Bijlage Aanvullende notitie MER
Tekst van het document
,
6. 2. 3 Sporenaanpak Hierbij moet worden opgemerkt dat beleidsmatige aanpassingen in de regels voor het omgevingsplan eigenlijk alleen gemeente breed kunnen worden doorgevoerd. Het is niet logisch en roept rechtsongelijkheid en ook verwarring op om in een deelgebied zoals nu aan de orde ineens een beleidswijziging op te nemen in de vorm van regels. Die wijziging zou immers alleen voor deelgebied 5 gaan gelden en niet voor de rest van de gemeente. Beleidsmatige en thematische aanpassingen van regels kan iegelijk alleen maar voor de hele gemeente in een keer worden doorgevoerd. Dit is een beperking aan het gegeven dat het deelgebieden-proces al jaren loopt en nu met de Omgevingswet heeft te maken. Hierover is in hoofdstuk 6 van de motivatie van het besluit al een en ander opgeschreven (zie hoofdstuk ‘Hoe gaan we dit regelen?’) en zal ook in de Algemene toelichting bij de regels een en ander nader worden uitgelegd. ,
,
48/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Anders gezegd; het opstellen van regels voor het nieuwe deel van net omgevingsplan gebeurt langs 3 verschillende sporen: Spoor 1: Verhuizen van oud naar nieuw Ook wel het verhuizen van regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Ofwel oude bestemmingsplan regels worden nieuwe omgevingsplan regels; Beleidsarm eventueel met actualisatie regels rijk + provincie + jurisprudentie. Spoor 2: Ontwikkelingen Het mogelijk maken van nieuwe (locatie of gebieds)ontwikkelingen door het veranderen van functies en regels op een bepaalde locatie om een specifieke ontwikkeling mogelijk te maken; Initiatief bij aanvragen en moet volledig uitgewerkt zijn; Kan prima in ‘veegrondes’ meeliften in Spoor 1 of 3 Project- en locatiegericht. Spoor 3: Thematische wijzigingen Dit zijn de beleidsmatige aanpassingen van regels op basis van nieuw beleid het toevoegen van nieuwe regels uit overige gemeentelijke verordeningen of het opnemen van nieuwe aspecten voor de leefomgeving; Sterke relatie met beleid omgevingsvisie; Deze regels gelden doorgaans voor de gehele gemeente. ,
,
De eerste wijziging van het omgevingsplan Someren deelgebied 5 heeft hoofdzakelijk betrekking op spoor 1. De oude bestemmingsplannen worden verhuisd naar het omgevingsplan. Tegelijk hiermee moeten de regels geactualiseerd worden o. b. v. bestaande regels uit o. a. de verordening van de provincie en regels uit enkele paraplu-bestemmingsplannen van de gemeente Someren zelf. ,
49/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
Tot slot zitten er beperkt enkele locatiegerichte ontwikkelingen in het wijzigingsbesluit die elk hun eigen motivatie hebben aangeleverd voor die ontwikkeling. En worden de ‘legalisaties’ van locaties binnen het gemeentelijke beleid voor nieuwe functies in het buitengebied en de omvang van de (bestaande) bijgebouwen geregeld volgens het bestaande beleid van de gemeente deels opgenomen in het bestemmingsplan ‘Parapluplan NAF-beleid Someren’. ,
Figuur 3 - Schematisch overzicht 3-sporenaanpak omgevingsplan Someren
6. 3
Beschrijving relatie Omgevingsvisie en omgevingsplan
6. 3. 1 Omgevingsvisie: kaderstellend In de omgevingsvisie Someren van juli 2024 is door de gemeenteraad vastgelegd dat ze bij nieuwe (beleids)opgaven uit willen gaan van de Omgevingsvisie. Als er hierbij nieuwe inzichten (zijn) ontstaan wil de raad bekijken of ze de Omgevingsvisie moeten aanpassen. Het bijwerken van de Omgevingsvisie naar de actualiteit kan daarbij het gevolg zijn van: nieuwe inzichten in uitwerkingstrajecten rondom thema’s en/of gebieden; nieuwe opgaven die nog niet in de Omgevingsvisie staan; het niet meer aansluiten op opgaven in de samenleving en de beoogde strategie daarbij. ,
Hierbij is door de raad zelf aangegeven dat zij zich minimaal een keer per raadsperiode over de evaluatie en actualisatie van de omgevingsvisie uitspreekt. Hierbij kan het bij een
50/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
bestuurswisseling natuurlijk zo zijn dat er sprake is van een (kleine) aanpassing als gevolg van een nieuw inzicht. Het kan echter ook gaan om meer ingrijpendere aanpassingen. Bijvoorbeeld op basis van een (nieuwe) opgave voor de gemeente. Of een nog steeds niet van de grond komende opgave voor de gemeente. De gemeente houdt de actualiteit van de visie constant in de gaten. Door de Omgevingsvisie regelmatig te actualiseren wordt de samenhang in de opgaven en het beleid geborgd. En ligt er ook een betere grondslag om bijvoorbeeld geld te reserveren en te verantwoorden voor de inzet van instrumenten om tot realisatie te komen. Concreet om bijvoorbeeld programma’s op te stellen en tot uitvoering te brengen om de regels voor in het omgevingsplan aan te passen om een actieve communicatie of grondverwerving in te zetten of om extra personeel in te zetten op een onderwerp. Het omgevingsplan is immers ook niet het enige instrument dat de vertaling van beleid uit de omgevingsvisie naar uitvoering kan maken. (zie ook ‘Omgevingsvisie gemeente Someren’ pagina 46) Duidelijk moge zijn dat in tegenstelling tot het bestemmingsplan onder de Wro het omgevingsplan niet een echt kaderstellend omgevingsdocument is dat ‘nieuwe kaders’ kan stellen.
Sterke nog de omgevingswet schrijft als één van de belangrijkste wettelijke eisen voor elke overheid voor dat de eigen regels nooit in strijd mogen zijn met de eigen visie. Aldus is het niet aannemelijk dat een omgevingsplan een nieuw kader stelt voor een bepaalde ontwikkeling. Waarbij tegelijk de opmerking moet worden gemaakt dat gedurende de transitieperiode tot aan 2029 en wellicht ook nog tot aan 2032 er wel degelijke strijdigheden zullen zitten tussen regels in een (tijdelijke deel van het) omgevingsplan en de beleidskaders in de eigen omgevingsvisie. Dat is nou eenmaal de overgangsperiode. ,
,
,
,
,
,
6. 3. 2 Beleidscyclus omgevingswet De relatie tussen omgevingsvisie en omgevingsplan is daarom wettelijk geborgd. Maar zal in tijd gezien ook altijd een bepaalde mate van vertraging kennen. En het omgevingsplan zal in principe
Positie van het omgevingsplan onder de Ow
Positie van het bestemmingsplan onder de Wro
Figuur 3. Beleidscyclus omgevingswet
51/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
nooit in strijd kunnen zijn met de omgevingsvisie. Is dat wel het geval dan is dat aanleiding om de regels in het omgevingsplan aan te passen. In wezen is dit het bekend proces van de beleidscyclus zoals weergegeven in figuur 3. Opvallend daarbij is dat vergeleken met de beleidscyclus onder de Wro het omgevingsplan veel meer onderdeel is van het segment ‘Uitvoering’ en minder van het segment ‘Beleidsdoorwerking’. Juist omdat het omgevingsplan uitgaat van algemeen toepasbare regels en bijvoorbeeld dus ook geen wijzigingsbevoegdheden meer kent. Net zoals op grond van het Bbl of het Bal kun je op grond van het omgevingsplan uiteindelijk alleen maar een toestemming krijgen voor een daarin opgenomen activiteit waarvoor de voorwaarden zijn vastgelegd in dat omgevingsplan. ,
,
7
Effectbeoordeling
De aanvulling op het MER heeft niet geleid tot een gewijzigde effectbeoordeling. In onderstaande tabel staan de effectbeoordelingen samengevat. Toetsingscriteria Ecologie
Worstcase alternatief
Planalternatief
Effecten Natura 2000-gebieden Effecten gebiedsbescherming overige natuurgebieden Effecten beschermde soorten
-
-
0/0 0
Effecten beschermde houtopstanden Landschap Vanuit agrarische bedrijven
0
0
-
0
Vanuit nevenfuncties Vanuit recreatieve voorzieningen Cumulatieve beoordeling
0 0 0
Overige criteria Cultuurhistorische structuren
0
Archeologische waarden Waterkwaliteit Waterkwantiteit
0 0 0
Bodem(kwaliteit) Verkeer Geluid
0 0 0
Fijn stof Geur Gezondheid: endotoxinen
-
0/0/0/-
n. v. t.
0 0 0
n. v. t.
0/-
-
Gezondheidsbevordering Klimaatbestendigheid Bijdrage aan klimaatambities Bijdrage aan energieambities
52/53
Kenmerk
R003-1294663LEH-V01
53/53