Milieueffectrapport NPRD - Deel A - Behoeften, alternatieven en effecten
Tekst van het document
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten
projectnummer 0486487.100 definitief 1 mei 2025
www.anteagroup.nl
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 definitief 1 mei 2025
Opdrachtgever Ministerie van Defensie
datum 1 mei 2025
beschrijving Definitief
vrijgave Antea Group
Inhoudsopgave Leeswijzer: een milieueffectrapport in twee delen
6
1.
Een Programma Ruimte voor Defensie (NPRD)
7
1.1 1.2 1.3
Aanleiding: De krijgsmacht moet voorbereid zijn Meer ruimte voor Defensie in Nederland Het Nationale Programma Ruimte voor Defensie en dit milieueffectrapport (planMER)
7 8 8
2.
De ruimtelijke staat van Defensie en opgaven
13
2.1 2.2 2.3
De fysieke aanwezigheid van Defensie in het land De opgaven voor Defensie Huidige en toekomstige staat van Defensieterreinen
13 16 18
3.
Ruimte voor Defensie: overzicht van de 57 behoeften
20
3.1 3.2 3.3
Bovenregionale behoeften en lokale behoeften De dertien bovenregionale behoeften nader toegelicht Vierenveertig locatiespecifieke behoeften
20 25 49
4.
Wat is met zienswijzen, participatie en adviezen in dit planMER gedaan?
56
4.1 4.2 4.3
Participatie en zienswijzen in het voorjaar en zomer van 2024 Opbrengst van participatie-/informatieavonden en advies Commissie mer Hoe is dit planMER tot stand gekomen en welke toetsing is hierop geweest?
56 57 59
5.
Trechtering naar een voorkeurspakket en onderzochte thema’s
61
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Trechtering naar een Voorkeurspakket via drie zeven Beschouwde thema’s in dit planMER: breed palet, maar toegespitst op de behoefte Wijze van onderzoek en beoordeling Wat is een referentiesituatie en waarom/hoe is deze gebruikt? Omgang met effecten van en naar buitenland
61 63 65 66 67
6.
Overzicht van de effecten en beoordeling van de bovenregionale behoeften
68
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13
Behoefte I – Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden Behoefte II – Extra locatie grootschalige munitieopslag Behoefte III – Nieuwe munitieopslag Snel Inzetbare Capaciteit (SIC) Behoefte IV – Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein) Behoefte V – Oefenen in verstedelijkt gebied Behoefte VI – Amfibisch oefengebied Behoefte VII – Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Behoefte VIII – Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit Behoefte IX – Onbemande maritieme helikopters Behoefte X – Stationering en corridors drones voor cargo Behoefte XI – Laagvlieggebieden helikopters Behoefte XII – Helikopterlandingsplaatsen Behoefte XIII – Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport
68 76 83 89 94 100 104 108 113 116 119 122 126
7.
Overzicht van de effecten en beoordeling van de 44 locatiespecifieke behoeften
131
7.1 7.2
Behoefte 1: Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefening op, in en boven het water EHD-42 131 Behoefte 2 – Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen inclusief drones met corridors op het water naar, in en boven het water EHD-41 133 Behoefte 3 – Schieten met Apache en MQ-9 op Vliehors Range 135 Behoefte 4 – Herziening/aanpassingen onveilige zone; nu deels nog gebaseerd op voormalige cavalerie schietkamp Vliehors (Cornfield Range) 136 Behoefte 5 – Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Leeuwarden, gemeente Leeuwarden 137
7.3 7.4 7.5
7.6 7.7 7.8 7.9 7.10 7.11 7.12 7.13 7.14 7.15 7.16 7.17 7.18 7.19 7.20 7.21 7.22 7.23 7.24 7.25 7.26 7.27 7.28 7.29 7.30 7.31 7.32 7.33 7.34 7.35 7.36 7.37 7.38 7.39 7.40 7.41 7.42 7.43 7.44
Behoefte 6 – Beperkingengebied rondom vliegbasis Leeuwarden (specifiek de outer horizontal surface) Juridische borging 140 Behoefte 7 – Uitbreiden Schietbaan Marnewaard t.b.v. schieten dynamisch met voertuigen 141 Behoefte 8 – EHR 8 uitbreiden en gereedmaken voor oefenen met onbemande vaartuigen op en in het water inclusief corridors 143 Behoefte 9 – Leerfaciliteit alternatieve brandstoffen, Den Helder 144 Behoefte 10 – Beperkingengebied rondom MVK de Kooy (specifiek de outer horizontal surface) - Juridische borging 146 Behoefte 11 – Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer, Afsluitdijk 147 Behoefte 12 – Uitbreiding kazerne Heerenveen 149 Behoefte 13 – Vergroting van Oefenterrein De Haar 150 Behoefte 14 – Petten groei beproevingen Noordzee 154 Behoefte 15 – Verplaatsen (in overleg met de regio) raccordement, t.b.v. voertuigen 43.
Gemechaniseerde Brigade Zoekgebied ‘Groot Havelte’ 156 Behoefte 16 – Uitbreiding faciliteiten voor schieten (Koninklijke Marechaussee) Schiphol 158 Behoefte 17 – Uitbreiding raccordement ‘t Harde 160 Behoefte 18 – Uitbreiden Artillerie Schietkamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde) 162 Behoefte 19 – Artillerie Schietkamp (ASK) uitbreiden met 120 mm mortierschieten 166 Behoefte 20 – Geplande opschaling Koninklijke Marechaussee Randstad Den Haag, Maaldrift uitbreiden 166 Behoefte 21 – Uitbreiding raccordement Vlasakkers 168 Behoefte 22 – Huisvestingen incl. faciliteiten Militaire Politie Koninklijke Marechaussee 170 Behoefte 23 – Uitbreiden live firing mogelijkheden voor helikopters op Infanterie Schietkamp (ISK) ten behoeve van niv 3 en 4-oefeningen Koninklijke Landmacht 174 Behoefte 24 – Uitbreiding milieu en geluidsruimte door intensivering van Infanterie Schietkamp (ISK) en groei Krijgsmacht 176 Behoefte 25 – Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depots Defensie Pijpleiding Organisatie (depot Markelo) 177 Behoefte 26 – Uitbreiding van terrein t.b.v.
voldoen aan NATO-normering depots Defensie Pijpleiding Organisatie (depot Klaphek) 180 Behoefte 27 – Extra milieuruimte voor helikopteractiviteiten op Militair Luchtvaartterrein Deelen 181 Behoefte 28 – Beperkingengebied rondom MLT Deelen (specifiek de outer horizontal surface) - Juridische borging 183 Behoefte 29 – Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depots Defensie Pijpleiding Organisatie (depot Poortugaal) 184 Behoefte 30 – Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Volkel 186 Behoefte 31 – Beperkingengebied rondom vliegbasis Volkel (specifiek de outer horizontal surface) - Juridische borging 186 Behoefte 32 – Schietbaan t.b.v. Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) Vliegbasis Woensdrecht 188 Behoefte 33 – Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Woensdrecht 189 Behoefte 34 – Beperkingengebied rondom vliegbasis Woensdrecht (specifiek de outer horizontal surface) Juridische borging 190 Behoefte 35 – Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Gilze-Rijen 192 Behoefte 36 – Beperkingengebied rondom vliegbasis Gilze-Rijen (specifiek de outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging 192 Behoefte 37 – Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide: fysiek uitbreiden (200ha) ook v.w.b. geluidsruimte 194 Behoefte 38 – Uitbreiden milieuruimte t.b.v.
activiteiten op RVS-kazerne Oirschot, gemeente Oirschot 198 Behoefte 39 – Uitbreiding raccordement Acht t.b.v. voertuigen 13. Lichte Brigade, gemeente Oirschot 199 Behoefte 40 – IBT centrum regio Eindhoven voor Koninklijke Marechaussee-, en Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie op bestaand Defensieterrein, gemeente Eindhoven 201 Behoefte 41 – Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform 204 Behoefte 42 – Beperkingengebied rondom vliegbasis Eindhoven (specifiek de outer horizontal surface) Juridische borging 205 Behoefte 43 – Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide, gemeente Cranendonck/Weert 207 Behoefte 44 – Oefenterreinen met graafmogelijkheden 211
8.
Van effectonderzoek naar trechtering
214
8.1 8.2 8.3 8.4
Algemeen beeld van de milieuimpact Relevante milieueffecten van bovenregionale behoeften Relevante milieueffecten van locatiespecifieke behoeften Van MER deel A naar MER deel B
214 214 216 216
Losse bijlagen bij dit MER deel B Bijlage A.I – Deelrapport behoefte I: Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden Bijlage A.II – Deelrapport behoefte II: Extra locatie grootschalige munitieopslag Bijlage A.III - Deelrapport behoefte III: Nieuwe munitieopslag SIC Bijlage A.IV - Deelrapport behoefte IV: Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven Bijlage A.V - Deelrapport behoefte V: Oefenen in verstedelijkt gebied Bijlage A.VI - Deelrapport behoefte VI: Nieuw amfibisch oefengebied Bijlage A.VII - Deelrapport behoefte VII: Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Bijlage A.VIII - Deelrapport behoefte VIII: Toename jachtvliegtuigencapaciteit Bijlage A.IX – Deelrapport behoefte IX: Onbemande maritieme drones Bijlage A.X – Deelrapport behoefte X: Stationering en corridors onbemande cargodrones Bijlage A.XI – Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Bijlage A.XII – Deelrapport behoefte XII: Helikopterlandingsplaatsen Bijlage A.XIII – Deelrapport behoefte XIII: Korte smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Bijlage A.XIV – Deelrapport locatiespecifieke behoeften Bijlage A.XV – Overzicht huidige situatie Defensielocaties per provincie Bijlage A.XVI – Milieueffecten vliegactiviteiten – Deelrapport geluidbelasting Bijlage A.XVII – Milieueffecten vliegactiviteiten – Deelrapport geluidbelasting Bijlage A.XVIII – Milieueffecten
vliegactiviteiten – Deelrapport geluidbelasting
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Leeswijzer: een milieueffectrapport in twee delen Dit planMER bestaat uit twee delen. In dit deel A staat de aanleiding en het doel van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. Hier zijn ook de gebruikte beleidskaders, wetgeving, beoordelingskader en omgang met zienswijzen en Commissie voor de milieueffectrapportage in terug te vinden. Dit deel A bevat ook een beschrijving van alle behoeften en is per behoefte de effecten en beoordelingen samengevat. Voor meer informatie is per behoefte is een uitgebreide analyse voor elk alternatief opgenomen in de bijbehorende bijlagen bij MER deel A.
Dit MER deel A bestaat uit zeven hoofdstukken. Het start met hoofdstukken één waarin de aanleiding en het doel van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie geschetst wordt. Ook is hier beschreven wat een mer, planMER en bijbehorende inhoud en procedurestappen zijn. In hoofdstuk twee is op hoofdlijnen de ‘ruimtelijke staat’ van Defensie en bijbehorende opgaven beschouwd. In hoofdstuk drie zijn de 57 behoeften van het NPRD beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovenregionale behoeften en lokatiespecifieke behoeften. In hoofdstuk vier is vervolgens beschreven wat met de zienswijzen, participatie en adviezen vanuit de Commissie voor de milieueffectrapportage op de notitie Reikwijdte en Detailniveau is gedaan in het voorliggende planMER. Tot slot is in hoofdstuk vijf de methodologie, processtappen richting een Voorkeurspakket, het beoordelingskader en het detailniveau van onderzoek beschreven. In de hoofdstukken zes en zeven zijn de samenvattingen (beknopt) opgenomen van de effecten van alle behoeften met bijbehorende alternatieven. Dit is per behoefte beschreven. Hoofdstuk zes gaat over de bovenregionale behoeften en hoofdstuk zeven over de lokatiespecifieke behoeften. Hoofdstuk acht geeft een slotbeschouwing van deel A en legt de link met deel B. De uitgebreide effectbeschrijvingen en -beoordelingen staan in de bijlagen per behoefte.
Als u wilt weten welke alternatieven afvallen en wat uiteindelijk het Voorkeursalternatief per behoeften en het gehele Voorkeurspakket voor het NPRD is, dan verwijzen wij u naar deel B van dit planMER. blad 6 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
1.
Een Programma Ruimte voor Defensie (NPRD)
1.1
Aanleiding: De krijgsmacht moet voorbereid zijn De afgelopen decennia hebben zich gekenmerkt door een periode van relatieve geopolitieke stabiliteit. Na de val van de Muur heeft Europa jarenlang het zogenaamde vredesdividend kunnen innen. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verschoof de focus van de Nederlandse defensieorganisatie van collectieve verdediging tegen een existentiële dreiging naar het bevorderen van de internationale rechtsorde en stabiliteit en inzet; vooral ook buiten Europa. Het accent van de activiteiten van Defensie heeft daardoor gelegen op twee van de drie hoofdtaken: ‘het bevorderen van de (internationale) rechtsorde en stabiliteit’ en ‘ondersteunen van civiele autoriteiten en leveren van bijstand bij rampen en crises’. Na de Koude Oorlog is de aandacht voor de militaire gereedheid afgenomen tot een niveau waarbij Defensie, in het licht van de huidige dreigingen, niet in staat is om de nationale veiligheid, en dat van bondgenoten, te garanderen. De veranderende geopolitieke situatie vereist dat de krijgsmacht binnen afzienbare tijd op het niveau wordt gebracht dat zij hiertoe goed in staat is, op de korte en de langere termijn. Vrijheid, veiligheid en welvaart zijn niet vanzelfsprekend. De veiligheid van Europa staat sinds de Russische inval in Oekraïne in 2022 onder grote druk.
De wereldwijde veiligheidssituatie verslechtert daarnaast door de gevolgen van klimaatverandering, hybride dreigingen, institutioneel wantrouwen, toenemende schaarste van grondstoffen en migratie. Ook Nederland is dichterbij een oorlog dan het in lange tijd geweest is. Grootschalige militaire conflicten zijn weer voorstelbaar geworden. Nederland moet voorbereid zijn op deze dreigingen, ook op de korte termijn. Het verdedigingsniveau in Nederland moet voldoende afschrikkende werking hebben om te voorkomen in conflict te raken, ook met andere agressors dan nu voorzien. In dit tijdsgewricht heeft Defensie de taak om de veiligheidsbelangen van het Koninkrijk te verdedigen, en te voorzien in wat de NAVO van Nederland verwacht.
figuur 1-1 Verslechterde veiligheidssituatie
blad 7 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
De focus van Defensie is meer dan voorheen komen te liggen op de eerste hoofdtaak: ‘beschermen van het eigen grondgebied en dat van bondgenoten’. Dit vraagt om een krijgsmacht die gevechtsgereed, snel inzetbaar, interoperabel en schaalbaar is, én beschikt over een stevig voortzettingsvermogen. Europese bondgenoten, waaronder Nederland, moeten gereed zijn om het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te verdedigen. In NAVO-verband en EU-verband wordt ook meer van Nederland gevraagd. Ondertussen blijft het handhaven en bevorderen van de internationale rechtsorde en de ondersteuning van civiele autoriteiten, onder meer bij rampen en crises, van onverminderd belang. In de afgelopen en huidige kabinetsperiode is, en wordt, daarom fors geïnvesteerd in een toekomstbestendige krijgsmacht die sneller, vaker en langer kan worden ingezet. Dit maakt een transformatie mogelijk die de gereedheid en inzetbaarheid verhoogt, de gevechtskracht gericht versterkt en de wendbaarheid van de organisatie verbetert. Dit ondersteunt Nederland in het aangaan van een nieuw type verplichtingen in internationaal verband, zoals het New Force Model (NFM), gericht op zeer grootschalige gereedstelling. Defensie investeert ook in haar mensen, het materieel en de faciliteiten en werkt aan de versterking van de militaire capaciteiten, samen met haar partners.
Veiligheid is echter niet alleen een verantwoordelijkheid van Defensie, maar van de gehele samenleving. Veiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van overheden, vitale sectoren, bedrijven, kennisinstellingen, het maatschappelijk middenveld en de burger. Samenwerking is essentieel om in relatief korte tijd op te kunnen schalen. Deze accentverschuiving vraagt om veranderingen in de bedrijfsvoering, maar ook in het ruimtebeslag en gebruik van de ruimte van Defensie. Om de (grond)wettelijke taken volwaardig uit te kunnen blijven voeren en de eenheden op adequate wijze gereed te stellen, is meer (milieu)ruimte dan in de huidige situatie noodzakelijk.
1.2
Meer ruimte voor Defensie in Nederland Defensie zal in de toekomst nadrukkelijker in de fysieke leefomgeving aanwezig zijn. Met het groeien van de krijgsmacht groeit namelijk ook de noodzaak voor ruimte om te kunnen oefenen en trainen, in het buitenland maar ook in Nederland. De lessen uit het Oekraïneconflict laten zien dat er meer en soms ook anders moet worden geoefend, met meer focus op een grootschalig conflict. Gezamenlijk beschermen binnen het NAVOpartnerschap betekent in elkaars ruimte aanwezig zijn, en daar de infrastructuur op ingericht hebben. Dit houdt in dat vaker – ook met bondgenoten – in Nederland zal worden geoefend en getraind. Ook zal vaker geoefend worden in de bebouwde omgeving waar gevolgen in de directe leefomgeving van inwoners merkbaar zal zijn. De investeringen van Defensie in moderner en meer materieel hebben een impact op het ruimtegebruik van Defensie. De komende jaren wordt bijvoorbeeld flink geïnvesteerd in de vervanging, uitbreiding en aanschaf van materieel, nieuwe vaar- vlieg- en voertuigen, raketartillerie en onderzeeboten en drones. Dit vraagt op verscheidene plekken om meer fysieke ruimte en om meer milieuruimte.
Daar komt bij dat sommige activiteiten van Defensie nu al ruimtelijk ‘in de knel’ zitten doordat jarenlang minder is geïnvesteerd in kazernes en terreinen, maar ook doordat er steeds meer andere ruimtevragers, zoals woningen, recreatie en windturbines in de omgeving van Defensielocaties zijn bijgebouwd. Het vergroten van de bestaande (milieu)ruimte is niet zondermeer mogelijk of wenselijk op alle locaties vanwege andere functies of belangen rondom Defensieterreinen. Bovendien is de ruimte schaars in Nederland en zijn er meerdere maatschappelijke belangen die om ruimte vragen, bijvoorbeeld in het kader van de woningbouwopgave, de energietransitie en natuurherstel. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging op verschillende schaalniveaus (nationaal, regionaal en lokaal).
1.3
Het Nationale Programma Ruimte voor Defensie en dit milieueffectrapport (planMER) Het in beeld brengen van de ruimtebehoefte, het maken van een afweging van de ruimtebehoefte voor Defensie ten opzichte van de andere opgaven en het borgen van het nieuwe ruimtegebruik van Defensie staat centraal in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD). De start van het NPRD is een nationale beleidsvisie, waarin het kabinet besluit welke behoeften kansrijk zijn én op welke locatie dit plaatsvindt. Hiervoor dienen in hoofdlijnen de belangrijkste aandachtspunten (en geen showstoppers meer) in beeld te zijn. Na vaststelling van het NPRD wordt in vervolgbesluiten (veelal rijksbesluiten) dit per behoefte meer uitgewerkt. blad 8 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Deze verdere uitwerking gaat over concrete situering van gebouwen, functies en andere ruimtelijke elementen. Op basis hiervan kan – bijvoorbeeld met ontwerpend onderzoek – gedetailleerder onderzoek naar de effecten op de fysieke leefomgeving plaatsvinden. Gezien de grote urgentie en de behoefte die bij Defensie ligt, is het redelijkerwijs te veronderstellen dat dit veelal via Rijksbesluiten (bijvoorbeeld het Besluit kwaliteit leefomgeving, luchthavenbesluiten en Projectbesluiten) wordt ingericht. Hierbij worden uiteraard zoveel mogelijk de provincies, waterschappen, gemeenten en andere instanties/organisaties betrokken om zoveel mogelijk meekoppelkansen/synergie te behalen.
1.3.1
Plan-mer als kapstok voor afweging van keuzes en participatie Om tot afgewogen en onderbouwde keuzes te komen in het NPRD, doorloopt het ministerie van Defensie een (vrijwillige) plan-mer procedure om zo effecten en alternatieven van de ruimtevraag van Defensie in beeld te brengen en te beoordelen, om deze vervolgens mee te wegen in de besluitvorming. Hierbij kunnen ook andere aspecten, zoals belangen van andere (nationale) ruimtevragers, draagvlak en kosten een rol spelen. De plan-mer vormt de start van het in beeld brengen van de gevolgen op de fysieke leefomgeving van de ruimtevragende behoeften van Defensie. In vervolgprocedures zal het belang van de fysieke leefomgeving steeds onderdeel zijn van de besluitvorming, al dan niet met een (project-)mer. In het recente verleden zijn al ruimtelijke trajecten van Defensie aangekondigd of gestart. Voor enkele van deze trajecten vindt Defensie het noodzakelijk om de ruimtebehoeften (het concentreren van ondersteunende eenheden op een ‘centrale kazerne’ of het vergroten van de capaciteit voor jachtvliegtuigen bijvoorbeeld) in een breed ruimtelijk proces met voldoende ruimte voor participatie en communicatie te doorlopen. De plan-merprocedure voorziet in dat brede ruimtelijke proces.
In de praktijk betekent het opnemen van die ruimtebehoeften dat een nieuwe alternatievenafweging plaatsvindt, met ruimte voor participatie, op basis waarvan een Voorkeursalternatief gekozen kan worden. Bij deze afwegingen zijn al uitgevoerde onderzoeken betrokken. Het planMER sluit aan bij de nationale omgevingsvisie (NOVI) en ook bij de NRD die is opgesteld voor de planmer-procedure voor de Nota Ruimte die de NOVI zal vervangen. Dit betekent dat het plan-mer alleen betrekking heeft op activiteiten in Nederland. De ruimtelijke activiteiten die noodzakelijk zijn voor de gereedstelling worden echter niet allemaal geborgd in instrumenten van de Omgevingswet. Het gaat dan om: ruimtelijke behoeften in het middelhoge en hogere luchtruim (boven 2 km hoogte), ruimtelijke behoeften in het Caribisch deel van het Koninkrijk (op de BES-eilanden en de Caribische landen binnen het Koninkrijk), ruimtelijke behoeften in de Noordzee, (deels) buiten het 12-mijlsgebied en tijdelijk of niet-structureel gebruik van locatie(s). Voor deze ruimtelijke behoeften worden aparte sporen doorlopen zoals het Programma Luchtruimherziening, het Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland en het Programma Noordzee 2028-2033, die elk eigen voorbereidingstrajecten zoals een planMER kennen.
1.3.2
Wat is een milieueffectrapportage en een planMER? In Nederland is een plan-mer verplicht voor plannen en programma’s die kaderstellend zijn voor mer(beoordelings)plichtige projecten. Dit geldt ook voor plannen en programma’s waarvoor een passende beoordeling (als significante effecten op Natura 2000-gebieden niet uitgesloten kunnen worden) moet worden gemaakt. Beide zijn van toepassing op het NPRD. De procedure van een milieueffectrapportage (mer1) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een mer is altijd gekoppeld aan een ruimtelijk besluit, bijvoorbeeld een omgevingsvisie, een programma, projectbesluit of omgevingsplan. Of en zo ja welke verplichtingen gelden voor een mer is vastgelegd in Afdeling 16.4 van de Omgevingswet en bijlage V van het omgevingsbesluit. Het verschil tussen een plan- en project-mer heeft vooral betrekking op het detailniveau en het doel. Bij een planmer gaat het om afwegingen op een hoger abstractieniveau (met dus ook onderzoek op een hoger abstractieniveau). Bij het NPRD gaat het bijvoorbeeld om het afwegen van verschillende gebieden in Nederland voor een bepaalde behoefte (bijvoorbeeld voor extra ruimte voor oefendorpen, een extra locatie voor 1
Het is gebruikelijk de afkortingen (de) mer en (het) MER te gebruiken. De afkorting mer met kleine letters staat voor de volledige procedure, de milieueffectrapportage. MER met hoofdletters staat voor het milieueffectrapport, het rapport dat hierbij opgesteld wordt.
blad 9 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
munitieopslag of andere laagvlieggebieden voor helikopters). Mede op basis hiervan kunnen keuzes voor gebieden gemaakt worden. In vervolgprocedures (en mogelijk een project-mer) wordt dan specifiek naar de nadere invulling en detaillering gekeken. Het doorlopen van een plan-mer-procedure heeft diverse doelen. Een plan-mer-procedure resulterend in het planMER is een belangrijk hulpmiddel om de gevolgen voor de fysieke leefomgeving op een volwaardige manier mee te wegen bij de uiteindelijke besluitvorming. Inzicht in de huidige staat van de fysieke leefomgeving en de referentiesituatie Om dit voor elkaar te krijgen, is 1) goed inzicht nodig in de huidige staat van de fysieke leefomgeving (op en rondom de huidige locaties van Defensie, 2) inzicht in trends (zoals klimaatverandering en woningbouwopgave) nodig en 3) autonome ontwikkelingen (beleid dat is vastgesteld en dat concreet wordt gerealiseerd) en de impact hiervan op Defensie (dit laatste wordt de referentiesituatie genoemd). Onderzoek naar effecten van alle behoeften met een ruimtevraag uit het NPRD Vervolgens worden de effecten van de behoeften van Defensie met een ruimtevraag (vanuit het NPRD) in beeld gebracht op de referentiesituatie. In het NPRD staan veel behoeften. Deze worden allemaal onderzocht op de effecten in dit planMER. Veelal zijn dit nieuwe activiteiten die op huidige Defensielocaties toegevoegd worden.
Alternatievenonderzoek voor behoeften met een bovenregionale afweging Voor dertien behoeften geldt dat deze bovenregionaal afgewogen worden in het planMER. Dit zijn activiteiten waarvan het op voorhand niet duidelijk is waar ze in Nederland zijn in te passen én die een grote impact op de fysieke leefomgeving hebben. Voor de dertien behoeften met een bovenregionale afweging worden in het planMER per behoefte alternatieven onderzocht. In hoofdstuk drie is hier nader op ingegaan. Navolgbaarheid belangrijk Tot slot geldt dat de plan-mer-procedure en het op te stellen planMER dienen ter ondersteuning van de keuzes én de besluitvorming over de (extra) ruimtebehoefte van Defensie. Het vormt ook een onderbouwing waarom bepaalde keuzes wel of niet gemaakt zijn en hoe tot een voorkeursalternatief is gekomen. In figuur 1-2 zijn de hiervoor beschreven doelen van de plan-mer bij het NPRD samengevat.
figuur 1-2: Doelen van het plan-mer voor het NPRD
1.3.3
De procedure en besluiten van het plan-mer In de Kamerbrief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (Kamerstuk 2023019968, 05-07-2023) heeft de Staatssecretaris van Defensie aangekondigd een plan-mer-procedure te doorlopen voor het Nationaal blad 10 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Programma Ruimte voor Defensie. De plan-mer-procedure bestaat uit een aantal vaste stappen zoals weergegeven in figuur 1-3.
figuur 1-3: Stappen in de mer-procedure
Openbare kennisgeving, inclusief Notitie Reikwijdte en Detailniveau: start van de mer-procedure De eerste formele stap is een openbare kennisgeving. Via deze kennisgeving wordt eenieder geïnformeerd over het voornemen van de Staatssecretaris van Defensie - in overeenstemming met de ministers die het aangaat - om een MER bij het Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) op te stellen. Om meer inhoud en context te geven aan dit voornemen, is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD maakt inzichtelijk op welke specifieke locaties de komst of toename van defensieactiviteiten zal worden onderzocht en welke alternatieve locaties voor een aantal activiteiten onderzocht worden. Ook is in de NRD toegelicht welke thema’s onderzocht worden en op welk detailniveau dit gebeurt. Op 18 december 2023 heeft het Ministerie van Defensie de NRD voor de planMER-procedure voor het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) ter inzage gelegd. Terinzagelegging Notitie Reikwijdte en Detailniveau, advies en raadpleging Na de publicatie van de openbare kennisgeving en de Notitie Reikwijdte en Detailniveau konden burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en instellingen van 18 december tot 12 februari 2024 gedurende zes weken een zienswijze sturen op de inhoud van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en het op te stellen planMER. Er kwamen ruim 2.200 zienswijzen binnen.
De zienswijzen hadden voor het grootste deel betrekking op het detailniveau van het onderzoek, wensen tot aanvullend of dieper onderzoek (met name op het gebied van geluid en gezondheid) en de selectie en afbakening van de te onderzoeken alternatieven. Omdat de plannen mogelijk milieugevolgen kunnen hebben op buurlanden, zijn ook de relevante bestuursorganen over de grens geïnformeerd en konden burgers in deze landen een zienswijzen indienen, namelijk Duitsland en België. Er worden geen effecten verwacht buiten territoriale wateren waardoor geen raadpleging van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Noorwegen nodig was. Voor deze landen geldt dat enkele activiteiten nabij de grens kunnen plaatsvinden en dus mogelijke effecten optreden. Verder zijn de wettelijke adviseurs van het Rijk geraadpleegd over reikwijdte en detailniveau van het effectenonderzoek. Het betreft de door de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen adviseurs (zoals de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Ook de Commissie voor de milieueffectrapportage is gevraagd een advies te geven hoe om te gaan met de reikwijdte en het detailniveau in het opstellen van het planMER. Hun advies is op 29 mei 2024 openbaar gepubliceerd op de website van de Commissie2. Op 23 mei 2024 is de Nota van Antwoord op de NRD gepubliceerd.
Hierin zijn de inspraakreacties (gebundeld) beantwoord en is aangegeven op welke wijze het onderzoek is aangepast op basis van de binnengekomen inspraakreacties. Na publicatie van de Nota van Antwoord zijn in de maanden juni en juli dertien informatiebijeenkomsten in alle provincies en op Vlieland georganiseerd, waarbij eenieder een nadere toelichting 2
Commissie mer (n.d.) 3779. Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. https://www.commissiemer.nl/adviezen/3779
blad 11 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
kon krijgen op het NPRD, het NRD en de Nota van Antwoord. Ook was er bij de informatiebijeenkomsten de mogelijkheid om vragen te stellen en aanvullende opmerkingen te maken. Op 29 augustus 2024 is de Nota van Reactie informatiebijeenkomsten NPRD gepubliceerd. Hierin staat beschreven wat Defensie in aanvulling op de Nota van Antwoord heeft opgehaald en zal verwerken in het PlanMER3. De adviezen en zienswijzen die gedurende de raadpleging over reikwijdte en detailniveau zijn ingewonnen, zijn na beoordeling al dan niet meegenomen in de uitvoering van de milieueffectrapportage. De inhoud van de zienwijzen en participatie en hoe hiermee omgegaan is in het plan-MER staat beschreven in hoofdstuk vier. Opstellen planMER Op basis van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en de ingewonnen zienswijzen en adviezen is dit planMER opgesteld. Dit planMER is verrijkt met informatiebijeenkomsten voor de behoeften in het hele land, feedback en aanvullingen vanuit de andere departementen en overleg met betrokken provincies en gemeenten. Vrijgave en ter inzage legging planMER samen met ontwerp-NPRD Het planMER is gelijktijdig ter inzage gelegd met het ontwerp-NPRD. Op beide documenten mag eenieder zienswijzen naar voren brengen volgens de zienswijzeprocedure.
De buurlanden (België en Duitsland) zijn over het planMER en het ontwerp-NPRD geïnformeerd en burgers hier kunnen ook een zienswijze indienen. Ook is de Commissie voor de mer gevraagd om het planMER te toetsen. Gelijktijdig met voorgaande stappen is het planMER en het ontwerp-NPRD aangeboden aan de Tweede Kamer. Vaststellen NPRD en planMER De Staatssecretaris van Defensie - stelt samen met de Minister van VRO de Nationale Beleidsvisie NPRD (inclusief planMER) vast.
1.3.4
De procedure en vervolgbesluiten na dit planMER? Nadat de minister van VRO en de staatssecretaris van Defensie de Nationale Beleidsvisie NPRD (inclusief PlanMER) hebben vastgesteld, zullen de ruimtelijke behoeften uit het NPRD nader worden uitgewerkt en planologisch worden geborgd. Hierbij zal elke behoefte een eigen besluitvormingstraject kennen met een daarbij passen planuitwerkings- en participatieproces. In MER deel B zal verder ingegaan worden op de wijze waarop de verdere besluitvorming voor de verschillende behoeften zal worden ingevuld en welke procedures hiervoor worden ingezet.
3
Ministerie van Defensie (n.d.) Download ruimte voor Defensie https://www.defensie.nl/onderwerpen/ruimte-voordefensie/downloads-ruimte-voor-defensie
blad 12 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.
De ruimtelijke staat van Defensie en opgaven
2.1
De fysieke aanwezigheid van Defensie in het land Defensie beschikte in 2023 in totaal over circa 340 objecten met een totale terreinoppervlakte van ongeveer 35.000 hectare (zie volgende tabel). Een object bestaat meestal uit vele gebouwen, werken en terreinen. De vastgoedportefeuille telt circa 11.000 gebouwen met een bruto vloeroppervlak (bvo) van meer dan zes miljoen m2. Een kwaliteitsimpuls is hierbij veelal nodig. Bijna driehonderd gebouwen hebben een monumentenstatus. Defensie is in alle provincies vertegenwoordigd, maar niet overal in gelijke mate. Het militaire gebruik van deze faciliteiten in een dichtbevolkt land zoals Nederland heeft gevolgen voor de omgeving. De activiteiten kunnen voor overlast zorgen, bijvoorbeeld op het gebied van milieu. Waar Defensie zich in Nederland vestigt of juist vertrekt, leidt dat bovendien vaak tot economische gevolgen voor de desbetreffende regio in de vorm van directe en indirecte werkgelegenheid. De ruimtelijke keuzes die Defensie maakt, spelen een belangrijke rol in de relatie tussen de krijgsmacht en de samenleving. tabel 2-1 Overzicht locatiesoorten (aantal en oppervlakte, 2023)
Locatiesoort
Aantal
Oppervlakte (hectare)
Oefen- en schietterrein
62
25.686
Vliegbasis
9
3.895
Kazerne
47
2.055
Logistieke locatie
30
479
Havenlocatie
2
381
Zend- en ontvangstlocatie
33
270
Opslaglocatie
15
256
Munitieopslaglocatie
10
309
Kantoorlocatie
116
234
Technische locatie
34
235
Trainingslocatie
11
48
Onderwijslocatie
11
150
Het directe ruimtegebruik van Defensie betreft, naast de gebouwde omgeving zoals kazernes en lucht- of zeehavens, ook een omvangrijk terreinbestand. De op de kaart weergegeven gebieden met een militair object omvatten oefenterreinen, zeehavens, luchthavens, kazernes, schietbanen op het vasteland (waarvan sommige onveilige terreinen hebben die deels ook boven water liggen), oefen- en schietgebieden op de grote wateren, objecten voor de brandstofvoorziening, zend- en ontvanginstallaties, radarstations en munitieopslagplaatsen. De weergave is niet uitputtend. Rondom sommige van die terreinen zijn gebieden aangewezen waar geen activiteiten mogen plaatsvinden die de bruikbaarheid van het militaire object kunnen belemmeren. Dit indirecte ruimtegebruik is niet zichtbaar gemaakt op de kaart. Het indirect ruimtegebruik voor de nationale veiligheid en militaire activiteiten betreft gebieden buiten de defensieterreinen waarbij militaire activiteiten beslag leggen op de gebruiksruimte in de fysieke leefomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan geluidszones, omgevingsveiligheidszones, bouwbeperkingen rondom vliegvelden, laagvliegoefengebieden en -routes en radarverstoringsgebieden met beperkingen voor de plaatsing van hoge objecten zoals windmolens.
Ook op de grote wateren (waaronder de Noordzee), liggen militaire oefengebieden of is er sprake van indirect ruimtebeslag door defensieactiviteiten.
blad 13 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
figuur 2-1 Overzicht kazernes, haven en luchtmachtbases
blad 14 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
figuur 2-2 Oefengebieden landmacht, luchtmacht en marine huidige situatie (2023)
blad 15 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.2
De opgaven voor Defensie Defensie staat voor grote uitdagingen. De uitdagingen zijn door verschillende processen ingegeven. De bezuinigingen van voorgaande jaren hebben geleid tot een achterstand in onderhoud op terreinen. Ook autonome ontwikkelingen, zoals klimaatverandering en de achteruitgang van natuurwaarden in Nederland, zijn ontwikkelingen waar Defensie direct mee te maken heeft. De komende paragrafen geven een kenschets van deze verschillende opgaven. Natuur en stikstof In maart 2022 concludeerde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (RLI) dat het in Nederland ‘ronduit slecht’ gaat met de natuur (pag. 24) (RLI, 2022). De doelstellingen die opgesteld zijn naar aanleiding van internationale afspraken worden niet nageleefd. De Nederlandse natuur staat onder druk door verschillende factoren, zoals verdroging, stikstofdeposities (en de daaraan gekoppelde verzuring en vermesting), pesticiden, versnippering en verlies van leefgebied, klimaatverandering en de komst van exoten. Door de bezuinigen van de afgelopen jaren heeft Defensie, als één van de grote natuurbeheerders, het natuurbeheer niet op niveau kunnen houden. Deze negatieve trend gecombineerd met de juridische en maatschappelijke eis om grootschalig de natuur te herstellen is een spanningsveld waarin Defensie zich bevindt.
Ondanks deze knelpunten bestaan er ook kansen voor het samengaan van Defensie activiteiten en natuur. Zo komen verschillende soorten (zoals de zadelsprinkhaan en kleine rattenbijter) enkel voor binnen Defensieterreinen, doordat oefeningen zorgen voor nieuwe dynamiek binnen oefenterreinen. Ook hebben verschillende soorten, zoals strandbroeders op Vliehors, baat bij de afsluiting van terreinen voor recreatie. Wel gaat ook de natuurwaarde binnen Defensieterreinen achteruit. Hieraan liggen veelal ontwikkelingen op een hoger schaalniveau, zoals stikstofdepositie en klimaatverandering, ten grondslag. In 2019 heeft de Raad van State het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vernietigd. Vanwege deze uitspraak is het niet langer mogelijk om vergunningen te verlenen voor activiteiten met negatieve effecten op Natura 2000gebieden. De Nieuwe Haven, kazernes en oefenterreinen op de Veluwe en de vliegbases in Noord-Brabant zijn voorbeelden van terreinen die in of in de directe nabijheid van door stikstof overbelaste gebieden liggen. Uitbreiding van activiteiten, zoals oefenen, vliegen en transport kan leiden tot meer stikstofruimte dan die nu en in de nabije toekomst beschikbaar is. De stikstofbeperkingen kunnen ook spelen bij nieuwe activiteiten, zoals nieuwbouw of verduurzaming van bestaand vastgoed. Geluid Defensie activiteiten produceren geluid.
Defensie gaat meer geluid maken doordat het aantal oefeningen naar verwachting toeneemt en nieuw materieel van Defensie niet per definitie minder geluid maakt De huidige, beperkte en niet flexibele geluidsruimte geeft beperkingen aan de operationele gereedheid van de luchtmacht. Woningbouw in de nabijheid van geluidscontouren zet druk op de strategische geluidsruimte van Defensie, maar leidt in de toekomst mogelijk ook op druk op de geluidsproductie van bestaande activiteiten. In de provincie Noord-Brabant liggen verschillende vliegbases. Deze regio heeft ook een grote woningbouwopgave. Zo is de opgave voor de regio Stedelijk Brabant, waar Breda en Tilburg onder vallen, 94.000 extra woningen.
figuur 2-3 In de paars en roodtinten de groei van de agglomeratie Eindhoven. Over het geheel is het aantal woningen binnen de invloedssfeer van de vliegbasis enorm toegenomen, maar er zijn ook hele wijken (zoals Meerhoven) tegen de geluidszone aan gebouwd.
Ook op het vlak van grondgebonden geluid (activiteiten binnen de inrichtingen zoals proefdraaien, aanmeren van scherpen en activiteiten op oefenterreinen) loopt Defensie tegen beperkingen aan. Defensie heeft op marinecomplex De Nieuwe Haven en de vliegbases grondgebonden geluid vastgelegd. In de huidige situatie zijn deze te krap voorzien. Ze zijn niet flexibel en er is geen uitbreidingsruimte. Hierdoor komt het op een
blad 16 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
verantwoorde wijze gereed stellen van eenheden in gevaar. Generieke oplossingen zijn niet voorhanden en er wordt per locatie naar een oplossing gezocht. Schietgeluid is vastgelegd in vergunningen en niet in geluidszoneringen. Dit heeft ertoe geleid dat in de afgelopen jaren bijvoorbeeld door het mogelijk maken van permanente bewoning op vakantieparken geluidsgevoelige objecten op zeer korte afstand van het oefenterrein ontstaan. Dit leidt tot ongezonde leefsituaties in de woningen én is een risico voor Defensie activiteiten. Een voorbeeld hiervan is de permanente bewoning op vakantieparken op circa achthonderd meter van het ASK. Klimaat De impact van klimaatverandering wordt steeds duidelijker. In de afgelopen honderd jaar is de zeespiegel ongeveer twintig centimeter gestegen. In de afgelopen dertig jaar is de wereldwijde zeespiegelstijging verdubbeld van 2,1 millimeter per jaar in 1993 naar 4,5 millimeter per jaar in 2023. Ook langs de Nederlandse kust gaat de zeespiegelstijging steeds sneller (KNMI, 2024). Verwacht wordt dat de zeespiegel in 2050 tot vijftig centimeter kan toenemen en in 2100 tot 1.20 meter boven het huidige niveau kan liggen. Enkele defensieterreinen, zoals de Nieuwe Haven, liggen buitendijks waardoor stappen gezet worden om de operationele gereedheid van de Marine te waarborgen. Ook vormt extreme neerslag een opgave op Defensieterreinen.
De jaarlijkse hoeveelheid neerslag is de afgelopen eeuw met twintig procent toegenomen. Er valt meer regen (én meer regen in één bui) in zowel de winter als de zomer. In de herfst en lente valt er juist minder neerslag. Zomerse hoosbuien leiden tot korte maar intense neerslag en gaan vaak gepaard met onweer, hagel en windstoten. Hemelwateroverlast op Defensieterreinen speelt lokaal bij hevige neerslag. Perioden van droogte komen naar de toekomst toe meer voor. De afgelopen eeuw is de gemiddelde jaar temperatuur met ruim twee graden gestegen. De verwachting is dat het aantal nachten met temperaturen boven de twintig graden en het aantal hittegolven sterk zal toenemen naar 2050. Het gevolg is dat het landschap op Defensieterreinen verdroogt. Dit heeft een weerslag op vliegvelden en het gebruik van oefen- en schietterreinen. Door droogte neemt de kans op natuurbranden sterk toe. Vanwege de hoge stikstofdepositie kan makkelijk brandbare vegetatie, zoals grassen en varens, zich makkelijk ontwikkelingen. De vegetatie droogt tijdens warme periodes sneller uit en vat daardoor sneller vlam. Doordat vrijwel alle oefen- en schietterreinen zich in of nabij natuurgebieden (zoals de Veluwe, de duinen en de heide gebieden van Noord-Brabant) bevinden, levert dit grotere risico’s op bij het gebruik van munitie of medegebruik door recreanten.
Dit leidt tot belemmeringen voor het oefenen in grotere delen van de zomer in oefengebieden. Erfgoed Defensie is onlosmakelijk verbonden met erfgoed. Veel defensielocaties liggen op historische plaatsen, veel complexen hebben rijksmonumentale waarde en veel oefengebieden liggen in historisch landschappelijke waardevolle en/of aardkundig waardevolle gebieden. De kwaliteit van het waardevolle vastgoed is ondermaats. Door bezuinigingen is Defensie niet in staat geweest altijd goed voor haar terreinen en objecten te zorgen. Zo verscheen het in slechte staat verkerende Fort Crevecoeur op een Europese lijst van de ‘7 meest bedreigde erfgoedlocaties in Europa’. Er zijn ook terreinen waar het defensiegebruik bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle terreinen, zoals het openhouden van stuifzandgebieden door rijdend materieel. De aanwezigheid van erfgoedwaarden vormt een aanvullende opgave naast de actuele opgaven voor energietransitie, klimaatadaptatie en verduurzaming van terreinen. Tussen vernieuwing en aanwezige waarden hoeft geen spanning te bestaan. Voor vooral gebouwd erfgoed geldt dat erfgoedregelgeving belemmerend kan werken op het verduurzamen en optimaal gebruiken van de gebouwen, bijvoorbeeld door regelgeving over toepassing van dubbele beglazing. Het beschermen en het verduurzamen brengt zo extra kosten met zich mee.
Bodem en ondergrond Bodem en water zijn sturend bij ruimtelijke keuzes in Nederland. Op diverse Defensieterreinen bestaat er een relatief groot risico op het aantreffen van niet gesprongen explosieven waardoor locaties tijdelijk niet gebruikt kunnen worden. In Nederland zijn nog veel explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond aanwezig. Op belangrijke locaties, zoals start- en landingsbanen, zijn deze veelal geruimd. Bij nieuwe ontwikkelingen op Defensielocaties kunnen bommen of andere niet gesprongen explosieven aangetroffen worden. Zo werd bij een onderzoek in het kader van de aanleg van een dropzone op vliegbasis Deelen ontdekt dat er vliegtuigbommen uit blad 17 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
de Tweede Wereldoorlog in de grond lagen. Vanwege het veiligheidsrisico zijn onverharde delen van de vliegbasis Deelen tot sanering niet te gebruiken. Een vergelijkbare situatie kan optreden bij andere sleutellocaties uit de Tweede Wereldoorlog. De kwaliteit van de ondergrond op Defensieterreinen is de afgelopen jaren verbeterd. Bekende ernstige verontreinigingen zijn opgeruimd. Er kunnen nog (kleinschalige) nieuwe verontreinigingen aangetroffen worden. Doordat er meer bekend wordt over stoffen die gebruikt zijn door Defensie kunnen nieuwe aandachtspunten voor de bodemkwaliteit ontstaan. Een dergelijke stofgroep zijn de PER- en polyfluoralkystoffen (PFAS). PFAS is door gebruik van producten, zoals blusschuim, in het milieu terecht gekomen. Mocht in de toekomst een aanscherping plaats vinden van interventiewaarden in de bodem, dan kan Defensie met veel bodemverontreinigingen te maken krijgen. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid gaat voor Defensie over risico’s die ontstaan door het gebruik, het opslaan en het vervoeren van gevaarlijke stoffen en veiligheidsrisico’s door vliegbewegingen. Er bestaan verschillende soorten calamiteiten waar omgevingsveiligheid op inhaakt: branden, explosies, of gifwolken door gevaarlijke stoffen.
Nieuwe ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat op steeds minder locaties ruimte is voor een vergroting van de risicocontour of het vastleggen van een nieuwe risicocontour. Deze ontwikkeling heeft een relatie met de woningbouwopgave van gemeenten. Gemeenten wijken door de omvang van de opgave uit naar gebieden in de directe nabijheid van veiligheidszoneringen. Hierdoor kan de mogelijkheid tot het verruimen van veiligheidscontouren verdwijnen. Energietransitie en netcongestie De energietransitie is een grote opgave voor Nederland. Ook binnen Defensie worden stappen gezet om te verduurzamen. Netcongestie ontstaat bij een grote vraag naar energie of een te groot aanbod van energie. Defensie heeft met beide manieren van krapte te maken. Veel Defensieterreinen zijn gevestigd op locaties waar het netwerk al sterk wordt belast. Dat betekent dat zowel energieopwekking als het elektrificeren van activiteiten te maken heeft met beperkingen van het netwerk. Nederlandse gemeenten hebben in regionaal verband een Regionale Energie Strategie (RES) opgesteld, waarin keuzes gemaakt worden over de omvang en locatie van grootschalige duurzame energieopwekking. De opwekking van windenergie kan een negatief effect hebben op de operationele gereedheid van Defensie, bijvoorbeeld door interferentie met radarsystemen, het beperken van ruimte voor laagvliegen op land of het oefenen op zee.
Het ministerie van Klimaat en Groene Groei werkt aan de waterstofinfrastructuur in Nederland. De infrastructuur kan enerzijds veiligheidsrisico’s met zich meebrengen voor defensieterreinen en -activiteiten. Anderzijds biedt de waterstofinfrastructuur kansen voor aansluiting, bijvoorbeeld voor brandstof voor zwaardere voertuigen.
2.3
Huidige en toekomstige staat van Defensieterreinen Voor alle thema’s van de fysieke leefomgeving is in beeld gebracht wat de huidige staat bij de bestaande Defensielocaties en -activiteiten is en wat de impact van deze thema’s op de huidige impact op de fysieke leefomgeving van Defensie is. Deze informatie is afkomstig uit het project ‘SIRI’ (Strategisch Integraal Ruimtelijk Inzicht) dat Defensie intern heeft uitgevoerd voor alle bestaande defensielocaties. Deze analyse is in dit planMER opgenomen, omdat het inzicht geeft in huidige aandachtspunten en knelpunten. Voor zes bepalende thema’s (zie figuur 2-4) is per locatie van Defensie inzichtelijk gemaakt wat de impact is van de fysieke leefomgeving op Defensie en andersom. Deze bepalende thema’s zijn veelvuldig terugkomende thema’s die bij activiteiten van Defensie een rol spelen. Hiervoor is in beeld gebracht of voor de betreffende locatie aandachtspunten zijn rondom de bedrijfsvoering. De beoordelingsschaal voor de bepalende thema’s loopt op qua urgentie, zie figuur 2-4. Geen aandachtspunt (groene kleur) betekent dat het thema geen rol speelt bij de betreffende activiteit op de betreffende locatie. Bijvoorbeeld als geen sprake is van veiligheidscontouren en/of risico’s geldt dat er geen aandachtspunten zijn op het thema omgevingsveiligheid.
Een groot aandachtspunt (rode kleur) betekent dat rondom dit thema in de blad 18 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
huidige situatie al knelpunten zijn en de druk op de omgeving en/of de Defensieactiviteit hoog is. Dit speelt bijvoorbeeld rondom enkele vliegbases. In bijlage A.VX is voor iedere provincie een overzichtskaart opgenomen met daarop de huidige staat van de leefomgeving rond de aldaar aanwezige Defensieterreinen. In de volgende kaart is ter illustratie de overzichtskaart van de provincie Noord-Brabant opgenomen.
figuur 2-4: Veelvuldig terugkomende thema’s bij activiteiten van Defensie
figuur 2-5: Huidige staat van de leefomgeving Defensieterrein provincie Noord-Brabant
Uit het voorbeeld van Noord-Brabant blijkt dat met name bij de vliegbases rondom het thema geluid grote aandachtspunten zijn. Ook zijn diverse aandachtspunten rondom klimaatadaptatie en de omgang met erfgoed en verduurzaming van bestaande gebouwen. Het voorbeeld van Noord-Brabant is in lijn met de andere provincies. In de referentiesituatie zijn deze aandachtspunten alleen maar groter geworden. Dit vraagt dan ook om meer ruimte en flexibiliteit die via het NPRD gefaciliteerd worden.
blad 19 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
3.
Ruimte voor Defensie: overzicht van de 57 behoeften
3.1
Bovenregionale behoeften en lokale behoeften
3.1.1
Hoe is het onderscheid tussen bovenregionale en locatiespecifieke behoeften tot stand gekomen Om het hoofd te bieden aan toenemende dreiging is het noodzakelijk om de benodigde ruimte die voortvloeit uit de huidige groei en mogelijke verdere structurele groei te accommoderen in Nederland. Om die aanvullende ruimte te realiseren moet het Defensiebelang breed verankerd worden in Nederland. De benoemde benodigde ruimte is divers: van moderniseren en verduurzaming van de huisvestiging tot het aantrekken van personeel. Binnen de krijgsmacht zijn 57 behoeften met een ruimtevraag geïdentificeerd die minimaal nodig zijn om de gereedstelling te waarborgen. Deze behoeften hebben hierbij een claim op fysieke en/of milieuruimte. Deze behoeften verschillen sterk van aard, grootte en impact op de ruimte. Hierbij is ook een duidelijk verschil tussen de activiteiten van de krijsmachtonderdelen. In dit planMER is onderscheid gemaakt in twee categorieën: • Bovenregionale behoeften (13 behoeften) • Locatiespecifieke behoeften (44 behoeften) Dertien Bovenregionale behoeften Voor behoeften die niet zondermeer op een bestaande Defensielocatie gerealiseerd kunnen worden, is een bovenregionale afweging nodig. Dit betreft in ieder geval de behoeften die in categorie I vallen. Ook zijn enkele behoeften uit categorie II aangemerkt voor een bovenregionale afweging.
Dit betreft behoeften waar niet één bestaande Defensielocatie in beeld is. Tot slot valt één behoeften in alle drie categorieën. Dit betreft de uitbreiding van de jachtvliegtuigencapaciteit, waar zowel naar uitbreiding op Leeuwarden en Volkel (categorie III), stationering op een bestaande Defensiebasis (categorie II) als naar stationering op een civiele luchthaven (categorie I) gekeken is. In totaal zijn dertien behoeften als aangemerkt als bovenregionaal af te wegen. Dit zijn: tabel 3-1: Overzicht ruimtevragen met bovenregionale afweging
Ruimtevraag met bovenregionale afweging I
Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden
II
Extra locatie grootschalige munitieopslag
III
Nieuwe munitieopslag SIC
IV
Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein)
V
Oefenen in verstedelijkt gebied
VI
Amfibisch oefengebied
VII
Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support
VIII
Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit
IX
Onbemande maritieme helikopters
X
Stationering en corridors drones voor cargo
XI
Laagvlieggebieden helikopters
XII
Helikopterlandingsplaatsen
XIII
Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport
In de volgende figuur zijn de dertien bovenregionale behoeften te zien. Hierbij zijn ook de diverse alternatieven (alternatieve locaties) per behoefte te zien. Deze zijn in paragraaf 3.2 nader toegelicht.
blad 20 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
figuur 3-1 Overzichtskaart bovenregionale behoeften
blad 21 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Vierenveertig locatiespecifieke behoeften Voor de meeste behoeften is duidelijk waarom deze op een bepaalde locatie kunnen/moeten plaatsvinden en niet op een andere plek in Nederland of op een geheel nieuwe plek. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met het feit dat deze behoeften sterk zijn verbonden met eenheden op een bepaalde locatie of aan een specifieke locatie gekoppeld zijn. De vierenveertig locatiespecifieke behoeften staan in de volgende tabel en figuur. tabel 3-2 Overzicht locatiespecifieke behoeften, inclusief behoeften waar locatie-varianten* voor onderzocht worden
Nr.
Locatiespecifieke behoefte
1
Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD-42.
2
Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in, boven het water en naar EHD-41.
3
Schieten met Apache en MQ-9 op Vliehors Range
4
Herziening/aanpassingen onveilige zone; nu deels nog gebaseerd op voormalige cavalerie schietkamp Vliehors
5
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Leeuwarden
6
Beperkingengebied rondom Vliegbasis Leeuwarden (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
7
Uitbreiden Schietbaan Marnewaard t.b.v. schieten dynamisch met voertuigen.
8
EHR 8 uitbreiden en gereed maken oefenen met onbemande vaartuigen op en in het water.
9
Leerfaciliteit alternatieve brandstoffen, Den Helder
10
Beperkingengebied rondom MVK de Kooy (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
11
Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer
12
Uitbreiding kazerne Heerenveen
13
Uitbreiding OT De Haar
14
Petten groei beproevingen Noordzee
15
Verplaatsen raccordement t.b.v. voertuigen 43. Gemechaniseerde Brigade Zoekgebied ‘Groot Havelte’
16
Uitbreiding faciliteiten voor schieten (Koninklijke Marechaussee) Schiphol
17
Uitbreiding raccordement ’t Harde
18
Uitbreiden Artillerie Schietamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde)
19
Artillerie Schietkamp (ASK) uitbreiden met 120 mm mortierschieten
20
Geplande opschaling Koninklijke Marechaussee Randstad Den Haag, Maaldrift uitbreiden
21
Uitbreiding raccordement Vlasakkers
22
Huisvestingen incl. faciliteiten Militaire Politie Koninklijke Marechaussee
23
Uitbreiden live firing mogelijkheden helikopters op ISK ten behoeve van niveau 3 en 4-oefeningen CLAS
24
Uitbreiding milieu en geluidsruimte ISK
25
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Markelo
26
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Klaphek
27
Extra ruimte helikopter activiteiten op MLT Deelen
28
Beperkingengebied rondom MLT Deelen (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
29
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Portugaal
30
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Volkel
31
Beperkingengebied rondom vliegbasis Volkel (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
32
Schietbaan t.b.v. Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) Vliegbasis Woensdrecht
33
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Woensdrecht
34
Beperkingengebied vliegbasis Woensdrecht (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
35
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Gilze-Rijen, gemeente Gilze en Rijen.
36
Beperkingengebied rondom vliegbasis Gilze-Rijen (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
37
Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide uitbreiden (circa 200 ha)
38
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten op RVS-kazerne Oirschot
39
Uitbreiding raccordement Acht t.b.v. voertuigen 13. Lichte Brigade
40
IBT centrum regio Eindhoven Koninklijke Marechaussee en Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie
41
Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform
42
Beperkingengebied rondom vliegbasis (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
43
Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide
44
Oefenterreinen met graafmogelijkheden uitbreiden (graven niet overal vergund)
* Met varianten worden ruimtelijke uitbreidingslocaties direct aangrenzend aan de bestaande locatie of in de directe nabijheid
blad 22 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
figuur 3-2 Overzichtskaart locatiespecifieke behoeften
blad 23 van 216
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel A - De behoeften, alternatieven en effecten projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
3.1.2
Alternatievenonderzoek in planMER Voor alle bovenregionale behoeften zijn alternatieven bepaald en onderzocht In het planMER is voor alle behoeften de impact op de fysieke leefomgeving onderzocht. In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau is aangegeven dat de meest aandacht uitgaat naar behoeften met een bovenregionale afweging. Voor alle bovenregionale behoeften zijn in de NRD alternatieven vastgesteld. Deze alternatieven zijn in dit planMER breed onderzocht naar effecten op de fysieke leefomgeving. Dit onderzoek is qua detailniveau passend bij een onderzoek in deze eerste fase van besluitvorming en is op sommige punten verrijkt met detailonderzoek dat soms verder gaat dan gebruikelijk, maar wel noodzakelijk is voor het maken van een keuze. Dit is nader toegelicht in hoofdstuk vijf. In het alternatievenonderzoek staat centraal dat de alternatieven gelijkwaardig beoordeeld worden. Het vastgestelde beoordelingskader uit de NRD, daarna verrijkt met aanvullingen uit de zienswijzen en advies van de Commissie mer, is hierbij als basis gebruikt. Op basis van dit onderzoek heeft Defensie een keuze kunnen maken tussen voorlopig kansrijke en niet meer kansrijke alternatieven. Waar nodig zijn deze kansrijke alternatieven nog nader geanalyseerd, zodat Defensie een Voorkeursalternatief kan bepalen.