CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplan ter vaststelling

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Lierop-Zuid fase 121.183 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 2.15 Ontwerpuitgangspunten Lierop-Zuid, fase 1 (geen rechten aan te ontlenen zoals ten aanzien van beplanting en omvang gesitueerde bouwblokken op percelen, de regels en de verbeelding binnen het plangebied zijn leidend)

19/103

Er is een gedifferentieerde bouw op het oog. Het beoogde woningbouwprogramma voor het totale plangebied ziet er als volgt uit: 4 Gestapeld (beneden) koop; 4 Gestapeld (boven) koop; 14 rug-aan-rug-woningen middelduur; 34 Rijwoningen, koop; 38 rijwoningen, sociale huur; 10 halfvrijstaande woningen; 22 vrijstaande woningen. Totaal aantal woningen: 126

Figuur 2.16 Voorkeursmodel inrichting (Bron: LOS - Stad om land, jan. 2025) (geen rechten aan te ontlenen zoals ten aanzien van beplanting en omvang gesitueerde bouwblokken op percelen, de regels en de verbeelding binnen het plangebied zijn leidend)

Het stedenbouwkundige plan is onder te verdelen in 7 zogenoemde woningbouwclusters die op figuur 2.17 schematisch zijn weergegeven. De bouwmassa's, met name de goot- en bouwhoogten, binnen deze clusters zijn afgestemd om de directe omgeving. Aan de randen van het plangebied zijn lagere goot- en bouwhoogten beoogd dan in het centrum van de nieuwe wijk, zie ook figuur 2.18. Hiermee wordt het dorpse- en landelijke karakter aan de randen gewaarborgd en wordt een natuurlijke overgang naar intensievere bebouwing gerealiseerd.

20/103

Figuur 2.17 Beoogde woningbouwclusters

21/103

Figuur 2.18: Zonering spuitzone en goot- en bouwhoogten (geen rechten aan te ontlenen zoals ten aanzien van beplanting en omvang gesitueerde bouwblokken op percelen, de regels en de verbeelding binnen het plangebied zijn leidend) Figuur 2.18 laat de zonering zien zoals is vastgelegd in dit bestemmingsplan. Op deze figuur is voor een deel van de gronden geen goot- of nokhoogte aangegeven (niet gearceerde/gekleurde delen). Voor deze gebieden zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan dezelfde goot- en nokhoogten verwerkt als de rood gearceerde delen, dus een maximale goothoogte van 6,5 meter en een maximale bouwhoogte van 11,5 meter. Cluster 1 Binnen cluster 1 worden 4 vrijstaande woningen gerealiseerd met een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. Dit met het oog op de overgang tussen het landelijk gebied aan de oostzijde van Berkeindje. Programma cluster 1: 4 vrijstaande woningen.

22/103

Cluster 2 Binnen cluster 2 worden in totaal 8 sociale beneden en bovenwoningen gerealiseerd alsmede 10 sociale huurwoningen voor senioren, 4 koopwoningen voor senioren en 5 (reguliere) sociale rijwoningen. In totaal zijn hier dus 27 woningen voorzien. Voor de gestapelde woningen (beneden en bovenwoningen) geldt een maximum goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter. De rijwoningen (senioren en sociaal) krijgen alleen een maximale bouwhoogte van 6 meter. Deze woningen kunnen plat of met een kap worden afgedekt. Programma cluster 2: 4 benedenwoningen koop; 4 bovenwoningen koop; 10 senioren rijwoningen sociale huur; 4 senioren rijwoningen koop; 5 rijwoningen sociale huur; 1 halfvrijstaande woning; 1 vrijstaande woning. Totaal 29 woningen. Cluster 3 Binnen cluster 3 zijn alleen halfvrijstaande en vrijstaande woningen voorzien. 6 halfvrijstaande woningen en 8 vrijstaande woningen. De woningen die met de voordeur zijn gericht op Berkeindje, hebben een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. De woningen die meer naar binnen zijn gericht, krijgen een maximale bouwhoogte van 11 meter. Programma cluster 3: 5 halfvrijstaande woningen; 7 vrijstaande woningen. Totaal 12 woningen. Cluster 4 Cluster 4 bestaat uit de realisatie van 5 rijwoningen voor de doelgroep sociaal, 4 halfvrijstaande woningen en 2 vrijstaande woningen.

Ook hier geldt weer dat de woningen die zijn gericht naar het buitengebied, in dit geval de Vaarsehoefweg, een maximale goothoogte krijgen van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. In het binnengebied krijgen de woningen een maximale bouwhoogte van 11 meter, dit betreft in de beoogde situatie 4 van de 5 rijwoningen. Programma cluster 4: 2 halfvrijstaande woningen; 4 vrijstaande woning. Totaal 6 woningen. Cluster 5 Cluster 5 bevindt zich meer in het middengebied maar ook hier is een diversiteit aan woningtypen voorzien: 8

23/103

boven en benedenwoningen, 4 rijwoningen (sociaal), 4 halfvrijstaande woningen en 1 vrijstaande woning. Voor de beneden- en bovenwoningen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 meter, voor 3 van de rijenwoningen geldt een maximale bouwhoogte van 11 meter maar voor de rijwoning aan de rand van het plangebied geldt een maximale goothoogte van 3 en een maximale bouwhoogte van 9 meter. Programma cluster 5 4 rijwoningen senioren, sociale huur; 15 rijwoningen sociale huur; 2 halfvrijstaande woningen; 1 vrijstaande woning. Totaal 22 woningen. Cluster 6 9 rijwoningen in de sector koop worden gerealiseerd in cluster 6. 8 van deze woningen krijgen een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 meter, de eindwoning aan de zuidzijde, grenzend aan de grens van het plangebied en het buitengebied, krijgt een maximale goot hoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. Daarnaast worden in dit cluster nog 5 vrijstaande woningen gerealiseerd. Deze woningen zijn alen gelegen aan de rand van het plangebied en zullen daarmee worden gerealiseerd met een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. Programma cluster 6: 4 rijwoningen senioren, sociale huur; 5 rijwoningen koop; 5 vrijstaande woningen. Totaal 14 woningen. Cluster 7 Dit plan sluit aan op de hoofdontsluiting en wordt landschappelijk ingepast.

De rug-aan-rug woningen hier hebben geen achtertuinen maar uitsluitend voortuinen. De bouwblokken variëren in goot- en bouwhoogte. Programma cluster 7 14 rug-aan-rugwoningen, middelduur; 25 rijwoningen, koop; Totaal 39 woningen.

24/103

Figuur 2.19 (concept) beoogd inrichtingsplan Lierop Buiten (ten oosten van Berkeindje) (geen rechten aan te ontlenen zoals ten aanzien van beplanting en omvang gesitueerde bouwblokken op percelen, de regels en de verbeelding binnen het plangebied zijn leidend)

2.3.2 Groenvoorzieningen Aan de randen van het plangebied zijn groenvoorzieningen voorzien die ervoor zorgen dat het nieuwe woongebied ook landschappelijk ingepast gaat worden. In figuur 2.20 zijn de ruimtes voor groen en spelen inzichtelijk gemaakt. Het landschappelijke inpassingsplan moet nog nader uitgewerkt worden en die uitwerking is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, zie ook artikel 6.5.2. In de opgenomen groenbestemming worden de reguliere groen-, speel,-, infiltratie- en waterbergingsvoorzieningen mogelijk gemaakt. Maar ook de landschappelijke inpassing wordt hiermee bedoeld.

25/103

Figuur 2.20 Groen en spelen binnen Lierop-Zuid, fase 1 (geen rechten aan te ontlenen zoals ten aanzien van beplanting en omvang gesitueerde bouwblokken op percelen, de regels en de verbeelding binnen het plangebied zijn leidend)

Daarnaast is het binnen de groenbestemming ook mogelijk om parkeervoorzieningen en langzaamverkeersverbindingen aan te leggen. Binnen de verkeersbestemming worden daarnaast ook groenvoorzieningen mogelijk gemaakt. Hierdoor is groen binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer Verblijfgebied' uitwisselbaar. De groenvoorzieningen en de landschappelijke inpassing is ook specifiek mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden- Landschapswaarde' zodat ook hier extra maatregelen kunnen worden aangelegd om de landschappelijke inpassing van het nieuwe woongebied gerealiseerd kan worden, eventueel in combinatie met waterhuishoudkundige voorzieningen die noodzakelijk zijn in het kader van de wateropgave, zie ook paragraaf 4.13.

26/103

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Tot slot wordt in paragraaf 3.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.

dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin

27/103

meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte voor overgang naar een circulaire economie; Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.

Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing Net zoals in grote delen van Nederland is er op dit moment in de regio en in de gemeente Someren sprake van een schaarste aan geschikte woningen, met als gevolg een overspannen woningmarkt. Er is behoefte aan nieuwe woningbouwlocaties. Het plangebied Lierop-Zuid biedt hiervoor nadrukkelijk kansen. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in de NOVI. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de NOVI wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie. Toetsing Op het plangebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro.

28/103

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt bij woningen op basis van jurisprudentie op circa 11-14 woningen. De ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit twee stappen: de eerste stap bestaat uit het aantonen van de behoefte voor de beoogde ontwikkeling. Voor de tweede stap wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dit nadrukkelijk gemotiveerd te worden in de toelichting van het bestemmingsplan. Toetsing Algemeen Uitgangspunt voor het planvoornemen is het toevoegen van maximaal 126 woningen. Er is een gedifferentieerde bouw op het oog.

Het planvoornemen is zoals beschreven berust op het volgende programma: 4 Gestapeld (beneden) koop; 4 Gestapeld (boven) koop; 14 rug-aan-rug-woningen middelduur; 34 Rijwoningen, koop; 38 rijwoningen, sociale huur; 10 halfvrijstaande woningen; 22 vrijstaande woningen. Bestaand stedelijk gebied In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied, maar sluit wel aan op het bestaande stedelijk gebied. Het plangebied ligt dan ook binnen het gebied dat provinciaal is aangewezen als 'Verstedelijking afweegbaar' en in de gemeentelijke Structuurvisie Someren 2028 als 'organische woonuitbreiding, zacht dorpsrand tpv provinciaal zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling'. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied is in lijn met het vigerende ruimtelijk beleid. Stedelijke ontwikkeling Het geldende bestemmingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan maakt geen woningen mogelijk.

In dit geval worden in totaal maximaal 126 woningen mogelijk gemaakt. Het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.

29/103

Relevante woonregio Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van wat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Someren, binnen de regio Zuidoost-Brabant. De regio Zuidoost-Brabant is verder onderverdeeld in een drietal subregio's. De gemeente Someren valt onder de subregio De Peel. De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de beoogde ontwikkeling blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld. Kwantitatieve behoefte Regionale woondeal Zuidoost-Brabant Er is sprake van een groot woningtekort. De regio zet zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van minimaal 45.135 woningen in de periode 2022 tot en met 2030. Elke gemeente neemt een fair share van de regionale opgave. Ze maken daarom afspraken over de minimale opgave per gemeente. Meer realiseren mag, dan wordt het woningtekort sneller ingelopen. De regionale woondeal is raadpleegbaar via deze link: https://noordbrabant.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/View/dd515c11-420d-4b1a-9b8e-7a9db1c0bf71. Tabel 3.1 Fair share woningbouwopgve Zuidoost-Brabant 2022 t/m 2030 (Bron: Provincie Noord-Brabant)

30/103

Tabel 3.2 Woningbouwopgave per gemeente per jaar 2022 t/m 2030 (Bron: Provincie Noord-Brabant)

31/103

In de regionale woondeal Zuidoost-Brabant staat voor gemeente Someren het te bouwen aantal van netto 820 woningen tot en met 2030, waarvan tweederde betaalbaar (30% sociaal, 16% middenhuur en 20% betaalbare koop). Ook is aangegeven dat er slechts harde plancapaciteit is voor 405 woningen. De opgave ligt 30% hoger dan wat in de Woonvisie, welke ook in deze paragraaf aan bod komt, van de gemeente Someren staat. Momenteel is de gemeente Someren bezig om een Omgevingsvisie op te stellen waaruit moet blijken waar en wanneer er extra huizen worden gebouwd. Kwalitatieve behoefte Woonvisie Someren 2030 De Woonvisie Someren 2030 is op 12 december 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Someren. Om een aantrekkelijke woongemeente te blijven en nog meer te worden, worden de volgende beleidspunten en uitvoeringspunten gehanteerd. Voor voorliggend bestemmingsplan zijn de algemene uitgangspunten ten aanzien van duurzaamheid en cirulariteit en nieuwbouw relevant. Hierna worden de uitgangspunten opgesomd. Duurzaamheid en circulariteit 1. Realisatie van duurzaam, maar ook blijvend betaalbaar, wonen. Betaalbaar wonen is een uitgangpunt bij het opstellen van bijvoorbeeld de Warmtevisie en -plan(nen) en het ontwikkelen van een aanpak om particuliere woningen transitie gereed te maken. 2.

Gezamenlijk optrekken met partners zoals de woningstichtingen en corporaties (Zummere Power, Lierop Leeft) en bewoners voor de realisatie van een energie neutrale en aardgasloze woningvoorraad. 3. De voorlichtingscampagne onweerstaanbaar Someren verbreden om naast de woning klimaatbestendig te maken, ook te verduurzamen met oog voor circulaire materialen en natuur inclusieve materialen. 4. De statiegeldregeling circulair bouwen Groote Hoeven te evalueren en bij een positieve evaluatie deze regeling gemeentebreed inzetten bij nieuwe woningbouwplannen. 5. Daar waar mogelijk inzetten op regeninfiltratie op eigen terrein. 6. De Duurzaamheidslening wordt voortgezet. Bij een volgende actualisatie wordt bezien of het toepassen van circulaire materialen en natuur inclusieve materialen ook onder de lening kan vallen. Nieuwbouw

32/103

1. Basisprincipe blijft vraag- en behoeftegericht bouwen, waarbij ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen een ruime mate van flexibiliteit kennen om relatief snel in te kunnen springen op behoefteveranderingen. Gestuurd wordt op gedifferentieerde wijken en buurten met een goede verhouding tussen sociale huur en koop in verschillende klassen. 2. De prioriteit ligt op een kwalitatieve aanvulling van het woonaanbod (niet meer van hetzelfde) en daarmee op de doelgroepen die onvoldoende mogelijkheden hebben op de huidige woningmarkt: a. Medioren / Senioren (zelfstandig wonend). Dit is de doelgroep die de komende jaren het hardst in aantal zal groeien en specifieke woonwensen heeft waaraan in de bestaande woningvoorraad (nog) niet voldoende kan worden tegemoetgekomen. b. (Her)starters en jonge gezinnen doordat zij, voornamelijk vanuit betaalbaarheid, vaker moeite hebben om een passende woning te vinden in de gemeente Someren. Daarbij draagt deze doelgroep bij aan de leefbaarheid van de kernen. c. Sociale huur, omdat in dit segment vaak de inwoners wonen die extra aandacht nodig hebben. Adequate huisvesting is nog meer dan bij andere doelgroepen een goed fundament. Aandacht dient daarbij te zijn voor een goede verdeling koop en huur in de verschillende wijken. 3.

Prioritaire woonsegmenten zijn levensloopgeschikte woningen (huur en koop), starterswoningen tot idealiter € 200.000 (prijspeil 2019, volgend uit de MRE-begrippenlijst), sociale huurwoningen en woonvormen met een koppeling met zorg. Woningbouwplannen die hierin voorzien worden met prioriteit opgepakt. 4. Someren conformeert zich aan de subregionale woningbouwafspraken. 5. Someren streeft naar het nakomen van de woondeal en hanteert 30% in de sociale sector. 6. Een beperkte toename van vrije sector huur is wenselijk (tussen de huurtoeslaggrens en € 1.000,-), maar heeft geen prioriteit. 7. Om de leefbaarheid in de kernen te versterken wordt de nieuwbouw naar sturende behoefte verdeeld over de kernen. In de startnotitie is nog als huidige opgave opgenomen: Someren-Dorp kent een opgave van 61%, Someren-Eind 19%, Someren-Heide 8% en Lierop 12%. 8. Gemeentelijke kavels in nieuwe plannen en/of op moment dat signalen zijn dat er kavels interessant bevonden worden, worden via loting aangeboden. 9. Toewijzing door anderen vindt eerlijk, transparant en achteraf controleerbaar plaats. 10. Om te voorzien in voldoende planologische bouwmogelijkheden wordt voor inbreidingslocaties een totale plancapaciteit nagestreefd van 130%. 11.

Goede volkshuisvestelijke en stedenbouwkundige plannen op inbreidingslocaties, stranden niet op een stringente toetsing aan de geldende parkeernormen en/of waterhuishoudkundige normen en/of flora- en faunanormen. Conclusie Ladder De beoogde ontwikkeling is aan te merken als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De woningbouwplannen zijn kwantitatief afgestemd op de provinciale en regionale behoeften. Vanuit kwalitatief oogpunt blijft vraagen behoeftegericht bouwen het basisprincipe. Hierbij dienen ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen een ruime mate van flexibiliteit te kennen om relatief snel in te kunnen springen op behoefteveranderingen. Gestuurd wordt op gedifferentieerde wijken en buurten met een goede verhouding tussen sociale huur en koop in verschillende klassen. De prioriteit hierbij ligt op een kwalitatieve aanvulling van het woonaanbod en daarmee op de doelgroepen die onvoldoende mogelijkheden hebben op de huidige woningmarkt, te weten

33/103

medioren/senioren, (her)starters en jonge gezinnen en sociale huur. Het initiatief Lierop-Zuid speelt nadrukkelijk in op deze ambities en past het hiermee binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.4 Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen het rijksbeleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Toetsing Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied, maar wel binnen het gebied dat is aangewezen als “Verstedelijking afweegbaar”.

Onderhavig plan maakt de realisatie van maximaal 126 woningen mogelijk en geeft daarmee invulling aan de forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen in de komende tien jaar. De behoeftetoets (kwantitatief en kwalitatief) is reeds beschreven in paragraaf 3.2.3. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) zijn instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. In de Iov N-B zijn regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het plangebied ligt conform de kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' zoals weergegeven in figuur 3.1 grotendeels binnen het werkgebied 'verstedelijking afweegbaar' (artikel 3.43 Iov). Binnen het gedeelte van het plangebied dat in 'Landelijk gebied' ligt, zijn geen nieuwe stedelijke functies voorzien.

34/103

Conform de themakaart 'landelijk gebied' (figuur 3.2) ligt het plangebied in het werkgebied 'gemengd landelijk gebied' en 'groenblauwe mantel'.

Figuur 3.1 Uitsnede kaart 'stedelijke ontwikkelingen en erfgoed' (Bron: Provincie Noord-Brabant)

35/103

Figuur 3.2 Uitsnede kaart 'landelijk gebied' (Bron: Provincie Noord-Brabant) Voor het planvoornemen zijn onderstaande regels en basisprincipes uit de Interim omgevingsverordening van toepassing. Regels voor stedelijke ontwikkeling artikel 3.43 afwijkende regels verstedelijking afweegbaar; Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies: artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik; artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering; artikel 3.8 meerwaardecreatie; artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap; artikel 3.29 cultuurhistorische waarden; Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Interim omgevingsverordening getoetst. Artikel 3.43 afwijkende regels verstedelijking afweegbaar Regels In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort;

36/103

c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Toetsing a. Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 126 woningen gerealiseerd buiten het bestaand stedelijk gebied. De beoogde woonbestemming is volledig geprojecteerd binnen de aanduiding 'verstedelijking afweegbaar'. Buiten de aanduiding 'vestedelijking afweegbaar' en binnen de aanduiding 'groenblauwe mantel' worden enkel groenvoorzieningen gerealiseerd die aansluiten bij de mogelijkheden binnen die aanduiding. Binnen het bestaand stedelijk gebied is onvoldoende ruimte voor de realisatie van 126 woningen zoals beschreven in paragraaf 3.2.3. De voorwaarde onder 3.42 sublid a geldt rechtstreeks vanuit de nationale wetgeving. Omdat de toepassing van de ladder vanuit provinciaal beleid essentieel is, is deze in de verordening opgenomen. In paragraaf 3.2.3 is de ladderonderbouwing opgenomen. b. het realiseren van 126 woningen is binnen bestaand leegstaand vastgoed niet mogelijk. c. De ontwikkeling past binnen de regionale verstedelijkingsafspraken zoals benoemd in de regionale woondeal Zuidoost-Brabant zoals beschreven in paragraaf 3.2.3. d.

De kern Lierop krijgt een duurzame afronding en past binnen de landschapsstructuur (zie paragraaf 2.1). Het te ontwikkelen landschap van de nieuwe wijk is van belang als ‘uitloper’ voor bestaande bewoners van Lierop. In het verlengde hiervan is er een mogelijkheid om met het woongebied ruimte te bieden door aan te sluiten op het natuurnetwerk in het zuiden en zuidwesten van het plangebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels voor verstedelijking afweegbaar, er wordt voldaan aan de regels van artikel 3.43 van Iov N-B. Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Artikel 3.5 vormt de opmaat voor een goede omgevingskwaliteit. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hierna nader toegelicht. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Regels Hierna worden de regels van artikel 3.6 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. 1.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing,

37/103

behalve in de gevallen dat: nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel Toetsing a. Ingevolge artikel 3.6 lid 2 wordt onder bestaand ruimtebeslag verstaan: 'bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel'. Onder nieuwvestiging verstaat de Iov Noord-Brabant: 'vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan'. Voorliggend plan voorziet in de wijziging van het gebruik van de locatie met overwegend een agrarische bestemming naar wonen met de benodigde infrastructuur en groenvoorzieningen ten behoeve van de realisatie van maximaal 126 woningen. Binnen het bestaand stedelijk gebied is onvoldoende ruimte beschikbaar voor het beoogd aantal woningen daarnaast is uitbreiding van het stedelijk gebied op basis van artikel 3.43 afweegbaar. Er wordt daarmee voldaan aan deze regel. b.

Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening, heeft plaatsgevonden in paragraaf 3.1. Daar wordt onderbouwd dat de woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt passen binnen de behoefte en wordt de geschiktheid van deze locatie onderbouwd. c. De ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van de omliggende wegen- en bomenstructuur. De woningen wordt conform het voorlopig stedenbouwkundig ontwerp per bouwblok geconcentreerd, met voldoende openbare ruimte tussen de verschillende bouwblokken. De ontwikkeling wordt gefaseerd gerealiseerd, zie paragraaf 2.1. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik, er wordt voldaan aan de regels van artikel 3.6 van Iov Noord-Brabant. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Hierna worden de regels van artikel 3.7 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. Regels 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b.

de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid,

38/103

veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Toetsing De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: de ondergrond; de netwerklaag; de bovenste laag. Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.

Hieruit blijkt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied voorstelbaar is en dat er geen nadelige effecten zijn. De aanwezige waarden en structuren in en om het plangebied dienen daarbij in acht te worden genomen. In het stedenbouwkundig plan voor deze uitbreiding is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden binnen het plangebied, zie paragraaf 2.3. Daarbij wordt tevens aangesloten op waarden en structuren uit de directe omgeving. Het stedenbouwkundig plan is middels zorgvuldige afweging tot stand gekomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan het principe van de lagenbenadering. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Hierna worden de regels van artikel 3.8 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. Regels 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering

39/103

landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling wordt meerwaarde gecreëerd door het toekennen van een nieuwe functie, namelijk de realisatie van maximaal 126 woningen en bijbehorende ondergeschikte voorzieningen. De wijk wordt natuur-inclusief ontwikkeld en zowel fysiek als beleefbaar betrokken bij de omgeving. Conclusie Er wordt voldaan aan het basisprincipe van meerwaardecreatie. Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Hierna worden de regels van artikel 3.9 Iov Noord-Brabant beschreven en vervolgens de ontwikkeling getoetst. Regels 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in artikel 62 Regionaal Overleg, worden nagekomen. 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit omvat mede: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b.

het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Toetsing Met de ontwikkeling van een uitbreidingswijk van maximaal 126 woningen wordt het plangebied betrokken bij het stedelijk gebied. Op basis van artikel 3.43 verstedelijking afweegbaar is dit mogelijk en hiervoor heeft, zoals beschreven in paragraaf 3.2.3, een zorgvuldige afweging plaatsgevonden. Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. In artikel 3.9 Iov is daartoe bepaald dat "een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving." Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Gemeente Someren heeft deze handreiking uitgewerkt in een Landschapsinvesteringsregeling.

In paragraaf 3.4.2 wordt daar nader op ingegaan.

40/103

Conclusie Voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de regels voor kwaliteitsverbetering zoals is bedoeld in artikel 3.9 Iov Noord-Brabant. 3.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 11 maart 2022 hebben Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De verordening treedt gelijktijdig met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking. In de Omgevingsverordening komt het werkingsgebied 'verstedelijking afweegbaar', zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening, te vervallen. De gemeente krijgt meer ruimte om een eigen afweging te maken mits een afweging is gemaakt in een gebiedsvisie en de lagenbenadering is toegepast. Toetsing De gemeente is momenteel bezig met het opstellen van de omgevingsvisie om in de toekomst ontwikkelingen nader af te kunnen wegen. De afweging voor de ontwikkeling van het plangebied heeft in het voortraject reeds uitgebreid plaatsgevonden. Het initiatief is voorstelbaar mits de voorwaarden en aandachtspunten ten aanzien van eisen uit de Regionale Woondeal Zuidoost Brabant, uitwerking van de openbare ruimte, wateropgave en landschappelijke inpassing in acht genomen worden. 3.3.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Someren 2028 Op 24 april 2013 is de 'Structuurvisie Someren 2028' vastgesteld. Deze structuurvisie integreert reeds bestaande beleidsdocumenten en scherpt het beleid op sommige punten aan. In de Structuurvisie geeft de gemeente Someren aan in 2028 een duurzame, krachtige, zelfbewuste en zelfstandige gemeente te willen zijn die haar landelijke positie in Brainport goed weet te benutten. Someren ontleent haar identiteit aan het landelijke Brabantse karakter. Het kwalitatief goede bos-, natuur- en buitengebied zorgt er mede voor dat Someren een goed woonklimaat kent en een aantrekkelijke vestigingslocatie is voor bedrijven met een schaal die past bij Someren. Door de verscheidenheid en toegankelijkheid van het buitengebied in zijn algemeenheid en een landelijk bekende toeristische attractie specifiek, heeft Someren een aantrekkingskracht op recreanten. Voor het buitengebied wordt gestreefd naar het handhaven en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Om dit te bereiken, is er voorrang in dit gebied voor boeren, burgers en buitenlui (recreanten). De landschappelijk waarden en de natuur willen we behouden en daar waar mogelijk versterken. Bedrijfsmatige activiteiten die hierin niet thuishoren worden tegengegaan. Voor specifiek het thema wonen in de kern Someren-Eind wordt het volgende gesteld.

Er zijn beoogde woningbouwlocaties aangewezen voor de korte termijn. In de periode tot 2028 wordt nog conform de provinciale woningbouwprognose 2011 de bouw voorzien van 279 woningen in de gehele gemeente Someren. Someren-Eind neemt hiervan 19% voor haar rekening, wat resulteert in 53 woningen. Verschillende herstructureringslocaties, alsmede een verdere voltooiing van de nieuwe uitbreidingslocatie in het oosten

41/103

kunnen deze vraag ruimtelijk faciliteren. Toetsing Het plangebied ligt conform de structuurvisiekaart Lierop (figuur 3.3) in het gebied 'organische woonuitbreiding, zachte dorpsrand ter plaatse van provinciaal zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling'.

Figuur 3.3 Uitsnede structuurvisiekaart Lierop met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Someren) Onderhavig plan ziet op een stedelijk uitbreiding ten zuiden van de kern Lierop in aansluiting op de bebouwde kom. Beoogd is de realisatie van maximaal 126 woningen. Dit is geheel in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. Inmiddels is de structuurvisie vervangen door de Omgevingsvisie voor Someren. Ter plaatse van het plangebied geldt binnen beide gemeentelijke beleidsstukken echter dezelfde ambitie: De realisatie van woningbouw.

42/103

Figuur 3.4: Uitsnede Omgevingsvisie Lierop Ook in de omgevingsvisie van de gemeente Someren is het gebied aan de zuidzijde van het dorp Lierop aangewezen voor ontwikkeling van woningbouw. Het realiseren van een woonomgeving ter plaatse van Lierop-Zuid past dan ook in de voormalige structuurvisie maar ook in de Omgevingsvisie. Hiermee past de ontwikkeling binnen het beleid van de gemeente Someren en is het gebied een logische locatie voor de uitbreiding van de kern. 3.4.2 Landschapsinvesteringsregeling Op grond van het provinciaal beleid geldt de regeling 'Kwaliteitsverbetering van het landschap'. Het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling is in 2015 geactualiseerd en bevat een categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. De beoogde ontwikkeling valt in categorie 3. Dit zijn ontwikkelingen met een grote impact waarbij naast een landschappelijke inpassing een kwaliteitsverbetering van het landschap moet plaatsvinden. Het afsprakenkader geeft richting aan de minimale kwaliteitsverbetering. De kwaliteitsverbetering komt bovenop de verplichte landschappelijke inpassing.

43/103

Deze kwaliteitsverbetering kan op onderstaande wijze, of een combinatie daarvan, geëffectueerd worden: Fysieke bijdrage binnen het plangebied en of de directe projectomgeving, waarbij de waarde overeenkomt met 20% van de grondwaardevermeerdering; 1. Fysieke bijdrage elders binnen de gemeente mits in overeenstemming met gemeentelijke uitvoeringsprojecten op het gebied van natuur en landschap; 2. Storting van de 20% van de grondwaardevermeerdering in het 'Fonds Omgevingskwaliteit” 3. Diverse fysieke en zichtbare verbeteringen in het landschap dragen bij aan de kwaliteitsverbetering. Door de gemeente Someren wordt een rekenmethodiek gehanteerd waarmee de waardevermeerdering van de gewijzigde situatie wordt berekend. Minimaal 20% van deze waardevermeerdering moet in de kwaliteitsverbetering worden geïnvesteerd. De kosten van de sloop van gebouwen en het verwijderen van verharding mag hierop in mindering worden gebracht. Met de komst van de woonwijk Lierop-Zuid is er sprake van een gebied waarop de klimaatinvestering landschap van toepassing is. Voor dat deze klimaatinvestering door gemeente op een gangbare wijze kan worden uitwerkt met een beplantingsplan dient allereerst het waterhuishoudkundig plan te zijn uitgewerkt. Een uitgewerkt waterhuishoudkundig plan is als voorwaardelijke verplichting van voorliggend bestemmingsplan opgenomen.

Tijdens de uitwerking van het bestemmingsplan is het nog te voorbarig een berekening op te stellen zoals op basis van den normbedragen uit bijlage 5 en bijlage 6 Subsidieregeling landschap Noord-Brabant provincie Noord-Brabant. De woonwijk c.q. het plangebied is stedenbouwkundig ruim opgezet en binnen het gesitueerde openbaar groen zal naar alle verwachting geheel voldaan worden aan de eisen van kwaliteitsinvestering. Is dit niet het geval dan neemt de gemeente de verplichting op zich het bedrag dat niet binnenplans kan worden gerealiseerd te storten in het gemeentelijk groenfonds (BIO fonds). Binnen het plangebied is sprake van de sloop van een boerderij, het omzetten van agrarische grond naar groen en een behoorlijk gebied specifiek bestemd voor groen/landschappelijke inpassing. Er is aan de zijkanten van het plan veel groen meegenomen en aan de achterzijde wordt een groenblijvende haag voorzien met daarachter een spuitzone van 45 meter breed waar gewassen niet met schadelijke middelen kunnen worden gespoten op agrarische grond. Er worden diverse terugliggende bebouwingslijnen aangehouden en aan de randen zijn lage goot- en nokhoogten meegenomen voor een passende vorm naar het buitengebied, de aanwezige lintbebouwing en de Gildewijk. Wonen in het groen is een van beeldkwaliteiten waaraan de woonwijk zal voldoen.

Hierbij is aangesloten op de lijnen naar het buitengebied vanuit de Gildewijk zodat er duidelijke overgang zal ontstaan naar het buitengebied. Er is veel ruimte voor water en groen gesitueerd waarvoor dus, nadat er duidelijk is over het toe te passen watersysteem, een beplantingsplan volgt. Er is verkend wat de vereiste kwaliteitsinvestering is op basis van uitgeefbare grond dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt voor de vrije sector en sociale woningbouw.

44/103

Een KwaliteitsInvestering van € 72.400 is vereist. Berekening van de kwaliteitsInvestering is op basis van 1% van de waarde van uitgeefbare grond: Uitgeefbare grond sociale sector: 1% x 4457 m2 x € 246,- = € 10.964 Uitgeefbare grond vrije sector: 1% x 17.503 m2 x € 351,- = € 61.436 Er dient dus nog een bedrag van € 10.964 + € 61.436 = € 72.400 gestort te worden in het gemeentelijk groenfonds (BIO-fonds) tenzij er sprake is van verantwoording binnenplans met een nader uitgewerkt, overlegd en goedgekeurd inpassingplan vanuit gemeente aan provincie. Toetsing Voor de beoogde ontwikkeling wordt, in samenspraak met de gemeente en op basis van de eisen vanuit de provincie, een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen (zie artikel 6.5.2) voor het opstellen van een, door de gemeente goedgekeurd, landschappelijk inpassingsplan en voor de realisatie en instandhouding van deze landschappelijke inpassing. Indien er, na landschappelijke inpassing, nog een restbedrag overblijft, zal dit bedrag worden gestort in het gemeentelijk groenfonds (BIO-fonds). 3.4.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend binnen het gemeentelijk beleid.

45/103

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Conform het besluit m.e.r. moet voor de ontwerpfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4.2.2 Toetsing en conclusie Voor het project is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld (separate bijlage bij de toelichting). De conclusie van deze notitie is dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status.

Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren heeft besloten dat het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is.

46/103

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid of tot parkeerproblemen. 4.3.2 Bestaand verkeersnetwerk 4.3.2.1 Gemotoriseerd en langzaam verkeer Figuur 1.2 in paragraaf 1.2 geeft de ligging van het plangebied weer. Ten westen van het plangebied ligt Vaarsehoefweg. Dit is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 60 km/u. Fietsers delen de rijbaan hier met het gemotoriseerde verkeer. Verder wordt de weg ook gebruikt door landbouwvoertuigen vanwege het agrarische karakter van het omliggende gebied. De weg heeft een smal wegprofiel van circa 3,20m waardoor gemotoriseerd verkeer niet kan passeren zonder daarbij van de berm gebruik te maken. Conform het handboek wegontwerp van het CROW heeft deze een maximale capaciteit van 350 tot 400 mvt/etmaal. Via de Vaarsehoefweg kan in noordelijke richting naar de Groenstraat worden gereden. De Groenstraat is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximum snelheid van 30 km/u.

Fietsers delen de rijbaan hier met het gemotoriseerd verkeer. De rijbaan is circa 4,50m breed. Er wordt niet of nauwelijks geparkeerd op de rijbaan. De weg heeft gezien het gebruik en de inrichting van de weg een capaciteit van circa 1.000 mvt/etmaal. Wanneer de Groenstraat in oostelijke richting wordt vervolgd wordt de Somerenseweg bereikt. De Somerenseweg is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom en heeft een maximum snelheid van 30 km/u. Ten zuiden van het kruispunt Groenstraat – Somerenseweg heeft de Somerenseweg een vrijliggend 2-richtingen fietspad. Ten noorden delen fietsers de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Op het deel van de Somerenseweg ten noorden van de Groenstraat is aan beide zijde van de rijbaan een voetpad aanwezig. De weg heeft een rijbaanbreedte van circa 5,80m en heeft gezien de inrichting en het gebruik van de weg een capaciteit van circa 6.000 mvt/etmaal. Het deel van de Somerenseweg ten zuiden van de Groenstraat (binnen de bebouwde kom) heeft vanwege de aanwezigheid van een vrijliggend fietspad de kenmerken van een gebiedsontsluitingsweg. De capaciteit van de weg ligt dan ook tussen tussen de 6.000 en 15.000 mvt/etmaal. Het Berkeindje is net als de Vaarsehoefweg een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom en heeft een smal wegprofiel. Ook hier maken fietsers en gemotoriseerd verkeer gebruik van dezelfde rijbaan en is sprake van landbouwverkeer.

De capaciteit van deze weg is vergelijkbaar met die van de Vaarsehoefweg en ligt tussen de 350 a 400 mvt/etmaal.

47/103

4.3.2.2 Openbaar vervoer Op circa 400 meter loopafstand vanaf het plangebied ligt aan de Somerenseweg de dichtstbijzijnde bushalte 'Lierop kerk'. Hier halteert buslijn 320. Deze lijn verbindt Eindhoven met Helmond, via o.a. Lierop, Someren en Asten.' 4.3.3 Beoogde planvoornemen In het plan zijn in totaal maximaal 126 woningen voorzien. Het plangebied is verdeeld in een westelijk deel met 87 woningen en een oostelijk deel met 39 woningen. 4.3.4 Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling (cluster 1 t/m 7) worden kencijfers uit CROW-publicatie 744 gebruikt. Hierbij wordt voor de gemeente Someren op basis van het CBS een stedelijkheidsgraad van 'weinig stedelijk' gehanteerd. In overeenstemming met de 'Nota parkeernormen 2018' van de gemeente Someren wordt voor het gebied 'rest bebouwde kom' aangehouden. Op basis van de adressendichtheid en het gemiddelde autobezit per huishouden binnen de gemeente Someren ten opzichte van het landelijk gemiddelde, wordt per kencijfer de gemiddelde bandbreedte gehanteerd. De kencijfers uit CROW-publicatie 744 kunnen gebruikt worden voor het berekenen van de weekdagintensiteiten. Voor de verkeerskundige beoordeling zijn werkdagintensiteiten maatgevend.

Conform CROW-publicatie 744 wordt voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd. Tabel 4.1: verkeersgeneratie beoogd planvoornemen type CROW-typologie

cluster 1 t/m 6 gestapeld koop, goedkoop rijwoning senioren koop rijwoning senioren sociaal rijwoning koop rijwoning sociaal half vrijstaand vrijstaand cluster 7 rug-aan-rugwoningen, gereguleerde middeldure huur 1 à 2 pers , koop rijwoning koop senioren koop TOTAAL

Aantal

CROW kencijfer kencijfer

Verkeersgenratie weekdag

werkdag

Koop, appartement, <75m2 bvo Koop, huis, tussen/hoek Huur, huis, sociale huur Koop, huis, tussen/hoek Huur, huis, sociale huur Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, vrijstaand

8 4 18 5 20 10 22

5,6 7,4 4,8 7,4 4,8 7,8 8,2

45 30 86 37 96 78 180

50 33 96 41 107 87 200

Huur, huis, sociale huur

14

4,8

67

75

Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, tussen/hoek

13 4 8 126

7,4 7,4 7,4

96 30 59 804

107 33 66 893

De totale verkeersgeneratie van het plan komt uit op 804 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag en 893

48/103

mvt/etmaal voor een gemiddelde werkdag. 4.3.5 Verkeerstoedeling Het plangebied wordt voor het grootste deel ontsloten op de Somerenseweg (84%). Vanaf daar zal 20% in de richting van Someren rijden en 64% in de richting van Lierop. Een klein deel (10%) wordt ontsloten over het Berkeindje om te rijden in de richting van Heeze/Sterksel. Verder zijn er 5 woningen die rechtsreeks ontsluiten op de Vaarhoefseweg (4%). De helft daarvan (2%) rijdt in de richting van Someren/Heeze, de andere helft rijdt in de richting van Lierop (2%). Op de Groenstraat worden daarnaast ook nog 4 woningen ontsloten (3%). Het meeste verkeer (2%) zal richting de Somerenseweg rijden en het andere deel (1%) in westelijke richting naar de Wertstraat. Op onderstaande afbeelding is de ontsluiting weergegeven. De verkeerstoedeling is bepaald met de navigatiesoftware van Google Maps en gaat uit van bestemmingen als Eindhoven, Mierlo, Helmond, Heeze en Someren. De percentages geven aan hoeveel procent van de totale verkeersgeneratie gebruik maakt van de betreffende wegen.

49/103

Figuur 4.1 Verkeerstoedeling Lierop Zuid Tabel 4.2 laat de verdeling zien per wegvak op een gemiddelde weekdag en een gemiddelde werkdag. Tabel 4.2 verkeerstoedeling per wegvak Verkeerstoedeling

Vaarsehoefweg ten noorden van westelijke aansluiting Groenstraat tussen ontsluiting 4 woningen en Somerenseweg Groenstraat tussen Wertstraat en ontsluiting 4 woningen Somerenseweg ten noorden van Groenstraat Somerenseweg tussen oostelijke aansluiting en Groenstraat Somerenseweg ten zuiden van oostelijke aansluiting Berkeindje ten zuiden van de knip Vaarsehoefweg tussen westelijke aansluiting en Berkeindje Wertstraat ten noorden van Groenstraat

2% 3%

Verkeersgeneratie (mvt/etmaal) weekdag werkdag 16 18 24 27

2% 67% 64%

16 539 515

18 598 571

20% 10% 2%

161 80 16

179 89 18

2%

16

18

4.3.6 Verkeersintensiteiten Om een beeld te krijgen van het verkeer dat in de autonome situatie over de verschillende wegen rijdt is gebruik gemaakt van de viewer van het BBMA verkeersmodel 20221 . In dit model zijn de verkeersintensiteiten op een gemiddelde werkdag voor de jaren 2019, 2030 en 2040 inzichtelijk gemaakt. Tabel 4.3 laat de autonome verkeersintensiteit zien van deze zichtjaren. Naast deze zichtjaren is middels interpolatie tussen het jaar 2030 en 2040 ook de autonome verkeersintensiteit in het jaar 2035 bepaald. Dit is het zichtjaar dat voor dit plan is beschouwd. Van een aantal wegvakken geeft het verkeersmodel geen verkeersintensiteiten. Dit zijn wegen waar weinig verkeer van gebruik maakt. Uitgegaan wordt dat de intensiteit op die wegen op circa 150 mvt/etmaal ligt. Tabel 4.3 Verkeersintensiteiten wegen in autonome situatie Vaarsehoefweg ten noorden van westelijke aansluiting * Groenstraat tussen ontsluiting 4 woningen en Somerenseweg Groenstraat tussen Wertstraat en ontsluiting 4 woningen Somerenseweg ten noorden van Groenstraat Somerenseweg tussen oostelijke aansluiting en Groenstraat Somerenseweg ten zuiden van oostelijke aansluiting Berkeindje ten zuiden van de knip * Vaarsehoefweg tussen westelijke aansluiting en Berkeindje * Wertstraat ten noorde van Groenstraat *) geen intensiteiten bekend

50/103

2019 150 2.100 900 5.900 5.600 5.600 150 150 900

2030 150 2.100 900 6.200 5.800 5.800 150 150 900

2035 150 2.198 995 6.397 5.997 5.997 150 150 995

2040 150 2.300 1.100 6.600 6.200 6.200 150 150 1100

Het beoordeelde zichtjaar is zoals aangegeven het jaar 2035. Tabel 4.4 laat de autonome verkeersintensiteit, de planbijdrage en de totale verkeersintensiteit na planbijdrage zien. Tabel 4.4 Verkeersintensiteiten 2035 met en zonder plan

Vaarsehoefweg ten noorden van westelijke aansluiting * Groenstraat tussen ontsluiting 4 woningen en Somerenseweg Groenstraat tussen Wertstraat en ontsluiting 4 woningen Somerenseweg ten noorden van Groenstraat Somerenseweg tussen oostelijke aansluiting en Groenstraat Somerenseweg ten zuiden van oostelijke aansluiting Berkeindje ten zuiden van de knip * Vaarsehoefweg tussen westelijke aansluiting en Berkeindje * Wertstraat ten noorde van Groenstraat *) geen intensiteiten bekend

Autonoom

Plan

150 2.198 995 6.397 5.997 5.997 150 150 995

18 27 18 598 571 179 89 18 18

Autonoom + plan 168 2.225 1.013 6.995 6.568 6.175 239 168 1.013

4.3.7 Beoordeling verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Hierna volgt een beschrijving van de belangrijkste bevindingen van de verkeerskundige beoordeling van de verschillende wegvakken waarover het verkeer van het plan zal worden afgewikkeld. Het betreft een kwalitatieve beoordeling. De beoordeling van de verkeersveiligheid is gedaan op basis van de richtlijnen van Duurzaam Veilig. Die richtlijnen geven aan dat een weg verkeersveilig is als het gebruik, de functie en het ontwerp van de weg met elkaar in balans zijn. 4.3.7.1 Somerenseweg tussen ontsluiting plan en Groenstraat Vanaf de oostelijke ontsluiting neemt de intensiteit op dit deel van de Somerenseweg toe met 571 mvt/etmaal als gevolg van het plan. De weg heeft in de autonome situatie een intensiteit van 5.995 mvt/etmaal in 2035. Met de toevoeging vanuit het plan komt de intensiteit in 2035 uit op 6.568 mvt/etmaal. Dit deel van de Somerenseweg is gecategoriseerd als erftoegangsweg, maar heeft vanwege de aanwezigheid van het vrijliggend fietspad feitelijke de inrichtingskenmerken van een gebiedsontsluitingsweg. Hierdoor kan de weg tussen de 6.000 en 15.000 mvt/etmaal veilig verwerken. Er is dus na toevoeging van het plan nog ruim voldoende restcapaciteit op dit deel van de Somerenseweg beschikbaar. Ook is er nog ruimte om eventuele toekomstige plannen over dit wegvak af te wikkelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15608929/1