Bijlage 1b ETFAL Loovebaan 31
Tekst van het document
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
29
CRI260011.003/GBS
Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. 5.5.2
Beoordeling In de omgeving is sprake van drie locaties waar er vergunning aanwezig is voor het houden van dieren. Het gaat om drie adressen aan De Ruiter.
Figuur 19: Kaartbank Provincie Noord-Brabant
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Tevens dient voldaan te worden aan de aan te houden vaste afstanden van bedrijven tot toe te voegen gevoelige functies. De afstand van alle veehouderijbedrijven tot de projectlocatie bedraagt meer dan 100 meter. Daarmee wordt voldaan aan de vaste afstand. Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Op de bedrijven worden geen dieren gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De voorgrondbelasting vormt geen bezwaar. Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum maart 2025) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is hierna opgenomen, waarbij de ligging van de projectlocatie is aangeduid.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
30
CRI260011.003/GBS
Figuur 20: Achtergrondbelasting en leefklimaat in de omgeving van de projectlocatie
Ter plaatse is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Dit aspect vormt geen bezwaar. Belangen veehouderijen Als gevolg van de beoogde ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De omliggende bedrijven worden reeds begrenst door functies die zich dichter tot het projectgebied bevinden. Er wordt voldaan aan de vaste afstanden en de achtergrondbelasting is geen bezwaar. 5.5.3
Conclusie geur Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
5.6
Beschermen van de gezondheid
5.6.1
Algemeen Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
31
CRI260011.003/GBS
5.6.2
Beoordeling
5.6.2.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waar endotoxinen onderdeel van uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit die veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxinen door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de omgeving liggen geen kippen- of varkensbedrijven.
Het dichtst tot de projectlocatie is het bedrijf Dellerweg 17. Deze afstand bedraagt meer dan 650 meter. Daarmee is de projectlocatie ruimschoots buiten de endotoxinecontour gelegen. 5.6.2.2 Geitenhouderij Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. Binnen een afstand van 2 kilometer liggen geen geitenhouderijen.
5.6.2.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Ten zuiden van de rondweg liggen twee percelen waar akkerbouw mogelijk is en daarmee de mogelijkheid tot toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Het betreft de navolgende perceelsdelen over een oppervlakte van circa 1.655 m².
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
32
CRI260011.003/GBS
Figuur 21: zone cultuurgrond binnen 50 meter
Voorgesteld wordt hier maatregelen te nemen. Dat kan door het opnemen van een spuitvrije zone of maatregelen te voorkomen van het verwaaien van drift afkomstig van spuittechnieken. 5.6.2.4 Hoogspanningsverbinding Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.
De dichtst bij de projectlocatie gelegen hoogspanningslijn is gelegen op een afstand van circa 2,2 kilometer tot de projectlocatie en heeft hiermee geen invloed op dit plan. 5.6.2.5 Trillingen In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
33
CRI260011.003/GBS
van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Verkeer over een oneffen wegdek kan ook trilling veroorzaken. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter.
De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheid, zoals bij een brug. Meestal speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. In de omgeving liggen geen functies of wegverbindingen die zware trillingen veroorzaken. Andersom wordt ook geen trillingvormend object gerealiseerd. 5.6.2.6 Kwaliteit van de buitenlucht Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de beoordeling of met een plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Volgens paragraaf 5.1.4.1 gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO²) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: - Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarde; - Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
34
CRI260011.003/GBS
NIBM Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast is er in artikel 5.54 Bkl een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg /m³ of minder als bedoeld in artikel 5.53 Bkl voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: 1. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m²; 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m² 3. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.
Dit initiatief betreft een project in niet betekenende mate. Er worden 50 appartementen toegevoegd. Aandachtsgebieden De projectlocatie is niet gelegen binnen een aandachtsgebied in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect is daarmee niet relevant. Uitgezonderde locaties (blootstelling) Binnen de projectlocatie is sprake van het realiseren van een woonblok van 50 appartementen. Er is geen sprake van een uitgezonderde locatie. De luchtkwaliteit dient te worden beoordeeld. Er gelden de volgende grenswaarden voor fijnstof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. - de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren betreffen uitsneden van de kaarten met de waarden voor fijnstof voor de projectlocatie en de omgeving hiervan.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
35
CRI260011.003/GBS
Figuur 22: Uitsnede kaart met fijnstof PM10, waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid (RIVM, 2023)
Figuur 23: Uitsnede kaart met fijnstof PM2,5, waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid (RIVM, 2023)
Binnen de projectlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8-9 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarden. De realisatie van dit plan is in het kader van fijnstof geen bezwaar. Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft voor stikstofdioxide een maximale grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 40 µg/m³. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de waarden voor stikstofdioxide voor de projectlocatie en de omgeving hiervan.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
36
CRI260011.003/GBS
Figuur 24: Uitsnede kaart met Stikstof NO2, waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid (RIVM, 2023)
Binnen de projectlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 8-12 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarde. De realisatie van dit plan is in het kader van stikstof geen bezwaar. 5.6.3
Conclusie beschermen van de gezondheid Het aspect ‘beschermen van de gezondheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
5.7
Omgevingsveiligheid
5.7.1
Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crises, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
37
CRI260011.003/GBS
5.7.2
Beoordeling De projectlocatie is op de kaarten externe veiligheid van de Atlas Leefomgeving niet gelegen in een aandachtsgebied van een risicovolle bron met betrekking tot de externe veiligheid.
Figuur 25: Uitsnede Kaart omgevingsveiligheid waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid met een rode cirkel
Vervoer over het spoor In de wijde omgeving zijn geen spoorlijnen aanwezig. Dit aspect vormt geen bezwaar. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. In de omgeving liggen geen wegen waarvoor een aandachtsgebied is opgenomen. Dit aspect vormt geen bezwaar. Vervoer over het water In de omgeving liggen geen waterwegen. Vervoer via buisleidingen Ten oosten van het besluitgebied liggen twee buisleidingen van de Gasunie. De projectlocatie ligt met een afstand van 1,5 kilometer geheel buiten het aandachtsgebied van deze leidingen. Dit aspect vormt derhalve geen bezwaar. 5.7.3
Conclusie omgevingsveiligheid Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
38
CRI260011.003/GBS
5.8
Toetsing m.e.r.-beoordeling
5.8.1
Algemeen Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r. is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (m.e.r.). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r.. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: - de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; en - als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1.
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, zoals degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
5.8.2
Beoordeling De ontwikkeling is wel aan te merken als project waarvoor een besluit van een mer(beoordelings)plicht geldt). In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling dan ook aan de orde.
5.8.2.1 Toets De ontwikkeling is aan te merken als project waarvoor een besluit van een mer-(beoordelings)plicht geldt). 5.8.2.2 Kenmerken van het project Inleiding Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen: De omvang van het project Cumulatie met andere projecten Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. De omvang van het project: Het plan heeft betrekking op realisatie van 50 nieuwe woningen in het stedelijk gebied van Someren. De projectlocatie bevindt zich te midden van bestaande woningbouw.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
39
CRI260011.003/GBS
Cumulatie met andere projecten In de directe omgeving van de projectlocatie zijn gelijktijdig geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Daarvoor is de onderlinge afstand te groot. Er zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. De woningen worden gerealiseerd met steenachtige materialen, staal en hout. Grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. Wat betreft energie stimuleert de gemeente het gebruik van duurzame (energie)systemen. De woningen worden gasloos uitgevoerd. De productie van afvalstoffen Bij de beoogde herontwikkeling worden geen stoffen, methoden of technologieën gebruikt waardoor afvalstoffen of emissies vrijkomen. Verontreiniging en hinder Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en trillingen gedurende de dagperiode. Beoogd wordt dit tot een minimum te beperken. Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Woningen zijn geen risicobron.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het plaatsgebonden risico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen. Plaats van de activiteit Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden, in dit geval Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Binnen de projectlocatie is enkel sprake van een bedrijfsfunctie. Er is geen sprake van een kwetsbare locatie. Binnen de projectlocatie zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel effect hebben op het project. Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert. Kenmerken van de potentiële effecten Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: het bereik van het effect het grensoverschrijdende karakter van het effect de waarschijnlijkheid van het effect
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
40
CRI260011.003/GBS
-
de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het project
Het bereik van het effect betreft de zeer nabije directe omgeving van de projectlocatie. Er is geen sprake van een grensoverschrijdende karakter van de ontwikkeling. Uit deze motivering en de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving zeer klein is. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. (Milieu)effecten
Beschrijving van de mogelijke effecten
Bodem
Verwezen wordt naar paragraaf 4.1 van deze motivering en het bodemonderzoek dat als bijlage bij deze motivering is bijgevoegd. Verwezen wordt naar paragraaf 4.3 van deze motivering. Er wordt een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op de locatie. Verwezen wordt naar paragraaf 4,2 van deze motivering en het bij deze motivering gevoerde waterplan. De beoogde herontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie binnen de projectlocatie of in de omgeving. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4. van deze motivering en de bijgevoegde flora en fauna quick scan en het stikstofonderzoek. Deze onderzoeken behoren als bijlage bij deze motivering. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan geen flora- en faunawaarden verloren. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen negatief effect op waterwingebieden of Natura 2000-gebieden in de omgeving. Verwezen wordt naar paragraaf 4.5 van deze motivering en het uitgevoerde akoestische onderzoek wegverkeerslawaai dat als bijlage bij deze motivering is gevoegd. Met deze functiewijziging is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in verband met geluid mits er aanvullende maatregelen worden getroffen zoals benoemd in het akoestisch rapport. Verwezen wordt naar paragraaf 4.7.6 van deze motivering.
Uit de conclusies blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Archeologie en cultuurhistorie Water
Natuur/Ecologie
Geluid
Luchtkwaliteit
Doorlopen m.e.r.procedure noodzakelijk Nee Nee Nee
Nee
Nee
Nee
In voldoende mate is inzicht verkregen in de milieugevolgen van de beoogde herontwikkeling van het woningbouwplan. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. De effecten blijven beperkt tot de projectlocatie en de directe omgeving daarvan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
41
CRI260011.003/GBS
5.8.3
Conclusie m.e.r.-beoordeling Het aspect ‘m.e.r.’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
42
CRI260011.003/GBS
6
Goede omgevingskwaliteit
6.1
Water
6.1.1
Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van een plan voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas.
6.1.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland zijn er grote opgaven voor het waterdomein. Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor een goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Dit plan wordt door de waterschappen op gebiedsniveau vormgegeven.
6.1.1.2 Principes Waterschap Aa en Maas Het Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes bij ruimtelijke ontwikkelingen: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; - doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; - hydrologisch neutraal bouwen; - water als kans; - meervoudig ruimtegebruik; - voorkomen van vervuiling; - wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen. 6.1.1.3 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Aa en Maas In het Waterbeheerplan is beschreven welke doelen door het waterschap worden nagestreefd in de periode 2022-2027 en hoe het waterschap deze doelstellingen gaat behalen. Het waterbeheerplan is gebaseerd op de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 3. Afvalwaterketen.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
43
CRI260011.003/GBS
Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma ‘Afvalwaterketen’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Om deze doelen te bereiken zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: - het maken van actieplannen met maatregelen gericht op een klimaatrobuust watersysteem; - het verkennen van de mogelijkheden om de hoeveelheid water die vanuit bebouwd gebied wordt afgevoerd op het regionale systeem te beperken; - inzetten op extra maatregelen: ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken; - meedenken met gemeenten bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen, hemelwaterverordeningen en het opnemen van klimaatadaptatie in bestemmingsplannen; - handhaven van de stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied en deze koppelen waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; - de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, ontwikkelaars en de bouwsector breed opzoeken in het bebouwde gebied; - Intensief samenwerken op de overgang tussen bebouwd gebied en landelijk gebied, ook rondom bedrijventerreinen. 6.1.1.4 Water- en Rioleringsprogramma (WRP) 2026–2030 Someren Het WRP 2026–2030 is de uitwerking van de Omgevingsvisie van Someren op het gebied van water en klimaat. Het beschrijft hoe de gemeente haar wettelijke watertaken uitvoert en toekomstbestendig maakt. Het programma vervangt het eerdere gemeentelijk rioleringsplan en vormt het beleidskader voor de periode 2026–2030.
De belangrijkste doelen zijn: Zorgen voor een goed functionerend en betrouwbaar riool- en watersysteem Bescherming van volksgezondheid en leefomgeving Klimaatadaptatie: beter omgaan met hevige regen, droogte en hitte Het systeem betaalbaar en toekomstbestendig houden
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
44
CRI260011.003/GBS
Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld, waarbij de gemeente alleen voorziet in een vuilwaterhuisaansluiting. De gemeente houdt hierbij de trits vasthouden – bergen – afvoeren aan. Bij ver- en nieuwbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Vanuit waterbelang, i.v.m. zichtbaarheid, bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver, wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Ondergrondse buffering en infiltratie is, mits goed aangelegd en onderhouden, een goed alternatief als bovengrondse buffering niet gewenst is. Uitgangspunt is dat een buffer gerekend met een k-waarde van 1,0 m¹ per dag binnen 24 uur weer beschikbaar is. Een particuliere infiltratievoorziening mag uitsluitend op maaiveldniveau (zichtbaar) een overstort hebben naar openbaar gebied. Waar infiltreren aantoonbaar niet mogelijk is, mag het water vanuit een buffer vertraagd afgevoerd worden naar de openbare ruimte. Bij herontwikkeling van openbaar terrein streeft de gemeente ernaar om 20 mm te bufferen en te infiltreren. Uitgangspunt voor de verwerking is bovengrondse buffering en infiltratie via een vijver, wadi of lagergelegen (onverhard) terrein.
Als bovengrondse verwerking niet wenselijk of haalbaar is, mag het hemelwater ondergronds worden gebufferd en geïnfiltreerd. Een buffer- of infiltratievoorziening mag uitsluitend op maaiveldniveau (zichtbaar) een overloop hebben naar openbaar gebied. Als infiltreren niet mogelijk of wenselijk is, dan mag het water vanuit een buffer vertraagd worden afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Aanvullend gelden voor gebiedsontwikkelingen die groter zijn van 500 m2 de volgende uitgangspunten: De waterschapsverordening eist compenserende maatregelen met bergingseis 60 mm ten opzichte van toename verhard oppervlak (daken en terrein), met afvoer max 2 l/s/ha en minimaal 24 uur afvoer. Het plan (bovengronds ontwerp + riolering) moet worden getoetst met een neerslaggebeurtenis van 80 mm in één uur. Hierbij gelden de volgende toetsingscriteria: - Geen water in panden - Ontsluitingswegen moeten begaanbaar blijven - Situatie buiten het plangebied ten aanzien van water in panden en begaanbaarheid wegen mag niet verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. 6.1.2
Beoordeling
6.1.2.1 Beschermingsregime De projectlocatie is niet aangeduid als gelegen binnen een attentiegebied voor de waterhuishouding of een beschermd gebied in het kader van de waterhuishouding. 6.1.2.2 Bodem en grondwater De projectlocatie betreft een grondsoort bestaande uit Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23). Binnen de projectlocatie is een Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van circa 120 centimeter beneden maaiveld. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de GHG, waarin de ligging van de projectlocatie is aangeduid.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
45
CRI260011.003/GBS
Figuur 26: Uitsnede GHG waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid
6.1.2.3 Huidig en toekomstig verhard oppervlak De huidige gemeentewerf is over een oppervlakte van 3.500 m² verhard. In de toekomstige situatie bedraagt het verhard oppervlak ca 1.335 m² voor het hoofdgebouw, 140 m2 voor de bergingen en 1.322 m² voor het openbaar gebied. De benodigde waterinfiltratie bedraagt 213 m³ indien er rekening wordt gehouden met een bergingsopgave van 80 m³ per m1 verhard oppervlak. 6.1.2.4 Hemelwaterinfiltratievoorziening Het hemelwater dat valt op daken en de parkeerplaatsen wordt via regengoten afgevoerd naar een wadi op het perceel, waar dit vertraagd infiltreert in de bodem. De verharding wordt zodanig aangelegd dat het water dat valt op deze verharding afvloeit naar de groensingels en hier vertraagd infiltreert in de bodem. De GHG en bodemsamenstelling bieden hiervoor de ruimte. De aanleg en instandhouding van waterinfiltratievoorzieningen wordt geborgd in de omgevingsvergunning voor deze ontwikkeling.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
46
CRI260011.003/GBS
Figuur 27: Waterinfiltratie
De wadi heeft een oppervlakte van circa 1.260 m². De Wadi heeft een diepte van maximaal 85 cm. Daarmee is de wadi voldoende ruim gedimensioneerd. De inhoud van de wadi bedraagt 269 m³. De wadi staat in verbinding met de andere wadi’s in Groote Hoeven. Gelet op de hemelwaterverordening is ten behoeve van het project een onderzoek verricht naar de waterdoorlatendheid van de bodem. De rapportage van dit onderzoek wordt bijgevoegd als bijlage 4. Beoordeling De doorlatendheid van de aanwezige zandlagen wordt geclassificeerd als matig tot goed doorlatend. Voor de dimensionering van toekomstige infiltratievoorzieningen, wordt geadviseerd een rekenwaarde te hanteren van 0,5 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen, vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5. Econsultancy acht bodemlagen met een minimale doorlatendheid van 1,0 m/dag geschikt voor infiltratie van hemelwater. Bodemlagen met lagere doorlatendheden worden als minder geschikt geacht voor hemelwaterinfiltratie. Als gevolg van de lagere doorlatendheid zullen toekomstige beringsvoorzieningen langzamer ledigen. In het plan en het ontwerp dient hiermee rekening te worden gehouden. Door het infiltratieoppervlak van toekomstige voorzieningen te vergroten kan de leeglooptijd verkleind worden. Ook zal wellicht eerder gekeken moeten worden naar de
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
47
CRI260011.003/GBS
mogelijkheid tot het vertraagd afvoeren van regenwater op een oppervlaktewater of een (gescheiden)rioolstelsel. 6.1.3
Conclusie water Het aspect ‘water’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
6.2
Cultureel erfgoed
6.2.1
Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed, voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: - ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; - verplaatsing van beschermde monumenten; - gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; - aantasting van de omgeving van een beschermd monument; - aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; - conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
6.2.2
Beoordeling
6.2.2.1 Archeologie De beleidskaart van de gemeente Someren geeft hoge archeologische verwachtingswaarden voor de projectlocatie. De aanduiding op de archeologische gemeentelijke beleidskaart betekent dat gezien de daar opgenomen archeologische verwachtingswaarden, een archeologisch onderzoek nodig is.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
48
CRI260011.003/GBS
Figuur 28: Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding projectlocatie
Gelet op vorenstaande dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek wordt bijgevoegd als bijlage 5. 6.2.3
Overig cultureel erfgoed Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig projectgebied geen sprake.
6.2.4
Conclusie cultureel erfgoed Het aspect ‘cultuur erfgoed’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
6.3
Natuur
6.3.1
Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten-/diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
6.3.1.1 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
49
CRI260011.003/GBS
natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren: - óf er soorten aanwezig zijn; - en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
6.3.1.2 Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. 6.3.2
Beoordeling
6.3.2.1 Flora en fauna Ten behoeve van onderhavig project is een quickscan verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als bijlage 6. Het rapport komt met de navolgende conclusie: -
-
Met de herontwikkeling van de gemeentewerf in Someren gaat een vaste roestplaats van een kerkuil verloren waarbij vergunningplichtige handelingen/verbodsbepalingen uit artikel 11.37 Bal Omgevingswet worden overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Voor de Flora en fauna-activiteit dient een mitigatieplan/activiteitenplan opgesteld dienen te worden en een vergunning op de Omgevingswet te worden aangevraagd. De voorzorgsmaatregelen voor vogels algemeen en de algemene/specifieke zorgplicht voor vrijgestelde soorten (zie hoofstuk 8 blz. 28) dienen te worden opgevolgd.
6.3.2.2 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
50
CRI260011.003/GBS
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan Rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’ is het meest nabij de projectlocatie gelegen Natura 2000-gebied. Dit gebied ligt op een afstand van circa 3,5 afstand kilometer ten westen van de projectlocatie. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van Natura 2000-gebieden ten opzichte van de projectlocatie.
Figuur 29: Uitsnede kaart met de ligging van Natura 2000 gebieden ten opzichte van de projectlocatie
Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow). Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als bijlage 7 bij voorliggende motivering.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
51
CRI260011.003/GBS
Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden. 6.3.2.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. De projectlocatie valt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Er vindt dus geen ruimtebeslag plaats. Naast ruimtebeslag, kunnen door de toepassing van externe werking ook verstoringseffecten van belang zijn. Deze gelden als de werkzaamheden binnen 100 meter van het NNB uitgevoerd worden. De minimale afstanden tot het NNB zijn veel groter, waardoor potentiële verstoring van fauna binnen het NNB niet aan de orde is.
Navolgende figuur geeft een kaart met de ligging van NNN en NNB gebieden ten opzichte van de projectlocatie.
Figuur 30: Uitsnede kaart met de ligging van NNN en NNB-gebieden ten opzichte van de projectlocatie
6.3.2.4 Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen Rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
52
CRI260011.003/GBS
binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen. Er dienen enkele bomen te worden gekapt. Het projectgebied ligt ‘binnen de bebouwingscontour houtkap’ (binnen de bebouwde kom). Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig die op de beschermde bomenlijst van de gemeente Someren staan. Mogelijk is voor een aantal van de te kappen bomen wel een omgevingsvergunning nodig en kan een herplantplicht van toepassing zijn. 6.3.3
Conclusie natuur Het aspect ‘natuur’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
6.4
Duurzaamheid en klimaat
6.4.1
Algemeen Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen; - Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen; - Natuurinclusief bouwen.
6.4.1.1 Klimaat Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
53
CRI260011.003/GBS
effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. 6.4.2
Beoordeling Bij voorliggend bouwplan wordt voldaan aan de voorwaarden voor duurzaamheid bij verbouw zoals deze zijn voorgeschreven in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Er wordt uiteraard gebruik gemaakt van zonnepanelen, gasloos verwarmen en het hemelwater wordt in de bodem geïnfiltreerd.
6.4.3
Conclusie duurzaamheid en klimaat Het aspect ‘duurzaamheid en klimaat’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
6.5
Positieve gezondheid
6.5.1
Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
54
CRI260011.003/GBS
bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. 6.5.2
Beoordeling Het plan voor de realisatie van 50 sociale huurappartementen in het stedelijk gebied van Someren levert een positieve bijdrage aan het concept positieve gezondheid. Dit concept richt zich niet alleen op fysieke gezondheid, maar ook op aspecten als mentaal welbevinden, sociale participatie, zingeving en kwaliteit van de leefomgeving. De woningen worden duurzaam worden gerealiseerd (goede ventilatie, daglicht, isolatie) waarmee er sprake is van een goede woonkwaliteit. Doordat de locatie dichtbij voorzieningen en ligt biedt dit de mogelijkheid voor lopen en fietsen. Daarnaast dragen voldoende betaalbare en woningen bij aan de factor mentaal welzijn.
6.5.3
Conclusie positieve gezondheid Het aspect ‘positieve gezondheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
55
CRI260011.003/GBS
7
Uitvoerbaarheid
7.1
Advies en instemming Artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit en artikel 16.15 van de Omgevingswet regelen samen het advies en de instemming van Gedeputeerde Staten bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: ‘Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.’ Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd.
In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het aanvragen van een omgevingsvergunningen (BOPA) kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een
Motivering Loovebaan 31 Someren Crijns Rentmeesters B.V.
56
CRI260011.003/GBS
initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken. Woensdag 16 december 2025 is een omgevingsdialoog gevoerd. De informatieavond vond plaats in de vorm van een inloopavond, waarbij omwonenden vrij konden binnenlopen om zich te laten informeren over de plannen voor de nieuwe ontwikkeling. In de zaal stonden diverse informatie borden opgesteld, waaronder een situatietekening, sfeerimpressies, een toelichting op waarom we gaan bouwen en de globale planning. De informatiebijeenkomst heeft waardevolle input opgeleverd vanuit de omgeving. Omwonenden hebben zorgen geuit over verkeer en parkeren, maar ook positieve reacties gegeven op de architectuur en de mogelijke doelgroep van het project.
7.3
Economische uitvoerbaarheid
7.3.1
Kostenverhaal Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Is sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het afwijken van het omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. De initiatiefnemer sluit een anterieure overeenkomst met de gemeente over kostenverhaal van dit plan.
7.3.2
Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn het omgevingsplan, een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: