CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Algemene motivering

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen wijziging Omgevingsplan Buitengebied Someren - deelgebied 5.29.423 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

MOTIVATIE

OMGEVINGSPLAN GEMEENTE SOMEREN BUITENGEBIED SOMEREN - DEELGEBIED 5

MOTIVATIE BIJ HET OMGEVINGSPLAN GEMEENTE SOMEREN BUITENGEBIED SOMEREN - DEELGEBIED 5 GEMEENTE SOMEREN

Planstatus

Definitief

Datum

26 juni 2025

Inhoudsopgave

3

Bijlagen bij de motivering Bijlage 1. Ruimtelijke motivering Heesvenstraat 21-21a Bijlage 2. Ruimtelijke motivering Houtbroekstraat 9 Bijlage 3. Ruimtelijke motivering Lieropsedijk 66 Bijlage 4. PlanMER omgevingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 5 Afbeeldingen in de motivering Figuur 1. Begrenzing deelgebieden buitengebied Someren...................................................................7 Figuur 2. Verbeelding landschapstypes, beeldkwaliteitsplan Someren 2022.......................................13 Figuur 3. Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Someren, 2011....................................................14 Figuur 4. Gebiedstypen in deelgebied 5...............................................................................................21 Figuur 5. Provinciale aanpak voor de Leefomgeving: diep, rond en breed kijken.................................26 Figuur 6. Natuur en Stiltegebieden in de omgevingsverordening........................................................29 Figuur 7. Provinciale cultuurhistorische waarden.................................................................................31 Figuur 8. Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging in de omgevingsverordening...........32 Figuur 9. Veehouderijlocaties in Deelgebied 5, gemeente Someren....................................................33 Figuur 10.

Saneringslocaties uit de omgevingsverordening..................................................................37 Figuur 11. Stiltegebied en externe zone + Geluidscontour provinciale weg uit de omgevingsverordening.........................................................................................................................39 Figuur 12. Beslisboom bijgebouwen bij woningen...............................................................................45 Figuur 13. Structuur omgevingsplan Someren.....................................................................................90 Figuur 14. Organisch groeimodel omgevingsplan.................................................................................91 Tabellen in de motivering Tabel 1. Voorgaande bestemmingsplannen voor deelgebieden Buitengebied......................................6 Tabel 2. Relevante plannen voor deelgebied 5 tijdelijke deel omgevingsplan.......................................8 Tabel 3. Aanwezige functies binnen hydrologisch waardevol gebied, Bos- en Heidegebied................15 Tabel 4. Aanwezige functies binnen hydrologisch waardevol gebied, Beekdallandschap....................16 Tabel 5. plan-MER uitkomsten voor Buitengebied Someren, deelgebied 5.........................................20 Tabel 6.

Overzicht relevant gemeentelijk beleid voor Deelgebied 5....................................................41 Tabel 7. Sloopstimulerende maatregelen, gemeente Someren...........................................................42 Tabel 8. Categorie indeling herbestemming overtollige bijgebouwen.................................................44 Tabel 9. Categorie indeling landschapsinvesteringsregeling, gemeente Someren...............................49 Tabel 10. Wijzigingen functie Agrarisch grondgebruik.........................................................................56 Tabel 11. Wijzigingen functies agrarisch bedrijf en veehouderij..........................................................61 Tabel 12. Wijziging functies bedrijf en bedrijf – nutsvoorziening.........................................................63 Tabel 13. Wijziging functie natuur........................................................................................................63 Tabel 14. Wijziging functie maatschappelijk.........................................................................................64 Tabel 15. Wijziging functie recreatie....................................................................................................65 Tabel 16. Wijziging functie wonen........................................................................................................85

4

1 Inleiding Met het omgevingsplan wordt uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de nieuwe Omgevingswet, welke sinds 1 januari 2024 in werking is getreden. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Binnen het stelsel van het omgevingsrecht is het omgevingsplan voor burgers en bedrijven bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van het voorgaande bestemmingsplan. De overgang naar één omgevingsplan voor het hele grondgebied van Someren is een grootschalige wijziging van het gemeentelijk omgevingsrecht. De overgang zal ook niet in één keer plaatsvinden. Voor het buitengebied vindt de overgang plaats in deelgebieden. Deelgebieden 1 tot en met 4 zijn in een eerder stadium vastgesteld als bestemmingsplan onder de voorgaande wetgeving. Deelgebieden 5, 6 en 7 zullen als onderdeel van het omgevingsplan worden opgesteld. Uiteindelijk zullen de plannen binnen het volledige buitengebied van Someren terecht komen in het “Omgevingsplan gemeente Someren”. Hoewel inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak belangrijke doelen van de Omgevingswet zijn, komen niet alle voor een burger relevante regels in het omgevingsplan terecht.

Naast het omgevingsplan blijven er ook regelingen van toepassing van het Rijk, provincie en waterschappen die rechtstreeks bindende regels bevatten.

1.1 Aanleiding De gemeente Someren heeft een groot buitengebied met veel verschillende functies. Het buitengebied is lang hoofdzakelijk voor agrarische doeleinden in gebruik geweest. Veel agrarische bedrijven stoppen echter, waardoor er op de vrijgekomen locaties nieuwe kansen ontstaan. De diversiteit in functies in het buitengebied neemt daardoor toe, een transitie die op vele plekken in Nederland zichtbaar is. Deze ontwikkeling houdt het buitengebied levendig, maar er moet wel voor gewaakt worden dat deze functies ook passen binnen het buitengebied van Someren. Voor deze nieuwe ontwikkelingen, maar ook voor bestaande situaties zal gekeken moeten worden of deze passen in de visie voor het Somerense buitengebied. Daarom heeft de gemeente Someren ervoor gekozen een intensief traject te starten waarbij alle locaties in het buitengebied integraal worden geïnventariseerd. Met de bewoners en ondernemers wordt het gesprek aangegaan over de situatie op het perceel zoals geconstateerd tijdens de inventarisatie en over hun toekomstplannen. Aan de hand van deze inventarisaties en eventuele toekomstplannen kan zo een duurzaam omgevingsplan worden opgesteld dat overeenkomt met de feitelijke situatie.

1.2 Doelstelling Het vigerende plan voor een groot deel van het buitengebied is het “Omgevingsplan gemeente Someren” met het tijdelijke deel gebaseerd op het bestemmingsplan Buitengebied (2011). Dit bestemmingsplan is een conserverend plan geweest waaraan geen inventarisaties ten grondslag hebben gelegen. Daarnaast zijn er diverse partiële herzieningen en postzegelbestemmingsplannen vastgesteld, waarbij niet altijd een uniforme werkwijze is gehanteerd. Ook is het beleid in de afgelopen jaren op verschillende vlakken gewijzigd. Het doel van het Omgevingsplan gemeente Someren ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 5’ is een uniform, leesbaar omgevingsplan, gebaseerd 5

op de feitelijke functies die aanwezig zijn in het buitengebied uitgaand van de uitgevoerde integrale inventarisaties. Het buitengebied van Someren is voor het overzicht en een zorgvuldige benadering in zeven deelgebieden verdeeld. Voor deelgebieden 1 tot en met 4 zijn er reeds bestemmingsplannen opgesteld: Type plan

Plannaam

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied Someren – Deelgebied 1

Datum vaststelling 30-11-2017

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied Someren – Deelgebied 2

05-03-2020

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied Someren – Deelgebied 3

21-07-2021

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied Someren – Deelgebied 4

02-08-2023

TABEL 1. VOORGAANDE BESTEMMINGSPLANNEN VOOR DEELGEBIEDEN BUITENGEBIED

Deze motivering heeft betrekking op deelgebied 5, het gedeelte van het Somerense buitengebied dat zich tussen de A67 en de Provincialeweg bevindt. Voorafgaand aan het vaststellen van het omgevingsplan voor deelgebied 5 zijn alle bedrijven en woningen in dit gebied bezocht en is er bekeken of de bestaande situatie overeenkomt met het vigerende plan. Uit deze inventarisaties is gebleken dat op verschillende locaties de feitelijke situatie niet overeenkomt met het vigerende plan. Vervolgens zijn per locatie de legalisatiemogelijkheden van de strijdigheden onderzocht binnen de bestaande wet- en regelgeving. Bij de locaties waar legalisatie een optie is, is in overleg met de eigenaren een manier gezocht om de strijdigheden op te lossen, in de vorm van een participerende rol. Als de eigenaren hebben besloten tot een wijziging voor hun perceel dan is dit opgenomen in deze gedeeltelijke wijziging van het omgevingsplan voor ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 5’. Het eindproduct is een actueel omgevingsplan dat overeenkomt met de bestaande situatie.

1.3 Ligging en begrenzing van het gebied Dit omgevingsplan is opgesteld voor deelgebied 5 van het buitengebied, het deel gelegen tussen de A67 en de Provincialeweg. De globale ligging van de deelgebieden is weergegeven in figuur 1. Deelgebied 5 wordt begrensd door de gemeente Heeze-Leende in het westen en de gemeente Asten en de Zuid-Willemsvaart in het oosten. In het noorden van het plangebied wordt het gebied begrenst door de grens van deelgebied 4 en het zuiden door deelgebied 6 en 7.

1.4 Geldende bestemmingsplannen in het tijdelijke deel omgevingsplan Binnen deelgebied 5 zijn diverse bestemmingsplannen en herzieningen van kracht geweest. Bij het intreden van de Omgevingswet sinds 1 januari 2024 vallen deze plannen onder het ‘tijdelijke deel van het omgevingsplan’ van de gemeente Someren. Binnen deelgebied 5 is het tijdelijke deel van het omgevingsplan gebaseerd op de ruimtelijke regels uit de navolgende bestemmingsplannen:

6

FIGUUR 1. BEGRENZING DEELGEBIEDEN BUITENGEBIED SOMEREN

7

Herziene bestemmings- en wijzigingsplannen (+ gerechtelijke uitspraken) Houtbroekdijk 30 Moorsel 1, Lierop Houtbroekstraat 9 Somerense Vennen – centrumvoorziening Houtbroekstraat 8 Hoijserstraat 13 Moorsel 7, Lierop Berkeindje/Vaarsehoefweg Vogelasiel Someren Veegplan III, gemeente Someren 2017 Wijzigingsplan Heieind 10, Someren Ploegstraat 59, Hoijserstraat 19 en Vaarsehoefweg 22 Reststroken Someren 2017 Slievenstraat 68 Veegplan IX, gemeente Someren Laan ten Boomen 30, Lierop Laan ten Boomen 29, Lierop Moorsel 3, Lierop Veegplan XIII, gemeente Someren Hanekampweg 15 en 17 De Wertstraat 20, Lierop Varendonkweg 7, Someren Heesterdijk 13 TABEL 2. RELEVANTE PLANNEN VOOR DEELGEBIED 5 TIJDELIJKE DEEL OMGEVINGSPLAN

Vaststelling 30-5-2012 24-4-2013 28-5-2014 26-6-2014 29-1-2015 23-4-2015 23-4-2015 28-1-2016 20-12-2017 22-2-2018 8-5-2018 30-8-2018 29-11-2018 9-5-2019 7-5-2020 17-9-2020 13-7-2021 24-3-2022 20-4-2023 25-5-2023 6-7-2023 1-10-2024 12-12-2024

1.5 Leeswijzer Het omgevingsplan bestaat uit verschillende planonderdelen: de verbeelding op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) met de regels, bijlagen en de motivering. Sinds de inwerktreding van de Omgevingswet worden zowel de verbeelding als de regels op één centrale plek ondergebracht. Dit gebeurt via het DSO. Op de verbeelding van het omgevingsplan zijn de functies in het plangebied weergegeven. De functies zijn gerelateerd aan de in de planregels opgenomen juridische regeling. In de regels is het gebruik van de binnen het plangebied aangegeven gronden en opstallen juridisch geregeld. Per functie is er aangegeven wat er binnen de functie mogelijk is en is toegestaan. Deze motivatie van het besluit is op zich geen juridisch onderdeel van de regeling die de gemeenteraad vaststelt. Het is één van de onderdelen die ten grondslag ligt aan het genomen besluit. De motivatie bevat (een deel van) de overwegingen die de raad heeft betrokken bij haar besluit tot het vaststellen van de regeling; het feitelijke Omgevingsplan gemeente Someren, met als citeertitel ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 5’. Deze motivatie moet dus ook als dusdanig worden gelezen en geïnterpreteerd.

De motivatie bevat dan ook geen bindende regels en/of kaders die onderdeel van de regeling zijn en betrokken (moeten) worden bij de uitvoering van de regeling; daaronder begrepen de vergunningverlening, maar ook het voldoen aan de gebruiksregels of andere regels uit het omgevingsplan door eenieder. In de toelichting op het omgevingsplan, welke wél onderdeel is van de regeling, worden de regels uit het omgevingsplan nader toegelicht. In algemene zin in het algemene deel van die toelichting. In 8

specifieke zin in de artikelsgewijze toelichting van het omgevingsplan. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de systematiek en opzet van de regeling, de oorsprong van de bepaalde regels en de beoogde werking van de regels. Ook wordt in die toelichting bij verschillende regels verwezen naar de instructieregel van het Rijk (uit het Besluit kwaliteit leefomgeving) of de provinciale Omgevingsverordening Brabant. Omdat deze motivatie ook ingaat op de vraag of voldaan wordt aan de instructieregels van het Rijk en de provincie, wordt er in de motivering ook verwezen naar de toelichting op de regels van het omgevingsplan.

9

2 Werkwijze 2.1 Integrale inventarisaties Het vigerende bestemmingsplan voor een groot deel van het buitengebied stamt uit 2011. De gemeente Someren wil uiteindelijk voor het gehele buitengebied een actueel omgevingsplan opstellen. Het is daarvoor van belang om te onderzoeken wat de feitelijke situatie (bebouwing én gebruik) is op alle locaties. De gemeente Someren heeft ervoor gekozen om een intensief traject te starten waarbij alle bedrijven en woningen in het buitengebied worden bezocht. Dit is voor deelgebieden 1 tot en met 4 inmiddels al afgerond. Van 2021 tot 2022 zijn er bij 44 agrarische bedrijven, 12 niet-agrarische bedrijven, 144 woonlocaties en 16 overige locaties (Recreatie, Maatschappelijk en Horeca) inventarisaties uitgevoerd in deelgebied 5. Ook is er gekeken naar bebouwing op agrarische gronden. Bij deze inventarisaties is beoordeeld of de feitelijke situatie overeenkomt met wat het vigerende bestemmingsplan toestaat. Daarbij zijn diverse strijdigheden aan het licht gekomen, variërend in omvang en soort. Daarnaast is aan bewoners en ondernemers gevraagd of zij nog concrete toekomstplannen hebben op de locatie die relevant zijn voor het nieuw op te stellen omgevingsplan.

2.2 Systematiek De inventarisaties van de bedrijfspercelen zijn uitgevoerd door de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant. Het betreft zowel agrarische als niet-agrarische bedrijven en ook de horeca-, recreatie- en maatschappelijke functies. Bij 33 van de 73 bedrijfspercelen zijn situaties geconstateerd die niet in overeenstemming zijn met het geldende planologische regime voor het gebruik en/of de bouwmogelijkheden voor de gronden. Op de overige 40 bedrijfspercelen zijn geen strijdigheden geconstateerd. De inventarisaties van de woonfuncties zijn uitgevoerd door adviesbureau Ordito in opdracht van de gemeente Someren. Bij 96 woonfuncties is er sprake van strijdigheden met de geldende ruimtelijke regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bij de overige 48 woonfuncties zijn geen strijdigheden geconstateerd.

2.3 Proces en participatie 2.3.1 Keukentafelgesprek: locatieniveau Door middel van een bureaustudie is nader onderzoek gedaan naar het vigerende bestemmingsplan, in het verleden verleende bouw- en gebruiksvergunningen, de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen en luchtfoto’s op perceelsniveau. Vervolgens is getoetst of legalisatiemogelijkheden van de strijdige situatie en/of de aangeleverde toekomstplannen passend zijn binnen het beleid voor het buitengebied. In de aanloop naar het ontwerp omgevingsplan zijn keukentafelgesprekken gevoerd met de eigenaren van percelen in deelgebied 5 om te bespreken welke strijdigheden zich voordoen, welke oplossingen hiervoor zijn en of er nog eventuele nieuwe plannen zijn. Aan de hand van bureauonderzoek en de uitgevoerde inventarisaties zijn rapporten opgesteld die dienen als basis voor deze gesprekken. 10

Niet voor alle locaties heeft een keukentafelgesprek plaatsgevonden. De eigenaren van locaties waar geen strijdigheden zijn geconstateerd, of waar de strijdigheden van eenvoudige aard waren, hebben een brief ontvangen. In enkele gevallen heeft er naar aanleiding van de brief alsnog een gesprek plaatsgevonden. De keukentafelgesprekken zijn uitgevoerd met een participerende achtergrond vanuit de gemeente, doordat de belangen en toekomstplannen van de eigenaren werden aangehoord. Op basis van de belangen en wensen van de eigenaren is het zaak om een passende oplossing te zoeken, nog voordat het omgevingsplan wordt opgesteld en/of vastgesteld. Deze vorm van participatie sluit aan op de omgevingswet.

2.3.2 Actualiseren op locatieniveau Volgend op de keukentafelgesprekken en brieven is per locatie uitgezocht welke legalisatiemogelijkheden er waren voor de strijdigheden. Dit heeft geleid tot een voorstel per functie over de mogelijkheden voor ontwikkeling, dan wel legalisatie binnen de spelregels van de ruimtelijke ordening. Dit heeft in alle gevallen geresulteerd in een aantal oplossingsmogelijkheden: 1. De strijdige situatie wordt door de eigenaar op de locatie opgelost. Overtollige bebouwing wordt bijvoorbeeld gesloopt, voorzieningen worden binnen het bouwvlak geplaatst of er wordt alsnog een vergunning aangevraagd. 2. Strijdige situaties die op te lossen zijn met een minimale wijziging behoeven geen uitgebreide ruimtelijke motivering. Deze wijzigingen worden door middel van een retrospectieve toets verantwoord en correct opgenomen in het omgevingsplan. 3. Voor situaties waar sprake is van een grotere ruimtelijke impact van de legalisatie worden door de eigenaren ruimtelijke motiveringen/toekomstplannen ingediend om zo het (beoogde) gebruik/bebouwing te verantwoorden op basis van een toets aan relevante weten regelgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening en milieu. 4.

Als er geen legalisatiemogelijkheden zijn of als eigenaren niet mee willen werken aan een oplossing wordt na inwerkingtreding van het omgevingsplan handhavend opgetreden tegen strijdig gebruik en strijdige bebouwing. Daar waar ontwikkeling of legalisatie geheel of gedeeltelijk tot de mogelijkheden behoort, is het resultaat hiervan opgenomen in dit omgevingsplan. Indien ontwikkeling of legalisatie niet mogelijk is gebleken of de eigenaren niet mee hebben willen werken aan de noodzakelijke acties en verplichtingen, is het uitgangspunt dat de gemeente het handhavingstraject in gang gaat zetten.

2.3.3 Omgevingsvisie: basis voor de uitvoering In het kader van de omgevingswet is participatie een belangrijk onderdeel. De omgevingswet verplicht gemeenten om inwoners actief te betrekken bij het opstellen en uitvoeren van beleid. Daarnaast pleit de Omgevingswet voor het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over beleidsvorming, een project of een activiteit. Parallel aan het opstellen van voorliggende wijziging omgevingsplan heeft de gemeente uitgebreide participatie gevoerd in het kader van de nieuwe omgevingsvisie. Deze visie is, zoals in de wet verankerd, gericht op het beleid voor de fysieke leefomgeving. En vormt voor de gemeente de grondslag om onder andere regels te stellen in het omgevingsplan. In principe moet het omgevingsplan uitvoering geven aan de doelen en ambities die in de omgevingsvisie zijn vastgelegd.

11

De participatie voor en de besluitvorming over de omgevingsvisie hebben er toe geleid dat er op dit moment nog geen aanleiding is voor de gemeente om haar beleid drastisch te moeten aanpassen. In ieder geval, de gemeenteraad heeft daar nog geen concrete andere invulling aan gegeven voor het buitengebied. De bestaande regels voldoen vooralsnog. Wel is geconstateerd dat heroverwegingen op korte termijn gemaakt zullen worden. En dat daar ook nieuwe regels voor de inrichting en het beheer van de fysieke leefomgeving uit kunnen voortkomen. De participatie die gevoerd is in het kader van de omgevingsvisie Someren moet ook gezien worden als participatie en informatiebron voor het opstellen van regels in het omgevingsplan. De omgevingsvisie is immers het kader waarop de regels van het omgevingsplan gebaseerd zouden moeten worden. Hoe een regel of omgevingsplan dan (juridisch en technisch) opgebouwd moet worden en eruit moet zien is geen onderwerp van participatie.

12

3 Gebiedsbeschrijving Someren is gelegen in de provincie Noord-Brabant, ten zuidoosten van Eindhoven. De gemeente Someren grenst aan de gemeenten Helmond, Asten, Cranendonk, Heeze-Leende, Nederweert en Geldrop-Mierlo. De gemeente Someren heeft een divers buitengebied, het bevat diverse omgevingskwaliteiten en er komen verschillende landschapstypes voor. Deelgebied 5 omvat een groot gedeelte van het noordelijke buitengebied en grenst aan de Provincialeweg, N266, A67 en het Natura 2000 gebied de Strabrechtse Heide en Beuven. In de omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000gebieden; de Groote Peel en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven.

3.1 Omgevingskwaliteiten in deelgebied 5 Deelgebied 5 van het buitengebied van de gemeente Someren is een divers gebied met verschillende landschapstypes. Bij ieder landschapstype zijn waardevolle elementen en structuren opgenomen, deze zijn vastgelegd in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022. Omgevingskwaliteiten duiden de kwaliteit van de ruimte aan, waarbij er rekening wordt gehouden met verschillende factoren die deze kwaliteit beïnvloeden. In het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 wordt Someren omschreven als een aantrekkelijk landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. Natuur, landschap, water, rust en ruimte staan hierin centraal waarbij het werken aan behoud, herstel en ontwikkeling van kwaliteiten van belang is. In het beeldkwaliteitsplan is een streefbeeld opgenomen, welke richtlijnen geeft voor een ontwikkeling die rekening houdt met behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aanwezige kwaliteiten.

FIGUUR 2. VERBEELDING LANDSCHAPSTYPES, BEELDKWALITEITSPLAN SOMEREN 2022

13

De verschillende landschapstypes zijn de basis voor een landschapsontwikkeling in Someren. Op basis van een grondige analyse van het landschap in Someren zijn er vijf verschillende landschapstypen aanwezig, waarvan er drie overwegend aanwezig zijn in deelgebied 5:   

Bos- en Heidegebied Beekdallandschap Kampenlandschap

3.1.1 Voorkomende functies en kwaliteiten in de landschappen In de drie voorkomende landschapstypen in deelgebied 5 komen verspreid allerlei functies voor die gekoppeld moeten worden aan de (mogelijk) aanwezige kwaliteiten en waarden in die gebieden. Hierbij zijn er in het tijdelijke deel van het omgevingsplan verschillende aanduidingen opgenomen die de gebieden (globaal) begrenzen en zijn er functieaanduidingen en zelfs (mede)bestemmingen opgenomen die regels stellen aan wat er binnen die aangeduide gebieden mag.

FIGUUR 3. UITSNEDE BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED SOMEREN, 2011.

Door de kleinschalige (ontginnings-)structuur van vooral het kampenlandschap en de fijnmazigheid van het beekdal, ontstaat hierdoor met name bij de twee genoemde landschapstypen een ‘lappendeken’ van gebiedsaanduidingen en bijbehorende regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In het bos- en heidegebied is dat veel minder het geval en is sprake van grotere samenhangende gebieden met dezelfde kwaliteiten. 14

In Figuur 3 is een uitsnede uit het bestemmingsplan Buitengebied Someren (2011) opgenomen. Daarin is deze lappendeken met aanduidingen (en omgevingskwaliteiten) goed waar te nemen is. Nog beter is dat waar te nemen in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor de exacte indelingen en aanwezige kwaliteiten wordt verwezen naar het gemeentelijke Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 en de voormalige bestemmingsplannen.

3.1.2 Bos- en Heidegebied Dit landschapstype kenmerkt zich door de uitgestrekte natte en droge heidegebieden met een aantal vennen in de bosgebieden. In deelgebied 5 is dit landschapstype voornamelijk aanwezig in en rondom het natuurgebied de Strabrechtse Heide en Beuven. Daarnaast zijn er hydrologische waarden aanwezig binnen dit landschapstype. De gebieden met de functieaanduiding ‘hydrologisch waardevol’ hebben waarden die in verband staan met een specifieke waterhuishoudkundige situatie met daaraan verbonden organismen en leefgemeenschappen. De functies die binnen de hydrologische waarden vallen in het bos- en heidegebied, zijn in de volgende tabel opgenomen: Functie Natuur

Aangeduide waarden in tijdelijk deel omgevingsplan  Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van bos multifunctioneel bos’  Gebiedsaanwijzing ‘archeologisch waardevol gebied’  Gebiedsaanwijzing ‘ecologisch waardevol gebied’

‘Agrarisch grondgebruik’ met gebiedsaanwijzing ‘Abiotische waarden’

 

Gebiedsaanwijzingen ‘aardekundig waardevol gebied’ Gebiedsaanwijzingen ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’

Water

 

Gebiedsaanwijzing ‘ecologisch waardevol gebied’ Zoekgebied EVZ

TABEL 3. AANWEZIGE FUNCTIES BINNEN HYDROLOGISCH WAARDEVOL GEBIED, BOS- EN HEIDEGEBIED

Binnen het landschapstype is tevens de aanduiding Natura-2000 opgenomen en daarmee aangewezen als beschermd natuurmonument binnen de Europese Unie. De richtlijnen voor de reeds aanwezige habitat in het Natura-2000 gebied richt zich op het volgende: 1. Behoud van oppervlaktes en kwaliteit van stuifzandheiden, zandverstuivingen, zure vennen, vochtige heiden en droge heiden. 2. De uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van kwaliteit van zeer zwak gebufferde vennen en vochtige heiden. Binnen het gebied bevinden zich twee verschillende soorten vennen, de zure en zeer zwak gebufferde vennen. De richtlijn om de zeer zwak gebufferde vennen te verduurzamen in waterkwaliteit is nog niet gerealiseerd, de verbetering van kwaliteit en de uitbreiding van de omvang is gewenst. Daarnaast zijn er heidegebieden aanwezig: vochtige en droge heiden. Dit betreft vooral het Strabrechtse Heide gebied, waarbij het behouden van de omvang en verbetering van kwaliteit gewenst is. Als laatste zijn er zandgebieden (duinlandschap) aanwezig: de stuifzandheiden met struikhei en zandverstuivingen. Deze gebieden komen plaatselijk voor in begroeide en onbegroeide delen, waarbij het behouden van oppervlakte en kwaliteit gewenst is.

15

3.1.3 Beekdallandschap Dit landschapstype zijn beekdalen en broekgebieden, deze kenmerken zich door laaggelegen, nat en kleinschalig landschap. Het landschap heeft een open karakter. De beekdalen zijn gevoelig voor hoog water waardoor er weinig bebouwing is gerealiseerd binnen deze landschapstypen. Het beekdallandschap is voornamelijk aanwezig rondom de beekdalen in deelgebied 5, wat kan dienen als waterbergingsgebied/overstromingsgebied. Daarnaast zijn er hydrologische waarden aanwezig binnen dit landschapstype. De functies die vallen binnen de hydrologische waarden vallen in het beekdallandschap, zijn in de volgende tabel opgenomen: Functie Natuur

Aangeduide waarden in tijdelijk deel omgevingsplan  Archeologisch waardevol gebied  Waterstaat - Waterbergingsgebied

Agrarisch met waarden Natuurwaarden

 

Agrarisch met waarden Abiotische waarden

Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van bos multifunctioneel bos’ Archeologisch waardevol gebied

Functieaanduiding: ‘Specifieke vorm van waarde aardekundig waardevol’ Archeologisch waardevol gebied

Water

 

Archeologisch waardevol gebied Waterstaat - waterbergingsgebied

Verkeer

 

Archeologisch waardevol gebied Waterstaat - Waterbergingsgebied

TABEL 4. AANWEZIGE FUNCTIES BINNEN HYDROLOGISCH WAARDEVOL GEBIED, BEEKDALLANDSCHAP

Het doel is om deze landschapstypen te beschermen en te versterken. Het toevoegen van landschapselementen zoals boomgroepen, houtsingels of bomenrijen is van meerwaarde. Daarnaast is het realiseren van kleinschalige ecologische verbindingszones een doel. Dit kan gerealiseerd worden in de vorm van: oevers, poelen, bosjes en kruidenrijke vegetatie. Hermeandering en het verbreden of verlagen van waterlopen en kwelgebieden kan de ecologische en landschappelijke waarde verbeteren en sluit aan bij de klimaatadaptatie en biodiversiteit. De waterloop de Kleine Aa ligt in een nieuw te ontwikkelen ecologische verbindingszone (evz), wat betekent dat de beek mag gaan slingeren door het landbouwgebied. Dit sluit aan bij het doel om meer ruimte voor de rivier te creëren vanuit de provincie, zodat de hoogwaterveiligheidsaanpak duurzaam wordt gestimuleerd. De Kleine Aa ligt langs het natuurgebied De Oeterd, langs de Zuid-Willemsvaart. De Oeterd is een samenstelling van broekbossen, eiken-berken-elzenbossen en schraallandjes. De vochtige delen in het gebied zijn ontstaan door de overstromingen vanuit de kleine Aa. Het gebied heeft een functieaanduiding hydrologisch waardevol vanwege het waterbergingsgebied wat in dit gebied aanwezig is. Het is een reserveringsgebied voor overstromingen waardoor de wateroverlast in de toekomst aangepakt kan worden.

De Slievense loop is ook onderdeel van het beekdallandschap en is in het verleden aangelegd door de mens, het is geen natuurlijk watersysteem. Het vergroten van de afvoercapaciteit is gewenst in de 16

vorm van het verdiepen of verbreden van de watergang. Daarnaast is het vergroten van de duikers en het automatiseren en vergroten van de stuwen een wens voor de toekomst. Ook is er het toekomstperspectief om een gebied in te zetten als extra waterberging. Dit zijn maatregelen om wateroverlast in het landelijk gebied van Someren te verminderen en dienen dan ook nageleefd te worden.

3.1.4 Kampenlandschap Dit landschapstype kenmerkt zich door het agrarische landschap met afwisseling van groen en bebouwing. Het gebied kent waardevolle, oude akkergebieden die beschermd dienen te worden: de steilranden en bolle akkers. Het toevoegen van boomgroepen, houtsingels, boomgaarden, struweelhagen, solitaire bomen of bomenrijen, zullen de bestaande elementen in het gebied versterken. De kwaliteit van waterlopen en kwelgebieden kan worden versterkt met het doel om klimaatadaptatie en biodiversiteit te stimuleren. Ditzelfde geldt voor de ecologische verbindingszones voor de aanwezige flora en fauna. Het doel is om deze landschapstypen te beschermen en te versterken. Het toevoegen van landschapselementen zoals boomgroepen, houtsingels of bomenrijen is van meerwaarde. Daarnaast is het realiseren van kleinschalige ecologische verbindingszones een doel. De waterloop de Kleine Aa is een onderdeel van het kampenlandschap en kan dienen voor het versterken van de landschapselementen. Dit kan gerealiseerd worden in de vorm van: oevers, poelen, bosjes en kruidenrijke vegetatie.

3.2 Gebiedsinventarisatie uit plan-MER Deelgebied 5 Het Milieueffectrapportage (MER) is wettelijk verankerd in de Omgevingswet, en weergeeft per milieuthema de huidige situatie van een gebied en beschrijft de mogelijke autonome ontwikkelingen. Het MER brengt de milieugevolgen in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen om negatieve effecten te beperken of te voorkomen. Hiermee draagt het plan-MER ook bij aan de motivering en transparantie van de effecten op omgevingskwaliteiten. Het Plan-MER van de gemeente Someren voor deelgebied 5 is opgesteld binnen het beleidskader Milieu (augustus 2024) en is vastgelegd voor het opstellen van het omgevingsplan. Het Plan-MER is een instrument om weloverwogen keuzes en afwegingen te maken en brengt in kaart wat de huidige milieukundige situatie is in Someren. Het milieueffectonderzoek voor deelgebied 5 richt zich op milieuthema’s en beschrijven de effecten en maatregelen. Milieuthema Bodem

Huidige situatie volgens Plan-MER gemeente Someren In het gehele plangebied kunnen lichte tot matige verontreinigingen met lood en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) worden aangetroffen in de toplaag van de bodem. Daarnaast is de bodem op, onder en rondom (voormalige) bedrijfslocaties in veel gevallen verontreinigd geraakt door opslag, overslag, morsen, calamiteiten, maar ook door doelbewuste lozingen in het verleden. Ten aanzien van agrarische activiteiten gelden voorschriften vanuit onder andere het Activiteitenbesluit en het Besluit mestbassins milieubeheer, zoals het toepassen van vloeistofdichte vloeren, om bodemverontreiniging te voorkomen.

17

Luchtkwaliteit

De ontwikkelingen die worden geboden in het omgevingsplan hebben dan ook geen gevolgen voor de bodemkwaliteit ter plaatse. Het effect op de bodemkwaliteit als onderdeel van geomorfologie en bodem wordt als ‘neutraal’ beoordeeld. Van de fijn stof-emissies uit stallen wordt 96,5% veroorzaakt door emissies uit de stallen van de pluimveebedrijven. De WHO-2021 advieswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 wordt nu al overschreden en zal bij omschakeling naar pluimveehouderijen en intensivering van bestaande pluimveehouderijen extra worden overschreden. De trendmatige ontwikkeling van de veehouderij in Someren tussen 2000 en 2024 laat zien dat de emissie van fijn stof uit stallen van veehouderijen per saldo niet is gedaald, terwijl het aantal locaties en de emissie van ammoniak uit stallen wel sterk is afgenomen.

Geluidhinder

Geurhinder

Energie

Het planalternatief is beoordeeld als ‘licht negatief’ vanwege het feit dat een toename van de fijn stof-emissies bij intensivering binnen de bouwvlakken, vooral bij pluimveebedrijven, binnen het ammoniakemissieplafond, mogelijk is. In het omgevingsplan is Geluid direct afkomstig van de agrarische bedrijven gereguleerd en valt onder de noemer industrielawaai. Een aantal bedrijven ligt in de autonome situatie op ruime afstand van geluidgevoelige functies. Omdat er geen bedrijfsverplaatsingen zijn voorzien, zijn er dus geen effecten te verwachten voor het aspect geluid. Voor eventuele bedrijfsuitbreidingen blijven in principe dezelfde geluidgrenswaarden van toepassing. Uit de verkeersparagraaf blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen door toedoen van het nieuwe omgevingsplan naar verwachting niet merkbaar zal zijn met betrekking tot de hinderbeleving vanuit het wegverkeerslawaai. Het effect voor geluid is als ‘neutraal’ beoordeeld. Op basis van de worst case (maximale benutting van de bij recht toegekende bouwvlakken) en de mogelijkheid dat veehouderijen omschakelen naar een varkens- of pluimveehouderij, is er de kans op een toename van de geuremissies uit stallen van veehouderijen, de geurbelasting voor omliggende woningen en de kans op hinder door geur.

De provinciale normen ten aanzien van de achtergrondbelasting voorkomen extra toename boven een achtergrondbelasting van 20 odour units per kubieke meter lucht (OU E/m³) en zorgen dat er bij bestaande overschrijdingen van die waarde bij (door)ontwikkeling van intensieve veehouderijen een afname van geurbelasting moet plaatsvinden. Het planalternatief is beoordeeld als ‘licht negatief’ vanwege het feit dat een toename van de geuremissies en de geurbelasting voor omliggende woningen bij intensivering binnen de bouwvlakken, vooral bij varkens- pluimveebedrijven, binnen het ammoniakemissieplafond, mogelijk is. Verduurzaming vindt plaats op kleine schaal bijvoorbeeld in de vorm van zonnepanelen. De gemeente Someren als geheel heeft concrete ambities op het gebied van duurzame energie. De CO2-uitstoot jaarlijks met 2% verlagen en in 2050 energieneutraal zijn. Via het gemeentelijke ambitiedocument Someren 18

Natuurlijk Duurzaam en het programma Onweerstaanbaar Someren wil de gemeente invulling geven aan CO2-reductie en invulling geven aan energietransitie en klimaatadaptatie.

Natuur

In het specifieke omgevingsplan deelgebied 5 zijn echter geen duidelijke uitgangspunten en randvoorwaarden met betrekking tot duurzame energie opgenomen. De beoordeling voor het effect van het plan in het buitengebied Deelgebied 5 op het aspect energie is licht ‘negatief’. De bescherming van Natura 2000-gebieden is uitvoerbaar. Via de stikstofgebruiksregel en de naleving ervan zal er geen sprake kunnen zijn op significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden in de directe omgeving. De stikstofemissie van veehouderijen is op basis van het planalternatief is hoger dan op basis van de MER-referentie. Er is een sterke afname van de emissie van stikstof nodig om te voldoen aan de doelen en de effecten op Natura-2000 gebieden te reduceren en is daarom als ‘negatief’ beoordeeld.

Waterkwaliteit

Klimaat

De natuur- en landschapswaarden zijn vastgelegd in de Omgevingsplanregels en het is te verwachten dat er op basis van de randvoorwaarden, de doelstellingen worden behaald. Het effect op NNN-gebieden is als ‘neutraal’ beoordeeld vanwege het niet voorzien van een netto toename of afname van deze gebieden. De bescherming van beschermde soorten is beoordeeld als ‘neutraal’ omdat er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan aan de orde zijn. In het plangebied wordt niet voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. De Vleutloop, Peelrijt en de Kleine Aa zijn beschermd onder de Kaderrichtlijn water en worden als zodanig beschermd en periodiek beheerd. Er vindt geen uitstoot plaats van (mest-)stoffen naar het oppervlakte- en grondwater, mede door het gebruik van vloeistofdichte vloeren bij uitbreiding van bestaande bedrijven. Per saldo zal de (grond)waterkwaliteit dus niet verslechteren door toedoen van verzurende stoffen. Het effect op waterkwaliteit is daarom neutraal. Verdere verdichting van bestaande bouwvlakken is mogelijk en draagt daardoor bij aan hittestress. Echter, dit effect is in het buitengebied vrijwel te verwaarlozen. De beoordeling is ‘neutraal’. Het plan maakt verdere verdichting van agrarische bouwvlakken mogelijk.

De grondwaterstanden in de zomer kunnen verder uitzakken wanneer hemelwater niet ten goede komt aan grondwateraanvulling. Dit kan verder doorwerken in verdroging van vegetatie zoals op grasland. Dit is een licht ‘negatief effect’. Met het plan zijn uitbreidingen binnen bouwvlak mogelijk die eventueel leiden tot extra verharding. Door de eisen voor waterberging zouden deze niet tot extra wateroverlast mogen leiden. De wateroverlastproblemen treden vooral op in bebouwd gebied. De beoordeling is ‘neutraal’. Onder de naam van ‘Onweerstaanbaar Someren’ is in deelgebied 5 in een project 19

Ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit

gewerkt aan het tegengaan van droogte, hittestress en wateroverlast. Daarom is gekozen het effect van klimaatrobuustheid op dit aspect als ‘neutraal’ te benoemen. In deelgebied 5 geldt dat uitbreiding van bouwvlakken kan leiden tot verdere verstening van het landschap, maar dat de gestelde kwaliteitseisen anderzijds leiden tot het versterken van de landschappelijke structuur en karakteristiek. Onder de streep leidt dit tot een ‘neutraal effect’.

Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is in het omgevingsplan deelgebied 5 van Someren niet mogelijk. De landschappelijke inpassing is binnen de bestaande percelen geborgd en er zijn afwegingscriteria in het omgevingsplan geformuleerd voor vergunningaanvraag van activiteiten met een mogelijk effect op de landschappelijke waarden. Vanwege deze borging in het omgevingsplan en de relatie met het Beeldkwaliteitsplan leidt dit tot een ‘neutraal effect’ op het onderdeel landschap. TABEL 5. PLAN-MER UITKOMSTEN VOOR BUITENGEBIED SOMEREN, DEELGEBIED 5

3.3 Bestaande functies deelgebied 5 Deelgebied 5 van het buitengebied kan grofweg worden verdeeld in drie delen. Deze verschillende (min of meer samenhangeden onderdelen zijn ook terug te vinden in de opbouw van de regels van het omgevingsplan; hoofdstuk 4 – de gebiedstypen.

20

FIGUUR 4. GEBIEDSTYPEN IN DEELGEBIED 5

3.3.1 Natuurnetwerk: gebiedstype Natuur In het westen van deelgebied 5 is een groot en samenhangend natuurgebied aanwezig. Bossen, natte natuur, heidegronden en vergelijkbare ‘groene omgevingen’ zorgen voor een hoge ecologische waarde en logischerwijs ook een beschermde status van dit gebied op provinciaal en zelfs landelijk niveau door aanwijzing als Natuurnetwerk Nederland (en Brabant). Aangrenzend aan en op korte afstand van die NNB liggen ook nog verspreid enkele kleinere gebieden die gekenmerkt kunnen worden als stapstenen van natuurelementen in het landelijke natuurnetwerk. In het nieuwe omgevingsplan wordt het grotere samenhangende gebied aangewezen als ‘Natuur’. Binnen deze gebiedsaanwijzing komen echter ook nog heel andere functies voor. Maar in veel mindere mate gemengd dan het landelijke gebied dat hierna wordt beschreven. Het primaat ligt op natuurfuncties en -kwaliteiten. Zowel nat als droog. Ondergeschikt aan dergelijke functies bestaan er echter ook andere functies in het gebied. Daaronder begrepen recreatieve functies, inclusief verblijfsrecreatie, wonen, agrarische bedrijven en (minder intensief) agrarisch grondgebruik, (ondergeschikte) horeca en maatschappelijke functies.

3.3.2 Gebiedstype gemengd landelijk gebied Het oostelijke deel van deelgebied 5 wordt omschreven als een gemengd landelijk gebied. Er is een hoge mate van functiemenging in dit gebied, zonder dat er echt sprake is van een dominante of veel voorkomende functie. Van oudsher is het een agrarische gebied, maar er heeft in veel minder mate

21

een schaalvergroting plaatsgevonden dan in de primaire agrarische gebieden. Vaak door de historische structuur en de relatieve kleinschaligheid van het gebied. Binnen dit gebied komen dus allerlei functies voor. Zelfs grotere en zwaardere bedrijfsfuncties die in dit gebied wellicht niet helemaal (meer) passend zijn of functies die niet zo goed heel dicht naast elkaar kunnen functioneren. Dit kunnen ook functies zijn die elkaar beperken of hinder geven. Hierbij hecht de gemeente echter waarde aan de bestaande situatie en daarbij opgebouwde ‘rechten’ en verwachtingen die de gebruikers en eigenaren zou kunnen, en wellicht ook mogen, hebben. In het merendeel van gevallen zijn immers de situaties al lange tijd zo en heeft natuurlijke ontwikkeling van die functies geleid tot de huidige situatie. Hoogstens in voorkomende gevallen waar de belangen echt strijdig met elkaar zijn en er illegale situaties zijn ontstaan, zal de gemeente de overweging betrekken om de situatie op locatieniveau goed te regelen. Echter, zoals uit de aanpak voor deelgebied 1 tot en met het voorliggende deelgebied 5 reeds is gebleken, is de gemeente Someren bereid om de keuze voor te leggen aan de eigenaar/gebruiker. Dit om tot een bepaalde omvang te kunnen legaliseren, en daarvoor ook de verplichtingen na te komen, of terug te moeten gaan naar een situatie binnen wat mag.

Dat laatste dan eventueel via het handhavingsspoor. Deze processen spelen zich doorgaans vooral binnen dit ‘gemengd landelijk gebied’ af.

3.3.3 Lierop: gebiedstype landelijke dorpskern Tot slot ligt ingesloten in deelgebied 5 de dorpskern Lierop. Hoewel deze dorpskern geen onderdeel is van de eerste wijziging van het omgevingsplan, ligt er wel een relatie in de fysieke leefomgeving. Waardoor onder andere de specifieke woonfuncties rondom de dorpskern dominant worden. Veelal aangeduid als een ‘kernrandzone’ waar ook bebouwing in een hogere intensiteit aanwezig is of ontstaat in deze kernranden. Dat is expliciet ook in Lierop, met name aan de zuidzijde van de kern (kernrand) en aan de oostzijde van de kern (historisch dorpslint Laan ten Boomen) het geval.

22

4 Beleidskaders Bij een goede belangenafweging moet altijd duidelijk zijn waar welke functie is, waarom die functie nodig is (nut en noodzaak) en waarom deze nu juist op die plek is gelegen. Het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap hebben in de loop der jaren diverse beleidsstukken en regels opgesteld die mede het ruimtelijke beleid voor een regio bepalen. Deze stukken geven de uitgangspunten en kaders voor het omgevingsplan van deelgebied 5.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 De omgevingsvisie: NOVI Het rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving is op een hoog abstractieniveau vastgelegd in allereerst de nationale omgevingsvisie; de NOVI. Daarnaast kent het rijk nog allerlei sectorale en specifieke beleidsdocumenten, visies en programma’s, maar deze vallen niet onder de bindende kaders uit de omgevingswet. Ook hebben deze geen rechtstreekse juridische relatie met het gemeentelijke beleid of het omgevingsplan. Voorbeeld is het programma “Mooi Nederland” welke wel een plaats zal krijgen in de aankomende aanpassing van de NOVI. De vraag is daarbij nog steeds in hoeverre het rijk bepaalde nationale belangen gaat aanwijzen. In dit kader is van belang dat de omgevingswet nadrukkelijk beoogt om de bevoegdheden voor het gebruik en de inrichting van de fysieke leefomgeving aan het laagste overheidsniveau, de gemeenten, te laten. Alleen voor die onderwerpen of gebieden waar een landelijk belang aan de orde is, kan het rijk bepalen dat het rijk de bevoegdheid zelf heeft of aan een specifieke andere partij toedeelt. Zoals de provincie of het waterschap. Zo’n nationaal belang moet dan wel concreet benoemd en aangeduid zijn in de nationale omgevingsvisie. Daarnaast zijn er per definitie enkele nationale belangen en bevoegdheden opgenomen in de omgevingswet en de daarbij behorende besluiten zelf.

Deze zijn met name verwoord in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevatten regels over de leefomgeving in het nationale belang. Deze regels werken echter direct voor iedereen en hebben verder geen relatie met de inhoud van het omgevingsplan. De gemeente kan daar verder niets van vinden of over beslissen.

4.1.2 Instructieregels: Besluit kwaliteit leefomgeving Voor het juridisch borgen van de nationale belangen heeft het rijk in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regels opgenomen die gemeenten moeten opvolgen als de gemeente een omgevingsplan gaat maken. Deze staan in Hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit het Bkl. Gemeenten moeten deze instructieregels nemen bij omgevingsplannen en andere besluiten over de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld ook bij de zogenaamde BOPA’s (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Het grootste deel van deze instructieregels gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Over de volgende onderwerpen met een nationaal belang (uit de NOVI) zijn instructieregels gegeven en moet de gemeente opvolgen bij het formuleren van de regels in het omgevingsplan: 1. Algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1, Bkl); 23

2. 3. 4. 5.

Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2, Bkl); Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3, Bkl); Beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Klik hier voor uitleg over dit begrip (paragraaf 5.1.5, Bkl); 6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6, Bkl); 7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7, Bkl); 8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8, Bkl).

4.1.3 Bruidsschat: regels met betrekking tot het Bkl In het voorliggende omgevingsplan zijn geen nieuwe regels opgenomen of regels gewijzigd die concreet betrekking hebben op bovengenoemde onderwerpen en nationale belangen. De relevante regels die hierover gaan zijn van rechtswege aan de gemeente overgedragen via de zogenaamde ‘Bruidsschat’. Sinds de inwerkingtreding van de omgevingswet staan deze regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Hier zijn geen wijzigingen in aangebracht bij het besluit. In de artikelsgewijze toelichting op de regels zijn ook de bruidsschatregels uit hoofdstuk 22 toegelicht. In die toelichting wordt bij het betreffende artikel ook verwezen naar de relevanter artikelen uit het Bkl.

4.1.4 Deelconclusie rijksbeleid Geconcludeerd mag worden dat er geen nieuwe of gewijzigde regels in het omgevingsplan zijn opgenomen ten aanzien van de nationale belangen van het rijk en de instructieregels daarvoor uit het Bkl. De bestaande (bruidsschat)regels blijven onveranderd en daarmee wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl.

4.2 Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant is gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie en uiteindelijk de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De kaders uit deze visie en de verordening geven richting aan het provinciaal beleid. Het geeft ook sturing en instructies aan het beleid dat gemeenten kunnen en mogen voeren.

4.2.1 De omgevingsvisie Brabant Net zoals het rijk haar belangen beschrijft en verankerd in de nationale omgevingsvisie, heeft ook de provincie een omgevingsvisie om haar belangen en onderwerpen te beschrijven. Ook hiervoor geldt dat de belangen in de omgevingsvisie moeten zijn opgenomen om in het meer bindende instrument van de omgevingsverordening regels te kunnen stellen. Bijvoorbeeld voor gemeenten die een omgevingsplan willen opstellen. De omgevingsvisie zelf is niet bindend voor het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan. Wel bevat de omgevingsvisie de grondslagen voor de regels uit de verordening van de provincie die wel bindend kunnen zijn. Er gaat dus een indirecte werking uit van de provinciale omgevingsvisie. En de omgevingsvisie geeft een veel concreter en duidelijker beeld 24

vanuit de provincie wat er in welke gebieden, ook op gemeentelijk niveau, wel of niet mogelijk is in de fysieke leefomgeving. Om die reden wordt in deze motivatie op hoofdlijnen gemotiveerd in hoeverre het omgevingsplan aansluit bij de ambities en doelen uit de provinciale omgevingsvisie. De Omgevingsvisie bevat geen concrete of sectorale beleidsdoelen. Deze concrete doelen staan nog steeds in bestaande sectorale beleidsdocumenten. 4.2.1.1 Inhoud van de omgevingsvisie Brabant In de omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant - Visie op de Brabantse leefomgeving’ (2018) beschrijft de provincie onder meer de kernwaarden van de provincie en de opgaven voor de toekomst. Op basis van die kernwaarden en opgaven wil de provincie handelen als het gaat om de inrichting van en het gebruik van fysieke leefomgeving in Noord-Brabant. Ook wil ze voor bepaalde onderwerpen regels stellen die de partners in en gebruikers van de fysieke leefomgeving de juiste richting op moeten sturen. Door handelingen uit te sluiten, te beperken of soms juist door te stimuleren. Zo wil de provincie grip houden op de Brabants leefomgeving. In de omgevingsvisie benoemt de provincie ook de rollen van de gemeenten en haarzelf. Uitgangspunt hierbij is dat de gemeenten ‘de eerste overheid’ zijn: “de gemeente is de eerstverantwoordelijke waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving.

Bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk weggelegd.” Echter, er zijn alsnog onderwerpen en gebieden waar de gemeente niet de eerstaangewezen instantie is om alle bevoegdheden te hebben: “Anderzijds zijn er zaken die het schaalniveau van een gemeente te boven gaan en hebben provincies vanuit de wet specifieke taken en bevoegdheden.” Hiertoe kan de provincie doelen en ambities stellen en instrumenten gebruiken om die na te streven. Een van die instrumenten is de omgevingsverordening. Daarin kan de provincie regels stellen om die kernwaarden uit de visie te beschermen en om ambities uit de visie te realiseren. De volgende kernwaarden stelt de provincie centraal in hoofdstuk 5 van de provinciale omgevingsvisie. De provincie gaat voor: 1. 2. 3. 4. 5.

Meerwaarde-creatie (paragraaf 5.1) Technische én sociale innovatie (paragraaf 5.2) Kwaliteit boven kwantiteit (paragraaf 5.3) Steeds beter (paragraaf 5.4) Proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel (paragraaf 5.5)

Daarnaast geeft de provincie in hoofdstuk 6 van haar omgevingsvisie de hoofdopgaven voor de provinciale fysieke leefomgeving. Deze zijn gebaseerd op meer algemene doelen uit de omgevingswet: veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit (paragraaf 6.2). Dat is de basisopgave voor de fysieke leefomgeving in Brabant. En dit wil de provincie in principe doen door toepassing te geven aan de lagenbenadering. De lagenbenadering is tevens opgenomen als instructieregel in de omgevingsverordening.

25

FIGUUR 5. PROVINCIALE AANPAK VOOR DE LEEFOMGEVING: DIEP, ROND EN BREED KIJKEN.

4.2.1.2 Ondergrond In de ondergrond speelt het beschermen van de waterwinning en het vitaal maken van de bodem een belangrijke rol. Ook de waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater, mede om de ecologische waarden, is van provinciaal belang. Hiervoor worden regels gesteld en wordt de samenwerking opgezocht. Voor de hele provincie wil men ook voorkomende aardkundige en archeologische waarden (erfgoed) beschermen en waar mogelijk versterken. 4.2.1.3 Netwerklaag De provincie wijst de wezenlijke landschappelijke waarden aan en geven richting aan de manier hoe de hoofdopgaven in die landschappen kunnen landen. Met meerwaardecreatie moet dit leiden tot versterking van een basiskwaliteit en versterking van de omgevingskwaliteit en identiteit van Brabant. Landschappen kunnen per gebied verschillen. Ook de cultuurhistorisch waardevolle gebieden, landschappen en objecten krijgen bescherming en waar mogelijk wordt gestreefd naar behoud en versterking. Dit geldt ook voor historisch waardevolle gebieden en complexen en beeldbepalende objecten. Nieuwe functies kunnen afgewogen worden. De NNB zal worden afgerond en blijft beschermd als robuuste natuureenheid. In Natura 2000gebieden staat hertstel voorop. 4.2.1.4 Bovenlaag Leefgebieden voor specifieke soorten blijft een doelstelling, net als biodiversiteit. Landbouw die zich hierop toespitst wordt gestimuleerd.

Nieuw gebruik van ruimte moet gepaard gaan met meerwaardecreatie vanuit ‘diep, rond en breed kijken’: er wordt kwaliteit toegevoegd aan de plek. Aanpak van de leegstand van bebouwd gebied wordt met nieuwe mogelijkheden verder doorontwikkeld. Integrale aanpak wordt daarbij ondersteund. De provincie wil ook maximaal inzetten op reductie van emissies van stikstof, fosfaat en overige stoffen die de kwaliteit van natuurgebieden aantast. Emissies vanuit bedrijven, bemesting en verkeer 26

moet naar beneden. Ook voor de luchtkwaliteit, beperking van geurhinder en beperking van depositie van stoffen in natuurgebieden. 4.2.1.5 Vier hoofdopgaven Naast deze basisopgave heeft de omgevingsvisie nog 4 samenhangende hoofdopgaven geformuleerd. Hierin zijn ook provinciale belangen beschreven: 1. 2. 3. 4.

Werken aan de Brabantse energietransitie (paragraaf 6.3) Werken aan een klimaatproof Brabant (paragraaf 6.4) Werken aan de slimme netwerkstad (paragraaf 6.5) Werken aan een concurrerende, duurzame economie (paragraaf 6.6)

Het gaat om grote maatschappelijke opgaven die vanuit de basis met elkaar zijn verbonden. Urgente opgaven die raken aan de essentie van de omgevingsvisie. Hiervoor zijn alle partijen nodig. De provincie zelf stelt menskracht en middelen ter beschikking, maar gebruikt ook haar bestaande wettelijke en andere instrumenten. De vier hoofdopgaven zijn belangrijk voor heel Brabant, maar kunnen van regio tot regio wel verschillen. Daarom is een gebiedspecifieke benadering nodig. Deels is dat vertaald in gebiedsgerichte regels in de omgevingsverordeningen. Deels zal die gebiedsgerichte aanpak vooral ook door samenwerking tot stand moeten komen.

4.2.2 Omgevingsverordening Brabant De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. Met de Brabantse omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ hebben Provinciale Staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe ze daaraan willen werken. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie. Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang. Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen:     

meerwaardecreatie technische en sociale innovatie kwaliteit boven kwantiteit een continue verbetering van de leefomgeving proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel

Om uitvoering te geven aan de visie heeft de provincie verschillende instrumenten tot haar beschikking. De omgevingsverordening is daarbij slechts één van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen en ambities te realiseren. De omgevingsverordening bevat de spelregels en randvoorwaarden met een bindende werking voor het handelen van burgers en bedrijven, gemeenten en waterschappen. In de omgevingsverordening zijn diverse provinciale belangen beschreven die ook in Someren voorkomen en waarvoor de provincie regels heeft gesteld. In deze paragraaf wordt een verantwoording over die provinciale (instructie)regels gegeven. 27

4.2.2.1 Algemeen Het kerngebied natuur en water bestaat uit het Natuur Netwerk Brabant (NNB) inclusief de ecologische verbindingszone en waterstructuren. De NNB en de ecologische waarden en kenmerken die hierbij horen, dienen te worden behouden, hersteld of duurzaam ontwikkeld. De aanwezigheid van omgevingskwaliteiten hebben de basis gevormd voor het indelen van het deelgebied in de diverse functies en gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen voor het behouden, beschermen of versterken van omgevingskwaliteiten worden in het omgevingsplan van deelgebied 5 opgenomen. De instructieregels vanuit de omgevingsverordening zijn – voor zover relevant voor deze eerste wijziging van het omgevingsplan – verwerkt om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In de omgevingsverordening zijn hiervoor enkel basisprincipes opgenomen als algemene instructieregels voor het evenwichtig toedelen van functies in het omgevingsplan. Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een omgeving die veilig is, gezond is en van goede omgevingskwaliteit is. Als regel geldt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Dit betekent dat er eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. Nieuw ruimtebeslag wordt hierin zo veel mogelijk voorkomen.

Hierop aansluitend geldt het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarbij is het van belang dat de kwaliteitsverbetering moet passen in het betreffende gebied (de aanwezige waarden) en de doelen en ambities die voor dat gebied gelden. De regels die daarvoor in Someren zijn opgenomen hebben dan ook in eerste instantie betrekking op de doelen en ambities uit het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 van Someren. Daarnaast zijn er regels in de omgevingsverordening opgenomen, en overgenomen in het omgevingsplan, die de doelen en ambities in aangaande waardevolle gebieden van de provincie ook borgen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om ecologische verbindingszones, gebieden met groenblauwe waarden, archeologisch waardevolle gebieden. Bij een ontwikkeling van grotere omvang dient er een ruimtelijke motivering te worden opgesteld waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Deze ontwikkelingsrichtingen worden enerzijds bepaald door de geldende doelen en ambities, anderzijds door de aanwezige waarden. Zowel van de provincie (via de instructieregels en aangewezen gebiedswaarden) als van de gemeente zelf via de omgevingsvisie en in Someren ook het beeldkwaliteitsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15608614/3