CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

8d. Vastgesteld bp Nieuwendijk 90-92 - Toelichting

Gemeenteraad 21 juli 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen van wijziging van bestemmingsplan Nieuwendijk 90-9217.882 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object);

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

Middels de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. De herontwikkeling beperkt de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen niet.

4.1.2 Woon- en leefklimaat 4.1.2.1 Inleiding Bij herbestemming dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Voorgrondbelasting

Achtergrondbelasting

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

≤1

≤3

<5

Zeer goed

1,5 - 3

3–7

5 - 10

Goed

4-6

7 – 13

10 - 15

Redelijk goed

7-9

13 – 20

15 - 20

Matig

10 - 13

20 – 28

20 - 25

Tamelijk slecht

14 - 18

28 - 38

25 - 30

Slecht

19 - 24

38 -50

30 - 35

Zeer slecht

≥ 25

≥ 50

35 - 40

Extreem slecht

Figuur 18: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7

De gemeenteraad van de gemeente Someren heeft vastgesteld dat een norm van 28 oue/m³ acceptabel is als maximale norm voor het woon- en leefklimaat vastgesteld bij herbestemming van

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

33

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

een voormalige bedrijfswoning. Omdat de bedrijfswoning een reguliere woonbestemming krijgt is het woon- en leefklimaat inzichtelijk gemaakt in de navolgende subparagraaf. 4.1.2.2 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt (mede) het woon- en leefklimaat op een locatie. Door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant is het woon- en leefklimaat voor de omgeving van het plangebied in kaart gebracht. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met het woon- en leefklimaat. De woning aan Nieuwendijk 92 is aangeduid met een zwarte stip.

Figuur 19: Achtergrondbelasting (Bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)

Ter plaatse van de Nieuwendijk 92 is sprake van een achtergrondbelasting van tussen de 20 en 28 oue/m³. Daarmee wordt voldaan aan het geurbeleid van de gemeente Someren. 4.1.2.3 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Op de veehouderijbedrijven aan Nieuwendijk 100 en 97, Nieuwendijk 107, Nieuwendijk 114 en Ravelweg 6 worden dieren gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissie is vastgesteld. Op de overige bedrijven worden uitsluitend dieren gehouden waarvoor geen geuremissie is vastgesteld. Het veehouderijbedrijf aan Ravelweg 4 wordt thans gesaneerd en is herbestemd in een woonbestemming (NL.IMRO.0847.BP02020007-VS01). Derhalve blijft dit bedrijf buiten beschouwing voor de voorgrondbelasting. CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

34

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

De veehouderij aan Nieuwendijk 100 en 97 is gelet op de ligging en emissie aan te merken als de dominante veehouderij. Met behulp van het programma V-Stacks vergunning is de voorgrondbelasting van de veehouderij aan Nieuwendijk 100 en 97 op de woning aan Nieuwendijk 92 berekend. Hierna zijn de resultaten van de berekening van de voorgrondbelasting weergeven. Berekende ruwheid: 0,23 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volg

BronID

X-coord. Y-coord. EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1

Nieuwendijk 100 97 8

178 274

373 354

9,5

5,6

0,50

4,00

20 078

2

Nieuwendijk 100 97 1

178 429

373 255

6,5

4,4

0,50

4,00

11 570

3

Nieuwendijk 100 97 2

178 441

373 279

3,9

3,9

0,50

4,00

12 674

nr.

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

4

NW

178 407

373 412

14,0

11,0

5

NO

178 419

373 423

14,0

10,3

6

ZO

178 425

373 418

14,0

10,8

7

ZW

178 414

373 406

14,0

11,6

Tabel 2: Voorgrondbelasting Nieuwendijk 97 en 100

De voorgrondbelasting ter plaatse van de woning aan Nieuwendijk 92 bedraagt maximaal 11,6 oue/m³. Ter plaatse van de her te bestemmen woning wordt voldaan aan de gemeentelijke voorwaarden (maximaal 14 oue/m³) tot herbestemmen.

4.2 Gezondheid in relatie tot veehouderijen 4.2.1 Endotoxine De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM 10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

35

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in deze notitie. In 2017 en 2018 is de handreiking geactualiseerd. Dit is gebeurd naar aanleiding van de onderzoekrapporten ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ uit 2016 en 2017, de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ en de ‘Memo Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen’ uit 2017. De geactualiseerde gegevens zijn vastgelegd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 en 3.0. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is (en blijft) dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Middels de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de endotoxine contourenkaart waarop de woning is aangeduid. Nieuwendijk 92

Figuur 20: Endotoxine contouren in de omgeving

De woning is niet gesitueerd binnen endotoxine contouren van veehouderijbedrijven. Het aspect endotoxine is derhalve geen bezwaar.

4.2.2 Geitenhouderijen Uit VGO-onderzoeken is naar voren gekomen dat tot twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. In verband hiermee vraagt men zich af men of woningbouwontwikkelingen binnen twee kilometer nog verantwoord zijn. Binnen een afstand van twee

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

36

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

kilometer van het plangebied zijn een geitenhouderij gesitueerd. Het betreft het bedrijf aan Nieuwendijk 114.

Figuur 21: Vergunde situatie Nieuwendijk 114 (BVB-Brabant)

Middels onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. De beoogde ontwikkeling is in het kader van volksgezondheid geen bezwaar.

4.3 Geluid 4.3.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). Er wordt dan ook geen nieuw geluidgevoelig objecten worden opgericht. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk.

4.3.2 Industrielawaai Het bedrijf aan de Nieuwendijk 90 betreft een bedrijf in milieucategorie 2. Het bedrijf zal ook na uitbreiding de zelfde milieucategorie kennen. De woning aan Nieuwendijk 92, te bestemmen als burgerwoning, bevindt zich op 8 meter van de bedrijfsbestemming aan Nieuwendijk 92. Derhalve wordt middels een akoestisch onderzoek industrielawaai (conform het stappenplan voor een binnenplanse ontheffing uit de VNG-uitgave) aangetoond dat het bedrijf aan Nieuwendijk 90 geen belemmering vormt voor de woning aan Nieuwendijk 92. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan deze toelichting.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

37

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

4.4 Bodem 4.4.1 Inleiding Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. In opdracht van de gemeente Someren heeft de SRE Milieudienst een bodemkwaliteitskaart opgesteld voor zowel het bebouwde gebied als het buitengebied van de gemeente Someren. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van zowel toe te passen grond als voor ontvangende bodem. De locatie ligt op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Someren binnen de zone ‘Buitengebied’. Op grond van de bodemkwaliteitskaart kan voor onverdacht terrein de algehele kwaliteit van de boven- en ondergrond in de zone ‘Buitengebied’ worden aangemerkt als schone grond (klasse AW-2000).

4.4.2 Historisch bodemonderzoek Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is een historisch onderzoek conform de NEN5725 uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek behoort als bijlage bij deze toelichting. “In verband met de ruimtelijke procedure voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning aan de Nieuwendijk 92 in Someren, is een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. In dit vooronderzoek is door middel van historische informatie onderzocht of er bodembedreigende activiteiten in het verleden zijn geweest op het perceel. In een dergelijk geval is een vervolgonderzoek volgens de NEN 5740 noodzakelijk. Uit het dossieronderzoek blijkt dat op het perceel geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Op de locatie Nieuwendijk 90 zijn potentiele bodembedreigende activiteiten uitgevoerd in het verleden. Deze hebben verder geen invloed op onderhavige bedrijfswoning. Uit de veldinspectie zijn op de locatie geen asbestdelen of andere potentiële verontreinigingen op de grond aangetroffen. Zintuiglijk zijn geen zichtbare verontreinigingen of vermoedens van een verontreiniging aangetroffen. Uit het vooronderzoek is geen informatie naar voren gekomen dat de bodemkwaliteit van de onderzoekslocaties negatief beïnvloed is.

Gezien de resultaten uit het vooronderzoek mag worden verondersteld dat het niet waarschijnlijk is dat er verontreiniging heeft plaatsgevonden op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie kan als onverdacht worden beschouwd, zodat aanvullend veldonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.”

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

38

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

Op basis van dit onderzoek kan worden gesteld dat geen vervolgonderzoek volgens de NEN 5740 / NEN 5707 behoeft te worden uitgevoerd in relatie tot de genoemde wijziging van de bestemming van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Er gelden geen directe belemmeringen uit oogpunt van de bodemgesteldheid.

4.4.3 Verkennend bodemonderzoek In verband met de nieuwbouw van een bedrijfsruimte en de sloop van een loods op een perceel aan de Nieuwendijk 90 te Someren-Eind is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een vooronderzoek volgens de NEN 5725 uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek behoort als bijlage bij deze toelichting. “Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" voor de nieuwbouwlocatie worden aanvaard, ondanks de verhogingen met zware metalen in de bovengrond en/of grondwater. De verontreinigingen met zware metalen in de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. Indicatief kan worden gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoekslocatie multifunctioneel toepasbaar is. Hergebruik dient echter te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodembeleid van de gemeente Someren. Uit de resultaten van de analyse bij de drupzone van de timmerwerkplaats blijkt dat de concentratie asbest lager is dan 2 mg/kg ds bedraagt. Indicatief is hierbij geconstateerd dat in de fijne fractie (kleiner dan 500 :m) geen losse vezels aanwezig waren.

Uit oogpunt van asbest in de bodem zijn daarom verder geen maatregelen noodzakelijk zijn. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn geconstateerd uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid voor de nieuwbouw van de bedrijfsruimte en de sloop van de loods op het perceel.” De bodemkwaliteit voor geen belemmering voor de voorgenomen herbestemming.

4.5 Waterhuishouding 4.5.1 Inleiding De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afstemmen, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegenomen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van een plan voor de waterhuishouding, in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Deze beschrijving is opgenomen in de waterparagraaf. Het plangebied is gelegen in het beheergebied van Waterschap Aa en Maas.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

39

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

4.5.2 Principes waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes:

-

gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling; wateroverlastvrij bestemmen; waterschapsbelangen.

4.5.3 Beleid 4.5.3.1

Waterbeheerplan 2022-2027

In het Waterbeheerplan is beschreven welke doelen door het waterschap worden nagestreefd in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen. Het nog vast te stellen waterbeheerplan is geldig van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is gebaseerd op de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 3. Afvalwaterketen. Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma ‘Afvalwaterketen’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: 

schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;

de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede

de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;

de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke

ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;

partners is toegenomen. Om deze doelen te bereiken zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:  het maken van actieplannen met maatregelen gericht op een klimaatrobuust watersyteem;  het verkennen van de mogelijkheden om de hoeveelheid water die vanuit bebouwd gebied wordt afgevoerd op het regionale systeem te beperken;  inzetten op extra maatregelen: ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken;  meedenken met gemeenten bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen,

hemelwaterverordeningen

en

het

opnemen

van

klimaatadaptatie

in

bestemmingsplannen;

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

40

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

 handhaven van de stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied en deze koppelen waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen;  de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, ontwikkelaars en de bouwsector breed opzoeken in het bebouwde gebied;  Intensief samenwerken op de overgang tussen bebouwd gebied en landelijk gebied, ook rondom bedrijventerreinen. 4.5.3.2 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur 2015’ niet aangewezen als gelegen in een beschermd gebied of een attentiegebied. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de keurkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Figuur 22: Uitsnede keurkaart Waterschap Aa en Maas

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

41

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

Figuur 23: Uitsnede legger oppervlaktewater Waterschap Aa en Maas

Achter het perceel loopt een B-watergang. Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op watergangen in de omgeving van het plangebied. 4.5.3.3 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde beleidsuitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze beleidsuitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap 2015’ geldt voor een ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte < 2.000 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. De huidige bedrijfsbestemming is volledig verhard. Het hemelwater wordt thans afgevoerd naar het riool. De uitbreiding van de bedrijfsgebouwen kan bijdragen tot een toename van maximaal 1.050 m² aan verhard oppervlak. Anderzijds worden op het perceel aan Nieuwendijk 92 twee bijgebouwen gesaneerd van circa 50 m² en 25 m². Bij een toename vanaf 500 m² verhard oppervlak zijn de Algemene regels Waterschap Aa en Maas van toepassing en geldt een regenwaterbergingsplicht. De benodigde compensatie in m³ wordt berekend met de formule: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

42

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

mm). De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te worden geplaatst. 4.5.3.4 VGRP Someren 2018-2022 In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2021’ (vGRP 2018-2022) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd. Het vGRP 2018-2022 is vastgesteld door de raad op 20 december 2017. Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet, worden doorgezet in de komende planperiode. De gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige manier invulling geven aan het beheer en onderhoud. Ook in Someren is de landelijke trend zichtbaar dat bewoners en bedrijven voor- en achtertuinen (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt extra verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor afkoppelinspanningen van de gemeente deels te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook de ambitie om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het o.a. bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress.

Het plangebied biedt voldoende ruimte voor het aanleggen van infiltratievoorzieningen op eigen terrein. Rekening dient te worden gehouden met een bergingsopgave van 0,06 m³ per m² nieuw verhard oppervlak. Ter plaatse moet daarbij tevens rekening worden gehouden met een GHG van 6080 cm. Het perceel waarop de uitbreiding plaats vindt biedt voldoende ruimte om het hemelwater dat op de verharding valt te bergen. Een mogelijkheid voor infiltreren van het hemelwater wat niet rechtstreeks infiltreert in de bodem is het realiseren van een infiltratieveld of het afwateren van hemelwater in een zaksloot. De uiteindelijk gekozen wijze van hemelwaterinfiltratie wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, met inachtname van de in deze paragraaf opgenomen voorwaarden. Een adequate berging van hemelwater in de toekomstige situatie is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

4.5.4 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

4.5.5 Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal, net als in de huidige situatie, worden afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Er is voldoende capaciteit voor het afvoeren van afvalwater.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

43

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

4.6 Luchtkwaliteit 4.6.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).

4.6.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’. Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die Niet In Betekenende Mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag (in principe) niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 1.000 woningen. Dit plan maakt de uitbreiding van een bestaand bedrijf mogelijk waarbij maximaal 1.000 m² aan nieuwe bedrijfsgebouwen kunnen worden opgericht binnen het bestaand bestemmingsvlak. Deze uitbreiding voorziet niet in uitbreiding van de werkzaamheden maar voorziet in een efficiëntere bedrijfsvoering.

Gesteld kan worden dat dit plan valt onder het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ en hoeft de luchtkwaliteit niet verder te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit.

4.6.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

44

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

Figuur 24: Fijnstof 2017 PM10 in de omgeving van het plangebied

Figuur 25: Fijnstof 2017 PM2,5 in de omgeving van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 21-22 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-14 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

45

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

4.7 Bedrijven en milieuzonering De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. In de directe nabijheid van het plangebied is sprake van zowel (agrarische) bedrijven en enkele burgerwoonbestemmingen. De omgeving van het plangebied kan worden aangeduid als ‘gemengd gebied’. Het bedrijf aan de Nieuwendijk 90 betreft een bedrijf in milieucategorie 2. Dit blijft ongewijzigd.

Het bedrijfsbestemmingsvlak komt niet dichter tot woonbestemmingen van derden te liggen, behouders de woning aan Nieuwendijk 92 (welke wordt bestemd als burgerwoning). Voor bedrijven in milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. De maatgevende factor voor deze richtafstand is de factor geluid. Deze afstanden mogen in ‘gemengd gebied’ één stap worden teruggebracht naar 10 meter. De woning aan Nieuwendijk 92, de huidige bedrijfswoning, bevindt zich in de beoogde planologische situatie op een afstand van 8 meter van het bedrijf aan Nieuwendijk 90. In opdracht van initiatiefnemer wordt een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. In het onderzoek wordt de totale geluiduitstraling bepaald ten gevolge van de geluidrelevante activiteiten op het inrichtingsterrein. Tevens is indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting beschouwd. Middels het stappenplan uit de VNG-uitgave wordt aangetoond dat onderhavige inrichting voldoet aan de geluideisen ten aanzien van de omliggende burgerwoningen. De rekenresultaten zijn getoetst aan de normen van het Activiteitenbesluit en de van toepassing zijnde richtwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.

4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant waarop het plangebied is aangeduid.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

46

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

Plangebied

Figuur 26: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant met het plangebied aangeduid

4.8.2 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Er zijn geen risico-objecten gelegen in de omgeving.

4.8.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. 4.8.3.1 Vervoer over weg en waterwegen Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten kunnen plaatsvinden is de N266. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,3 kilometer en ligt daarmee op een zodanige afstand van deze route dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,4 kilometer van de Zuid-Willemsvaart. Als er al een significant transport over de Zuid-Willemskanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is het plangebied buiten het invloedsgebied van het kanaal gelegen. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid vanwege transport van gevaarlijke stoffen geen belemmeringen bestaan voor een goed woon- en leefmilieu ter plaatse van het plangebied.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

47

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

4.8.4 Kabels en leidingen Op een afstand van circa 1,3 kilometer ten westen van het plangebied is een tweetal buisleidingen gelegen. Dit betreffen beiden leidingen van Gasunie Transport Services B.V.: transportroute 66734 (A521 en A-585). Voor deze gasleidingen geldt geen risicocontour voor wat betreft het plaatsgebonden risico. De beoogde herontwikkeling heeft geen verhoging van het groepsrisico tot gevolg en geen negatieve gevolgen voor de benodigde inzet van hulpverleningsdiensten en voor de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied. Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Ten oosten van de

gemeente

Someren,

parallel

aan

de

gemeentegrens

met

Asten,

bevindt

zich

een

hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van ruim 1,3 kilometer van het plangebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.

4.8.5 Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risico contour (10-6) of het invloedsgebied van een inrichting, weg, buisleiding of spoor. Hierdoor vormt het onderdeel externe veiligheid geen belemmering voor het plan.

4.8.6 Brandveiligheid 4.8.6.1 Bluswater Voor dit plan is scenario 30 van toepassing (industriefunctie in het buitengebied). 

Binnen 3 minuten moet 60 m³/uur bluswater beschikbaar te zijn. (B-water)

Daarnaast moet er binnen 15 minuten 90 m³/uur (extra) bluswater beschikbaar zijn.

Na 1 uur dient C -water aanwezig te zijn dit wordt gerealiseerd door de brandweer middels een grootwatertransport of door gebruik te maken van waterbakken en pendelsystemen.

4.8.6.2 Dekkingsplan 2019 Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost In 2019 heeft Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) het Dekkingsplan 2019 vastgesteld. De overschrijdingen van de normtijd bij objecten in de woonkernen, industrie- / bedrijventerreinen en de buitengebieden zijn aanvaardbaar. De overschrijdingen bestaan al van oudsher. Hierbij geldt dat de toepassing van reguliere preventieve maatregelen door de gebouweigenaar en bevoegd gezag afdoende is om de risico’s beheersbaar te houden. Het is raadzaam om, tenminste in de gebieden waar de overschrijdingen aanwezig zijn, aandacht te besteden aan de kans op het ontstaan van brand. De kans op ontstaan van brand vermindert niet als de brandweer sneller ter plaatse is. Wel kan de kans op brand door andere maatregelen worden verlaagd, zoals door gebruik van brandveilige producten, extra preventieve maatregelen en het verhogen van het risicobewustzijn met bijpassend handelingsperspectief.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

48

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

5 ARCHEOLOGIE, CULTUURHISTORIE EN NATUUR 5.1 Archeologie 5.1.1 Inleiding In de Erfgoedwet is onder meer opgenomen dat er bij bouwwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² op locaties die zijn gelegen in een gebied dat is aangeduid met middelhoge- of hoge archeologische verwachtingswaarden, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voorkomen moet worden dat archeologische waarden verloren gaan. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

5.1.2 Nota Archeologiebeleid gemeente Someren De gemeente Someren heeft in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Navolgend is een uitsnede van deze beleidskaart weergegeven waarop het plangebied is aangeduid.

Plangebied

Figuur 27: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren met het plangebied aangeduid

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

49

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

Het plangebied is op de Archeologiekaart van Someren aangeduid als een locatie in een categorie 6 gebied. Dit zijn gebieden met een lage archeologische verwachting. De kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen is in deze gebieden in vergelijking met andere landschappelijke zones, laag. Geomorfologisch gezien kan het gaan om relatief laag gelegen (nattere) landschappelijke zones, zoals delen van beekdalen, vroegere veengebieden en/of zones die in een recenter verleden rigoureus tot op aanzienlijke diepte zijn ontgonnen, zoals de omgeving van het plangebied. Het aantal vindplaatsen dat van gebieden met vergelijkbare omstandigheden bekend is, is uiterst laag. Op deze gebieden zijn geen ondergrenzen of een aanlegvergunning van toepassing vanuit het gemeentelijk bestemmingsplan. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische relicten is immers zeer gering. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

5.2 Cultuurhistorie Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Peelrand’. Regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen. De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. Het oude zandlandschap rond Stiphout met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen is een voorbeeld van dergelijke oude ontginningen. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. Binnen het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Met de beoogde herontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

5.3 Natuur 5.3.1 Inleiding Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.

5.3.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000 gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

50

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

De herbestemming van bedrijfswoning tot woonbestemming en uitbreiding van de bedrijfsgebouwen heeft geen negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Deze herbestemming leidt niet tot een negatief effect op een Natura-2000 gebied. Onderhavige herontwikkeling is niet gericht op groei van de bedrijfsactiviteiten.

Met het oog op de toekomst heeft het bouwbedrijf ruimte nodig, deze ruimte is echter noodzakelijk om meer inpandige opslag ruimte te creëren. Op het bedrijf wordt voor maximaal 1.000 m² aan nieuwe bedrijfsgebouwen gerealiseerd, de bedrijfsactiviteiten veranderen echter niet. De loods dient enkel voor opslag. Van verwarming door middel van aardgas is geen sprake. De gebruiksfase van de loods draagt derhalve niet bij aan stikstofdepositie.

5.3.3 Soortenbescherming 5.3.3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Met de beoogde herontwikkeling wordt bestaande bebouwing deels vervangen dan wel gerevitaliseerd. Binnen het plangebied worden geen landschapselementen verwijderd.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

51

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

5.3.3.2 Quickscan flora en fauna Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergeven. “Samenvatting en conclusie Beschermde soorten Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb Categorie 1-4 jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen In de te slopen loods zijn geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen cat. 1-4 aangetroffen en worden niet verwacht door de constructie, de gebruikte materialen en het ontbreken van toegangsmogelijkheden onder het dak. Categorie 5 jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen Onder de damwand kopgevelplaat is een spreeuwennest uit deze categorie aangetroffen. Er zijn geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die in dit geval rechtvaardigen dat het spreeuwennest beschermd zou zijn. In de directe omgeving zijn voldoende alternatieven voor spreeuwen om te nestelen. Overige Vogelrichtlijnsoorten Delen van het plangebied vormen geschikt leefgebied voor een aantal algemene vogelsoorten waarvan het nest alleen in de broedtijd is beschermd. Met de beoogde herontwikkeling zullen groenelementen in de vorm van een houtsingel worden toegevoegd. Hierdoor zullen nest- en foerageergelegenheid voor een aantal algemene tuin- en struweelvogels worden versterkt. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art.

3.2 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels of andere soorten aangetroffen die vallen onder het beschermingsregime van de Europese Habitatrichtlijn. Door het ontbreken van aanééngesloten lijnvormige (groen)structuren het plangebied zijn geen vaste vlieg- en foerageerroutes voor vleermuizen aanwezig. Vooral de groene delen van het plangebied vormen foerageergebied van redelijke kwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling zal geen belangrijk foerageergebied verloren gaan. Door het ontbreken van geschikte holtebomen en de ongeschiktheid/ontoegankelijkheid van de te slopen loods, kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen worden uitgesloten. Met de uitbreiding van opgaande groenstructuren in het nieuwe plan zullen foerageermogelijkheden voor vleermuizen versterkt worden. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals haas, konijn, egel, gewone pad en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht. CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

52

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

Beschermde gebieden Natura 2000- gebied Gezien de aard en de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen voor (stikstofgevoelige) habitattypen en leefgebieden van soorten worden uitgesloten. Natura 2000- overige effecten (licht, geluid, trillingen) Gelet op de aard en de omvang, het effectbereik van de werkzaamheden en de afstand tot Natura 2000-gebieden, zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in of aangrenzend aan een NNB-gebied. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van aantasting van ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van een NNB-gebied. Houtopstanden Het onderdeel Houtopstanden is niet van toepassing, er worden geen bomen gekapt. Eindconclusie  De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.  Nadere onderzoeken of mogelijke ontheffingsaanvraag zijn niet aan de orde.  De aanbevelingen voor ‘Vogels algemeen’ dienen te worden opgevolgd. 5.3.3.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling is geen bezwaar in kader van de Wet natuurbescherming. Vanuit de algemene zorgplicht dient evenwel tijdens de werkzaamheden continu gelet te worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren.

Bij aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord. De

overheid

wil

het

natuurinclusief

realiseren

van

nieuwe

gebouwen

stimuleren

(zie

www.checklistgroenbouwen.nl). Natuurinclusief bouwen betekent dat in een nieuw gebouw bijvoorbeeld verblijfplaatsen voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen worden geïntegreerd. Dit kan in de vorm van neststenen/nestkasten en vleermuisverblijven die zodanig in het ontwerp zijn verwerkt, dat deze vrijwel niet zichtbaar zijn. De natuurinclusieve realisatie van nieuwbouw is in het kader van de Wet natuurbescherming vereist ter compensatie van het verlies van verblijfplaatsen als er ten behoeve van de nieuwbouw is gesloopt.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

53

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

5.4 Mer-beoordeling 5.4.1 Aanleiding 5.4.1.1 Inleiding De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1.

In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven.

2.

In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

5.4.1.2 Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: “D11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.” Dit bestemmingsplan ziet toe op het her bestemmen van de bedrijfswoning aan Nieuwendijk 92 naar een burgerwoning. Tevens wordt het bedrijfsbestemmingsvlak aan Nieuwendijk 90 van vorm veranderd. De bouwmogelijkheden nemen toe met maximaal 1.000 m². Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.3 (oppervlakte 75 hectare of meer). Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze selectiecriteria zijn opgenomen in bijlage III bij de EU-richtlijn 2011/92/EU in art. 4, lid 3. Dit betreffende volgende selectiecriteria: 1.

Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:  de omvang van het project (en duur),  de cumulatie met andere projecten,

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

54

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

 het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,  de productie van afvalstoffen,  verontreiniging en hinder,  risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van de projecten: Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: -

het bestaande grondgebruik,

-

de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,

-

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a. wetlands b. kustgebieden c. berg- en bosgebieden d. reservaten en natuurparken e. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) f. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: -

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking),

-

het grensoverschrijdende karakter van het effect

-

de waarschijnlijkheid van het effect,

-

de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

5.4.1.3 Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-MER als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied en ligt op meer dan 3,5 kilometer van een gebied dat wel als Natura 2000-gebied aangewezen is. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de het NatuurNetwerk Nederland en Natura2000-gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de verbouwfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten.

5.4.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 5.4.2.1 Inhoudsvereisten aanmeldnotitie Het doel van een aanmeldnotitie ten behoeve van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is om op objectieve wijze informatie over mogelijke relevante milieugevolgen van de voorgenomen activiteit te

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

55

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

verzamelen. Met deze informatie kan het bevoegd gezag een oordeel geven over de noodzaak van het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: ‘Nee, tenzij…’. De belangrijke nadelige gevolgen moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Bijlage III noemt drie hoofdthema’s: 1. De kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen). 2. De plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu). 3. De kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van effect). Deze thema’s worden in de navolgende paragrafen nader uitgewerkt. 5.4.2.2 Kenmerken van het project Toetsingscriteria Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen: 

de omvang van het project;

cumulatie met andere projecten;

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

de productie van afvalstoffen;

verontreiniging en hinder;

risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

Omvang van het project Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het herbestemmen van de bedrijfswoning aan Nieuwendijk 92 naar een reguliere burgerwoning en het maximum oppervlak aan bedrijfsgebouwen wordt verhoogd met 1.000 m². Dit betreft een project van zeer geringe omvang. Cumulatie met andere projecten In de omgeving van het plangebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (Cumulatie) van milieueffecten. Er zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. Nieuwe bedrijfspanden gerealiseerd met steenachtige materialen, staal en hout. Grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. Wat betreft energie stimuleert de gemeente het gebruik van duurzame (energie)systemen.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

56

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

Productie van afvalstoffen Bij de voorgenomen activiteit worden geen stoffen, methoden of technologieën gebruikt waardoor afvalstoffen of emissies vrijkomen die een significant effect tot gevolg hebben. Verontreiniging en hinder Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich moeten houden aan de algemene wet- en regelgeving en de geldende milieuwetgeving. Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Het bedrijf binnen het plangebied is geen risicobron. In paragraaf 4.8 van deze toelichting is daarnaast geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen. 5.4.2.3 Plaats van het plan/project Toetsingscriteria Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overwegen worden genomen: 

het bestaande grondgebruik;

de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;

het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden, in dit geval Natuur Netwerk Nederland, Natura-2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Het bestaande grondgebruik Het plangebied is thans reeds in gebruik ten behoeve van de bedrijfswerkzaamheden en opslag. In het plangebied is thans geen sprake van waardevolle bomensingels en groenstructuren. Natuurlijke hulpbronnen Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel een effect hebben op het project. Opname vermogen/ gevoeligheid van het milieu Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert. 5.4.2.4 Kenmerken van de potentiële effecten Toetsingscriteria Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: 

het bereik van het effect;

het grensoverschrijdende karakter van het effect;

de waarschijnlijkheid van het effect;

de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het project.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

57

‘Nieuwendijk 90 en 92 Someren’ - Toelichting

De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. Vanwege de aard van de ingreep wordt nader aandacht besteed aan de potentiële (milieu)effecten die kunnen optreden. Toets van het project aan de criteria Het bereik van het effect betreft de zeer nabije directe omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een grensoverschrijdende karakter van de ontwikkeling. Uit deze toelichting blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving zeer klein is. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. (Milieu)effecten

Beschrijving van de mogelijke effecten

Doorlopen m.e.r.procedure noodzakelijk

Bodem

Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 van deze toelichting. De

Nee

bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Archeologie en

Verwezen wordt naar paragraaf 5.1 en 5.2 van deze toelichting.

cultuurhistorie

De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische

Nee

waarden. Binnen het plangebied vindt geen overschrijding plaats van drempelwaarden voor archeologie. Er gaan geen archeologische waarden verloren. Water

Verwezen wordt naar paragraaf 4.5 van deze toelichting. Er vindt

Nee

geen substantiële toename van het verhard oppervlak plaats. Het plangebied is reeds grotendeels verhard. Voor nieuw verhard oppervlak geldt een bergingsopgave van 0,06 m³ per m² verhard oppervlak. Dit aspect vormt geen probleem. Natuur/Ecologie

Verwezen wordt naar paragraaf 5.3 deze toelichting. De

Nee

ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor natuur of ecologie. Geluid

Verwezen wordt naar paragraaf 4.3 van deze toelichting. De

Nee

beoogde herontwikkeling heeft geen negatief effect op de geluiduitstraling van het bedrijf. Luchtkwaliteit

Verwezen wordt naar paragraaf 4.6 van deze toelichting. Het

Nee

plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en heeft geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat.

5.4.3 Conclusies en advies Op grond van deze toelichting is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiele effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het plangebied. Voor het initiatief wordt een aanmeldnotitie vormvrije merbeoordeling opgesteld, zodat separaat (voorafgaand aan het bestemmingsplan) een besluit kan worden genomen. CONCEPT-VASTGESTELD

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11628096/3