Bijlage Aanvullende notitie MER
Tekst van het document
25/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Het effect is daarmee positief als het gaat om negatieve effecten op het milieu door de veehouderij. Dit bezien ten opzichte van het geldende planologische regiem. 4. 1. 2. 2 Paardenhouderijen In het wijzigingsbesluit zijn verschillende locaties van ‘Agrarisch bedrijf’ omgezet naar ‘Paardenhouderij’ door opname van een specifieke functie op die locaties. Deze paardenhouderijen zijn onderdeel van de functie ‘Veehouderij’ en daardoor aan strikte regels gebonden. Uitbreiding is niet zonder omgevingsvergunning mogelijk waarbij voldaan moet worden aan de provinciale regels uit de omgevingsverordening. Het omschakelen naar een andere vorm van veehouderij is verboden op basis van deze omgevingsverordening aangezien daar een nieuwvestigingsverbod is opgenomen voor veehouderijen. De omgevingsverordening ziet paardenhouderijen immers niet als onderdeel van de veehouderij. Het wijzigingsbesluit regelt enkel dat de bestaande paardenhouderijen bestemd blijven of nu als paardenhouderij worden opgenomen op basis van de bestaande en vergunde situatie. Enkel de vestiging van de paardenhouderij aan Houtbroekstraat 9 is een nieuwvestiging van een paardenhouderij (hier wordt een aparte mer-beoordeling opgesteld). De overige locaties waren al bestaande paardenhouderijen en komen veelal voort uit een agrarisch bedrijf met in het verleden meerdere bedrijfstakken en zijn van (rechtswege) vergund.
Binnen de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn nog beperkt ontwikkelingen mogelijk voor bijvoorbeeld extra bedrijfsbebouwing of voorzieningen. Uitbreiding van het gebouwerf is echt niet mogelijk. ,
Het wijzigingsbesluit sluit negatieve effecten voor het milieu door ontwikkeling van de bestaande paardenhouderijen op basis van de planologische mogelijkheden niet uit. Deze effecten staan de functie ter plaatse van deze locaties echter niet in de weg. Deels zijn deze negatieve effecten m. n. stikstofdepositie en fijnstof niet in het omgevingsplan te reguleren of moeten die nog worden gereguleerd in een later wijzigingsbesluit. ,
,
4. 1. 2. 3 Agrarisch grondgebruik De regels binnen ‘agrarisch gebied’ maken het al dan niet bedrijfsmatig gebruiken van gronden of gebouwen voor het telen van gewassen of het houden van landbouwdieren rechtsreeks mogelijk. Locaties met de functie ‘Agrarisch grondgebruik’ zijn bedoeld voor agrarische doeleinden inclusief tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en daarmee samenhangende activiteiten. Daaronder zijn ook begrepen bijbehorende en ondergeschikte voorzieningen zoals: ,
,
,
a.
b. c.
d. e.
water zoals sloten greppels (infiltratie)vijvers kanalen beken en andere waterlopen; allerlei vormen van beplanting en groen zoals bomen struiken en planten; landschapselementen zoals een houtwal of een bomenlaan; extensief recreatief medegebruik; voorzieningen van openbaar nut. ,
,
,
,
,
,
,
,
26/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Voor de meeste toegestane activiteiten geldt geen vergunningplicht tenzij er sprake is van bepaalde waarden of kwaliteiten. Dan kan een toestemming nodig zijn maar die is niet nodig voor het agrarisch gebruiken van de gronden. Het bouwen op deze gronden is uitgesloten. Het anders gebruiken van de gronden voor een andere functie is uitgesloten. Dat wil zeggen dat een ander agrarisch gebruik wel toegelaten is. De gronden kunnen dus zonder een toestemming worden ingezet voor bijvoorbeeld intensieve teelt van gewassen waarbij sprake kan zijn van beregening teeltondersteunende voorzieningen (al dan niet met vergunning) bemesting of andere activiteiten die effecten op het milieu kunnen hebben. Van belang is dat voor de verandering in activiteiten een regeling is opgenomen in het omgevingsplan die toename van stikstof verbiedt. In onderstaande tabel zijn enkele activiteiten in kwalitatieve zin beoordeeld voor de mogelijke effecten voor het milieu uitgaand van een aanzienlijke toename van die activiteiten. Hierbij is de beoordeling bekeken voor de onderstaande omgevingsaspecten. ,
,
,
,
,
Activiteit
n e
Effect op het omgevingsaspect
n e dn ro
gg len
e dn e n u tesr e dn tloe e
a a n e gn in iezr o o v
T
gn n e n e ge r e
a v n tes e m e
B
B
ki u r be gf it e a
n l ee
n a v lte te ev ies n tn
dd im n e ss a e
s gn i
n e
j dit r s
iku r be g
ew g B
I
e
er c er
fe is n
t ex E
n er ie
dn
gn li e kk iw tn o s
W
pa n hc ere s dn ilsa a L er
a v n e di e
Bodem
0/-
-
-
--
-
+/0
-
+
Cultuurhistorie en archeologie
-
0
0
0/-
0
0
+/0
++
Energie
0
0
0
-
0
+
0
+
Geluid
0
0
0
0
0
0
0
0
Geur
0
0
-
0
0
+
+/0
+/0
-
-
-
-
-
+/0
0
+
Klimaat en duurzaamheid
0/-
0/-
-
-
-
+
0
+/0
Landschap
--
0
0
0/-
0
+/0
+
++
Natuur
-
-
-
0/-
-
+
0/-
+
Stikstofdepositie
0
0
0
0
0
0
0
0
Grond-
en oppervlaktewater
Geconcludeerd moet worden dat de rechtstreekse gebruiksmogelijkheden al dan niet met een toestemming binnen het nieuwe omgevingsplan enerzijds kunnen leiden tot negatieve effecten ,
,
27/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
het milieu en anderzijds tot een positieve bijdrage voor het milieu. De algemene overweging die de gemeente daarbij mede heeft gemaakt is dat er in deze eerste wijziging van het omgevingsplan nog geen nieuwe regels worden opgenomen voor nieuwe thema’s voor de leefomgeving en dat de bestaande regels uit de bestemmingsplannen worden gerespecteerd en verhuisd naar het omgevingsplan. Zowel de negatieve als de positieve effecten voor het milieu veranderen niet door deze wijziging van het omgevingsplan ten opzichte van het geldende planologische kader. De feitelijke effecten zullen pas ontstaan als de activiteiten daadwerkelijk worden uitgevoerd. Hierbij is van belang dat voor veel van de bovenstaande activiteiten bepaalde eisen gelden vanuit andere planologische instrumenten vanuit de Omgevingswet en andere wetgeving. Voor sommige onderwerpen is het ook niet toegestaan om regels op te nemen in het omgevingsplan omdat dat (deels) elders al geregeld is. Denk bijvoorbeeld aan stikstofregels en bodem- en waterkwaliteit dat onder de bevoegdheid van de provincie valt. voor
Het wijzigingsbesluit sluit negatieve (en positieve) effecten voor het milieu niet uit op basis van de planologische mogelijkheden binnen het omgevingsplan. Deze effecten staan de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan echter niet in de weg en zijn ook niet allemaal in het planologische spoor te reguleren. 4. 1. 3 Niet agrarische functies Het wijzigingsbesluit voorziet niet in grootschalige nieuwe niet-agrarische activiteiten. Er is één concrete wijziging van bedrijfsactiviteiten aan de Heesvenstraat waarbij de bedrijfsactiviteiten worden omgezet naar een recreatieve functie. Hierdoor worden andere bedrijfsmatige activiteiten uitgesloten. Er kan binnenplans immers niet gewijzigd worden naar een andere categorie 1 of 2 bedrijfsfunctie. In de motivatie van deze ontwikkeling is opgenomen dat door de ontwikkeling geen negatief effect op de leefomgeving of het milieu ontstaan. Ook is de mogelijkheid tot omschakeling naar andere bedrijfsactiviteiten beperkt tot categorie 1 of 2 uit de VNG-brochure (2009) waarbij in ieder geval getoetst moet worden op de effecten voor het milieu. In voorkomende gevallen kan ook een omgevingsvergunning nodig zijn voor milieubelastende activiteiten. Beoordeling vindt plaats bij de feitelijk aanvang of vergunningaanvraag voor de activiteiten. ,
,
Het wijzigingsbesluit sluit negatieve (en positieve) effecten voor het milieu niet uit op basis van de planologische mogelijkheden binnen het omgevingsplan. Deze effecten staan de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan echter niet in de weg. Bij feitelijke aanvang of aanvraag voor deze activiteiten zal op dat moment getoetst worden aan de geformuleerde criteria binnen het omgevingsplan maar ook uit het Bal en Bkl. ,
4. 1. 4 Landschap In het omgevingsplan zijn relatief veel locatie opgenomen waar ‘iets’ is gebeurd. Er zitten een aantal concrete ontwikkelingen in zoals beschreven in paragraaf 3.4.3.2 en verschillende legalisaties van bestaande situaties. ,
,
28/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
De effecten van de beschreven ontwikkelingen zijn concreet benoemd in de ruimtelijke motiveringen in de bijlagen van de motivering. Deze hebben allen een positief effect op de landschappelijke kwaliteit in het deelgebied door de standaard verplichting voor alle ontwikkelingen om de locaties landschappelijk in te passen op basis van het geldende beeldkwaliteitsplan buitengebied. Zowel de visuele landschapskwaliteit als de kwaliteit van de soorten gaat er op vooruit. Voor alle locaties waar iets is aangepast is een landschappelijk inpassingsplan opgenomen in de bijlagen bij de regels als uitvoeringsverplichting. In de regels van het omgevingsplan is (het beschermen en bevorder van de) landschappelijke kwaliteit standaard opgenomen als doel binnen de voorkomende functies. De bestaande landschapskwaliteit wordt daarmee geborgd. Als activiteiten worden uitgevoerd die verder gaan dan de standaard mogelijkheden voor gebruik en/of bouwen en waarbij een vergunningplicht geldt dan is aan die activiteit een landschappelijke inpassing verbonden. Bijvoorbeeld in de paragraaf 6. 4. 17 ‘Bijgebouwen bij een woning bouwen’ onder artikel 6. 169 ‘Beoordelingsregels vergunningplicht’. ,
,
Deze regeling gaat verder dan de oorspronkelijk regeling in het bestemmingsplan Buitengebied 2011. Daarin was geen verplichting voor vergelijkbare binnenplanse mogelijkheden opgenomen. Het effect is daarmee positief op de landschappelijke kwaliteit van het gebied ten opzichte van het geldende regiem en de bestaande situatie. 4. 1. 5
Cultuurhistorie
en
archeologie
4. 1. 5. 1 Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Het wijzigingsbesluit voorziet in een aanpassing van de regels voor cultuurhistorische waarden (Afdeling 4. 3. 3 Cultureel erfgoed’). Deze aanpassing is nodig omdat er met name voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing onvoldoende bescherming is opgenomen in het geldende planologische kader. In paragraaf 4. 3. 3. 1 ‘Aandachtsgebied monument’ zijn locaties aangewezen waarbinnen extra regels gelden voor bouw- en sloopactiviteiten aan en rondom bestaande monumenten. Bij activiteiten binnen het aandachtsgebied monument is altijd een vergunning nodig waarbij geen onevenredige aantasting van de waarden wordt toegelaten. Hetzelfde geldt voor sloopactiviteiten. In paragraaf 4. 3. 3. 3 ‘Beschermd dorpsgezicht’ zijn voor het beschermd dorpsgezicht extra regels opgenomen voor activiteiten. Er geldt een vergunningplicht en er zijn extra regels opgenomen ter bescherming van de aanwezige waarden. Bij beide soorten activiteiten is een betere en strengere adviesregeling opgenomen bij de beoordeling van eventuele vergunningsaanvragen. Er is en deskundige advies noodzakelijk. ,
,
,
Hiermee worden de mogelijke negatieve effecten op de aanwezige cultuurhistorische waarden beter beheersbaar ten opzichte van het oude planologische regiem. De aantasting van de waarden is niet uitgesloten maar zal altijd na een zorgvuldig deskundigenadvies pas kunnen worden toegelaten door het bevoegde gezag. Het effect is licht positief t. o. v. het geldende regiem. ,
29/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
4. 1. 5. 2 Archeologische verwachtingswaarden De regeling ter bescherming van archeologische (verwachtings-)waarden uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied deelgebied 4 is overgenomen in het wijzigingsbesluit. Hiermee wordt voor een groot deel van het plangebied een actueler aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor activiteiten in alle gebieden met archeologische (verwachtings-)waarden. In alle aangewezen gebieden moet onderzoek uitgevoerd worden om de aanwezige waarden te inventariseren als de minimale diepte of omvang van activiteiten wordt overschreden. Het bevoegde gezag moet op basis van dat onderzoek besluiten of verstoring van de waarden aanvaardbaar is of dat er specifieke maatregelen moeten worden genomen. Een omgevingsvergunning kan uiteindelijk ook geweigerd worden. De activiteiten die deze onderzoeksplicht kennen zijn de volgende: ,
a.
b. c.
d. e.
f. g.
h. i.
subparagraaf 6. 3. 2. 5 diepwortelende beplanting aanbrengen; subparagraaf 6. 3. 2. 6 bomen en andere opgaande beplanting vellen of rooien; subparagraaf 6. 3. 3. 1 oppervlakteverhardingen aanleggen; subparagraaf 6. 3. 4. 1 verlagen vergraven ophogen of egaliseren van de bodem; subparagraaf 6. 3. 4. 2 diepploegen diepwoelen en/of uitvoeren van andere ingrepen in de bodem; subparagraaf 6. 3. 4. 3 waterlopen sloten en greppels graven dempen dan wel verdiepen vergroten of anderszins herprofileren; subparagraaf 6. 3. 4. 4 riolering kabels leidingen en drainage aanbrengen; subparagraaf 6. 3. 4. 5 heiwerkzaamheden uitvoeren of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; paragraaf 6. 4. 1 algemene bepalingen bouwactiviteiten. ,
,
,
,
,
,
,
,
Hoewel in het bestaande regiem al vaak een dergelijke regeling is opgenomen bestaan er ook nog gebieden (in de oudere plandelen) waar deze regeling minder sluitend is geformuleerd. ,
Hiermee worden de mogelijke negatieve effecten op archeologische (verwachtings)waarden beter beheersbaar ten opzichte van enkele oudere plandelen. De aantasting van de waarden is niet uitgesloten maar zal altijd na een zorgvuldig deskundigenadvies pas kunnen worden toegelaten door het bevoegde gezag. Het effect is vrijwel neutraal tot licht positief t. o. v. het geldende regiem. ,
4. 1. 6 Verkeer Het wijzigingsbesluit voorziet niet in grootschalige aanpassingen van de verkeerinfrastructuur. Wel zijn er ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt en die impact op de verkeersgeneratie kunnen hebben. Voor de grotere ontwikkelingen is dit uitgewerkt in de bijlagen bij de motivatie van het wijzigingsbesluit. Hieruit blijken geen (onaanvaardbare) negatieve gevolgen voor het milieu voort te komen. De veranderingen in verkeersbewegingen vallen weg tegen de bestaande verkeersgeneratie en autonome ontwikkelingen in het verkeersbeeld. Het wijzigingsbesluit voorziet wel in een samenvoeging van meerdere bestaande functies onder de functie ‘Openbaar gebied’ om extra flexibiliteit te creëren voor de beheerder(s) van het openbaar gebied om de infrastructuur aan te kunnen passen als dat nodig is. Concreet zijn de openbare gebieden met bestemming ‘Verkeer’ ‘Groen’ en ‘Water’ samengevoegd als het gronden betreft in beheer bij de overheden én als daar geen specifieke functie en/of waarde op ligt. Dat ,
30/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
betekent dat ‘Water’ met een ‘ecologische verbindingszone’ gewoon de functie ‘Water’ heeft behouden maar een sloot (bestemming ‘Water’) langs een weg (bestemming ‘Verkeer’) samengevoegd zijn naar de functie ‘Openbaar gebied’. Omdat het alleen gronden in beheer bij de overheid betreft en de locaties relatief klein zijn moet worden uitgegaan van een optimale en zorgvuldige inrichting van de openbare ruimte waarbij de effecten op het milieu gering zijn. Doorgaans worden aanpassingen gedaan om de situatie te verbeteren maar dat is niet altijd een verbetering voor het milieu. Vaak is bij uitvoering van dergelijke herinrichtingsprojecten ook compensatie aan de orde. Bijvoorbeeld in de vorm van extra waterbergingscapaciteit en landschappelijke voorzieningen. ,
,
,
Het voorliggende wijzigingsbesluit regelt alleen een kleine verandering van de regels voor verkeersactiviteiten. Bij de uitvoering van activiteiten zullen doorgaans compenserende maatregelen aan de orde zijn. Effecten op het milieu kunnen niet worden uitgesloten maar zullen doorgaans neutraal zijn en gecompenseerd worden. ,
4. 1. 7 Woon en Leefmilieu (Geluid , Lucht en Geur) Het wijzigingsbesluit voorziet in een beperkte afname van bedrijfsactiviteiten in zowel de agrarische als niet-agrarische sector. Met name het aantal veehouderijactiviteiten neemt af ten opzichte van de planologische en feitelijke situatie. Het effect van deze reguliere transitietrend is een autonome verbetering van het leefklimaat voor de omgevingsaspecten geluid luchtkwaliteit en geur. Dit komt vooral omdat de omgevingsbelasting die wegvalt door stoppende (agrarische) bedrijven niet helemaal binnen de regels van het wijzigingsbesluit opgevuld kan worden door nieuwe activiteiten. Doorgaans is daar een nieuwe wijziging van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsvergunning voor nodig. Het wijzigingsbesluit voorziet niet in nieuwe regels voor de omgevingsaspecten geluid luchtkwaliteit of geur. Deze regels uit de bruidsschat en het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden niet gewijzigd. Hiermee is het verschil in effecten op basis van het planologische regiem neutraal. ,
,
Het wijzigingsbesluit heeft een positief effect op het woon- en leefklimaat voor wat betreft de omgevingsaspecten geluid luchtkwaliteit en geur. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de autonome trends in de transitie van de landbouw naar andere functies. Daarbij is van belang dat andere activiteiten lang niet allemaal binnenplans kunnen worden geregeld en daarom geen onderdeel zijn van dit wijzigingsbesluit. De effecten van het wijzigingsbesluit op het woon- en leefklimaat zijn positief ten opzichte van het geldende planologische regiem. ,
4. 1. 8 Klimaat en duurzaamheid Klimaat en duurzaamheid zijn opgenomen in de vorm van algemene doelen voor het omgevingsplan mede als taakstelling zoals opgenomen in de Omgevingswet. ,
Het voorliggende wijzigingsbesluit regelt (nog) niets concreets ten aanzien van klimaatmaatregelen en of specifieke duurzaamheidseisen in de vorm van (nieuwe) regels.
31/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Eventuele effecten op het milieu volgen dan ook niet uit dit wijzigingsbesluit. Beide ambities zijn op dit moment ook geen onderdeel van het voornemen van dit wijzigingsbesluit. Deze omgevingsaspecten komen op een later moment aan de orde om eventueel met concrete regels voor klimaat en/of duurzaamheid op te nemen. Dergelijke aspecten van de leefomgeving worden in een latere fase van de transitie naar een volwaardig omgevingsplan toegevoegd. De overwegingen die hierbij zijn gemaakt zijn: In de omgevingsvisie zullen eerst concretere (gebiedsgerichte) doelen en ambities moeten worden geformuleerd; Klimaat en duurzaamheid zijn aspecten van de leefomgeving die gemeente breed uitgewerkt moeten worden om tot relevante en effectieve regels te kunnen komen. Dit zijn gebiedsoverstijgende aspecten van de leefomgeving. 4. 1. 9
Energie
Het omgevingsplan regelt niets ten aanzien van energiegebruik en/of -opwekking. Hiervoor blijven de bestaande (buitenplanse) mogelijkheden van toepassing. De effecten voor het milieu worden daarom vooral bepaald door autonome en/of buitenplanse ontwikkelingen zoals stoppende agrariërs die minder energie vragen maar wellicht ook minder energie opwekken door minder zonnepanelen op te slopen stallen of biovergisting. ,
,
De overwegingen die hierbij ook zijn gemaakt zijn: Energie is een aspect van de leefomgeving dat mede in de Regionale energie strategie (RES) wordt uitgewerkt in concrete acties. Dat kan eventueel ook regels in het omgevingsplan betreffen. Echter de gemeente Someren wil eerst in de omgevingsvisie of een concrete uitwerking daarvan (programma) een pakket maatregelen vastleggen en concretere (gebiedsgerichte) doelen en ambities opnemen; Energie is een aspect van de leefomgeving dat regionaal tot concrete maatregelen kan leiden maar niet per se tot regels in het omgevingsplan hoeft te leiden. Energie is een gebiedsoverstijgende aspect van de leefomgeving dat later eventueel in het omgevingsplan in de vorm van (nieuwe) regels kan worden opgenomen. ,
,
4. 1. 10 Samenvatting In onderstaande tabel zijn de effecten op het milieu als gevolg van het wijzigingsbesluit uitgaande van het planologische regiem en de mogelijkheden die het omgevingsplan daarmee biedt ten opzichte van het geldende planologische regiem samengevat. Hierbij zijn de effecten in kwalitatieve zin beoordeeld. ,
4. 1. 2 4. 1. 2. 1
Onderdeel Landbouw Veehouderij
Effect +
32/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
4. 1. 2. 2 4. 1. 2. 3 4. 1. 3 4. 1. 4 4. 1. 5 4. 1. 5. 1 4. 1. 5. 2 4. 1. 6 4. 1. 7 0
0 --
+ ++
0 tot + 0 tot + 0 +
,
0 Klimaat en duurzaamheid Energie
4. 1. 9
5
Paardenhouderijen Agrarisch grondgebruik Niet agrarische functies Landschap Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Archeologische verwachtingswaarden Verkeer Woon en Leefmilieu (Geluid Lucht en Geur)
0
Referentiesituatie
Advies commissie voor de mer De Commissie adviseert om het MER voorafgaand aan het besluit aan te vullen met een volledige en actuele beschrijving van de huidige situatie de autonome ontwikkeling(en) en daarmee van de referentiesituatie. ,
,
,
5. 1
Aanvulling referentiesituatie natuur
Natura 2000-gebieden De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 3. 85 Bkl van de Omgevingswet. Daarbij is onder meer ruime aandacht besteed aan mogelijkheden in relatie tot de milieukwaliteit binnen het Natura 2000-areaal (met name stikstofdepositie). In ruime omgeving van de gemeente liggen diverse gebieden die zijn beschermd onder de Omgevingswet. Dit zijn Natura 2000-gebieden in zowel binnen- als buitenland. Effecten op gebieden tot op circa 25 km afstand van deelgebied 5 worden meegenomen in de beoordeling. Effecten van verstoring door licht geluid en optische verstoring op deze afstand zijn uitgesloten. Daarnaast worden effecten van stikstof op een grotere afstand dan 25 kilometer niet meegenomen in AERIUS. De gebiedsbeschrijving en de beschrijving van de doelen per gebied zijn opgenomen in bijlage 3. In de volgende paragrafen is de huidige situatie in de verschillende Natura 2000-gebieden beschreven. ,
Strabrechtse Heide & Beuven Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ ligt binnen deelgebied 5 en is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor 10 habitattypen 2 habitatrichtlijnsoorten 2 broedvogels en 1 niet-broedvogel. Voor zeer zwak gebufferde vennen is een uitbreidingsdoelstelling en een verbeterdoelstelling vastgesteld. Voor ,
,
33/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Zwak gebufferde vennen vochtige heiden (hogere zandgronden) en hoogveenbossen is ook een verbeterdoelstelling opgesteld. Voor alle andere instandhoudingsdoelstellingen is een behoudsdoelstelling opgesteld. Voor alle habitattypen is de trend in zowel oppervlakte als kwaliteit onbekend. Ook informatie over de trend van de drijvende waterweegbree is onbekend. De kleine modderkruiper en kraanvogel hebben een overwegend stabiele trend. Alle instandhoudingsdoelen die gevoelig zijn voor stikstofdepositie hebben in meer of mindere mate te maken met een overbelasting van stikstofdepositie. Hoewel de stikstofdepositie wel verwacht wordt autonoom af te nemen in de komende jaren zal het overgrote deel van de habitattypen nog steeds te maken hebben met een sterke tot matige overbelasting. Volgens de natuurdoelanalyse van de Strabrechtse Heide & Beuven wordt enkel voor H2330 Zandverstuivingen H3130 Zwak gebufferde vennen en A127 kraanvogel verslechtering voorkomen al dan niet met behulp van maatregelen. Voor alle andere instandhoudingsdoelen geldt dat verslechtering niet uitgesloten of zelfs geconstateerd is. ,
,
,
Groote Peel Natura 2000-gebied ‘Groote Peel’ ligt op 65 kilometer van deelgebied 5 en is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor 2 habitattypen 5 broedvogels en 4 niet-broedvogels. Voor Herstellende hoogvenen is een verbeterdoelstelling vastgesteld. Voor porseleinhoen is een uitbreiding- en verbeterdoelstelling opgesteld. Voor alle andere instandhoudingsdoelstellingen is een behoudsdoelstelling opgesteld. Voor alle habitattypen is de trend in zowel oppervlakte als kwaliteit onbekend. Van de Vogelrichtlijnsoorten vertonen de blauwborst roodborsttapuit en toendrarietgans een positieve trend. Voor blauwborst en roodborsttapuit wordt het instandhoudingsdoel gehaald. Kolgans en kraanvogel vertonen een negatieve trend. Voor dodaars was de trend positief maar is er de laatste jaren sprake van een afname. Geoorde fuut en taigarietgans vertonen een zeer negatieve trend. Voor porseleinhoen is de trend onbekend maar het instandhoudingsdoel wordt niet gehaald. Van de Vogelrichtlijnsoorten maken dodaars geoorde fuut en roodborsttapuit gebruik van leefgebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Deze gebieden hebben in de huidige situatie allemaal te maken met een matig tot sterke overbelasting van stikstofdepositie. Er wordt verwacht dat dit in 2030 nog steeds zo zal zijn.
Beide habitattypen zijn gevoelig voor verstoring en hier is in de huidige situatie ook sprake van een sterke tot matige overbelasting. Ook hiervan wordt verwacht dat dit in 2030 nog steeds zo zal zijn. Mede als gevolg van deze stikstofdepositie wordt in de Natuurdoelanalyse van de Groote Peel geconstateerd dat er voor H4030 Droge Heide H7120 Herstellende hoogvenen A008 Geoorde fuut en A119 Porseleinhoen verslechtering optreedt. Voor de ander instandhoudingsdoelen wordt verslechtering voorkomen. ,
,
,
,
,
,
,
,
Leenderbos Groote Heide & de Plateaux Natura 2000-gebied ‘Leenderbos Groote Heide & De Plateaux’ ligt op 7 kilometer afstand van deelgebied 5 en is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor 16 habitattypen 6 habitatrichtlijnsoorten en 3 broedvogels. Voor het overgrote deel van de habitattypen geldt een verbeter- en/of uitbreidingsdoelstelling. Voor de habitatrichtlijnsoorten H1042 gevlekte witsnuitlibel en H1831 drijvende waterweegbree is ook een verbeterdoelstelling vastgesteld. ,
,
,
34/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Voor Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) en hoogveenbossen is de trend in zowel areaal als kwaliteit negatief. Voor de overige habitattypen is de trend overwegend stabiel of positief. De habitatrichtlijnsoorten hebben een overwegend stabiele of positieve trend. Enkel voor gevlekte witsnuitlibel is er een negatieve trend voor de populatie. Voor bittervoorn is de trend onbekend. Voor de broedvogels is een stabiele tot positieve trend waargenomen. Van alle habitattypen is alleen het habitattype beken en rivieren met waterplanten (waterranonkel) niet gevoelig voor stikstofdepositie. De overige habitattypen zijn wel gevoelig en in meer of mindere mate overbelast. Voor pioniervegetaties met snavelbiezen galigaanmoerassen hoogveenbossen en vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) geldt dat deze habitattypen overwegend niet overbelast zijn. Voor gevlekte witsnuitlibel kamsalamander en drijvende waterweegbree en de broedvogels is sprake van een matig tot sterke overbelasting van stikstofdepositie op het leefgebied. Deze stikstofdepositie is naar verwachting in 2030 nog niet voldoende afgenomen. ,
,
,
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven Natura 2000-gebied ‘Weerter- en Budelerbergen & Ringselven’ ligt op 75 kilometer afstand van deelgebied 5 en is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor 8 habitattypen 4 habitatrichtlijnsoorten en 3 broedvogels. De trend in oppervlakte is voor alle habitattypen met uitzondering van galigaanmoerassen stabiel of positief. De trend in kwaliteit is onbekend. Voor galigaanmoerassen is de trend in zowel oppervlakte als kwaliteit negatief. De trend voor bever is positief voor de overige Habitatrichtlijnsoorten is de trend onbekend. De Vogelrichtlijnsoorten hebben een positieve trend. Voor alle habitattypen is er in meer of mindere mate sprake van lichte tot sterke overbelasting door stikstofdepositie. Hoewel dit verwacht wordt af te nemen zal de stikstofdepositie in 2030 nog steeds te hoog zijn. ,
,
,
,
Deurnse Peel & Mariapeel Natura 2000-gebied ‘Deurnse Peel & Mariapeel’ ligt op 9 kilometer afstand van deelgebied 5 en is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor 3 habitattypen 2 habitatrichtlijnsoorten 4 broedvogels en 3 niet-broedvogels. Voor Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) is een uitbreiding- en verbeterdoelstelling vastgesteld. Voor Herstellende hoogvenen is een verbeterdoelstelling vastgesteld. Voor alle andere doelen is een behoudsdoelstelling vastgesteld. De trend voor alle habitattypen is negatief voor zowel kwaliteit als oppervlakte met uitzondering van droge heiden waarvoor de trend in oppervlakte onbekend is. Voor de habitatrichtlijnsoorten is de trend onbekend maar lijkt stabiel tot positief. Voor de dodaars en blauwborst is de trend stabiel tot negatief. Voor de ander vogelrichtlijnsoorten is de trend stabiel tot positief. Voor alle habitattypen geldt dat er sprake is van een matige tot sterke overbelasting die in 2030 naar verwachting nog niet voldoende is afgenomen. De habitatrichtlijnsoorten maken geen gebruik van leefgebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Ditzelfde geldt voor de vogelrichtlijnsoorten blauwborst kolgans kraanvogel en toendrarietgans.
Voor de overige Vogelrichtlijnsoorten geldt dat ze gebruik maken van leefgebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en matige tot sterk overbelast zijn. Deze overbelasting is naar verwachting in 2030 nog niet voldoende afgenomen. Voor H4030 Droge heiden H7110A* Actieve hoogvenen H7120 Herstellende hoogvenen A004 Dodaars en A272 ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
35/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
blauwborst geldt dat verslechtering van het instandhoudingsdoel is geconstateerd. Voor de overige instandhoudingsdoelen geldt dat verslechtering wordt voorkomen. Sarsven en De Banen Natura 2000-gebied ‘Sarsven en De Banen’ ligt op 15 kilometer afstand van deelgebied 5 en is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor 3 habitattypen en 1 habitatrichtlijnsoort. Voor alle doelstellingen geldt een uitbreidingsdoelstelling. De trend voor zeer zwak gebufferde vennen en kranswierwateren is negatief. De trend van zwakgebufferde vennen is positief. De stikstofdepositie voor alle habitattypen en voor drijvende waterweegbree is veel te hoog en is naar verwachting niet voldoende afgenomen in 2030. Leudal Natura 2000-gebied ‘Leudal’ ligt op 21 kilometer afstand van deelgebied 5 en is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor 6 habitattypen en 4 habitatrichtlijnsoorten. Voor vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) en beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) ligt er een uitbreidings- en verbeterdoelstelling. Voor eiken-haagbeukenbossen en bever ligt er een uitbreidingsdoelstelling. Voor beuken-eikenbossen met hulst ligt er een verbeterdoelstelling. Voor de overige doelen ligt er een behoudsdoelstelling.
De trend voor vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) oude eikenbossen beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) en rivierdonderpad is negatief. De trend voor blauwgraslanden is stabiel. Voor de overige doelen is de trend positief. Voor alle habitattypen is er sprake van een grote overbelasting van stikstofdepositie. Voor de meeste habitattypen is in 2030 nog steeds 100% van het habitattype overbelast. Enkel voor Vochtige alluviale bossen lijkt de stikstofdepositie in 2030 af te nemen tot minder dan 10% van het habitattype overbelast. ,
5. 2
,
Aanvulling huidige situatie overige milieuthema’s
Onderstaand figuur 2 dient als vervanging van figuur 6. 16 in het MER. Figuur 2 geeft namelijk recentere informatie over de geluidsbelasting door wegverkeer. Dit is daarom een aanvulling op de referentiesituatie voor woon- en leefmilieu.
36/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Figuur 2 - Geluidsbelasting door wegverkeer (2022) in gemiddelde decimaal per etmaal (lden) en stiltegebieden in deelgebied 5 (Bron: Atlas leefomgeving , geraadpleegd op 24-04-2025)
6
Beleidskader
Advies Commissie voor de mer De Commissie adviseert om het MER voorafgaand aan het besluit aan te vullen met een actueel overzicht van beleid en wet- en regelgeving. Geef aan welke randvoorwaarden en kaders hieruit volgen voor het omgevingsplan. Ga ook in op de wijze waarop de samenhang in het gemeentelijk beleid voor het buitengebied wordt bewaakt. Beschrijf de relatie van de omgevingsvisie met het omgevingsplan. ,
6. 1
,
Actueel overzicht van beleid en regelgeving
Wetgeving op Europees niveau
Relevantie
Vogel- en Habitatrichtlijnen en Natura 2000
De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn. De Europese Habitatrichtlijn betreft de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (92/43/EEG , 21 mei 1992) en is op 10 juni 1994 in werking getreden. De richtlijn verplicht de lidstaten een lijst met gebieden aan te leveren , die belangrijk zijn voor het behoud en ontwikkeling van habitattypen en
37/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
inheemse soorten. Nederland is mede verantwoordelijk voor het behoud en in sommige gevallen de uitbreiding van deze natuurwaarden. De Europese Commissie zet met instemming van de lidstaat de gebieden op de lijst van gebieden die belangrijk zijn voor het behoud en ontwikkeling van habitattypen en inheemse soorten. Daarna wijst de betrokken lidstaat de gebieden aan als Natura 2000-gebied. In het aanwijzingsbesluit staan de exacte begrenzingen en de relevante instandhoudingsdoelstellingen voor de beschermde soorten en leefgebieden. De beleids- en beheersmaatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en soorten te bereiken zijn opgenomen in het beheerplan. Het deels in het plangebied gelegen Natura2000-gebied Strabrechtse Heide en Beuven is beschermd via de Habitat- en Vogelrichtlijn. Het beheerplan voor dat gebied dateert uit 2016 en is daarna zonder inhoudelijke aanpassing verlengd. De provincie Noord-Brabant start in de loop van 2024 met de actualisatie van het beheerplan. Een belangrijke bouwsteen voor die actualisatie is de Natuurdoelanalyse (NDA) uit 2023. De NDA geeft aan dat de natuur in het gebied onder druk staat. Voor een aantal habitattypes s verslechtering geconstateerd. Voor andere habitattypes is de conclusie dat verslechtering niet is uitgesloten. Ook een aantal Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten zijn achteruit gegaan.
Het halen van de doelen voor dit gebied is , met het huidige maatregelenpakket (waaronder ook beheer) , op de langere termijn niet in zicht. Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die in december 2000 van kracht is geworden en die een kader biedt voor de bescherming van oppervlaktewater en grondwater. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakteen grondwater binnen de EU op orde is. De basiseenheid waarmee de KRW werkt , zijn waterlichamen. Voor deze waterlichamen zijn doelen en maatregelen opgesteld. Alle maatregelen zijn opgenomen in de Stroomgebiedsbeheerplannen. Met de uitvoering van het definitieve Natura 2000-beheerplan wordt uitvoering gegeven aan de Habitatrichtlijn. Doelen vanuit de KRW worden door de waterbeheerders in separate sporen uitgewerkt.
Beleidsstukken Rijksniveau Omgevingswet
Relevantie De Omgevingswet (Ow) is in werking sinds 1 januari 2024 en vormt de basis voor regelgeving over
Omgevingsbesluit en -regeling Besluit kwaliteit leefomgeving
de fysieke leefomgeving. De regels van de Omgevingswet zijn verder uitgewerkt in het Omgevingsbesluit (Ob) , Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsregeling (Or). Verder staan er regels voor activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Besluit Activiteiten leefomgeving Besluit bouwwerken leefomgeving
In de Omgevingswet staan regels voor de procedure bij het vaststellen van een plan of het nemen van een besluit door een bestuursorgaan. Die regels gaan over participatie , milieueffectrapportage , inspraak en rechtsbescherming (bezwaar en beroep). Ook staan er in de Omgevingswet regels voor
38/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Beleidsstukken Rijksniveau
Relevantie activiteiten , onder andere Natura2000-activiteiten , Flora en fauna-activiteiten , lozingsactiviteiten , milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen en over procedures. In Bijlage 5 van het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelingsplichtige) projecten aangewezen. In de Omgevingsregeling staan vooral technische regels , zoals meet- en rekenregels. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan omgevingswaarden ter bescherming van de gezondheid en het milieu (o. a. voor geur en luchtkwaliteit) , instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (o. a. voor geur , geluid en bodemkwaliteit) , beoordelingsregels (o. a. voor vergunningplichtige Natura2000-activiteiten) en monitoringsregels waar de gemeente rekening mee moet houden bij opstellen van het omgevingsplan. In het Besluit activiteiten leefomgeving staan algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving , waaronder milieubelastende activiteiten (MBA’s) gegroepeerd per bedrijfstak en lozingsactiviteiten en wordt aangegeven wanneer activiteiten vergunningplichtig zijn. In het Besluit bouwwerken leefomgeving staan algemene regels over bouwen , gebruiken en slopen van bouwwerken. De regels voor ruimtelijke bouwactiviteiten staan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
In het Bbl staan een aantal kleine bouwactiviteiten die altijd uitgevoerd mogen worden ongeacht de regels in het omgevingsplan.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In 2020 kwam de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) met een doorkijk naar 2050 en vervielen de SVIR , het Nationaal Milieubeleidsplan 4 en de Rijksnatuurvisie. De NOVI is sinds 2020 een structuurvisie onder de voormalige WRO en onder de Omgevingswet geldt deze structuurvisie als een omgevingsvisie. NOVI schetst de ambities voor de langere termijn (horizon 2050). Voor landelijk gebied zijn met name relevant: Verbeteren kwaliteit van water , bodem gezondheidsbescherming
en lucht t. b. v.
Bij nieuwe bouw- en ontwikkelopgaven is natuurinclusieve ontwikkeling de norm Duurzame kringlooplandbouw Landbouw , landschap en biodiversiteit versterken elkaar Integrale duurzame stallen Intensieve landbouw op goed aangesloten locaties , waar reststromen van de ene sector gebruikt worden als grondstof voor de andere (meststoffen)
39/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Beleidsstukken Rijksniveau
Relevantie ketenbedrijven bij elkaar geplaatst zijn om onnodige transportbewegingen te voorkomen Met weinig milieubelasting voedsel produceren met ruimte voor natuur , en
Wijzigingswet Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering)
wonen , landschap , bereikbaarheid en duurzame energie Wet is bedoeld om de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Habitats in Natura 2000-gebieden te verminderen en om de natuur in die gebieden te
verbeteren , met behulp van in regelgeving vastgestelde omgevingswaarden en een programma met maatregelen , om de tijdelijke stikstofemissies door activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing te kunnen laten bij de Natura 2000-vergunning en om voorheen vergunningvrije projecten met een geringe depositie te legaliseren.
Beleidsstukken Provinciaal niveau Omgevingsvisie Noord-Brabant
Relevantie De Omgevingsvisie voor Noord-Brabant (2018) beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren , de strategische doelen voor de langere termijn en op welke manieren de provincie wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken. Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden , te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien. En stelt tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie. De keuzes uit de omgevingsvisie worden vastgelegd in de Omgevingsverordening in de vorm van omgevingswaarden , algemene (direct werkende) regels en instructieregels voor gemeenten.
Omgevingsverordening Noord-Brabant
De volledige versie van de omgevingsverordening Noord-Brabant is de TAM-Omgevingsverordening , vastgesteld op 15 december 2023. De provincie heeft met een voorbereidingsbesluit gezorgd voor voorbeschermingsregels. Dit voorbereidingsbesluit heeft als doel dat bestaande regels , die waren opgenomen in de Wet bodembescherming of de Interim omgevingsverordening NoordBrabant , blijven gelden onder de Omgevingswet. Er zijn regels opgenomen om grondwaterverontreiniging te voorkomen bij bouwactiviteiten , regels voor de ontwikkeling van veehouderijen , mestbewerking en grootschalige logistiek: Wet bodembescherming (Wbb): onder het recht voor 1 januari 2024 was de provincie bevoegd voor bodemsaneringen en het voorkomen of het saneren van grondwaterverontreiniging. Onder de Omgevingswet is de gemeente bevoegd voor
40/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Beleidsstukken Provinciaal niveau
Relevantie bodemsaneringen en de provincie voor grondwater. De provincie Noord-Brabant zorgt door middel van voorbeschermingsregels dat voor grondwater regels worden in het gemeentelijke omgevingsplan , zodat een 'gat' in de regelgeving wordt voorkomen. Gemeenten hebben de instructieregels voor dit onderwerp in de opgenomen
Omgevingsverordening Noord-Brabant namelijk nog niet in het omgevingsplan kunnen verwerken. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV): In paragraaf 2.7.2 , 2. 7. 3 en afdeling 2. 8 van de IOV zijn rechtstreeks werkende regels opgenomen voor veehouderij , mestverwerking en grootschalige logistiek. Deze regels golden onder het oude recht in afwijking van of in aanvulling op de regels van het gemeentelijke bestemmingsplan en gemeenten moeten de regels toepassen bij het verlenen van een omgevingsvergunning bouwen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de IOV vervallen en het wettelijke systeem aanzienlijk gewijzigd. De rechtstreeks werkende regels in de IOV zijn naar voorbeschermingsregels omgezet en waar nodig aangepast. Regionaal Water en Bodem Programma
Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) is in werking sinds 20 december 2021. In deze structuurvisie staat hoe de provincie Noord-Brabant de komende jaren gaat werken aan voldoende water , schoon water , veilig water , vitale bodem en klimaatadaptatie. Het RWP is een wettelijk verplicht programma dat voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de
Beleidskader Landbouw en Voedsel
Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR). In het Beleidskader Landbouw en Voedsel 2030 heeft de provincie de ambities en doelstellingen voor 2030 geformuleerd. De Uitvoeringsagenda Landbouw en Voedsel is belangrijk in het realiseren ervan. Hierin staat waar de provincie aan gaat werken en
Ontwerp beleidskader Natuur
welke projecten en activiteiten ze gaan uitvoeren. In het Beleidskader Natuur 2030 heeft de provincie ambities en doelstellingen voor 2030 geformuleerd. De Uitvoeringsagenda Beleidskader Natuur 2023-2027 is een belangrijke stap in het realiseren ervan. Het Beleidskader is gericht op drie pijlers. De eerste pijler is gericht op een robuuste natuur. Hier ligt de focus op het realiseren van Natuurnetwerk Brabant (NNB) , het herstellen en versterken van Natura 2000-gebieden , het tegengaan van verdroging van natte natuurparels. De tweede pijler is gericht op natuurinclusiviteit. Hier ligt de focus op het versterken van de
41/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Beleidsstukken Provinciaal niveau
Relevantie
Regionale Energie Strategie Eindhoven
biodiversiteit. De derde pijler is gericht op dat de uitwerking en uitvoering voor en door de Brabanders gebeurt. In de RES zijn ambities afgesproken om de energietransitie te
(2021)
Beleidsregel volksgezondheid en mestbewerkingsinstallaties Noord-Brabant.
realiseren. Hierin wordt ingezet op energiebesparing , de realisatie van zonnevelden en windparken en een slimme inzet en verdeling van warmtebronnen in de regio. Ook is een robuust en betrouwbaar energiesysteem en belangrijke focus. Sinds 26 april 2018 is de Beleidsregel volksgezondheid en mestbewerkingsinstallaties Noord-Brabant van toepassing op mestbewerkingsinstallaties. De provincie stelt extra regels voor mestbewerking vanwege het potentiële risico voor de volksgezondheid in geval geen emissiebeperkende maatregelen worden genomen. De regels zijn gericht op het zoveel mogelijk beperken van stof uitstoot. Pas bij nieuwe omgevingsvergunningen wordt getoetst aan deze beleidsregel.
Beleidsregel industriële geur NoordBrabant
Deze beleidsregel van 30 april 2018 stelt regels voor geur veroorzakende activiteiten bij mestverwerking , om geurhinder zoveel mogelijk te beperken en het voorkomen van nieuwe geurhinder. Daarbij wordt uitgegaan van het toepassen van beste beschikbare technieken. De afweging omtrent de aanvaardbaarheid van een geursituatie vindt op regionaal dan wel plaatselijk niveau plaats. Deze beleidsregel leent zich ook voor toepassing binnen de ruimtelijke ordening. Doelstelling van de ruimtelijke ordening is een goed woon- en leefklimaat. Het is geoorloofd om de in deze beleidsregel gegeven normering voor geurgevoelige objecten rechtstreeks op te nemen in het omgevingsplan. Er wordt voor mestverwerking niet uitgegaan van de reguliere richt- en grenswaarden die gelden voor industriële activiteiten , maar van de helft van die waarden , zodat op deze wijze rekening wordt gehouden met de emissies van de veehouderij op dezelfde locatie.
Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS)
De provincie Noord-Brabant wil voor belangrijke economische en maatschappelijke ontwikkelingen zo snel mogelijk weer natuurvergunningen verlenen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat wie wil ontwikkelen zelf moet zorgen dat daardoor niet meer stikstof in de natuur terecht komt dan er al is. De provincie werkt hiervoor aan een update van haar stikstofaanpak , de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) 2. 0. In 2020 is de eerste BOS vastgesteld met als uitgangspunt de stikstofuitstoot in alle sectoren te verminderen , de natuur te versterken en
42/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Beleidsstukken Provinciaal niveau
Relevantie economische en maatschappelijke initiatieven weer vooruit te laten gaan. De BOS 2. 0 zet de ingezette lijn van ‘verminderen , versterken en vooruitgaan’ voort en maakt sommige maatregelen en de verwachte resultaten concreter. Op 6 november 2024 is de 95%-versie van BOS2. 0 aangeboden aan Provinciale Staten
Waterschapsverordening waterschap de Dommel en waterschap Aa en Maas
De waterschapsverordening is een aanvulling op regels uit de Omgevingswet en is van toepassing op de rivieren , beken , sloten , grondwater en dijken (waterkeringen) die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen , zoals agrariërs en tuinders. De voorschriften in de Omgevingswet en de waterschapsverordening geven aan wat wel en niet mag en welke (vergunning)plichten er zijn. In de verordening staan regels voor activiteiten bij oppervlaktewater , lozen op oppervlaktewater en activiteiten met grondwater. Hierbij horen ook kaarten voor beschermde gebieden , attentiegebieden , wijstgronden en invloedsgebieden. De waterschapsverordening verwijst naar de Legger. Hierin staat waar sloten , rivieren , dijken en bruggen liggen en wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud. Aan deze verordening is aanvullende regelgeving verbonden , waaronder: • Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater; • Beleidsregels voor effluentlozingen van mestbewerkingsinstallaties op oppervlaktewater ten aanzien van antibiotica en resistente bacteriën.
Waterbeheerprogramma waterschap de Dommel (2022 – 2027)
Het waterschap de Dommel heeft een waterbeheerplan opgesteld waarin de beleidsdoelen voor de periode 2022-2027 zijn beschreven. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas , het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in haar hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust , wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het gronden oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen
43/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Beleidsstukken Provinciaal niveau
Relevantie door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap opvangen
hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas (2022 -2027)
3. Wat schoon is moet schoon blijven. In het waterbeheerplan (WBP) staan de doelen van het waterschap voor zes jaar en hoe ze die doelen willen bereiken. Het WBP is gericht op waterveiligheid , schoon water en klimaatbestendigheid en gezonde watersystemen.
Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorzieningen
De drie Brabantse Veiligheidsregio's (Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant , Veiligheidsregio Brabant-Noord en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost) hebben in 2016 uniforme beleidsregels vastgesteld ten aanzien van bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. Het doel van de beleidsregels is een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening te waarborgen , zodat de Veiligheidsregio's in staat zijn adequate brandweerzorg te leveren. De beleidsregels bieden oplossingsrichtingen waarmee invulling kan worden gegeven aan de doelvoorschriften die de Veiligheidsregio's hebben gesteld. Als wordt voldaan aan de beleidsregels , kan ervan uit worden dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening wordt gerealiseerd. In de beleidsregels zijn onder andere regels opgenomen met betrekking gegaan
tot de inrichting van wegen en de bereikbaarheid van gebieden die niet via de openbare weg worden ontsloten. Daarnaast is aangegeven aan welke eisen een bluswatervoorziening dient te voldoen om de brandweer in staat te stellen een brand effectief te bestrijden. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan deze beleidsregels. Programma veehouderij en gezondheid
Het programma ‘Veehouderij en gezondheid’ is gericht op gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen en bestaat uit verschillende deelonderzoeken. Het eerste onderzoek ‘Intensieve Veehouderij en gezondheid’ richtte zich op de vraag of er ziekten waren die in de omgeving van de veehouderijen vaker voorkwamen. Daarna startte het programma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). Sinds januari 2018 is het programma Veehouderij en Gezondheid en Omwonenden III (VGOIII) gestart. Het onderzoek concludeert dat er sprake is van zowel negatieve als positieve effecten voor omwonenden van
44/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Beleidsstukken Provinciaal niveau
Relevantie veehouderijen. Mensen die op of in de buurt van een veehouderij wonen hebben bijvoorbeeld minder last van astma en allergieën. Eén van de nadelige verbanden die werd gevonden is een extra risico op longontsteking bij mensen die woonden in de buurt van geitenhouderijen en/of pluimveehouderijen.
Gemeentelijke beleidsstukken Omgevingsvisie Someren 2028
Relevantie De omgevingsvisie is op 4 juli 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie van de gemeente geeft een visie en een richting voor de toekomst van de gemeente Someren. Deze omgevingsvisie is het middel om de gemeente te ondersteunen bij de ruimtelijke opgaven - en de bijbehorende ambities - op het gebied van onder andere wonen , economie en gezondheid. De omgevingsvisie is daarnaast bedoeld om te kijken of plannen van ontwikkelaars , inwoners en ondernemers passend zijn in de gewenste ontwikkelrichting van onze gemeente.
Omgevingsplan van rechtswege
Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking en zijn er geen bestemmingsplannen meer , maar een omgevingsplan van rechtswege. Dit tijdelijke plan bestaat uit de bruidsschat (oftewel de regels die het Rijk met de komst van de wet heeft overgedragen aan de gemeente) , alle ruimtelijke regels binnen de gemeente zoals bestemmingsplannen , beheersverordeningen en enkele lokale verordeningen. Onderhavig omgevingsplan voor deelgebied 5 is het eerste omgevingsplan van de gemeente Someren , maar uiterlijk 2032 moet voor het hele grondgebied van de gemeente Someren één integraal omgevingsplan zijn vastgesteld met hierin alle regels voor de fysieke leefomgeving.
Verordening geurhinder en veehouderij
De Verordening geurhinder en veehouderij 2010 van de gemeente Someren maakt van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijke deel van het
Geurgebiedsvisie en Evaluatie
omgevingsplan. Deze geurverordening bevat voor deelgebied 5 afwijkende waarden voor de kern Lierop (2 Ou) , Lierop-Zuid (6 Ou) en het buitengebied (14 Ou).
geurgebiedsvisie 2017
Aan de geurverordening ligt een geurgebiedsvisie ten grondslag. Met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn in de geurgebiedsvisie de normen voor de cumulatieve , als gevolg van stapeling van geuremissies van alle veehouderijen in het gebied , achtergrond geurbelasting opgenomen. De geurgebiedsvisie is geëvalueerd in 2017. Om functiewijzigingen op vablocaties mogelijk te maken heeft de gemeenteraad besloten om de norm voor het buitengebied aan te passen. De volgende waarden voor achtergrondbelasting worden door de gemeente Someren aangehouden:
45/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Gemeentelijke beleidsstukken
Relevantie Woonkernen: 10 Ou Buitengebied: 28 Ou Voor veehouderijen die stallen willen uitbreiden stelt de provincie NoordBrabant in de omgevingsverordening 10 Ou voor de bebouwde kom en 20 Ou buiten de bebouwde kom. Deze provinciale waarden zijn rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen die uitbreiden in stallen; deze gelden niet voor andere ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe geurgevoelige functies mogelijk maken.
Beleidsregel definitie geurgevoelig gebouw Someren 2024
In deze beleidsregel is de definitie voor geurgevoelige gebouwen vastgesteld. De definitie van geurgevoelig gebouw in het Bkl wijkt af van de oude wetgeving. Asielzoekerscentra , gevangenissen en recreatiewoningen zijn voorbeelden van soorten gebouwen die volgens de instructieregels van het Bkl niet meer geurgevoelig zijn. Een gemeente kan echter meer categorieën geurgevoelig gebouw aanwijzen. In deze beleidsregel voor veehouderijen wordt vooralsnog de oude definitie uit de Wet geurhinder een veehouderij gehanteerd.
Nota Archeologiebeleid gemeente Someren 2012
In het kader van de Wamz en de Wro heeft de gemeente deze Nota opgesteld , met daarin de beleidsuitgangspunten , achtergrond en instrumentarium voor implementatie van het beleid.
Beeldkwaliteitsplan buitengebied
In het beeldkwaliteitsplan is vastgelegd wat de waardevolle elementen en
2022
structuren in het buitengebied van Someren zijn. Ook wordt een aanzet gegeven hoe deze waarden kunnen worden beschermd en eventueel versterkt.
Nota Toerisme en Recreatie 2010
Toetsingskader voor initiatieven van derden.
Toeristische visie en actieprogramma 2030: “De
De nieuwe nota Toerisme en Recreatie voor intern gebruik.
Kracht van Toerisme” Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied en
Beleidsdocument dat inspeelt op de actuele veranderingen in het buitengebied van Someren. Onder andere de schaalvergroting in de
maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen
agrarische sector en de leegstand van agrarische bedrijven en noodzakelijke sloop. Maar ook de toenemende mate waarin andere functies zoals toerisme , recreatie , zorg en niet agrarische bedrijvigheid hun weg vinden in het buitengebied.
Invoeren Slooplening en Sloopbanken 2016
Bied de mogelijkheid tot financiële ondersteuning van sloop in het buitengebied.
46/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Gemeentelijke beleidsstukken
Relevantie
Beleidsnota Noodwoningen 2018
Biedt een kader voor het legaliseren van al lang bestaande noodwoningen in het buitengebied.
Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018
Bevat handvaten om te beoordelen of teeltondersteunende voorziening passend zijn in het gebied.
Nota Geluidbeleid 2021
Het geluidsbeleid van de gemeente is vastgesteld in afweging met het gemeentelijke milieu- , ruimtelijke ordenings- en economisch beleid. Daarnaast staan in de nota de gemeentelijke ambities om en hoe de geluidskwaliteit te beschermen , te behouden en waar mogelijk te verbeteren.
Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Someren 2024
Veranderde geluidwetgeving en terminologie onder de Omgevingswet.
Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2020
Het nieuwe beleid huisvesting arbeidsmigranten bestaat uit richtlijnen voor de huisvesting van met name de tijdelijke en permanent tijdelijke arbeidsmigrant. Ook de integratie van de arbeidsmigrant vormt onderdeel van het beleid.
Landschapsinvesteringsregeling Gemeente Someren 2023
In navolging van de Interim Omgevingsverordening is de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling (LIR) voor Someren opgesteld. Elke ruimtelijke ontwikkeling buiten het “bestaand stedelijk gebied” moet volgens artikel 3. 9 van de Interim omgevingsverordening gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om investeringen in de kwaliteit van landschap , cultuurhistorie , bodem , water ,
Beleid plattelandswoning Beleid zonneparken in het buitengebied
Mestbeleid gemeente Someren
6. 2
natuur en extensieve recreatieve mogelijkheden. In het beleid plattelandswoningen staat hoe de gemeente Someren omgaat met plattelandswoningen. Onderdeel van het beleid voor niet agrarische functies in het buitengebied. In dit “Beleid zonneparken in het buitengebied 2017” wordt , met inachtneming van de uitgangspunten van het NAF-beleid , een visie gegeven op zonneparken in het Somerens buitengebied. Het mestbeleid gemeente Someren bevat beleid waarin invulling wordt gegeven aan de provinciale regels voor mestbewerking.
Wijze waarop samenhang in het gemeentelijk beleid voor het buitengebied wordt bewaakt
6. 2. 1 Omgevingsvisie Someren 2024: geen nieuw beleid Op 4 juli 2024 is de omgevingsvisie Someren vastgesteld door de gemeenteraad. De Omgevingsvisie Someren bevat geen (grote) nieuwe ontwikkelingen of beleidsveranderingen. De raad heeft er voor gekozen het bestaande beleid voort te blijven zetten en slechts op
47/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
(thematische) onderdelen beleidsaanpassing te overwegen als daar een concrete noodzaak voor is. Daarom is er ook voor gekozen om voor de Omgevingsvisie zelf geen plan mer-procedure te doorlopen. Er worden immers geen nieuwe kaders gesteld in de Omgevingsvisie. Nieuwe ontwikkelingen zijn in de visie alleen agenderend opgenomen. Zoals het voornemen om op zoek te gaan naar nieuwe woningbouwlocaties. De omgevingsvisie biedt hiermee interpretatieruimte en mogelijkheid tot maatwerk dit is anno 2024 een overwogen keuze van de raad geweest. De feitelijke milieueffecten zijn afhankelijk van de mate en manier waarop deze interpretatieruimte nader ingevuld gaat worden. En dus pas meetbaar worden als concretisering van eventueel nieuw beleid duidelijk is. Het uitvoeren van een plan-mer op dergelijke globale ambities zou ook een globale plan-mer opleveren. Zodra dergelijke ambities concreter worden kan een plan-mer noodzakelijk zijn. In dat geval wil de raad er op dat moment zorg voor dragen dat ook de effecten voor het milieu in beeld worden gebracht (zie ook Omgevingsvisie gemeente Someren pagina 47). Bij het opstellen van de omgevingsvisie is gekozen om geen nieuw beleid op te nemen en vast te stellen. De omgevingsvisie is daarmee een vertaling van bestaand beleid en de ambities die genoemd worden hebben geen concrete vertaling gekregen in concreet nieuw beleid.
Er worden nog geen concrete ruimtelijke keuzen gemaakt voor gebieden en/of onderwerpen. ,
6. 2. 2 Bewaking samenhang van beleid Eventueel nieuw beleid voor de fysieke leefomgeving zal wellicht worden uitgewerkt in programma’s. Die zijn nog niet aan de orde op dit moment. Het bestaande beleid zoals dat voor invoering van de Omgevingswet al bestond blijft deels onder het overgangsrecht bijvoorbeeld de Geurgebiedsvisie en -verordening of de Hemelwaterverordening (Wet milieubeheer) van kracht en blijft ook deels op basis van bestaand beleid van toepassing. Bijvoorbeeld vastgestelde beleidsregels of het beeldkwaliteitsplan dat aan de bestemmingsplannen is gekoppeld. De gemeente blijft daar tot nadere besluitvorming aan toetsen. Daarmee is de vertaling naar het omgevingsplan voor deelgebied 5 consoliderend van aard en worden er geen nieuwe aspecten voor de fysieke leefomgeving in de vorm van regels opgenomen in deze eerste wijziging van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Grotendeels dus overeenkomstig deelgebieden 1 tot en met 4 van het buitengebied. ,