Bijlage bij algemene motivering 1 Ruimtelijke motivering Heesvenstraat 21-21a
Tekst van het document
zichtlijnen
ruimtes
en
D
Open
ruimtes XL
{2
Opem
ruimtes
L
{2D
Open
ruimtes
M
{2
Open
ruimtes 5
Doorzichten XL —
==
Doorzichten
L
Doorzichten
M
Doorzichten
5
Ï
Planlocatie
Figuur
13: Uitsnede
Ondanks
dat de
analysekaart
planlocatie
bestaande doorzichten
niet als
zodanig
en
open
ruimtes, BPK Buitengebied Someren
is
aangemerkt, moet deze eveneens worden benaderd als zijnde ‘open ruimte’. Een open ruimte is namelijk een aaneengesloten open ruimte in het landschap die door een doorzicht beleefbaar is vanaf de openbare weg. Het geeft een gevoel van de maat en schaal van een landschap. Een open ruimte is een in één keer beleefbare ruimte. Het beoordelen van open ruimtes is altijd maatwerk. De open ruimtes zijn gevarieerd in grootte en vorm. In het
kampenlandschap mogen open ruimtes niet dichtgezet worden, maar maximaal twee zijdes beplant zodat het landschap vanaf de openbare weg beleefbaar blijft. In het beeldkwaliteitsplan wordt tevens gesteld dat de cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle oude akkergebieden gewaardeerd en beschermd moeten blijven, met in het bijzonder de steilranden en bolle akkers. Voor wat betreft landschap gelden navolgende ontwerprichtlijnen in het kampenlandschap: Solitaire bomen her en der in het landschap als markering van een erfgrens/perceel, of als -
schaduwboom
voor
vee
midden
in een weiland.
___Boomgroepen op overhoeken om het landschap een kleinschaliger karakter te geven. -___Houtsingels of bomenrijen op de erfgrens of perceelsgrens op enige afstand van bebouwing. Percelen niet omkaderen, maar aan één of twee zijden afbakenen met een houtsingel of bomenrij. Bomenlanen langs de infrastructuur behouden en waar mogelijk aanvullen en versterken. ___ -
-
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
28
Ruimtelijke motivering (geanonimiseerd)
_ Kruidenrijke akker- en weideranden verspreid door het landschap. _ Kruidenrijke vegetatie op extensief beheerde graslanden.
-
-
Deze
ontwerprichtlijnen zijn als uitgangspunt gehanteerd voor de landschappelijke inpassing van de planlocatie. Ingezet wordt op een bomenrij op de erfgrens, enige afstand van de bebouwing. Hierbij is nog rekening gehouden met de openheid in het gebied, door de bomen op enige afstand van elkaar te plaatsen. Het perceel wordt niet omkaderd. 3.3.6
De
Beleid
niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen
gemeente
ter
voor
raadsvergadering van 28 juni 2018 het ‘Beleid voor niet agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen! (NAF-beleid) vastgesteld. Het doel van deze beleidsnota is een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied voor Someren te creëren dat in combinatie met een vitale dorpskern ervoor zorgt dat iedere bewoner en bezoeker een prettige fysieke en sociale leefomgeving wordt geboden. Er is
een
Om
te
Someren
heeft
in
de
duidelijke scheiding tussen stedelijk gebied en buitengebied en er is sprake van zo min mogelijk leegstand van voormalig agrarische bedrijfsgebouwen. Duurzaamheid is daarbij het kernwoord. De gemeente Someren wil uitbreidingsruimte toekennen, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied. bepalen wanneer een ontwikkeling bijdraagt aan een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied heeft de gemeente (geanonimiseerd) BN vier principes gedestilleerd. Gesteld wordt het volgende: ‘Binnen
die
kansrijker
indien:
1.
het
willen
3.
4.
de
bijdraagt aan
beoogde
de
we
nieuwe
sloop
initiatieven
in
beginsel
omarmen
en
is
een
ontwikkeling
(natuurlijk kapitaal); het ruimte biedt aan innovatie (economisch kapitaal); het bijdraagt aan een maatschappelijke en/of zorgbehoefte uit de Somerense gemeenschap (menselijk kapitaal); het de uitgangspunten van Cradle to Cradle als vertrekpunt hanteert (natuurlijk, menselijk en economisch kapitaal)”
2.
Met
kaders
herontwikkeling
opgenomen
in het
NAF-beleid,
belangrijke ruimhartiger
nieuwe
economische
stallen
van
wordt hoewel
niet
definitie
per
in het beleid
aangegeven
doelstellingen
dat toerisme
en
zoals
recreatie
Er wordt
geen
van maar
de
cultuurhistorisch
wordt
waardevolle
juist gebruik gemaakt
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
van
en
ook
het
de
toerisme
beoogd,
zijn
wordt
aan
buitengebied, gemeente een beleid heeft en blijft houden. Verwezen wordt dan ook voornamelijk naar het beleid voor en recreatie, wat in paragraaf 3.3.2 van deze ruimtelijke motivering nader is toegelicht. nieuwbouw
dragers
in
bijgedragen
de recreatiefunctie
waarvoor
de
is reeds
aanwezig. Met de splitsing langgevelboerderij wordt evenmin extra bebouwing beoogd, het bestaande ruimtebeslag.
29
Ruimtelijke motivering
Nieuwe
toeristisch-recreatieve
toegestaan activiteiten. hoofdstuk
De
indien
niet
initiatieven
(zowel
met
reeds
bijten beoogde herontwikkeling bijt 5 van deze ruimtelijke motivering. ze
De
beoogde herontwikkeling
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
de
niet
als
hoofd-
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
nevenfunctie) zijn slechts aanwezige agrarische en agrarisch verwante met deze activiteiten. Dit is nader toegelicht in en
als
is niet in strijd met het gemeentelijk NAF-beleid.
30
Ruimtelijke motivering
4.
ASPECTEN
4.1
Ecologie
4.1.1
Wettelijk
VAN
DE
FYSIEKE
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
LEEFOMGEVING
kader
41.11
Inleiding Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen overeen met de die in de Wet grotendeels regels zijn opgenomen huidige natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het
gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.1.1.2
Soortenbescherming Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Onder de
De
Omgevingswet volgende
staat de van
definieert wat definitie
in het wild
nature
fauna-activiteit is het
van
levende
hd
Óf er soorten aanwezig zijn;
.
En indien
Een
flora-
weet
of kan
flora-
dieren
bij activiteiten
aanwezig,
flora-
een een
fauna-activiteit is. In de fauna-activiteit:
of
bijlage van de Omgevingswet mogelijke gevolgen voor formulering van een flora- en
‘activiteit met
planten’. Door deze brede in de fysieke leefomgeving nodig om
welke soorten
te controleren
of:
dat zijn.
nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. lemand weten, altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. en
fauna-activiteit kan
en en
moet
zich
die dat van
de
dus
bij
41.1.3
Gebiedsbescherming van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese
Als onderdeel
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
31
Ruimtelijke motivering
aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
provincies
zijn
in
eerste
Natura 2000 Natura
2000
is
een
fauna
en
hun
Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Natuurnetwerk Het
Nederland
Natuurnetwerk
Nederland
(NNN)
is het
Nederlands
netwerk
van
bestaande
en
nieuw
aan
te
leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In
beginsel
zijn
de
provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan is door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
32
Ruimtelijke motivering
4.1.2
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
Toetsing
4.1.2.1
Soortenbescherming Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen landschapselementen verwijderd en ook bebouwing wordt niet gesloopt. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling gaan dan ook geen flora- en faunasoorten verloren. Vanuit de algemene zorgplicht dient tijdens toekomstige werkzaamheden voor de verbouwing van de langgevelboerderij continu gelet te worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren. Bij aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden
4.1.2.2 Het meest
verstoord.
Gebiedsbescherming dicht bij de planlocatie gelegen
2000-gebied betreft ‘Strabrechtse heide & Beuven’ op circa 2,5 kilometer ten zuidwesten van de planlocatie. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en het effectbereik ten opzichte van Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten niet te verwachten. De planlocatie is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland of het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het meest dichtbijgelegen NNB betreft het ‘Vochtig bos met productie’ (N16.04), rondom de afslag bij de Rijksweg A67. Dit bos is gelegen op een afstand van circa 450 meter ten noordoosten van de planlocatie. Op zodanige afstand kan worden gesteld dat de beoogde herontwikkeling geen negatief effect zal hebben op het NNB. 4.2
Natura
Stikstof
4.2.1
Wettelijk
kader
Natura
2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland
zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met
AERIUS
gebieden
4.2.2 Als
Calculator
kan
de
uitstoot
van
stikstof
en
de
neerslag
die het gevolg
is van
een
ontwikkeling
worden
berekend.
daarvan
op
Natura
2000-
Toetsing
gevolg
beoogde herontwikkeling neemt het aantal wooneenheden toe met één. De extra wooneenheid dient te worden dus zal enkel de toename van gasloos gerealiseerd vervoersbewegingen van personenauto's tot gevolg hebben. Echter, kan worden gesteld dat met de toename van slechts één wooneenheid, op zodanig grote afstand van een Natura 2000-gebied, geen van
de
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
33
Ruimtelijke motivering
sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht. 4.3
Cultureel
4.3.1
Wettelijk
In
van
meer
dan
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
0,00
mol/ha/jaar.
Een
erfgoed kader
de
Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder ‘ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente
moet
cultureel
erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: monumenten of beschermde of ontsiering, beschadiging sloop van archeologische voor
monumenten;
verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 4.3.2
Toetsing
4.3.2.1
Waarden
Regio De planlocatie
in de
omgeving
is
gelegen binnen de regio Peelrand. De Peelrand bestaat uit een ring van dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. De ontwikkelingsstrategie binnen de regio Peelrand ligt op het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio, het middeleeuwse
verder
ontwikkelen,
beschermen
in hun
samenhang,
het duurzaam
en
herstel
van
het
en
in
samenhang
voor
Brabant
behouden
van
van
cultuurhistorische
het bodemarchief
en
waarden aandacht
verschijnsel wijst. Dit kan door bij de inrichting en beheer in het buitengebied rekening te houden met het aspect wijst en met de zichtbaarheid in het landschap. De beoogde ontwikkeling draagt niet specifiek bij aan de ontwikkelingsstrategie van de regio Peelrand. voor
behoud
toeristisch-recreatief ontsluiten
en
unieke
Landschap De planlocatie is ook gelegen binnen het cultuurhistorische landschap Dommeldal. Het Dommeldal is een samenhangend en relatief gaaf oud zandlandschap met beekdalen, akkercomplexen,
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
34
Ruimtelijke motivering
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
landgoederen, woeste gronden en jonge ontginningen. Bijzonder voor dit gebied zijn de vloeiweides en viskwekerijen langs de Tongelreep en de Beekloop. Verder zijn er watermolens en plaatsen van oude watermolens. Daarnaast liggen er voordes waar landwegen de beken passeerden. De ontwikkelingsstrategie binnen dit landschap is gelegen in het behoud en beter beleefbaar maken van sporen
van
oud
watermanagement met
in beekdalen,
akkers
het
versterken
ontginningen enerzijds voormalige natuurontwikkeling, waterberging, stedelijke uitbreiding en
van
het
contrast
tussen
woeste
de oude
gronden anderzijds. economische dragers afstemmen cultuurhistorische identiteit, alsook het vergroten van de cultuurhistorische waardering vergroting van de beleving zijn belangrijke pijlers in het gebied. en
Ook
de
op de door
Buurtschap De planlocatie is ook gelegen binnen het historisch buurtschap ‘Boomen’. Het bebouwingsbeeld met overwegend langgevelboerderijen dateert met name uit de periode 1750-1920. In het buurtschap is tevens een aantal oude lindebomen aanwezig. Aan de zuidzijde kent het buurtschap nog een zichtrelatie met een oude akker met een esdek. Het buurtschap is deels aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Geografische lijn De planlocatie is gelegen aan de Heesvenstraat. Dit betreft een geografische lijn van redelijk hoge waarde. In de negentiende eeuw was de later tot Heesvenstraat omgedoopte weg al zichtbaar, waaraan ook de langgevelboerderij binnen de planlocatie te zien is. Destijds betrof dit nog een onverharde weg. Later is deze verhard. Deze historische geografische lijn is dan ook van redelijk hoge waarde en wordt nog steeds veel gebruikt voor doorgaand verkeer richting de kern Lierop. Bouwkunsten In
de
in de
omgeving
‘bouwkunsten’
van
omgeving de planlocatie is,
aangewezen
binnen
het
buurtschap
Boomen,
nog
een
aantal
andere
als waardevol:
Tegenover de planlocatie is een boerderij aan Heesvenstraat 22 gelegen, wat tevens is aangewezen als MIP (Monumenten Inventarisatie Project). Deze boerderij is gebouwd omstreeks 1850 en is zelfs aanwezen als gemeentelijk monument. Deze langgevelboerderij is ook nog herkenbaar aan het onderscheid in woongedeelte en oud stalgedeelte. Ook
Heesvenstraat
oude
fabriekswoning.
lets
verderop,
4.3.2.2
aan
Waarden
26,
ten
zuidoosten
van
de
planlocatie,
Laan
ten
Boomen, is nog
een
aantal monumentale
binnen
is
aangemerkt
als
MIP.
Dit betreft
een
panden gelegen.
planlocatie
Cultuurhistorie Binnen de
planlocatie is sprake van een cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij. In bijlage Il behorende bij de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2012 met Beeldbepalende panden is de boerderij ook als zodanig aangeduid. Hierin is aangegeven dat zowel de hoofdvorm een beeldbepalend karakter heeft als dat de gevelindeling beeldbepalende kwaliteiten bezit.
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
35
Ruimtelijke motivering
Door
Maikel
Niël
Bouwhistorie
is
een
De
cultuurhistorische
verkenning
Navolgend
concludeert Maikel
Niël Bouwhistorie
over
is
gedaan
de
evenals
en
daarmee
een
bekeken, waardestelling gemaakt. geschiedenis omgeving geschiedenis van het perceel en later de boerderij zelf. De boerderij blijkt deels uit 1887 en deels uit 1888, doordat de bouw een tijdje stil heeft gelegen. In eerste instantie zou een ‘landbouwers schuur en stal’ worden gerealiseerd, maar later werd de woning gezien als ‘landbouwerswoning’, welke op dat moment (juli 1888) nog niet in gebruik was. van
de
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
de
boerderij:
“De
boerderij op de Heesvenstraat 21 heeft een hoge algemeen cultuurhistorische waarde omdat het uitdrukking geeft aan een typologische ontwikkeling gebonden aan een specifiek tijdperk. De langgevelboerderij vertegenwoordigd een voorlopig eindpunt in de ontwikkeling van het driebeukige hallenhuis naar het langgeveltype. Dit komt tot uitdrukking in de hoofdindeling van woonhuis, stalruimte en schuurdeel onder één kap met een slanke langgerekte plattegrond die is geëvolueerd naar een enkelbeukige opzet. De daarbij behorende bouwkundige constructie is typerend is voor de ontwikkeling van het type. In die zin heeft de boerderij ook een positieve waarde vanuit de gebruikshistorie als representant van de agrarische ontwikkeling van de Brabantse zandgronden in relatie tot het langeveltype waarbij zowel veeteelt als akkerbouw in een gecombineerd bedrijf waren verenigd. De
boerderij heeft een positieve stedebouwkundige ensemblewaarde in relatie tot de bebouwing in de omgeving van het agrarische gebied rondom de Heesven en het nabij gelegen gehucht Ten Boomen. In die zin heeft de boerderij een historisch-ruimtelijke relatie met het omliggende gebied en de ontwikkeling daarvan. De
boerderij
hoge bouwhistorische waarde vanwege de afleesbaarheid van de bouwtechniek en het materiaalgebruik. De relatieve gaafheid en zeldzaamheid van de bouwkundige constructie. In het bijzonder geven de houten gebinten en kapconstructie daartoe aanleiding. Ook de oorspronkelijke gemetselde gevels van de gehele boerderij betaande uit twee opeenvolgende bouwfasen zijn grotendeels intact en hebben een relatief hoge zeldzaamheidswaarde vanwege haar uitgesproken detaillering. Daarnaast
heeft
heeft
een
de
boerderij een algemeen historische waarde op sociaal-economische gronden vanwege familiegeschiedenis van de familie WM (geanonimiseerd) Deze familie heeft meerdere burgemeesters en wethouders van Lierop voortgebracht die in een direkte relatie staan tot de bouw en bewoning van de boerderij. Zonder twijfel is de familie (geanonimiseerd) van grote invloed geweest op WN de ontwikkeling en geschiedenis van het dorp Lierop. De boerderij als representant van die geschiedenis kan derhalve positief gewaardeerd worden.” de
Voor wat betreft de interne
‘De onderdelen
waardering:
die behoren
oorspronkelijke bouw van de boerderij in 1887-88 worden hoog gewaardeerd. Omdat de boerderij vrij recent is gemoderniseerd en er geen voortgaande bouwgeschiedenis afleesbaar is, is de scheidslijn tussen een hoge waardering en een indifferente waardering vrij scherp. Er zijn daarom ook geen onderdelen die een positieve waardering krijgen, die tussen een hoge waarde en indifferente waarde in liggen. Een uitzondering daarop is de uitvoering
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
tot de
36
Ruimtelijke motivering
van
de
recent
vervangen
kozijnen, deuren,
weliswaar niet meer authentiek,
toch is
die als positief
aangemerkt kan
worden.”
Navolgend
een
is
aantal
er
ramen
en
luiken.
De
door de historiserende
foto's weergegeven
van
de
boerderij
‘Heesvenstraat 21
materialisering uitvoering enige
in de
en
detaillering
waarde
huidige staat,
Lierop’
zowel
is
ontstaan
van
het
interieur als het exterieur.
Figuur
14: Foto's
langgevelboerderij in de huidige
staat
(Bron:
Cultuurhistorische
verkenning,
Maikel
Niël
Bouwhistorie)
De
rapportage van Maikel Niël Bouwhistorie (projecthummer 076, d.d. 28 juni 2023) is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd. In deze verkenning en waardestelling is tevens aangegeven welke elementen van het interieur en exterieur van cultuurhistorische waarde zijn. Hieruit wordt dan ook geconcludeerd dat betreffende onderdelen behouden dienen te blijven. Momenteel
(Q1 2025)
behouden
dan
worden
de
bouwtekeningen uitgewerkt, waaruit ook zal blijken welke waarden terug gebracht worden en hoe hiermee wordt omgegaan. Navolgend zijn de eerste schetsen opgenomen van de beoogde situatie na herontwikkeling. Hierbij zijn eerst de gevels weergegeven in de huidige situatie, en daarna van de beoogde situatie. wel
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
37
Ruimtelijke motivering
(EEE:
E
E
‘Heesvenstraat
21
Lierop’
5
a
Figuur
15:
Buitengevels huidige situatie (Bron: Drijvers Oisterwijk,
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
Architectuur en
interieur)
38
Ruimtelijke motivering
Achtergevel
Figuur Met
16:
Buitengevels beoogde
situatie
‘Heesvenstraat 21
Lierop’
1100
(Bron: Drijvers Oisterwijk,
Architectuur en
interieur)
de
splitsing zal ook aanzienlijk worden geïnvesteerd in de cultuurhistorische waarden van het pand. De 130 jaar-oude gebintconstructie zal bijvoorbeeld in het te verbouwen gedeelte weer geheel tevoorschijn worden gehaald en behandeld voor het behoud van deze oude balken. Onder anderen met dit element kom de bouwgeschiedenis tot uiting. In de bijlage bij deze ruimtelijke motivering is een kostenraming opgenomen van de beoogde renovatie van de boerderij. Archeologie Navolgend is een gemeente
uitsnede
Someren’
van
de
weergegeven
‘Archeologiekaart van Someren’ van de ‘Nota Archeologiebeleid waarop de ligging van de planlocatie is aangeduid met de rode
cirkel.
Legenda VO) Mogelijke verstoringen Categorie 1: wettelijk beschermd archeologisch monument
[El Categorie 2: gebieden El Categorie 3: gebieden |
|
van zeer van
hoge archeologische waarde
hoge archeologische waarde
Categorie 4- gebieden met
een
hoge archeologische verwachting
Categorie 5: gebieden met
een
middelhoge archeologische verwachting
Categorie 6: gebieden met
een
lage archeologische verwachting
Categorie 7: gebieden zonder een archeologische verwachting
Figuur De
17: Uitsnede
planlocatie
daarmee
een
archeologische
beleidskaart
ter
plaatse
van
planlocatie en omgeving
is op de
archeologische beleidskaart grotendeels aangeduid als categorie 3 en betreft gebied van hoge waarde. De achtergelegen gronden kennen categorie 4, waarbij een
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
39
Ruimtelijke motivering
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
beide hoge archeologische verwachting geldt. Binnen categorieën geldt derhalve naar waarden over een onderzoeksplicht archeologische bij bodemingrepen oppervlakte van dan 250 m? en/of dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld. Met
de
een meer
beoogde
herontwikkeling worden geen bodemingrepen voorzien. Een archeologisch ook niet noodzakelijk geacht. Niettemin blijft de huidige archeologische aanduiding behouden waarmee ook in de toekomst de verplichting tot onderzoek behouden blijft.
onderzoek
4.3.2.3
wordt
dan
Conclusie
Als
gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt en gaan geen landschapselementen verloren. Enkel wordt de cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij gesplitst in twee wooneenheden. Bij de splitsing wordt aandacht besteed aan de waarden zoals aangegeven in paragraaf 4.3.2 en in de in de bijlage opgenomen rapportage. Een toegevoegde waarde wordt geleverd aan de cultuurhistorische waarden door het duurzame behoud en onderhoud van de aanwezige waarden. Waardevolle elementen blijven behouden en daar waar mogelijk wordt extra hier de nadruk op gelegd. Door de
Cultuurhistorie’ is zeker gesteld dat met toevoeging van de specifieke aanduiding ‘Waarde de (ver)bouwaanvraag voor splitsing specifiek aandacht wordt besteed aan de cultuurhistorische waarden van de langgevelboerderij.
44
—
Bodem
4.4.1
Wettelijk
Het aspect
kader
fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het besluitgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij
bodemkwaliteit maakt
het bouwen
van
een
de bodem
ten
minste
integraal
onderdeel
bodemgevoelig gebouw
een
de
bodemgevoelige
locatie
moet
de
kwaliteit
gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden van
voldoen
op
uit van
aan
daarvoor
overschreden.
4.4.2 Met
Toetsing
Een
de
reeds
beoogde herontwikkeling zal de functie ter plaatse van de planlocatie feitelijk niet wijzigen. wooneenheid wordt toegevoegd, binnen de bestaande bebouwing alwaar in de huidige situatie sprake
is van
woonbebouwing.
Juridisch wordt echter wel
een
gevoelige
functie
toegevoegd.
Na
staking van de veehouderij is ter plaatse van het huidige bedrijfsgebouw reeds bodemonderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemkwaliteit wordt aanvaardbaar geacht en vormde destijds geen
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
40
Ruimtelijke motivering
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
belemmering voor de toen geplande nieuwbouw. Het uitgevoerde bodemonderzoek (Inpijn-Blokpoel Son Milieu, opdrachtnummer MB-2831, d.d. 21 mei 1999) is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd. Ten
behoeve
2025
verkennend
4.5
Water
ruimtelijke procedure is door Socotec Geotechnics B.V. (Inpijn-Blokpoel) in uitgevoerd ter plaatse van de planlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de wijziging van het Omgevingsplan. De onderzoeksrapportage (Socotec Geotechnics B.V, documentnummer 25SP0048-adv-01, d.d. 19 maart 2025) is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd.
4.5.1
deze
van
bodemonderzoek
Wettelijk
kader
4.5.1.1
Inleiding
In
artikel
5.37
rekening
moet
het
van
Besluit
kwaliteit
worden
gehouden
Daarbij
worden
watersystemen.
leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan de gevolgen van een plan voor het beheer van een van die duiding gevolgen, de opvattingen van het
met
voor
bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen specifieke Rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 5.47 Bkl); 5.49 BkI). IJsselmeergebied (5.48
betrokken.
Met
Dit
Voor
een
aantal
—
—
—
inwerkingtreding
beleidsstukken op het
4.5.1.2
van
de
gebied
Nationaal Water
In Nederland
Omgevingswet van
moet
vervallen.
geldt niet voor
de diverse
water.
Programma
liggen grote opgaven
Nederland
is de Waterwet
voor
zich aanpassen
2022-2027 het waterdomein:
gevolgen van klimaatverandering: Nederland blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. aan
de
moet
Om
geven hoe om te gaan Nationaal Water Programma (NWP)
met
Het
van
aan
te
geeft
programma
ontwikkeld
beleid
klimaatadaptief andere
en
De
uitdagingen
van
water, ontwikkelt de Rijksoverheid
de
ontwikkelingen
binnen
het
waterdomein
en
Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van
de functies
van
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
Het
NWP
de
Rijkswateren
het
legt
nieuw
water
dat
water
met
beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en
sectoren.
overzicht
een
vast.
de
2022-2027.
41
Ruimtelijke motivering
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
4.5.1.3 Het
eNr= „
„
„
NDR
.
Waterschapsprincipes Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; hydrologisch neutraal bouwen; water
meervoudig ruimtegebruik; van vervuiling; wateroverlastvrij bestemmen; waterschapsbelangen. voorkomen
4.5.1.4
Op
als kans;
Waterbeheerplan
19 november
2021
2022-2027
is het
waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en omgaan ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor
bebouwde
gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: -__schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; -__de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; -__de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; -__de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke
werkt
het
partners is toegenomen. Deze
programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
doelstellingen. instrumenten
van
Deze het
4.5.1.5
Gemeentelijk beleid In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025’ (VGRP 2021-2025) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd. Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet, worden doorgezet in de komende
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
42
Ruimtelijke motivering
planperiode. het beheer
De
gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige
‘Heesvenstraat 21
manier
invulling
geven
Lierop’
aan
onderhoud.
en
Ook in Someren
is de
landelijke trend zichtbaar
dat bewoners
bedrijven het perceel (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook van de deels gemeente afkoppelinspanningen de ambitie om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het onder andere bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het en
extra
tegengaan
4.5.2
van
hittestress.
Toetsing
4.5.2.1
Geohydrologische situatie planlocatie vindt geen grondwateronttrekking plaats, en in de omgeving van oppervlaktewater. De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) ter plaatse de 80 en 140 centimeter beneden maaiveld. De GHG in de omgeving is te zien figuur. De planlocatie is hierop aangegeven in de zwarte cirkel. Binnen
de
Het
is geen
sprake
varieert tussen op
navolgende
ondiepe bodemwetersysteem Gemiddelde hoogste
B B B B
B B
grondwaterstand GHG
ezen zoon zo-ooer sc-soen 2e toorn too-12oen
em
120-140
cm
40-160 -180
cm
200
em
250
cm
den
250
-
200 meer
Figuur
18: GHG
ter
plaatse van
de
planlocatie en
de
-
cm
omgeving
4.5.2.2
Hydrologisch neutraal ontwikkelen gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen bebouwing toegevoegd of verwijderd. Geen sprake zal zijn van een toename aan erfverharding. Wel zal als gevolg van een extra wooneenheid binnen de langgevelboerderij de hoeveelheid afvalwater toenemen. De toename van één huishouden zal geen negatief effect hebben op de waterhuishouding of het rioolstelsel. Als
4.5.2.3 Om
de
Kwaliteit kwaliteit
van
te
en
infiltreren hemelwater
garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in komen, aanraking vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen van
kunnen
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
het
lozen
hemelwater
te
te worden
43
21 Lierop’
Ruimtelijke motivering
‘Heesvenstraat
(DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals terrassen met en niet chemische opritten, parkeerplaatsen mag verontreinigd zijn bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 4.6
Geluid
4.6.1 Ten
Wettelijk aanzien
kader
Omgevingswet is de geluidregelgeving toegevoegd via een aanvullingsspoor Omgevingswet. De Wet geluidhinder wordt hiermee geïntegreerd aan de Omgevingswet. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bk) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Sprake is van een ‘geluidgevoelig gebouw’ volgens artikel 3.21 van het Bkl onder lid 1 sub a. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidsbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. Voor gemeentewegen geldt een standaardwaarde van 53 Laden en een grenswaarde van 70 Laen. Voor Rijkswegen geldt een standaardwaarde van eveneens 50 Laenen een grenswaarde van
aan
van
de
nieuwe
de
65 Lagen.
4.6.2
Toetsing
Een
geluidgevoelig gebouw is volgens artikel 3.21 Bkl een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. De langgevelboerderij ter plaatse van de planlocatie wordt volgens het Bkl reeds geheel gezien als ‘geluidgevoelig gebouw’. De gehele boerderij kan in de huidige situatie namelijk volledig worden gebruikt voor de woonfunctie met geluidgevoelige ruimten (artikel 3.22 Bkl). Navolgend is een tekening weergegeven van de eerste verdieping van de boerderij in de huidige situatie.
q
©
Of
n
„
©
i
zE
n
©
_
Ë
|
Er
© L
e
Figuur
19:
TE
F
©.
Tekening boerderij
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
©
@
in de
huidige
situatie
(Bron: Drijvers Oisterwijk,
Architectuur en
interieur)
44
Ruimtelijke motivering
Niet
duidelijk
is wat
hier
gezien moet worden als ‘nieuwe woning’, daar de gehele boerderij beoordeling in het kader van geluid is dan ook niet reëel.
bewoond wordt. Een
Andersom
wordt
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
planlocatie industrielawaai geproduceerd vanuit de recreatiefunctie. Dit enkel in de vorm van stemgeluid vanuit het bedrijfsgebouw. Het bedrijfsgebouw is gelegen op een afstand van circa 30 meter tot de beoogde woonfunctie welke niet tot de bedrijfsfunctie zal behoren. Bovendien is de bedrijfswoning, de rechter helft van de langgevelboerderij, de bedrijfswoning en dient tevens als extra buffer tussen burgerwoning en bedrijfsvoering. Geluidhinder vanuit de tot de reguliere burgerwoning wordt niet verwacht. Een akoestisch onderzoek bedrijfsvoering industrielawaai
Het aspect
4.7
vanuit
reeds
is dan
geluid
de
ook niet
vormt geen
aan
de orde.
bezwaar.
Geurhinder
4.7.1
Wettelijk
kader
Geur kan hinder veroorzaken
en
hebben
in de
gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) plek leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’). Het rekening houden met geur werkt twee -
-
een
de
kanten op:
bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven
Geurgevoelige
objecten, zoals woningen of scholen, zijn hiermee beschermd om geurhinder te voorkomen, maar bedrijven zijn beschermd om te voorkomen dat geurgevoelige gebouwen te dicht in de omgeving vestigen. Wat betreft geur van agrarische activiteiten zijn in artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden van omgevingsplan Waalre waardes voor geurbelasting van het houden van landbouwhuisdieren vastgelegd voor verschillende woongebieden binnen
Op
en
basis
buiten de bebouwde
geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom en binnen en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij valt de planlocatie binnen de voorgeschreven waardes. Navolgende tabel geeft deze waardes weer. van
de in artikel 22.98
kom.
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
beschreven waardes
voor
45
Ruimtelijke motivering
Geurgevoelig object
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
Waarde
Gelegen binnen de bebouwde geurhinder en veehouderij
kom
en
buiten
een
concentratiegebied
| 2,0 oue/m?®
Gelegen binnen de bebouwde geurhinder en veehouderij
kom
en
binnen
een
concentratiegebied
| 3,0 oue/m?
Gelegen buiten de bebouwde geurhinder en veehouderij
kom
en
buiten
een
concentratiegebied
| 8,0 oue/m?
Gelegen
kom
en
binnen
een
concentratiegebied
| 14,0 oue/m?
leefklimaat
voorgrondbelasting helft bedraagt van de
buiten
geurhinder Tabel
en
2: Waardes
de
bebouwde
veehouderij geur in relatie tot
4.7.2
Toetsing
4.7.2.1
Woon-en
Als
geurgevoelige objecten
leefklimaat
vuistregel voor de beoordeling bepalend is voor de hinder, als achtergrondbelasting. Met
de
De
meest
ten
zuidoosten
van
het
de
voorgrondbelasting
woon-
en
geldt
tenminste
dat de de
voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een omdat de dichtst het grote veehouderij betreft, hetzij veehouderij bij geurgevoelige object is gelegen. dicht
bij de planlocatie gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van ruim 400 meter de planlocatie, met tussen planlocatie en veehouderij reeds een aantal reguliere burgerwoonfuncties. Gesteld kan worden dat de achtergrondbelasting leidend zal zijn voor het bepalen van het woon- en leefklimaat. van
De
geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum juni 2023) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij de planlocatie met een zwarte cirkel is aangeduid.
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
46
Ruimtelijke motivering
‘Heesvenstraat 21
Achtergrondbelasting juni 2023
Lierop’
geur
Concentratiegebied Brabant
leefomgeving concentratiegebied kwaliteit
achtergrondbelating in oussub>E</sub>/mesup>3e/ sup>
EB
Figuur 20: Achtergrondbelasting Ter
plaatse
Het
woon-
van en
de
ter
plaatse van planlocatie
planlocatie
is
sprake
leefklimaat kan op basis
van
de
en
slecht
(>50)
omgeving
indicatieve
een
het aspect geur
van
Extreem
achtergrondbelasting van 3-7 oue/m?. dan ook worden bestempeld als ‘goed’.
4.7.2.2
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Herontwikkeling van de planlocatie mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen omliggende veehouderijen en de planlocatie zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. Deze veehouderijen worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie reeds het geval is.
4.8
Gezondheid
4.8.1
Endotoxinen
48.11
Wettelijk kader De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM:o in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan
emissies uit veehouderijen.
Endotoxine
(fijn)stof emissie
uit veehouderijen.
De
van
ontwikkeling
Gezondheidsraad,
Veehouderij
en
een
is
landelijk toetsingskader
afgerond. Volksgezondheid van nog
niet
Handelingsperspectieven Veehouderij Deze notitie haakt in opgesteld. endotoxinetoetsingskader
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
is voor
en
maakt
luchtwegklachten
voor
endotoxine
een
Vooruitlopend daarop is het Bestuurlijk Platform
door
en
op
gebruik
door
relevante component
het
op advies
van
de
het
Ondersteuningsteam Omgevingsrecht de ‘Notitie
Endotoxine Volksgezondheid: de lopende ontwikkeling van
Rijk,
in de
de daaruit voortkomende
1.0’ toetsingskader het landelijke
van
onderzoeksresultaten.
De
47
Ruimtelijke motivering
‘Heesvenstraat 21
Lierop’
voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m° aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. 4.8.1.2 De
Toetsing
gemeente
contouren. met een
Someren
heeft
een
eigen
Navolgende figuur betreft een cirkel is aangeduid.
beleidskaart
uitsnede
van
opgesteld
deze
ten
aanzien
van
endotoxinekaart waarop
de
endotoxine
planlocatie
zwarte
Legenda
LI Gemeentegrens
INN
Geiten
2.000
Pluimvee
m
1.000
m
Endotoxinecontouren
Figuur 21:
Endotoxinecontouren in de
omgeving
van
de
planlocatie,
kaart 2023
De
binnen endotoxinecontouren van intensieve planlocatie is niet gelegen omliggende contour meter van 1.000 vanuit een veehouderijbedrijven. De planlocatie ligt wel binnen een tot maar de endotoxinecontour vanuit dit reikt niet de pluimveebedrijf, bedrijf planlocatie. van de is in het kader van endotoxine dan ook bezwaar. Herontwikkeling planlocatie geen
4.8.2
Geitenhouderijen
4.8.2.1
Wettelijk kader Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico.
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
48
Ruimtelijke motivering
4.8.2.2
Toetsing
Binnen
een
straal
aspect
vormt
dan ook geen
4.8.3
Gewasbeschermingsmiddelen
4.8.3.1
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
Wettelijk
In het kader
van
2
kilometer
vanuit
de
planlocatie zijn
geen
geitenhouderijen
gelegen.
Dit
belemmering.
kader
evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan term via drift. Met de drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron contact met van waardoor mens en dier in kunnen komen _luchtverontreiniging, gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. van
een
4.8.3.2
Toetsing omgeving van de planlocatie zijn geen gronden gelegen waarop gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Aangrenzende percelen zijn enkel in gebruik als grasland en worden niet Niet is dat hier worden verbouwd waarvoor bespoten. aannemelijk gewassen zullen worden gewasbeschermingsmiddelen ingezet. In de
Dit aspect is dan ook geen
4.9
Bedrijven
en
4.9.1
Wettelijk
kader
Bij
belemmering
voor
de
beoogde herontwikkeling.
milieuzonering
ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het omgevingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. een
4.9.2
Toetsing
49.21
Inleiding planlocatie is gelegen aan een drukkere doorgaande weg in het buitengebied. De omgeving kenmerkt zich als voormalig agrarisch gebied met in de huidige situatie veelal reguliere burgerwoningen maar sporadisch ook (al dan niet agrarische) bedrijvigheid. De omgeving van de planlocatie kenmerkt zich dan ook als gemengd gebied. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in gemengd gebied, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
49
Ruimtelijke motivering
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
4.9.2.2
Bedrijven in de omgeving Agrarische bedrijvigheid is reeds nader toegelicht in paragraaf 4.7 van deze ruimtelijke motivering. In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen niet-agrarische bedrijven. Wel is ten zuiden van de planlocatie het sportpark gevestigd. Hier mogen sportvoorzieningen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen aanwezig zijn. Gebouwen mogen enkel binnen het ‘bouwvlak’ worden gerealiseerd, waarvan in de directe nabijheid van de planlocatie geen sprake is. Voor de sportfunctie direct ten zuiden van de planlocatie geldt in het gemengd gebied een richtafstand van 30 meter tot een gevoelige functie (veldsportcomplex met verlichting, milieucategorie 3.1). De werkelijke afstand tussen de uiterste hoekpunten van de beide functies (woonfunctie en sportfunctie) betreft 33 meter. De daadwerkelijke functies bevinden zich op grotere afstand tot elkaar. Bovendien is tussen de planlocatie en de sportfunctie reeds een reguliere burgerwoonfunctie gevestigd en een groenstrook, waarmee sprake is van een buffer tussen de beide functies. Dit aspect vormt dan ook
de te
voor
splitsen woning
geen
bezwaar.
4.9.2.3
Bedrijvigheid binnen planlocatie planlocatie wordt de bedrijfsfunctie omgezet naar recreatiefunctie met ondersteunende horeca. De huidige bedrijfsvoering (indoor curling) kan voor wat betreft milieuhinder gelijk worden gesteld aan een bowlingcentrum, wat kan worden aangemerkt als een bedrijf binnen milieucategorie 2. Hiervoor geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter tot een gevoelig object. Binnen een straal van 10 meter vanuit de bedrijfsvoering zijn geen gevoelige objecten gelegen. Ook de tweede wooneenheid binnen de langgevelboerderij (woonfunctie) is gelegen op grotere afstand. Binnen
Een
de
recreatiefunctie
in het
milieucategorie 3.1-bedrijf, waarvoor in een gemengd gebied geldt gevoelig object. Bedrijfsvoering binnen de bestaande Deze (geanonimiseerd) plaats bedrijfsbebouwing. bebouwing bevindt zich op een afstand | van circa 30 meter tot de beoogde woonfunctie binnen de planlocatie. Ook ondersteunende horeca zal plaatsvinden binnen deze bebouwing, met mogelijke uitloop naar de achterzijde van de bebouwing. Dit vindt alsdan juist verder weg van de te splitsen woonfunctie. Recreatie- en horecafuncties vinden dan ook plaats op voldoende afstand tot de te splitsen woonfunctie. een
algemeen
kan worden
richtafstand
een
van
De
gezien
als
30 meter
tot
beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering in het kader Recreatie tot en met milieucategorie 3.1 past binnen de omgeving.
van
Bedrijven
en
Milieuzonering.
4.10 Omgevingsveiligheid 4.10.1
Wettelijk
Als onderdeel het stellen
van
van
kader de
regels
van
branden, rampen
van
het
veiligheid
gebruik van
gaat het om
en
overwegingen
rondom
voor
activiteiten
en
c.q.
crises
transport
aan
een
evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dient ook rekening te worden gehouden met risico’s
(paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de
van
bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij de ‘feitelijke’ risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden
ervaren.
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
50
Ruimtelijke motivering
Ten
behoeve
‘Heesvenstraat 21
Lierop’
afwijking zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de afwijking beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crises, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening. van
aanvaardbaarheid
4.10.2
van
deze
deze
Toetsing
4.10.2.1
Risicokaart
Navolgend is een uitsnede weergegeven van de risicokaart ter plaatse van directe omgeving hiervan. De planlocatie is aangegeven in de zwarte cirkel.
de
planlocatie
en
de
Legends Wm
Seveso
Tankengrandstoffen
«
OpslagtankGas
«
AnderinsluitSysteem
Opslagtankvlaelstof Aardgasstation/Mijnbauw Opslagverpakt
.
vervoer
Ammontakkoelinstallatie
a «
gadartig
®
Mestvergisting vuurwerk
* #
Opslagontplofbaar
EN
nucleair
.
windturbine
.
Resteategore ”
Buisleiding
7 Basisnet Weg / Basisnet water 2@* Basisnet Spoor /
Onbekend type
vervoer
5 Brandaandachtsgebied U) Explosieaandachtsgebied (incl. vuurwerk civiel) 1! Gifwolkaandachtsgebied en
PR10-5
} PR10:6 PR10-7 PR10-8
Figuur 22:
Uitsnede risicokaart
4.10.2.2
Risicovolle
(Bron:
Atlas
Leefomgeving)
inrichtingen Binnen de planlocatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. In risicovolle inrichtingen gevestigd. Dit aspect is dan ook geen probleem.
de
omgeving
zijn
ook
geen
4.10.2.3
Transport van gevaarlijke stoffen Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente | (geanonimiseerd) zijn de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. De planlocatie is gelegen op een afstand
van
circa 380
meter ten zuiden van de A67 en 730 meter ten westen van de N612.
Plaatsgebonden risico In het Bkl wordt een
zone
voor
langs
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
een
het
plaatsgebonden
risico
van
waarbinnen
geen
nieuwe
weg
een
veiligheidszone gehanteerd. Dit is kwetsbare objecten zijn toegestaan. De
weg
een
51
Ruimtelijke motivering
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 106/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van de planlocatie een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. De planlocatie ligt buiten deze veiligheidszone. Voor de provinciale wegen N266 en N612 gelden geen veiligheidsafstanden. Aandachtsgebieden De
A67
kent
brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. De planlocatie is buiten deze aandachtsgebieden gelegen. Voor de provinciale wegen N266 en N612 gelden geen aandachtsgebieden. een
De
planlocatie is niet gelegen binnen een invloedsgebied planlocatie zijn ook geen buisleidingen gelegen.
tot een
spoorlijn.
In de
omgeving
van
de
4.10.2.4
Hoogspanningslijnen hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. In de omgeving van de planlocatie zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. De meest dichtbij zijnde hoogspanningslijn bevindt zich op de grens met de gemeente Asten en bevindt zich daarmee op een afstand van ruim 1 kilometer ten oosten van de planlocatie. Op zodanige afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Dit aspect is dan ook niet van toepassing. Voor
4.10.2.5 De
Conclusie
beoogde ontwikkeling
is in het kader
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1
Beleidskader
4,11.1.1
Inleiding luchtverontreiniging
Omdat
kan
zorgen
van
omgevingsveiligheid
voor
negatieve
belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In
het Bkl
is aangegeven
geen
bezwaar.
gezondheidseffecten bij de mens, beoordeling of met een plan sprake
is
het
is
van
in welke
gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het Omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het Omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. 4.11.1.2
Aandachtsgebieden staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM4o). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het maar daar wel voor een De bevindt, aandachtsgebied verhoogde concentratie zorgt. beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in In het Bkl
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
52
Ruimtelijke motivering
het Bal
regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. 4.11.1.3 De
Uitgezonderde
locaties
van
21 Lierop’
‘Heesvenstraat
de lucht of wanneer
(blootstelling)
luchtkwaliteit hoeft alleen te worden
toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen welke publiek niet toegankelijk zijn of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). 4.11.1.4
Niet in betekenende
beoordeeld
door
een
mate
Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PMso) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PMso) niet hoger is dan 1,2 ug/m° Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast
is
categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Voor woonwijken geldt hierbij een aantal van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en van 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. er
een
aantal
Deze
4,11.2
Toetsing
4.11.2.1 De
Aandachtsgebieden planlocatie is niet gelegen binnen
een
aandachtsgebied
Uitgezonderde locaties (blootstelling) Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie planlocatie en de directe omgeving weer.
in het kader
van
de luchtkwaliteit.
en
PM25
4.11.2.2
(geanonimiseerd) Rentmeesters bv DE
van
PM:o
ter
plaatse
van
de
53
Ruimtelijke motivering
‘Heesvenstraat
21
Lierop’
Fijnstof 2020 (PM10) Transparantie: 20%
Legenda: Fijn stof conc. (ug PML0/m3)
Ee: -13
O
-14
Ë —
WHO
advieswaarde
-16 -18 -20 -22
Figuur 23: Fijnstof PM+0 De De
2020
(Bron: Atlas Leefomgeving)
jaargemiddelde concentratie fijn stof PM:o ter plaatse van de planlocatie bedraagt 16-18 ug/m®. concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 40 pg/m°.
Fijnstof 2020 (PM2.5) Transparantie: 20%
Legenda: Fijn stof conc.
(Hg PM2,5/m3) 5
jé
—
WHO
advieswaarde
Figuur 24: Fijnstof PM2,s 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving) De
jaargemiddelde concentratie fijn stof PM2s ter plaatse van de planlocatie bedraagt 9-10 ug/m®. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 25 ug/m°. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde ontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is. Navolgende figuur geeft omgeving weer.