Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Verkennend bodemonderzoek Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen bestaat er géén reden deellocatie A. ,
voor een
nader onderzoek
van
Wat betreft locatie B zijn er gelet op de aangetoonde sterke verontreiniging op de locatie mogelijk sanerende maatregelen nodig teneinde het terrein geschikt te maken voor het voorgenomen gebruik (wonen). Derhalve wordt conform het onderzoek geadviseerd om de aard en de omvang van de vastgestelde verontreinigingen met zware metalen ter plaatse van boorpunt B06 nader te onderzoeken. Met betrekking tot sterke tot lichte verontreinigingen met zware metalen in het grondwater bij beide peilbuizen wordt ,
,
geadviseerd met verwijzing naar het beleid van de gemeente Someren zoals vastgelegd in de Nota Bodembeheer van de gemeente Someren geen verdere actie te ondernemen. Echter wordt afgeraden om het freatisch grondwater te gebruiken ,
,
,
besproeiing van gewassen veedrenking of consumptie. Voor de lichte xylenenverontreiniging bij peilbuis B01 en lichte naftaleenverontreiniging bij peilbuis B02 is vooralsnog geen verklaring. voor
12/17
,
basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Er zijn
op
,
Aanvullend onderzoek boorpunt B06 Gezien het toekomstig gebruik groenvoorziening en het feit dat de puntverontreiniging niet in de bovengrond is geconstateerd kan worden gesteld dat er geen reden is tot directe sanering. Het werken met en in verontreinigde grond is echter aan regels gebonden. Als er in de toekomst grondroerende activiteiten plaatsvinden in de directe omgeving van de verontreiniging dient hiermee rekening gehouden te worden. Het mengen van sterke verontreiniging met de omliggende bodem moet te allen tijde voorkomen worden. ,
,
Aanvullend onderzoek diverse deellocaties Op basis van voorgaande onderzoeken en in afstemming met gemeente en Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is voor diverse deellocaties aanvullend onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het aanvullend bodemonderzoek geven géén aanleiding tot een verder nader onderzoek. De deellocaties A en B voldoen aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en daarmee aan de gestelde eisen in het omgevingsplan van de gemeente Someren. De op de locatie aanwezige stortingen komen echter niet voor toepassing op de locatie in aanmerking en conform het rapport wordt geadviseerd deze als samengestelde partij aan te bieden aan een erkende innemer (BRL9335 gecertificeerde grondbank). Tevens dient de situatie van de zuid- en noordzijde van de schuur deellocatie C en D opnieuw beoordeeld te worden bij aanvang van de bouwactiviteiten op het noordelijke terreindeel. Vanuit het rapport wordt geadviseerd deze verontreiniging bij de eerst mogelijke gelegenheid te verwijderen. ,
,
Water Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden bergen en afvoeren); ,
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden scheiden zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; ,
,
De waterbergings-/compensatieopgave baseren op de toename in het verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan m 2 en een
van
m.2
toekomstig oppervlak 6. 590 toename van 4. 450 Voldoende bergings- en afvoercapaciteit te creëren zodat bij T=100 (80 mm in 1 uur) een
Compensatieopgave 527
m;3
Waterbergingsopgave 796 m;3 De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur; Rekenwaarde infiltratiecapaciteit 10 m/dag; Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; GHG ingeschat op 2550 m +NAP; Calamiteit in beschouwing nemen (bui 80 mm in 1 uur mag niet tot overlast leiden maximaal 20 cm water op straat); Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. ,
,
,
Het aspect water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van waterberging opgenomen. Hiermee is de haalbaarheid ten aanzien van het beleid geborgd en kan worden gesteld dat water geen belemmering vormt voor vaststelling van het bestemmingsplan.
13/17
3. 4
Natuur
Gebiedsbescherming Met behulp van het rekenprogramma AERIUS-calculator (versie 2024) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit de berekeningen voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 000 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000,
gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Uit de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied mogelijk beschermde verblijfsfuncties voor vleermuizen vervuld. Het is daarmee niet uit te sluiten dat met de beoogde herontwikkeling vaste rust- en verblijfplaatsen verloren gaan en daarmee verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. In navolging hierop is een aanvullend
onderzoek vleermuizen uitgevoerd. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Bij inspectie rondom en binnen de bebouwing zijn geen sporen (keutels vetvegen afgebeten insectenvleugels enz. ) gevonden die aan vleermuizen toegekend kunnen worden. Ook zijn geen uit- of invliegende vleermuizen gezien of is zwermgedrag waargenomen. Paarverblijfplaatsen zijn niet vastgesteld. ,
,
,
Op basis van de uitgevoerde nadere onderzoeken kan gesteld worden dat het plangebied afdoende is onderzocht op aanwezigheid van verblijfsfuncties voor vleermuizen. Uit de onderzoeken is gebleken dat binnen de bebouwing geen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Hiermee is het nader onderzoek afgesloten. Verdere procedures in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet aan de orde.
3. 5
Luchtkwaliteit
In het kader van het aspect luchtkwaliteit wordt uitgegaan van een (worst-case) aandeel vrachtverkeer van 10%. In de nibmtool (versie 2023) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat de verkeerstoename van 1001 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 016 µg/m³ en van fijnstof van 002 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. ,
,
,
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Boerenkamplaan is de maatgevende weg. Uit de tool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO)2 en fijn stof (PM 10 en PM) 25 langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een ,
aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
3. 6
Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid
Externe veiligheid Conform de risicokaart (figuur 3. 1) vindt in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het water de weg of door buisleidingen met een externe werking plaats. De invloedsgebeden en PR 10 -6 contouren liggen niet over het plangebied. ,
14/17
Figuur 3. 1 Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied(Bron: Atlas Leefomgeving) De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3. 7
Cultuurhistorie en archeologie
Archeologie Op grond van het archeologisch booronderzoek kan worden geconcludeerd dat er nog archeologische resten binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht
,
is in dit stadium
karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. In het kader
een
het bestemmingsplan kan het plangebied daarom nog niet volledig worden vrijgegeven en blijven de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' die gelden op basis van de bestemmingsplannen 'Someren-Eind' en 'Buitengebied Deelgebied 2' van kracht. Hiermee wordt de onderzoeksverplichting voor het vervolgonderzoek doorgeschoven naar de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. van
Het plangebied kan dus nog niet volledig worden vrijgegeven op het gebied van archeologie. Vervolgonderzoek is noodzakelijk in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. Voor het bestemmingsplan wordt volstaan met het overnemen van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' die gelden op basis van de bestemmingsplannen 'Someren-Eind' en 'Buitengebied Deelgebied 2'.
15/17
Cultuurhistorie Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie niet is gelegen binnen een gebied met provinciaal cultuurhistorisch belang. Onderhavig initiatief aan Boerenkamplaan 110 is daarbij kleinschalig van aard en draagt geen noemenswaardige bijdrage aan eventueel cultuurhistorische waarden.
3. 8
Aanlegwerkzaamheden
Gelet
op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten zoals geluid- en stofoverlast ten tijde van de werkzaamheden. ,
,
3. 9
Mitigerende maatregelen
Voor dit plan zijn voor zover bekend geen mitigerende maatregelen noodzakelijk.
16/17
4. CONCLUSIE
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m. e. r. -procedure is niet noodzakelijk.
17/17
Bijlage 5
67/948
Archeologisch bureau-
en
verkennend booronderzoek
RAPPORTAGE
archeologisch bureauonderzoek
en
verkennend
booronderzoek Boerenkamplaan 110 te Someren-Eind
,
in de gemeente Someren
Econsultancy”
Rapport archeologisch bureauonderzoek Boerenkamplaan
en
verkennend
booronderzoek
110, te Someren-Eind in de gemeente Someren
Opdrachtgever
Rho Adviseurs
voor
leefruimte
Torenallee 20 5617
Eindhoven
Rapportnummer
21630.002
Versienummer?
2
Datum
15
Kwaliteitscontrole
Versie
1
betreft
een
september
2023
(geanonimiseerd)
Opsteller?
1
BC
rapport
waarvan
geen
beoordeling van de bevoegde overheid
is ontvangen,
bij versie
2 is het
rapport wel beoordeeld
eisen
het kwaliteitssysteem wordt
door de bevoegde overheid. ?
In
AVG onze
rapportages wordt
niet
gewerkt
met
handtekeningen en/of parafen. Conform protocol
en
uit
rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
aan
derden,
bijlagen
het met
Econsultancy Archeologisch Rapport
KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001 4002 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. ,
,
CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. ,
BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem waardoor het op basis van de resultaten van een booronderzoek onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. ,
,
,
,
,
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet prevaleert boven de AVG. ,
,
,
RECHTEN © Econsultancy bv Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv tenzij anders vermeld. ,
,
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze hetzij elektronisch mechanisch door fotokopieën opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING
2
BUREAUONDERZOEK 2. 1 2. 2 2. 3 2. 4 2. 5 2. 6 2. 7 2. 8 2. 9
3
. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. ... . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
Doelstelling en onderzoeksvragen Methoden Afbakening en huidige situatie van het plangebied Toekomstige situatie Aardwetenschappelijke gegevens Archeologische waarden Beschrijving van het historische gebruik Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Conclusie bureauonderzoek
BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN
1
1 1 2 4 4 8 10 13 16
.. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . . .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .
.. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. . . .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. . .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. ... . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . ... . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
.. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
Doelstelling en onderzoeksvragen Methoden Resultaten Conclusie veldonderzoek
17
.. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
17 17 17 19
.. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .
19
.. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. ... . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .
.. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
CONCLUSIE EN ADVIES
LITERATUUR
1
.. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. ... . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK 3. 1 3. 2 3. 3 3. 4
4
. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. ... . .. .. .. .. .. .. .. .
TABELLEN Tabel 2. 1 Tabel 2. 2 Tabel 2. 3 Tabel 2. 4 Tabel 2. 5 Tabel 3. 1 Tabel 3. 2
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw boringen 1 t/m 4 Hoofdlijn bodemopbouw boringen 5 t/m 7
FIGUREN Figuur 3. 1. Boring 1 te lezen van rechts naar links. Figuur 3. 2. Boring 7 te lezen van rechts naar links. , ,
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16. Kaart 17.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25. 000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50. 000 van Nederland Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit 1817 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1901 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1929 Het plangebied op de topografische kaart uit 1953 Het plangebied op de topografische kaart uit 1963 Het plangebied op de topografische kaart uit 1988 Het plangebied op de topografische kaart uit 1994 Het plangebied op de topografische kaart uit 2019 Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3.
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen
Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7.
Bewoningsgeschiedenis AMZ-cyclus Planontwerp Boorstaten
van
Nederland
5
Econsultancy
ADMINISTRATIEVE
GEGEVENS
PLANGEBIED
Projectcode
21630.002
Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor
Toponiem
Boerenkamplaan
Plaats
Someren-Eind
Gemeente
Someren
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Someren,
Omvang plangebied
Circa
14.670
Kaartblad
57 F
(1:25.000)
Centrumcoördinaten
Archeoregio
(X/Y)
NOaA
Bevoegde overheid
Deskundige
namens
de bevoegde overheid
Uitvoeringsperiode
110
sectie
T, percelen
178.978/Y:
en
1529
en
2142
4:
Brabants zandgebied
374.468
(geanonimiseerd) 2023
(geanonimiseerd) ARCHIS3
Bureauonderzoek: 5429085100 Booronderzoek: 5429093100
Beheer
923,
m?*
X:
Mei
Uitvoerders
Onderzoeksmelding
leefruimte
plaats documentatie
Econsultancy
en
op termijn het provinciaal depot
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte in mei 2023 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Boerenkamplaan 110 te Someren-Eind in de gemeente Someren. ,
In het plangebied zullen nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet eerst een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) de Wet ruimtelijke ordening (Wro 2006) en de Erfgoedwet (2016). ,
,
,
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden. ,
,
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. ,
Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is er een lage tot middelhoge verwachting op het aantreffen van resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum. Voor het Neolithicum tot en met de VroegeMiddeleeuwen is er een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten. Voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is er een lage archeologische verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een eerddek met hieronder een C-horizont van dekzandafzettingen. In boringen 1 tot en met 4 begint deze C-horizont op 050 – 070 m -mv. In boringen 5 tot en met 7 is in de bovenste laag de top van de C-horizont opgenomen in het eerddek. Aangezien het alleen om de top gaat blijft de trefkans op archeologische sporen behouden. De gespecificeerde archeologische verwachting zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek is door het booronderzoek dan ook bevestigd. ,
,
,
,
,
21630. 002 versie 2
Conclusie Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Advies Op grond van het archeologisch booronderzoek kan worden geconcludeerd dat er nog archeologische resten binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. ,
Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is op grond van de gebruikte onderzoeksmethode geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Someren) die vervolgens het advies over neemt of niet. ,
,
,
Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Someren wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden dan blijft er conform artikel 5. 10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap c. q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Someren op de hoogte te stellen. ,
,
,
,
,
21630. 002 versie 2
,
8
Econsultancy
INLEIDING
1
Econsultancy heeft plangebied
een
deze
derdeel moet
opdracht van de
de
ook
ologisch
en
maken,
Erfgoedwet (2016).
Het
archeologisch
eerst
moet
welke
onderzoek vloeit voort uit het
advies gegeven
een
archeologisch
gemeente
onderzoek
Someren.
De
uitgevoerd
voor
initiatiefnemer
heeft
bestemmingsplan
worden
opgesteld.
ruimtelijke onderbouwing
worden
opgesteld.
archeologische
ingrepen
waarden
op deze Malta
middel
binnen
archeologische
(1992),
onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek
wordt
een
nieuw
een
een
Verdrag van
(IVO-overig, verkennende fase) door
onderzoek
moet
het effect is van eventuele
wat
leefruimte
voor
in Someren-Eind,
bestemmingsplanprocedure
de
zoek
te
inzichtelijk worden gemaakt
verwacht
110
te realiseren.
ontwikkeling mogelijk van
Rho Adviseurs
Boerenkamplaan
woningen
voornemens
Om
in
aan
de Wet
het
waarden.
kunnen
on-
Hierbij worden
De noodzaak tot arche-
ruimtelijke ordening (Wro, 2006)
(hoofdstuk 2) en een
boringen (hoofdstuk 0). Op
van
of vervolgstappen
plangebied
Als
en
inventariserend veldonder-
basis
van
de
resultaten
het
van
noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4).
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | (Senior Prospector (geanonimiseerd) (Senior Prospector). rapport gecontroleerd zo: Prospector (geanonimiseerd) (Senior
Het
archeologisch
onderzoek
is
MA
EN
KNA
2
in mei
KNA
Het
nior KNA
uitgevoerd
2023
door
me-
i
en
is
KNA
Se-
en
Archeoloog).
BUREAUONDERZOEK
Doelstelling
2.1
Het doel het
van
het
en
onderzoeksvragen
bureauonderzoek
plangebied.
gische
en
Hiervoor
wordt
(cultuur}historische
is het
opstellen
van
inventarisatie
een
gegevens. Aan de
een
gespecificeerde archeologische verwachting
gemaakt
hand
van
van
bekende
aardwetenschappelijke,
deze inventarisatie wordt het
voor
archeolo-
gespecificeerd
archeo-
logisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2
Het
Methoden archeologisch
19-02-2018)
en
(KNA,
4.1,
versie
onderzoek
volgens
de
uitgevoerd
is
eisen
19-02-2018,
en
normen
is ondergebracht
versie
4 Ò
2
grond
zoals aangegeven
in de
protocol 4002),
(CCvD) Archeologie en
21630.002
onder certificaat op
die
is
vastgesteld
van
de
BRL SIKB 4000
Kwaliteitsnorm
door
het
Centraal
(KNA,
versie
4.1,
Nederlandse
Archeologie
College
Deskundigen
van
bij het SIKB te Gouda.
R
DG uw
bea Lr ©)
1/20
Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01 LS02 LS03 LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. 3 ,
,
,
Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: •
• • • •
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •
2. 3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Someren; plaatselijke (amateur-)archeoloog c. q. heemkundevereniging. ,
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Boerenkamplaan 110 in het buitengebied ten noorden van Someren-Eind in de ge2 meente Someren en heeft een oppervlak van circa 14. 670 m(zie kaart 1). Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) rond 27 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: ,
,
3 SIKB.
21630. 002 versie 2
2 / 20
178. 978 en Y: 374. 468. Het plangebied is kadastraal bekend al gemeente Someren sectie T en beslaat percelen 923 1529 en 2142 (zie kaart 2). ,
,
Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als grasland. Het oostelijke gedeelte is momenteel bebouwd (zie kaart 3). De omliggende percelen zijn eveneens in gebruik als grasland of bebouwd. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Someren-Eind Someren (vastgesteld op 27-06-2012). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan: 2.
500 m 2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld. 4 ,
Volgens de gemeentelijke beleidskaart ligt het oostelijke gedeelte van het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5) het westelijke gedeelte van het plangebied ligt in gebied met een hoge archeologische verwachting (categorie 4) en de noordwestelijke zone is een zone zonder archeologische verwachting (zie kaart 4). Daarnaast is er in het noordwestelijke gedeelte een deel niet gekarteerd omdat het in bebouwd gebied ligt. 5 ,
,
Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek is het omgevingsloket van Noord-Brabant geraadpleegd. 6 Binnen het plangebied zijn is een bodemonderzoek uitgevoerd waaruit is gebleken dat er asbest binnen het plangebied aanwezig is. ,
,
Te gelijker tijd met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend.
4 Portaal voor
Ruimtelijke Plannen. basiskaart gemeente Someren 2015. 6 Omgevingsloket Noord-Brabant. 5 Archeologische
21630. 002 versie 2
3 / 20
2. 4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zijn nieuwbouwwoningen gepland. De nieuwbouw wordt in drie fasen gebouwd waarvan de te bebouwen gebieden van fasen 1 en 3 door middel van dit archeologisch onderzoek worden onderzocht. Tijdens deze fasen worden twee-onder-één-kap woningen en appartementen gebouwd. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is nog onbekend (zie bijlage 6). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. ,
Figuur 2. 1. Verschillende fasen.
2. 5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. ,
De volgende aardwetenschappelijke Tabel 2. 1
gegevens
zijn bekend van het plangebied:
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
21630. 002 versie 2
4 / 20
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie 7
Formatie van Boxtel , Laagpakket van Wierden (ongedifferentieerd); dekzand en overige periglaciale afzettingen (BX4)
Geomorfologie 8
Noordelijke gedeelte: dekzandwelvingen Overige gedeelte: extrapolatie: dekzandwelvingen
Bodem 9
Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand
Grondwatertrap
Oostelijke gedeelte: niet gekarteerd Westelijke gedeelte: VII
Landschappelijke ontwikkeling Gedurende de laatste ijstijd genaamd het Weichselien (115. 000 – 10. 000 jaar geleden) had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland waaronder ook binnen het plangebied een pakket dekzand afgezet. 10 De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal (73. 000 – 12. 500 jaar geleden) in horizontaal gelaagde pakketten afgezet. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat-Glaciaal (14. 650 – 11. 650 jaar geleden) afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Hieronder valt ook het Oude dekzand. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich in een uitgestrekt gebied met afzettingen van de Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek. 11 ,
,
,
,
,
,
In het Holoceen (vanaf circa 10. 000 jaar geleden tot heden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol door beweiding afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Op 2 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich het dichtstbijzijnde stuifduinencomplex. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. 12 De dichtstbijzijnde beek de Aa ligt op ruim 1 kilometer ten oosten van het plangebied. ,
,
,
,
,
7 De
Mulder et al. , 2003. Geomorfologische kaart , 2019. 9 BRO Bodemkaart , 2018. 10 De Mulder et al. , 2003. 8 BRO
11
Berendsen 2008.
12
Berendsen , 2008.
21630. 002 versie 2
5 / 20
DINO Het Dinoloket 13 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen grondwatergegevens sonderingen geo-elektrische metingen resultaten van geologische geochemische en geomechanische monsteranalyses boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. ,
,
,
,
,
,
In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 14 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit zeer fijn zand. Dit zeer fijne zand wijst op de aanwezigheid van dekzand wat overeenkomt met de geologische en geomorfologische kaart. ,
Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het noordelijke gedeelte van het plangebied binnen dekzandwelvingen (zie kaart 5). Het overige gedeelte is niet gekarteerd omdat het zich binnen de bebouwde kom van SomerenEind bevindt. Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied eveneens ligt binnen dekzandwelvingen. ,
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland 15 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied 27 m NAP (zie kaart 7). Kijkend naar de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dekzandwelving. Op de AHN is te zien dat deze welving van noord naar zuid loopt. Enkele hogere locaties binnen deze welvingen zijn gekarteerd als dekzandruggen (circa 285 NAP). Ongeveer 900 meter naar het oosten loop het gebied af naar een hoogte van circa 24 NAP. Dit gebied is gekarteerd als een beekdalbodem van de beek de Aa. Op ongeveer 450 meter ten westen van het plangebied ligt een vlakte van ten dele verspoelde dekzand op een hoogte van circa 265 m NAP. ,
,
,
Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50. 000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zie kaart 8) Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen ,
,
,
13 Dinoloket. 14 DINO boornummers B57F0423 en B51H0522. 15 PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand
21630. 002 versie 2
Nederland 3 WCS.
6 / 20
het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20 e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 e en de 12 e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen. 16 van
,
Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50. 000) weer,
gegeven.
Tabel 2. 2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2. 2
Grondwatertrappenindeling 17
Grondwater-
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII "
VIII
GHG (cm -mv)
-
< 40
< 40
> 40
< 40
40-80
> 80
> 140
GLG (cm -mv)
< 50
50-80
80-120
80-120
> 120
> 120
> 120
-
trap
') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden " ) Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven " zeer droog deel " heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld 16 Doesburg et al. , 2007. 17 Locher & De Bakker , 1990.
21630. 002 versie 2
7 / 20
Doordat het oostelijke gedeelte van het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Someren bevindt is de grondwatertrap niet gekarteerd. Het westelijke deel van het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met grondwatertrap VII. 18 Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. ,
2. 6
Archeologische waarden
AMK-terreinen , onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 19 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 9 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. ,
,
AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit zeldzaamheid representativi-teit ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terrei-nen met archeologische waarde een hoge archeologische waarde een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. ,
,
,
,
,
Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen. Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zeven archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 2 en kaart 9). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang dus de booronderzoeken proefsleuvenonderzoeken archeologische begeleidingen en opgravingen. Bureauonderzoeken worden buiten beschouwing gelaten. De twee dichtstbijzijnde en meest representatieve onderzoeken zijn hieronder verder uitgeschreven. ,
,
,
Onderzoeksmedingsnummer 2367285100: Proefsleuvenonderzoek Someren-Eind ’t Vaartje noordoosten van het plangebied 20
18 BRO Grondwaterspiegeldiepte
,
250 meter ten
Model , NGR/WER , 2021. Archis3 , Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) , Amersfoort
19 Archeologisch informatiesysteem 20
Weerden 2012.
21630. 002 versie 2
8 / 20
In het plangebied zijn in totaal tien proefsleuven aangelegd. De natuurlijke ondergrond laat zien dat het terrein in het verleden matig geschikt is geweest voor bewoning. De nog aanwezige B- en E-horizonten duiden op (periodiek) natte omstandigheden. De beakkering lijkt ter plaatse van het plangebied pas vrij laat in de Nieuwe tijd op gang gekomen te zijn. Vrijwel alle sleuven bevatten sporen van grondverbetering en/of diepploegen. Relevante oudere sporen zijn slechts mondjesmaat aanwezig. In een aantal sleuven komen greppels voor waarvan de oriëntatie identiek is aan die op de kadastrale minuutkaart van 1832. Daarnaast komt een slecht geconserveerd (of matig benut) karrenspoor voor. Er is weinig vondstmateriaal aanwezig hetgeen eveneens op een late ingebruikname van het plangebied als akker wijst. Naar verwachting zal er als gevolg van de geplande werkzaamheden dan ook geen verstoring van archeologische waarden optreden. Derhalve is er geen vervolgonderzoek nodig. ,
,
,
,
Onderzoeksmedingsnummer 4925468100: Proefsleuvenonderzoek Someren-Goede vaart 325 meter ten zuidoosten van het plangebied 21 Uit vooronderzoek is gebleken dat er sprake is van een intacte top van de C-horizont. Om de archeologische verwachting uit het vooronderzoek te toetsten is er een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. In het plangebied zijn veertien proefsleuven aangelegd met een totaaloppervlakte van 4. 619 m 2 Uit het onderzoek is gebleken dat het overgrote deel van de sporen in het plangebied te maken hebben met de ontginning van het terrein. Ook zijn er twee oude perceleringsgreppels enkele zandwinningskuilen en verschillende karrensporen aangetroffen. Slechts enkele vondsten zijn tijdens het proefsleufonderzoek gedaan. Naast de archeologische sporen zijn in het plangebied twee kuilen met asbest aangetroffen. Verwacht wordt dat bij de ontwikkeling van het plangebied meer van dit soort kuilen aangetroffen kunnen worden. Op basis van de aangetroffen grondsporen en vondsten wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van een archeologische vindplaats. Op grond van deze conclusie wordt aan de bevoegde overheid geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor verdere werkzaamheden. ,
.
,
Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 3 en Kaart 9). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. Vondsten die zijn aangetroffen zijn onder meer vuurstenen kernen een fragment van een vuurstenen spits en een slijpsteen. ,
Andere bronnen Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant 22 heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het 21
Pasteels 2021.
22 Brabant. nl.
21630. 002 versie 2
9 / 20
bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap. Wetenschappelijke publicaties , archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn wetenschappelijke publicaties en het archief geraadpleegd in de vorm van archeologische rapportages en bouwdossiers. Het provinciaal archeologisch depot is niet geraadpleegd aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. ,
2. 7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.
21630. 002 versie 2
10 / 20
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2. 3
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Kadastrale minuut 23
1811-1832
Gemeente So-1:2. 500 meren , Sectie
D , Blad 1
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Grotendeels weiland en enkele hoekjes van het plangebied bouwland.
Weiland , bouwland , hakhoutbos en heidegebied.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1901
709
1:50. 000
Bouwland. Door het midden loopt van noord naar zuid een weg. Deze weg heeft een kleine afsplitsing welke ook door het plangebied loopt.
Rond het plangebied liggen vele wegen. Kavels in het noorden en oosten zijn voornamelijk in gebruik als bouwland. Naar het zuiden komt meer grasland voor en ten zuidwesten is heidegebied aanwezig. Ten oosten loopt een kanaal (Zuid-Willemsvaart) en hier parallel aan loopt een verharde weg. Voornamelijk langs de huidige Boerenkamplaan (loopt naar Someren) liggen rond Someren veel gebouwen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1929
709
1:50. 000
Vergelijkbare situatie als in
Boerenkamplaan is verhard. Veel voormalig grasland is in gebruik als akkerland.
Topografische kaart
1953
Topografische kaart
1901.
1963
57 F
57 F
1:25. 000
1:25. 000
In het oosten van het plange-Veel bebouwing aanwezig
bied is bebouwing aanwezig. De aftakking van de weg is niet meer aanwezig.
langs de Boerenkamplaan in Someren-Eind.
De bebouwing in het oosten
Ten zuidwesten is een wijk
van
het plangebied is flink uitgebreid.
gerealiseerd , waardoor de bebouwing is toegenomen.
Topografische kaart
1988
57 F
1:25. 000
Bebouwing is vergelijkbaar. De weg is niet meer aanwezig en het plangebied is voor een groot deel in gebruik als grasland.
Bebouwing neemt verder toe.
Topografische kaart
1994
57 F
1:25. 000
Vergelijkbare situatie als in 1988.
Direct ten zuiden is een wijk gerealiseerd.
Vergelijkbare situatie als in
Bebouwing is wederom flink
1994.
toegenomen.
Topografische kaart
23 Beeldbank
2019
57 F
1:25. 000
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
21630. 002 versie 2
11 / 20
8
Econsultancy
basis
Op
in het
noord
naar
bied
het beschikbare
van
bied
liep.
begin zuid
de
van
een
gedetailleerde
19°
in
eeuw
gebruik
Deze weg had
weg.
op de kaart
1901
van
(zie
Door het
een
kleine
tabel
2.3}
is te zien dat het
midden
van
het
plangebied liep van
afsplitsing welke
De
kaart
gebruik
In de
1988 laat
van
als
was
omgeving
dat de weg
zijn
grasland. het
van
oosten
van
het
voor en
ten
zuidwesten
plangebied
in
als akkerland.
Eind.
de kaart
Op
gebouwen van
het
van
tot
heden
de kaart
ook door het
plange-
1953 is te zien dat in het
van
op de kaart
heidegebied aanwezig.
In 1953
in de
plangebied
veel
jaren
gebouwen
het
plangebied voor
een
groot gedeelte
Kavels ten noorden
Naar het zuiden
huidige Boerenkamplaan lagen verhard
was
van
het
en
op de kaart
gerealiseerd.
aanwezig.
De
kwam
de Zuid-Willemsvaart al
bebouwing aanwezig langs
hierna steeds verder toe waren
de
was
Boerenkamplaan
1963 is te zien dat ten zuidwesten
neemt
dat
als bouwland.
Ten oosten
ook veel
was
en
1901 al veel wegen
van
Voornamelijk langs
1929 is te zien dat de
van
was
vergelijkbaar.
voornamelijk in gebruik
verharde weg.
gebouwen. Op
aanwezig
meer
blijft
waren
waren
was
de kaart
was
niet
Deze situatie
plangebied
parallel aan liep een gebruik
in gebruik als bouwland.
plange-
het
van
in
was
in die
kaartmateriaal
als weiland.
was
gebied tijd Op plangebied bebouwing aanwezig was. Daarnaast was de aftakking van de weg binnen het plangebied niet meer aanwezig. Tien jaar later was de bebouwing in het oosten van het plangebied flink uitgebreid. oosten
Daarnaast
het
historische
plangebied van
uitbreiding
en
de
1994
in het
binnen Someren
dat veel
veel
voormalig grasland in Someren-
gerealiseerd.
was
grasland
gerealiseerd en hier
Boerenkamplaan
wijk
een
meer
en
Het aantal
is te zien dat direct ten zuiden
omliggende gebied
bleef zich
ook
in de laatste decennia voordoen.
Bouwhistorische
gegevens
Bij de gemeente
Someren
(geanonimiseerd) erv meerdere cm
is het
blijkt dat de huidige bebouwing keren
uitgebreid.
(geanonimiseerd)
gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoo
Onder de
1949 tot 1969 is gebouwd.
van
bebouwing
zit
een
poerfundering
In deze 40
van
tot
cm
periode
is het
plangebied
80
diep
22 tot 65
cm
en
breed.
Tabel 2.4
geeft
Tabel 24
Verleende
een
opsomming
de verleende
van
voor
het
plangebied.
bouwvergunningen
Jaartal
Omschrijving
1949
Plan tot het bouwen
van
Gebouw
m
cm
is 8
m
bij 18
een
met
kousenfabriek,
poerfundering van
een
80
cm
diep en elk
40 tot 60
breed.
Bestektekening uitbreiding Tricotage fabriek,
1954
Onder van
een
0,65
m
gedeelte -mv
en
zit
een
22 tot 50
kelder cm
van
3,00
m
diep. Poerfundering stampbeton
breed.
Bestektekening uitbreiding Tricotage fabriek,
1954
21630.002
bouwvergunningen
versie
2
4 Ò
R
DG uw
bea Lr ©)
12/20
Oprichten opslagloods.
1955
Geen fundering. 1961
Veranderen van een textielfabriek.
1967
Oprichten van een magazijn. 1525 , m breed en 1755 , m lang. Poerfundering ruim 40 cm diep en 55 cm breed.
1969
Veranderen en vernieuwen van een confectieatelier. Er wordt een nieuwe zijgevel gebouwd (831 , m bij 2290 , m) , waarbij de fundering 80 cm diep is en 65 cm breed.
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn is een aantal publicaties geraadpleegd. 24 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. ,
Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging De Vonder d. d. 9 mei 2023 maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. ,
,
2. 8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2. 5
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t. o. v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag – Middelhoog
Kampementen , vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Mesolithicum
Laag – Middelhoog
Kampementen , vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Neolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen , grafvelden , rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk , natuursteen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
24 Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Ruimingskaart.
21630. 002 versie 2
13 / 20
gebruiksvoorwerpen , houtskool en gebruiksvoorwerpen. en vuurstenen
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen , grafvelden , rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk , natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen , metaalresten , houtskool , botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
IJzertijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen , grafvelden , rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk , natuursteen , metaalresten , glasresten , houtskool , botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Romeinse tijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen , grafvelden , rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk , natuursteen , metaalresten , glasresten , houtskool , botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk , metaalresten , glasresten , houtskool , botresten , organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Late-Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk , metaalresten , glasresten , houtskool , botresten , organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk , metaalresten , glasresten , houtskool , botresten , organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Uit de landschappelijke ligging op een dekzandwelving blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit het Paleolithicum en Mesolithicum. ,
Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht visserij en het verzamelen van onder andere noten vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden de gradiëntzone en ,
,
,
,
21630. 002 versie 2
,
14 / 20
dichtbij water zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 25 Het plangebied ligt verder van de beek de Aa dan de locatie waar de vondsten uit deze perioden zijn aangetroffen. Daarnaast waren er in de nabijheid gunstigere locaties beschikbaar voor de jagers en verzamelaars dan de locatie van het plangebied namelijk in de gradiëntzone dichter bij de beek. Daarom is er een lage tot middelhoge archeologische verwachting opgesteld voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. ,
,
Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. 26 Het plangebied ligt op een gunstige locatie voor de vestiging van landbouwers namelijk op hoger liggende dekzandwelvingen. Echter zijn er binnen het onderzoeksgebied geen archeologische vondsten bekend en ook bij de gravende onderzoeken zijn geen sporen aangetroffen. Daarom hebben de perioden Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen een middelhoge archeologische verwachting gekregen. ,
,
Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 27 Someren-Eind ligt buiten de historische kern van Someren en de kans is klein dat er binnen het plangebied bewoningsresten uit de Late-Middeleeuwen aanwezig zijn. Daarom is er een lage archeologische verwachting opgesteld voor de Late-Middeleeuwen. De Nieuwe tijd heeft ook een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten omdat het plangebied volgens het historische kaartmateriaal pas rond 1953 is bebouwd. ,
In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is laag tot middelhoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk natuursteen vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. ,