CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij algemene motivering 3 Ruimtelijke motivering Lieropsedijk 66

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen wijziging Omgevingsplan Buitengebied Someren - deelgebied 5.16.685 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 29 van 61

natuurbescherming , zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG , 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG , 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten , zoals verdroging , oppervlakteverlies , verontreiniging , versnippering , optische verstoring , verzuring en vermesting. De afstand van de planlocatie tot omliggende Natura 2000-gebieden is weergeven op onderstaande afbeelding. De afstand tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ bedraagt circa 17, kilometer. De afstand tot aan het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat bedraagt circa 192 , kilometer.

17, km

km 192 ,

Afbeelding 13 Ligging planlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met zwarte cirkel) Gezien de afstand van de planlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden en bijbehorende stikstofgevoelige habitats meer dan 1 kilometer bedraagt , is enkel de mogelijke stikstofdepositie ten aanzien van het planvoornemen relevant. Andere negatieve aspecten , zoals verstoring en versnippering en dergelijke , zijn hierdoor op voorhand uit te sluiten. Met het van toepassing verklaren van de ‘voormalige functionele verbinding’ van de bedrijfswoning vinden er , gelet op stikstofdepositie , geen negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden plaats. Het gaat hier immers om een bestaande woning. Feitelijk wijzigt het gebruik van de woning niet , de

Pagina 30 van 61

locatie blijft bewoond zoals in de huidige situatie. Hierdoor komen er met de beoogde ontwikkeling geen (extra) stikstofbronnen aan te pas die van invloed kunnen zijn op een omliggend Natura 2000gebied. Immers , de stikstofdepositie in de gebruiksfase blijft gelijk , aangezien het aantal verkeerbewegingen gelijk blijft en een bestaande CV-installatie blijft behouden. Verder is in casu geen sprake van een bouwfase aangezien enkel sprake is van een planologische functiewijziging zonder bouw- of sloopwerkzaamheden. Conclusie De beoogde herbestemming heeft met zekerheid geen mogelijke significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura-2000 gebieden. 4. 6 Flora en fauna

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur , het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader , de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Artikel 4. 38 van de Omgevingswet bevat de Rijksregels voor wat betreft flora- en fauna-activiteiten: 1. De in artikel 4. 3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2. De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen. Op grond van het voorgestelde gewijzigde artikel 4.3 , derde lid , onder d , in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38 , kunnen algemene rijksregels worden gesteld over flora- en faunaactiviteiten. In beginsel is voorzien in een vergunningplicht (voorgesteld gewijzigd artikel 5.1 , tweede lid , van de Omgevingswet) , maar het kan nodig zijn om in aanvulling daarop algemene regels te stellen ter bescherming van diersoorten of plantensoorten die als gevolg van onttrekking aan de natuur of exploitatie in hun staat van instandhouding worden bedreigd. Dit geschiedt ter uitvoering van artikel 14 van de Habitatrichtlijn.

Verwezen wordt naar de paragrafen 4.2.1 , onderdeel b , onder 2 , en 4.2.3 , onderdeel a , onder 2 , van deze memorie van toelichting. Op grond van artikel 4.4 , in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38 , van de Omgevingswet kan een meldingsplicht worden ingevoerd voor activiteiten die nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor dieren of planten van soorten die

worden beschermd op basis van nationaal beleid. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30. 000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood , gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt , uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving , waaronder nesten en holen , te beschadigen , te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden , doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren , verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht);

Pagina 31 van 61

-

Hun vaste verblijfplaatsen c. q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd , waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten , doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief , dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de

planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden , die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden , verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Gelet op de omstandigheid dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een functiewijziging , sloop of nieuwbouw staat het aspect flora en fauna de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg en er is geen sprake van een mogelijk negatief effect op soorten. De beoogde ontwikkeling gaat namelijk niet gepaard met het verwijderen van houtopstanden of andere vormen van beplanting. Ook gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de sloop van bebouwing. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan als gevolg van het verwijderen van groenstructuren of het slopen van bebouwing , waardoor de beoogde ontwikkeling geen negatieven gevolgen heeft voor flora en fauna. Conclusie Het voorliggend initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor flora en fauna , er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. 4. 7 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22. 3. 4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22. 57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen , militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22. 3. 4. 3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen , militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 4 BS). De instructieregels uit afdeling 3. 5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg , spoorweg of industrieterrein (artikel 3. 18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen

Pagina 32 van 61

geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen , spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl). De volgende Rijksregels zijn hierbij relevant en van toepassing: •

geluid (basisgeluidemissie): instructieregels artikel 2. 16 lid 1 onder c (via het Aanvullingswet geluid) en paragraaf 3. 5. 2 Besluit kwaliteit leefomgeving (via het Aanvullingsbesluit geluid) en paragraaf 10. 8. 5 van het Omgevingsbesluit (via het Aanvullingsbesluit geluid); gegevensverzameling en kaarten: instructieregels paragraaf 10. 2. 4 Besluit kwaliteit leefomgeving en paragraaf 10. 8. 5 Omgevingsbesluit; actieplan geluid: instructieregels afdeling 4. 3 Besluit kwaliteit leefomgeving en paragraaf 10. 4. 4 Omgevingsbesluit. beheersing

van

Omgevingswet

•

•

Beoordeling Het planvoornemen ziet niet toe op de toevoeging van een gevoelige functie. Immers blijft de woning door derden bewoond en vinden er geen veranderingen plaats. Derhalve kan een toetsing aan de Wet geluidhinder in de onderhavige ruimtelijke onderbouwing achterwege worden gelaten. De Wet geluidhinder is weliswaar niet meer van toepassing sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet , echter kan hierdoor wel aangenomen worden dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor zover het wegverkeerslawaai afkomstig is vanuit de Lieropsedijk. Immers , zowel de huidige bedrijfswoning als de beoogde bewoning door derden betreffen reeds geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4. 8 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen , woongebieden , ziekenhuizen , scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Beoordeling omgevingstype De omgeving van de planlocatie laat zich omschrijven als gelegen in het buitengebied van Someren. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich in hoofdzaak agrarische bedrijven , agrarische gronden , woningen en niet-agrarische bedrijvigheid. Gezien de ruime afstanden tot de omliggende (agrarische) bedrijven en het karakter van het gebied ziet de gemeente de omgeving als ‘rustig buitengebied’. Gevoelig object De beoogde ontwikkeling voorziet enkel in het toepassing verklaren van de ‘voormalige functionele binding’ van de bedrijfswoning.

Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst

Pagina 33 van 61

van een gevoelige

functie en vervalt de mogelijkheid om binnen de planlocatie een milieubelastende functie te exploiteren. Derhalve kan een toetsing aan het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ in de onderhavige onderbouwing in beginsel achterwege worden gelaten. Echter , vanuit een evenwichtige toedeling van locaties aan functies bezien is het in casu desondanks wenselijk om inzicht te geven in het aspect bedrijven en milieuzonering. Dit om inzichtelijk te maken of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of het planvoornemen een beperking tot gevolg heeft voor omliggende (agrarische) bedrijvigheid. Omliggende bedrijvigheid Bij het inzichtelijk maken van bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. De bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Nummer

Adres

Soort bedrijf

Milieucategorie

Richtafstand

Werkelijke afstand

1

Heesterdijk 2

3. 2

50 meter

215 meter

2

Houtbroekstraat 4

3. 2

50 meter

240 meter

3 4

Houtbroekdijk 18 Houtbroekstraat 6

2 3. 2

10 meter 50 meter

450 meter 458 meter

5

Houtbroekstraat 9

3. 2

50 meter

492 meter

6

Houtbroekdijk 32

Grondgebonden agrarisch bedrijf Grondgebonden agrarisch bedrijf Detailhandel Grondgebonden agrarisch bedrijf Grondgebonden agrarisch bedrijf Grondgebonden agrarisch bedrijf

3. 2

50 meter

502 meter

Tabel 1 Richtafstandenlijst milieuzonering Daarnaast geldt er op basis van de VNG-brochure voor de paardenhouderij aan de Lieropsedijk 66 tevens een richtafstand van 30 meter gelet op het aspect stof. Op basis van de feitelijke inrichting en de situering van de paarden binnen stallen voor huisvesting wordt er tevens voldaan aan deze afstand tot aan de gevel van de bedrijfswoning. In het onderstaande opgenomen waarop

is een uitsnede van de planologische situatie “Buitengebied Someren” de omliggende bedrijvigheid is aangeduid.

Pagina 34 van 61

(1) Grondgebonden agrarisch bedrijf

(3) Bouwcenter

(2) Grondgebonden agrarisch bedrijf (4) Grondgebonden agrarisch bedrijf

(6) Grondgebonden agrarisch bedrijf

(5) Grondgebonden agrarisch bedrijf

Afbeelding 14 Ligging planlocatie ten opzichte van bedrijvigheid in de directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rood vlak)

Beoordeling woon- en leefklimaat/beperking omliggende bedrijvigheid Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van de omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijvigheid niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van onderhavig planvoornemen. Te meer omdat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie. Het aspect geur wordt in de navolgende paragraaf afzonderlijk behandeld. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt in hoeverre binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en in hoeverre het planvoornemen een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg heeft. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het planvoornemen. Te meer nu het aspect geur afzonderlijk wordt beoordeeld in het navolgend hoofdstuk.

Pagina 35 van 61

4. 9 Geur Bij het opstellen

van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving.

4. 9. 1 Geurgevoelige objecten De beoogde ontwikkeling betreft enkel het van toepassing verklaren van de ‘voormalige functionele binding’ van de bedrijfswoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een geurgevoelig object aangezien de bedrijfswoning reeds als geurgevoelig object is aangewezen. Binnen de planlocatie is in de huidige situatie reeds een legale bedrijfswoning aanwezig , hetgeen reeds een geurgevoelig object betreft. Echter , vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien , is het toch wenselijk om te toetsen aan het aspect geur. Dit om inzichtelijk te maken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven worden beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 4. 9. 2 Belangen omliggende veehouderijen Binnen de planlocatie bevindt zich zowel in de huidige als in de beoogde situatie één geurgevoelig object. Nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de toevoeging van een geurgevoelig object , heeft de beoogde ontwikkeling per definitie geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg voor omliggende veehouderijen.

Te meer nu er voor alle veehouderijen in de directe omgeving geldt dat er reeds geurgevoelige objecten in de hoedanigheid van burgerwoningen op kortere afstand zijn gelegen die reeds maatgevend zijn voor diens ontwikkelingsmogelijkheden. Het van toepassing

verklaren van de ‘voormalige functionele binding’ van de bedrijfswoning heeft dan ook geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen tot gevolg. 4. 9. 3. Woon- en leefklimaat In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied , gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet , 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit , onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2.

Pagina 36 van 61

Voorgrondbelasting

Achtergrondbelasting

(oue/m³)

(oue/m³)

< 15,

< 3 15 – 35 3 – 7 35 – 65 7 – 13 65 – 10 13 – 20 10 – 14 20 – 28 – 14 19 28 - 38 19 - 25 38 - 50 > 25 > 50 Tabel 2 relatie tussen voor- en achtergrondbelasting ,

,

,

,

,

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

< 5

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35

In onderstaande afbeelding is de ligging van de planlocatie ten opzichte

de omliggende

van

veehouderijen weergegeven.

1

225m

492m

240m 458m 510m

6

3

5 650m

2

4

Afbeelding 15 Omliggende veehouderijbedrijven (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)

Pagina 37 van 61

1)

2)

3)

4)

Pagina 38 van 61

5)

6)

Voorgrond geurbelasting De berekeningen zijn alleen gebaseerd op diercategorieën waarbij bij ministeriële regeling geuremissies zijn vastgesteld. Voor niet intensieve landbouwhuisdieren zijn dergelijke emissie niet vastgelegd. Ten opzichte van deze bedrijven (Heesterdijk 2 , Houtbroekdijk 32 ) dient enkel een vaste afstand gehanteerd te worden , zoals vastgelegd in artikel 4 en 5 van de Wet geurhinder en veehouderij. De planlocatie , zoals eerder gesteld , is gelegen buiten de vaste afstanden van omliggende agrarische bedrijven zoals Wgv deze voorschrijft , daarom wordt aan deze afstanden voldaan. De veehouderij

gelegen aan de Houtbroekstraat 4 te Someren is gelet op de korte afstand , windrichting en hoeveelheid odour units dominant en maatgevend voor de geurberekening van de voorgrondbelasting. Dit betreft in hoofdzaak een pluimveehouderij. Hierbij is de eigen paardenhouderij buiten beschouwing gelaten. Gelet op het voormalig gemeentelijke beleidsplan ‘De plattelandswoning in Someren’ d. d. 6 mei 2014’ en de evaluatie uit 2017 blijft de plattelandswoning onderdeel van de inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de geurhinder van de ‘eigen stallen’. Echter betreft dit een paardenhouderij waar überhaupt geen geuremissiefactor voor is vastgesteld.

Pagina 39 van 61

Onderstaand is de vergunde situatie van de dominante veehouderij aan de Houtbroekstraat 4 weergegeven.

Diercategorie omschrijving

Aantal dieren

RAV-code

Omschrijving RAV

vleeskuikens

21. 500

E5. 11/BWL 2010. 13

vleeskuikens

21. 500

E5. 11/BWL 2010. 13

vleeskuikens

22. 000

E5. 11/BWL 2010. 13

vleeskuikens

22. 000

E5. 11/BWL 2010. 13

vleeskuikens vleeskuikens fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar

23. 101

E5. 100

29. 900 100

E5. 100 A7. 100

stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen

Tabel 3 Diertabel vergunde situatie Houtbroekstraat 4 De voorgrondbelasting van het dominante veehouderijbedrijf aan de Houtbroekstraat 4 is ten eerste worst-case in beeld gebracht. Dit door een berekening op de rand van het bouwvlak te hanteren. De berekening is alleen gebaseerd op diercategorieën waarbij bij ministeriële regeling geuremissies zijn vastgesteld. Voor niet intensieve landbouwhuisdieren zijn dergelijke emissie niet vastgelegd , zoals eerder vermeld voldoen deze aan de minimale afstand. Als geurgevoelige locaties zijn de hoekpunten van de woning gepakt op de Lieropsedijk 66. Er is gebruik gemaakt van onderstaande uitgangspunten.

Pagina 40 van 61

Op basis van bovenstaande worst-case berekening blijkt dat de maatgevende veehouderij reeds in een overbelaste situatie bevindt gelet op de ruime overschrijding van de geurnorm op de burgerwoning aan Lieropsedijk 65 te Someren. Hierdoor mag worden uitgegaan van de werkelijke situatie van de veehouderij. Volledigheidshalve is deze berekening uitgevoerd aangezien de worstcase berekening tevens geen overschrijding laat zien op de gevelpunten van de woning aan de Lieropsedijk 66 te Someren. Onderstaand de resultaten:

Pagina 41 van 61

Uit beide berekeningen van de voorgrondbelasting blijkt dat er ruim onder de geurnorm wordt gebleven. Ter plaatse van de planlocatie is op basis van de handreiking sprake van een ‘matig’ woonen leefklimaat , waardoor

het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar wordt beschouwd.

Achtergrond geurbelasting De huidige achtergrondbelasting veroorzaakt door alle omliggende veehouderijen is in beeld gebracht in onderstaande afbeelding. In onderstaande figuur is deze achtergrondbelasting weergegeven. Uit de afbeelding blijkt dat ter plaatse van de planlocatie een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat (7 - 13 OUe/m³) heerst conform de achtergrondbelasting.

Afbeelding 16 Kaart achtergrondbelasting geur bron: ODZOB (planlocatie is indicatief voorzien van zwarte cirkel) ,

Pagina 42 van 61

Conclusie Uit deze toetsing kan geconcludeerd worden dat de bestaande bedrijfswoning zowel buiten de vaste afstanden van omliggende veehouderijen als binnen de wettelijke geurnormen van omliggende agrarische bedrijven is gelegen. Een voorgrondbelasting van 140, ouE/m³ (concentratiegebied buiten de bebouwde kom) en een achtergrondbelasting van 28 ouE/m³ (norm buitengebied) wordt als aanvaardbaar beschouwd door de gemeente Someren. Gelet op de uitkomsten die ruim binnen deze normen zijn gelegen kunnen wij concluderen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandswoning aanvaardbaar wordt geacht. Er is tevens geen sprake van belemmeringen van het initiatief voor omliggende veehouderijbedrijven. 4. 10 Omgevingsveiligheid

Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag , productie , gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheid of externe veiligheid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5. 7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5. 11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden , afhankelijk van de activiteit , vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet

verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis , zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a , z. d. ). Aandachtsgebieden zijn er voor brand , explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen , zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5. 14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied , dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4. 90 tot en met 4. 96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen , zoals scholen ,

Pagina 43 van 61

kinderdagopvang , en verzorgingstehuizen , geldt altijd een voorschriftengebied , en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5. 14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen , bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen , maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog

de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5. 1. 2. 3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan , herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5. 1. 2. 4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5. 1. 2. 5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5. 1. 2. 6 Bkl).

Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron , het betreft enkel een bepalingswijziging om te kunnen voorzien in de bewoning van de bedrijfswoning door derde. Ook worden er binnen het plangebied geen inrichtingen gevestigd die vanwege de aanwezigheid of het werken met gevaarlijke stoffen , beperkingen opleveren voor de omgeving. Daarnaast is de locatie , zoals weergegeven in de onderstaande afbeelding , niet gelegen in de nabijheid van een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen herbestemming geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden.

Pagina 44 van 61

Afbeelding 17 Uitsnede Risicokaart Atlas Leefomgeving (planlocatie is globaal aangeduid met zwarte cirkel)

Groepsrisico/bestrijdbaarheid/zelfredzaamheid In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Aangezien het plangebied niet valt binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur behoeft daarom geen inzicht te worden gegeven in het groepsrisico. Volstaan kan worden met een beschrijving van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies van de Veiligheidsregio. Dit standaard advies is als bijlage bijgevoegd. het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden. Gezien

geen

Conclusie Omdat de onderhavige planlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn er geen onaanvaardbare risico’s met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid. Vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht. 4. 11 Luchtkwaliteit

Toetsingskader Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8. 5 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels.

Pagina 45 van 61

De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17 , 8. 21 en 8. 24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden • ammoniakemissies van veehouderijengeologische opslag van CO2 De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Dit moet ook buiten de zogeheten aandachtsgebieden. Uitgezonderd hiervan zijn plaatsen waar de bescherming van de gezondheid niet of nauwelijks relevant is. Bijvoorbeeld op plekken waar burgers niet (mogen) komen. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden , tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8. 17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving

(Bkl). Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Deze ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan

de luchtkwaliteitseisen. De vergunningverlener toetst de aanvraag aan de rijksomgevingswaarden voor: • • • • • •

zwaveldioxide (SO2) stikstofoxiden (NOx) , waaronder stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10 en PM25) , benzeen (C6H6) lood (Pb) koolmonoxide (CO)

Bij deze beoordeling tellen ook de bijdragen mee die veroorzaakt zijn door gebruik van wegen , vaarwegen en spoorwegen van en naar de activiteit. Het Bkl geeft aan welke specifieke voorschriften voor omgevingsvergunning moet opnemen. Deze gaan over: • geologische opslag van CO2 (artikel 8. 37 Bkl) • • • •

lucht de vergunningverlener

in

de

voorkomen van verspreiding van asbestvezels (artikel 8. 52 Bkl) eisen aan stortgas (artikel 8. 53 Bkl) broeikasgassen (artikel 8. 71 Bkl) CO2-emissies glastuinbouw (artikel 8. 72 Bkl)

Voor vergunningplichtige activiteiten kunnen ook algemene regels gelden uit het Bal. Zo kunnen bijvoorbeeld de emissiegrenswaarden voor lucht uit de luchtmodule van het Bal gelden. De vergunningverlener kan hier van afwijken met maatwerk. Dit maatwerk regelt de vergunningverlener in de vergunning met een vergunningvoorschrift. Ook geldt de specifieke zorgplicht uit het Bal voor vergunningplichtige activiteiten. De vergunningverlener moet ook rekening houden met mogelijke luchtregels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening. Daar kunnen bijvoorbeeld lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht staan.

Pagina 46 van 61

De vergunningverlener hoeft de vergunning niet altijd te weigeren als dit in strijd is met het omgevingsplan. Wel is dan ook een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig. 4. 11. 1 Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5. 54 Bkl) In artikel 5. 54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om

de navolgende gevallen:

a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan , met: 1°. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100. 000 m2; of

ontsluitingswegen: gelijkmatige verkeersverdeling bruto2°. twee een en een vloeroppervlakte van ten hoogste 200. 000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan , met: 1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1. 500 woningen; of 2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3. 000 woningen; c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties , met: 1°. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 00008 , en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0000012 , dat of samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 12; , 2°. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen , bedoeld in artikel 3. 205 van het Besluit activiteiten leefomgeving , voor zover het gaat om: 1°. niet-verwarmde kassen; of 2°. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt , bedoeld in artikel 3. 208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het telen van gewassen in een gebouw , anders dan een kas , bedoeld in artikel 3. 211 van het Besluit activiteiten leefomgeving , voor zover het gaat om: 1°. witloftrek; of 2°. teelt van eetbare paddenstoelen; of f.

het exploiteren van een spoorwegemplacement , bedoeld in artikel 3. 295b van het Besluit activiteiten leefomgeving , voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7. 500 per jaar. Beoordeling Onderhavig planvoornemen voorziet niet in woningbouw. Hierdoor is er geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4. 11. 2 Blootstelling aan verontreiniging In paragraaf 2. 2. 1. 1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de

luchtkwaliteit. Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 200 μg/m3 uurgemiddelde , dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar

b.

overschreden; en 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

stikstofoxiden geldt kalenderjaargemiddelde. Voor

wordt

een

ten

hoogste

toelaatbare

concentratie

van

30

μg/m3

als

Pagina 47 van 61

De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde , dat ten hoogste 35 maal

b.

per

Voor PM25, gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; b. 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend c.

kalenderjaar

wordt

overschreden; en 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

gemiddelde van de

kalenderjaargemiddelden; en 144, μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden.

De omgevingswaarden voor PM10 , bedoeld in het eerste lid , en de omgevingswaarden voor PM25, , bedoeld in het tweede lid , onder a en b , zijn resultaatsverplichtingen. De omgevingswaarde voor PM25, , bedoeld in het tweede lid , onder c , is een inspanningsverplichting.

omgevingswaarden , bedoeld in het tweede lid , onder b en c , gelden op stedelijke achtergrondlocaties , zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. De

Beoordeling Op basis van de kaarten van de Atlas leefomgeving met laatste peildatum 2022 blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een jaargemiddelde concentratie PM10 van 180, μg/m³. De μg/m³. Hiermee wordt ruimschoots binnen de jaargemiddelde concentratie PM25, bedraagt 948 , grenswaarden gebleven. Zie onderstaande afbeeldingen.

Pagina 48 van 61

Afbeelding 18 Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (PM10-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een blauwe marker)

Afbeelding 19 Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (PM25-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een blauwe marker) ,

Pagina 49 van 61

de beoogde ontwikkeling wordt de woning aan de Lieropsedijk 66 losgekoppeld van de paardenhouderij aan de Lieropsedijk 64. Er dient daarom ook een fijnstofberekening te worden gemaakt met de emissiepunten (natuurlijk geventileerde stallen) van deze paardenhouderij. Aangezien er voor paarden geen fijnstof emissiefactor is vastgesteld wordt er volledigheidshalve uitgegaan van de emissiefactor geldend voor melkrundvee. Met

De emissiefactor van fijnstof per stuk melkrundvee bedraagt 148 gram. Voor de paardenhouderij geldt x 50 =) 74, kg. dus een totale fijnstof emissie van (0148 ,

veehouderijen is een vuistregel opgesteld , om te kunnen bepalen of de NIBM-grens overschreden wordt. Deze vuistregel gaat uit van afstanden tot stallen , dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor fijnstof. De vuistregel bevat een veiligheidsmarge. Blijkt uit de vuistregel dat een activiteit in (IBM) is mogelijk betekenende mate bijdraagt dan alsnog een verspreidingsberekening nodig om uitsluitsel te geven of de gewenste activiteit mogelijk is. Voor

Als er gekeken wordt naar de NIBM bepaling worden onderstaande vaste afstanden gehanteerd in relatie tot de hoeveelheid uitstoot in fijnstof.

Afbeelding 20 Afstanden tabel NIBM bepaling fijnstof veehouderijbedrijf Op basis van een uitstoot van een marginale 174, kg fijnstof kan er worden aangenomen dat de afstand in meters verwaarloosbaar is en in alle waarschijnlijkheid op 0 meter uit komt. Hierdoor is geen extra verspreidingsberekening benodigd.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde bepalingswijziging in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is gezien ruimschoots aan de geldende grenswaarden wordt voldaan. Ten opzichte van de fijnstofemissie vanuit de paardenhouderij aan de Lieropsedijk 64 kan worden geconcludeerd dat de bijdrage in fijnstofconcentratie ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit en voldoende afstand is gewaarborgd. 4. 12 Volksgezondheid

Toetsingskader Het beschermen van de gezondheid en van het milieu is geregeld in paragraaf 5. 1. 4 van het Bkl. Beoordeling Het planinitiatief betreft in hoofdzaak het van toepassing verklaren van de ‘voormalige functionele binding’ van de bedrijfswoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een gevoelige functie , waardoor een toetsing aan het aspect volksgezondheid dient plaats te vinden. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien , is het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie in het kader van volksgezondheid in relatie tot omliggende veehouderijen relevant.

Pagina 50 van 61

Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van

varkens- , pluimveebedrijven (endotoxinen) en geitenhouderijen.

4. 12. 1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen , waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 is middels een kamerbrief de onderzoeksrapporten van het VGO onderzoek uit de periode 2012-2016 gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk , op advies van de Gezondheidsraad , is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam

Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³

aanvaardbaar woon- en overschreden. Door de opgesteld waarmee de eenvoudig bepaald kan

worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter , overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1. 400 kg PM10/jaar , dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot) , niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand , afhankelijk van de bedrijfsomvang , het type pluimvee en de uitstoot , circa 300 – 650 meter.

Beoordeling Binnen 250 meter van de planlocatie bevindt zich geen varkenshouderij. Op 240 meter afstand bevindt zich een pluimveehouderij op de Houtbroekstraat 4 te Someren. Onderstaand is de rekentabel opgenomen. Daarbij komt naar voren dat de minimale afstand niet wordt behaald.

Veehouderij adres Houtbroekstraat 4

Soort veehouderij

Vleeskuikens

Werkelijke afstand

PM10(kg/jaar)

Berekende minimale afstand

240

3097

388

Tabel 4 Rekentabel endotoxine toets De beoogde ontwikkeling betreft enkel in het toepassing verklaren van de ‘voormalige functionele binding’ van de bedrijfswoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een gevoelige functie. Er is enkel sprake van het toestaan van de bestaande situatie. Dit maakt dat het aspect endotoxine niet in de weg staat aan het planvoornemen.

Pagina 51 van 61

Er liggen ook andere gevoelige objecten dichterbij de emissiepunten dan de woning aan de Lieropsedijk 66. De woningen aan de Lieropsedijk 59 en 65 liggen op een afstand van respectievelijk 176 en 170 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de Houtbroekstraat 4. Aangezien de Lieropsedijk 66 op een afstand van 240 meter ligt , kan er worden gesteld dat andere omliggende woningen meer beperkend zijn voor de pluimveehouderij op Houtbroekstraat 4 dan de woning aan de Lieropsedijk 66. Omdat er meerdere woningen op een kortere afstand van de pluimveehouderij zijn gelegen en er niks verandert aan de woonsituatie van de Lieropsedijk 66 mag er worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Omdat de afstand niet wordt verkleind , omliggende veehouderijen niet wijzigen en het praktisch gebruik van de woning niet verandert , valt uit te sluiten dat door de ontwikkeling het woon- en leefklimaat verslechtert. Andere woningen , zoals de Lieropsedijk 59 en 65 , zijn op een kleinere afstand gelegen van de omliggende emissiepunten. Wet- en regelgeving waarborgt ook voor deze woningen dat er een acceptabel woon- en leefklimaat is. Het aspect gezondheid vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het onderdeel ‘volksgezondheid’ in relatie tot endotoxinen vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4. 12. 2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek Veehouder en Gezondheid Omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 15, en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.

Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het toevoegen van een gevoelige functie. Desalniettemin zal aan het aspect geitenhouderijen getoetst worden in het kader van een goede

ruimtelijke ordening. Op basis van de gegevens van Kernregistratie Dierverblijven (KRD) is binnen de gemeente Someren de volgende geitenhouderij aanwezig: • Nieuwendijk 114.

Beoordeling De afstand van het plangebied tot de geitenhouderij (locatie Nieuwendijk 114) betreft ruim 6 kilometer. Per raadsnotitie van 9 januari 2019 is de gemeenteraad van Someren in kennis gesteld van het VGO 2 en VGO 3 rapport , het geitenmoratorium van Brabant , de memo Verordening Ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen

én de uitwerking hiervan.

Het moratorium is een voorzorgsmaatregel met het oog op de volksgezondheid en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Opname in de verordening was nodig omdat: Een wettelijk toetsingskader niet beschikbaar is en het endotoxine toetsingskader 1. 0 voor pluimvee- en varkenshouderijen niet toepasbaar is bij de geitenhouderij;

Pagina 52 van 61

-

-

-

Bedrijfsgerichte maatregelen die het risico op longontsteking beperken nu nog niet mogelijk zijn; Een duidelijk kader ontbreekt waarmee bij de vergunningverlening aan de gezondheid van omwonenden voldoende bescherming kan worden geboden , waardoor het risico bestaat dat de gezondheidsrisico’s voor omwonenden toenemen; Voorkomen moet worden (voorzorgsprincipe) dat (nieuwe) knelpunten ontstaan vanwege de volksgezondheid rond geitenhouderijen , die mogelijk later met veel inspanning en kosten moeten worden weggenomen.

Op basis van het VGO 2 , VGO 3 rapport en het geitenmoratorium is in de raadsnotitie een concreet

voorstel gedaan aangaande de ‘omgekeerde werking’ bij geitenhouderijen. Het

realiseren van woningen binnen 2 kilometer bij geitenhouderijen is onder de volgende voorwaarden nog mogelijk: 1. Geen woningbouwontwikkelingen toe te staan dichterbij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is; 2. Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen / objecten , te weten kinderen , kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de gezondheidslast (risico op longontsteking). Op basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt. Bij een toename is het voorstel om in overleg met de GGD te komen tot een juist advies over de ontwikkeling. Bij een gelijkblijvende of afnemende gezondheidslast is het advies om wel medewerking te verlenen aan de ontwikkeling. Dit scenario kan zich zeker voordoen (als voorbeeld: bij een kinder- of gastouderopvang , aangezien de meeste kinderen ook wonen binnen een straal van 2 km van de opvanglocatie). Het “tegenhouden” van een gastouder is lastig , aangezien deze vaak rechtstreeks binnen het bestemmingsplan passen als “aan huis gebonden beroep”; 3. Bij ontwikkelingen voor “grote” woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen , zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt.

Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de procedure voor het bestemmingsplan nog doorlopen moeten worden. Woningbouwontwikkelingen die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan , zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden. In

casu

is

er

geen

sprake

van

woningtoevoeging

en

van

de ontwikkeling

van

gevoelige

groepen/objecten. Ook is geen sprake van een woningbouwlocatie. Conclusie Het plan voldoet aan deze voorwaarden aangezien er in beginsel al geen sprake is van woningbouw. Het aspect ‘gezondheidsinvloeden vanwege geitenhouderijen’ is hierdoor niet van invloed op het planvoornemen. 4. 13 Kabels en leidingen

Toetsingskader Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data , elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. De Omgevingswet bevat regels en instrumenten om dit te voorkomen of om dit zoveel mogelijk te beperken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico's van deze kabels en leidingen. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;

Pagina 53 van 61

b. c.

d. e.

buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten , die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4. 14 Waterhuishouding

Toetsingskader Artikel 5. 37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5. 1. 3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan , worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem , de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving omgevingswaarden) uit van de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5. 38 t/m 5. 49 Bkl rijksregels. 4. 14. 1 Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone , ecologisch gezonde stroomgebieden , waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet , die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening.

De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens , dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; -

Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027.

Pagina 54 van 61

Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens , dier en plant , waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische , maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens , plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem , water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen- , energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. 4. 14. 2 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de planlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud , aanvoer , afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd , zonder een ontheffing van het

waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een beschermd gebied in het kader van de keur. 4. 14. 3 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater ,

Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen , Aa en Maas , De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te

voorkomen dat hemelwater als gevolg van een uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging , die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toename in verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave , omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden

betrokken. Wanneer sprake is van een toename in verhard oppervlak tussen de 2. 000 m² en 10. 000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10. 000 m² , of bij het niet voldoen aan de rekenregel , wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding. Het betreft dus versnelde afvoer van neerslag als gevolg van een toename in puntlozing.

Pagina 55 van 61

Ter plaatse van de planlocatie is enkel sprake van een planologische gebruikswijziging met behoud van bestaande bebouwing. Er is daarom geen sprake van een toename van verharding waardoor op grond van het waterschapsbeleid geen verplichting tot de realisatie en instandhouding van een waterbergende voorziening geldt. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater , Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan , mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 4. 14. 4 Hemelwater na ontwikkeling Het gemeentelijke waterbeleid is vervat in het Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025. De gemeente Someren vereist dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd ter voorkoming van wateroverlast door toevoeging van de beoogde verharding binnen de planlocatie. Aangezien onderhavig planvoornemen niet toeziet op een toename in verhard oppervlak is de aanleg van een extra hemelwateropvangvoorziening niet benodigd.

Conclusie Middels de beoogde ontwikkeling wordt er geen extra verhard oppervlak binnen de planlocatie gerealiseerd. Dit aspect staat het planvoornemen dus ook niet in de weg. 4. 15 Trillingen

Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw , die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a van de Bruidsschat. Beoordeling Het plan gaat niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie. Nadelig effecten door trillingen zijn echter niet te verwachten gezien de grote afstand tot aan drukke infrastructurele werken zoals een spoorlijn. Conclusie Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4. 16 Slagschaduw

Toetsingskader Slagschaduw beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van windturbines. De regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 4a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze paragraaf gaat over het toelaten van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met een slagschaduwgevoelig gebouw waarin slagschaduw wordt veroorzaakt door een windturbine die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15650998/1