Milieueffectrapport NPRD - Deel A - Behoeften, alternatieven en effecten
Tekst van het document
Deze behoefte bestaat uit twee onderdelen: • Uitbreiding van de (grondgebonden) milieuruimte is nodig voor het kunnen uitoefenen van de huidige en nieuwe (oefen) activiteiten. • Om de geluidbelasting van vliegverkeer op vliegbasis Leeuwarden te spreiden door gebruik te maken van de secundaire baan is een verlenging van de secundaire baan nodig. 6. Beperkingengebied rondom vliegbasis Leeuwarden (outer horizontal surface) - Juridische borging Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Voorbeeld hiervan is de plaatsing van windturbines die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. De Outer Horizontal Surface (OHS) vormt het uitgangspunt van de analyse. De OHS is gericht op het vrij houden van hoge elementen. De analyse richt zich daarom op hogere elementen, specifiek hoger dan 150 meter, in het landschap en zoekgebieden voor deze elementen. Dit zijn masten, windturbines en hoge gebouwen.
blad 50 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
7. Uitbreiden Schietbaan Marnewaard t.b.v. schieten dynamisch met voertuigen Schietbaan Marnewaard is een belangrijke schietbaan voor het oefenen en trainen met voertuiggebonden wapens (.50 en 35mm). Vanaf vaste schietpunten kan een beperkt aantal weken per jaar geschoten worden. De behoefte is om op de schietbaan ook te kunnen schieten met voertuigen in beweging (dynamisch). Daarnaast heeft CLAS de behoefte om het aantal schoten per jaar en het aantal weken dat er gebruik gemaakt kan worden van de schietbaan fors te verhogen. 8. EHR 8 uitbreiden en gereedmaken voor oefenen met onbemande vaartuigen op en in het water inclusief corridors De EHR-8 zone wordt gepland voor het oefenen en testen van onbemande vaartuigen op en in het water. Door deze ruimte te garanderen is het mogelijk om met deze vaartuigen te oefenen. Een beschikbaar oefengebied is nodig om de gereedheid op deze systemen te kunnen waarborgen. Daarvoor is het aanpassen van de vergunningsruimte noodzakelijk. De fysieke ruimte die Defensie nodig heeft voor dit oefenen is al in bezit. Benodigd hiervoor is een corridor vanuit Den Helder naar het oefengebied EHR 8 waar op, onder en boven water gebruik kan worden gemaakt van de ruimte. 9. Leerfaciliteit alternatieve brandstoffen, Den Helder Defensie heeft de ambitie om voor 2050 70% minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen voor haar operationeel materieel.
In de roadmap energietransitie operationeel materieel geeft Defensie aan dat voor ondersteunende vaartuigen methanol geschikt is als alternatieve brandstof. Daarom heeft Defensie besloten met de hulpvaartuigen op te treden als launching customer voor werkschepen op methanol. Zo levert Defensie een bijdrage aan de ontwikkeling en implementatie van schepen op alternatieve brandstoffen binnen het maritiem masterplan als koploperproject voor de sectoragenda van de maritieme maakindustrie. Het research center maritieme energiesystemen van de Faculteit Militaire Wetenschap voert onderzoek uit naar het verbrandingsgedrag, de uitstoot en het dynamisch gedrag van interne verbrandingsmotoren op ethanol. Voor dit onderzoek is een methanol systeem nodig in gebouw Medemblik van het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder. 10. Beperkingengebied rondom MVK de Kooy (outer horizontal surface) - Juridische borging Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Voorbeeld hiervan is de plaatsing van windturbines die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. De Outer Horizontal Surface (OHS) vormt het uitgangspunt van de analyse.
De OHS is gericht op het vrij houden van hoge elementen. De analyse richt zich daarom op hogere elementen, specifiek hoger dan 150 meter, in het landschap en zoekgebieden voor deze elementen. Dit zijn masten, windturbines en hoge gebouwen. 11. Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer, Afsluitdijk De behoefte voor de schietinrichting Breezanddijk is tweeledig: enerzijds is er behoefte aan meer milieuruimte om vaker op locatie te schieten. Anderzijds heeft Defensie de behoefte om munitie met een grotere dracht te verschieten dan nu mogelijk is. De inschatting is dat er dan maximaal 4.500 schoten per jaar nodig zullen zijn. Uitgaande van 50 schoten per beproevingsdag moet ook het aantal schietdagen vergroot worden. Het toegestane aantal schietdagen zal opgehoogd moeten worden van zestig naar negentig dagen. Ook is er behoefte aan een fysieke uitbreiding van de sector. Nu geeft de sector ruimte aan maximaal 23 kilometer. De huidige ontwikkeling van wapensystemen maakt dit al niet meer toereikend is. Verruiming, en dan vooral verlenging, van de sector biedt hiertoe uitkomst. Een verlenging van de schietsector van 23 naar 30 kilometer is wenselijk. Verbreding van de sector is noodzakelijk vanuit de scherfstraal van beproevingen.
Huidige munitie heeft een grotere scherfstraal dan oudere, waardoor een bredere sector nodig is om te voorkomen dat het mal onveilig gebied buiten deze sector komt 12. Uitbreiding kazerne Heerenveen Het Militair Geneeskundig Logistiek Centrum (MGLC) is verantwoordelijk voor de ondersteuning van gereedstellingsactiviteiten van de operationele commando’s door het leveren van geneeskundige artikelen die nodig zijn voor opleiden en trainen. De hoeveelheid geneeskundige middelen breidt uit om voorbereid te zijn op hoofdtaak 1 (HT1). Als gevolg hiervan heeft het MGLC behoefte aan uitbreiding van de mogelijkheden voor de opslag van zuurstofvoorraden op de Generaal-Majoor Brugmankazerne. blad 51 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
13. Vergroting van oefengebied De Haag (Zuidwest Assen) Om het trainen van het landoptreden te kunnen faciliteren en daarmee gereedstelling te waarborgen, is een groter oefenterrein noodzakelijk. Het oefenterrein moet bruikbaar zijn om in de huidige wijze van oorlogsvoering met de moderne middelen het compagnies gevecht te kunnen beoefenen, bij voorkeur in een aaneengesloten uitbreiding. 14. Petten groei beproevingen Noordzee Schietbaan Petten is een belangrijke schietinrichting met een bijbehorende schietsector op de Noordzee voor het beproeven van wapens en munitie. Vanaf vaste schietpunten kan een beperkt aantal dagen per jaar geschoten worden op de Noordzee. Op dit moment geeft de schietrichting ruimte voor maximaal 295 schoten per jaar met een maximale afstand van dertig kilometer. Om de voorziene groei van het aantal testen en nieuwe munitiesoorten te waarborgen, is uitbreiding op de bestaande testlocaties noodzakelijk. 15. Verplaatsen (in overleg met de regio) raccordement, t.b.v. voertuigen 43e Gemechaniseerde Brigade Zoekgebied ‘Groot Havelte’ De 43e Gemechaniseerde Brigade verplaatst veel voertuigen over de verbindingsspoorlijn in Havelte. Vanwege woningbouwplannen van de gemeente is mogelijke verplaatsing van dit raccordement mogelijk noodzakelijk.. Hiervoor is eenzelfde nieuwe spooraansluiting in het gebied van de nieuwe opstelplaats en laadperron nodig. 16.
Uitbreiding faciliteiten voor schieten (Koninklijke Marechaussee) Schiphol Defensie heeft behoefte aan een schietbaan voor gebruik van de Koninklijke Marechaussee in de nabijheid van Schiphol. 17. Uitbreiding raccordement ‘t Harde De behoefte om per rail materieel te vervoeren groeit, onder andere door de algemene groei van Defensie als in het kader van Host Nation Support en militaire mobiliteit. Door de toenemende behoefte aan vervoersbewegingen volstaat de huidige capaciteit aan raccordementen (opstelplaats en aansluiting op rail) niet meer. Voor het raccordement in ’t Harde is een behoefte om de opstelcapaciteit met twee opstelsporen van minimaal 725 meter uit te breiden, inclusief de daarvoor benodigde grondwerkzaamheden en hekwerken. 18. Uitbreiden Artillerie Schietkamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde) Voor Defensie is het nodig het ASK passend te maken aan de nieuwe wapensystemen en het bieden van manoeuvreruimte voor eenheden zodat zij beter kunnen oefenen conform huidige doctrines. Daarnaast moet er ook meer getest kunnen worden door beproevingen. Het aanpassen van het ASK gaat in twee delen: ten eerste een aanpassing van de vergunde ruimte in de "brede strook" van circa 5 km bij 500 meter. Als tweede een uitbreiding aan de west- en zuidzijde als manoeuvreruimte voor de voertuigen. 19.
Artillerie Schietkamp (ASK) uitbreiden met 120 mm mortierschieten Het Artillerie Schietkamp (ASK) moet passend gemaakt worden aan de nieuwe behoefte vanuit Defensie. Het gaat dan om het kunnen schieten en oefenen met (voertuiggebonden) 120 mm mortieren. Defensie heeft de behoefte om met een CV-90 (een infanteriegevechtsvoertuig) vanuit beweging een schietopstelling te kunnen innemen, zonder dat personeel hoeft uit te stijgen, waarbij snel gevuurd kan worden (om vervolgens weer snel te verplaatsen). De uitbreidingsbehoefte gaat dan ook vooral om het andere type geschut en dan vooral een andere hoogte waarop het 120mm stuk zich bevindt. In de huidig situatie wordt enkel vanaf de grond gevuurd: in een CV-90 ongeveer 3 meter boven de grond. 20. Geplande opschaling Koninklijke Marechaussee Randstad Den Haag, Maaldrift uitbreiden De groei van de Koninklijke Marechaussee, en dan met name de persoonsbeveiligingstaak, overstijgt al geruime tijd de bestaande faciliteiten. Groei is nodig op alle vlakken. Belangrijk is groei in de regio, omdat hierin wordt gewerkt. Gezien de druk op de taakstelling zijn verre verplaatsingen onwenselijk. 21. Uitbreiding raccordement Vlasakkers De behoefte om per rail materieel te vervoeren groeit, onder andere door de algemene groei van Defensie als in het kader van Host Nation Support en militaire mobiliteit.
Door de toenemende behoefte aan vervoersbewegingen volstaat de huidige capaciteit aan raccordementen (opstelplaats en aansluiting op rail) niet meer. blad 52 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
22. Huisvestingen incl. faciliteiten Militaire Politie Koninklijke Marechaussee Een eenheid Militaire Politie eskadron Koninklijke Marechaussee moet gehuisvest worden. Het betreft een nieuwe eenheid en taakstelling. 23. Uitbreiden live firing mogelijkheden voor helikopters op Infanterie Schietkamp (ISK) ten behoeve van niv 3 en 4-oefeningen Koninklijke Landmacht Er is behoefte aan geïntegreerd schieten van grond- en luchttroepen. Het ISK is een vlieggebied waar Defensie mag vliegen en schieten met geladen boordwapens. Momenteel is deze activiteit ook vergund op het ISK, maar de helikopters hebben in het vergunde luchtruim onvoldoende manoeuvreerruimte om te kunnen oefenen. 24. Uitbreiding milieu en geluidsruimte door intensivering van Infanterie Schietkamp(ISK) en groei Krijgsmacht De intreding van nieuwe wapensystemen bij verschillende defensieonderdelen en de groei van eenheden leiden tot een toename in gebruik van het ISK. Defensie heeft behoefte aan voldoende schoten om ook in de toekomst aan de schietbehoefte van Defensie en ketenpartners te voorzien. Dit betreft niet alleen de landmacht, maar ook andere onderdelen van Defensie. Concreet betreft dit ongeveer een groei van circa dertig procent (3,8 miljoen schoten) naar jaarlijks 16,5 miljoen schoten. De activiteiten op het ISK veranderen niet. 25. Uitbreiding van terrein t.b.v.
voldoen aan NATO-normering depots Defensie Pijpleiding Organisatie. (depot Markelo) De afstanden tussen de hekwerken en de depots moeten om veiligheidsredenen vergroot worden. De grotere tussenafstand is nodig als beveiligingsmaatregel. Het depot Markelo heeft, naast het hanteren van de veiligheidsafstanden, de behoefte om een aantal wijzigingen die in de planning staan te combineren. Dit gaat over het elektrificeren van het transport en het vervangen van afgekeurde tanks. De uiteindelijke behoefte is een combinatie van deze behoefte waarin een nieuwe eindsituatie wordt gerealiseerd waarin de wijzigingen zijn opgenomen. 26. Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depots Defensie Pijpleiding Organisatie. (depot Klaphek) De huidige locatie voldoet op dit moment niet aan de regelgeving die de NAVO voor oliedepots (POL-stations) stelt. Defensie en NAVO bestaan om juist in oorlogsomstandigheden te kunnen functioneren. Daarom zijn er Defensie en NAVO specifieke scenario’s vertaald naar gestandaardiseerde veiligheidsafstanden voor oliedepots. Concreet vraagt het militaire scenario (de NAVO-regelgeving) om vergroting van de veiligheidszone en daardoor verplaatsing van de hekwerken naar buiten toe. 27.
Extra milieuruimte voor helikopteractiviteiten op Militair Luchtvaartterrein Deelen Voor een gedragen Luchthavenbesluit-Rijen moeten er helikopterbewegingen naar Deelen worden verplaatst. Hiervoor is meer milieuruimte op vliegbasis Deelen nodig. 28. Beperkingengebied rondom MLT Deelen (outer horizontal surface) - Juridische borging Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Voorbeeld hiervan is de plaatsing van windturbines die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. De Outer Horizontal Surface (OHS) vormt het uitgangspunt van de analyse. De OHS is gericht op het vrij houden van hoge elementen. De analyse richt zich daarom op hogere elementen, specifiek hoger dan 150 meter, in het landschap en zoekgebieden voor deze elementen. Dit zijn masten, windturbines en hoge gebouwen. 29. Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depots Defensie Pijpleiding Organisatie. (depot Poortugaal) De huidige locatie voldoet op dit moment niet aan de regelgeving die de NAVO voor oliedepots (POL-stations) stelt. Defensie en NAVO bestaan om juist in oorlogsomstandigheden te kunnen functioneren.
Daarom zijn er Defensie en NAVO specifieke scenario’s vertaald naar gestandaardiseerde veiligheidsafstanden voor oliedepots. Concreet vraagt het militaire scenario (de NAVO-regelgeving) om vergroting van de veiligheidszone en daardoor verplaatsing van de hekwerken naar buiten toe. 30. Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Volkel blad 53 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Uitbreiding van de (grondgebonden) milieuruimte is nodig voor het kunnen uitoefenen van de huidige en nieuwe (oefen) activiteiten. 31. Beperkingengebied rondom vliegbasis Volkel(outer horizontal surface) - Juridische borging Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Voorbeeld hiervan is de plaatsing van windturbines die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. De Outer Horizontal Surface (OHS) vormt het uitgangspunt van de analyse. De OHS is gericht op het vrij houden van hoge elementen. De analyse richt zich daarom op hogere elementen, specifiek hoger dan 150 meter, in het landschap en zoekgebieden voor deze elementen. Dit zijn masten, windturbines en hoge gebouwen. 32. Schietbaan t.b.v. Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) Vliegbasis Woensdrecht De Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KSML) op Vliegbasis Woensdrecht is het opleidingsinstituut van de Luchtmacht. De vliegbasis beschikt niet over eigen schietfaciliteiten en is afhankelijk van lokale schietverenigingen en andere krijgsmachtonderdelen. 33. Uitbreiding milieuruimte t.b.v.
activiteiten Vliegbasis Woensdrecht Vliegbasis Woensdrecht verzorgt opleidingen voor de luchtmacht en andere Defensie onderdelen. Om gereed te worden dient de opleidingscapaciteit vergroot te worden. Daarnaast verzorgt Vliegbasis Woensdrecht onderhoud aan wapensystemen en logistieke dienstverlening. Om als CLSK gereed te worden zijn meer (oefen)vluchten nodig dat leidt tot frequenter onderhoud en meer logistieke activiteiten. Ook vraagt een gereedstelling meer van de exploitatie van de luchthaven dan op dit moment het geval is. Hiervoor is meer (grondgebonden) milieuruimte nodig. 34. Beperkingengebied rondom vliegbasis Woensdrecht(outer horizontal surface) - Juridische borging Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Voorbeeld hiervan is de plaatsing van windturbines die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. De Outer Horizontal Surface (OHS) vormt het uitgangspunt van de analyse. De OHS is gericht op het vrij houden van hoge elementen. De analyse richt zich daarom op hogere elementen, specifiek hoger dan 150 meter, in het landschap en zoekgebieden voor deze elementen. Dit zijn masten, windturbines en hoge gebouwen. 35.
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Gilze-Rijen Uitbreiding van de (grondgebonden) milieuruimte is nodig voor het kunnen uitoefenen van de huidige en nieuwe (oefen) activiteiten. . 36. Beperkingengebied rondom vliegbasis Gilze-Rijen (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Voorbeeld hiervan is de plaatsing van windturbines die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. De Outer Horizontal Surface (OHS) vormt het uitgangspunt van de analyse. De OHS is gericht op het vrij houden van hoge elementen. De analyse richt zich daarom op hogere elementen, specifiek hoger dan 150 meter, in het landschap en zoekgebieden voor deze elementen. Dit zijn masten, windturbines en hoge gebouwen. 37. Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide: fysiek uitbreiden (200ha) ook v.w.b. geluidsruimte Om het trainen van het landoptreden te kunnen faciliteren en daarmee gereedstelling te waarborgen, is een groter oefenterrein noodzakelijk.
Het oefenterrein moet bruikbaar zijn om in de huidige wijze van oorlogsvoering met de moderne middelen het compagnies gevecht te kunnen beoefenen.
38. Uitbreiden milieuruimte t.b.v. activiteiten op RVS-kazerne Oirschot blad 54 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Uitbreiding van de milieuruimte is nodig voor het kunnen uitoefenen van de huidige en nieuwe (oefen) activiteiten. 39. Uitbreiding raccordement Acht t.b.v. voertuigen 13. Lichte Brigade De behoefte om per rail materieel te vervoeren groeit, onder andere door de algemene groei van Defensie als in het kader van Host Nation Support en militaire mobiliteit. Door de toenemende behoefte aan vervoersbewegingen volstaat de huidige capaciteit aan raccordementen (opstelplaats en aansluiting op rail) niet meer. 40. IBT centrum regio Eindhoven voor Koninklijke Marechaussee-, en Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie op bestaand Defensieterrein Een Integraal Beroepsvaardigheid Training (IBT) -centrum is noodzakelijk om (gewapend) personeel van de Koninklijke Marechaussee-, en Defensie Bewakings- en BeveiligingsOrganisatie gecertificeerd te houden voor inzet. 41. Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform De inrichting van de vliegbasis Eindhoven verandert om daarmee beter aan te sluiten op de operaties die uitgevoerd moeten worden. De baanrenovatie in 2027 leidt tot verplaatsen van hot cargo, het munitieplatform, en heeft effect op veiligheidscirkels. 42.
Beperkingengebied rondom vliegbasis Eindhoven (outer horizontal surface) - Juridische borging Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Voorbeeld hiervan is de plaatsing van windturbines die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. De Outer Horizontal Surface (OHS) vormt het uitgangspunt van de analyse. De OHS is gericht op het vrij houden van hoge elementen. De analyse richt zich daarom op hogere elementen, specifiek hoger dan 150 meter, in het landschap en zoekgebieden voor deze elementen. Dit zijn masten, windturbines en hoge gebouwen. 43. Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide Het oefenterrein Weerterheide kan momenteel niet in de volledige potentie worden gebruikt door het ontbreken van kazernefaciliteiten in de directe omgeving. Aangrenzende kazerne Budel is momenteel niet in gebruik door Defensie. Daarnaast moet het oefenterrein bruikbaar zijn om in de huidige wijze van oorlogvoering met de moderne middelen het compagnies gevecht te kunnen oefenen, uitgaande van de primaire gebruiker. Bij grote voorkeur een aaneengesloten uitbreiding.
In combinatie met ingebruikname van de kazerne Budel om ondersteunende faciliteiten in de directe omgeving beschikbaar te hebben. 44. Oefenterreinen met graafmogelijkheden Door beperkingen is graven op oefenterreinen nagenoeg niet meer mogelijk. Deze activiteiten zijn met het huidige dreigingsniveau en de conflicten die we zien wel weer meer nodig. Daarom moet hiervoor meer aandacht komen in de opleidingen en bij oefeningen op Nederlandse oefenterreinen. Momenteel is enkel het graven van schuttersputten beperkt mogelijk op afgebakende terreinen binnen enkele oefengebieden. Defensie heeft de behoefte om vrij gebruik van oefenterreinen voor graafactiviteiten te hebben.
blad 55 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
4.
Wat is met zienswijzen, participatie en adviezen in dit planMER gedaan?
4.1
Participatie en zienswijzen in het voorjaar en zomer van 2024 De eerste formele stap in de planmer-procedure was de openbare kennisgeving op 18 december 2023, waarmee iedereen werd geïnformeerd over het voornemen van Defensie een MER bij het Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) op te stellen. Om meer inhoud en context te geven aan dit voornemen, is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD maakt inzichtelijk op welke specifieke locaties de komst of toename van defensieactiviteiten zal worden onderzocht en welke alternatieve locaties voor een aantal activiteiten onderzocht worden. Ook is in de NRD toegelicht welke thema’s onderzocht worden en op welk detailniveau dit gebeurt. Na de publicatie van de openbare kennisgeving en de Notitie Reikwijdte en Detailniveau konden burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en instellingen van 18 december tot 12 februari 2024 gedurende zes weken een zienswijze sturen op de inhoud van de NRD en het op te stellen planMER. Er kwamen ruim 2.200 zienswijzen binnen. De zienswijzen hadden voor het grootste deel betrekking op het detailniveau van het onderzoek, wensen tot aanvullend of dieper onderzoek (met name op het gebied van geluid en gezondheid bij jachtvliegtuigen) en de selectie en afbakening van de te onderzoeken alternatieven.
In paragraaf 4.2 is nader beschreven hoe de zienswijzen hebben bijgedragen aan een beter milieuonderzoek. Omdat de plannen mogelijk milieugevolgen kunnen hebben op buurlanden, zijn ook de relevante bestuursorganen over de grens geïnformeerd en konden burgers in Duitsland en België een zienswijzen indienen. Voor deze landen geldt dat enkele activiteiten nabij de grens kunnen plaatsvinden en dus mogelijke effecten optreden. Er worden geen effecten verwacht buiten territoriale wateren waardoor geen raadpleging van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Noorwegen nodig was. Verder zijn de wettelijke adviseurs van het Rijk geraadpleegd over reikwijdte en detailniveau van het effectenonderzoek. Het betreft de door de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen adviseurs (zoals de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Ook de Commissie voor de milieueffectrapportage is gevraagd een advies te geven hoe om te gaan met de reikwijdte en het detailniveau in het opstellen van het planMER. Hun toetsingsadvies is op 29 mei 2024 openbaar gepubliceerd op de website van de Commissie. Het toetsingsadvies van de Commissie en de wijze waarop dit betrokken is bij het mer is beschreven in paragraaf 4.2.2. Op 23 mei 2024 is de Nota van Antwoord op de NRD gepubliceerd.
Hierin zijn de zienswijzen (gebundeld) beantwoord en is aangegeven hoe het onderzoek is aangepast op basis van de binnengekomen zienswijzen. In de Nota van Antwoord is ook een concretiseringsslag opgenomen van de zoekgebieden voor de behoeften: • II: Extra locatie voor grootschalige munitieopslag. • III: Nieuwe munitieopslag Snelle Inzetbare Capaciteit (SIC). • IV: Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven. • VI: Amfibisch oefenterrein. De nog grote indicatieve zoekcirkels in de NRD zijn op basis van de in de NRD genoemde selectiecriteria geconcretiseerd naar concrete zoeklocaties. Na publicatie van de Nota van Antwoord zijn in de maanden juni en juli dertien informatiebijeenkomsten in alle provincies en op Vlieland georganiseerd. Tijdens de bijeenkomsten kon iedereen een nadere toelichting krijgen op het NPRD, het NRD, de Nota van Antwoord en de eerste voorlopige bevindingen uit het milieuonderzoek. Ook was er zowel in de plenaire toelichting als op een uitgebreide informatiemarkt de mogelijkheid om vragen te stellen en aanvullende opmerkingen te maken. De informatiebijeenkomsten waren drukbezocht. De informatiebijeenkomsten hebben veel bruikbare inzichten opgeleverd. Er ontstond een duidelijker beeld van de lokale zorgen en wensen en ook kwam nuttige gebiedsinformatie naar voren.
Deze informatie is betrokken bij de gebiedsonderzoeken en heeft op sommige punten geleid tot aanscherping van de onderzoeksaanpak. Op 29 blad 56 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
augustus 2024 is de Nota van Reactie informatiebijeenkomsten NPRD gepubliceerd. Hierin staat beschreven wat Defensie in aanvulling op de Nota van Antwoord heeft opgehaald en zal verwerken in het PlanMER. In paragraaf 4.2.1 is beschreven welke informatie uit de informatiebijeenkomsten is betrokken bij het milieuonderzoek. Voor dertien behoeften zijn meerdere alternatieven onderzocht. Er zijn dus veel gebieden in Nederland waar potentieel een nieuwe Defensieactiviteit met ruimtelijke impact kan landen. Veel bezoekers vroegen Defensie om zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de voorkeurslocatie, om zodoende de onzekerheid op veel locaties niet te lang te laten duren. Aan dit verzoek is invulling geven door tussentijds - op 12 november 2024 - in een Kamerbrief voor acht behoeften4 met een bovenregionale afweging aan te geven welke alternatieven op basis van het milieuonderzoek (het concept planMER) niet verder worden onderzocht.
4.2
Opbrengst van participatie-/informatieavonden en advies Commissie mer
4.2.1
Opbrengst uit participatie Tijdens de totstandkoming van dit planMER en het ontwerp-NPRD zijn tientallen informatieavonden geweest. Dit waren informatieavonden per provincie (zomer 2024), maar ook daarna in diverse gemeenten. Elke informatieavond heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan de totstandkoming van dit planMER. Dit waren vaak suggesties qua onderzoek, maar ook concrete informatie over lokale bijzonderheden. Deze informatie heeft het onderzoek verrijkt en vooral enkele details aangebracht. Een algemeen discussiepunt is het detailniveau. Zo is bijvoorbeeld veel informatie over concrete flora- of fauna gedeeld. Hiervan is zowel door Defensie als Antea Group aangegeven dat dit nog een detailniveau te ver is en meer richting vergunningverlening aan de orde komt.
4.2.2
Omgang met advies van de Commissie mer Het advies van de Commissie voor de mer is op 29 mei 2024 openbaar gepubliceerd op de website van de Commissie. In het kort gaven zij het volgende advies: Algemeen “De Commissie constateert dat het gaat om besluiten met grote milieueffecten, veelal op een schaal die veel mensen en gebieden treft. De wettelijke uitzonderingspositie van Defensie om een MER achterwege te laten is niet gebruikt. De Commissie waardeert deze samenhangende en proactieve aanpak om te komen tot zorgvuldige en transparante besluitvorming. Tegelijk constateert de Commissie dat een goede feitenbasis nodig is voor een transparant en navolgbaar proces, én om het milieubelang daarbij een volwaardige rol te laten spelen. De primaire gebieds- dan wel locatiekeuzes lijken bij de verdere uitwerking niet meer ter discussie te staan. Daarom zullen deze, goed én integraal moeten worden uitgewerkt en afgewogen in dit MER voor het NPRD. De Commissie wijst erop dat het belangrijk is geen onderzoek en keuzes die vanuit milieu en natuur doorslaggevend kunnen zijn naar vervolgbesluiten door te schuiven.
Het MER moet daarom een duidelijk en tijdig antwoord geven op de vragen ‘Wat is de milieuruimte die Defensie vraagt én is die milieuruimte in principe aanwezig?’, ‘Zijn keuzes vanuit milieu gezien haalbaar en uitvoerbaar?’ én ook ‘Welke milieuoptimalisaties zijn mogelijk en hoe kunnen negatieve effecten worden beperkt?’ Hiervoor is meer nodig dan de NRD voorstelt.” Omgang met dit advies Defensie en opstellers van het planMER onderschrijven het belang van een goede feitenbasis. Dit was ook altijd de bedoeling en is nadrukkelijk ook zo opgepakt. Ook is het belang van de fysieke leefomgeving centraal gesteld bij de alternatievenafweging. Bij de uiteindelijke keuze door Defensie heeft in 95% van de gevallen de informatie uit dit planMER de doorslag gegeven. Het detailniveau is passend bij dit programma. Waar nodig is een slag gedetailleerder onderzoek gedaan om aandachtspunten goed in beeld te brengen. Maar op andere punten, zoals bij stikstofdepositie of effecten op specifieke soorten is vooral de aard en omvang van het aandachtspunt in beeld gebracht en zal in vervolgfases nader onderzoek dit gedetailleerder duiden. Uitvoerbaar is hier als een toets of een alternatief ‘niet evident onuitvoerbaar’ zoals de Omgevingswet voorschrijft bedoeld.
4
Het betrof de behoeften (I) versterken en concentreren van centrale eenheden, (II) grootschalige munitieopslag, (III) munitieopslag SIC, (IV) nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven, (V) oefenen in verstedelijkt gebied, (VI) amfibisch oefenbied, (IX) onbemande maritieme helikopters en (X) stationering en corridors onbemande cargodrones.
blad 57 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Voorfase: input voorontwerp Nota Ruimte “Voordat het MER afgerond is - en een besluit over het NPRD aan de orde is -, zal Defensie een voorlopige voorkeurskeuze maken met het oog op het voorontwerp van de Nota Ruimte. De Commissie beschouwt de door Defensie voorgestelde NRD ook als een goed onderbouwde aanpak voor deze voorfase, waarmee de regering, vanuit de behoefte van Defensie, een voorlopige voorkeurskeuze kan maken. Bovenstaande vragen moeten daarin idealiter al zoveel mogelijk beantwoord zijn.” Omgang met dit onderdeel van het advies Er is een koppeling tussen het NPRD en de Nota Ruimte. Dit geldt voor alle rijksprogramma’s. Maar al in een vroeg stadium is geconstateerd dat het NPRD vanwege de hoge mate van concreetheid een eigen pad loopt. Dit pad is in nauwe afstemming met de andere departementen en lopende programma’s, maar veelal is hierbij geconstateerd dat het NPRD concreter aangeeft wat op een locatie komt en daarmee ook helderheid geeft. De conceptkeuzes en kaarten zijn continu meegenomen in het proces van de Nota Ruimte, bijvoorbeeld bij het voorontwerp Nota Ruimte en ook het ontwerp NPRD is opgenomen in de ontwerp Nota Ruimte (als deze naar verwachting rond de zomer gepubliceerd wordt). De wederzijdse belangen van de diverse departementen is vormgegeven in de interdepartementale werkgroep, zie volgende paragraaf.
Uiteindelijke MER NPRD en aanpassing Besluit kwaliteit leefomgeving “Voor het uiteindelijke MER is het nodig explicieter vanuit het milieubelang naar de voorlopige keuzes van Defensie te kijken. Daarnaast is het nodig om te doordenken in hoeverre bijstelling van deze keuzes nog wenselijk of noodzakelijk is. Zo komt het MER tegemoet aan de noodzaak het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de afweging. Hierdoor ontstaat ook de ruimte om te komen tot mogelijke ‘win-win’ oplossingen (bijvoorbeeld bij natuur) en om beter rekening te houden met mogelijkheden om de ernstige hinder van militaire luchtvaart te beperken. In dit advies licht de Commissie dit verder toe. Zij wijst er volledigheidshalve op dat de ruimte moet bestaan om - nadat het gehele MER afgerond en beschikbaar is – voorlopige keuzes nog te kunnen wijzigen in het NPRD. De Commissie gaat daar in dit advies vanuit. Dit is in het bijzonder belangrijk voor de aangekondigde keuzes die de regering, direct na het definitieve NPRD, in het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) wil vastleggen.
Denk aan (nieuwe) laagvlieggebieden, -corridors en -zones voor helikopters, drones en mogelijk ook jachtvliegtuigen (F-35) én aan grootschalige bouwbeperkingen (bijvoorbeeld voor windturbineparken).” Omgang met dit onderdeel van het advies Het belang van de fysieke leefomgeving staat centraal in dit planMER en daarmee ook in het NPRD. Zoals aangegeven is 95% van de gevallen het alternatief met per saldo de minste milieueffecten ook het Voorkeursalternatief geworden. Ook is goed gekeken naar diverse perspectieven (ook op aangeven van de Commissie) om zo de impact op de ruimte te verspreiden (en waar mogelijk te verzachten). Voor de luchtvaartgerelateerde behoeften (met name VIII, IX, X en XIII) is uitgebreider kwantitatief onderzoek verricht, ook in Lden, dan in de NRD is aangegeven. Hiermee is (terecht) tegemoet gekomen aan de wens van de Commissie evenals in vele zienswijzen. Op een abstractere wijze had wellicht de keuze van een Voorkeursalternatief onderbouwd kunnen worden, maar was toch te weinig inzicht in de daadwerkelijk mogelijke hinder. Er is een grote mate aan pluriformiteit aan behoeften en impact op de leefomgeving. Dit planMER dient niet als basis voor aanpassing van het Bkl. Hiervoor zal nader onderzoek en vervolgprocedures (al dan niet met mer5) uitgevoerd moeten worden.
Dit planMER beoogd wel de keuze voor een Voorkeursalternatief te onderbouwen en op basis hiervan in vervolgbesluiten, indachtig te geconstateerde aandachtspunten, dit nader ‘in te kleuren’. De Omgevingswet voorziet met artikel 16.37 echter in een mogelijkheid om andere plan-MERren te betrekken bij een besluit. Daarvoor geldt als voorwaarde dat dit plan-MER aansluit bij de mate van gedetailleerdheid van het plan. In algemene zin geldt dat voor alle aanpassing in rijksregels een plan-MER opgesteld moet worden indien deze kaderstellend zijn voor mer-plichtige activiteiten. Dit volgt nadrukkelijk uit de jurisprudentielijn van het Nevele-arrest (zie hiervoor bijvoorbeeld ook het plan-MER bij de bruidschatregels dat recentelijk opgesteld is). Dit betekent dat voor aanpassingen in het Bkl een plan-MER noodzakelijk kan zijn, gekoppeld aan het aanpassingsbesluit. Defensie kan ook voor die plan-mer-plicht gebruik maken van art. 16.35 Ow (uitzondering
blad 58 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
plan-mer-plicht). Het planMER bij het NPRD mag ook functioneren als plan-MER bij aanpassing van de rijksregels, mits het programma-plan-MER qua detailniveau aansluit bij het besluit over rijksregels. Dit is naar oordeel van de Commissie, en ook naar oordeel van de opstellers van dit MER, niet het geval voor het plan-MER NPRD en een besluit over aanpassing van de rijksregels. Dat betekent dat gekoppeld aan het aanpassen van het Bkl (of aanpassen van andere regelingen zoals hierboven) een plan-mer-plicht geldt. Essentiële informatie voor het MER “De Commissie beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het MER.
Dat wil zeggen dat, voor het meewegen van het milieubelang in een besluit over het NPRD, het (uiteindelijke) MER in ieder geval volgende informatie moet bevatten: • duidelijkheid over moment en wijze van afstemming tussen NPRD en de Nota Ruimte (milieu-inhoudelijk en procedureel); • de leefomgevingsfoto’s uit de NRD, met onder meer een overzicht van bestaand gebruik en inzicht in relevante beperkingen vanuit de fysieke leefomgeving; • onderzoek naar (dwingende) milieuobstakels; • een navolgbare beschrijving van de voorfase, in het bijzonder de eerste afweging en confrontatie tussen de Defensieafwegingen en -behoeftes onderling (eventuele spanningen en stapeling van milieueffecten) én met andere (Rijks)plannen en -projecten die een groot ruimtebeslag vragen; • uitwerking van verschillende perspectieven die expliciet vanuit het milieubelang (gezondheid, natuur, water en veiligheid) naar de voorlopige keuzes van Defensie kijken; • een vergelijking van de milieugevolgen van de Defensie-alternatieven en van de hierboven genoemde milieuperspectieven; • een beschrijving van de milieugevolgen van het voorkeursalternatief, zowel in Nederland als in het buitenland (grensoverschrijdende milieueffecten); • een Passende beoordeling van het voorkeursalternatief als blijkt dat aantasting van Natura 2000-gebieden niet kan worden uitgesloten.
Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER.” Omgang met dit onderdeel van het advies In hoofdlijnen is het advies van de Commissie mer overgenomen. Door te werken met perspectieven, waar ook andere rijksraakvlakken/-belangen in zijn opgenomen is deze wederzijdse beïnvloeding en impact op de ruimte meegenomen. Ook is gekeken vanuit andere perspectieven (in totaal negen, zie ook hoofdstuk vijf).
4.3
Hoe is dit planMER tot stand gekomen en welke toetsing is hierop geweest? Het planMER is door tot stand gekomen in nauwe samenwerking met andere departementen en met informatie vanuit verschillende bronnen. Vijfvoudige toetsing van analyses en onderzoek De uitgevoerde onderzoeken zijn allereerst gereviewd door Antea Group zelf. Dit geldt ook voor de door partners, zoals NLR en TNO, uitgevoerde onderzoeken. Vervolgens zijn de onderzoeken en analyses met het kernteam van het NPRD gedeeld en getoetst. Daarna is dit door het RVB en de diverse onderdelen van Defensie wederom getoetst. Vervolgens zijn de concept-rapportages besproken en uitgezet bij alle betrokken departementen. Deze 95%-rapportages zijn vervolgens in Q1 van 2025 gedeeld met de bestuurlijke partners (provincies en gemeenten) en ook hier zijn de opmerkingen van verwerkt. Dit neemt niet weg dat vanwege de grote omvang altijd enige slordigheden of discussiepunten zullen resteren. Deze kunnen na de zienswijzenperiode op het ontwerp NPRD nog verwerkt worden. Interdepartementale werkgroep voor afstemming rijksbelangen Een interdepartementale werkgroep heeft het mer begeleid.
In de interdepartementale werkgroep zijn vertegenwoordigers van de ministeries van Klimaat en Groene Groei (KGG), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), Ministerie van Economische Zaken blad 59 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
(EZ), Infrastructuur en Waterstaat (I en W), Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) vertegenwoordigd. De interdepartementale werkgroep heeft de inbreng van alle rijksbelangen in het mer verzorgd, inhoudelijke inbreng en kennis geleverd bij de milieuonderzoeken en alle concept producten en analyses getoetst vanuit het departementaal belang. Op deze wijze is geborgd dat ook andere belangen dan het Defensiebelang volwaardig zijn meegenomen in de ruimtelijke keuzes. Door dit zorgvuldige proces is ook gewaarborgd dat afgestemde voorkeursalternatieven ook in de Nota Ruimte opgenomen worden. Inzet van gespecialiseerde adviesbureaus Voor de effectbeoordelingen zijn op een aantal aspecten inhoudelijke beoordelingen gedaan door daarvoor gespecialiseerde adviesbureaus. Het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) heeft voor de luchtvaartbehoeften voor een brede scala aan scenario’s geluid-, veiligheid- en stikstofberekeningen uitgevoerd. Voor behoefte (IV) nieuw terrein voor het oefenen en trainen met explosieven heeft TNO de effecten op de aspecten geluid en trillingen berekend. Daarnaast heeft TNO de analyses voor schietgeluid bij diverse locatiespecifieke behoeften en de behoefte voor het concentreren en versterken van ondersteunende eenheden (behoefte I).
Ten slotte heeft TNO de veiligheidseffecten berekend van munitieopslag en -overslag voor behoeften (II en III) grootschalige munitieopslag en munitieopslag SIC, behoefte VII (gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support) en locatiespecifieke behoefte 41 (verplaatsing Hot Cargo Platform vliegbasis Eindhoven).
blad 60 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
5.
Trechtering naar een voorkeurspakket en onderzochte thema’s
5.1
Trechtering naar een Voorkeurspakket via drie zeven Dit mer-traject startte met het formuleren van behoeften voor de krijgsmacht en voor de bovenregionale behoeften ook de alternatieven hierbij. In het NPRD is uiteindelijk voor elke behoefte één alternatief opgenomen. Het doel van dit planMER is om kijkend naar de impact op de fysieke leefomgeving beslisinformatie te bieden voor de keuze van een voorkeur per behoefte. Deze keuze is aan Defensie, maar dit planMER levert hier het leeuwendeel aan benodigde informatie voor aan. Dit betekent dat dit planMER inzicht moest geven hoe van bijvoorbeeld acht alternatieven voor een nieuwe locatie voor grootschalige munitieopslag tot één voorkeurslocatie gekomen is. Voor de bovenregionale behoeften zijn meerdere locaties, veelal verspreid over meerdere gemeenten en provincies, onderdeel van het onderzoek. Bij de locatiespecifieke behoeften is sprake van (locatie)varianten op of nabij de locatie. Dit zijn bijvoorbeeld varianten in de uitbreidingsrichting van een oefenterrein. Om tot de keuze van een Voorkeursalternatief per behoefte te komen, is via drie zeven getrechterd tot een Voorkeursalternatief. In figuur 5-1 is dit schematisch te zien. Voor negentwintig locatiespecifieke behoeften zijn geen alternatieven beschouwd en hiervoor is alleen onderzoek verricht naar de impact van deze behoeften op de fysieke leefomgeving.
Voor deze behoeften is direct bepaald of deze opgenomen kunnen worden in het NPRD. Hier is geen trechtering voor nodig.
figuur 5-1 Trechteringsproces voor de bovenregionale behoeften en locatiespecifieke behoeften met locatie-varianten
Zoals genoemd, bestaat het trechteringsproces uit drie ‘zeven’: zeef 0, zeef 1 en zeef 2. Deze zeefmomenten zijn hier kort toegelicht. Aangezien het trechteringsproces centraal staat in MER Deel B is daar een uitgebreidere beschrijving van de methodologie opgenomen en volstaat hier dus een beknopte samenvatting.
blad 61 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Zeef 0 – Formuleren van behoeften en selectie van potentieel kansrijke alternatieven Het proces van het NPRD en dit planMER begon met het formuleren van de behoeften door de krijgsmachtonderdelen. Door Defensie zijn eisen opgesteld en in overleg met de interdepartementale werkgroep uitsluitingscriteria vanuit de fysieke leefomgeving. De combinatie van de eisen en de uitsluitingscriteria leidde tot het vaststellen van de alternatieven van de bovenregionale behoeften. Hierover heeft inspraak plaatsgevonden en op de geselecteerde alternatieven zijn geen wijzigingen geweest. Deze zijn alleen nader gespecificeerd op perceelsniveau. Ook zijn enkele kansrijke alternatieven door de omgeving ingebracht. De locaties voldeden niet 100% aan de vooraf gestelde eisen, maar wel grotendeels en omdat dit locaties waren die door medeoverheden zijn aangedragen zijn de alternatieven in het onderzoek meegenomen. Tot slot zijn voor de locatiespecifieke behoeften varianten opgesteld. Omdat deze meer gebonden zijn aan een vaste plek, zijn dit logische uitbreidingsrichtingen (bijvoorbeeld noord, zuid, oost of west). Ook hier is gekeken naar fysieke kenmerken en belemmeringen, zoals woonwijken of waterlichamen. Zeef 0 is in concept afgerond met het formuleren van de alternatieven in de NRD, maar gevalideerd en aangescherpt in de zienswijzenperiode.
Zeef 1 – Afvallen van niet-kansrijke alternatieven Het hart van het planMER vormt het onderzoek naar de behoeften en bijbehornde alternatieven (en varianten). De beoordeling van de behoeften (en alternatieven) is met een zevenpuntsschaal met plussen en minnen uitgevoerd en vormt een objectieve feitelijke analyse. In dit planMER deel A zijn alle effecten hiervan samengevat weergegeven. In de bijlagen is dit per behoefte uitgebreid gerapporteerd. Vervolgens is dit in Deel B van dit planMER op basis van de beoordeling aangevuld met een beschouwing op zes perspectieven: 1. Water en bodem 2. Landbouw 3. Natuur 4. Woonomgeving 5. Landschap & Cultuurhistorie 6. Raakvlakken De beschouwing op perspectieven is nog steeds gericht op feitelijkheden, maar geeft de mogelijkheid om alternatieven onderling scherper te vergelijken. Het geeft ook een overzichtelijker beeld van waar een alternatief knelt ten opzichte van de andere alternatieven. Op basis van de analyses zijn de slechtst scorende alternatieven afgevallen en aangemerkt als niet-kansrijk. Dit is in vrijwel alle gevallen alleen op basis van de informatie in dit planMER gebeurd. Dit proces van het trechteren van bijvoorbeeld acht potentieel kansrijke alternatieven naar drie kansrijke alternatieven staat centraal in Zeef 1.
Zeef 2 – Selectie van Voorkeursalternatieven De overgebleven kansrijke alternatieven zijn vervolgens op enkele thema’s nader onderzocht en bovendien is naar drie nieuwe perspectieven gekeken: 1. Kosten 2. Voorkeur Defensie 3. Spreiding Op basis van dit nader onderzoek, wat soms heeft geleid tot aanpassing van effectbeoordelingen en/of impact van perspectieven die gebruikt zijn in Zeef 1, heeft Defensie een Voorkeursalternatief bepaald. In veel gevallen is dit het alternatief dat per saldo de minst negatieve effecten op de fysieke leefomgeving heeft. Echter, realisatie van de behoeften gaat in veel gevallen gepaard met impact op de leefomgeving. Hierbij is altijd een negatief effect blad 62 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
aanwezig. Er zijn geen plekken in Nederland waar zonder enig effect een dergelijk programma van bijna zestig behoeften niet tot impact leidt. Zeef 2 is dus het proces om van de overgebleven kansrijke alternatieven tot één Voorkeursalternatief te komen. In de figuur is schematisch het proces van trechtering in Zeef 1 en Zeef 2 te zien.
figuur 5-2 Schematische weergave van het afvallen van niet-kansrijke alternatieven en het gebruik van perspectieven in Zeef 1 en 2
5.2
Beschouwde thema’s in dit planMER: breed palet, maar toegespitst op de behoefte Dit planMER bestaat uit tientallen behoeften. Deze zijn divers van aard. Ook het beoordelingskader waarin staat voor welke thema’s de effecten onderzocht zijn, is hiermee divers. Per behoefte is een beoordelingskader opgesteld en dit is per behoefte nader toegelicht. Het uitgangspunt, zoals ook in de NRD geformuleerd, is om zo breed mogelijk inzicht te geven in de effecten op de fysieke leefomgeving. In tabel 5-1 is het overkoepelend beoordelingskader opgenomen van het brede palet aan thema’s dat onderzocht is. Per behoefte is vervolgens geconcretiseerd of en zo ja, op welke wijze de aspecten betrokken zijn. Het volgende beoordelingskader is voor die concrete uitwerking in behoeften wel altijd het startpunt geweest. Voor de luchtvaart gerelateerde behoeften (behoefte VIII – XIII) zijn de beoordelingskaders meer toegespitst op enkele thema’s. Zo maakt het beoordelingskader voor het beoordelen van de effecten van toename gebruik jachtvliegtuigencapaciteit maakt in beginsel gebruik van dezelfde hoofdthema’s, maar is toch wezenlijk anders. Zo zijn meer subthema’s opgenomen bij ‘gezonde en veilige leefomgeving’ en is de impact op energie, mobiliteit en natuur, landschap en cultuurhistorie te verwaarlozen.
blad 63 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
tabel 5-1 Basis-beoordelingskader (per behoefte nader gedetailleerd
Hoofdthema
Thema Geluid - hinder Geluid - stiltegebieden Luchtkwaliteit
Gezonde en veilige leefomgeving
Omgevingsveiligheid Ligging in aardbevingsgebied Lichthinder Trillinghinder Hittestress Impact van en op bodemsoort en -daling Milieuhygiënische bodemkwaliteit
Bodem en water
Oppervlaktewaterkwaliteit en -kwantiteit Grondwaterkwaliteit en -kwantiteit Drinkwaterbeschikbaarheid Waterveiligheid Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Beschermde soorten Biodiversiteit
Natuur, landschap En cultureel erfgoed
Kansen voor natuurontwikkeling Beschermde erfgoedwaarden Landschap Archeologie Geomorfologie Verkeersontsluitingsmogelijkheden / (Kwetsbare) Infrastructuur
Mobiliteit
Congestie Bereikbaarheid Modal split Droogte
Klimaatadaptatie
Overstromingsrisico Regenbestendigheid Water en bodem sturend Recreatie en recreatieve voorzieningen Landbouw Ruimtegebruik op zee (scheepvaart, visserij, olieplatforms)
Ruimtegebruik
Grondeigendom Wonen Luchtvaart / inpassing in het luchtruim Infrastructuur en verkeersveiligheid Energienetwerken
Energie
Netcapaciteit Opweklocaties energie Werkgelegenheid
Economie
Beschikbaar arbeidspotentieel Sociale cohesie
Defensiespecifiek
Geschiktheid voor militair gebruik (per behoefte verschillend)
(Rijks)raakvlakken
Impact op andere (Rijks)opgaven (per behoefte verschillend)
blad 64 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
5.3
Wijze van onderzoek en beoordeling
5.3.1
Beoordeling van de effecten van de alternatieven in dit MER deel A De beoordeling van de effecten van de alternatieven in dit Deel A (informatie voor Zeef 1) vindt plaats in een zevenpuntsschaal, zie tabel 5-2. Met de plussen en minnen is het effect ten opzichte van de referentiesituatie in beeld gebracht. tabel 5-2 Zevenpuntsschaal voor beoordeling alternatieven
Beoordeling Toelichting
5.3.2
--
Sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0/-
Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
Neutraal effecten ten opzichte van de referentiesituatie
0/+
Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++
Sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
Beoordeling van de perspectieven in MER deel B Naast de beoordeling van de alternatieven met plussen en minnen (zie hoofdstukken zes en zeven en de bijlagenrapporten) is in MER deel B ook de impact op diverse perspectieven in beeld gebracht om te helpen met het trechteren in Zeef 1 en Zeef 2. In deze beoordeling van de perspectieven zijn de alternatieven onderling gerangschikt. Dit is met de volgende beoordeling vormgegeven.
Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)
Het alternatief met relatief de meeste impact op het betreffende perspectief is als donkerblauw gescoord, terwijl het alternatief met relatief de minste impact een lichte kleur krijgt. Een voorbeeld om dit toe te lichten. Voor het perspectief woningbouw is gekeken naar de impact op woningen (het aantal te amoveren woningen, geluidsbelasting en recreatie). Hierbij is het aantal te amoveren woningen bij alternatief W twee woningen, bij alternatief X negen woningen, bij alternatief Y vijftien woningen en bij alternatief Z dertig woningen. De beoordeling in de blauwtinten is dan dat alternatief W licht blauw scoort, terwijl alternatief Z donkerblauw scoort. Alternatieven X en Y zitten hier qua impact hier tussenin. Dit omdat de verschillen tussen de alternatieven significant zijn. Als sprake was geweest van slechts enkele woningen verschil dan zou geen verschil in de toegepaste blauwtinten toegepast zijn. Als alleen gekeken zou worden naar de effectbeoordelingstabel (de plussen en minnen per alternatief) scoort alternatief W licht negatief (0/-), alternatief X negatief (-), maar zowel alternatief Y als Z zeer negatief (--) ten opzichte van de referentiesituatie en lijkt tussen de alternatieven Y en Z dus geen onderscheid te zitten. Maar via de beoordeling van het perspectief komt dit verschil tussen vijftien en dertig te amoveren woningen wel tot uitdrukking.
tabel 5-3 Voorbeeld beoordeling in perspectieven ten opzichte van beoordeling ten opzichte van referentiesituatie Alternatief Alternatief W
Beoordeling in perspectieven (blauwtinten)
Beoordeling in effectbeoordelingstabel plussen en minnen)
Perspectief woningen
Aantal te amoveren woningen (Omgevingsveiligheid) 0/-
Alternatief X
-
Alternatief Y
--
Alternatief Z
--
In Deel B is het gebruik en wijze van beoordeling van de perspectieven nader toegelicht. blad 65 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
5.3.3
Wijze van onderzoek en detailniveau Het NPRD is een Rijksprogramma en dit bijbehorende planMER heeft dezelfde diepgang. Omdat het over concrete locaties gaat, kan al in deze fase gedetailleerder naar effecten gekeken worden dan bij andere Rijksprogramma’s, die een meer beleidsmatig karakter hebben. Dit neemt niet weg dat na vaststelling van het NPRD nog vervolgprocedures plaatsvinden, waar meer en gedetailleerder onderzoek voor verricht zal worden. Desalniettemin is voor veel thema’s toch in deze fase al kwantitatief onderzoek verricht. De basisgedachte van dit planMER is dat voor de belangrijkste thema’s inzicht moet zijn in of er knel- of aandachtspunten zijn voor een locatie/alternatief en of dit ertoe leidt dat deze in volgende fases mogelijk tot grote problemen kunnen leiden. Ook moet op basis van het uitgevoerde onderzoek een Voorkeursalternatief gekozen kunnen worden. Dit is in alle gevallen met het beschikbare onderzoek gelukt en er zijn geen discussies over te weinig informatie om een keuze te kunnen maken, ontstaan. Van belang is dat in deze fase nog geen ontwerpen beschikbaar zijn. Dit maakt gedetailleerd onderzoek – los van de noodzaak/wenselijkheid in deze fase – onmogelijk. Pas als een ontwerp bekend is, bijvoorbeeld van een nieuwe kazerne of munitieopslag, kan gedetailleerder naar geluid, veiligheid of natuur gekeken worden.
Nu is sprake van een worst-case beschouwing: de effecten zijn worst-case in beeld gebracht. Voor veel thema’s geeft het planMER een goed beeld van de effecten. Voor diverse thema’s, vooral natuur en geluid, zijn de effecten nog op hoofdlijnen. Wel is in nadere analyses, bijvoorbeeld met een veldbezoek, meer informatie beschikbaar gekomen om de aandachtspunten (of knelpunten) beter inzichtelijk te hebben. In Deel B is nader ingegaan op vervolgonderzoek en vervolgbesluiten.
5.3.4
Omgang met stikstofdepositie Op dit moment (Q2 2025) is (nog steeds) sprake van een stikstofcrisis. De Natura 2000-gebieden in Nederland staan er slecht voor en diverse sectoren stoten te veel stikstof uit, waardoor het voor nieuwe plannen moeilijk is om een vergunning te krijgen. Dit probleem wordt volledig onderkend, echter om een goede ruimtelijke afweging te kunnen maken, is afgesproken om stikstof niet het leidende principe te maken bij afwegingen. Al is bij diverse behoeften in de uitsluitingscriteria voor Zeef 0 al de afstand tot Natura2000-gebieden opgenomen. Dit is echter breder dan effecten van stikstof (hinder, ruimtebeslag, etc.). Bij alle behoeften is de (indicatieve) stikstofdepositie in beeld gebracht. De effecten variëren van beperkt tot zeer beperkt. De effecten van stikstofdepositie zijn dus overal meegenomen en ook verschillend beoordeeld. Meer depositie leidt tot een negatievere beoordeling. Maar hier zijn geen grote conclusies uit getrokken om de volgende redenen: • Stikstof is momenteel bij vrijwel alle bijdragen een probleem. De berekende effecten lopen per alternatief niet significant uiteen en zijn dus niet onderscheidend. • Het gaat nu om afwegingen op het niveau van een Rijksprogramma. Pas in vervolgbesluiten zijn vergunningen voor Natura 2000 nodig.
Dit duurt nog minimaal twee tot maximaal tien jaar afhankelijk van de behoefte en dan is de verwachting vanuit het Rijk dat het ‘stikstoflandschap’ er anders uit ziet. • Defensie onderzoekt of het een uitzonderingspositie of bijzondere positie in kan nemen vanwege de veiligheid van het land. Hiervoor zijn al mogelijkheden opgenomen in Europees verband. Hiervoor worden in het planMER ook enkele voorstellen gedaan.
5.4
Wat is een referentiesituatie en waarom/hoe is deze gebruikt? In mer-studies is het vereist te werken met een referentiesituatie waartegen de behoeften afgezet kunnen worden. Omdat de behoeften niet nu gerealiseerd worden, maar in de nabije toekomst (<2040) is het van belang een toekomstjaar te kiezen als referentiesituatie. De referentiesituatie gaat voor het NPRD uit van 2040 en betreft de situatie waarin alle belangrijke trends zoals klimaatverandering en vastgesteld beleid met een concrete uitvoeringspraktijk (woningbouwontwikkeling,
blad 66 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
energietransitie) zijn opgenomen, maar de activiteiten van Defensie nog niet zijn aangepast naar een toekomstbeeld. Hiermee wordt de (ruimtelijke) druk vanuit de ‘buitenwereld’ op Defensie duidelijk zichtbaar. Met een concrete uitvoeringspraktijk wordt bedoeld dat zicht moet zijn op de (ruimtelijke) ingrepen vanuit de diverse domeinen. Op veel domeinen is nog volop beweging, zoals natuurherstel, klimaatopgave, netcongestie, etc. Hoewel op hoofdlijnen beleid en oplossingen in beeld zijn, is dit nog niet concreet genoeg om mee te nemen in de referentiesituatie. Zaken als concrete windenergieprojecten, vastgestelde woningbouwplannen en ruimtereserveringen zijn wel onderdeel van de referentiesituatie. Dit geldt ook voor ontwerpprogramma’s, zoals Programma Energiehoofdstructuur (PEH). Uitgangspunt is dat duidelijk is waar een ‘ruimteclaim’ gelegen is. Zo zijn de Woondeals en de RES-plannen meegenomen, maar zijn deze veelal nog niet concreet qua locatie. Dit is per alternatief dan ook zo aangegeven. Specifiek voor de impact van klimaatverandering is gekeken naar de effecten 2050, omdat hier de data (vanuit de klimaateffectatlas) uitgaat van 2050. Waar relevant is ook een doorkijk gegeven naar 2100 qua klimaatscenario’s.