CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

Gemeenteraad 16 mei 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren26.205 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

37

4.3.3 Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen De gemeente Someren heeft in de raadsvergadering van 28 juni 2018 het 'Beleid voor niet agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen' (NAF-beleid) vastgesteld. Het doel van deze beleidsnota is een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied voor Someren te creëren dat in combinatie met een vitale dorpskern ervoor zorgt dat iedere bewoner en bezoeker een prettige fysieke en sociale leefomgeving wordt geboden.

Er is een duidelijke scheiding tussen stedelijk gebied en buitengebied en er is sprake van zo min mogelijk leegstand van voormalig agrarische bedrijfsgebouwen. Duurzaamheid is daarbij het kernwoord. De gemeente Someren wil uitbreidingsruimte toekennen, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied.

Om te bepalen wanneer een ontwikkeling bijdraagt aan een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied heeft de gemeente Someren vier principes gedestilleerd. Gesteld wordt het volgende: “Binnen die kaders willen we nieuwe initiatieven in beginsel omarmen en is een ontwikkeling kansrijker indien: 1. 2. 3. 4.

het bijdraagt aan de sloop van stallen (natuurlijk kapitaal); het ruimte biedt aan innovatie (economisch kapitaal); het bijdraagt aan een maatschappelijke en/of zorgbehoefte uit de Somerense gemeenschap (menselijk kapitaal); het de uitgangspunten van Cradle to Cradle als vertrekpunt hanteert (natuurlijk, menselijk en economisch kapitaal).”

Stenen voor stenen ´Stenen voor stenen´ houdt onder andere in dat de oppervlakte aan bijgebouwen kan worden uitgebreid boven hetgeen het bestemmingsplan toestaat, mits er elders bebouwing gesloopt wordt.

De verhouding van de te slopen bebouwing en terug te bouwen gebouwen is afhankelijk van de locatie waar gesloopt wordt. De gemeente Someren hanteert daarvoor navolgend schema:

Tabel 6: Schema sloopverhoudingen

38

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

Het plangebied is gelegen in een bebouwingsconcentratie. Op basis van het NAF-beleid dient er voor iedere m² extra bebouwing elders in binnen de gemeente, 2 m² bebouwing te worden gesloopt binnen het plangebied. Binnen het plangebied wordt circa 13.630 m² gesloopt. Initiatiefnemer zal deze sloopmeters in de sloopbank brengen.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

39

40

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Bedrijven- en milieuzonering

5.1.1 Inleiding Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.

Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar). Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

5.1.2 Beoordeling/betekenis voor het plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn een tweetal sportaccommodaties gelegen; 1. 2.

Tennisvereniging aan Groeneweg 3, milieucategorie 3.1, richtafstand 50 meter (geluid) Schietvereniging aan Groeneweg 3a, milieucategorie 4.1, richtafstand 200 meter (geluid)

Het plangebied is op een kortere afstand tot deze accommodaties gelegen dan de aan te houden

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

41

richtafstanden. De effecten zijn verder uitgewerkt in paragraaf 5.3.3 Industrielawaai.

5.2

Bodem

5.2.1 Inleiding Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om bij een ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.

5.2.2 Beoordeling/betekenis voor het plangebied Voor deze planontwikkeling is in deze fase een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als Bijlage 4 Historisch bodemonderzoek toegevoegd aan deze toelichting. De conclusie uit de onderzoeksrapportage luidt als volgt:

"Gelet op de periode en aard van de potentieel bodembedreigende handelingen, de staat van de bedrijfsvoering en de resultaten de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken in de periode 1994-1998, is het evenwel niet de verwachting dat sprake zal zijn van een verontreiniging die in de weg staat voor de beoogde wijziging van bestemming van de locatie. Voor zover al verontreinigingen zullen worden aangetroffen in concentraties boven de interventiewaarden zal er ook geen sprake zijn van spoedeisendheid van sanering. Opgemerkt wordt dat een verkennend onderzoek, in navolging van de vereisten uit de gemeentelijke bouwverordening, na sloop van de bebouwing dient te worden uitgevoerd."

Na sloop van de aanwezige bebouwing zal een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de bouwactiviteiten dient de bodem in ieder geval geschikt te zijn c.q. te zijn gemaakt voor de geplande woonbestemming.

Het hergebruiken van grond valt onder de regels van de Besluit bodemkwaliteit. Indien als gevolg van graafwerkzaamheden op de locatie (bijv. bij het bouwrijp maken van het terrein en het graven van een kelder) grond vrijkomt die niet op locatie kan worden hergebruikt, dan dient deze te worden afgevoerd conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Voor het toepassen van grond zijn eveneens de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Het toepassen van grond (>50 m³) dient gemeld te worden bij het meldpunt bodemkwaliteit. Indien grondwater wordt onttrokken dient voldaan te worden aan het Besluit lozen buiten inrichtingen. Bij de eventuele aanleg van bodemenergiesystemen dient rekening gehouden te worden met eventuele verontreinigingen in het grondwater.

42

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

5.3

Geluid

5.3.1 Inleiding Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.

Het planvoornemen bestaat uit de toevoeging van 26 woningen. Woningen zijn op basis van de Wgh aan te merken als geluidsgevoelige objecten. In het geval van de ontwikkeling van woningen dient te worden afgewogen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij worden wegverkeerslawaai en industrielawaai in beschouwing genomen. 5.3.2 Wegverkeerslawaai Artikel 82 tot en met 85 van de Wgh geven nadere uitleg met betrekking tot de geluidbelasting in zogenaamde “Nieuwe situaties” (er dient een ruimtelijke procedure te worden gevolgd). De zogenaamde voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Is de geluidbelasting lager dan 48 dB dan legt de Wgh geen restricties op aan een plan. Wordt deze voorkeursgrenswaarde overschreden dan kan door de gemeente een hogere waarde worden vastgesteld. Indien de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, kan de gemeente ontheffing verlenen indien maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB onvoldoende doeltreffend zijn dan wel op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Navolgende figuur geeft de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied weer.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

43

Figuur 17: Hoeveelheid dB binnen plangebied ten gevolge van wegverkeerslawaai

De geluidsbelasting ter hoogte van de rij- en patiowoningen binnen het plangebied als gevolg van wegverkeer bedraagt 0-48 dB, veroorzaakt door de Groeneweg, en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde dan ook niet. De vier woningen (twee-onder-een-kap) direct grenzend aan de Groeneweg liggen voor een klein gedeelte in de geluidzone met een geluidbelasting tussen de 48 en 53 dB. De Groeneweg is een 30 km/h weg. Voor een 30km/h weg geldt geen hogere waarde. De nieuwbouw woningen zullen een gevelwering hebben van 20 dB, waardoor voldaan wordt aan een binnenniveau van 33 dB. Derhalve zal sprake zijn van en goed woon-en leefklimaat. Het aspect wegverkeerslawaai vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.3.3 Industrielawaai Aan de Groeneweg, ten noorden van het plangebied, is een tennisbaancomplex en een gebouw met binnenbanen van een schietvereniging gelegen. Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' is er hier sprake van een 3.1 categorie bedrijf. Voor deze categorie is er een richtafstand van minimaal 50 meter voor geluid. Het plangebied is gelegen op een afstand van ongeveer 10 meter. Op grond hiervan geldt dat op het vlak van industrielawaai een nadere onderzoeks- of afwegingsplicht geldt.

Beoordeling/ betekenis voor het plangebied

44

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

1) Tennisbanen Om een indruk te krijgen of de geluidemissies van de tennisbanen van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de geplande woonwijk, is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Deze is als Bijlage 5 Akoestisch onderzoek industrielawaai bij deze toelichting gevoegd. De conclusies uit de onderzoeksrapportage luiden als volgt:

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

45

In de regels van onderhavige bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter plaatse van de overbelaste gevels. Deze voorwaardelijke verplichting bepaalt dat een omgevingsvergunning voor het oprichten van een woning alleen wordt verleend indien ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten voldaan wordt aan de geluidgrenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde, middels toepassing van maatregelen, het opstellen van maatwerkvoorschriften en/of dove gevels.

2) Schietvereniging Voor de schietvereniging is in september 1992 een oprichtingsvergunning (Hinderwet) afgegeven. In deze milieuvergunning zijn geluidnormen opgenomen waaraan de schietvereniging dient te voldoen. In de revisievergunning van januari 2000 is expliciet benadrukt hoe en op welke wijze aan de maximaal gestelde normen moet worden voldaan. Uit de veranderingsvergunning van december 2005 volgt dat de akoestische situatie niet verandert. Onderstaande normen mogen niet worden overschreden voor woningen van derden en van andere gebouwen met een geluidgevoelige bestemming binnen een afstand van 50 meter van de inrichting: Stille woonwijk aan de zuid- en westzijde: Hiervoor gelden normen van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) voor achtereenvolgens de dag-, de avond- en de nachtperiode; Landelijk gebied met veel agrarische activiteiten aan de noord- en oostzijde: Hiervoor gelden normen van 45 dB(A) en 35 dB(A) voor de dag en de avondperiode respectievelijk de nachtperiode; Voor piekgeluiden gelden grenswaarden van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor achtereenvolgens de

46

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

dag-, de avond- en de nachtperiode. Voor de (bedrijfs)woning aan de Groeneweg 5, onderdeel van het nieuwe bouwplan, is specifiek opgenomen dat de geluidbelasting van de schietvereniging op de dichtstbijzijnde gevel (circa 27 meter) niet meer mag bedragen dan: 45 db(A) in de dagperiode van 07:00 tot 19:00 45 db(A) in de avondperiode van 19:00 tot 23:00 35 db(A) in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 De gemeente Someren heeft dit als acceptabele geluidsbelasting beschouwd in het kader van het borgen van het woon- en leefklimaat bij geluidsgevoelige objecten in de omgeving. Dat is nu dus ook het uitgangspunt.

In onderstaande figuur is de afstand tussen het meest dichtbij gelegen hoekpunt van het gebouw van de schietvereniging aangegeven en de woning Groeneweg 5 waar aan de geluidsnormen moet worden voldaan.

Figuur 18: Afstand schietvereniging t.o.v. Groeneweg 5 Someren-Heide

Uit deze figuur blijkt ook dat het overige deel van het plangebied, waar de 48 nieuwe woningen zijn geprojecteerd, op grotere afstand tot het gebouw van de schietvereniging ligt. Beschouwd in het kader van het borgen van het woon- en leefklimaat bij geluidsgevoelige objecten, is voor deze nieuwe woningen automatisch ook sprake van een acceptabele geluidsbelasting.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

47

5.4

Luchtkwaliteit

5.4.1

Inleiding

5.4.1.1 Wet milieubeheer Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. 2.

beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

Beperken van uitstoot van schadelijke stoffen en NIBM Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, waaronder voor woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen.

Voorkomen langdurige blootstelling aan verontreiniging Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10 ) en stikstofdioxide (NO2 ) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof en stikstof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

48

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

5.4.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het 'Besluit gevoelige bestemmingen' (luchtkwaliteitseisen) is in de Wet milieubeheer verankerd. Deze AMvB beperkt de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit richt zich op de bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn een gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen zijn geen gevoelige bestemmingen, zoals bedoelt in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van 'Besluit gevoelige bestemmingen' geen bezwaar is.

5.4.2 Beoordeling/betekenis voor het plangebied Het planvoornemen betreft het planologisch-juridisch mogelijk maken van woningbouw. Het planvoornemen hoort vanwege de relatief beperkte omvang van 48 nieuwe woningen automatisch tot de categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3%-grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan daarom achterwege blijven.

De blootstelling aan luchtverontreiniging is tevens in kaart gebracht. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties ter plaatse van het plangebied is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (monitoringsronde 2021). Met deze Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst. De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens en verkeersgegevens van het Rijk, provincies en gemeenten. De (maximale) concentraties in de directe nabijheid van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande tabel in beeld gebracht.

Figuur 19 : Uitsnede NSL-monitoringsviewer met ligging planlocatie lichtblauw omlijnd

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

49

Uit de NSL- monitoringskaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 , PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied niet overschreden worden.

Gelet op bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Gezondheid en veehouderij

5.5.1 Inleiding Het plangebied ligt in een gebied met in de omgeving diverse intensieve veehouderijen, de meest nabijgelegen varkenshouderij ligt op 430 meter afstand. Veehouderijen zijn mogelijke bronnen van geurhinder en kunnen effect hebben op de gezondheid van omwonenden. Voor de realisatie van het planvoornemen is het noodzakelijk dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de eenheden gewaarborgd blijft. In het rapport ‘Beoordeling gezondheidseffecten door veehouderij ten behoeve van het Bestemmingsplan Groeneweg’ zijn de gezondheidseffecten beoordeeld ten gevolge van geur en endotoxinen uit stallen van veehouderijen en effecten voor de gezondheid door geitenhouderijen. De rapportage maakt als Bijlage 7 Beoordeling gezondheidseffecten onderdeel uit van deze toelichting. Opgemerkt wordt dat de paragraaf ‘Geur’ uit betreffend rapport in onderstaande paragaaf 5.5.2 ‘Geur’ is geactualiseerd. Onderhavige paragraaf is maatgevend.

5.5.2

Geur

Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij dient het aspect geurhinder, afkomstig van omliggende veehouderijen, te worden afgewogen ter toetsing van planontwikkelingen. Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Het geurbeleid voor bedrijven in de agrarische sector is bepaald in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv 5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij. In deze wet worden normen gesteld voor de geurbelasting die een veehouderij (het dierenverblijf, niet de opslag van bijproducten e.d.) mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze belasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt echter alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder emissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

De gemeente Someren heeft een geurverordening vastgesteld waarin normen zijn opgenomen voor de voorgrondbelasting. Deze normen gelden in beginsel alleen voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning, als een veehouderij zich wil vestigen of als een veehouderij wil uitbreiden. Het gaat dan over de relatie tussen een bestaand geurgevoelig object en een ontwikkeling van de veehouderij. Dit heet ook wel de 'directe werking' of 'directe norm'. De gemeente heeft echter geen beleidsregel o.i.d. vastgesteld waarin is ingegaan op de wijze waarop de achtergrondbelasting (dus de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen) beoordeeld moet worden bij het nemen van ruimtelijke besluiten. De gemeente heeft in haar geurverordening geen normen heeft opgenomen voor de achtergrondbelasting als toets voor een woonen leefklimaat. Het bevoegd gezag kan de afweging maken in het kader van de onderhavige ruimtelijke procedure. Het woon- en leefklimaat bij een achtergrondbelasting van maximaal 10 oue/m³ wordt door zowel de ODZOB als de gemeente Someren aanvaardbaar geacht bij de ontwikkeling van nieuwe geurgevoelige

50

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

objecten.

Beoordeling/betekenis voor het plangebied De planontwikkeling voorziet in het toevoegen van geurgevoelige objecten. Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van nieuwe geurgevoelige objecten dienen de volgende aspecten te worden beoordeeld: Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op de beoogde bestemmingswijziging. Dit wordt de toets t.a.v. het woon- en leefklimaat genoemd. De ontwikkelingen mag geen aantasting van bestaande rechten opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen de omgeving. Dit wordt de toets op de omgekeerde werking genoemd. Toets t.a.v. het woon- en leefklimaat Vaste afstandsdieren De meest dichtbij gelegen agrarische inrichting is Kerkendijk 77, dat op een afstand van circa 240 meter van het plangebied gelegen is. Dit betreft een rundveehouderij. Ten aanzien van veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden) en geldt op grond van artikel 4 van de Wgv een vaste afstand. Zowel de veehouderij als het plangebied zijn buiten de bebouwde kom gelegen. Derhalve dient een vaste afstand van 50 meter te worden aangehouden. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de aan te houden vaste afstand.

Voorgrondbelasting Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen.

De veehouderij aan Hollandseweg 15 is in dit geval de dominante veehouderij. Met behulp van het programma V-Stacks Vergunning is de voorgrondbelasting van deze veehouderij op het plangebied in een worstcasescenario berekend. De resultaten van de berekening zijn navolgend weergegeven:

Navolgende tabel geeft de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking 'Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7'.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

51

Voorgrondbelasting Geurgehinderden (%) =1 <5 1-3 5 - 10 4-6 10 - 15 7-9 15 - 20 10 - 13 20 - 25 14 - 18 25 - 30 19 - 24 30 - 35 = 25 35 - 40 Tabel 7: relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat

Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het plangebied sprake van een 'goed' woon- en leefklimaat.

Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. In de handreiking 'Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7' is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft.

Achtergrondbelasting Geurgehinderden (%) =3 <5 3 –7 5 - 10 7 – 13 10 - 15 13 – 20 15 - 20 20 – 28 20 - 25 28 - 38 25 - 30 38 -50 30 - 35 = 50 35 - 40 Tabel 8: relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat

Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de achtergrondbelasting (peildatum juni 2023) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een zwarte cirkel is aangeduid.

52

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

Figuur 20: Achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied

Ter plaatse van het plangebied is in het kader van de achtergrondbelasting, op basis van de kaart van de ODZOB, sprake van een 'redelijk goed' tot 'goed' woon- en leefklimaat met een achtergrondbelasting van 3 - 13 oue/m³. Deze kaart geeft een indicatieve indruk van de hoogte en verdeling van de geurconcentraties en is niet geschikt om op individueel niveau uitspraken te doen over overbelaste situaties. Derhalve is een gedetailleerde berekening van de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn als Bijlage 6 Berekening achtergrondbelasting bij onderhavige toelichting gevoegd. Navolgende figuur geeft het resultaat van deze berekening weer.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

53

Figuur 21: Gedetailleerde berekening achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 8,4 - 9,7 oue/m³. Het woon- en leefklimaat bij een achtergrondbelasting van maximaal 10 oue/m³ wordt door zowel de ODZOB als de gemeente Someren aanvaardbaar geacht bij de ontwikkeling van nieuwe geurgevoelige objecten.

Conclusie Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting is in dit geval bepalend voor het woon- en leefklimaat. Op basis van de achtergrondbelasting is ter plaatse sprake van een 'redelijk goed' woon- en leefklimaat bij een achtergrondbelasting van maximaal 9,7 oue/m³. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van het woon- en leefklimaat dan ook geen bezwaar.

Toets op de omgekeerde werking De beoogde ontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. In de omgeving van de veehouderijen zijn reeds woonbestemmingen op kortere afstand gelegen tot deze bedrijven dan het plangebied. Derhalve worden middels de beoogde ontwikkeling de omliggende veehouderijen niet belemmert in hun ontwikkelingsmogelijkheden.

54

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

5.5.3 Endotoxine De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.

De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.

Beoordeling/betekenis voor het plangebied De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinekaart waarop het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.

Figuur 22 : Endotoxinecontouren in de omgeving van plangebied

Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderijbedrijven, onder

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

55

andere zijnde twee pluimveehouderijen binnen één kilometer van het plangebied. Het plangebied ligt op ruime afstand van de vergunde individuele endotoxine-risicocontouren van omliggende veehouderijen. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen. Het bestemmingsplan heeft geen omgekeerde werking en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. 5.5.4 Geitenhouderij Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM.

Het gezondheidskundig advies is om uit voorzorg geen nieuwe woningen te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen (risicoafstand varieert in de onderzoeken tussen de 1,5 en 2 km), om gezondheidsrisico's voor toekomstige bewoners te voorkomen.

Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Het bestemmingsplan maakt woningbouw mogelijk op minimaal 950 meter van een geitenhouderij. Het aantal blootgestelden neemt gezien de afstand door het woningbouwplan zeer beperkt toe. Uit het VGO III onderzoek blijkt dat de verhoging van het risico op longontsteking sterk terugvalt na 500 meter. Dit betekent dat buiten een straal van 500 meter van een geitenhouderij aanzienlijk minder extra risico bestaat dan daarbinnen. De deelonderzoeken van VGO III naar geitenhouderijen zijn vanwege de Covid-pandemie dusdanig vertraagd (geen resultaten voor eind 2024) dat het uit voorzorg op slot houden van de mogelijkheden voor woningbouw op deze planlocatie de woningbouwbehoefte onevenredig in de weg staat. Het is aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over het bestemmingsplan een belangenafweging te maken.

Op circa 950 meter ten zuidoosten van het plangebied worden op de locatie Nieuwendijk 114 geiten gehouden. Navolgend wordt de actueel vergunde situatie van deze veehouderij weergegeven.

Figuur 23 : Vergunde situatie Nieuwendijk 114 Someren

Op de locatie Nieuwendijk 114 te Someren mogen 576 geiten worden gehouden. Gemeente Someren mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. In dit verband is de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011) relevant.

56

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

Windrichting en windsterkte spelen een voorname rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof vanaf de locatie Nieuwendijk 114 zich doorgaans verplaatsen uit de richting van het plangebied.

De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. Het plangebied is op een afstand van circa 950 meter tot de geitenhouderij gelegen. Op de tussengelegen gronden zijn is een landelijke setting vegetatie aanwezig. Dit betekent dat er sprake is van een bepaalde terreinruwheid waarmee het direct inwaaien van fijnstof of endotoxinen wordt voorkomen.

De beoogde woningen worden niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen. Daarnaast worden de nieuwe woningen niet gebruikt door 'meer kwetsbare personen' op het vlak van gezondheidsredenen. Vanwege de huidige regelgeving omtrent geitenhouderijen zal het woon- en leefklimaat in de toekomstige situatie niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren.

De volgende punten zijn verder betrokken in deze afweging: Gelet op de afstand tussen het plangebied en geitenhouderijen is de verhoging van het risico op longontsteking door de toename van het aantal mensen dat blootgesteld ten gevolge van het woningbouwplan zeer klein. Zeker in verhouding met de omvang van de reeds bestaande woonkern Someren-Heide. Het bestemmingsplan biedt geen planologisch kader voor de realisatie van scholen, kinderopvang of zorginstellingen (geen kwetsbare groepen). Er zijn geen andere verhoogde gezondheidsrisico's voor het plangebied door veehouderijen. Het provinciale geitenmoratorium bevat een verbod op uitbreiding en oprichting van geitenhouderijen, waardoor een toename van het blootstellingsrisico in het plangebied door bedrijfsontwikkeling van geitenhouderijen in ieder geval niet mogelijk is. Daarnaast geldt: Er is sprake van een woningbouwopgave. Het kunnen blijven wonen in de eigen omgeving wordt ook als een belangrijk onderdeel van positieve gezondheid gezien. Een verbod op woningbouw binnen 1,5 tot 2 km van een geitenbedrijf kan als niet-proportioneel aangemerkt worden. Als uit nieuwe onderzoeken zou blijken dat de gezondheidsrisico's groter zijn dan nu bekend is, zal een sanering van het geitenbedrijf eerder een proportionele maatregel zijn dan de sanering van (bestaande) woningen in de omgeving van het geitenbedrijf.

Uit de beoordeling volgt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en veehouderijen in de omgeving worden niet in hun belangen geschaad (geen sprake van een omgekeerde werking).

Gelet op voornoemde aspecten is het toevoegen van nieuwe woningen aanvaardbaar in het kader van gezondheid en veehouderijen.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

57

5.6

Externe veiligheid

5.6.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als 'de kans op overlijden' voor personen. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.

5.6.2 Risico's Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven. Voor deze doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6 , die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Hierbij staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).

5.6.3 Beleidskader Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

58

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

5.6.4 Beoordeling/ betekenis voor het plangebied 1. Risicovolle inrichtingen Op afstanden van ruim 1,5 kilometer of meer rondom de projectlocatie bevinden zich vier risicovolle inrichtingen Gezien de afstanden tot het plangebied vormen deze instellingen geen belemmering voor het planvoornemen. 2. Vervoer over het spoor Ten westen van het plangebied is op een afstand van circa 6,6 km de spoorwegverbinding Eindhoven-Weert gelegen. Hierover vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gezien de afstand tot het plangebied vormt deze spoorwegverbinding geen belemmering voor het planvoornemen. 3. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Someren zijn de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Deze wegen liggen op afstanden van respectievelijk 8 kilometer, 2,8 kilometer en 8 kilometer.

Plaatsgebonden risico In het Bevt wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 10-6/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van het plangebied een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. Het plangebied ligt buiten deze veiligheidszone. Voor de provinciale wegen N266 en N612 gelden geen veiligheidsafstanden.

Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het gehele plangebied ligt buiten 200 meter van de A67. Ook ligt het groepsrisico van de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 ruim beneden de oriëntatiewaarde.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

59

Invloedsgebied Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien het plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van de A67. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor de A67 zijn dit vloeibare toxische stoffen (LT1, LT2 en LT3). De A67 kent dan ook een invloedsgebied van 4.000 meter. Het plangebied is buiten het invloedsgebied van de A67 gelegen.

4. Vervoer over water Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2,8 kilometer van de Zuid-Willemsvaart. De Zuid-Willemsvaart is in het Basisnet Water gekenmerkt als een groene route. Dit betekent dat het gevaar van vervoer van gevaarlijke stoffen over het Zuid-Willemsvaart dermate klein is dat er geen PR-contouren aanwezig zijn en dat het GR buiten beschouwing gelaten kan worden. 5. Transport door buisleidingen Op 50 meter ten oosten van het plangebied bevinden zich een tweetal hogedruk aardgastransportleidingen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande transportleidingen voor gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing.

Leiding

Diameter

Gasdruk

A-521-KR

914 mm

maximaal 66,2 bar

Invloedsgebied (1% letaal) 430 meter

maximaal 66,2 bar

490 meter

A-585-KR 1.067 mm Tabel 9: hogedruk aardgastransportleidingen

Het plangebied ligt deels binnen de 100% letaliteitsafstand van beide hoge druk aardgasleidingen. Daarom is de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor beide buisleidingen bepaald. Voor hogedruk aardgasleidingen is sinds 1 mei 2010 het rekenpakket CAROLA beschikbaar voor het berekenen van de externe veiligheidsrisico's van ondergrondse hogedruk aardgas-transportleidingen. De resultaten van deze berekening zijn opgenomen als Bijlage 8 Externe veiligheid buisleidingen bij deze toelichting.

Plaatsgebonden risico Uit de berekening met behulp van het programma CAROLA blijkt dat voor beide buisleidingen ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een PR 10-6-risicocontour. De PR10-6-risicocontour vormt derhalve geen belemmering voor het plan.

Groepsrisico Uit de berekening met behulp van het programma CAROLA blijkt dat voor betreffende buisleidingen zowel in de huidige als beoogde situatie sprake is van een groepsrisico dat ruim lager is dan de oriëntatiewaarde, waarbij de normwaarden in de beoogde situatie lager zijn dan in de huidige situatie. Het plan leidt tot een afname van de hoogte van het groepsrisico.

In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. Als gevolg van de planvorming blijft het groepsrisico ruim lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Voor de

60

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt derhalve een beperkte verantwoordingsplicht. Dit is voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid/ beheersbaarheid verder uitgewerkt in de notitie ‘Verantwoording hoogte groepsrisico’, welke als Bijlage 9 Verantwoording hoogte groepsrisico bij deze toelichting is gevoegd. In deze notitie zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico.

6. Hoogspanningslijnen Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 2,8 kilometer van het plangebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.

5.6.5 Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De beoogde ontwikkeling is ter toetsing voorgelegd aan de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost. Daaruit zijn een drietal aandachtspunten naar voren gekomen: 1. 2. 3.

Informeer de toekomstige bewoners over de aanwezige risico's en hoe ze daar naar kunnen handelen; De dichtstbijzijnde brandkraan voldoet niet aan de voorwaarden voor een volwaardige brandkraan. Een oplossing daarvoor is om een brandkraan te verplaatsen; De maatvoering van de wegen dient getoetst te worden aan de geschiktheid voor hulpverleningsvoertuigen.

In de stedenbouwkundige uitwerking van de toekomstige situatie binnen het plangebied is rekening gehouden met deze aandachtspunten.

5.7

Waterhuishouding

5.7.1

Waterbeleid

5.7.1.1 Nationaal Waterplan 2022-2027 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en het verstandig handelen in extreme situaties.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, we moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

61

geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleidsen beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.

De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd. De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. Nabij Someren geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart.

Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het PMWP zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

5.7.1.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 omschrijft de koers en de ambities van het waterschap De Dommel voor de periode 2022 – 2027. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start het waterschap met de watertransitie; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dat vertaalt zich in een koerswijziging voor het waterschap en met een verschil in aanpak en boodschap naar de gebieden. De rode draad daarbij is het belang van water voor een toekomstbestendige leefomgeving. De missie van het waterschap luidt dat een toekomstbestendige leefomgeving wordt voorstaan, waar een toekomstbestendige waterhuishouding een noodzakelijke voorwaarde voor is. Een waterhuishouding die robuust is, wendbaar en in balans met de omgeving is. En een waterhuishouding die voorziet in een goede waterkwaliteit. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit wordt bereikt. Het Waterschap daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied; van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

In het Waterbeheerprogramma zijn geen waterlopen, beschermingsgebied en/of projecten opgenomen die binnen onderhavig plangebied vallen. Vanuit het beheerprogramma zijn dan ook geen aanvullende eisen van toepassing op voorliggend plan.

62

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

5.7.1.3 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' zijn sinds de vaststelling op 25 februari 20215 een aantal wijzigingen doorgevoerd, waardoor op 28 november 2018 een 'Eerste partiële herziening Keur Waterschap De Dommel 2015' is vastgesteld. Dit besluit trad in werking op 1 januari 2019.

Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

5.7.1.4 Gemeentelijk Rioleringsplan De gemeente Someren beschikt over het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2025. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaam beheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Elke nieuwe ontwikkeling dient te worden getoetst aan het Gemeentelijk Rioleringsplan. Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld, waarbij de gemeente alleen voorziet in een vuilwaterhuisaansluiting. De gemeente houdt hierbij de trits vasthouden – bergen – afvoeren aan. Bij ver- en nieuwbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Vanuit waterbelang, i.v.m. zichtbaarheid, bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver, wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Ondergrondse buffering en infiltratie is, mits goed aangelegd en onderhouden, een goed alternatief als bovengrondse buffering niet gewenst is. Uitgangspunt is dat een buffer gerekend met een k-waarde van 1,0 m¹ per dag binnen 24 uur weer beschikbaar is. Een particuliere infiltratievoorziening mag uitsluitend op maaiveldniveau (zichtbaar) een overstort hebben naar openbaar gebied.

Waar infiltreren aantoonbaar niet mogelijk is, mag het water vanuit een buffer vertraagd afgevoerd worden naar de openbare ruimte.

5.7.2 Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Ter beoordeling van het thema water is een waterplan opgesteld. Het waterplan is als Bijlage 10 Waterplan bij deze toelichting gevoegd. Er dient te worden gewaarborgd dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij de ontwikkeling. Hemelwater Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden.

Benodigde watercompensatie De gevoeligheidsfactor voor het berekenen van de waterbergingsopgave op basis van de Keur is 1. Conform de

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

63

rekenregel uit de Keur dient de toename aan verharding gecompenseerd te worden door 600 m³ waterberging per hectare verharding. Dit komt overeen met 60 mm neerslag. De gemeente Someren hanteert bij ver- en nieuwbouw dat tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel moet worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Door het realiseren van woningen, toegangswegen en overige verhardingen wordt binnen het plangebied is sprake van het creëren van verhard oppervlakte. Echter, ten opzichte van de huidige situatie neemt het oppervlak aan verharding flink af. Momenteel is bijna 19.000 m² aan verharding aanwezig. Dit wordt nader toegelicht in onderstaande tabel.

Tabel 10: Ovezicht bestaande verhardingen

Ten behoeve van de beoogde situatie worden de bedrijfsbebouwing en de daarbij behorende verharding gesaneerd. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd. Vervolgens worden 48 nieuwe woningen gerealiseerd, met de daarbij behorende voorzieningen en verharding. Op basis van het stedenbouwkundig ontwerp is de oppervlakte van de verhardingen bepaald. Dit wordt nader toegelicht in onderstaande tabel.

Tabel 11: Overzicht verhardingen beoogde situatie

Binnen het plangebied zijn momenteel geen kavelsloten of andere waterhuishoudkundige voorzieningen aanwezig die ten behoeve van het voornemen worden verwijderd. Derhalve is aanvullende compensatie van deze sloten niet vereist. De totale wateropgave binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Groeneweg 5-7 te Someren' is te

64

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

berekenen via onderstaande formule:

Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * gevoeligheidsfactor (1) * 0,06 (in m)

De gemeente Someren heeft in haar Gemeentelijke Rioleringsplan 2021-2025 vastgelegd dat bij ver- en nieuwbouw tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel moet worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Navolgende tabel geeft de benodigde watercompensatie in de nieuwe situatie weer.

Tabel 12: Benodigde watercompensatie nieuwe situatie

De benodigde compensatie is berekend aan de hand van de verhardingen en bedraagt 791 m³ (op basis van een bui van 60 mm). Daarvan wordt circa 221 m³ (30 mm) binnen de woonpercelen geborgd. De overige 570 m³ hemelwater dient binnen het plangebied in de openbare ruimte te worden geborgd. Binnen het stedenbouwkundig ontwerp is ruimte gereserveerd voor de aanleg van waterhuishoudkundige voorzieningen om het hemelwater te kunnen bergen. Er zijn meerdere stroken gereserveerd voor groen in combinatie met een wadi/ bodemverlaging. Het gaat om de groene centrale loper vanaf de Groeneweg het gebied in, waar aan beide van zijden van de weg een wadistructuur wordt gerealiseerd. Ook wordt deels aan de zijde van het plangebied een wadistructuur gerealiseerd. Het hemelwater dat valt op de verharde terreindelen zal naar deze verschillende waterbergingsgebieden/wadi’s in het plan worden geleid. Uitgaande van de bestaande maaiveldhoogtes en de gemiddelde hoogste grondwaterstand hebben deze wadi’s een diepte van 60 cm. De zeven zones A t/m G hebben een gezamenlijke capaciteit voor hemelwaterberging van 647 m³. Hiermee kan daarmee ruimschoots worden voorzien in de waterbergingsopgave. Het hemelwater kan daarmee in het plangebied worden geborgd.

bestemmingsplan Groeneweg 5-7 Someren-Heide

65

Figuur 24: Ligging wadi's (schematisch)

In de volgende fase van de planvorming, waarin het stedenbouwkundig ontwerp definitief wordt gemaakt, zal de vormgeving en de capaciteit van de beoogde hemelwatervoorzieningen op detailniveau worden uitgewerkt. Echter, doordat voldoende ruimte is gereserveerd en de waterdoorlatendheid van de bodem goed is ( > 1,0 m/d), kan voldoende bergingsmogelijkheden worden gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13999505/1