Overzicht ingekomen stukken ter voorbereiding aan het college
Tekst van het document
Het projectgebied wordt begrensd door de Beliënberkdijk, de Dertiensedijk, de Nederweertseweg, de Kerkendijk en de Nieuwendijk.
1
Aanname: gemiddeld huishouden verbruikt 3500 kWh per jaar
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 1
Figuur 1.1 Ligging projectgebied
1.2 Waarom een mer-procedure? 1.2.1 Inleiding Milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Het doel van mer is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over een plan of project, een mer is dus altijd gekoppeld aan een ‘moederbesluit’ voor het plan of project. Een belangrijk onderdeel van mer is het objectief beschrijven van de (relevante) milieueffecten van het plan of project in het milieueffectrapport (MER). Het MER moet uitgaan van de maximale mogelijkheden van het plan of project en alternatieven beschrijven en vergelijken. De inhoudelijke vereisten aan een mer zijn vastgelegd in Hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). Dat houdt samengevat in dat een milieueffectrapport wordt opgesteld om de (mogelijke) effecten van de voorgenomen activiteit en eventuele alternatieven daarvoor op de natuur, het milieu, archeologische waarden, leefomgeving en (andere) gebruiksfuncties van de betrokken gebieden voor de afweging daarvan bij besluitvorming in beeld te brengen. De functie van het onderzoeken van alternatieven is dat verschillende mogelijkheden voor de voorgenomen activiteit met elkaar vergeleken worden op milieueffecten. Zo wordt het milieubelang meegewogen in de besluitvorming over het voornemen. De wettelijke basis voor mer ligt in Europa.
De Europese richtlijn voor strategische milieubeoordeling (SMB-richtlijn) regelt mer voor plannen en programma’s; de Europese mer-richtlijn regelt mer voor projecten.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 2
1.2.2 Mer-plicht De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark valt onder de mer-regelgeving. Voor projecten of besluiten waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden geldt een mer(beoordelings)plicht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het opstellen van een planMER en een projectMER. Een korte toelichting op de mer-beoordeling, planMER en projectMER is opgenomen in Kader 1.1. Kader 1.1 PlanMER en projectMER en mer-beoordeling
PlanMER Het planMER wordt opgesteld ten behoeve van een omgevingsvisie, programma of ruimtelijk plan, zoals een omgevingsplan. Het planMER moet ingaan op de vraag ‘waarom hier’. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt over de milieueffecten van het plan. Het planMER geeft een onderbouwing van de locaties, waarbij mogelijk ook verschillende locaties (locatiealternatieven) worden onderzocht, en beschrijft de milieueffecten van het windpark als bijdrage aan de belangenafweging. Voor een omgevingsvisie is de effectbeschrijving globaal en heeft tot doel aan te tonen dat het aannemelijk is dat het plan (het windpark op de locatie) kan voldoen aan de geldende milieueisen, een planMER voor een ruimtelijk plan zal meer detailniveau bevatten. Een plan-merbeoordeling kan onder meer aan de orde zijn in het geval er sprake is van een kaderstellend plan maar het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als de gemeente het bevoegd gezag is.
ProjectMER Het projectMER heeft betrekking op de milieueffecten van de concrete uitwerking van een plan en wordt opgesteld voor de besluitvorming over de omgevingsvergunning. Het gaat dus vooral om de inrichting van een gebied. Voor een windpark betreft dit een concrete uitwerking zoals het bepalen van de posities van de windturbines. De effecten van een dergelijke opstelling en van opstellingsvarianten worden met onderzoek in detail bepaald en afgezet tegen de geldende milieueisen, waarbij beoordeeld wordt of aan deze eisen kan worden voldaan.
Plan/project-mer-beoordeling Een mer-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen project mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, of dat een plan kaderstellend is voor projecten met mogelijke nadelige milieugevolgen. Een lijst van mer-beoordelingsplichtige projecten is opgenomen staat in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor een mer-beoordeling is doorgaans geen diepgaand onderzoek nodig terwijl dit voor een plan/project-mer wel noodzakelijk is. Een mer-beoordeling kent twee uitkomsten: 1) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden en er dient een mer-procedure doorlopen te worden of 2) belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op en de mer-procedure wordt niet doorlopen.
Op grond van artikel 16.43 lid 1 Omgevingswet (Ow) worden in bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) projecten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark is opgenomen in onderdeel C2. Voor een windpark van 3 of meer turbines geldt een mer-beoordelingsplicht, terwijl voor een windpark van 20 of meer turbines een mer-plicht geldt.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 3
Initiatiefnemers kiezen voor het opstellen van een vrijwillig MER Het beoogde voorgenomen windpark Diepenhoek bestaat uit circa 5-8 turbines en is dus merbeoordelingsplichtig voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De project-mer-beoordelingsplicht houdt in dat het bevoegd gezag moet beoordelen of het doorlopen van een project-mer noodzakelijk is. De initiatiefnemers hebben, gezien de aard en schaal van het project en de keuzemogelijkheden voor verschillende alternatieven, er voor gekozen om direct een (vrijwillig) projectMER op te stellen. Een beoordeling door het bevoegd gezag of inderdaad een project-mer noodzakelijk is voor de omgevingsvergunning kan daarom achterwege blijven. Afhankelijk van de te kiezen ruimtelijke procedure voor de uiteindelijke realisatie van het windpark kan er ook een plan-mer of plan-mer-beoordeling noodzakelijk zijn. Voor een wijziging omgevingsplan geldt een plan-mer-(beoordelings)plicht. Indien er sprake is van een plan-mer-(beoordelings)plicht dan wordt het opstellen van de plan-mer ook vrijwillig in het MER meegenomen. Het op te stellen MER is dan dus een vrijwillig gecombineerd plan-/projectMER. De concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is de eerste stap in de mer-procedure voor windpark Diepenhoek.
1.3 Procedures en besluiten De mer-procedure is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten en is bedoeld om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over een plan of project. De mer-procedure is daarom altijd gekoppeld aan een (ruimtelijk) besluitvormingsprocedure voor een initiatief, in deze windpark Diepenhoek. Windpark Diepenhoek past niet binnen het omgevingsplan van de gemeente Someren. Een ruimtelijke (besluitvormings)procedure en bijbehorende omgevingsvergunning(en), gekoppeld aan de merprocedure, is daarom noodzakelijk om het windpark mogelijk te maken. Om het windpark ruimtelijk mogelijk te maken zijn verschillende procedures mogelijk: het projectbesluit (met bijbehorende projectprocedure) door de provincie, een wijziging van het omgevingsplan of omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan (buitenplanse omgevingsplanactiviteit; BOPA) door de gemeente (zie ook Figuur 1.2). De gemeente Someren heeft aangegeven in principe op te willen treden als bevoegd gezag en het niet over te willen laten aan de provincie. De gemeente zal dan als bevoegd gezag optreden voor een wijziging van het omgevingsplan (gemeenteraad) en/of het verlenen van de benodigde omgevingsvergunning(en) (burgemeester en wethouders). De exacte procedure en invulling dient nog nader te worden bepaald.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 4
Figuur 1.2 Mogelijke procedure(keuze) voor Windpark Diepenhoek
1.4 Doel en inhoud van deze concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (cNRD) Doel cNRD De concept NRD is de eerste stap in de mer-procedure om te komen tot het MER voor het Windpark Diepenhoek. Het doel van de concept NRD is om betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de inhoud en diepgang (de reikwijdte en het detailniveau) van het nog op te stellen MER. Het doel is eveneens om betrokkenen en belanghebbenden in dit stadium te raadplegen om reacties te kunnen meenemen in de uit te voeren onderzoeken. De binnengekomen reacties (zienswijzen) en adviezen worden betrokken bij het opstellen van het MER.
Inhoud cNRD In de concept NRD wordt aangegeven wat de voorgestelde reikwijdte en het voorgestelde detailniveau van het MER zal zijn (het onderzoeksvoorstel). De cNRD maakt inzichtelijk wat de aard en het doel is van de ontwikkeling, welke alternatieven in het MER worden bekeken en welke milieuaspecten worden onderzocht. Eenieder krijgt de mogelijkheid om advies te geven of hun zienswijze kenbaar te maken op de in de concept NRD beschreven reikwijdte en aanpak voor het MER. De initiatiefnemers houden bij het opstellen van het MER rekening met de op basis van de cNRD verkregen adviezen en reacties. In hoofdstuk 5 is aangegeven hoe een reactie op de cNRD kan worden gegeven en wat er met deze reactie gebeurt.
1.5 Initiatiefnemers en bevoegd gezag 1.5.1 Initiatiefnemer project Prowind en ZummerePower zijn de initiatiefnemers voor het project. Omdat niet de initiatiefnemer van het windpark Diepenhoek, maar de gemeente het omgevingsplan kan wijzigen is de gemeente de initiatiefnemer van het omgevingsplan. Daarom is Prowind tezamen met ZummerePower als initiatiefnemer van het project verantwoordelijk voor het project-MER-deel van de notitie. De initiatiefnemer vraagt een advies over reikwijdte en detailniveau aan het bevoegd gezag voor het projectMER. De gemeente is verantwoordelijk voor het plan-MER-deel. Nadere informatie over de initiatiefnemer van het project is te vinden op de website www.sociaalwindparkdiepenhoek.nl. Tabel 1.1 zijn de contactgegevens van de initiatiefnemers opgenomen. concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 5
Tabel 1.1 Contactgegevens initiatiefnemers project windpark Diepenhoek Initiatiefnemers Naam
Prowind en ZummerePower
Contactpersonen
Hans Kerkvliet (Prowind) en Ton de Kok (ZummerePower)
E-mailadres
kerkvliet@prowind.com
1.5.2 Bevoegd gezag De gemeente Someren wordt het bevoegd gezag voor de mer-procedure en bereidt de procedure voor om te komen tot het MER en besluit over vaststelling van het MER. De initiatiefnemer kan een advies over reikwijdte en detailniveau van het projectMER aan het bevoegd gezag vragen. Indien er ook sprake is van een planMER dan bepaalt het bevoegd gezag daarvoor zelf de reikwijdte en detailniveau.
Het bevoegd gezag (gemeente Someren) vraagt in ieder geval de wettelijke adviseurs een advies over reikwijdte en detailniveau en kan daarnaast ook de cNRD ter inzage leggen voor reacties zoals in deze ook wordt gedaan. Tabel 1.2 Contactgegevens bevoegd gezag wijziging omgevingsplan en omgevingsvergunningen Bevoegd gezag Gemeente
Someren
Adres
<xxx>
Contactpersoon
<xxx>
E-mailadres
<xxx>
1.6 Leeswijzer In deze NRD komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde: •
Het relevante beleidskader waarbinnen het project zich afspeelt (hoofdstuk 2);
•
Een projectbeschrijving en alternatieven (hoofdstuk 3);
•
Het uit te voeren onderzoek per milieuthema (hoofdstuk 4);
•
Een overzicht van de mer-procedure, inclusief momenten en wijze waarop een reactie kan worden ingediend (hoofdstuk 5).
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 6
2 Beleidskader 2.1 Mondiaal en Europees beleid 2.1.1 Klimaatconferentie Parijs en Europese doelstelling In december 2015 zijn (onder auspiciën van de Verenigde Naties) op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21) 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook medeondertekend. Voor nu is de Europese ambitie gebaseerd op een politieke overeenstemming waarin een bindende doelstelling ten aanzien van duurzame energieopwekking is vastgelegd. In 2030 moet tenminste 32% van het energieverbruik van de Europese Unie duurzaam zijn opgewekt. De uitstoot van broeikasgassen dient in 2030 met ten minste 55% te zijn gereduceerd ten opzichte van het niveau van 1990. Dat doel was eerder op 49% gesteld.
2.1.2 Internationaal klimaatrapport IPCC (2021) Overal ter wereld vindt onderzoek plaats naar het klimaat en klimaatverandering. Om de beschikbare kennis op dit gebied in kaart te brengen en in rapporten samen te vatten, is in 1988 een wetenschappelijk klimaatpanel opgericht. Dit klimaatpanel heet het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Het IPCC brengt om de 6 à 8 jaar een klimaatrapport uit met daarin de laatste stand van zaken rondom het klimaat. In augustus 2021 is het eerste deel van het nieuwste – het zesde – rapport gepubliceerd2. Voor dit rapport hebben wetenschappers 14.000 internationale klimaatonderzoeken geanalyseerd. In het rapport worden de gevolgen van klimaatverandering in kaart gebracht. De belangrijkste conclusies van het rapport zijn: •
Het aandeel van de mens in de huidige verandering van het klimaat staat buiten kijf.
•
Er zijn nu al grote veranderingen in de atmosfeer, in de oceanen, het gebied rond de noordpool en natuurgebieden.
•
In alle vijf onderzochte scenario’s zal de temperatuur de komende dertig jaar toenemen.
•
De beste schatting voor het opwarmende effect van de uitstoot van broeikasgassen door de mens is 3 graden, met minimaal 2 graden en maximaal 5 graden.
Door meer broeikasgassen in de atmosfeer warmt de aarde meer op. Hoeveel de aarde nog gaat opwarmen is afhankelijk van de mens en de hoeveelheid broeikasgassen die nog uitgestoten gaan worden. Om klimaatverandering te beperken, is het op z'n minst nodig om netto nul CO2 uit te stoten. Om de opwarming nog onder 1,5 graden te houden, moet dit voor 2050 gebeuren.
2.2 Rijksbeleid 2.2.1 Energieakkoord voor duurzame groei en Energieagenda Het Energieakkoord voor duurzame groei (2013) biedt een langetermijnperspectief voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energie- en klimaatbeleid. Ruim veertig organisaties, waaronder
2
Te downloaden via https://www.ipcc.ch/report/ar6/wg1/ concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 7
overheden, werkgevers, vakbewegingen en natuur- en milieuorganisaties hebben zich verbonden om afspraken te maken over duurzame groei. Het akkoord is erop gericht om de economische structuur te versterken en om de komende jaren miljarden aan investeringen los te maken in alle sectoren van de samenleving. Door de uitvoering van het Energieakkoord voor duurzame groei wordt er een sterke stijging beoogd in het aandeel duurzame energie van 4,5% in 2013 naar 14% in 2020 en 16% in 2023. Met de Energieagenda (2016) is het de bedoeling om invulling te geven aan de doelstellingen voor de lange termijn. Hiermee wordt een duidelijke koers aangegeven om perspectief en zekerheid te kunnen bieden aan bedrijven en inwoners. De Energieagenda beschrijft de te maken stappen om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 mogelijk te maken.
2.2.2 Nationaal Klimaatakkoord (2019) Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren denken mee over concrete plannen. De vijf sectortafels zijn: gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit. Op 10 juli 2018 is het 'voorstellen voor hoofdlijnen' document gepresenteerd. In december 2018 is het ontwerp van het Klimaatakkoord gepresenteerd. De eerste maanden van 2019 rekende het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de afspraken door. De doorrekeningen van het ontwerp-Klimaatakkoord door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) toonden aan dat de reductieopgave van 49% gehaald kan worden. Op 28 juni 2019 is het definitieve Klimaatakkoord door het Kabinet gepresenteerd aan de Tweede Kamer.
Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op onze leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën (RES) een belangrijke rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd.
Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 8
Voor hernieuwbaar op land (35 TWh) wordt vooral gekeken naar wind op land en zonne-energie. Dit zijn namelijk bewezen technieken met technische en economische haalbaarheid. Om deze opwekcapaciteit te realiseren is in het Klimaatakkoord opgenomen dat in dertig regio’s door gemeenten wordt samengewerkt aan een Regionale Energiestrategie (RES). In deze RES wordt opgenomen waar en op welke manier deze opwekcapaciteit moet worden gerealiseerd. Windenergie is hierbij een van de belangrijkste opties.
2.2.3 Klimaatwet (2019) In de Klimaatwet zijn de Nederlandse klimaatdoelstellingen wettelijk vastgelegd. De Klimaatwet is op 1 september 2019 in werking getreden. In de Klimaatwet staan drie doelen: • •
een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030; een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050;
•
100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050.
Elke vijf jaar komt er een klimaatplan waarin het klimaatbeleid wordt vastgesteld. Dit klimaatplan past in de systematiek van de Integrale Nationale Energie-en Klimaatplannen die voor de EU moeten worden opgesteld en het klimaatakkoord van Parijs. Het eerste klimaatplan (Klimaatplan 2021-2030) is in april 2020 gepubliceerd3.
2.2.4 Klimaatplan 2021-2030 (2020) De inhoud van het klimaatplan4 wordt voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het klimaatakkoord. Dit bevat maatregelen om tot het reductiedoel van 49% in 2030 te komen. Daarnaast bevat het klimaatplan beleid dat volgt uit Europese verplichtingen en ander lopend beleid. De volgende beleidslijnen worden ingezet binnen de sector elektriciteit: •
Het stimuleren van wind op zee (WOZ) tot 49 TWh in 2030;
•
Het stimuleren van hernieuwbare energie op land (HOL) tot 35 TWh in 2030;
•
Het stimuleren van kleinschalige hernieuwbare productie tot circa 10 TWh in 2030;
•
Het waarborgen van leveringszekerheid;
•
Investeren in voldoende elektriciteits-infrastructuur.
2.2.5 Klimaat- en Energieverkenning (2020) Volgens de tweede Klimaat en Energieverkenning5 (KEV) zijn er forse extra doelstellingen nodig om de nationale doelstelling van 49 procent op broeikasgasuitstoot voor 2030 te halen. Dat betekent een gemiddelde reductie van 6 megaton per jaar. Uit de KEV-raming blijkt dat in 2020 ongeveer de helft (3 megaton) per jaar wordt gereduceerd. Dat betekent dat er een behoorlijke opgave rest.
2.2.6 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op nationaal niveau is het vigerend ruimtelijk beleid vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet. Met de NOVI geeft het Rijk een “Klimaatplan 2021-2010”, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, april 2020. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2020/04/24/klimaatplan-2021-2030 4 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2020/04/24/klimaatplan-2021-2030 5 “Klimaat- en Energieverkenning 2020” Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), oktober 2020. Geraadpleegd van: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2020-klimaat-en-energieverkenning2020-3995.pdf 3
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 9
langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden. Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken. Prioriteiten binnen de NOVI zijn: •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
•
Duurzaam economisch groeipotentieel;
•
Sterke en gezonde steden en regio’s;
•
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn 'nationale belangen'. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes. Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn. Voor windturbines op land stelt de NOVI "De molens op land clusteren we zoveel mogelijk en passen we zo goed mogelijk in het landschap in. Bijvoorbeeld langs snelwegen. Hierbij zorgen we dat bewoners goed betrokken zijn en waar het kan meeprofiteren in de opbrengsten". Windpark Diepenhoek draagt bij aan de ontwikkeling van meerdere nationale belangen, waaronder productie van duurzame energie, duurzaam economisch groeipotentieel en toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied. Een nieuwe Nota Ruimte, als opvolger van de Novi, zal een lange termijnvisie geven op de ruimtelijke inrichting van Nederland.
Deze Nota Ruimte is nu in voorbereiding.
2.2.7 Energiewet Op 4 juni 2024 heeft de Tweede Kamer de nieuwe Energiewet aangenomen en deze wordt naar verwachting in september 2024 behandeld door de Eerste Kamer6. Deze wet vervangt de bijna 20 jaar oude elektriciteit- en gaswetgeving om zo beter aan te sluiten bij de vernieuwingen in de energievoorziening als gevolg van de energietransitie. De wet heeft onder andere ten doel om de energietransitie te versnellen, de consument beter te beschermen en netcongestie te verminderen. Hiertoe biedt het wetsvoorstel mogelijkheden om het net flexibeler te gebruiken (vraagrespons, congestiemanagement) en om aansluitingen gezamenlijk te gebruiken (cable pooling).
6
Rijksoverheid (2024). Brede steun voor nieuwe energiewet. Bron: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/06/04/brede-steun-voor-nieuwe-energiewet concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 10
Een voor windparken relevant aspect van de nieuwe Energiewet betreft de verhoging van de grens voor de realisatie of uitbreiding van windparken waarbij de provincie optreedt als bevoegd gezag. Onder de huidige wetgeving is de gemeente het bevoegd gezag bij windparken tot 5 MW en de provincie voor windparken van 5 tot 100 MW, waarbij de provincie het bevoegd gezag met instemming van de gemeente kan delegeren. Onder de nieuwe Energiewet is de provincie pas bevoegd gezag bij windparken met een opgesteld vermogen vanaf 15 MW. Hiermee sluit de wet aan op het groeiende vermogen van individuele windturbines.
2.3 Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant heeft de ambitie om in 2050 voor 100% duurzame energie te gebruiken en de CO2 uitstoot met 90% te verminderen. Deze taakstelling is vooral opgenomen in de Energieagenda 20192030 van provincie Noord-Brabant en de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Hierin zijn de kaders voor windenergie helder vastgesteld.
2.3.1 Energieagenda 2019-2030 (2019) In 2010 werd de Energieagenda 2010-2020 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. De agenda concentreerde zich op zeven gebieden, waarvan windenergie er één was. Over windenergie werd gezegd dat de provincie kansen schept door het vergroten van mogelijkheden binnen het ruimtelijk instrumentarium, wet- en regelgeving en het wegnemen van drempels. In 2019 werd vervolgens de Energieagenda 2019-20307 gepubliceerd. In deze Energieagenda zijn ambities en doelen gesteld voor de provincie. De Energieagenda benoemt de urgentie en noodzaak om een versnelling in de transitie centraal te zetten. De ambities en doelen die zijn gezet in de Energieagenda zijn gericht op 2030, al kan dat jaar worden beschouwd als een tussenstop voor de weg naar 2050. In 2030 is de ambitie om 50% van de energie op te wekken uit duurzame bronnen en 50% minder CO2 uit te stoten ten opzichte van de uitstoot in 1990. De ambitie voor 2050 is om 100% van de energie op te wekken uit duurzame bronnen en 90% minder CO2 uit te stoten ten opzichte van de uitstoot in 1990. Figuur 2.1 Ambities en doelen provincie Noord-Brabant (bron: Energieagenda 2019-2030)
Om deze doelen te halen heeft de provincie 3 strategieën gekozen; 1. Mobiliseren van de samenleving voor de energietransitie; 7
https://www.brabant.nl/@12349/energieagenda-2019-2030/ concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 11
2.
Selectief en slim stimuleren van koplopers;
3.
Slim integraal combineren.
Het verwachte energieverbruik in de provincie in 2030 is 240 PJ. De ambitie is dus om in 2030 120 PJ duurzaam op te wekken, waarvan 88 PJ uit zon en wind. Windpark Diepenhoek draagt direct bij aan de productie van hernieuwbare energie en aan het naderbij brengen van klimaatdoelstellingen.
2.3.2 Omgevingsvisie Brabant (2018) Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de nieuwe Omgevingsvisie vastgesteld8. Met de Omgevingsvisie streeft de provincie Noord-Brabant naar een energieneutrale samenleving in 2050 en tenminste 50% duurzame energieopwekking in 2030 binnen de eigen provincie. Om een energieneutrale samenleving te bereiken zet de provincie fors in op het besparen van energie enerzijds en het opwekken en gebruiken van duurzame energie anderzijds. Samen met de vier RESregio’s9 in de provincie wordt een strategie uitgezet om de provinciale doelen te bereiken in een zorgvuldig regionaal proces, gericht op het integraal ontwerpen en ontwikkelen van een moderne energievoorziening van de regio’s en de provincie als geheel. Sociale participatie speelt een kern rol in het regionale proces. Er wordt ingezet op een mix van bronnen, waarbij zonne- en windenergie op dit moment de belangrijkste pijlers zijn. De vier RES-regio’s in de provincie Noord-Brabant hebben ieder in hun RES 1.0 aangegeven hoeveel TWh hernieuwbare elektriciteit (uit zon en wind) zij in 2030 willen bijdragen aan de doelstelling van de nationale tafel Elektriciteit uit het Klimaatakkoord (35 TWh). In Tabel 2.1 is dit samengevat. Tabel 2.1 Overzicht RES biedingen in de provincie Noord-Brabant
De RES-regio Metropoolregio Eindhoven gaat hiermee in 2030 2 TWh hernieuwbare elektriciteit bijdragen aan de doelstelling van de nationale tafel Elektriciteit uit het Klimaatakkoord (5,7% van de 35 TWh). Voor de periode tot 2030 zet de provincie vol in op het mogelijk maken van zoveel mogelijk zon- en breedgedragen windprojecten, binnen de spelregels die in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant, de opvolger van de ‘Verordening Ruimte’, een plek hebben gekregen. Draagvlak en sociale randvoorwaarden zijn daarbij belangrijk. Ook zet de provincie zich in om de elektriciteitsvraag van de gebouwde omgeving zoveel mogelijke binnen die omgeving op te wekken.
“Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant. Visie op de Brabantse leefomgeving”, https://www.omgevingswetinbrabant.nl/media/1518/omgevingsvisie_definitief.pdf 9 West Brabant, Hart van Brabant, Noord Oost Brabant en Metropoolregio Eindhoven 8
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 12
Windpark Diepenhoek draagt bij aan de Brabantse CO2-reductie.
2.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant (2024) De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet. In de omgevingsverordening zijn regels en voorwaarden opgenomen waaraan initiatiefnemers van windenergieprojecten en het bevoegd gezag zich moet houden. In deze paragraaf worden alleen de voor het beoogde windpark van toepassing zijnde regels en voorwaarden besproken. Het windpark Diepenhoek is gepland in het landelijk gebied en de windturbines zijn beduidend hoger dan 25 meter. De regels kunnen worden gevonden in ‘’Afdeling 5.4 Duurzame energie’’ en zijn hieronder artikelsgewijs opgesomd: Artikel 5.51 Windturbines in Landelijk gebied Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan de ontwikkeling van drie of meer windturbines, inclusief bijbehorende voorzieningen, met een bouwhoogte vanaf 25 m, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, mogelijk maken als; a. de windturbines passen in de gewenste ontwikkelingsrichting, bedoeld in Artikel 5.12 b. de windturbines in een cluster worden opgesteld; c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren in het project; d.
de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving; e. is geborgd dat wordt voldaan aan het treffen van mitigerende maatregelen om faunaslachtoffers te voorkomen en de daaraan gekoppelde onderzoek- en monitoringplicht, zoals opgenomen in het bouwstenendocument ‘’Natuurinclusieve Energietransitie voor Wind en Hoogspanning op Land’’ (NIEWHOL); f.
is geborgd dat de windturbines en de daarbij horende voorzieningen tijdelijk, voor ten hoogste 25 jaar, worden toegelaten;
g. juridisch en financieel is geborgd dat de windturbines en de daarbij behorende voorzieningen na het verstrijken van de termijn worden verwijderd.
Het gebied voor windpark Diepenhoek heeft enkele overlap met het Natuur Netwerk Brabant. Hierover zegt de provinciale omgevingsverordening het volgende: Artikel 5.52 Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant In aanvulling op artikel 5.51 kan een omgevingsplan bepalen dat een windturbine is toegestaan in het Natuur Netwerk Brabant, in het geval dat: a. b.
het Natuur Netwerk Brabant direct aansluitend op hoofdinfrastructuur ligt; uit een alternatievenafweging blijkt dat negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken waar mogelijk worden beperkt;
c.
bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 5.37 Compensatie;
d.
en toepassing is gegeven aan artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant tweede lid, voor de overdraai van de wieken. concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 13
In de omgevingsverordening is ook een artikelsgewijze toelichting te vinden op de hierboven besproken punten. Hieronder worden deze per artikel besproken.
Algemeen In de verordening zijn alleen regels opgenomen voor windturbines vanaf een masthoogte van minimaal 25 meter. De gemeente onderzoekt binnen de gemeente op welke plekken de plaatsing van windturbines inpasbaar is in de omgeving. In het algemeen geldt dat hierbij zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter van de turbines heeft de ontwikkeling bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige polderlandschap de voorkeur. Bijkomend voordeel is dat in een dergelijke omgeving vaak ook minder hindergevoelige functies aanwezig zijn. Een plan dat de nieuwvestiging van windturbines mogelijk maakt bevat de onderbouwing dat de ontwikkeling past bij de maat en schaal van het gebied.
Inpassing in de omgeving Vanuit het streven naar omgevingskwaliteit geldt als basis bij alle ontwikkelingen de toepassing van de principes voor een evenredige toedeling van functies. Hierbij wordt specifiek aandacht gevraagd naar het effect van windturbines op diverse vogels en andere fauna. Dat is nodig om inzicht te krijgen in welke mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden om faunaslachtoffers te voorkomen.
Clustering Om verrommeling tegen te gaan zijn er geen mogelijkheden voor de ontwikkeling van solitaire windturbines. Er moet minimaal sprake zijn van drie windturbines in een lijn- of clusteropstelling. De realisatie van de windturbines kan gefaseerd en door meerdere exploitanten geschieden.
Maatschappelijke meerwaarde Om de betrokkenheid van de inwoners en draagvlak voor duurzame energie te vergroten, geldt dat de ontwikkeling maatschappelijke meerwaarde geeft. Een maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd door de maatregelen die zijn getroffen om de impact van de windturbines op de omgeving te beperken en de bijdrage aan andere maatschappelijke doelen. Dit zijn niet alleen doelen vanuit duurzaamheid maar ook gericht op vergroten van draagvlak bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Het enkele gegeven dat het project duurzame energie oplevert, is niet voldoende. Een goede invulling van deze voorwaarde garandeert tevens betrokkenheid van de inwoners door ‘meespraak’ bij het project.
Afstemming Vanuit een zorgvuldig gebruik van de open ruimte, afstemming van duurzame energieprojecten in een gebied en de in sommige gebieden beperkte capaciteit van het netwerk, geldt als randvoorwaarde dat projecten zijn afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder. Bij de afweging spelen diverse aspecten een rol, zoals een efficiënte aansluiting op het energienet in samenspraak met de netwerkbeheerders, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energie-infrastructuur maar ook aspecten rondom zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. Deze aanpak past ook bij de regionale energie strategieën die vanuit het Rijk worden gevraagd.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 14
Mitigerende maatregel voorkomen faunaslachtoffers Er moet geborgd worden dat er maatregelen worden getroffen ter voorkoming van faunaslachtoffers. Het doel van de NIEWHOL is om met de verschillende partijen te komen tot afspraken waarmee zowel wordt gezorgd voor de doorgang van de ontwikkeling van windparken en hoogspanningsverbindingen op land, als voor een vermindering van de negatieve effecten ervan op de staat van instandhouding van kwetsbare vogels en vleermuizen. Er zijn bouwstenen in dit project met afspraken over mitigerende maatregelen, onderzoek en monitoring, populatieversterkende maatregelen en governance en financiering.
Tijdelijk karakter De ontwikkeling van windturbines (met bijbehorende voorzieningen) heeft in beginsel een tijdelijk karakter. Het is belangrijk dat er door de ontwikkeling geen rechten ontstaan die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of claims voor nadeelcompensatie. Daarom is aan de ontwikkeling van windturbines in landelijk gebied de voorwaarde verbonden dat deze uitsluitend tijdelijk zijn toegestaan met een maximale gebruikstermijn van 25 jaar. Hierbij moet juridisch en financieel zijn geborgd dat de windturbines na afloop van deze periode worden verwijderd en dat de situatie van voor de realisatie van windturbines wordt hersteld, met uitzondering van eventuele investeringen die in het versterken van de landschappelijk kwaliteit zijn gedaan.
Windturbines in het Natuur Netwerk Brabant langs hoofdinfrastructuur toegestaan Dit artikel bevat een regeling voor het tijdelijk toelaten van windturbines langs hoofdinfrastructuur binnen het NNB. De opgave om te voorzien in voldoende duurzame energie beschouwen wij als een zwaarwegend maatschappelijk belang. Om aan energiedoelen te kunnen voldoen, blijkt dat er vaak mogelijkheden bestaan voor het tijdelijk oprichten van windturbines langs hoofdinfrastructuur. Langs deze hoofdinfrastructuur ligt echter ook vaak NNB. Als het vanuit het belang van een lijnopstelling of geclusterde opstelling nodig is dat de plaatsing plaatsvindt in het NNB, is dat nu alleen mogelijk na grenswijziging van het NNB. Hierbij wordt niet alleen de plaatsing van de voet maar ook de overdraai van de bladen buiten het NNB geplaatst, terwijl de natuurfunctie na plaatsing van de turbines blijft voortbestaan én de plaatsing van de turbines tijdelijk is. Om de plaatsing van turbines te vereenvoudigen, is daarom een regeling opgenomen waarbij plaatsing in het NNB tijdelijk mogelijk is. De aantasting van waarden door de plaatsing van de voet en de aanleg van de weg en aansluiting moeten hierbij wel volledig gecompenseerd worden. De mogelijkheden bestaan nadrukkelijk alleen voor hoofdinfrastructuur. Dit betreft onder andere rijkswegen, provinciale wegen en hoofdvaarwegen ten behoeve van doorgaand (vaar)verkeer.
2.4 Regionaal beleid 2.4.1 Regionale energiestrategieën (2020/2021) De nationale doelen en afspraken vragen om regionaal maatwerk. Hoe passen hernieuwbare opwek, opslag en de infrastructuur voor warmte en elektriciteit in de leefomgeving van mensen en dieren? Zowel boven als onder de grond? Ruimte is schaars. De doelen zijn alleen te halen door samen te werken. Afspraken over bijvoorbeeld grote zonprojecten in de ene gemeente, hebben invloed op een buurgemeente. Ook op regionaal niveau hebben overheden, inwoners, bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties elkaars vakkennis, kunde of wettelijke bevoegdheden nodig.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 15
Daarom spraken de overheden in het Interbestuurlijke Programma (februari 2018) af een meerjarige programmatische nationale aanpak uit te werken met landsdekkende regionale energiestrategieën. Daarvoor is Nederland verdeeld in 30 ‘energieregio’s’. De gemeente Someren valt in de energieregio Metropoolregio Eindhoven. Afgesproken is dat deze strategieën uiteindelijk ruimtelijk geborgd worden via het omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk en via het beleid van de waterschappen. Elke energieregio geeft invulling aan de afspraken uit het Klimaatakkoord die zijn gemaakt aan de sectortafels voor Elektriciteit en Gebouwde omgeving. Samen met maatschappelijke partners, bedrijfsleven, overheden en inwoners wordt gekomen tot een regionaal gedragen RES. Deze geeft inzicht in: •
mogelijkheden voor regionale opwek en besparing;
•
die mogelijkheden vertaald naar keuzes in concrete plekken, projecten en planning;
•
de afstemming omtrent warmtebronnen;
•
de gevolgen voor de energie-infrastructuur;
•
al gerealiseerde projecten en plannen.
De RES is daarmee een instrument om de ruimtelijke inpassing van de energietransitie met maatschappelijke betrokkenheid te organiseren. De RES is ook een manier om langjarige samenwerking tussen alle regionale partijen te organiseren, onder andere bij de voorbereiding en de realisatie van projecten. Deze samenwerking tussen provincie, waterschappen, gemeenten, de netbeheerders, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven, kan gezamenlijk gedragen keuzes bevorderen. Maar ook helpen bij het formuleren en vaststellen van omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk, waarvoor de RES een bouwsteen is. In dat omgevingsbeleid vindt integrale besluitvorming over de fysieke leefomgeving plaats, op grond waarvan vergunningen kunnen worden verleend. Daarmee krijgen bedrijven en burgers meer zekerheid voor het doen van investeringen. Tenslotte is de RES een product. Het is een document waarin elke regio beschrijft welke energiedoelstellingen zij zal halen en op welke termijn. En welke aanpak/strategie de regio hanteert om deze energiedoelstellingen te bepalen en te halen.
2.4.2 RES Metropoolregio Eindhoven (MRE) Metropoolregio Eindhoven (MRE) wil in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als tussenstap willen ze als regio uiterlijk in 2030 49% minder CO2 uitstoten dan in 1990. Daarnaast is het uitgangspunt dat om vanuit de draagkracht van het landschap te bepalen wat haalbaar is voor opwek van duurzame elektriciteit. In de RES 1.010, die in 2021 is vastgesteld, gaat men er van uit dat RES-regio MRE een bijdrage aan duurzame opwek levert van 2 TWh (het bod) aan de landelijke opgave van 35 TWh. Hiervoor moet ruimte worden gevonden in de zoekgebieden die eerder in de RES zijn aangewezen.
10
https://energieregiomre.nl/res/documenten+res+10/handlerdownloadfiles.ashx?idnv=2053730 concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 16
Figuur 2.2 Zoekgebieden in de RES 1.0
Leidende principes De RES 1.0 is uitgewerkt op basis van de in de RES opgenomen leidende principes: een kader van (maatschappelijke) uitgangspunten, richtinggevende afspraken en hoofdlijnen. De MRE heeft de volgende leidende principes benoemd: •
Een toekomstgerichte strategische visie; de focus op 2030, een doorkijk naar 2050!
•
Een gezamenlijke opgave en iedereen draagt bij; alle belanghebbenden dragen bij naar vermogen.
•
Focus op maximaal behouden van ruimtelijke kwaliteit; inzet op besparen en een zorgvuldig proces (o.m. via planMER en Zonneladder); van grofmazig naar fijn.
•
De energietransitie als kans voor de regio; de RES als hefboom voor kwaliteitsverbetering (ruimtelijk, economisch, ecologisch en sociaal).
•
Maatschappelijk draagvlak en bewustzijn staan centraal; ervoor zorgen dat iedereen meeprofiteert.
De bovenstaande leidende principes bieden de gemeenten, provincie en waterschappen de handvatten voor een uitwerking van de RES en voor de vertaalslag naar het eigen beleid. De RES 1.0 biedt daarmee een toekomstgerichte strategische visie, door de leidende principes, afwegingskaders en zoekgebieden tot 2030 te identificeren.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 17
PlanMER zoekgebieden zon en wind De MRE heeft middels een planMER11 onderzoek gedaan naar de in de RES aangewezen zoekgebieden voor grootschalige opwek via wind en zon op land. In het planMER is onderzocht of de doelstelling binnen de zoekgebieden haalbaar is. Verder is in beeld gebracht wat de milieueffecten zijn van grootschalige zonne- en windparken binnen alle zoekgebieden, zodat de regio nadere keuzes kan maken over welke (delen van) zoekgebieden ze wil benutten. Het planMER bevat objectieve informatie over de effecten van zonne- en windparken, maar maakt geen keuzes en geeft geen voorkeuren aan. De beoordeling moet voor zich spreken en de regio ondersteunen bij het maken van locatiekeuzes. De provincie Noord-Brabant heeft de Commissie mer gevraagd te adviseren over het milieueffectrapport (MER) dat de besluitvorming over de RES ondersteunt. Op 15 juli 2021 heeft de Commissie mer haar toetsingsadvies12 uitgebracht en luidt als volgt: “Het MER beschrijft geen voorkeursalternatief. Wel wordt duidelijk dat bij de drie bekeken alternatieven de opgave van 0,57 TWh ruimschoots kan worden gehaald. Milieueffecten van de alternatieven zijn met name onderscheidend op het aspect natuur, waarbij het spreidingsalternatief de meeste nadelige gevolgen voor de natuur heeft.
Het MER geeft een goed overzicht van de potentiële milieueffecten door de wind- en zonne-projecten en bevat veel kaartmateriaal. De informatie in het rapport en de bijlagen is uitgebreid, goed opgebouwd en duidelijk leesbaar. De Commissie is van oordeel dat het MER de essentiële informatie bevat om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over het project.” Op basis van de informatie uit het planMER, de gesprekken met belanghebbenden en de zienswijzen van de gemeenteraden zijn de zoekgebieden in de RES 1.0 bepaald. De ruimtelijke weergave van de mogelijkheden voor duurzame opwek (het bod) is binnen de RES 1.0 gelaagd opgebouwd: •
Het eerste deel van het bod voor grootschalige opwek omvat alle gerealiseerde grootschalige hernieuwbare elektriciteitsprojecten uit de drie categorieën (no regret13, overige opwek op land/opwek ten dienste van andere opgaven en zonne- en windenergie op land in onderzochte zoekgebieden).
•
Het tweede deel bestaat uit de projecten, uit de drie categorieën, die nu in de pijplijn zitten. Dit zijn windturbineparken, grootschalige zonnedaken en zonnevelden waarvoor een SDE+ subsidie is aangevraagd. Niet alle projecten in deze categorie worden uiteindelijk uitgevoerd. Men rekent daarom met een realisatiepercentage van 60%. Er is vanuit gegaan dat 60% van deze projecten daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
•
Vervolgens worden de no-regret kansen voor zon optimaal benutten (categorie A).
•
Het resterende gedeelte van het bod wordt gerealiseerd in de vorm van grootschalige zonnevelden en windturbineparken in de geel gemarkeerde gebieden (categorie C).
•
Daarnaast gaat men op zoek naar mogelijkheden om met verspreide opwek van energie andere doelen te bereiken (energie ten dienste van). Deze gebieden dragen bij aan grote opgaven zoals natuurbehoud of biodiversiteit (deze categorie staat niet op de kaart).
11
PlanMER grootschalige zon en wind, Regionale Energiestrategie Metropoolregio Eindhoven, Bosch & Van Rijn, 2204-2020. 12 https://www.commissiemer.nl/adviezen/3498 13 zon op daken, langs infrastructuur, in ‘pauze’- en energielandschappen concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 18
Het Windpark Diepenhoek bevindt zich binnen één van deze zoekgebieden (categorie C), zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Windpark Diepenhoek ligt in zoekgebied 25. Voor het vaststellen van de RES heeft gemeente Someren aangegeven in te stemmen met het aanwijzen van zoekgebied 25 voor Windpark Diepenhoek.
2.4.3 Voortgangsrapportage RES In 2023 is RES Voortgangsrapportage 2023 gepubliceerd voor de RES-regio MRE. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat het bod van 2,00 TWh uit de RES 1.0 nog steeds haalbaar is, maar dat hiervoor wel een sterke versnelling nodig is. Netcongestieproblemen, radarhinder, stikstof, beperkte beschikbaarheid van arbeidskrachten en middelen en een toename van prijzen zijn een bedreiging voor tijdige oplevering van projecten. Samengevat is er 0,49 TWh gerealiseerd, zit er 0,61 TWh in de pijplijn en is er ambitie voor nog 1,91 TWh. De voortgangsrapportage zegt onder andere dat, om het bod te halen, alle betrokken projecten voor 1 januari 2025 vergund moeten zijn. In de rapportage wordt gekeken naar de eerder aangewezen zoekgebieden. Hieruit blijkt dat Windpark Diepenhoek is geclassificeerd als een project die in de pijplijn zit. Zoekgebied 25 is bijna volledig ingevuld met huidige, pijplijn- en uitgewerkte projecten.
2.5 Gemeentelijk beleid Someren wil in 2050 energieneutraal zijn en erkent daarbij allerlei vormen van duurzame energie. De gemeente hecht bij het behalen van de energie neutrale doelstelling veel waarde aan de initiatieven uit de gemeenschap, de betrokkenheid en participatie van burgers alsmede het mogelijk maatschappelijk rendement van duurzame energieopwekking. Deze ambitie heeft ertoe geleid dat op 28 januari 2016 de gemeenteraad van Someren unaniem een motie aangenomen waarin het college wordt verzocht met de Provincie Noord-Brabant en de lokale energie coöperatie de mogelijkheden te onderzoeken tot de realisering van een kleinschalig windpark in Someren. Daarbij worden de volgende voorwaarden gesteld: •
Windenergie kan alleen gerealiseerd worden vanuit lokale (burger)participatie met een sociaal karakter,
•
Binnen Someren wordt een locatie voor windenergie aangewezen en op die locatie wordt maar één windenergieproject toegestaan,
•
De aanwijzing van die locatie sluit voor de toekomst de realisatie van andere projecten voor duurzame energieopwekking niet uit, voor zover die geen nadelige invloed hebben op de opwekking van windenergie,
•
Er dient onderzocht te worden of er een extra versterking van de lokale economie kan plaats vinden door de levering van deze windenergie in de gemeente Someren,
•
Er dient onderzocht te worden in hoeverre het mogelijk en wenselijk is, dat de leden van het lokale burgerinitiatief de volledige zeggenschap krijgen over de energievoorziening en de sociale duurzame doelen voor de gemeenschap,
•
Er dient onderzocht te worden wat de mogelijkheden zijn voor de gemeente om, in wat voor vorm dan ook, financieel in de voorbereidingskosten van een windpark bij te dragen alsmede naar de mogelijkheden van crowdfunding.
De gemeenteraad van Someren heeft op 25 maart 2021 ingestemd met de concept-RES en vastgesteld welke zoekgebieden voor zon en wind op het grondgebied van Someren worden opgenomen in de RES concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 19
MRE 1.0. Windpark Diepenhoek bevindt zich binnen één van deze zoekgebieden, namelijk zoekgebied 25 (
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 20
Figuur 2.2). De gemeente Someren heeft op 11 juni 2021 de initiatiefnemers, als antwoord op het principeverzoek, te kennen gegeven dat zijn bereid zijn nadere invulling te geven aan ‘principemedewerking’ voor het sociaal windpark Diepenhoek14. De gemeente is van mening dat dit project een bijdrage kan leveren aan de duurzaamheidsdoelstellingen van zowel de RES als die van de Gemeente Someren. Dit heeft de gemeente in mei 2024 opnieuw bevestigd in hun omgevingsvisie ‘Veerkrachtig, onweerstaanbaar & inclusief’. In de omgevingsvisie schrijft de gemeente zich te houden aan de afspraken zoals gemaakt in de RES en in het zoekgebied één windpark te realiseren.
2.6 Conclusie beleid De ontwikkeling van Windpark Diepenhoek op deze locatie past binnen het beleid, omdat: •
Het beoogde windpark bijdraagt aan het behalen van de nationale doelstelling van de Klimaatwet;
•
Het initiatief bijdraagt aan het behalen van de RES doelstelling;
•
De locaties Diepenhoek is in de RES Metropoolregio Eindhoven als zoekgebied aangewezen;
•
De gemeente Someren heeft de RES 1.0, inclusief zoekgebied 25, vastgesteld en te kennen gegeven dat ze bereid zijn nadere invulling te geven aan ‘principemedewerking’ aan Windpark Diepenhoek.
14
Brief gemeente Someren, d.d. 11 juni 2021, zaaknummer 0847200003603 concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 21
3 Voorgenomen activiteit en alternatieven In dit hoofdstuk wordt een nadere beschrijving gegeven van de huidige situatie en de voorgenomen activiteit. Vervolgens wordt de wijze beschreven waarop in het MER de inrichtingsalternatieven voor het windpark worden onderzocht.
3.1 Huidige situatie Het projectgebied ligt in het (zuid)oosten van de gemeente Someren in de provincie Noord-Brabant. Het projectgebied grenst aan e zuidzijde aan de provincie Limburg. Figuur 3.1 Het projectgebied en haar omgeving
Ten noorden van het projectgebied ligt het dorp Someren-Heide en ten noordoosten ligt het dorp Someren-Eind. Het projectgebied wordt begrensd door de Beliënberkdijk, de Dertiensedijk, de Nederweertseweg, de Kerkendijk en de Nieuwendijk. Het projectgebied is voornamelijk een agrarisch gebied met verspreid liggende (agrarische bedrijfs)woningen. In het projectgebied is aan de westzijde een drinkwaterproductiebedrijf gelegen. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn het gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven op circa 400 meter ten zuidwesten van het projectgebied en het gebied de Groote Peel op circa 3,5 kilometer ten oosten van het projectgebied. Aan de westzijde van het projectgebied en verder direct ten westen van het projectgebied is een gebied gelegen behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB). Dit gebied is tevens aangewezen als stiltegebied. In het
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 22
projectgebied aan de Dooleggersbaan is even eens een klein NNN/NNB gebied gelegen. Een deel van het projectgebied maakt deel uit van een waterwingebied en bijbehorende beschermde zone. Het voorgenomen windpark is niet de eerste activiteit met betrekking tot duurzame opwek in dit gebied. In het projectgebied is namelijk voor het realiseren van een zonnepark Diepenhoek op 2 juni 2021 door de gemeente Someren een omgevingsvergunning afgegeven. <status?> In Figuur 3.1 is de ligging van het projectgebied in haar omgeving weergegeven. In dit figuur is ook de ligging van het zonnepark Diepenhoek aangegeven.
3.2 Voornemen Het project is erop gericht om duurzame energie op te wekken met windturbines. De voorgenomen activiteit betreft de bouw van een windpark, inclusief de daarbij behorende infrastructuur en aansluitend de exploitatie. In 2018 hebben de initiatiefnemers bij de gemeente Someren een principeverzoek ingediend. De initiatiefnemers hebben hiermee bij de gemeenten bekend gemaakt dat zij voornemens zijn een initiatief voor een windpark met vijf tot acht windturbines te willen ontwikkelen. In het MER wordt gekeken wat de effecten van vijf tot acht windturbines zijn en of er optimalisatie mogelijkheden bestaan. Dat wordt onderzocht in het MER aan de hand van alternatieven (zie paragraaf 3.3). Voor het windpark Diepenhoek wordt het optimum gezocht tussen enerzijds maximale duurzame energieopwekking en anderzijds de milieu-impact op de omgeving. De te plaatsen windturbines zijn gecertificeerd en van een commercieel beschikbaar type. Het turbinetype is nu nog niet bekend. Daarom gaat het MER uit van realistische voorbeeldturbines en worden de effecten op basis van de eigenschappen van deze voorbeeldturbines bepaald (zie paragraaf 3.3.3).
3.2.1 Projectdoelstelling Het doel van het Windpark Diepenhoek is de realisatie van een sociaal, financieel rendabel windpark in het agrarisch gebied in het zuiden van de gemeente Someren. Het streven is om de locatie zo maximaal mogelijk te benutten, gelet op het beleid en de ambities op het gebied van duurzame energie van de gemeente Someren, de provincie Noord-Brabant en Nederland als geheel. Het windpark zal naar verwachting jaarlijks maximaal circa 61 miljoen kWh opwekken. Met realisatie van dit plan wordt maximaal circa 11% van de regionale doelstelling voor nieuwe duurzame opwek (0,57 TWh op te wekken in 2030 met grootschalige nieuwe zonne- en windparken, zie ook paragraaf 2.4) ingevuld. Daarnaast willen de initiatiefnemers de omgeving vroegtijdig betrekken bij de invulling van het park. De onderhavige NRD wordt daarom ook als communicatie en participatie middel ingezet en is een belangrijk instrument voor procesparticipatie. Ook willen de initiatiefnemers invulling geven aan financiële participatie voor zowel de grondeigenaren als de (directe) omgeving (zie paragraaf 3.2.4). Een maximum aan opgewekte energie door het windpark komt daardoor niet alleen de energietransitie en de daarmee verbonden landelijke, provinciale en gemeentelijke doestellingen voor duurzame energie ten goede, maar is ook van financiële waarde voor de omgeving.
Op die manier wordt een sociaal windpark ontwikkeld.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 23
3.2.2 Onderdelen Windpark Diepenhoek Tot het windpark behoren onder andere (geen uitputtende opsomming): •
Windturbines met fundering;
•
Toegangswegen tot de windturbines;
•
Opstelplaats voor een kraan per windturbine;
•
Schakelstation ten behoeve van het leveren van de elektriciteit aan het openbare net;
•
Elektrische infrastructuur, bestaande uit ondergrondse elektriciteitskabels tussen de turbines (parkbekabeling), een aansluiting op het landelijke netwerk en een inkoopstation.
Figuur 3.2 illustratie windturbine-begrippen
3.2.3 Activiteiten (bouw en exploitatie) Het voornemen ziet op zowel de bouw van het windpark, wat een periode van één tot twee jaar in beslag zal nemen, als op de exploitatie. Onder de bouw van het windpark wordt naast de realisatie van de windturbines ook alle bijbehorende voorzieningen verstaan, zoals aanpassing van bestaande wegen, eventuele aanleg of aanpassing van waterinfrastructuur, aanleg van nieuwe ontsluitingswegen ten behoeve van het windpark, aanvoer van bouwmaterialen, realisatie van kraanopstelplaatsen, de bouw van onderstations, de aanleg van kabels en mogelijk het opstellen van een (tijdelijke) windmeetmast. Een windpark heeft na oplevering een technische levensduur van minimaal 25 jaar welke door onderhoud en vervanging is te verlengen. Gedurende de exploitatiefase zijn de activiteiten, naast de in bedrijf zijnde concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 24
windturbines, beperkt tot het periodiek verrichten van inspecties en onderhoud. Het windpark wordt na de exploitatiefase verwijderd.
3.2.4 Betrekken van de omgeving: proces participatie en financiële participatie De initiatiefnemers Prowind en ZummerePower hechten veel waarde aan participatie. Het is voor de initiatiefnemers van belang dat bij de ontwikkeling, bouw en exploitatie van dit project een langdurige relatie aangegaan wordt met de omgeving van het windpark. Dit betreft zowel procesparticipatie in de totstandkoming van de definitieve plannen, als ook financiële participatie en winstdeling voor zowel de grondeigenaren als de direct omwonenden. Er wordt in samenspraak met de omgeving een specifiek voor het windpark in Someren participatieplan opgesteld. Het participatieplan wordt gelijktijdig met cNRD ter inzage gelegd.
3.3 Alternatieven 3.3.1 Algemeen Een milieueffectrapportage is een onderzoek naar de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit. Dat gebeurt aan de hand van alternatieven. Alternatieven zijn de mogelijke manieren waarop de voorgenomen activiteit kan worden gerealiseerd. Bepalend voor de milieueffecten van windparken zijn: •
De locatie van het windpark;
•
De positionering van de windturbines ten opzichte van elkaar en de omgeving;
•
Het aantal windturbines;
•
De afmetingen van de windturbines.
3.3.2 Locatieafweging van het windpark PlanMER voor MRE-regio Voor de verdere concretisering van zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwek met zon en wind in de RES MRE 1.0 is voor de MRE-regio een plan-mer-procedure doorlopen. In het kader van deze planMER zijn de in de RES aangewezen zoekgebieden voor grootschalige opwek via wind en zon op land nader beschouwd. In de planMER is onderzocht of de doelstelling (0,57 TWh, zie ook paragraaf 2.4) binnen de zoekgebieden haalbaar is. Verder is in beeld gebracht wat de milieueffecten zijn van grootschalige zonne- en windparken binnen alle zoekgebieden, zodat de regio nadere keuzes kan maken over welke (delen van) zoekgebieden ze wil benutten. Het planMER bevat objectieve informatie over de effecten van zonne- en windparken, maar maakt geen keuzes en geeft geen voorkeuren aan (zie ook paragraaf 2.4). Op basis van de informatie uit het planMER, de gesprekken met belanghebbenden en de zienswijzen van de gemeenteraden zijn de zoekgebieden voor duurzame opwek met zon en wind in de RES 1.0 opgenomen en op kaart (zie Figuur 3.3) weergegeven. In de gemeente Someren liggen twee zoekgebieden voor wind op land. Zoekgebied 15 en zoekgebied 25 (zie Figuur 3.3). Het windpark Diepenhoek ligt in zoekgebied 25.