Bijlage Algemene motivering
Tekst van het document
Disclaimer kaartbeelden omgevingsverordening In deze motivatie is gebruik gemaakt van kaartbeelden uit de interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Uiteraard geldt de nieuwe omgevingsverordening per 1-1-2024, maar de beschikbaarheid van goede kaartbeelden uit de nieuwe digitale omgeving laat te wensen over voor gebruik in deze motivering. Dat komt mede doordat de provincie Noord-Brabant gebruik heeft gemaakt van een TAM-versie voor de omgevingsverordening. Wij verwijzen naar de van toepassing zijnde digitale omgeving, het DSO, voor de juridisch geldende documenten: Identificatienummer: /akn/nl/act/pv30/2023/omgevingsverordening.
28
4.2.2.2 Instructieregel: Natuurnetwerk Brabant Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is het Natuur Netwerk Nederland dat in Noord-Brabant ligt. Het NNB is door de provincie opgenomen in de omgevingsverordening -Brabant (artikel 5.30). De instructie zegt dat het omgevingsplan strekt tot behoud, herstel en ontwikkeling van het NNB. Hiervoor moeten regels worden opgenomen. In artikel 5.31 geeft de provincie nadere instructies over de invloed van ontwikkelingen in de nabijheid van het NNB; de ‘externe werking’. Als er sprake is van invloed door ontwikkelingen in de nabijheid, dan moeten maatregelen worden opgenomen in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning ter beperking van negatieve gevolgen voor de NNB. In voorliggende wijziging is geen sprake van ontwikkelingen met een dergelijke negatieve affecten op de NNB. In het omgevingsplan krijgen de gronden die onderdeel uitmaken van “Natuur Netwerk Brabant” het werkingsgebied ‘Natuurnetwerk’. De bijhorende regels strekken tot het behoud, herstel en waar mogelijk de ontwikkeling van de aanwezige waarden. De instructie is verwerkt in de regels van het omgevingsplan, waarmee er wordt voldaan aan deze instructieregel.
FIGUUR 6. NATUUR EN STILTEGEBIEDEN IN DE OMGEVINGSVERORDENING 4.2.2.3 Instructieregel: groenblauwe waarden In deelgebied 5 van de gemeente Someren staan deze richtlijnen voor het behoud, herstel en de versterking van de groenblauwe waarden. De agrarische sector is binnen de groenblauwe waarden een belangrijke grondgebruiker. Daarnaast zijn ook bedrijven gericht op toerisme en recreatie in de gebieden aanwezig. De groenblauwe waarden komen veelal voor in gemengd landelijk gebied en grenzen vaak aan het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones. De gebieden met groenblauwe waarden hebben belangrijke nevenfuncties voor natuur en water en kennen dan ook vaak kwalitatieve landschapselementen, zoals houtwallen, heggen en watersystemen met bijvoorbeeld de aanwezigheid van kwel. Doorgaans komen er ook bijzondere planten en dieren voor in de aangewezen gebieden. 29
De gronden zijn bestemd voor landschapsopbouw in de vorm van een landschappelijke inpassing voor behoud, herstel of versterking van waterhuishoudkundige waarden. De landschappelijke inpassing moet in verhouding staan tot de aard en omvang van de ontwikkeling. De ontwikkelingen zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot aantasting van de groenblauwe waarden. In de praktijk betekent dat doorgaans de natuur- en landschapswaarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden. In het geval van een nieuwe ontwikkeling dient er gebruik gemaakt te worden van de bestaande bebouwing. De uitbreiding van het ruimtebeslag is alleen mogelijk als de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om binnen het bestaande ruimtebeslag de ontwikkeling door te voeren. De voorkomende functies in gebieden met Groenblauwe waarden in deelgebied 5 zijn de volgende:
Agrarisch grondgebruik; Agrarisch bedrijf; Bos en natuurgebieden; Wonen; Water; Verkeer; Maatschappelijk.
In deelgebied 5 van het buitengebied van Someren komen gronden voor met groenblauwe waarden uit de omgevingsverordening (artikel 5.46). Ze krijgen in het omgevingsplan het werkingsgebied ‘groenblauwe waarden’. Hierbinnen zijn verschillende landschapstypen aanwezig met elk hun eigen doelen en richtlijnen om de kwaliteit van met namen de landschappelijke en waterhuishoudkundige waardes te behouden, te herstellen en te versterken. De instructie is verwerkt in de regels van het omgevingsplan, waarmee wordt voldaan aan de instructieregel. 4.2.2.4 Instructieregel: cultuurhistorisch waardevol gebied In deelgebied 5 komen gebieden voor met cultuurhistorische waarden zoals opgenomen in artikel 5.44 van de omgevingsverordening. Hiervoor is een thematische gebiedsaanwijzing opgenomen in de regels. De gronden waarvoor deze gebiedsaanwijzing geldt zijn bestemd voor de opbouw, het behoud en het herstel en waar mogelijk de versterking (in de vorm van duurzame ontwikkeling) van de algemene cultuurhistorische waarden. Hieronder vallen de landschappelijke, architectonische en (steden)bouwkundige waarden van bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed, historische groenwaarden, historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
30
FIGUUR 7. PROVINCIALE CULTUURHISTORISCHE WAARDEN De bijbehorende regels in het omgevingsplan zijn gericht op het behouden van de waarden en het voorkomen van de aantasting of vernietiging van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het archeologisch beleid van de gemeente Someren is opgenomen in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een gebied dekkende beleidskaart opgesteld. De cultuurhistorische waarden worden in de regels beschermd op basis van de thematische gebiedsaanduidingen in het omgevingsplan. De instructie is verwerkt in de regels van het omgevingsplan, waarmee wordt voldaan aan deze instructieregel. 4.2.2.5 Instructieregel: Ecologische Verbindingszones Ecologische verbindingszones (evz) zijn zones die migratie en uitwisseling van soorten tussen natuurgebieden mogelijk maken (zie Figuur 6). De bescherming van deze waarden is opgenomen in artikel 5.40 van de omgevingsverordening. Deze zone binnen het NNB-gebied heeft een breedte van 25. Binnen deze ecologische verbindingszone zijn lijnvormige landschapselementen aanwezig, die als groene verbindingen de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden. In deelgebied 5 gaat het dan met name om een verbinding tussen het grote NNB-gebied aan de westzijde van deelgebied 5 en de Zuid-Willemsvaart.
Ter plaatse van de Willemsvaart is ook een vrijwaringszone aanwezig en er komen een aantal plantensoorten voor die kenmerkend zijn voor het rivierengebied. Ook dit kanaal is aangewezen als ecologische verbindingszone. Het heeft een belangrijke migratieroute voor diverse diergroepen en dient beschermd te worden. Ten aanzien van de ecologische verbindingszones geldt een beschermingsregime binnen het NNBgebied, waarbij het oprichten van bebouwing en aanbrengen van verharding is uitgesloten. Het werkingsgebied ‘ecologische verbindingszone’ is opgenomen in het omgevingsplan. De instructie is verwerkt in de regels van het omgevingsplan, waarmee voldaan wordt aan deze provinciale instructie. 31
4.2.2.6 Instructieregel: Behoud en herstel watersystemen Op gronden ter plaatse van de instructieregel ‘Behoud en herstel van watersystemen’ worden functies en activiteiten beperkt als die een negatief effect kunnen hebben op deze watersystemen die bedoeld worden in artikel 5.42 van de omgevingsverordening. Ontwikkelingen binnen dit aandachtsgebied zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot aantasting van de watersystemen. Hiervoor zijn de bouwmogelijkheden en het uitvoeren van werken en werkzaamheden beperkt. Door onder andere beperkingen ten aanzien van bebouwing, oppervlakteverhardingen en ophoging van gronden voorziet het omgevingsplan in voldoende ruimte voor watersysteemherstel. De gebieden met ‘behoud en herstel watersystemen’ zijn opgenomen in het omgevingsplan. Deze instructieregel is tevens verwerkt in de regels van het omgevingsplan, waarmee er wordt voldaan aan deze instructieregel. 4.2.2.7 In
FIGUUR 8. GRONDWATERBESCHERMING, WATERVEILIGHEID EN -BERGING IN DE OMGEVINGSVERORDENING structieregel: Regionale waterberging en reservering waterberging Op gronden ter plaatse van de aanduidingen ‘regionale waterberging’ (artikel 5.49) en ‘Reservering waterberging’ worden functies en activiteiten beperkt en zelfs uitgesloten als die een negatief effect kunnen hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het gebied. Ontwikkelingen binnen dit gebied zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot vermindering van het (potentieel) waterbergend vermogen. De gebieden ‘Reservering waterberging’ en ‘Regionale waterberging’ zijn overgenomen in het omgevingsplan. Deze instructieregel is tevens verwerkt in de regels van het omgevingsplan, waarmee er wordt voldaan aan deze instructieregel. 4.2.2.8 Instructieregel: Aardkundige waarden De aardkundige waarden zijn geologische, geomorfologische en/of bodemkundige kenmerken en ontstaan wijze van een gebied, ofwel de bodemopbouw ter plaatse. De bodemopbouw, samenstelling hiervan en hoogteverschillen staan in samenhang met de waterhuishouding. Door 32
middel van een gebiedsaanduiding worden aanwezige waarden beschermd in de regels van het omgevingsplan. De instructieregel voor ‘Aardkundige waarden’ in artikel 5.43 van de omgevingsverordening stelt dat de regels mede gericht moeten zijn op et behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige waarden. De gebieden in de Omgevingsverordening zijn opgenomen in het omgevingsplan en voorzien van regels ter bescherming van de waarden. In het geval van ontwikkelingen in deze gebieden dient rekening gehouden te worden met die waarden. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregel. 4.2.2.9 Instructieregels: Veehouderij In de omgevingsverordening zijn verschillende instructieregels opgenomen voor veehouderijen in zowel het landelijk als stedelijke gebied. Het wijzigingsbesluit heeft alleen betrekking op landelijk gebied, dus er zijn geen regels overgenomen of gewijzigd voor het stedelijke gebied in deze wijziging. De instructieregels uit de omgevingsverordening zijn opgenomen in:
Artikel 5.61 Tijdelijk verbod geitenhouderij; Artikel 5.62 Veehouderij in Stedelijk gebied (niet van toepassing bij deze wijziging); Artikel 5.63 Veehouderij in Landelijk gebied; Artikel 5.64 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf; Artikel 5.65 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij; Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen; Artikel 5.67 Maatwerk omvang bouwperceel veehouderij (niet van toepassing bij deze wijziging); Artikel 5.75 Mestbewerking.
Het doel van de regels is om enerzijds ongewenste ontwikkelingen in met name gevoelige gebieden tegen te gaan, anderzijds de ontwikkelingen die wel op een goede locatie liggen gepaard te laten gaan met een verduurzaming van de bedrijfsvoering en verbetering van de leefomgeving.
FIGUUR 9. VEEHOUDERIJLOCATIES IN DEELGEBIED 5, GEMEENTE SOMEREN 33
Tijdelijk verbod geitenhouderij Totdat duidelijk is welke maatregelen genomen kunnen worden om het volksgezondheidsrisico bij geitenhouderijen te verkleinen, wordt het oprichten, uitbreiden en omschakelen naar een geitenhouderij uitgesloten. Deze verbodsregel is overgenomen in de regels van het omgevingsplan, waarmee er wordt voldaan aan deze instructieregel. Veehouderij in Landelijk gebied De regels uit artikel 5.63 van de omgevingsverordening hebben betrekking op beperkingen voor de veehouderij en de voorwaarden waaronder veehouderijen nog mogen ontwikkelen. Deze regels zijn opgenomen met als doel een verdere intensivering van veehouderijen in de aangeduide gebieden tegen te gaan. De regels bestaan al in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en werken ook rechtsreeks door vanuit de omgevingsverordening. Bij deze wijziging van het omgevingsplan worden de oude regels geactualiseerd naar de meest recente instructies van de omgevingsverordening. Aanvullende regels nieuw dierenverblijf In artikel 5.64 stelt de omgevingsverordening strikte regels voor het uitbreiden van of in gebruik neen van nieuwe dierverblijven. Hiervoor geldt geen verbod, maar er kan alleen onder strikte voorwaarden worden uitgebreid. De gemeente neemt deze regels over in het omgevingsplan en actualiseert deze naar de meest recente instructies van de provincie.
Afwijkende regels Beperkingen veehouderij Artikel 5.65 van de omgevingsverordening bevat afwijkende regels voor gebieden die liggen binnen ‘Beperkingen veehouderij’. In principe geldt hier voor veehouderijen een uitsterfconstructie, tenzij er sprake is van grondgebonden bedrijfsvoering. Hiervoor stelt de omgevingsverordening concrete eisen en voorwaarden. Aanvullende regels stalderen Het omgevingsplan heeft bepalingen opgenomen voor het stalderen bij ontwikkeling van veehouderijen waarbij sprake is van een toename van oppervlakte aan dierenverblijven bij veehouderijen. Deze stalderingsregels kennen ook een rechtstreekse werking vanuit de verordening. De gemeente neemt de regels over in het omgevingsplan en actualiseert deze waar nodig, overeenkomstig artikel 5.66 uit de omgevingsverordening. Mestbewerking In de omgevingsverordening, artikel 5.75, zijn concrete regels opgenomen over de locaties, oppervlakte en activiteiten waar mest bewerkt mag worden. Er geldt in principe een verbod op toename van het gebruiksoppervlak. Daarvan kan onder strikte voorwaarden van worden afgeweken. In het algemeen gaat het erom om negatieve effecten op de leefomgeving uit te sluiten en geen industriële mestbewerking te laten ontstaan in het landelijkgebied. Ter plaatse geproduceerde mest mag op eigen terrein worden bewerkt.
Daarnaast mag mest bewerkt worden op daartoe geschikte bedrijventerreinen of een bestaande en vergunde verwerkingslocatie. . Het is per definitie niet mogelijk om een mestfabriek binnen het bestaande planologische regime te realiseren en mestbewerking wordt verder alleen als onderdeel van een veehouderij toegestaan.
34
Samenvatting instructieregels veehouderij De betreffende algemene en specifieke regels voor vestiging en uitbreiding van veehouderijen en mestbewerking binnen de door de provincie aangewezen verschillende gebieden zijn overgenomen (zowel de regels als de gebieden) in het omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels. Bij ontwikkeling van veehouderijen die leidt tot een toename van de oppervlakte aan dierenverblijf binnen het stalderingsgebied, moet er op een andere locatie een dierenverblijf verdwijnen. Omdat heel Someren binnen de begrenzing van het stalderingsgebied ligt, worden deze regels overgenomen in de regels van het omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels voor veehouderijen. 4.2.2.10 Instructieregels: agrarisch bedrijven In de omgevingsverordening zijn verschillende regels opgenomen voor agrarische bedrijven en aan de agrarische sector gelieerde bedrijven. Het gaat dan om landbouwbedrijven in de akker- en tuinbouw, echte glastuinbouwbedrijven met vrijwel alleen teelt onder glas (kassen), overige agrarische bedrijven en de zogenaamde ‘hulpbedrijven’. De betreffende instructieregels uit de omgevingsverordening zijn opgenomen in:
Artikel 5.68 Teeltbedrijf; Artikel 5.70 Glastuinbouwbedrijf (niet van toepassing bij deze wijziging); Artikel 5.71 Aanvullende regeling glas-voor-glas (niet van toepassing bij deze wijziging); Artikel 5.72 Glastuinbouwconcentratiegebied (niet van toepassing bij deze wijziging); Artikel 5.73 Overig-agrarisch bedrijf; Artikel 5.74 Agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch-verwant bedrijf; Artikel 5.76 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf.
Het doel van de regels is om ontwikkelingen in de agrarische sectoren beter te sturen dan in het verleden en daarbij de ontwikkelingen die op een goede locatie zitten meer ruimte bieden dan slecht gelokaliseerde bedrijven. Hierbij moeten ontwikkelingen meer en meer gepaard gaan met een verduurzaming van de bedrijfsvoering en verbetering van de leefomgeving. Algemeen Voor alle genoemde agrarische takken geldt dat de nieuwe regels in het omgevingsplan geen wijziging naar andere agrarische sectoren meer mogelijk maakt. Alle wijzigingsbevoegdheden uit de voormalige bestemmingsplannen, bijvoorbeeld van grondgebonden naar veehouderij, of van akkerbouw naar glastuinbouw, zijn niet meer mogelijk binnen de functies agrarische bedrijf. Ook uitbreiding van het bouwperceel is niet meer mogelijk zonder wijziging of buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Hiermee wordt in ieder geval aan een groot deel van de ontwikkelingsmogelijkheden niet meer mogelijk gemaakt binnen de regels en zal er een wijziging omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig zijn. En dus een concrete toetsing aan de omgevingsverordening op grond van een concreet initiatief. Teeltbedrijf Voor teeltbedrijven stelt de omgevingsverordening met name regels aan de omvang van de ondersteunende kassen en de teeltondersteunende voorzieningen (artikel 5.68).
Deze normen moeten overgenomen worden in het omgevingsplan. In voorkomend geval zullen echter de
35
bestaande en legaal gerealiseerde voorzieningen, al dan niet teeltondersteunend en/of al dan niet op het bouwperceel, gerespecteerd worden. Overig-agrarisch bedrijf De functie ‘Overig agrarisch bedrijf’ betreft onder andere de productiegerichte paardenhouderij en bijvoorbeeld witlof- en champignonkwekerijen. Dit zijn agrarische activiteiten met specifieke bebouwing en specifiek grondgebruik. Er gelden voor bestaande bedrijven geen specifieke instructie, alleen bij ontwikkelingen. In het omgevingsplan worden de regels uit o.a. het bestemmingsplan voor Buitengebied, deelgebied 4 verhuisd van het tijdelijke deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Dat betekent dat er een nadrukkelijk onderscheid is tussen: a. productiegerichte paardenhouderij; b. overige agrarische bedrijfstakken; c. nevenactiviteit bij de agrarische hoofdfunctie. Hiermee voldoen de regels in het omgevingsplan aan de instructies uit de omgevingsverordening. Agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch verwant bedrijf In artikel 5.74 van de omgevingsverordening is bepaald dat agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven mogelijk zijn onder voorwaarden. De omvang en ligging is afhankelijk van de aanwezige omgevingswaarden.
Het omgevingsplan maakt onderscheid tussen agrarische verwante bedrijven en agrarisch-technische hulpbedrijven en andere niet-agrarische bedrijven omdat deze bedrijven een andere invloed op de omgeving hebben. Vaak vallen deze bedrijven in een zwaardere milieucategorie en kennen ze een grotere omvang. Agrarisch verwante bedrijven en agrarisch-technische hulpbedrijven kunnen binnen het gemengd landelijk gebied een grotere omvang krijgen (tot 1,5 hectare) en ook een zwaardere milieucategorie. Deze bedrijven worden specifiek aangeduid in het omgevingsplan met een werkingsgebied en behoren tot de functie ‘Bedrijf’. Hiermee voorzien de regels onder meer in een maatvoering en wordt omschakeling naar een agrarische functies in ieder geval uitgesloten. Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf Het omgevingsplan moet op een Sanerings- en verplaatsingslocatie van een agrarisch bedrijf voorzien in een passende vervolgfunctie als gebruik gemaakt is van de RBV, de BIV, de GTB, de VIV of de SUNregeling. Er mag in ieder geval geen nieuwe bebouwing worden opgericht voor de gesaneerde functie. In Deelgebied 5 zijn verschillende locaties aanwezig die aangeduid zijn met deze status in de omgevingsverordening. Deze zijn allemaal afkomstig uit deelname aan de RBV-regeling. Hierbij zijn de varkens- en/of kippentak van het agrarische bedrijf gesaneerd.
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn al deze locaties al voorzien van een functie ‘Wonen’ of van een functie ‘Agrarisch bedrijf’ zonder een aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Er zijn geen veehouderijactiviteiten meer mogelijk voor zover deze gesaneerd zijn met de RBV-regeling.
36
FIGUUR 10. SANERINGSLOCATIES UIT DE OMGEVINGSVERORDENING.
Dez e regelingen worden verhuist naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. De regels blijven in stand zoals die reeds waren. Er is geen mogelijkheid binnen het omgevingsplan om nog te bouwen ten behoeve van de gesaneerde veehouderijtak(ken). Samenvatting instructieregels agrarische bedrijven Het regiem voor agrarische bedrijven uit de laatste buitengebiedplannen (lees: deelgebied 4) wordt voortgezet. Daar waar noodzakelijk worden de regels geactualiseerd op basis van de instructieregels uit de omgevingsverordening. Ten opzichte van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (lees: bestemmingsplan Buitengebied 2011) betekent dat een verdere specificering van de regels voor bepaalde bedrijfstakken door de nieuwe instructies. Met name voor de veehouderij en teeltondersteunende voorzieningen. De gemeente neemt de dwingende regels voor agrarische bedrijven over en maakt gebruik van de beleidsruimte die haar toekomt voor bijvoorbeeld paardenhouderijen en teeltondersteunende voorzieningen pop basis van het bestaande beleid. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels voor agrarische bedrijven. 4.2.2.11 Instructieregel: Wonen In landelijk gebied is het van belang dat een toename van het aantal woningen is verboden volgens de omgevingsverordening, tenzij een toename van burgerwoningen past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied en de daarvoor geformuleerde voorwaarden.
Dit is opgenomen in de artikelen 5.77 (wonen), 5.12 (Ontwikkelingsrichting), 5.14 (Maatwerkregeling), 5.15 (Ruimte voor Ruimte) en Afdeling 5.5 (ontwikkeling van stedelijke functies) van de omgevingsverordening. Binnen de gemeente Someren is de ontwikkeling van woningen in het buitengebied mogelijk als de bouwkavel binnen een bebouwingsconcentratie valt. Hierbij geldt dat er altijd sprake is van een ontwikkeling die getoetst wordt aan de omgevingsverordening.
37
Stoppende agrariërs wordt onder andere de optie geboden de huidige functie om te zetten naar een woonfunctie, in samenhang met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Er kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen worden toegestaan bij een woning, mits dit past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied of voorwaarden, daarnaast als er een gelijkwaardige oppervlakte elders is gesloopt. De aan de instructieregels van de verordening verbonden voorwaarden zijn in voorkomende gevallen concreet gemotiveerd in hoofdstuk 5 van deze motivatie en de ruimtelijke onderbouwingen in de bijlagen van de motivering. Daar waar noodzakelijk zijn de instructies opgevolgd en concrete regels (en werkingsgebieden) opgenomen in het omgevingsplan als er sprake is van toevoeging van een woonfunctie. Al dan niet door toevoeging van een woonfunctie bij een ontwikkeling (bijvoorbeeld via Ruimte voor Ruimte) of door actualisatie van de functie (van ‘agrarisch bedrijf’ naar ‘wonen’ bijvoorbeeld). Er wordt voldaan aan de instructieregels voor wonen. 4.2.2.12 Instructieregel: niet-agrarische activiteit en vrijetijdsvoorziening Bestaande niet-agrarische bedrijven worden gerespecteerd in de omgevingsverordening. Er gelden echter wel regels voor ontwikkeling van die bedrijven en nieuwvestiging ervan. Dergelijke ontwikkelingen zijn niet aan de orde in deze wijziging.
Het omgevingsplan regelt voor bestaande bedrijven o.a. wat er aan functies is toegelaten en welke omvang daarmee gepaard gaat. Uitgangspunt voor de provincie is dat een ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel alleen mogelijk is als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van dat gebied. Dit zal per situatie anders zijn en zal dus alleen op grond van een concreet initiatief beoordeeld kunnen worden. Hetzelfde geldt eigenlijk voor een vrijetijdsvoorziening van meer dan 1 hectare. Als er publiek aantrekkende werking ontstaat is er draagvlak en een goede ontsluiting nodig. Bij de bouw van recreatiewoningen mag dat alleen op grond van een bedrijfsmatige exploitatie en beheer. De voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in dergelijke ontwikkelingen of regels daarvoor. Daarmee voldoet het omgevingsplan aan de instructieregels. 4.2.2.13 Instructieregel: Attentiezone geluid provinciale weg In artikel 5.27 van de verordening is bepaald dat er allen geluidsgevoelige gebouwen mogen worden toegelaten binnen de geluidscontour rond een provinciale weg als die voldoen aan de opgenomen norm in dat artikel. Hiervoor is een werkingsgebied opgenomen in de verordening. Deze wijziging van het omgevingsplan laat geen nieuwe specifieke geluidsgevoelige gebouwen toe binnen de provinciale zone.
Dat is alleen mogelijk met een wijziging of een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan. Er is derhalve geen noodzaak om deze instructieregel over te nemen in het omgevingsplan. Er wordt voldaan aan de instructieregels.
38
FIGUUR 11. STILTEGEBIED EN EXTERNE ZONE + GELUIDSCONTOUR PROVINCIALE WEG UIT DE OMGEVINGSVERORDENING. 4.2.2.14 Instructieregel: Toedeling activiteiten en functies in en rond Stiltegebied In een door de provincie aangeduid ‘Stiltegebied’ moe het omgevingsplan mede regels bevatten ter behoud van de stilte e rust in dat gebied. Dit vereist dat bepaalde toedeling van functies en activiteiten uitgesloten of beperkt wordt. Hierbij geldt ook een externe werking van activiteiten en functies in de nabijheid van het ‘Stiltegebied’. Dit is opgenomen in artikel 5.28 en 5.29 van de omgevingsverordening. Het stiltegebied valt grotendeels samen en in ieder geval binnen het gebiedstype ‘Natuur’ en de functie ‘Natuur’ waar o.a. de aanwijzing NNB is overgenomen. Hier zijn per definitie al veel functies en activiteiten uitgesloten en beperkt. In het omgevingsplan wordt een werkingsgebied ‘Stiltegebied’ opgenomen die nadere beperkingen oplegt voor specifieke geluidsactiviteiten. Omdat er reeds zeer beperkt functies en activiteiten worden toegelaten in en rondom het aangewezen ‘Stiltegebied’ is er geen directe noodzaak om aanvullende regels op te nemen in het omgevingsplan. De bestaande functies en activiteiten binnen en rondom het Stiltegebied mogen blijven bestaan.
Het omgevingsplan maakt geen nieuwe geluidsbronnen mogelijk en leidt ook niet tot het oprichten van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszones. Er wordt voldaan aan de instructieregels. 4.2.2.15 Overige instructieregels Er zijn nog veel meer instructies in de omgevingsverordening opgenomen. Deze zijn echter niet allemaal relevant als het gaat om de voorliggende wijziging. Of alleen relevant bij een concrete ontwikkeling die onderdeel uitmaakt van deze wijziging. In die laatste gevallen wordt in de 39
bijhorende ruimtelijke motivaties gemotiveerd dat wordt voldaan aan de instructieregels. Deze ‘locatiegerichte motivaties’ maken onderdeel uit van deze algemene motivatie en zijn opgenomen in de bijlagen. Belangrijk onderdeel daarbij is artikel 5.11 uit de omgevingsverordening: de kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze komt bij de ontwikkelingen uit hoofdstuk 5 steeds weer terug als toetsingscriterium. De instructieregels die niet relevant zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn dat omdat: a. de betreffende ontwikkeling waar de instructie op toeziet niet aan de orde is; of b. de regels van het omgevingsplan niet voorzien in een dergelijke ontwikkeling. Immers, als het niet in de regels van dit omgevingsplan staat dat het mag of kan, dan mag het ook niet: de systematiek van ‘insluiten’; of c. het betreft algemene instructies voor het omgevingsplan, zoals bijvoorbeeld artikel 5.7 tot en met 5.10, waarbij onder andere het gemeentelijk beleid richting gevend is.
4.2.3 Deelconclusie provinciaal beleid Geconcludeerd mag worden dat er geen nieuwe of gewijzigde regels in het omgevingsplan zijn opgenomen ten aanzien van de provinciale belangen van de provincie Noord-Brabant en de instructieregels daarvoor uit de omgevingsverordening. De instructieregels zijn benaderd vanuit de lagenbenadering. De gegeven instructieregels hebben vorm gekregen in het omgevingsplan en in de motivatie en daarmee wordt voldaan aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.
4.3 Gemeentelijk beleid Op grond van de Omgevingswet dienen er vanuit de gemeentelijke beleidsvisies en ambities, regels te worden opgesteld in het omgevingsplan. Deze regelingen gaan over wat er moet, mag en niet mag worden gereguleerd. Algemeen beleid voor de leefomgeving Omgevingsvisie Someren Visie op het buitengebied Beleidsnota voor niet-agrarische functies in het buitengebied Wonen in het buitengebied: bijgebouwen ZZP’ers en buitenopslag bij de functie ‘wonen’ in het buitengebied Kwaliteit leefomgeving: ruimtelijke kwaliteit Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 Landschapsinvesteringsregeling (LIR) Thematisch beleid voor de leefomgeving Agrarische functies en transitie Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven Paardenhouderijen Teeltondersteunende voorzieningen Huisvesting arbeidsmigranten Plattelandswoningen Overige aspecten van de leefomgeving
paragraaf 4.3.1 4.3.2 4.3.2.1 4.3.2.2
4.3.2.4 4.3.3 4.3.3.1 4.3.3.2 paragraaf 4.3.4 4.3.4.1 4.3.4.2 4.3.4.3 4.3.4.4 4.3.4.5 4.3.5 40
Ruimte voor ruimte-woningen Beleidsnota Noodwoningen Beleid zonnepanelen
4.3.5.1 4.3.5.2 4.3.5.3
TABEL 6. OVERZICHT RELEVANT GEMEENTELIJK BELEID VOOR DEELGEBIED 5
4.3.1 Omgevingsvisie Someren De omgevingsvisie is op 4 juli 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie omvat de hooflijnen van de ontwikkelingsrichting van de gemeente voor de langere termijn en beslaat de thema’s die belangrijk zijn voor de leefomgeving vanuit het Rijk en de provincie Noord-Brabant. In de omgevingsvisie zijn verschillende toekomstige ambities opgenomen en vormen randvoorwaarden. Het buitengebied in deelgebied 5 valt in de omgevingsvisie binnen het gebied ‘Natuurlijk Genieten – Buitengebied Noord’. Er wordt in deze visie nadruk gelegd op de aanpak van stikstof, ontwikkeling van recreatieve functies, het realiseren van een bedrijventerrein, het voorkomen van wateroverlast en het verbeteren van de kwaliteit van het buitengebied in de vorm van verbinden.
4.3.2 Visie op het buitengebied 4.3.2.1 Beleidsnota voor niet-agrarische functies in het buitengebied De beleidsnota voor niet-agrarische functies in het buitengebied van Someren is op 25 februari 2016 vastgesteld. Uitbreidingsruimte van niet-agrarische functies in het buitengebied moet verdiend worden. De ontwikkeling moet eerst en vooral aan een evenwichtige toedeling van functies in de leefomgeving voldoen. Hiervoor heeft de gemeente vier richtinggevende principes uitgewerkt. Een ontwikkeling is in beginsel kansrijk als het bijdraagt aan:
de sloop van stallen (natuurlijk kapitaal); innovatie (economisch kapitaal); een maatschappelijke en/of zorgbehoefte uit de Somerense gemeenschap (menselijk kapitaal); de uitgangspunten van Cradle to Cradle (natuurlijk, menselijk en economisch kapitaal).
Daarnaast wordt er bij niet-agrarische functies, of ze nu nieuw of bestaand zijn, gewerkt met vijf sloopstimulerende maatregelen, namelijk: Stenen voor stenen Bedrijven kunnen hun bebouwingsoppervlakte uitbreiden en woningen kunnen de bijgebouwen en/of inhoud van de woning vergroten, mits er op een andere locatie bebouwing gesloopt wordt. De verhouding tussen te slopen en terug te bouwen vierkante meters is afhankelijk van de locatie waar wordt gesloopt en waar wordt gebouwd. Deze landschapstypes komen uit het Beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied. Verruimde sloopbonusregeling De sloop van bebouwing wordt gestimuleerd door een verruimde sloopbonusregeling. Het maximaal toegestane oppervlak aan bijgebouwen bij woningen kan worden vergroot van 100 m² naar maximaal 350 m². De inhoud van een woning kan worden vergroot van maximaal 750 m³ naar 900 m³. In ruil daarvoor moet volgens vastgelegde verhoudingen oppervlak aan legaal 41
opgerichte of krachtens het overgangsrecht toegelaten bebouwing op het perceel zelf of elders in het buitengebied worden gesloopt. Dezelfde sloopverhouding geldt als bij de ‘stenen voor stenen’-regeling.
Sloopbank De Sloopbank stimuleert de sloop van VAB’s en andere overtollige bijgebouwen en bedrijfsgebouwen door deze om te zetten voor extra oppervlak bijgebouwen bij woningen. De gemeente beheert de Sloopbank. Eigenaren kunnen vierkante meters gesloopte VAB’s en bijgebouwen hier aanmelden. Iemand die meer dan normaal wil bouwen, kan vervolgens uit de sloopbank de oppervlakte aankopen die hij of zij nodig heeft. De bouwer moet zelf de onderhandeling aangaan met de sloper over het verkrijgen van de gesloopte meters, een soort van ‘bouwrechten’. Hiermee worden gesloopte meters van VAB’s geld waard. Dit drukt de kosten voor de sloper en bevordert de feitelijke sloop. Ook speelt de factor tijd en het niet gelijk hoeven oversteken een minder grote rol voor de VAB-eigenaren. Slooplening Gestopte agrariërs kunnen onder gunstige voorwaarden geld bij de gemeente lenen voor de sloop van overtollig geworden bedrijfsgebouwen. De slooplening heeft een vaste rente van 2% over 20 jaar. Het maximale leenbedrag is € 55.000 per locatie. Sloopsubsidie Eigenaren van overtollige gebouwen kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige sloopsubsidie van 10% van de sloopkosten. Met een maximum van € 5.000. Hiervoor is een gemeentelijk budget van € 50.000 beschikbaar gesteld.
De subsidie wordt niet verstrekt als er gesloopt wordt via ruimte-voor-ruimte of een andere soortgelijke (toekomstige) subsidieregeling. TABEL 7. SLOOPSTIMULERENDE MAATREGELEN, GEMEENTE SOMEREN 4.3.2.2 Wonen in het buitengebied: bijgebouwen De gemeente hanteert al vanaf het begin van het deelgebiedenproces voor het bestemmingsplan Buitengebied enkele specifieke beleidsuitgangspunten voor woonfuncties. Deze moeten leiden tot een adequate aanpak en ook recht doen aan de (inmiddels) bestaande situaties op locaties en daarbij ‘verworven rechten’. Hierbij speelt de zogenaamde beslisboom van de gemeente een belangrijke rol. Deze moet leiden tot steeds dezelfde keuzes en afwegingen en een gelijke behandeling van gevallen conform de geformuleerde uitgangspunten van de gemeente. Maatgevend: 100 m² bijgebouwen bij de woning Veel percelen zijn in het bestemmingsplan Buitengebied 1998 of daarvoor al omgezet van agrarisch naar wonen. Bij het omzetten is destijds sloop van overtollige bebouwing niet altijd even strikt uitgevoerd. Al dan niet door het ontbreken van regels. Vaak werd sloop nagelaten. Daarom zijn er in het buitengebied vaak situaties waar meer dan 100 m² aan bijgebouwen aanwezig is. Vaak ook nog legaal aanwezig; vergund als bijgebouw bij de woning of als agrarisch bedrijfsgebouw. Deze bijgebouwen boven de 100 m² vallen op dit moment wederom onder het overgangsrecht.
Dat is niet wenselijk en leidt tot juridische risico’s. Vaste jurisprudentie onder de Wro stelt dat dergelijke situaties opgelost moeten worden. Door te legaliseren of door te handhaven. Als handhaving planologisch niet meer kan, dan moet er gelegaliseerd worden. Hierbij is het wenselijke een vaste beleidslijn en flankerende maatregelen te hebben als gemeente. Zoals de Somerense sloopinstrumenten en bijgebouwenregeling. 42
Sloop- en bijgebouwenregeling De oude bijgebouwenregeling die tot 2018 van toepassing was bood onvoldoende soelaas. De gemeente heeft de regeling daarom in 2018 aangepast met als doel meer ruimtelijke kwaliteit te genereren, zonder afbreuk te doen aan bestaande rechten. De mogelijkheden zijn verruimd, zodat het aantrekkelijker is overtollige meters bijgebouwen in de sloopbank aan te bieden. Alle woonfuncties mogen 100 m2 bijgebouwen hebben. Ruimte-voor ruimtewoningen 150 m². Aan de hand van een beslisboom (zie Figuur 12. Beslisboom bijgebouwen bij woningen) kan worden bepaald welk deel in aanmerking komt voor legalisatie. Alleen vergunde bouwwerken en overgangsrechtelijk beschermde bijgebouwen komen in aanmerking voor legalisatie. Het jaar 1976 is daarbij de peildatum omdat de situatie sindsdien niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan en onder het overgangsrecht valt. Vergunningvrije bouwwerken worden buiten beschouwing gelaten. Dit wil echter niet zeggen dat vergunningsvrije bebouwing niet legaal is en nu of in de toekomst gesloopt moet worden. Deze bebouwing blijft onder dezelfde voorwaarden als waaronder deze destijds is opgericht legaal aanwezig. Bepalen van positief te bestemmen bijgebouwen en overtollige bebouwing Allereerst wordt gekeken of de bebouwing is opgericht met vergunning of overgangsrechtelijk beschermd is.
Bebouwing die vergunningvrij tot stand is gekomen wordt buiten beschouwing gelaten. Illegale bebouwing wordt in beginsel niet meegenomen in de beoordeling en moet sowieso gesloopt worden. Wel kan deze bebouwing met terugwerkende kracht worden gelegaliseerd, waarbij ook tot maximaal 350 m² gelegaliseerd kan worden via de gemeentelijke Sloopbank. Op basis van de Landschapsinvesteringsregeling (LIR) moet er een kwaliteitsverbetering worden geleverd in het landschap in de vorm van een goede landschappelijke inpassing (categorie 2ontwikkeling). Als de Sloopbank te weinig sloopmeters kan aanbieden kan de oppervlakte aan bijgebouwen ook worden verruimd via de LIR (categorie 3-ontwikkeling). Daarna wordt bepaald welke van de bijgebouwen in het verleden vergund zijn voor de voormalige functie waar nu alleen nog maar een woonfunctie is (vooral voor het agrarisch bedrijf doorgaans). Deze kunnen niet zomaar gelegaliseerd worden; ze vallen onder het bouwovergangsrecht, maar het gebruik is strijdig met de functie ‘Wonen’. Ze zijn in het verleden wel legaal opgericht, dus handhaven is vaak geen optie. In voorkomende gevallen kunnen die gebouwen ook nogmaals onder het ‘gebruiksovergangsrecht’ worden gebracht. Hiervoor heeft de een specifieke regeling in het omgevingsplan opgenomen; de aanduiding ‘overtollige bebouwing’.
Bevriezen van bouwmogelijkheden In die situaties dat er overtollige bebouwing aanwezig is die niet positief bestemd kan worden, wordt de betreffende locatie aangeduid met een gebruiks- en bouwbeperking ‘overtollige bebouwing’. Met deze beperking wordt voorkomen dat er bijgebouwen gebouwd of verbouwd worden en het ‘dwingt’ de eigenaar om bij de gemeente langs te gaan als er gebouwd moet worden. Op dat moment zal de eigenaar alsnog een afweging moeten maken hoe hij/zij een en ander wil legaliseren. Of niet. Dit acht de gemeente aanvaardbaar omdat de eigenaren in het verleden nooit hebben hoeven te investeren in de kwaliteit van de leefomgeving. Daarnaast is er lange tijd gebruik gemaakt van de bebouwing, in strijd met de regels. Tot slot moeten alle stoppers tegenwoordig bij een omzetting van de functie naar ‘wonen’ de overtollige bebouwing saneren en landschappelijke kwaliteit realiseren. Illegale bebouwing opplussen
43
Wanneer bebouwing zonder vergunning is opgericht, maar wel een vergunning nodig was, dan zal hier in beginsel op gehandhaafd worden. Wel kan deze illegale bebouwing gelegaliseerd worden door het maximum toegestane oppervlak aan bijgebouwen ‘op te plussen’. Via de sloopbonusregeling is het mogelijk om de bebouwing op te plussen tot maximaal 350 m². Hiervoor moeten sloopmeters worden aangekocht uit de gemeentelijke Sloopbank. Dat is dan een categorie 2-ontwikkeling (LIR). Er is dus ook een goede landschappelijke inpassing nodig. Indien er geen sloopmeters beschikbaar zijn kunnen de extra vierkante meters aan bijgebouwen ook opgeplust worden middels de LIR. Dit betreft in dat geval een categorie 3-ontwikkeling, waarbij in de LIR is bepaald wat de waarde is voor een extra vierkante meter aan bijgebouw en welke mate van tegenprestatie hier tegenover staat. Categorie-indeling voor aanpak overtollige bebouwing De volgende categorieën worden toegepast voor het al dan niet legaliseren van vergunde en/of overgangsrechtelijk beschermde voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing: Categorie
Regeling
Vergunde/legale oppervlakte kleiner dan 100 m2
Maximaal 100 m² aan bijgebouwen is binnen de standaard regeling toegestaan.
Vergunde/legale oppervlakte bijgebouwen (niet opgericht t.b.v. woonbestemming) tussen 100 m² en 250 m²
De vergunde oppervlakte is de maximale rechtstreeks toegestane oppervlakte die in het omgevingsplan is opgenomen door middel van een omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’, mits er sprake is van voldoende landschappelijke inpassing (categorie 2- ontwikkeling). Als er onvoldoende landschappelijke inpassing is, dan kan dat alsnog geregeld worden via het omgevingsplan door een nieuw landschappelijk inpassingsplan op te nemen. Hiervoor wordt een uitvoeringsregeling in het omgevingsplan opgenomen. Als er geen bereidheid is om te investeren in kwaliteitsverbetering of de landschappelijke inpassing, dan wordt de bestaande voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing ‘bevroren’ met een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ en het bouwen en gebruiken in het omgevingsplan beperkt voor de locatie.
Vergunde/legale oppervlakte bijgebouwen (niet opgericht t.b.v. woonbestemming) groter dan 250 m²
In het omgevingsplan wordt maximaal 250 m² opgenomen met een omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’, mits er sprake is van voldoende landschappelijke inpassing. Alle bebouwing wordt ‘bevroren’ met een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ in het omgevingsplan. Tenzij het oppervlak bijgebouwen wordt verhoogd tot maximaal 350 m² via de Sloopbank of LIR. Het betreffende (‘opgepluste’) oppervlak wordt aangeduid met een omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’ in het omgevingsplan. Als er geen bereidheid is om te investeren in kwaliteitsverbetering of de landschappelijke inpassing, dan wordt de bestaande voormalige (agrarische) bebouwing ‘bevroren’ met een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ en het bouwen en gebruiken in het omgevingsplan beperkt voor de locatie.
TABEL 8. CATEGORIE INDELING HERBESTEMMING OVERTOLLIGE BIJGEBOUWEN
44
FIGUUR 12. BESLISBOOM BIJGEBOUWEN BIJ WONINGEN
45
4.3.2.3 Wonen in het buitengebied: omvang bouwpercelen Bij de functie ‘wonen’ worden of zijn, bijhorende voorzieningen regelmatig buiten de voormalige bestemmingsvlakken gelegd. Het kan ook zo zijn dat deze er nog liggen omdat in het verleden de agrarische bestemming is ‘wegbestemd’ en tegelijk verkleind. Dit is in principe in strijd met de regels. Voor alle locaties waarbij voorzieningen buiten het functievlak ‘wonen’ liggen is een afweging gemaakt waar het ‘bouwperceel’ moet liggen. Allereerst wordt gekeken of een andere functieaanduiding dan ‘agrarisch grondgebruik’ wel nodig is. Soms gaat het om bijvoorbeeld een dierenweide voor paarden of schapen die de bewoner heeft. Eventueel met een omheining binnen de geldende regels. Ook kan er sprake zijn van een landschappelijke inpassing van de woning die mogelijk of gedeeltelijk ook dienst doet voor de woonfunctie. De gemeente is terughoudend met het toepassen van grote werkingsgebieden met de functie ‘wonen’. Er moet in die gevallen een duidelijke afwijking zijn van de functie ‘Agrarisch grondgebruik’. Hierbij wordt vooral gekeken naar de aanwezigheid van bebouwing, verharding, siertuinen en of er sprake is van een harde scheiding tussen de functies. Hierbij hanteert de gemeente een beslisboom. Bij het doorlopen van de beslisboom wordt eerst gekeken of de voorzieningen voor de woning zijn opgericht.
Als er sprake is van een vergund recht, dan wordt het functievlak eventueel van vorm veranderd, zodat de voorzieningen op een juiste wijze opgenomen worden. Zonder dat hier een tegenprestatie voor geldt. Uitgangspunt is vormverandering, zonder vergroting van het functievlak. Kan dat niet, dan kan er alsnog vergroting plaatsvinden. Uitbreidingen van de woonfunctie boven de 2.500 m² zijn niet wenselijk. Op dat moment is er geen sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Immers, de bebouwing moet zoveel mogelijk geconcentreerd zijn om het open agrarische landschap te waarborgen. Is vergroting (boven 2.500 m 2) toch noodzakelijk, dan zijn er bij uitzondering twee maatwerk-oplossingen:
a.
Functie ‘Wonen’ zonder bouwmogelijkheden toepassen: Deze situaties doen zich zelden voor. Het gaat dan om echte siertuinen, aansluitend aan de woonfunctie die niet als landschappelijke inpassing moeten worden beschouwd. Aan deze functie ‘Wonen’ worden zeer beperkte bouw, gebruiks- en aanlegmogelijkheden toegekend. Er moet kwaliteitsverbetering van het landschap plaatsvinden conform een categorie 3ontwikkeling van de LIR. Deze gronden worden in het omgevingsplan ook niet aangemerkt als bebouwingserf, zodat vergunningsvrij bouwen bij het hoofdgebouw ook wordt uitgesloten.
b.
Groter bestemmingsvlak ‘Wonen’: In sommige gevallen is een groter functievlak ‘wonen’ de enige oplossing. Bijvoorbeeld als de vergunde bebouwing ver uit elkaar staat. Als dit het geval is, moet ook kwaliteitsverbetering van het landschap worden gerealiseerd conform categorie 3 van de LIR.
In paragraaf 5.1.7 is per locatie beschreven in hoeverre er een noodzaak is om de functie ‘wonen’ aan te passen voor de betreffende locaties. Hieronder zijn de uitgangspunten voor de functievlakken ‘Wonen’ in een overzicht op een rijtje gezet:
46
Toepassing Omvang woonfunctie van de Landschapsinvesteringsregeling (LIR) Someren 4) Maximaal 1) Categorie-indeling toelaatbare LIR:omvang van het functievlak ‘wonen’ is 2.500 m2; a) Het Categorie uitgangspunt 1: van maximaal 2.500 m2 volgt uit de fictieve functievlakken voor de toenmalige 2 Vormverandering bestemming ‘Wonen’ en vergroting (50 meter van bij 50 hetmeter) functievlak uit het‘wonen’ bestemmingsplan tot 1.500 mBuitengebied in het geval 1998. van het 2) Het functievlak planologische ‘wonen’ regelen heeft vaneen een- bestaande vanuit ruimtelijke situatie functionaliteit die dateert vanenvóór samenhang vaststelling – logische van tvorm en ligging; bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’; 3) Uitsluitend b) Categorie in bijzondere 2: situaties wordt afgeweken van bovenstaande maximale maatvoering.
Hieronder i) Vergroting worden invan ieder hetgeval functievlak de volgende ‘wonen’ situaties tot maximaal verstaan: 1.500 m² voor zover deze niet onder a) Bestaande categorie rechten 1 valt;inóf de vorm van: ii) Een i) Vormverandering reeds eerder geldende en vergroting bestemming van het functievlak ‘Wonen’; ‘wonen’ tot maximaal 2.500 m2 in het ii) Vergunde geval van het en voor planologisch de bestemming regelen ‘Wonen’ van een bestaande reeds in gebruik situatie zijnde die dateert bouwwerken, van vóór gebouwen vaststelling en verhardingen, van het verspreid bestemmingsplan over een gebied ‘Buitengebied groter an 2011’; 2.500 m2; c) iii) Categorie Overgangsrechtelijk 3: beschermde en in gebruik zijnde bouwwerken, gebouwen en 2 i) verhardingen, Vormverandering verspreid en vergroting over eenvan gebied het functievlak groter dan‘wonen’ 2.500 mgroter welkedan ook1.500 feitelijk m2voor voorde zover deze niet functie ‘wonen’ onder in categorie gebruik 2zijn; valt; 5) b) Als de Bestaand uit te voeren gebruik kwaliteitsverbetering in de vorm van tuinen vanen het ander landschap onmiskenbaar (categorie en3)alleen op grond aan de vanfunctie de gemeentelijke ‘wonen’ toe berekeningswijze te delen gebruik, van waarbij de forfaitaire geldt dat: bijdrage minder bedraagt dan € 1.000 dan is categorie i) De 2 van overmaat toepassing boven (landschappelijke 2.500 m2 in principe inpassing);
behoort tot de functie van de omliggende gronden; 6) c) Bij het Debepalen functie ‘wonen’ van de tealleen leveren overwogen kwaliteitsverbetering wordt als hetvan gebruik het landschap niet toelaatbaar (categorie is binnen 3) wordt de de winstgebruiksregels berekend op basis van de van functie(s) het meerdere van deoppervlak aangrenzende van het gronden. functievlak ‘wonen’ boven de eerste 1.500 m2; 7) De tabel met bestemmingswaarden uit de LIR is van toepassing; 8) De maatregelen kwaliteitsverbetering van het landschap uit de LIR zijn van toepassing.
4.3.2.4 ZZP’ers en buitenopslag bij de functie ‘wonen’ in het buitengebied Begin 2022 heeft de evaluatie van het project ‘Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied’ plaatsgevonden. Op 24 mei 2022 heeft de gemeenteraad in haar vergadering een amendement aangenomen dat voorziet in meer coulance en maatwerk bij de behandeling van locatieonderzoeken binnen voornoemde project. Op 29 september 2022 heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie ‘uitvoering amendement 24 mei 2022’ vervolgens vastgesteld. Op grond van deze beleidsnotitie zijn de volgende beleidswijzigingen doorgevoerd:
47
1. Zelfstandigen mogen de maximale oppervlakte bijgebouwen bij een normale ‘woonfunctie’ in het buitengebied (100 tot 150 m²) volledig gebruiken voor hun bedrijfsactiviteiten; 2. Wordt er meer oppervlak gebruikt voor de ZZP-functie, dan valt de locatie en functie onder het zogenaamd ‘Wonen Plus’. Dit betekent dat de ZZP-er de kleinschalige activiteiten binnen milieucategorie 1 en 2 mag uitvoeren en (na eventueel opplussen) maximaal 350 m² aan bijgebouwen mag hebben en gebruiken; 3. Buitenopslag wordt onder voorwaarden toegestaan binnen het woonperceel. Deze buitenopslag mag geen zichtbaar negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit hebben.
4.3.3 Kwaliteit leefomgeving: ruimtelijke kwaliteit De gemeente Someren hecht veel waarde aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Dat heeft de gemeente concreet verwoord in twee dominante beleidsstukken en bijhorende regels: a. het Beelkwaliteitsplan Buitengebied 2022 b. de Landschapsinvesteringsregeling Someren (LIR) Hieronder wordt om beide beleidskaders ingegaan en aangegeven hoe deze beleidslijnen in het omgevingsplan gebruikt zijn bij de ontwikkelingen die deze wijziging mogelijk maakt. 4.3.3.1 Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 Het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 van de gemeente Someren is op 3 november 2022 vastgesteld. In het beeldkwaliteitsplan zijn de waardevolle elementen en structuren in het buitengebied van Someren vastgelegd. Het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 bevat richtlijnen waarmee de beeldkwaliteit van een bepaald gebied gewaarborgd wordt. Er kan gedacht worden aan het behouden van karakteristieke zichtlijnen, of het toepassen van een knotwilgenrij. Een beeldkwaliteitsplan kijkt alleen naar wat belangrijk is om de kwaliteit van ‘hoe het eruit ziet’ te waarborgen. In het beeldkwaliteitsplan worden in het buitengebied verschillende landschapstypen onderscheiden. Ieder landschapstype heeft een andere (gewenste) ruimtelijke kwaliteit.
Die specifieke kwaliteiten zijn in het beeldkwaliteitsplan vertaald naar ontwerprichtlijnen die bij een ontwikkeling moeten leiden tot een passende wijze van invulling van het initiatief. Bijvoorbeeld voor de landschappelijke inpassing. Het beeldkwaliteitsplan is dan ook een toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het is echter niet bedoeld als een toetsingskader waar niet van afgeweken mag worden. Als je al kunt spreken van afwijken. Het bevat immers geen regels maar (ontwerp) richtlijnen. In het omgevingsplan worden er specifieke regels opgenomen die een directe koppeling maken met het beeldkwaliteitsplan. Daarmee is het een onderdeel van de regels van het omgevingsplan. De omgevingswet voorziet in de mogelijkheid om het dergelijke ‘open normen’ of richtlijnen te werking in de regels. Het beeldkwaliteitsplan wordt daarmee onder het omgevingsplan zowel een inspiratiedocument als een beoordelingskader voor aanvragen omgevingsvergunning. 4.3.3.2 Landschapsinvesteringsregeling (LIR) Het beeldkwaliteitsplan geeft onder andere ook ontwerprichtlijnen voor een goede landschappelijke inpassing. Bij ontwikkelingen die een bepaalde impact hebben op de leefomgeving in het buitengebied is landschappelijke inpassing bijna altijd aan de orde. Er moet dan een passende 48
inpassing worden gerealiseerd, maar bij zwaardere gevallen ook een compensatie worden geleverd in de vorm van kwaliteitsverbetering van het landschap. Overeenkomstig met de provinciale omgevingsverordening. Om te bepalen welke mate van kwaliteitsverbetering noodzakelijk is, heeft de gemeente dit uitgewerkt in een uitvoeringsdocument en systematiek; de landschapsinvesteringsregeling (LIR) Someren. De mate van negatieve impact van een ontwikkeling op de leefomgeving bepaalt ook hoe invulling wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. Daarbij wordt door de gemeente en de provincie een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van ontwikkelingen. Hoe meer impact de ontwikkeling heeft, hoe hoger de categorie en hoe groter de noodzakelijke kwaliteitsverbetering is. Categorie 1: Geen verplichting Ontwikkelingen met weinig impact op de leefomgeving. Er is geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap nodig en er wordt dus geen extra tegenprestatie gevraagd. Bijvoorbeeld het vergroten van het vlak voor de functie Wonen kan tot maximaal 1.500 m² als het om een bestaande situatie gaat. Categorie 2: Landschappelijke inpassing Ontwikkelingen met een gemiddelde impact op de leefomgeving. Er zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van het landschap te kunnen borgen. Dat gebeurt door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
Een goede landschappelijke inpassing is hier in ieder geval 10% van het functievlak, met een maximum van 500 m². Bijvoorbeeld het vergroten van het vlak voor de functie wonen kan tot maximaal 2.500 m² bij bestaande situaties en in nieuwe situaties tot 1.500 m². Categorie 3: Landschappelijke inpassing & Kwaliteitsverbetering van het landschap Ontwikkelingen met een relatief grote impact op de leefomgeving. Ter bescherming van de leefomgeving (landschap) moet er een extra compensatie worden geleverd. Naast de basisinspanning van een goede landschappelijke inpassing. Deze extra compensatie is de zogenaamde ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ volgens een forfaitaire berekening van de waardevermeerdering die ontstaat door de ontwikkeling. Deze kwaliteitsverbetering van het landschap kan vervolgens op drie verschillende manieren worden ingezet, waarbij afhankelijk van de manier waarop de kwaliteitsverbetering plaatsvindt het te compenseren bedrag 20% of 25% van de waardevermeerdering bedraagt. Bijvoorbeeld het vergroten van het functievlak Wonen van 1.500 m² tot en met 2.500 m² in geval van een nieuwe situatie valt hieronder. Ook het opplussen zonder de Sloopbank voor reeds aanwezige bijgebouwen ten tijde van het legalisatietraject valt hieronder. TABEL 9. CATEGORIE INDELING LANDSCHAPSINVESTERINGSREGELING, GEMEENTE SOMEREN
4.3.4 Agrarische functies en transitie De gemeente Someren kent diverse regelingen en nota’s die direct verband houden met de reeds jaren geleden ingezette transitie van de agrarische sector. Zowel de transities binnen de sector zelf, 49
waarbij andere bedrijfstakken en functies een veranderende impact hebben op de leefomgeving, als de transitie van de agrarische sector naar andere sectoren en activiteiten in de leefomgeving. In deze paragraaf wordt dat beleid op een rijtje gezet. 4.3.4.1 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven Om tegemoet te komen aan de dynamiek en veranderingen binnen het gebied en de agrarische sector heeft de gemeente de mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven al eerder uitgebreid. Deze lijn wordt onder het omgevingsplan voortgezet. Uitgangspunt blijft dat er alleen niet-agrarische functies als nevenactiviteit worden toegelaten die ook als vervolgfunctie kunnen worden toegelaten. Daarnaast moeten de nevenfuncties voldoen aan de voorwaarden die in het omgevingsplan staan en bijdragen aan, en passen bij, de aanwezige omgevingswaarden. Dit is in lijn met de omgevingsverordening. Hiervoor zijn in het omgevingsplan bij de functie ‘Agrarisch Bedrijf’ regelingen opgenomen, overeenkomstig de regeling uit bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4. Deze regeling sluit aan bij het ‘Beleid voor niet- agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen’. Concreet worden ook kleinschalige niet-agrarische activiteiten in milieucategorie 1 en 2 toegestaan tot maximaal 350 m² bebouwd oppervlak.
4.3.4.2 Paardenhouderijen Paardenhouderijen door de gemeente als een passende functie in het buitengebied worden gezien. Met name de productiegerichte paardenhouderij is passend in het buitengebied. Meer gebruiksgerichte paardenhouderijen zijn niet overal even wenselijk en inpasbaar. Someren maakt daarom een onderscheid in het omgevingsplan tussen productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderijen. Dit onderscheid wordt ook gemaakt in de regels voor milieubelastende activiteiten in de bruidsschat. Hierbij is de ligging van de functie relevant; in een gebied met groenblauwe waarden of in het gemengd landelijk gebied. Gebruiksgerichte paardenhouderijen vragen om een zwaardere afweging over de effecten op de leefomgeving. Ligging in een gebied met groenblauwe waarden of zelfs natuurgebieden vraagt om een veel zorgvuldigere afweging van de mogelijke effecten op de leefomgeving. De volgende vormen van paardenhouderijen worden in het omgevingsplan onderscheiden:
Productiegerichte paardenhouderij een vorm van een agrarisch bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Gebruiksgerichte paardenhouderij een paardenhouderij waar het accent ligt op het bedrijfsmatig houden en stallen van paarden en pony’s met als nevenactiviteit het fokken en africhten ervan. Voorbeelden zijn stalhouderijen en paardenpensions. Paardenhouderij als nevenactiviteit Naast de agrarische hoofdactiviteit op een locatie kan er sprake zijn van een nevenactiviteit met paarden. Vaak is er sprake van een mengvorm. Dit kan zowel een productiegerichte als een gebruiksgerichte activiteit zijn. Doorgaans is er bij een productiegerichte paardentak bij een andere agrarisch bedrijfstak sprake van een gemengd bedrijf, met twee verschillende agrarische bedrijfstakken. Manege 50
Dit zijn bedrijven die op de paardensport zijn gericht. Onder de oude bestemmingsplannen vielen die ook onder de bestemming ‘Sport’. Dat zal ook zo zijn onder het omgevingsplan. In theorie hoeven er op een manege geen paarden (permanent) aanwezig te zijn, maar zijn er doorgaans wel relatief veel vervoersbewegingen. Zeker als een manege gecombineerd wordt met stalling van paarden van derden en recreatieve vormen van paarden gebruik. Een productiegerichte paardenhouderij is een ‘Agrarisch bedrijf’. Niet zijnde een veehouderij, maar een ‘Overig agrarisch bedrijf’. In principe gelden daarvoor dezelfde regels als voor andere agrarische bedrijven, zoals akkerbouwers en landbouwers. Voor de gebruiksgerichte paardenhouderijen, zoals een pensionstalling, worden specifieke regels opgenomen in het omgevingsplan. Hierbij is de ligging in een gebied met groenblauwe waarden van belang, er gelden dan strengere regels dan in gemengd landelijk gebied. Als er sprake is van een mengvorm, bijvoorbeeld een pensionstal bij een paardenfokker, is het per situatie noodzakelijk om de hoofdfunctie te bepalen en in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan vast te leggen. Ook komt een gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenactiviteit voor bij een andere agrarische hoofdfunctie. De functie blijft dan altijd ‘Agrarisch bedrijf’ of ‘Veehouderij’.
Bijvoorbeeld een kleinschalige pensionstal bij een productiegerichte paardenhouderij. Hier bepaalt de agrarische hoofdfunctie de functie in het omgevingsplan. Binnen de groenblauwe waarden biedt het omgevingsplan beperkt ruimte voor productiegerichte paardenhouderijen. Bestaande locaties worden gerespecteerd. Nieuwe productiegerichte paardenhouderijen zijn niet mogelijk of slechts onder strikte voorwaarden via een wijziging van het omgevingsplan of een Bopa. Binnen groenblauwe waarden zijn alleen onder strikte voorwaarden nieuwe gebruiksgerichte paardenhouderijen mogelijk. Deze hebben een functie ‘bedrijf’ onder het omgevingsplaan. Onder andere moet worden onderbouwd dat de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. In het gemengd landelijk gebied worden productiegerichte paardenhouderijen toegelaten als ‘Agrarisch bedrijf’. Gebruiksgerichte paardenhouderijen moeten ook weer zwaarder getoetst worden en via een buitenplanse procedure eventueel mogelijk worden gemaakt. De gemeente heeft voor dit onderscheid een specifieke set regels opgenomen in het omgevingsplan op grond van de bestaande bestemmingsplanregeling uit het bestemmingsplan voor deelgebied 4. 4.3.4.3 Teeltondersteunende voorzieningen Om een gemeentelijk kader te bieden is in 2018 het beleid voor teeltondersteunende voorzieningen opgesteld.