse. De weg Kerkenhuis is voornamelijk in gebruik voor bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteit is laag en zal door de wijziging van de bedrijfsvoering niet noemenswaardig toenemen. 5. 4. 2

Parkeren Het parkeerkencijfer voor een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied bedraagt 1,05 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlakte. Hiervan uitgaande zou er een theoretische aanvullende parkeercapaciteit van (14 x 1,05 =) 15 extra parkeerplaatsen zijn. Uit de beschrijving onder paragraaf 5. 4. 1 volgt echter dat dit voor de exploitatie van dit agrarisch bedrijf een forse overschatting is. Op eigen terrein wordt ruim voorzien in parkeergelegenheid en manoeuvreerruimte. De vrachtwagens voor afzet van de eindproducten worden inpandig geladen. Aan de voorzijde vindt aanvoer van de geoogste producten plaats, alwaar eveneens ruim is voorzien in de benodigde verkeersruimte/parkeerruimte/ laad en losruimte. Voor mogelijke piekmomenten is er extra parkeerruimte aan de oostzijde van de nieuwe loods. Er wordt daarmee op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien.

5. 5

Waterhuishouding

5. 5. 1

Nationaal Waterprogramma 2022-2027 In het Nationaal Waterplan 2022-2027 zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Het NWP 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Bprw 2016-2021 en vervangt deze plannen. Het NWP 2022-2027 geldt als een Nationaal Waterplan én een Bprw, conform de Waterwet. De Waterwet schrijft voor dat deze plannen iedere 6 jaar worden herzien. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk.

48

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

5. 5. 2

Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant kent ook als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Om de waterhuishouding op provinciaal niveau in goede banen te leiden, beschrijven de provincies in grote lijnen hoe er met water moet worden omgegaan. Dit gebeurt in het wettelijke verplichte Provinciale Waterhuishoudingsplan (WHP). Hierin worden op hoofdlijnen doelen beschreven en wordt aangegeven hoe deze bereikt kunnen worden. De waterschappen en gemeenten houden bij de uitvoering van het waterbeleid voor hun gebied rekening met deze provinciale hoofdlijnen. Belangrijke doelstellingen die de provincie Noord-Brabant nastreeft zijn onder andere dat het water voldoende schoon moet zijn en dat de juiste hoeveelheden beschikbaar moeten zijn op de juiste plekken. Dat zorgt er bijvoorbeeld voor dat waterrijke gebieden niet droog worden en dat water beschikbaar is voor de landbouw.

5. 5. 3

Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2022-2027 Op 19 november 2021 heeft het waterschap Aa en Maas het waterbeheerplan 2022- 2027 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2022-2027 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt: - veilig en bewoonbaar beheergebied; - voldoende water en robuust watersysteem; - schoon water; - gezond en natuurlijk water. Rond het plangebied zijn vanuit het waterbeheerplan geen specifieke maatregelen gepland. Keur Waterschap Aa en Maas 2021 De Keur is een aanvulling op de regels uit de Waterwet en is van toepassing op rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Daarnaast is de keur van toepassing op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen. In de regels van de Keur staat uitgewerkt wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Voor deze keur gelden dezelfde uitgangspunten als voor Waterschap De Dommel. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De

Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Zo gelden voor de uitwerking van de hemelwaterafvoer van onderhavig planvoornemen ook de regels uit de Keur. Afhankelijk van de uitwerking geldt een vrijstelling of is een vergunning noodzakelijk. Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het plangebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2021’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

49

M16073. 02. 026/FSC

5. 5. 4

Watertoets Aa en Maas De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van

waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De waterbeheerders moeten zo snel mogelijk betrokken worden, kennis over het watersysteem

aanreiken en meedenken over de ruimtelijke planvorming. Voor onderhavige ontwikkeling is een watertoets opgesteld, deze is als bijlage 5 bij deze toelichting toegevoegd. Uit deze toets blijkt dat de berekende infiltratie- /waterbergingsbehoefte 256 m 3 bedraagt. In onderstaande paragraaf is verder uitgewerkt hoe deze hoeveelheid tot stand is gekomen. - Invloedsgebied

Natura 2000

Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangewezen in de Keur als invloedsgebied (zie onderstaand kaartje). Invloedsgebieden Natura 2000 zijn bufferzones rond de Natura 2000-gebieden. In deze invloedsgebieden gelden met name voor grondwateronttrekkingen extra regels ter bescherming van de waterhuishouding in de Natura2000 gebieden. Het realiseren van de loods en

erfverharding heeft geen gevolgen voor het grondwater.

Figuur 22. Kaart keur Waterschap met aanduiding ligging in invloedsgebied keur

5. 5. 5

Afvalwater en hemelwater Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Someren. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren

50

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

van afvalwater via de gemeentelijke

riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. In het bedrijfsproces komt in de toekomstige situatie dagelijks circa 50 m3 bedrijfs(afval)water vrij. Dit is spoelwater van het wassen van de geteelde groentegewassen. Dit proceswater wordt binnen het bedrijf opgevangen, gezuiverd en hergebruikt in het spoelproces en voor het besproeien van gewassen. Het wordt niet geloosd op de riolering. Hemelwater In de Keur zijn algemene regels opgenomen waarmee onder ander vrijstelling wordt verleend voor het afvoeren van hemelwater. Voor toename van verhard oppervlak tussen de 500 m 2 en 10. 000 m 2 kan een algemene rekenregel worden toegepast waarbij de minimale compensatie wordt bepaald, zijnde: de benodigde compensatie (in m)3 = toename verhard oppervlak (m)2 x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). Hierbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende eisen: De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het

-

grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Er moet altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Hemelwater erfverharding (incl. kavelpad) Het hemelwater van de nieuwe erfverharding, ca, 1. 849 m,2 zal via straatkolken en afvoerleidingen afgevoerd worden naar de infiltratiesloot. Hemelwater dakverhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe dakverharding (ca. 1. 391 m)2 wordt eveneens geleid naar en opgevangen in de aan te leggen infiltratiesloot, welke wordt voorzien van een overloop op eigen grond. Dit water kan infiltreren. Capaciteit infiltratievoorziening hemelwater erfverharding en dakverhaarding Voor het hemelwater van de ca. 1. 849 m 2 erfverharding en de circa 2. 420 m 2 dakverharding (1. 391 nieuw en 1. 029 bestaand) heeft de infiltratiesloot een minimale opslagcapaciteit nodig van (1. 849+2. 420=) 4. 269 x 1 x 0. 06 = 256 m.3 De infiltratiesloot (182 m3) en infiltratievoorziening (minimaal 80 m3) op het voorterrein krijgen een opslagcapaciteit van totaal circa 262 m.3 De inhoud van de infiltratiesloot en de infiltratievoorziening is daarmee in ieder geval meer dan ruim voldoende voor de opvang van het hemelwater van de daken en het erf. gemiddelde hoogste grondwaterstand in het gebied bedraagt meer dan 90 cm-mv. De infiltratiesloot krijgt een opslagcapaciteit van circa 3 m3 per meter en is circa 65 meter lang. Het ruimtebeslag van de sloot bedraagt daarmee circa 225 m2.

Die infiltratiesloot is voorzien van een overloop welke is aangesloten op twee drainageleidingen welke het hemelwater ondiep infiltreren. Daardoor kan de sloot het overtollige water altijd kwijt. Daarnaast komt er een infiltratievoorziening op het voorterrein met een inhoud van circa 80 m3. De oppervlakte daarvan bedraagt circa 300 m2. De

In de Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

51

M16073. 02. 026/FSC

Waterschappen is een gedragslijn voor combinatie kwantiteits- en kwaliteitsberging opgenomen. Bij de verdere uitwerking van de wateropvang zal hiermee rekening worden gehouden. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat er water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. Al het hemelwater infiltreert op eigen bodem en/of wordt opgevangen en hergebruikt. De aangrenzende percelen zijn in eigendom van het bedrijf, zodat bij mogelijke extreme omstandigheden hemelwater alleen op de eigen percelen kan afstromen en geen hinder veroorzaakt bij derden. 5. 5. 6

Kwaliteit hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals de opritten, parkeerplaatsen, erf en laaddocks mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5. 5. 7

Conclusie Gelet op vorenstaande en de resultaten van de watertoets vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

5. 6

Natuur

5. 6. 1

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de

voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming). De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. 5. 6. 2

Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd,. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde

52

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. In de naaste omgeving van het plangebied liggen geen Natura-2000 gebieden. Op een afstand van ruim 2,5 km is het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’ gelegen. De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden, afgewisseld met verspreid gelegen bebouwing.

Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot veranderingen van de milieusituatie in de natuurgebieden. Voor onderhavig planvoornemen betreft het de uitstoot van stikstof als gevolg van de realisatiefase van de nieuwe loods en het gebruik ervan. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist als gevolg van de uitstoot van stikstof tijdens de realisatiefase en het gebruik van de loods na de realisatie. Derhalve is door Aelmans ROM B. V. een stikstofonderzoek uitgevoerd voor zowel de realisatiefase en de gebruiksfase. Invloed van de NOx- en ammoniakemissie als gevolg van de geringe verkeerstoename op de Natura 2000 gebieden, is vanwege de grote afstand van het plangebied tot de Natura 2000 gebieden niet te verwachten. Dit blijkt ook uit de toets met behulp van de Aerius-calculator (wettelijk toegestaan rekenprogramma). De resultaten geven de stikstofeffecten van deze activiteit weer voor de Natura 2000 gebieden. Uitgaande van de extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde), zoals opgenomen in de NIBM-tool in paragraaf 4. 4. 2, blijkt uit de rekenresultaten dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten die hoger dan de drempelwaarde zijn.

Met andere woorden, de stikstofdepositie op die natuurgebieden als gevolg van het extra verkeer ligt onder de drempelwaarde, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet nodig is. Uit de resultaten van het onderzoek naar de invloed van NOx- en NH3-emissie van de realisatie- en gebruiksfase op Natura 2000-gebieden blijkt, dat er als gevolg van de realisatiefase en de gebruiksfase in de nieuwe situatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is derhalve niet nodig. De Aeriusberekeningen zijn als bijlage 6 toegevoegd bij onderhavige toelichting. Ecologische hoofdstructuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de door de overheid beschermde natuur- of landschapsgebieden. Het plangebied is gelegen in een overwegend agrarisch gebied buiten de bebouwde kom. De voorziene ontwikkeling vindt plaats buiten de Ecologische hoofdstructuur. Het plan heeft dan ook geen nadelig effect op de Ecologische hoofdstructuur. 5. 6. 3

Soortenbescherming (Flora en Fauna) Ter bescherming van planten- en diersoorten gelden In de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. We kennen 2 beschermingsniveaus, te eerste de Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en ten tweede de Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht houdt in, dat men soorten niet onnodig mag verstoren, doden, verwonden en beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook vaste verblijfplaatsen. Een vaste verblijfplaats betreft een verblijfplaats

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

53

M16073. 02. 026/FSC

dier regelmatig terugkeert. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. waarnaar

een

De locatie voor de voorgenomen uitbreiding binnen plangebied bestaat volledig uit intensief in gebruik

zijnde agrarische landbouwgrond. Binnen het plangebied is geen sprake van sloop van opstallen of verwijdering van erfbeplanting als houtsingels of bosstroken. De verwachting is dan ook dat binnen het plangebied geen beschermde flora en fauna voorkomen. Ook in de aangrenzende percelen zijn gezien het intensieve agrarische gebruik van de gronden geen zeldzame planten- en diersoorten te verwachten. Die gronden worden jaarlijks 9 keer bewerkt voor de teelt van groentegewassen (3 teelten op jaarbasis). Daarbij draagt het vereiste inrichtingsplan (zie bijlage 2) t. b. v. het planvoornemen juist bij aan een mogelijke nieuwe leefomgeving voor inheemse soorten en mogelijk ook beschermde soorten. Er is vanuit het aspect flora- en fauna geen belemmering te verwachten voor de voorgestane

ontwikkeling van de locatie. 5. 6. 4

Conclusie natuur N. a. v. bovenstaand kan geconcludeerd worden dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, het planvoornemen naar verwachting geen (significante) negatieve effecten zal veroorzaken op de Natura 2000-gebieden. Gelet op het huidige intensieve gebruik van de gronden (3 teelten per jaar); er geen sprake is van sloop van gebouwen en er verder ook geen houtopstanden en andere beplanting wordt gerooid, maakt dat het niet aannemelijk is dat binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen of worden verstoord. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5. 7

Mer-beoordeling Op grond van de Wet milieubeheer dient voor alle plannen en besluiten (projecten), die mogelijk grote gevolgen voor het milieu kunnen hebben, een procedure milieueffectrapportage (m. e. r. ) te worden

doorlopen. Dit is bedoeld om bij het opstellen van plannen en projecten de milieugevolgen expliciet af te wegen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen m. e. r. -plichtige activiteiten waarvoor een milieueffectrapport dient te worden opgesteld en m. e. r. -beoordelingsplichtige activiteiten, waarbij dient te worden afgewogen of er sprake kan zijn van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Per 1 april 2011 is het Besluit m. e. r. gewijzigd. Nieuw element daarin is de vormvrije m. e. r. beoordeling. Ingevolge het gewijzigde artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m. e. r. zijn de drempelwaarden voor m. e. r-beoordelingsplichtige activiteiten indicatief. Het gaat om die activiteiten die wel worden genoemd in kolom 1 van de D-lijst, maar die in omvang onder de drempelwaarden blijven zoals aangegeven in kolom 2 van de D-lijst. Dit betekent dat ook gemotiveerd moet worden waarom geen m. e. r. noodzakelijk is in die gevallen waarbij men onder de m. e. r. -beoordelingsnorm blijft zoals opgenomen in kolom 2.

54

Bestemmingsplan Kerkenhuis 5 Lierop Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV

M16073. 02. 026/FSC

5. 7. 1

Toets planvoornemen Het planvoornemen binnen het plangebied wordt niet vermeld in Kolom 1 van de D-lijst. Wel wordt onder 11. 2 in de D-lijst de ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’

genoemd. Dit is echter niet van toepassing op onderhavige planontwikkeling. 5. 7. 2

Conclusie mer-beoordeling Voor de planontwikkeling aan de Kerkenhuis 5 is geen vormvrije-m. e. r. -beoordeling van toepassingen omdat de ontwikkelingen niet genoemd worden in de D-lijst onder kolom 1 en dus geen bedreiging vormt voor het milieu.

5. 8

Duurzaamheid Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden,

landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag van de omgevingsvergunning - bouwen. Daarnaast wordt momenteel nog onderzocht of toepassing van zonnepanelen of andere vormen van alternatieve energie tot de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14461457/2