CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Milieueffectrapport NPRD - Deel A - Behoeften, alternatieven en effecten

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Ter informatie37.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Ook is van dit Voorkeursalternatief in redelijke mate bekend wat de aandachtspunten zijn en of het niet evident onuitvoerbaar is in de vervolgfase. De alternatieven per bovenregionale behoefte zijn in paragraaf 3.2 beschreven. Locatiespecifieke behoeften: bij significante uitbreiding ruimtebeslag wel onderzoek naar varianten, anders niet De vierenveertig locatiespecifieke behoeften verschillen sterk qua aard en benodigde ruimte. In de NRD is aangegeven dat hiervoor geen alternatieven onderzocht zouden worden. Bij opstellen van het planMER is echter gebleken dat dit voor enkele locatiespecifieke behoeften wel wenselijk was. Er zijn diverse locatiespecifieke behoeften, waarbij sprake is van een significante uitbreiding van het ruimtebeslag. Bijvoorbeeld de fysieke uitbreiding van een oefenterrein met enkele honderden hectares. Voor deze behoeften is alsnog besloten om hiervoor naar alternatieven te kijken. Om het onderscheid te maken met de bovenregionale behoeften zijn dit varianten genoemd in het vervolg van dit planMER. De meeste locatiespecifieke behoeften zijn echter van dien aard dat geen sprake is van varianten. In tabel 3-3 staan de locatiespecifieke behoeften waarvoor varianten zijn onderzocht. tabel 3-3 Locatiespecifieke behoeften waar varianten voor worden onderzocht

Nr.

Locatiespecifieke behoefte

1

Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD-42.

2

Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in, boven het water en naar EHD-41.

5

Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Leeuwarden

11

Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer

13

Vergroting van oefengebied De Haar (Zuidwest Assen)

14

Petten groei beproevingen Noordzee

15

Verplaatsen raccordement t.b.v. voertuigen 43. Gemechaniseerde Brigade Zoekgebied ‘Groot Havelte’

16

Uitbreiding faciliteiten voor schieten (Koninklijke Marechaussee) Schiphol

17

Uitbreiding raccordement ’t Harde

18

Uitbreiden Artillerie Schietamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde)

22

Huisvestingen incl. faciliteiten Militaire Politie Koninklijke Marechaussee

37

Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide uitbreiden (200 ha)

39

Uitbreiding raccordement Acht t.b.v. voertuigen 13. Lichte Brigade

40

IBT centrum regio Eindhoven Koninklijke Marechaussee en Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie

41

Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform

43

Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide

Voor de locatiespecifieke behoeften is al in de NRD aangegeven dat het onderzoek op een minder gedetailleerd niveau plaatsvindt. Er is een ‘toets van de impact op de fysieke leefomgeving’ uitgevoerd om zo te bepalen of de behoefte wel, niet of alleen met grote effecten gerealiseerd kan worden. Dit is in hoofdstuk vijf nader toegelicht. blad 24 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Samengevat: In figuur 3-3 staat schematisch samengevat hoe met de twee typen behoeften (bovenregionaal en locatiespecifiek) en met bijbehorende alternatieven is omgegaan in dit planMER.

figuur 3-3 Overzicht van alternatieven en onderverdeling van verschillende activiteiten met een ruimtebehoefte

3.2

De dertien bovenregionale behoeften nader toegelicht In tabel 3-4 staan de dertien behoeften met een bovenregionale afweging die in dit planMER beschouwd zijn inclusief het aantal alternatieven dat per behoefte is onderzocht. In de passages daarna zijn de behoeften nader toegelicht. tabel 3-4 Overzicht bovenregionale behoeften, inclusief aantal alternatieven die onderzocht worden

3.2.1

Nr.

Bovenregionale behoefte

Hoeveel alternatieven?

1

Versterken en concentreren ondersteunende eenheden

7

2

Extra locatie grootschalige munitieopslag

8

3

Nieuwe munitieopslag Snel Inzetbare Capaciteit (SIC)

8

4

Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein)

8

5

Oefenen in stedelijk gebied

11

6

Amfibisch oefenterrein

7

7

Host Nation Support

20

8

Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit

9

9

Onbemande maritieme helikopters

3

10

Stationering en corridors drones voor cargo

6

11

Laagvliegoefengebieden

9 (8 + strenger regime)

12

Helikopterlandingsplaatsen

38

13

Korte smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport

9

Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden Beschrijving behoefte De Landmacht beschikt over onvoldoende ondersteunende capaciteiten om haar gevechtseenheden adequaat te ondersteunen. De NAVO wijst al jaren op deze grote tekortkomingen: “De NAVO is kritisch over aanhoudende kwalitatieve en kwantitatieve tekortkomingen, vooral op het vlak van slagkracht en operationele (gevechts)ondersteuning (combat support (CS) en combat service support (CSS)) in het landdomein”. De NAVO wijst erop dat er tekortkomingen zijn bij de ondersteunende eenheden, bijvoorbeeld op het gebied van logistieke en geneeskundige capaciteit. Ook wijst de NAVO op noodzaak van versterking van capaciteiten op het gebied van information manoeuvre. Momenteel zijn de ondersteunende eenheden een zwakke schakel in de hele keten. Er zijn onvoldoende ondersteunende eenheden beschikbaar, wat direct impact heeft op de slagvaardigheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. Versterken van deze eenheden is noodzakelijk. Concentreren van deze eenheden is één van de operationele aanpassingen ten behoeve van deze versterking.

blad 25 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Drie grote opgaven voor de Landmacht leiden tot een groeiende noodzaak voor ruimte voor ondersteunende eenheden: • herstel en versterken van de krijgsmacht; • creëren van synergie door concentratie van eenheden in de ondersteunende ketens: de geneeskundige keten, de operationeel-logistieke keten en de information manoeuvre-keten; • het vinden en behouden van voldoende en gekwalificeerde mensen door het bieden van een langer loopbaanperspectief en gezonde werk-privébalans. Die concentratie vindt enerzijds plaats binnen de geneeskundige keten, de operationeel-logistieke keten en de information manoeuvre-keten: vergelijkbare eenheden gaan op één locatie werken, inclusief hun opleidingseenheden. Door clustering van opleidings- en operationele eenheden worden leerlingen in een beroepsgerichte context opgeleid, wat leidt tot beter opgeleide medewerkers. Door verschillende eenheden uit hetzelfde werkveld samen te brengen kunnen eenheden beter samenwerken: ze versterken elkaar en leren van elkaar. Anderzijds wordt door deze ketens op één locatie te vestigen de onderlinge integratie ook verbeterd, wat zorgt voor meer samenwerking en afstemming tussen de ondersteunende eenheden. Deze multidomeinbenadering met synergie tussen eenheden en domeinen zorgt ervoor dat de krijgsmacht sneller en beter kan reageren op dreigingen en crisissituaties die zich plots aandienen.

Door het werven, opleiden, werken en trainen zoveel mogelijk te concentreren op één locatie met voldoende arbeidspotentieel, versterken we dus de slagvaardigheid. We stellen onze medewerkers in staat een diverse loopbaan bij Defensie op te bouwen zonder veel verplaatsingen. Het maakt ons personeel goed opgeleid en bekwaam en schept rust en stabiliteit voor zowel personeel als het thuisfront, wat bijdraagt aan het behoud van ons personeel. Door gericht te investeren in concentratie van de ondersteunende eenheden wordt de inzetbaarheid voor de hoofdtaken van Defensie vergroot (bron van de NAVO: Defence Planning Capability Review, 2021-2022). De groei van ondersteunende eenheden op de nu versnipperde locaties is niet zonder uitbreiding mogelijk. Dit komt doordat er te weinig ruimte is op de bestaande kazernes. Dit maakt dat gezocht moet worden naar geschikte locaties waar de gewenste versterking en concentratie van ondersteunende eenheden wel plaats kan vinden. Gekeken wordt naar concentratie naar de drie ondersteunende eenheden bij elkaar, maar ook naar concentratiemogelijkheden van enerzijds medisch en logistiek en anderzijds Information manoeuvre.

(argumenten voor noodzakelijkheid) Een verdere concentratie van alle ondersteunende eenheden heeft ook grote voordelen op operationeel gebied (betere samenwerking en training), voor het personeel (bijvoorbeeld flexibiliteit in carrière zonder continue overplaatsing) en op financieel gebied. De oorlog in Oekraïne toont aan hoe belangrijk een goede samenwerking is tussen deze ondersteunende eenheden. Om de huidige eenheden en de benodigde groei te accommoderen is circa 370 hectare nodig. Dit is opgebouwd uit een benodigde ruimte van circa 125 hectare voor de geneeskundige keten, circa 120 hectare voor de logistieke keten en circa 125 hectare voor de Information Manoeuvre keten (inclusief overige onderdelen). Op een geheel nieuwe locatie is ook een oefenterrein op korte afstand benodigd met een omvang van 150 hectare. Op dit nieuwe terrein worden kleinschalige oefeningen uitgevoerd. Bij de bestaande locaties speelt de wens niet, omdat de bestaande oefengebieden hier al op korte afstand gelegen zijn. Voor die alternatieven is de ruimtevraag dus kleiner (circa 370 hectare). Beschouwde alternatieven Voor het vinden van een geschikte locatie(s) voor deze benodigde groei is gekeken naar de huidige Defensielocaties waar (onderdelen van) de ondersteunende eenheden reeds gevestigd zijn.

Daardoor zijn er drie opties: • Het versterken en concentreren van alle ondersteunende eenheden op meerdere bestaande locaties. • Het versterken en concentreren van de verschillende ketens op één bestaande locatie, waarbij die locatie in omvang wordt uitgebreid. • Het versterken en concentreren van alle ondersteunende eenheden op een nieuwe locatie. Er is onderzocht wat de grootte van de bestaande kazernes is, welke ruimte nu al (en in de toekomst) bezet is door andere onderdelen en welke ruimte dus nog potentieel vrij is. De conclusie is dat geen van de bestaande Defensieobjecten groot genoeg is om de volledige concentratie van ondersteunende eenheden te accommoderen. Legerplaatsen Ermelo (82 hectare) en Stroe (196 hectare) bieden mogelijkheden voor concentratie van één keten van ondersteunende eenheden. Daarom zijn deze als kansrijke alternatieven benoemd. blad 26 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Voor deze locaties geldt ook dat als fysieke uitbreiding mogelijk is, hier mogelijkheden kunnen zijn voor concentratie van twee of drie ondersteunende ketens. Daarom zijn ook deze twee locaties benoemd als redelijkerwijs te onderzoeken varianten binnen het alternatief ‘Versterken en concentreren op één bestaande Defensielocatie’. Voor een nieuwe locatie is een GIS-analyse studie uitgevoerd naar kansrijke gebieden. De uitkomsten van deze studie zijn door de staatssecretaris van Defensie (o.a. contouren Strategisch vastgoedplan), en in de brief van minister de Jonge met het startpakket voor de provincies (12 december 2021) gedeeld, ook met de bewoners. Hierbij is aangegeven dat de voorlopige voorkeurslocatie in de gemeente Zeewolde ligt, er nog twee opties in Flevoland zijn (Zeewolde en Dronten) en ook een locatie in Gelderland beschouwd wordt. Aanvullend heeft de gemeente Zeewolde een locatie aangedragen (Oosterwold) om nader te onderzoeken.

figuur 3-4: Alternatieven versterken en concentreren van ondersteunende eenheden

3.2.2

Extra locatie grootschalige munitieopslag Als gevolg van het toenemende belang om het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te verdedigen en de groei van de krijgsmacht (en die van bondgenoten) is het munitiedomein volop in beweging. De voorraad munitie wordt op langere termijn structureel fors opgehoogd om te kunnen voldoen aan de (grond)wettelijke taken. De capaciteit om munitie op te slaan is hieraan gekoppeld, en moet dus meegroeien. Ook de bondgenoten van Nederland zijn hun krijgsmacht inclusief munitievoorraden fors aan het uitbreiden. Diverse landen dreigen tegen hun opslagcapaciteit aan te lopen of willen voorraden gespreid positioneren. De huidige Nederlandse munitieinfrastructuur is niet gericht op dit soort internationale militaire samenwerkingen. Er zijn drie redenen waarom Defensie naar de toekomst toe meer capaciteit nodig heeft om munitie grootschalig op te slaan: 1. Hoewel de huidige munitievoorraad (inclusief lopende bestellingen) opgeslagen kan worden op de locaties, moet er rekening mee worden gehouden dat de voorraden in de toekomst nog verder aangevuld moeten worden. Om strategische (reserve)capaciteit veilig te stellen is meer ruimte nodig. 2. Het logistieke concept in Nederland verandert. Er is behoefte aan een nieuwe locatie(s) die ruim zijn en modern zijn ingericht.

Ook schaalvergroting is gewenst omdat bedrijfsprocessen hiermee beter kunnen worden ingericht. Daarnaast is strategische ruimte nodig om in gevallen van modernisering van bestaande opslaglocaties een buffer te hebben (tijdens de verbouwing van een locatie moet de munitie elders opgeslagen worden). 3. De positie van Nederland ten opzichte van bondgenoten verandert. Nederland vormt over diverse assen ‘het achterland’ en ‘de doorvoerhaven’ waardoor Nederland al dan niet tijdelijk munitieopslagcapaciteit aan bondgenoten kan aanbieden of daarvoor wordt gevraagd. De huidige Nederlandse munitieinfrastructuur is niet gericht op dit soort internationale militaire samenwerkingen.

blad 27 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Deze behoefte gaat uit van groei naar de toekomst. Er is nu nog geen concrete opdracht, maar er zijn nauwelijks doorgroeimogelijkheden en de huidige infrastructuur biedt weinig speelruimte. Beschouwde alternatieven Met behulp van uitsluitingscriteria uit de NRD zijn zeven mogelijke locaties bepaald. Door autonome ontwikkelingen voldeed één van deze locaties niet meer aan de uitsluitingscriteria. Binnen locatie Dronten zijn windturbines ontwikkeld. Deze locatie is hierdoor afgevallen. Uit het participatieproces is een aanvullend alternatief naar voren gekomen: uitbreiding van munitiecomplex Staphorst. De alternatieven zijn in volgende kaart verbeeld. Om operationele- en bedrijfsvoering redenen is een sterke voorkeur voor één locatie, indien die niet gevonden kan worden moet er terug worden gevallen op twee kleinere locaties. Voor het uiteindelijke voorkeursalternatief wordt dus gekozen voor één locatie. De locaties zijn in beide alternatieven gelijk (maar verschillen uiteraard in omvang).

figuur 3-5 Alternatieven extra locatie grootschalige munitieopslag

3.2.3

Nieuwe munitieopslag SIC Over snel inzetbare capaciteiten (SIC) zijn afspraken gemaakt met de NAVO. Hiervoor moet bij de eenheid horende munitie en bevoorrading in containers worden klaargezet, zodat kan worden voldaan aan de opgedragen notice to move (NTM). Deze NTM’s zijn de afgelopen jaren veel korter geworden en de hoeveelheid munitie die nodig is voor inzet is significant meer geworden. Om munitie op een snelle en efficiënte manier klaar te zetten is een nieuwe grootschalige munitieopslag nodig om containers ten behoeve van SIC op te kunnen slaan.

blad 28 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Het opslaan en verplaatsen van de munitie is door wet- en regelgeving het belangrijkste logistieke probleem. Er wordt gebruikt gemaakt van containers met de standaard zeecontainer maat (20 feet). Deze containers worden, indien beladen, nu in de reguliere munitiemagazijnen gezet (wettelijk noodzakelijk). Echter, de huidige magazijnen zijn hier niet voor ingericht waardoor het een zeer inefficiënte manier van opslaan is. Wanneer de containers zonder afscherming (bunker, magazijn, ondergronds e.d.) worden gestald is er sprake van een gevarenzonering van 7,5 km. De containers opslaan met afscherming heeft daarom de voorkeur. Daarnaast zorgt dit ervoor dat de containers onder een stabiel klimaat opgeslagen staan. Voor efficiënte bedrijfsvoering is clustering van deze logistieke activiteiten omtrent munitie wenselijk maar niet noodzakelijk. Daarnaast is het wenselijk om de munitie zo min mogelijk te transporteren in verband met veiligheidsrisico’s. Hiermee is het zoekgebied een nieuwe munitieopslag specifiek voor SIC (containeropslag) gericht op Noordoost-Nederland (Friesland, Groningen, Drenthe en Noordelijk Flevoland). Deze afbakening is gekozen door de nabijheid van de Eemshaven. In de Eemshaven wordt de munitie op transport uit Nederland gezet. Beschouwde alternatieven Met behulp van uitsluitingscriteria uit de NRD zijn zes mogelijke locaties bepaald.

Uit het participatieproces zijn daarnaast twee aanvullende locaties naar voren gekomen: de NAM-locatie in Tjuchem en de voormalige munitiefabriek in de Kollumerwaard. De alternatieven zijn in volgende kaart verbeeld. Voor het uiteindelijke voorkeursalternatief wordt in principe gekozen voor één locatie, maar ook een verdeling over verschillende locaties is te overwegen. De locaties zijn in beide alternatieven gelijk (maar verschillen uiteraard in omvang).

figuur 3-6: Alternatieven SIC

3.2.4

Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein) De veranderende veiligheidssituatie laat zien dat steeds zwaardere explosieven (o.a. in Oekraïne) gebruikt worden. Ook kunnen momenteel niet alle trainingen en grotere inzet van o.a. de genie voldoende gefaciliteerd worden door het bestaande oefenspringterrein in Reek. Zodoende wordt steeds meer naar het buitenland uitgeweken. Ook in het buitenland (zeker bij NAVO-partners in Europa) neemt de druk toe. Hierdoor staat de operationele gereedheid van de eenheden die gebruik maken van het oefenterrein (zie hieronder) onder druk. Het springterrein in Reek wordt gebruikt door CLAS genie-eenheden uit Oirschot, Wezep en Schaarsbergen. Daarnaast maken diverse onderdelen (CLAS EODD, KCT, CZSK en KMarns Assault Engineers en MARSOF) voor blad 29 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

oefeningen met explosieven in Nederland gebruik van dit terrein. Ook politie-eenheden (zoals de BSB en de DSI) gebruiken het springterrein. Al deze eenheden zullen ook de gebruikers zijn van de nieuwe oefencapaciteit. Door de beperkte capaciteit (in aantallen en omvang) worden veel trainingen in het buitenland (o.a. Noorwegen en VS) uitgevoerd. Meer mogelijkheden voor het uitvoeren van opleiding en training met explosieven in Nederland zal een positieve invloed hebben op de gereedstelling, groei, kostenbeheersing en inzetbaarheid van Defensieeenheden. Er spelen op dit moment twee problemen op het terrein in Reek: 1. De omvang en capaciteit van dit terrein is beperkt in relatie tot het aantal trainingen en oefenen dat nodig is (met andere woorden het terrein is volledig volgeboekt met een wachtlijst), terwijl de vraag groter wordt. Vanwege de veroorzaakte hinder is ook het gebruik van de hoeveelheid springstof op dit terrein gelimiteerd. 2. In de praktijk zien we zwaarder wordende explosieven waarvoor het oefenterrein in Reek onvoldoende toegerust op is. Ook biedt het terrein in Reek onvoldoende ruimte voor alle behoeften die de Defensieeenheden hebben, bijvoorbeeld horizontaal effect wapens (wapen dat vanuit de zijkant effect heeft op het doel. Het wapen staat op maaiveldniveau). Het huidige terrein (2km2) is te klein om dit soort behoeften te accommoderen.

Beschouwde alternatieven Het huidige terrein in Reek heeft een omvang van ongeveer 2 km2. Om het gebruik van meer explosieven mogelijk te maken zijn grotere veiligheidsafstanden rondom het detonatiepunt noodzakelijk. Bij een veiligheidsafstand van 1,5 km gaat het om een terrein met een oppervlak van ongeveer 7 km2. Daarnaast heeft de door de explosies veroorzaakte hinder ook invloed op de bebouwde omgeving. Hier moet ook rekening mee gehouden worden. Er is, gelet op de veiligheidsafstanden van een dergelijk terrein (en de onmogelijkheid om het te combineren met andere oefenterreinen), geen mogelijkheid om het te koppelen aan een bestaand oefenterrein. Tot de te beschouwen alternatieven behoren: • uitbreiding van het bestaande springterrein Reek; • de aanleg van een nieuw, groter terrein in de nabijheid van genie-eenheden in de regio ArnhemApeldoorn-Zwolle (nabij of op ASK en Wezep) of in de regio Marnehuizen. Met behulp van uitsluitingscriteria zijn de volgende alternatieven gedefinieerd: o Locatie Arnhem – Rozendaal; o Locatie Wapenveld; o Locatie Lelystad; o Locatie Swifterbant; o Locatie Kollumerwaard; o Locatie Loenen; en o Locatie Nijverdal.

blad 30 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-7 Alternatieven nieuw oefengebied voor explosieven

3.2.5

Oefenen in verstedelijkt gebied Uit actuele gevechtssituaties volgt dat stedelijk gebied steeds vaker de locatie vormt voor het gevecht. De NAVO stelt daardoor bij het uitvoeren van activiteiten in het kader van het verdedigen van het bondgenootschappelijk grondgebied) de eis dat militaire eenheden moeten kunnen optreden in verstedelijkt gebied. Defensie heeft meer oefengebied nodig om te kunnen trainen in verstedelijkt gebied. De verwachting is dat de verhouding tussen trainen in landelijk en stedelijk gebied 50/50 moet worden, terwijl dit nu 90/10 is. Trainingen in verstedelijkt gebied kan nu alleen nagebootst worden in Marnehuizen. Er kan niet gestructureerd getraind worden omdat Marnehuizen simpelweg “vol” is. Het is krap, terwijl de vraag naar verwachting toe zal nemen. Het Duitse oefendorp Schnöggersburg op het oefenterrein Altmark kost €5,5 miljoen per 12 dagen. De kosten voor deze training zijn hoog en toewijzing van het oefendorp is niet vanzelfsprekend. Het hebben van eigen oefendorpen beperkt uiteindelijk de kosten en toewijzing is gegarandeerd.

blad 31 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

De trainingsmogelijkheden die Marnehuizen biedt zijn ontoereikend voor alle benodigde oefeningen in verstedelijkt gebied. Om die reden is een aanvullende, in omvang vergelijkbare, capaciteit nodig om de benodigde oefeningen in Nederland uit te kunnen voeren. Beschouwde alternatieven Er zijn twee mogelijkheden voor de alternatieven. Eén is een reeds bebouwde locatie van Defensie omvormen naar een oefendorp. Geschikt hiervoor zijn de locaties in Budel en het daar nabij gelegen oefenterrein. Op dit moment is Budel een belangrijke opvanglocatie van het COA, waarbij gesproken wordt over langjarige voortzetting. Met Budel als alternatief in het planMER is er nog geen besluit genomen over het eventueel aanpassen van de huidige functie. Een tweede alternatief is een onbebouwd terrein aanwenden. Gelet op de voorgenomen activiteiten (dronegebruik) is het eigenlijk alleen voorstelbaar om op bestaande oefenterreinen de oefenfaciliteiten uit te breiden. De oefenterreinen die het meest voor de hand liggen zijn de oefenterreinen waar bebouwingsmogelijkheden in potentie mogelijk zijn. Deze zijn op de volgende kaart verbeeld.

(1) Een nieuwe locatie om te oefenen in verstedelijkt gebied, hiervoor zijn twee varianten in beeld: • Noord-Brabant, Budel, Nassau Dietz Kazerne • Noord-Brabant, Budel, oefenterrein Weerterheide (2) Een of meerdere van de bestaande oefenterreinen: • OT Crayelse heide, • OT Rucphense Heide, • OT Vughtse Heide, • OT Doorn-Driebergen, • OT Leusderheide, • OT Vlasakkers, • OT Havelte-West, • OT de Haar en • OT Marnewaard. Al deze terreinen liggen buiten no-fly zones, liggen buiten Natura 2000 en zijn van voldoende omvang (ca. 1 km2).

blad 32 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-8: Alternatieven oefenen in verstedelijkt gebied

3.2.6

Amfibisch oefengebied Er is een grote, noodzakelijke behoefte naar meerdere mogelijkheden om amfibisch te kunnen trainen en oefenen in Nederland. Op de huidige en enige amfibische trainings- en oefenlocatie (Texel) heeft Defensie te maken met morfologische (kusterosie) problemen. Er wordt al onderzocht of uitbreiding mogelijk is om te kunnen voorzien in de huidige trainingswens. Met het oog op de toekomst en de voorziene verhoogde activiteit is uitbreiding nodig van de mogelijkheden voor amfibische training en oefening. Kleine tactische landingen (groepsniveau) zijn mogelijk op Texel, maar Texel is te klein om de basislandingen op een adequate wijze te faciliteren. Grotere oefeningen met een hogere moeilijkheidsgraad zijn nog niet mogelijk in Nederland, zoals bijvoorbeeld het ‘doorstoten’ na de landing naar een doel (in een oefengebied).

blad 33 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Voor amfibisch oefenen gelden twee problemen: Texel heeft te weinig trainingswaarde (kwalitatief) en er is te weinig capaciteit om alle oefeningen een plek te geven (kwantitatief). Een aanvullend probleem is dat er in Nederland geen mogelijkheden zijn om in de diepte te oefenen (op Texel is alleen aanlanden mogelijk). Tevens kan er bij bepaalde windrichtingen en stromingen niet geland worden op het zuidpuntje van Texel wat een beperking is voor opleidingen en basistrainingen. Wanneer er ook andere landingspunten zouden zijn vergroot dat de mogelijkheden voor het trainen en oefenen van landingen en verkleind dat de kans op uitstel van opleidingen en basistrainingen. Beschouwde alternatieven De alternatieven zijn beperkt tot gebieden met een redelijk bevaarbare afstand vanaf Marinecomplex De Nieuwe Haven. Daardoor zijn terreinen aan de zuidelijke kust minder voor de hand liggend. Daarnaast heeft te maken met de hoge oefenfrequentie: het terrein om amfibisch landen te oefenen wordt op dagelijkse basis gebruikt. Een andere beperkende factor is de nabijheid van bestaande oefenterreinen (de locaties die door de marine benaderd dienen te worden). Dit leidt tot de volgende alternatieven: • Petten • Marnehuizen • Maasvlakte II • Vliehors • Ouddorp • Oostvoorne

blad 34 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-9: Alternatieven nieuw amfibisch oefenterrein

blad 35 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.2.7

Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Defensie heeft behoefte aan voldoende, gegarandeerde, havencapaciteiten (afmeer- en overslagcapaciteit) voor de afhandeling van meerdere schepen tegelijk met militaire lading. “Gegarandeerd” betekent in deze behoefte dat Defensie permanent, zonder afstemming en ad hoc gebruik moet kunnen maken van havencapaciteit. Dit is met name noodzakelijk aangezien Nederland zich in NAVO verband heeft gecommitteerd aan Host Nation Support (HNS) activiteiten en transitieland. Voor Military Mobility en HNS maakt Defensie momenteel gebruik van twee havens, de Eemshaven en Vlissingen. Vlissingen is aangemerkt als een primaire haven voor HNSoperaties. Hierbij komen eenheden tot brigade grootte met meerdere schepen aan in Europa om daarna te worden doorgevoerd met weg-, rail- en binnenwatervervoer naar de eindbestemming. Door de reguliere havenactiviteiten (o.a. container- en bulkgoedoverslag) en de toegenomen activiteiten in het kader van de energietransitie is ad hoc vrije havenruimte van de vereiste omvang zeer schaars. Voor de overslag van met name containers, inclusief gevaarlijke goederen (zoals munitie), is een met gegarandeerde beschikbaarheid noodzakelijk. Hiernaast is een derde haven noodzakelijk voor redundantie en spreiding van de belasting van de faciliteiten en haven- en verkeersinfrastructuur.

Bij voorkeur wordt er een eigen haventerrein verkregen voor gegarandeerd gebruik. De voorkeur komt mede voort uit de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarin wordt aangegeven dat haventerreinen steeds meer in buitenlandse handen vallen. Beschouwde alternatieven Voor de overslag van met name containers, inclusief gevaargoed, is een locatie in een zeehaven met gegarandeerde beschikbaarheid noodzakelijk. Naast een primaire zeehaven voor Host Nation Support zijn mogelijk ook locaties met ‘beperktere’ omvang noodzakelijk voor redundantie en spreiding van de belasting van de faciliteiten en haven- en verkeersinfrastructuur. In fase 1 is per zeehaven onderzocht welke locaties beschikbaar zijn (braakliggend, beschikbaar op korte termijn of bijvoorbeeld via medegebruik) en hoe deze op het aspect omgevingsveiligheid beoordeeld zijn. Deze locaties (onderstaand figuur) zijn in afstemming met Defensie geselecteerd: • Havengebied Vlissingen • Maasvlakte • Eemshaven

blad 36 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-10 Alternatieven gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support

3.2.8

Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit De internationale veiligheidssituatie is ernstig verslechterd, met de Russische inval in Oekraïne als meest bepalende factor. Er moet rekening gehouden worden met intensivering van vliegactiviteiten met jachtvliegtuigen in Nederland. Deze intensivering vindt plaats in de zogenaamde peacetime vigilance fase (verhoogde waakzaamheid in vredestijd). Dit is de fase in aanloop naar een daadwerkelijk conflict. De gebruikelijke wet- en regelgeving is hier van kracht. Vanwege het toenemend dreigingsniveau is het noodzakelijk om de gereedheid, inzetbaarheid en paraatheid van de krijgsmacht binnen Europa te vergroten. Dit leidt tot een toename van jachtvliegtuigactiviteiten in Nederland voor de volgende activiteiten:

blad 37 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

• • •

Grootschalige NAVO-oefeningen: Nederland moet een bijdrage leveren aan grootschalige NAVOoefeningen. Het doel van de oefeningen is het trainen van tactiek en het creëren van afschrikking. Dit vraagt om ruimte voor tijdelijke huisvesting. Internationale beddown: Nederland heeft ruimte aangeboden voor het beddown-concept van internationale vliegtuigen voor eventuele troepenopbouw in Europa. Met de toegenomen dreiging is de kans op het beoefenen of zelfs activeren van deze functie groter geworden. Agile Combat Employment (ACE)-concept: De oorlog in Oekraïne heeft laten zien dat vliegvelden kwetsbaar zijn voor aanvallen. Om de kwetsbaarheid te verminderen heeft de NAVO prioriteit gegeven aan het ACE-concept. Dit is een netwerk van diverse soorten vliegvelden, waarbinnen vliegtuigen kunnen rouleren om de kans op een succesvolle aanval van een tegenstander te verkleinen.

Voor de kwantitatieve behoefte zijn meerdere criteria van toepassing. Voor het ACE-concept is het aantal locaties (vliegvelden) bepalend. Tegelijkertijd heeft Nederland weinig ruimte voor veel locaties en is het verkrijgen van meerdere geluidscontouren complex. Het aantal locaties moet toereikend zijn voor: 1. de beddown van 45 Nederlandse toestellen, verdeeld over drie squadrons en reserveveldfunctie. 2. Het accommoderen van internationale beddown en het beoefenen van Host Nation Support. Nederland heeft zich gecommitteerd aan het beschikbaar stellen van vier locaties aan de NAVO. De locaties moeten ruimte bieden aan veertig jachtvliegtuigen en tien luchttransport/air-to-air refuelling toestellen. 3. Het beoefenen van het ACE-concept. Hoe meer locaties beschikbaar zijn, hoe meer invulling kan worden gegeven aan het ACE-concept. De omvang van de behoefte kan uitgedrukt worden in sorties (start + landing) jachtvliegtuigen. De totale behoefte om aan bovenstaande uitgangspunten te voldoen, is geraamd op 7.500 sorties. Als de huidige vergunde ruimte (geluidcontour) omgerekend wordt naar sorties jachtvliegtuigen beschikt Nederland in totaal over 5.300 sorties. De behoefte voor uitbreiding bedraagt dus 2.300 sorties jachtvliegtuigen.

Beschouwde alternatieven Bij de totstandkoming van de alternatieven is stapsgewijs gekeken naar de bestaande vliegbases voor jachtvliegtuigen, het uitbreiden van het aantal militaire vliegbases voor jachtvliegtuigen en de mogelijke samenwerking met civiele vliegvelden. In de NRD is onderscheid gemaakt in het toevoegen van één of twee vliegvelden. Het creëren van een nieuw te realiseren vliegveld voor jachtvliegtuigen wordt niet als haalbaar alternatief gezien. Het MER onderzoekt de effecten van het toevoegen van sorties jachtvliegtuigen. Hierbij is nog niet uitgegaan van extra voorzieningen en/of ruimtebeslag op de locaties. Het doel van het MER is om de alternatieven te vergelijken op basis van de effecten op de omgeving. De alternatieven zijn in eerste instantie de verschillende locaties. Daarnaast is het aantal sorties een variabele. Het MER onderzoekt twee alternatieven voor het aantal sorties: 1.150 sorties (halve behoefte) en 2.300 sorties (hele behoefte). In tabel 3-5 is aangegeven hoeveel sorties er nu aanwezig zijn en wat het aantal sorties zal zijn bij toevoeging van de hele en halve behoefte. In de volgende kaart zijn de beschouwde vliegvelden/-bases te zien. tabel 3-5 Overzicht aantal sorties F-35 nu (omrekening vergunde situatie) en bij de halve en hele behoefte per alternatief

Luchthaven

Huidig #sorties

Totaal aantal sorties, Totaal aantal sorties, inclusief hele behoefte inclusief halve behoefte

Leeuwarden

2.700

5.000

3.850

Volkel

2.000

4.300

3.150

Eindhoven

250

2.550

1.400

Gilze-Rijen

250

2.550

1.400

Woensdrecht

0

2.300

1.150

De Peel

0

2.300

1.150

Lelystad Airport

0

2.300

1.150

Groningen Eelde Airport

0

2.300

1.150

Twente Airport

0

2.300

1.150

blad 38 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-11 Beschouwde alternatieven behoefte VIII

3.2.9

Onbemande maritieme helikopters In oorlogssituaties wordt de inzet van onbemande systemen/drones steeds belangrijker. Inzet van drones heeft dan ook hoge prioriteit binnen Defensie. Mede door de oorlog in Oekraïne is zichtbaar geworden dat gevechtssituaties sterk worden beïnvloed door dronegebruik. Op het gebied van maritieme drones heeft Defensie behoefte aan de inzet van onbemande helikopters/drones voor mijnenbestrijding en voor maritieme verkenning: intelligence, surveillance en Reconnaissance (ISR). Er wordt nog niet geoefend met maritieme drones. Defensie heeft wel oefengebieden waar oefenen met drones mogelijk is. Dit gaat om de bestaande oefengebieden EHD41, EHD42 en EHR8. Vanwege het maritieme karakter en de samenwerking met de NH-90 is Maritiem Vliegkamp De Kooy, bij Den Helder de enige logische plek voor het stationeren van de drones. blad 39 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Defensie ziet noodzaak om op korte termijn de mogelijkheid te hebben om te kunnen oefenen met drones. De luchtruimindeling en het gebruik van drones daarin is in ontwikkeling en maakt het nu nog niet mogelijk om te oefenen. Defensie ziet in het aanwijzen van corridors voor drones een voorlopige oplossing totdat het luchtruim voor drones beter is georganiseerd. Om te kunnen oefenen met maritieme drones zijn corridors nodig van Maritiem Vliegkamp De Kooy naar de genoemde oefengebieden. De behoefte voor onbemande maritieme drones bestaat daarom uit de aanleg van een corridor van Maritiem Vliegkamp De Kooy naar de drie oefengebieden. Het MER onderzoekt hiervoor alternatieven. De corridor moet opgenomen worden in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD). Voor het gebruik van de drones geldt dat vanuit De Kooy opgestegen en geland moet kunnen worden. Vervolgens moet (binnen het luchtruim van de Kooy) ruimte geboden te worden om te klimmen naar de juiste hoogte (en bij terugkomst te dalen). Voor de behoefte gelden de volgende eisen: • Start- en landingslocatie is Maritiem Vliegkamp De Kooy • De te bereiken oefengebieden zijn EHD41, EHD42 en EHR8 • Fysieke ingrepen zijn niet voorzien (behoudens mogelijke aanpassingen op het terrein van MVK De Kooy zelf) • Corridors zijn maximaal drie kilometer breed • Vlieghoogte is ca. 3.000 ft met een hoogteband van 1.000 ft.

Beschouwde alternatieven Er zijn geen alternatieven voor Maritiem Vliegkamp De Kooy. Vanwege de aanwezigheid van de marine in Den Helder en de stationering ligt deze vliegbasis voor de hand. Voor de onbemande helikopters geldt dat gezamenlijk optreden met de schepen plaatsvindt. De schepen zijn gelegen in Den Helder, waardoor Maritiem Vliegkamp De Kooy de meest logische locatie voor de drones is. Het is niet doelmatig om vanuit een andere vliegbasis de oefengebieden op zee te benaderen, vanwege de grote afstand van de maritieme eenheden en die vliegbases. De alternatieven voor de corridors tussen Maritiem Vliegkamp De Kooy en de oefenterreinen EHD41, EHD42 en EHR8 zijn als volgt: het eerste alternatief betreft een rechtstreekse verbinding van De Kooy naar de oefengebieden. Het tweede alternatief maakt zoveel mogelijk gebruik van de vaarroutes op de Noordzee. Windparken worden hiermee vermeden. Het derde alternatief vermijdt Natura 2000-gebieden tussen de vliegbasis en de oefengebieden. Dat betekent dat de route vanaf de vliegbasis eerst afbuigt naar het zuiden. De alternatieven zijn in figuur 3-12 weergegeven.

blad 40 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-12 Alternatieven naar de drie oefengebieden boven de Noordzee

3.2.10

Stationering en corridors drones voor cargo In oorlogssituaties wordt de inzet van onbemande systemen/drones steeds belangrijker. Inzet van drones heeft dan ook hoge prioriteit binnen Defensie. Mede door de oorlog in Oekraïne is zichtbaar geworden dat gevechtssituaties sterk worden beïnvloed door dronegebruik. Voor het oefenen met drones boven land zijn locaties nodig waar de cargodrones gestationeerd kunnen worden. Daarnaast zijn corridors nodig naar de bestaande oefengebieden in Nederland. Onbemande systemen (drones) worden wereldwijd voor diverse doeleinden ingezet. Defensie gebruikt drones onder andere voor verkenningen. In het buitenland wordt al gewerkt met drones voor transport voor pakketjes. De verwachting is dat dit ook voor groter (materieel)transport gaat gebeuren: de zogenaamde cargodrones. Dit zijn onbemande systemen die goederen kunnen transporteren. De behoefte aan deze systemen is groot omdat hiermee onder gevaarlijke gevechtsomstandigheden en tijdens slecht weer bevoorrading zeker gesteld kan worden. Invoer van dergelijke onbemande systemen draagt bij aan een arbeidsextensievere krijgsmacht, zoals ook verwoord in de Defensievisie 2035. Om te kunnen oefenen met cargodrones zijn corridors nodig tussen vliegbasis Deelen en vliegbasis De Kooy voor de uitwisseling van drones en eventuele cargo.

Daarnaast is het de wens van Defensie om corridors tussen vliegbasis Deelen en vliegveld Marknesse en Twente te realiseren, ten behoeve van kennisuitwisseling. Om te kunnen oefenen en trainen met cargodrones zijn corridors naar oefenterreinen nodig, waar training met cargodrones gewenst is. Dit gaat om de oefenterreinen Arnhemse Heide, Stroese zand, Ederheide-Ginkelseheide en ASK-west. De behoefte bestaat hiermee uit twee onderdelen: blad 41 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

• •

Een corridor tussen vliegbasis Deelen en vliegbasis De Kooy, Marknesse en Twente Een corridor tussen vliegbasis Deelen en de omliggende oefenterreinen.

Beschouwde alternatieven De alternatieven richten zich op mogelijke routes (corridors) voor de cargodrones (figuur 3-13). Voor twee verbindingen zijn er mogelijke routes (alternatieven): de verbinding van vliegbasis Deelen met vliegbases De Kooy, Marnesse en Twente. En de verbinding tussen vliegbasis Deelen en de oefengebieden. De te bereiken oefengebieden zijn Arnhemse heide, Stroese zand, Ederheide-Ginkelseheide en ASK-west. De alternatieven voor deze twee verbindingen zijn: 1. een directe route 2. het vermijden van gevoelige gebieden. Gevoelige gebieden zijn Natura 2000-gebieden, sterk stedelijke gebieden en stiltegebieden.

figuur 3-13 Alternatieven stationering en corridors drones voor cargodrones

3.2.11

Laagvlieggebieden helikopters De beschikbare ruimte binnen de bestaande laagvlieggebieden wordt steeds kleiner. Onder andere door uitbreiding van stedelijk gebied en de aanleg van windmolens is er steeds minder geschikte ruimte voor laagvliegen binnen de aangewezen gebieden. Ook beschermde natuurwaarden leggen soms beperkingen op aan laagvliegactiviteiten. De ruimte die overblijft wordt steeds minder divers. Om afwisseling in de trainingen te realiseren en gewenning bij piloten te voorkomen is meer ruimte en diversiteit gewenst. Dit verbetert de kwaliteit van de training. Inspelen op uiteenlopende variabelen en onbekende situaties zijn belangrijke elementen die bijdragen aan effectieve training voor helikopterbemanningen. Op die manier kunnen de bemanningen steeds aan nieuwe situaties worden blootgesteld en treedt geen gewenning op omdat zij het gebied al kennen. Met het beperkte aantal laagvlieggebieden van nu, kennen de bemanningen alle routes, dorpen, boscomplexen etc. vrijwel uit hun hoofd. De situationele awareness is daarmee te groot en niet representatief voor inzet. Tijdens inzet moet men letterlijk en figuurlijk manoeuvreren in het onbekende. Meer diversiteit tijdens training in laagvlieggebieden maakt piloten beter voorbereid op inzet. blad 42 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Binnen de aangewezen laagvlieggebieden is het aantal uur aan laagvliegen vastgelegd. Defensie verwacht een structurele toename van het aantal helikopterbewegingen in de laagvlieggebieden in Nederland. Dat heeft onder andere te maken met de veranderende veiligheidssituatie en dus ook een veranderende taakstelling van helikopters en de andere Defensieonderdelen waarmee zij nauw samenwerken tijdens missie én training. Een onderdeel hiervan is een toename in laagvliegtraining, omdat laagvliegen noodzakelijk is tijdens missies in een hoger geweldsspectrum. Naast meer diversiteit in gebieden is er daarom een kwantitatieve behoefte aan uitbreiding van laagvliegen. Onder andere de toename van het aantal chinooks en helikopters maakt dat er meer trainingsuren nodig zijn. Defensie heeft de behoefte om het totaal aantal trainingsuren uit te breiden naar 2.500 uren per jaar. Dat is toename van ruim 1.100 uur ten opzichte van de huidige situatie. De behoefte voor laagvlieggebied bestaat enerzijds uit uitbreiding van het aantal vlieguren, anderzijds uit de behoefte aan meer diversiteit in oefengebied. Defensie is daarom op zoek naar zo veel mogelijk laagvlieggebied. Hiermee kan voorzien worden in de behoefte aan diversiteit. Tegelijkertijd zorgt een groter oppervlak laagvlieggebied voor meer spreiding van de hinder en afname van hinder in laagvlieggebieden die nu intensief gebruikt worden.

Voor het bepalen van de alternatieven is gekeken naar potentieel geschikt buitengebied in Nederland. Hiervoor is gekeken naar zoveel mogelijk aaneengesloten buitengebied met voldoende oppervlakte (minimaal 10.000 hectare). De bereikbaarheid vanaf één van de drie helikopterbases (Gilze-Rijen, Deelen en De Kooy) is een ander belangrijk criterium. Als het laagvlieggebied op meer dan 30 minuten vliegen (ca. 60 km) van een vliegbasis ligt, blijft er weinig brandstof over voor de oefeningen in het laagvlieggebied. De criteria hebben geleid tot de aanwijzing van acht potentiële nieuwe laagvlieggebieden in Nederland. Deze zijn in de volgende figuur samen met de bestaande laagvlieggebieden weergegeven. Beschouwde alternatieven Op hoofdlijnen zijn twee alternatieven benoemd: 1. Alternatief 1: Strenger planologisch juridisch regime voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen laagvlieggebieden 2. Alternatief 2: Nieuwe laagvlieggebieden aanwijzen Alternatief 1 is gericht op het beschermen van de bestaande ruimte voor laagvliegen, het voorkomt verdere afname van de beschikbare ruimte binnen de laagvlieggebieden. Dit alternatief geeft daarmee geen invulling aan de behoefte aan uitbreiding. Uitbreiding van het aantal toegestane uren laagvliegen binnen bestaande gebieden is wel mogelijk. Alternatief 1 en 2 sluiten elkaar niet uit.

Het toepassen van een (strenger) planologisch regime is ook mogelijk in nieuw aan te wijzen laagvlieggebieden

blad 43 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-14 Bestaande en nieuwe laagvlieggebieden zoals opgenomen in de NRD

3.2.12

Helikopterlandingsplaatsen De transporthelikopters van Defensie worden ingezet voor het vervoer van personeel en materieel. Dit gebeurt vaak onder extreme omstandigheden, overal ter wereld, onder alle omstandigheden, bij dag en bij nacht en onder vijandelijke dreiging. Dit vraagt om een intensief opleidings-, trainings- en oefenprogramma. De noodzaak voor een goed opleidings-, trainings- en oefenprogramma met ruimte voor tactisch landen en opstijgen is de afgelopen periode alleen maar toegenomen. Dit heeft onder andere te maken met de richtlijnen in de Defensievisie en Maatregelennota om de operationele gereedheid (OG) te versterken en met nieuwe taken van helikopters. Landen en opstijgen van militaire helikopters mag niet zomaar overal en onbeperkt. Voor militaire helikopters is een juridisch kader voor het gebruik van zogenaamde helikopterlandingsplaatsen (HLP’en) op kazernes en militaire oefenterreinen van kracht. Dit kader is een verzameling van ministeriële luchthavenregelingen (LHR) om blad 44 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

eventuele hinder voor de omgeving in te kaderen. Met deze verzameling LHR hebben vijftien locaties in Nederland een status als HLP. Het gaat om ASK Oldebroek, de Vliehors, Assen, Rijen, Waalsdorpervlakte, Beekhuizerzand, Eder- en Ginkelse heide, Stroese Zand, Oirschot, Arnhemse heide, Marnewaard, Garderense Veld, Vlasakkers, Leusderheide en de Ermelose heide. Per locatie betreft het één of enkele coördinaten met een straal van vijftig meter, een maximaal toegestaan aantal vliegtuigbewegingen (VTB), hoverminuten en vaste in- en uitvliegroutes. Een vliegtuigbeweging is het landen en opstijgen van een helikopter. Het totaal beschikbare aantal VTB voor de vijftien bestaande locaties is 5.320. Het huidig aantal locaties en het aantal toegestane vliegtuigbewegingen (VTB) is onvoldoende om te voorzien in de behoefte aan training en opleiding. Er is enerzijds behoefte aan uitbreiding van het aantal VTB, anderzijds is het de wens om training in meer diverse omstandigheden mogelijk te maken. Dat vraagt om diversiteit aan landingsplaatsen en meer ruimte binnen bestaande landingsplaatsen Concreet bestaat de behoefte uit: • het uitbreiden van het aantal VTB naar 24.000; • het vergroten van de beschikbare ruimte voor landingen bij bestaande HLP’en; • Meer vrijheid in in- en uitvliegroutes • meer diversiteit in HLP’en. De totale behoefte is geraamd op circa 24.000 vliegtuigbewegingen.

Dit aantal moet verspreid over meerdere landingsplaatsen plaatsvinden. Het exact aantal vliegbewegingen op een locatie is op voorhand niet te bepalen. Op basis van het aantal locaties wordt een verdeling gemaakt. Beschouwde alternatieven Defensie beschikt over vijftien locaties met een of meerdere helikopterlandingsplaatsen. Op deze locaties is de landingsplek met één of meerdere coördinaten vastgelegd. In figuur 3-15 is het aantal onderzochte oefenterreinen voor nieuwe of uitbreiding van bestaande helikopterlandingsplaatsen te zien.

blad 45 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-15 Kaart van Nederland met de locaties waar uitbreiding of nieuwe landingsplaatsen onderzocht worden

3.2.13

Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Bij diverse missies in het buitenland is inzet van tactische transportvliegtuigen vereist. Deze transportvliegtuigen moeten in staat zijn om te landen op onverharde landingsbanen, zogenaamde dirt strips. Het gereedmaken van een onverharde landingsbaan en het uitvoeren van landingen en gecombineerde oefeningen moet getraind worden. Hiervoor maakt Defensie gebruik van faciliteiten in het buitenland, zoals in Denemarken en Spanje. In totaal is behoefte aan 625 vliegbewegingen per jaar om dit goed te kunnen trainen. Dit is dan ook de maximale behoefte, uitgaande van dat ook nog een deel in het buitenland blijft, is de minimale behoefte 240 vliegbewegingen (een vliegbeweging is een landing of een start). Missies met tactische transportvliegtuigen moeten vaak op korte termijn uitgevoerd worden. Denk bijvoorbeeld aan de evacuatie van medewerkers en andere burgers uit Afghanistan in 2021. Doordat de faciliteiten in het blad 46 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

buitenland beperkt beschikbaar zijn en ver van te voren gereserveerd moeten worden, is training voorafgaand aan missies niet altijd mogelijk. Er is daarom behoefte aan een onverharde landingsbaan in Nederland. Hiermee kan de luchtmacht de landingen oefenen, de landmacht kan de baan gebruiken voor het oefenen van het prepareren van een dergelijke landingsbaan. Voor het bepalen van mogelijke locaties (alternatieven) voor een dirt strip is allereerst gekeken naar de vereisten voor de locatie en de mogelijke hinder. Voor een dirt strip is een onverharde ondergrond zoals gras, gravel split of zand nodig. De benodigde ruimte is een baan van ongeveer 1.600 meter lang en 25 meter breed. Aandachtspunten voor een dirt strip zijn: • Stof en FOD: Operaties op een dirt strip brengen het risico met zich mee dat losliggende stenen andere vliegtuigen kunnen beschadigen. • Gegarandeerde beschikbaarheid: incidenteel op bijvoorbeeld een strand of af en toe op een grotere burgerluchthaven geeft onvoldoende garantie om trainingsdoelen te halen. • Veiligheid op en in de omgeving van de baan. • Indien de baan op een aangewezen luchtvaartterrein ligt, moet worden voldaan aan de eisen die daar gelden. • Geen hinder voor regulier burgerluchtvaart. • Platformruimte om het vliegtuig tijdelijk te parkeren, bijvoorbeeld in geval van een technisch mankement.

Beschouwde alternatieven Voorzieningen voor luchtvaartactiviteiten, zoals luchtverkeersleiding, brandweer en platforms zijn in ieder geval aanwezig op de bestaande militaire vliegvelden. Voor militaire vliegvelden geldt dat de behoefte ingepast moet worden binnen bestaande activiteiten van Defensie. Vliegvelden waar nu andere toestellen, zoals helikopters, jachtvliegtuigen of civiele luchtvaart opereren zijn hierdoor niet direct geschikt. Dit resulteert in de volgende twee alternatieven: Vliegbasis Deelen en Vliegbasis De Peel Daarnaast is ook vliegbasis Gilze-Rijen opgenomen bij de alternatieven omdat hier de mogelijk bestaat om de dirt strip te scheiden van overige luchtvaart. Ten slotte is naar aanleiding van de zienswijzen op de NRD Twente Airport als alternatief toegevoegd aan het onderzoek. Het vierde mogelijkheid betreft de koppeling van de dirt strip aan een bestaand oefenterrein. Diverse oefenterreinen bestaan uit grote zandvlaktes die geschikt zijn om als oefenterrein te dienen. De oefenterreinen zijn gefilterd op basis van de ruimte voor een landingsbaan op het oefenterrein (1.600 meter lang en 25 meter breed). Oefenterreinen in of direct naast Natura 2000-gebieden zijn buiten beschouwing gelaten. De oefenterreinen De Haar, Havelte, Leusderheide, Rucphense Heide en Oirschotse Heide zijn als potentieel geschikte locatie over gebleven.

Samengevat zijn de volgende alternatieven beschouwd: • Vliegbasis Deelen • Vliegbasis De Peel • Vliegbasis Gilze-Rijen • Oefenterrein De Haar • Oefenterrein Havelte • Oefenterrein Leusderheide • Oefenterrein Rucphense Heide • Oefenterrein Oirschotse Heide Deze alternatieven zijn in figuur 3-16 te zien.

blad 47 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-16 Alternatieven onverharde landingsbaan tactisch luchttransport (dirt strip)

blad 48 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.3

Vierenveertig locatiespecifieke behoeften De meeste activiteiten in het NPRD zijn behoeften waarvoor geen bovenregionale afweging nodig is. Dit zijn bijvoorbeeld activiteiten die al bestaan, maar uitgebreid moeten worden of activiteiten die al op specifieke locaties plaatsvinden. Voor deze activiteiten is in het planMER de impact op de fysieke leefomgeving beschouwd, maar zijn geen locatie-alternatieven onderzocht (omdat hiervoor maar één bestaande locatie/gebied in aanmerking komt). Wel zijn voor enkele grotere locatiespecifieke ruimtebehoeften uitbreidingsvarianten in beeld gebracht en beschouwd. Afhankelijk van de grootte en impact van de betreffende activiteit is een beknopte of uitgebreide analyse uitgevoerd. In tabel 3-6 is de lijst met deze behoeften nogmaals opgenomen. tabel 3-6 Overzicht locatiespecifieke behoeften

Nr.

Locatiespecifieke behoefte

1

Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD-42.

Varianten?

2

Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in, boven het water en naar EHD-41.

Ja

3

Schieten met Apache en MQ-9 op Vliehors Range

Nee

4

Herziening/aanpassingen onveilige zone; nu deels nog gebaseerd op voormalige cavalerie schietkamp Vliehors

Nee

5

Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Leeuwarden

Ja

6

Beperkingengebied rondom Vliegbasis Leeuwarden (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging

Nee

7

Uitbreiden Schietbaan Marnewaard t.b.v. schieten dynamisch met voertuigen.

Nee

8

EHR 8 uitbreiden en gereed maken oefenen met onbemande vaartuigen op en in het water.

Nee

9

Leerfaciliteit alternatieve brandstoffen, Den Helder.

Nee

10

Beperkingengebied rondom MVK de Kooy (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging

Nee

11

Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer

Ja

12

Uitbreiding kazerne Heerenveen

Nee

13

Vergroting van Oefenterrein De Haar

Ja

14

Petten groei beproevingen Noordzee

Ja

15

Verplaatsen raccordement t.b.v. voertuigen 43. Gemechaniseerde Brigade Zoekgebied ‘Groot Havelte’

Ja

16

Uitbreiding faciliteiten voor schieten (Koninklijke Marechaussee) Schiphol

Ja

17

Uitbreiding raccordement ’t Harde

Ja

18

Uitbreiden Artillerie Schietamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde)

Ja

19

Artillerie Schietkamp (ASK) uitbreiden met 120 mm mortierschieten

Nee

20

Geplande opschaling Koninklijke Marechaussee Randstad Den Haag, Maaldrift uitbreiden

Nee

21

Uitbreiding raccordement Vlasakkers

Nee

22

Huisvestingen incl. faciliteiten Militaire Politie Koninklijke Marechaussee

Ja

23

Uitbreiden live firing mogelijkheden helikopters op ISK ten behoeve van niveau 3 en 4-oefeningen CLAS

Nee

24

Uitbreiding milieu en geluidsruimte ISK

Nee

25

Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Markelo

Nee

26

Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Klaphek

Nee

27

Extra ruimte helikopter activiteiten op MTL Deelen om Vliegbasis Gilze-Rijen te ontlasten (reductie 10%)

Nee

28

Beperkingengebied rondom MTL Deelen (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging

Nee

29

Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Portugaal

Nee

30

Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Volkel

Nee

31

Beperkingengebied rondom vliegbasis Volkel (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging

Nee

32

Schietbaan t.b.v. Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) Vliegbasis Woensdrecht

Nee

33

Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Woensdrecht

Nee

34

Beperkingengebied vliegbasis Woensdrecht (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging

Nee

35

Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Gilze-Rijen

Nee

36

Beperkingengebied rondom vliegbasis Gilze-Rijen (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging

Nee

37

Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide uitbreiden (200 ha)

Ja

38

Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten op RVS-kazerne Oirschot

Nee

39

Uitbreiding raccordement Acht t.b.v. voertuigen 13. Lichte Brigade

Ja

Ja

blad 49 van 216

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.3.1

40

IBT centrum regio Eindhoven Koninklijke Marechaussee en Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie

Ja

41

Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform

Nee

42

Beperkingengebied rondom vliegbasis (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging

Nee

43

Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide

Ja

44

Oefenterreinen met graafmogelijkheden uitbreiden (graven niet overal vergund)

Nee

Beknopte beschrijving per locatiespecifieke behoefte In volgende passages zijn de vierenveertig lokale behoeften beknopt beschreven. In hoofdstuk zeven zijn de behoeften, benodigde ruimte en/of milieubeslag, belangrijkste effecten en beoordeling toegelicht. 1. Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefening op, in en boven het water EHD-42. De behoefte voor een vergroting van militair oefengebied EHD-42 komt voort uit de behoefte om de wapensystemen te testen op een langere range. De lengte van het huidige oefengebied voldoet niet meer. Daarnaast zijn er onvoldoende testmogelijkheden in de nabijheid van Nederland. Het varen naar buiten territoriale wateren resulteert in extra weken tijd om schepen in gereedheid te brengen. Ten tweede bestaat de behoefte uit het creëren van mogelijkheden om vanuit de oefengebieden op zee richting de Schietrange Vliehors te kunnen schieten met (onscherpe) boordwapens. Hiervoor is een zone over zee benodigd, de veiligheidsmal (of in maritieme termen: de ‘check safety’). 2. Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen inclusief drones met corridors op het water naar, in en boven het water EHD-41. De behoefte voor een vergroting van militair oefengebied EHD-41 komt voort uit de behoefte om de wapensystemen te testen op een langere range en meer manoeuvreerruimte. De lengte van het huidige oefengebied voldoet niet meer.

Daarnaast zijn er onvoldoende testmogelijkheden in de nabijheid van Nederland. Het varen naar buiten territoriale wateren resulteert in extra weken tijd om schepen in gereedheid te brengen. Ten tweede bestaat de behoefte uit het creëren van mogelijkheden om vanuit de oefengebieden op zee richting de Schietrange Vliehors te kunnen schieten met (onscherpe) boordwapens. Hiervoor is een zone over zee benodigd, de veiligheidsmal (of in maritieme termen: de ‘check safety’). 3. Schieten met Apache en MQ-9 op Vliehors Range De behoefte bestaat uit het geschikt maken van het mal onveilig gebied op de Vliehors voor het accommoderen van verschillende wapentypes. Het vlieggebied hoeft niet aangepast te worden. Daarnaast bestaat de behoefte uit het gebruiken van verschillende vormen van gevechtsmunitie. 4. Herziening/aanpassingen onveilige zone; nu deels nog gebaseerd op voormalige cavalerie schietkamp Vliehors (Cornfield Range) De bestaande onveilige zone is niet toereikend om te voldoen aan de eisen voor het nieuwe gebruik van het oefengebied. De bijstelling van de onveilige zone op basis van huidig gebruik vormt de basis van deze behoefte. 5. Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Leeuwarden, gemeente Leeuwarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15837067/1