Overzicht ingekomen stukken ter voorbereiding aan het college
Tekst van het document
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 25
Figuur 3.3 Zoekgebieden binnen de gemeente Someren vastgesteld in RES 1.0 MRE (layout bewerkt door Pondera)
Locatieafweging windpark Diepenhoek Er is een planMER voor de zoekgebieden zon en wind voor de RES regio MRE gedaan. Het windpark Diepenhoek ligt in één van de in de planMER beschouwde zoekgebieden (zoekgebied 25, zie Figuur 3.3). Mede naar aanleiding van deze planMER is de locatie Diepenhoek in de RES 1.0 aangewezen als zoekgebied voor wind op land. In de MER voor het windpark Diepenhoek (indien uiteindelijk een gecombineerd plan/projectMER wordt opgesteld) zal een robuustheidsanalyse worden uitgevoerd op basis waarvan bepaald kan worden ten behoeve van de locatieafweging eventueel aanvullend onderzoek nodig is.
3.3.3 Ontwikkeling inrichtingsalternatieven Om de inrichtingsmogelijkheden van het gebied te onderzoeken worden verschillende (maximaal 3-4) inrichtingsalternatieven ontwikkeld waarbij zal worden gevarieerd met: •
Het aantal windturbines (bandbreedte: 5 tot 8 turbines);
•
De afmetingen van de windturbines, waarbij wordt uitgegaan van windturbines met een minimale tiphoogte van 180 en maximaal van 225 meter;
•
De posities van de windturbines.
Bij de ontwikkeling van alternatieven wordt rekening worden met aanwezige functies in het gebied, zoals (afstand tot) bebouwing, aanwezige (water)wegen en andere infrastructuur.
Afmetingen, positionering en aantal windturbines Windturbines zijn beschikbaar in verschillende vermogens en afmetingen (ashoogte en rotordiameter). De afmetingen van de te selecteren windturbines zijn in meer of mindere mate bepaald voor de milieueffecten.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 26
Afhankelijk van het vermogen en de afmetingen zijn verschillende posities van windturbines mogelijk. In verband met onderlinge beïnvloeding kunnen windturbines met een kleinere rotordiameter dichter bij elkaar worden geplaatst en moeten bij windturbines met een grotere rotordiameter grotere tussenafstanden aangehouden worden. Het aantal te plaatsen windturbines is dus met name afhankelijk van de grootte van de rotordiameter.
Bandbreedte windturbines Het exacte type windturbine is op dit moment nog niet bepaald om bij aanbesteding keuzevrijheid te houden bij de selectie van het windturbinetype, waaronder ook voor nieuwe types die nu nog niet op de markt zijn. In het MER wordt daarom gebruik gemaakt van een bandbreedte van afmetingen voor de windturbines en, indien nodig voor de beoordeling van een aspect, een representatieve voorbeeldwindturbine binnen die bandbreedte. Werken in het MER met (representatieve) afmetingen sluit nieuwe windturbinetypes niet uit, mits ze binnen de reikwijdte van de effecten van de onderzochte bandbreedte vallen. De inrichtingsvarianten worden gebaseerd op deze bandbreedtes (turbineklassen). Binnen een alternatief wordt in principe uitgegaan van de toepassing van alle windturbines binnen het windpark met dezelfde afmetingen. Per aspect worden de maximale afmetingen aangehouden teneinde de worst-case milieueffecten te kunnen bepalen. In Tabel 3.1. zijn de bandbreedtes waarbinnen de te ontwikkelen alternatieven zullen moeten passen weergegeven. Tabel 3.1 Bandbreedte windenergie Windpark Diepenhoek Onderwerp
Bandbreedte
Vermogen individuele windturbines
5,7-7,0 MW
Aantal windturbines
5-8
Tiphoogte individuele windturbines
180 tot 225 meter
Rotordiameter individuele windturbines
120 tot 160 meter
3.3.4 Totstandkoming voorkeursalternatief Op basis van de resultaten van het MER, gecombineerd met andere overwegingen (zoals bijvoorbeeld businesscase of politiek-bestuurlijke overwegingen), wordt er een voorkeursalternatief (VKA) bepaald. Het VKA kan één van de alternatieven zijn, of een combinatie of aanpassing daarvan. Het VKA vormt de basis voor de wijziging of afwijking van het omgevingsplan en de aan te vragen vergunningen en toestemmingen. Het VKA moet ruimte bieden om in de uitvoeringsfase marktconform te kunnen aanbesteden.
3.4 Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen De referentiesituatie is de huidige situatie met de autonome ontwikkeling. Onder 'autonome ontwikkeling' wordt verstaan: de toekomstige ontwikkeling van het milieu, zonder dat de voorgenomen activiteit of één van de alternatieven wordt gerealiseerd. In de autonome situatie wordt de ontwikkeling van het projectgebied beschreven conform vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder realisatie van de windturbines. Rekening wordt gehouden met plannen en projecten waarover reeds concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden of wordt verwacht voorafgaand aan besluitvorming over het initiatief. Deze situatie dient als referentiekader voor de effectbeschrijving.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 27
Autonome ontwikkelingen worden betrokken bij de effectbeoordeling om het gecombineerde (cumulatieve) effect te kunnen beoordelen, bijvoorbeeld voor de effecten op de leefomgeving (geluid/slagschaduw) of op ecologische waarden.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 28
4 Onderzoek naar mogelijke milieueffecten en maatregelen 4.1 Inleiding In het MER worden de milieueffecten van de alternatieven, zowel positief als negatief, beschreven en beoordeeld. Het MER omvat verder alle inhoudelijk onderdelen die wettelijk vereist zijn, waarbij onder andere aandacht wordt besteed aan leemten in kennis. Ook wordt in het MER een aanzet gegeven voor het wettelijke verplichte evaluatieprogramma. Om de effecten van de alternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een + / score beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie (zie paragraaf 3.4). Hiervoor wordt de beoordelingsschaal uit Tabel 4.1 gehanteerd. Tabel 4.1 Beoordelingsschaal Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie (nulalternatief)
--
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering
-
Het voornemen leidt tot een merkbare negatieve verandering
0
Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (nulalternatief)
+
Het voornemen leidt tot een merkbare positieve verandering
++
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare positieve verandering van het milieu
4.2 Relevante milieuaspecten bij de onderbouwing van de locatiekeuze Wanneer er sprake is van een wijziging van het omgevingsplan maakt ook het uitvoeren van een planMER deel uit van het opstellen van het MER. De planMER gaat in op de locatiekeuze. Voor de onderbouwing van de locatiekeuze worden mogelijke alternatieve locaties binnen de gemeente Someren bekeken. Hiervoor wordt in eerste instantie gekeken naar de reeds uitgevoerde analyses. Hiervoor is de planMER van de RES MRE beschikbaar. De relevante delen van de analyses worden beschreven en zo nodig geactualiseerd. Mocht deze inspanning onvoldoende blijken om tot een goede locatieonderbouwing te komen wordt een volgende stap gezet. In deze stap worden mogelijke alternatieve locaties opnieuw via een GIS-analyse geïdentificeerd. De op deze manier geïdentificeerde locaties worden onderling vergeleken. Het beschrijven van de effecten vindt plaats op een select aantal milieuaspecten. Er wordt op een hoog abstractieniveau een beoordeling gemaakt. De beoordeling wordt – waar nodig – gemaakt aan de hand van voorbeeldopstellingen binnen de alternatieve locaties.
4.2.1 Milieueffecten potentieel geschikte locaties voor windenergie Er wordt een, op generieke en vuistregels gebaseerde effectbeschrijving, beoordeling gemaakt voor elke van de volgende milieuaspecten: 1. Effecten op de leefomgeving 2. Effecten op landschap 3. Effecten op natuur 4. Energieopbrengst
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 29
In Tabel 4.2 is per milieuaspect samengevat welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). In de tekst onder de tabel zijn de effecten en de beoordeling nader toegelicht. Tabel 4.2 Beoordelingscriteria per milieuaspect bij onderbouwing locatiekeuze
Aspect Leefomgeving
Beoordelingscriterium
Effectbeoordeling
Aantal woningen binnen 4001500 m per MW of MWh -
Invloed op bestaande
-
landschappelijke structuur Herkenbaarheid van de
Landschap
opstelling per locatie, -
Kwantitatief
Kwalitatief
Interferentie de invloed op (visuele) rust en zichtbaarheid
Natuur
Nabijheid beschermde natuurgebieden (Natura 2000,
Kwalitatief
NNN) Energieopbrengst
Elektriciteitsopbrengst
Kwantitatief
Effecten op de leefomgeving Onder het thema leefomgeving vallen de effecten van geluid en slagschaduw. Bij de beoordeling wordt gekeken naar het aantal woningen in de nabijheid van de locaties. Er wordt gekeken naar het aantal geluidgevoelige bestemmingen (woningen) binnen het gebied van 400 tot 1500 meter rond de locaties 15. In het geografisch informatiesysteem (GIS) wordt een contour van 1500 meter getrokken rondom potentiële voorbeeldopstellingen binnen het projectgebied. Binnen de contour wordt het aantal woningen tussen de 400-1500 meter geteld. Om locaties met een verschillende omvang te kunnen vergelijken, wordt rekening gehouden met het aantal geluidgevoelige objecten per MW of MWh door het aantal woningen te delen door de hoeveelheid MW(h) opgewekte elektriciteit van de betreffende locatie. Een locatie waar per MW of MWh weinig woningen in of in de nabijheid liggen scoort positiever dan waar dat aantal hoger is.
Landschappelijke kwaliteit Voor het aspect landschap besteden we in het MER aandacht aan de effecten van windturbines binnen de verschillende locaties op landschap en cultuurhistorie. Per geschikte locatie worden voorbeeldopstellingen (bepaald door de omgang en vorm de locatie en de benodigde onderlinge afstand tussen de turbines) beoordeeld op hun landschappelijke effecten, mede op basis van een beschrijving van de bestaande situatie van die gebieden en de daar aanwezige landschappelijke karakteristieken. Hierbij wordt het effect van het potentiële windpark op de bestaande landschappelijke structuur, de herkenbaarheid van de opstelling per locatie, interferentie en de invloed op (visuele) rust en zichtbaarheid en beschouwd.
15
Deze getallen kennen geen juridische basis en zijn gebaseerd op praktijkervaringen om op hoofdlijnen de invloed van geluid en slagschaduw en de verschillen tussen locaties aan te geven. concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 30
Ecologie Ten aanzien van natuur wordt gekeken naar de nabijheid van beschermde natuurgebieden waaronder Natura2000 en Natuur Netwerk Nederland (NNN).
Energieopbrengst Eén van de belangrijkste redenen om windinitiatieven te realiseren is het opwekken van duurzame energie en daarmee het vermijden van emissies. De energieopbrengsten van de locaties worden onderling vergeleken.
4.3 Milieueffecten en beoordeling inrichtingsalternatieven In het MER zullen de (milieu)effecten van de inrichtingsalternatieven van het windpark in beeld worden gebracht. De effecten worden per aspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Soms is dit een harde parameterwaarde die door de overheid is aangewezen als een norm (getal). Echter, vaak zijn de geëigende parameters niet zo duidelijk omschreven. Deze moeten dan worden herleid uit het voorgenomen beleid over de verschillende milieuaspecten. In Tabel 4.3 is per milieuaspect aangegeven welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). In paragraaf 4.3.1 zijn de aspecten nader uitgewerkt. Tabel 4.3 Beoordelingscriteria per milieuaspect bij beoordeling inrichtingsalternatieven Aspecten
Hinder – Geluid
Beoordelingscriteria
Effectbeoordeling
•
Kwantitatief
• • • •
Hinder – Slagschaduw
16
•
Aantal geluidgevoelige objecten (zoals woningen van derden16) binnen de geluidscontour per 1 dB-klasse aflopend van 50 tot 37 dB Lden. o De benodigde mitigatie om te kunnen voldoen aan 45/47 dB Lden en een eventueel derde geluidsniveau Het aantal (ernstig) gehinderden Cumulatieve geluidbelasting met andere geluidbronnen Laagfrequent geluid
Laagfrequent geluid kwalitatief
Het aantal slagschaduwgevoelige objecten binnen een slagschaduwduurcontour (van 0, 6 en 16 uur zonder mitigatie) o De cumulatief verwachte slagschaduwduur (aantal uur slagschaduw dat totaal optreedt op slagschaduwgevoelige objecten, zonder mitigatie) o De benodigde stilstand om de slagschaduwbelasting te reduceren naar een tweetal niveaus: verwaarloosbaar en 6 uur per jaar Overige relevante objecten binnen een slagschaduwduurcontour (van 0, 6 en 16 uur zonder mitigatie) o De cumulatief verwachte slagschaduwduur (aantal uur slagschaduw dat totaal optreedt op deze objecten, zonder mitigatie) o De benodigde stilstand om de slagschaduwbelasting te reduceren naar een tweetal niveaus: verwaarloosbaar en 6 uur per jaar
Kwantitatief
Hinder – Afstandsnorm
•
Het aantal geluid- en slagschaduwgevoelige objecten binnen een afstand van tweemaal de tiphoogte van de turbines.
Kwantitatief
Windturbines en gezondheid
•
Effect van windturbines op gezondheid
Kwalitatief
Woningen van derden zijn woningen die niet behoren tot de inrichting van het windpark concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 31
Aspecten
Natuur
Cultuurhistorie en archeologie
Beoordelingscriteria
Effectbeoordeling
• • • • •
Oprichting: effect op beschermde gebieden Exploitatie: effect op beschermde gebieden Oprichting: effect op beschermde soorten Exploitatie: effect op beschermde soorten De kansen voor natuur en versterking landschapselementen
Kwalitatief en kwantitatief (soorten en stikstof)
• •
Aantasting archeologische waarden Aantasting overige cultuurhistorische waarden
Kwalitatief
• • •
Kwalitatief
Landschap
• •
De ruimtelijke kenmerken van het landschap De maat, schaal en inrichting in het landschap De visuele interferentie met een nabijgelegen windturbine of windturbines De cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap De beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap, waaronder: o Aansluiting op landschappelijke structuur o Zichtbaarheid o Obstakelverlichting
Waterhuishouding en bodem
• • •
Watersysteem (waterkwantiteit en waterkwaliteit) Watergangen (bereikbaarheid voor het beheer en onderhoud) Bodemkwaliteit
Kwalitatief
Externe Veiligheid
• • • • •
Bebouwing Wegen, waterwegen en spoorwegen Industrie en inrichtingen Transportleidingen en hoogspanningsleidingen Dijklichamen en waterkeringen
Kwantitatief (aantal objecten binnen de toetsingsafstand)
Ruimtegebruik
• • •
Huidige functies (recreatie, landbouw) Straalpaden Vliegverkeer en radar
Kwalitatief
Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies
• • • • • • •
Opbrengst CO2-emissiereductie SO2-emissiereductie NOx-emissiereductie PM10 (fijnstof) PM2,5 (indien gegevens beschikbaar) Effecten op gezondheid (vermeden emissies)
Kwantitatief, resp. in MWh, en Kton
4.3.1 Milieueffecten inrichtingsalternatieven In het MER worden de milieueffecten van de inrichtingsalternatieven van het windpark in beeld gebracht. Het MER schetst voor de betreffende thema’s ook het relevante beleidskader. De milieuaspecten die worden meegenomen in het MER worden in deze paragraaf in verder detail besproken. Voor de milieuaspecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid speel de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake windpark Delfzijl Zuid (zie Kader 4.1) een belangrijke rol als ook de publicatie van ontwerpnormen voor windturbines op land (oktober 2023) als gevolg van die uitspraak.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 32
Kader 4.1 Toelichting Uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding
Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) een uitspraak gedaan in de zaak Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (DZU) over – samengevat – de vraag of voor het vastleggen van milieunormen voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer een plan-MER-plicht bestaat op grond van de Europese SMB-richtlijn (ECLI:NL:RVS:2021:1395). De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht inderdaad een dergelijke beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor het milieu. Die beoordeling zal in eerste instantie door het Rijk worden opgesteld. Voor nieuwe windparken betekent de uitspraak: 1. 2.
Wachten tot dat de windturbineregels zijn ‘be-MERd’ en hier op aansluiten met het project, of; In te zetten op de mogelijkheid om voor een project eigen normen te stellen die voor dát specifieke project onderbouwd dienen te worden en voorzien moeten zijn van een (1) actuele, (2) deugdelijke, (3) op zichzelf staande, en (4) op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering.
Ontwerpnormen windturbines op land Windturbines kunnen een hinderlijk effect veroorzaken op de leefomgeving in de vorm van geluidbelasting en slagschaduwduur. Voorheen golden op landelijk niveau normen op grond van het Activiteitenbesluit. Deze mochten niet meer worden toegepast omdat het Rijk bij de totstandkoming van deze normen niet een volgens Europees recht vereiste plan-MER had doorlopen (zie Kader 4.1). De uitspraak betrof daarmee niet de hoogte of het type van de betreffende normen. De uitspraak had alleen betrekking op windparken, zijnde drie windturbines of meer. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor één of twee windturbines, niet zijnde een windpark, gelden vanaf 1 januari 2024 de windturbinebepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en regels die via de bruidsschat in het gemeentelijk omgevingsplan terecht zijn gekomen. In oktober 2023 is het Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving Kader 4.1 met bijbehorend planMER gepubliceerd met daarin het voorstel voor de nieuwe windturbinenormen17. Deze treedt volgens planning op 1 juli 2025 in werking. Tot die tijd geldt dat voor 3 windturbines of meer locatiespecifieke normen gesteld kunnen worden.
4.3.2 Geluid In het Ontwerpbesluit windturbinebepalingen wordt voor geluid de nieuwe standaardwaarde 45 dB L den en 39 dB Lnight aangehouden18. Van deze standaardwaarde mag naar boven worden afgeweken tot de grenswaarde 47 dB Lden en 41 dB Lnight en naar beneden, maar enkel op grond van cumulatie of bijzondere lokale omstandigheden. In het MER worden de geluidseffecten kwantitatief vastgesteld op basis van de voorbeeldopstellingen van windturbines per alternatief. Hiervoor wordt de ligging van de geluidscontouren per 1 dB-klasse, aflopend
17
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (2023). Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving. Bron: https://www.platformparticipatie.nl/windturbinesleefomgeving/ontwerpbesluit-windturbines-leefomgeving/documentenontwerpbesluit-windturbinesleefomgeving/default.aspx#folder=2566926 18 De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat van geluidbelasting. Hierbij vindt een weging plaats van de momenten waarop geluidbelasting optreedt; de geluidsproductie tijdens de avond en nacht wordt zwaarder meegewogen dan het geluid overdag. In Nederland werd tevens getoetst aan Lnight om verstoring van nachtrust te voorkomen. concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 33
van 50 dB Lden tot 37 dB Lden19, bepaald (zie Figuur 4.1). Vervolgens wordt het aantal geluidgevoelige objecten (woningen van derden) binnen deze contouren in beeld gebracht. Naast het aantal geluidgevoelige objecten wordt het mogelijke aantal (ernstig) gehinderden 20 per alternatief berekend. Vervolgens wordt voor in ieder geval twee verschillende geluidbelastingniveaus op representatieve toetspunten inzichtelijk gemaakt welke mitigerende maatregelen nodig zijn om aan de betreffende geluidsniveaus te kunnen voldoen. Hierbij wordt aangesloten bij de ontwerpwindturbinebepalingen voor windturbines op land (47 en 45 dB Lden). Figuur 4.1 Schematische weergave beoordeling geluid
Ook wordt de cumulatieve geluidbelasting in het projectgebied van (agrarische en) industriële activiteiten, bestaande windturbines, de (hoofd)wegen en eventuele andere relevante bronnen wordt bepaald. De akoestische kwaliteit van de omgeving voor en na toevoeging van de windturbines in windpark Diepenhoek kan zo inzichtelijk worden gemaakt. De methode die we hierbij gebruiken voor de beoordeling van de akoestische kwaliteit is de zogenaamde Miedema-methode. In het onderzoek zal nader worden ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten. De geluidbelasting van specifiek laagfrequent geluid van de windturbines zal door middel van verwijzing naar literatuur en recente rechtspraak ook aandacht krijgen in het MER. Indien gedurende het mer-traject aanpassingen in de conceptnormen worden gedaan (of verwacht worden) zullen deze in de MER worden meegenomen. Indien de vergunning wordt aangevraagd voordat
19
Dit betreft een range die wordt begrensd door enerzijds een maximale waarde die, bij het aanhouden van een minimale afstand van 400 meter tot een geluidgevoelig object, een windpark zonder mitigatie op de gevel van een gevoelig object veroorzaakt (50 dB Lden) en anderzijds de geluidbelasting waarbij 1% van de mensen binnenshuis nog hinder ervaart (37 dB Lden). 20 Het aantal gehinderden door geluid wordt vastgesteld met behulp van de rapportage van TNO, Hinder door geluid van windturbines – dosis-effectrelaties (2008), waarbij op basis van het gemiddeld aantal personen per adres (CBS) en het aantal adressen kan worden bepaald hoeveel (ernstig) gehinderden mogen worden verwacht als gevolg van de realisatie van het windpark. concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 34
de nieuwe normen – naar nu verwacht op 1 juli 2025 - van kracht worden zal het bevoegd gezag een gemotiveerde (zie Kader 4.1) projectspecifieke geluidnorm vaststellen, waarbij het bevoegd gezag van mening is dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het MER kan hiervoor als bouwsteen worden gebruikt.
4.3.3 Slagschaduw In het MER wordt de slagschaduwduur kwantitatief vastgesteld door voor een voorbeeldopstelling per alternatief de slagschaduwduurcontouren (zonder mitigatie) te bepalen (zie Figuur 4.2). Ook hier wordt aangesloten op de nieuwe conceptnormen, waarin geldt dat niet meer dan 6 uur per jaar en 20 minuten per dag slagschaduw mag worden veroorzaakt op slagschaduwgevoelige objecten (woningen, scholen, zorginstellingen). Ten behoeve van het MER zal per opstelling de slagschaduwcontouren voor 0, 6 en 16 uur per jaar worden bepaald. Hoewel de toegestane slagschaduwduur maximaal 6 uur per jaar bedraagt, wordt ook de in milieuonderzoeken vaak aangehouden contour van 16 uur per jaar in beeld gebracht. Hiermee wordt de gradatie in de hoeveelheid slagschaduw in het gebied duidelijk in beeld gebracht. Vervolgens wordt per opstelling de cumulatief verwachte slagschaduwduur berekend (aantal uur slagschaduw dat totaal optreedt op slagschaduwgevoelige objecten, zonder mitigatie). Figuur 4.2 Schematische weergave beoordeling slagschaduw
In het MER wordt vervolgens per alternatief de benodigde stilstand berekend om de slagschaduwbelasting te reduceren naar een tweetal niveaus: verwaarloosbaar21 en 6 uur per jaar. Uiteraard wordt in het specialistisch onderzoek aandacht besteedt aan de uitgangspunten van de kwantitatieve berekeningen.
21
In de praktijk is 0-uur per jaar niet mogelijk, omdat een windturbine tijd nodig heeft om af te schakelen. Dit betekent dat een maximale reductie tot 0,5 uur per jaar wordt aangehouden waar gesproken wordt over verwaarloosbaar. concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 35
Ook voor slagschaduw geldt dat (te verwachten) wijzigingen in de ontwerpwindturbinebepalingen worden meegenomen en dat het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag voor inwerkingtreding van de nieuwe normen locatie- of projectspecifieke normen vast kan stellen.
4.3.4 Toetsingsafstand In de ontwerpwindturbinebepalingen is naast een norm op het gebied van geluid en slagschaduw ook een generieke afstandsnorm voor de plaatsing van windturbines opgenomen. Volgens deze ontwerpnorm dient twee maal de tiphoogte afstand te worden aangehouden door de windturbine tot geluid- en slagschaduwgevoelige objecten. De ontwerpnormen bieden ook ruimte hier onder specifieke voorwaarden van af te wijken. Voor het MER wordt het aantal gevoelige objecten binnen een afstand van 2 maal de tiphoogte bepaald. Waar hinder als gevolg van geluid en slagschaduw te mitigeren is (stille modus, stilstandvoorziening), is dit niet mogelijk bij een harde afstandsnorm. Indien de toetsingsafstand voor een of meer gevoelige objecten overschreden wordt zullen wij daarom de maximale tiphoogte berekenen waarbij geen overschrijding plaatsvindt. Wederom geldt dat (te verwachten) wijzigingen in de ontwerpnormen worden meegenomen en dat het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag voor inwerkingtreding van de nieuwe normen locatie- of projectspecifieke normen vast kan stellen.
4.3.5 Windturbines en gezondheid Verscheidene wetenschappelijke studies in de periode 2017-2020, samengevat door het RIVM22, tonen geen significante relatie tussen nadelige gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en cognitieve effecten, en windturbinegeluid. Bovendien volgt uit recente wetenschappelijke bronnen dat er geen conclusies kunnen worden getrokken over de samenhang van het geluidsniveau van windturbinegeluid en slaapverstoring. Wel veroorzaken windturbines soms hinder (geluid, zicht, gevoel van onrechtvaardigheid). Het is hierbij niet zo dat het aandeel laagfrequent geluid van windturbines voor andere hinder zorgt dan ‘gewoon’ geluid. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen. Zodoende is hinder soms dus een factor van stress die op lange termijn kan leiden tot indirecte gezondheidsklachten. De mate waarin personen hinder ervaren, verschilt echter van persoon tot persoon. Een belangrijke factor die bepaalt of personen hinder ervaren is bijvoorbeeld of personen betrokken worden bij de besluitvorming van de plannen en de gang van zaken rond plaatsing van de turbines en of zij economische voordelen genieten door de komst van de windturbine. Om mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder moeten exploitanten van windparken voldoen aan wettelijke normen.
Zoals eerder besproken werden tot voor kort de normen uit het Activiteitenbesluit als uitgangspunt voor de effectbeoordeling in het MER gehanteerd. Deze normen hebben onder andere het doel om mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Het aspect gezondheid is daarmee impliciet onderdeel van het MER bij de onderwerpen geluid en slagschaduw. Daarnaast wordt in het MER ook expliciet stilgestaan bij het onderwerp ‘windturbines en gezondheid’. Hiervoor wordt een actuele wetenschappelijke beschouwing opgesteld ten aanzien van windturbines en de
22
RIVM (2020). Health effects related to wind turbine sound: an update concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 36
eventuele gevolgen van windturbines op de gezondheid. Ook wordt in het MER stilgestaan bij een rapport van het RIVM waarin de gezondheidseffecten en -risico’s van het Klimaatakkoord worden afgewogen. Het Klimaatakkoord beschrijft op welke wijze de beoogde reductie van de CO2-uitstoot kan worden bereikt. Windturbines en windenergie zijn hier een onderdeel van. Het rapport concludeert onder andere dat de impact van de meeste maatregelen uit het Klimaatakkoord beperkt zullen zijn. Overige aspecten, die ook vaak in het kader van windprojecten worden benoemd in relatie tot gezondheid - zoals trillingen, BPA, PFAS, neodynium en fijnstof - worden ook kwalitatief besproken in het hoofdstuk gezondheid.
4.3.6 Natuur Gebiedsbescherming - Natura 2000 De Omgevingswet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn, die zijn vertaald in de Omgevingswet. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat significante effecten op de instandhoudingsdoelen voor de betreffende gebieden en het functioneren van het gebied niet mogen optreden. Van significante effecten is sprake als het behalen van een instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied in gevaar kan komen. Hierbij wordt ook gekeken naar externe werking (projecten buiten het Natura 2000-gebied die effect hebben op doelen van nabijgelegen gebieden) en cumulatie (in samenhang met de effecten van andere plannen en projecten). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn het gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven op circa 400 meter ten zuidwesten van het projectgebied en het gebied de Groote Peel op circa 3,5 kilometer ten oosten van het projectgebied. Windturbines nabij Natura 2000-gebieden kunnen een effect op de instandhoudingsdoelstelling hebben.
De natuurtoets (ook natuurwaardenonderzoek genoemd) moet in dat geval uitwijzen in hoeverre een overtreding van de gebiedsbescherming optreedt zowel in de aanleg- als de gebruiksfase van de alternatieven als ook in cumulatie met andere projecten. Het is mogelijk dat in de natuurtoets ten behoeve van het MER wordt geconcludeerd dat belangrijke negatieve effecten van het geplande windproject op beschermde gebieden niet zijn uit te sluiten. In de vergunningenprocedure kan dan een aanvullend onderzoek (een passende beoordeling) nodig zijn ter onderbouwing van een aanvraag vergunning Natura 2000 activiteit. In een Passende Beoordeling wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling van windenergie al dan niet leidt tot significant negatieve effecten op de instandhouding van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De passende beoordeling wordt voor het voorkeursalternatief uitgevoerd. Stikstof Tijdens de aanleg van een windpark zal sprake zijn van emissie van schadelijke stoffen naar lucht, water en bodem doordat gebruik wordt gemaakt van o.a. kraanwagens, graafmachines en vrachtwagens. Uit een Aerius-berekening zal moeten blijken of de emissies leiden tot een bijdrage aan de depositie op voor stikstof gevoelige beschermde habitattypen in Natura 2000-gebieden.
De omvang en aard van de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 37
werkzaamheden, het in te zetten materieel (wel of niet elektrisch) en de afstand tot Natura 2000-gebieden bepalen of er sprake is van een projectbijdrage aan de depositie op gevoelige habitattypen. De verwachting is dat de tijdelijke uitstoot van stikstof als gevolg van de bouwwerkzaamheden niet onderscheidend is voor de verschillende alternatieven. Deze wordt daarom niet apart meegenomen in de beoordeling. Stikstofberekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het project wordt voor het voorkeursalternatief uitgevoerd.
Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk Nederland/Natuur Netwerk Brabant Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het Rijk en de provincies hebben afspraken gemaakt over de planologische en kwalitatieve bescherming van de NNN. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN significant worden aangetast, niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De NNN-gebieden in Noord-Brabant worden aangeduid als NNB (Natuur Netwerk Brabant). De provincie Noord-Brabant heeft in haar omgevingsverordening (zie paragraaf 2.3.3) een regeling opgenomen voor het tijdelijk toelaten van windturbines langs hoofdinfrastructuur binnen het NNB. Het windpark Diepenhoek ligt niet langs hoofdinfrastructuur, maar ligt ook niet in een NNB-gebied. Enkele NNB-gebieden (ten zuiden en westen) grenzen aan het projectgebied. Wiekoverdraai boven NNB gebieden is niet toegestaan. Het projectgebied grens ook aan een NNN-gebied dat is gelegen in de provincie Limburg. In het MER zal dit gebied ook aandacht krijgen. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt geen externe werking, maar een ontwikkeling kan wel effect hebben op NNN.
Dit wordt in beeld gebracht voor de alternatieven. Wanneer de windturbinelocaties in het NNN (ook indien sprake van alleen overdraai) worden gepositioneerd is sprake van ruimtebeslag van het NNN. Hiervoor is toestemming van de provincie nodig, dient een Nee, tenzij-toets te worden doorlopen (waarin alternatieven en belangen worden afgewogen), moeten de effecten worden bepaald en beoordeeld, en dient uiteindelijk compensatie plaats te vinden. Ten westen van het projectgebied ligt op korte afstand een NNN-gebied. Toetsing van de alternatieven met betrekking tot het NNN is daarom relevant en zal daarom in het MER beoordeeld worden. Afhankelijk van de windturbineposities dient een nee, tenzij toets te worden doorlopen voor het voorkeursalternatief.
Gebiedsbescherming - Overige (beschermde) gebieden Het projectgebied is niet aangewezen als beschermd provinciaal weidevogelgebied of anderszins als een (beschermd) natuurgebied. Toetsing van de alternatieven in het MER is op dit punt dus niet relevant. . In de nabijheid van het projectgebied is wel een provinciaal aangewezen stiltegebied gelegen. Zo nodig wordt de invloed van de alternatieven op dat stiltegebied in beeld gebracht.
Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De bescherming van flora en faunasoorten is opgedeeld in twee beschermingscategorieën: 1.
Strikt beschermde soorten: •
Soorten van de Vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2 Bal)
•
Soorten van de Habitatrichtlijn (paragraaf 11.2.3 Bal) concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 38
2.
Overige beschermde soorten: •
Nationaal beschermde soorten (paragraaf 11.2.4 Bal)
Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijk invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het beschermingsregime van de overige (nationaal) beschermde soorten is voor elke soort gelijk. Specifiek veldwerk is veelal vereist om te kunnen beoordelen of er sprake kan zijn van een overtreding in het kader van de soortenbescherming van de Omgevingswet. In de praktijk is de soortenbescherming vrijwel altijd een aandachtspunt voor de verdere planvorming van een windpark en is de soortenbescherming dus weinig onderscheidend in deze fase. Ook zijn in de praktijk veelal goede maatregelen te treffen om te kunnen voldoen aan de geldende wetgeving, door bijvoorbeeld de aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of om tijdens bepaalde tijden in het jaar tijdelijk stil te zetten, wanneer er hogere vleermuisactiviteit is te verwachten.
Toetsing van de alternatieven met betrekking tot voorkomende soorten is relevant en zal daarom in het MER beoordeeld worden. Onderdelen waarop wordt getoetst is onder meer aanvaringsslachtoffers, barrièrewerking en effect op leefgebied, zowel in de aanlegfase als in de exploitatiefase.
4.3.7 Cultuurhistorie en archeologie In het MER wordt onderzocht of er archeologische relicten in de bodem ter plaatse van de windturbines in de projectgebied aanwezig zijn, en welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele waarden te beschermen. Voor de beoordeling van het aspect archeologie wordt primair de gemeentelijke Archeologische Beleidskaart, de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), en de kaart met Cultuurhistorische waarden van de provincie Noord-Brabant uit de Provinciale Omgevingsvisie gebruikt. Uiteindelijk dient bepaald te worden in hoeverre turbines in de projectgebied in conflict zijn of aansluiten bij het beleid en of archeologisch (voor)onderzoek nodig is. In het MER wordt aangegeven of maatregelen genomen dienen te worden om eventuele overige cultuurhistorische waarden (hierna: cultuurhistorische waarden) te beschermen. Voor het aspect cultuurhistorie wordt de kaart met Cultuurhistorische waarden van de provincie Noord-Brabant uit de Provinciale Omgevingsvisie gebruikt. Uiteindelijk dient bepaald te worden in hoeverre windturbines in het projectgebied in conflict zijn of aansluiten bij het beleid.
4.3.8 Landschap Voor het aspect landschap wordt in het MER aandacht besteed aan de landschappelijke effecten van windturbines van de verschillende alternatieven. De inrichtingsalternatieven worden beoordeeld op hun landschappelijke effecten, mede op basis van een beschrijving van de bestaande situatie van die gebieden en de daar aanwezige landschappelijke karakteristieken.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 39
Voor de inrichtingsalternatieven worden zowel de invloed van opstellingen op het landschap beschreven (op meerdere schaalniveaus) als de kenmerken en kwaliteiten van die opstellingen zelf. Ook wordt de invloed op de waarneming van de opstellingen beschreven. De veranderingen, die de plaatsing van windturbines met zich meebrengt, worden onder meer aan de hand van visualisaties vanuit verschillende posities en standpunten in beeld gebracht. Daarnaast wordt gekeken naar de beleving van windturbinepark in het landschap, waaronder mogelijke toepassing obstakelverlichting. Mogelijke beoordelingscriteria voor het aspect landschap zijn: 1. Criteria met betrekking tot effecten op bestaande landschappelijke waarden: a. Openheid en horizonbeslag; b. Aansluiting op de landschappelijke structuur. 2. Criteria met betrekking tot effecten op de opstelling als herkenbaar en samenhangend geheel: a. Regelmatig beeld; b. Herkenbaarheid van de opstelling en interferentie met andere hoge landschapselementen. 3. Criteria met betrekking tot effecten op waarneming en beleving: a. Zichtbaarheid; b. Invloed op de visuele rust; c. Verlichting.
4.3.9 Waterhuishouding en bodemkwaliteit Voor het windpark worden enkele verhardingen aangebracht die effect op de waterhuishouding kunnen hebben, te weten bouw- en onderhoudswegen, opstelplaatsen voor bouw en onderhoud, fundering van de windturbines en schakel- en/of inkoopstations. De waterhuishouding wordt in het MER beoordeeld op grondwater, oppervlaktewater en hemelwaterafvoer. Daarnaast is in de omgeving een waterwingebied aanwezig. Of er sprake is van effect op dat gebied wordt onderzocht en beoordeeld. Voor het aspect bodemkwaliteit wordt bekeken of de locatie verdacht is van bodemverontreiniging. Hiervoor wordt het provinciale bodemarchief geraadpleegd.
4.3.10 Externe veiligheid Om de veiligheid van de omgeving van het windpark te kunnen garanderen wordt onderzocht welke veiligheidseffecten het plaatsen en in werking hebben van windturbines heeft op de omgeving. Het MER beschrijft hoe de veiligheid van omwonenden, verkeersdeelnemers en van personen die in de onmiddellijke omgeving werken gewaarborgd is of kan worden. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de ligging van panden en infrastructurele netwerken. Om de veiligheid van de omgeving van het windpark te kunnen garanderen wordt onderzocht welke veiligheidseffecten het plaatsen en in werking hebben van windturbines heeft op de omgeving. In de ontwerpwindturbinebepalingen zijn voor de directe en indirecte risico’s (domino-effecten) risiconormen gesteld: •
Een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) van 10 -6 per jaar voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties. Hiervan kan niet worden afgeweken.
•
Een standaardwaarde voor het PR van 10-6 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Hiervan kan door het bevoegd gezag gemotiveerd worden afgeweken.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 40
In het MER voor het windpark Diepenhoek zal worden aangesloten op de gestelde ontwerpnormen. Voor de verschillende turbineopstellingen wordt de PR 10-6 contour (inclusief eventuele domino-effecten) bepaald. Er wordt bepaald hoe veel (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze contour komen te liggen. Onder de nieuwe ontwerpnormen is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de PR 10 -6 norm en hierbij een grenswaarde van PR 10-5 (inclusief domino-effecten) aan te houden. Ten behoeve van een eventuele afwijking van de grenswaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen worden ook de PR 10 -5 contouren van de turbines bepaald. Specifieke aandacht zal uitgaan maar de aanwezige ondergrondse aardgastransportleiding die van noord naar zuid door het projectgebied loopt. In 2019 is een onderzoek23 is voor meerdere type windturbines bepaald welke veiligheidsafstanden tussen de beoogde windturbines en de ondergrondse buisleiding in acht genomen moet worden. Deze resultaten worden betrokken in het MER.
4.3.11 Ruimtegebruik In dit hoofdstuk worden eventuele effecten op straalpaden, (defensie)radarinstallaties en luchtvaart en laagvliegroutes meegenomen. Daarnaast is er aandacht voor de huidige gebruiksfuncties van de omgeving, zoals landbouw en recreatieve functies.
4.3.12 Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies De belangrijkste redenen om windinitiatieven te realiseren is het opwekken van duurzame energie en daarmee het vermijden van emissies. Van de alternatieven wordt daarom in het MER berekend hoeveel elektriciteit kan worden opgewekt, uitgaande van het aantal te plaatsen turbines dat per alternatief te plaatsen is. Ook wordt bepaald welke uitstoot van schadelijke stoffen vermeden wordt, in vergelijking met de situatie dat dezelfde hoeveelheid energie wordt opgewekt op conventionele wijze, zoals verbranding van steenkool en aardgas. Het gaat daarbij om de vermeden uitstoot van CO 2, NOX en SO2. De reductie wordt berekend aan de hand van het gemiddelde gebruik van brandstoffen bij elektriciteitscentrales (voornamelijk gas). Hierbij worden de volgende kengetallen gehanteerd: 63,5 kg CO2/GJ24, 0,06 kg NOX/GJ en 0,02 kg SO2/GJ (ECN-C--05-090). Voor het rendement van elektriciteitscentrales wordt uitgegaan van 44,9%25. Er zal ook aandacht zijn voor de gemiddelde energetische terugverdientijd van windturbines.
4.4 Ontwikkelingen in en nabij het projectgebied Om de verschillende alternatieven op een juiste manier te kunnen vergelijken met de referentiesituatie is het belangrijk om autonome ontwikkelingen rondom en in het projectgebied mee te nemen. Zoals beschreven in paragraaf 3.4 betreffen deze autonome ontwikkeling plannen of ontwikkelingen waarover al concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden of wordt verwacht voorafgaand aan besluitvorming over het initiatief. In deze paragraaf wordt een overzicht van de autonome ontwikkelingen rondom en in het projectgebied gegeven. Onder overige ontwikkelingen worden ontwikkelingen benoemd die (nog) niet autonoom zijn maar wel relevant kunnen zijn om te benoemen. In de MER zullen de autonome ‘Bepaling afstanden voor meerdere type windturbines’ 19 april 2019, Ingenieursbureau Peutz CBS (2023). Hernieuwbare energie in Nederland 2022. Bron: https://www.cbs.nl/nlnl/longread/rapportages/2023/hernieuwbare-energie-in-nederland-2022 25 CBS (2023). Hernieuwbare energie in Nederland 2022. Bron: https://www.cbs.nl/nlnl/longread/rapportages/2023/hernieuwbare-energie-in-nederland-2022 23 24
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 41
ontwikkelingen in ieder geval worden meegenomen als onderdeel van de referentiesituatie. Mogelijk worden hier gedurende het mer-traject nog andere (autonome) ontwikkelingen aan toegevoegd die op dit moment nog niet bekend zijn. PM <autonome ontwikkelingen bekend?>
4.4.1 Werkwijze effectbeoordeling De omvang van het studiegebied – het gebied waarbinnen zich mogelijke effecten kunnen voordoen – verschilt per milieuaspect. In het algemeen is het studiegebied (aanzienlijk) groter dan het projectgebied: het gebied waarbinnen zich de voorgenomen activiteit afspeelt. De verwachte effecten worden beschreven en beoordeeld. De referentiesituatie, inclusief autonome ontwikkeling, fungeert daarbij als referentie voor de beoordeling van de effecten. De effectbeschrijving zal waar mogelijk en zinvol met cijfers onderbouwd worden. Indien het niet mogelijk is om de effecten te kwantificeren, zal de beschrijving kwalitatief zijn. Bij de beschrijving van de effecten wordt een onderscheid gemaakt tussen de bouwfase en de realisatiefase en de verschillende onderdelen van het voornemen. Gevolgen tijdens de bouwfase zijn vaak tijdelijk van aard. Ook wordt, waar zinvol, aangegeven of cumulatie met andere plannen en/of projecten kan optreden. De effecten worden per milieuaspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Soms is dit een harde parameterwaarde die door de overheid is aangewezen als een norm (getal). Echter, vaak zijn de geëigende parameters niet zo duidelijk omschreven. Deze moeten dan worden herleid uit het voorgenomen beleid over de verschillende milieuaspecten. In Paragraaf Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.
is per milieuaspect aangegeven welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief).
4.5 4.6 Mitigerende maatregelen De in het MER aan te geven milieueffecten kunnen door middel van het uitvoeren van mitigerende maatregelen verzacht, of teniet worden gedaan. In het MER worden deze maatregelen genoemd en het effect ervan beschreven. Een voorbeeld van een mitigerende maatregel is het stilzetten van de turbine op momenten dat er slagschaduwhinder optreedt.
4.7 Leemten in kennis en informatie In het MER zal worden aangegeven welke belangrijke informatie ontbreekt en welke gevolgen dit heeft voor de effectvoorspelling. Waar mogelijk zal worden aangegeven welke aanvullende onderzoeken deze leemten kunnen wegnemen.
4.8 Evaluatie In het MER zal aangegeven worden welke milieuaspecten tijdens en na het realiseren van het voornemen gemonitord en geëvalueerd dienen te worden, teneinde na te gaan wat de daadwerkelijk optredende milieueffecten zijn. Eventueel kunnen op basis daarvan maatregelen getroffen worden.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 42
5 Procedure en besluitvorming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke stappen worden doorlopen voor de mer-procedure en in welke procedurele context dit plaatsvindt ten behoeve van de besluitvorming (vergunningverlening) over het voornemen.
5.1 Mer-procedure Een mer-procedure bestaat uit verschillende onderdelen, waarvan het milieueffectrapport (MER) het belangrijkste is. De mer-procedure, de ruimtelijke procedure (wijziging/afwijking omgevingsplan) en uitvoeringsbesluiten (in ieder geval de omgevingsvergunningen) hebben een relatie tot elkaar en kunnen (deels) parallel gevoerd worden. Dit is in Figuur 5.1 geïllustreerd. Figuur 5.1 Hoofdlijnen mer-procedure en omgevingsvergunning
De inhoudelijke vereisten aan een mer zijn vastgelegd in Hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). Dat houdt samengevat in dat een milieueffectrapport wordt opgesteld om de (mogelijke) effecten van de voorgenomen activiteit en eventuele alternatieven daarvoor op de natuur, het milieu, archeologische waarden, leefomgeving en (andere) gebruiksfuncties van de betrokken gebieden voor de afweging daarvan bij besluitvorming in beeld te brengen. De functie van het onderzoeken van alternatieven is dat verschillende mogelijkheden voor de voorgenomen activiteit met elkaar vergeleken worden op milieueffecten. Zo wordt het milieubelang meegewogen in de besluitvorming over het voornemen.
5.1.1 Voornemen (kennisgeving) Het bevoegd gezag geeft openbaar kennis van het voornemen om een besluit voor te bereiden waarvoor een mer wordt doorlopen. Daarin staat: •
Dat stukken ter inzage worden gelegd;
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 43
•
Waar en wanneer dit gebeurt;
•
Dat er gelegenheid is zienswijzen in te dienen over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER;
•
Aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn;
•
Of de Commissie voor de mer tijdens de voorbereiding van het plan geraadpleegd wordt over reikwijdte en detailniveau van het op te stellen MER.
De kennisgeving van het voornemen zal naast informatie over mer-procedure en de NRD ook een probleemanalyse en een (concept) participatieplan bevatten.
5.1.2 Raadpleging overlegpartners en betrokken bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau Het bevoegd gezag raadpleegt de overlegpartners en de overheidsorganen die bij de voorbereiding van het plan moeten worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van het MER. Het raadplegen van de Commissie voor de mer is niet verplicht voor de NRD-fase. Raadpleging gebeurt door de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau, waarin de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER wordt beschreven, naar de overlegpartners en betrokken bestuursorganen te verzenden.
5.1.3 Reacties indienen cNRD De concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau vormt tevens het belangrijkste stuk dat in het kader van de bovengenoemde openbare kennisgeving ter inzage wordt gelegd, zodat door eenieder reacties kunnen worden ingediend. De termijn daarvoor is normaliter 6 weken.
5.1.4 Opstellen MER De ingekomen reacties op de cNRD worden meegenomen bij het opstellen van het MER. De eisen waaraan het MER moet voldoen zijn beschreven in artikel 11.3 (planMER) en 11.16 (projectMER) van het Omgevingsbesluit. Sinds de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 wordt een onderscheid gemaakt tussen de eisen waaraan de planMER en projectMER moeten voldoen. Deze voor het merendeel overlappende eisen zijn: •
Het doel van het project
•
Een beschrijving van het project en de ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ alternatieven inclusief motivering voor de geselecteerde alternatieven
•
Welke plannen er eerder voor deze activiteit zijn vastgesteld en welke alternatieven daarin waren opgenomen
•
Voor welk besluit(en) het MER wordt gemaakt en welke besluiten met betrekking tot het project al aan het MER vooraf zijn gegaan
•
Een beschrijving van de ‘huidige situatie en de autonome ontwikkeling’ in het projectgebied
•
Welke gevolgen het project en de alternatieven hebben voor het milieu en een motivering van de manier waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven en een vergelijking van die gevolgen met de ‘autonome ontwikkeling’
•
Effectbeperkende c.q. mitigerende maatregelen
•
Monitoringsmaatregelen
•
Leemten in kennis
•
Een referentielijst
•
Een publiekssamenvatting concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 44
5.1.5 Openbaar maken van het MER en raadpleging Commissie mer Het MER wordt ter inzage gelegd en voor advies verzonden aan de Commissie mer. De terinzagelegging gebeurt in principe gelijktijdig met de ter inzage legging van het ontwerp wijziging omgevingsplan en van de ontwerpvergunningen.
5.1.6 Zienswijzen indienen MER Iedereen kan zienswijzen indienen op het MER, de ontwerpwijziging omgevingsplan en de ontwerpvergunning. De termijn daarvoor is 6 weken.
5.1.7 Advies mer De Commissie mer geeft eveneens een advies op de inhoud van het MER (toetsingsadvies). Het bevoegd gezag kan de Commissie mer eveneens vragen om de ingekomen zienswijzen te betrekken in hun advies. Het advies van de Commissie mer kan aanleiding zijn tot het maken van een aanvulling op het MER, bijvoorbeeld om een aantal zaken wat verder uit te diepen of nadere accenten te leggen. Advies door de commissie is niet verplicht.
5.1.8 Vaststellen wijziging omgevingsplan inclusief overige besluiten De gemeente Someren stelt de wijziging van het omgevingsplan en de bijbehorende ontwerpvergunning vast. Daarbij zullen de ingekomen zienswijzen en het advies van de betrokken overheidsorganen worden meegenomen. Het MER is onderdeel van die besluitvorming.
5.1.9 Bekendmaken besluit Het definitieve besluit tot wijziging/afwijking omgevingsplan met bijbehorende omgevingsvergunning worden bekendgemaakt.
5.1.10 Evaluatie Het bevoegd gezag evalueert de werkelijk optredende milieugevolgen en neemt zo nodig maatregelen om de gevolgen voor het milieu te beperken.
5.2 Vergunningen Voordat met de uitvoering van de voorgenomen activiteiten kan worden begonnen, zijn er nog verschillende besluiten nodig. Er dient naar verwachting in ieder geval een omgevingsvergunning te worden afgegeven voor de volgende activiteiten: •
een bouwactiviteit (5-8 windturbines, onderstation, (aanleg)infrastructuur, etc.)
•
milieubelastende activiteit
•
flora- fauna-activiteit
5.3 Informatie en inspraak Bij deze mer-procedure zijn twee formele inspraakmomenten; 1. Tijdens de terinzagelegging van deze concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau; 2. Tijdens de terinzagelegging van de ontwerpwijziging omgevingsplan en de ontwerpbesluiten en bijbehorend MER.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 45
De plaatsen en tijden van deze terinzageleggingen zullen bekend gemaakt worden door middel van publicatie in één of meerdere dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze, daarbij wordt ook bekend gemaakt of en wanneer er een informatiebijeenkomst plaatsvindt. Na verwerking van de zienswijzen zullen de definitieve besluiten worden genomen. Schriftelijke reacties kunnen gedurende de terinzagelegging onder vermelding van <’PM’> gestuurd naar: PM <adresgegevens bevoegd gezag > De binnengekomen reacties (zienswijzen) en adviezen op deze cNRD worden betrokken bij het verder uitwerken van de MER.
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721087 | Windpark Diepenhoek | Concept v2.1 | 10-12-2024 Pagina 46
Powered by TCPDF (www.tcpdf.org)