CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

7b. Toelichting Jan Smitslaan 1

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen van bestemmingsplan Jan Smitslaan 117.790 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is dan ook een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Tevens is op basis van normbedragen een kwaliteitsberekening gemaakt. De kwaliteitsberekening is opgenomen in bijlage 2 bij de toelichting. Aan de hand van de gemeentelijke systematiek uit de ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren 2018’ en de tabel ‘Vergoedingsystematiek en -grondslagen’ uit het document van het Groen Blauw Stimuleringskader NoordBrabant is de investering in de kwaliteitsverbetering financieel uitgedrukt. Conform deze berekening bedraagt de waardevermeerdering van de locatie ten gevolge van de ontwikkeling € 7.653,-. 20% van die waardevermeerdering dient geïnvesteerd te worden in een kwaliteitsverbetering op de locatie. Dit komt neer op een bedrag van € 1.530,60. De benodigde kwaliteitsverbetering komt hiermee net boven de drempelwaarde van € 1.000,-. Voor het plan is dan ook, naast een zorgvuldige landschappelijke inpassing, een kwaliteitsverbetering overeenkomstig het beleidskader nodig. Op pagina 2 van de kwaliteitsberekening is de landschappelijke verbetering financieel uitgedrukt. Uit de berekening blijkt dat de totale investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap, door de aanleg van landschapselementen en het planologisch vastleggen van de landschappelijke inpassing voldoet.

Uiteraard zorgt de beëindiging van het agrarisch bedrijf en de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing eveneens voor significante kwaliteitsverbetering.

3.3.4

Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011

Tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied in 2011 op 29 juni 2011 is het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011 vastgesteld. Het beeldkwaliteitsplan bevat richtlijnen voor landschappelijke inpassing van bebouwing en ondersteunende voorzieningen. Het betreft vooral de inpassing en verbetering van omgevingskwaliteit, oftewel natuur en landschap, maar ook cultuurhistorie, architectuur en stedenbouw. De richtlijnen zijn afgestemd op de aard van de omgeving. Het beeldkwaliteitsplan dient vooral om inhoud te geven aan het motto ‘Verdien de ruimte’, wat wil zeggen: nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk, mits er ook sprake is van ruimtelijke kwaliteitswinst. De locatie Jan Smitslaan 1 ligt in een gebied dat is getypeerd als ‘Jonge Heideontginningen’. Kenmerkend voor de jonge heideontginningen zijn de regelmatige en rechtlijnige patronen binnen relatief grootschalige gebieden met verre zichten. De locatie is echter vrij specifiek, omdat hij net op de rand van de jonge en oude heideontginningen ligt. Het gebied ten oosten van het kanaal en ten zuiden van de locatie is getypeerd als ‘Oude heideontginningen’. Ten oosten van het plangebied is een perceel aangeduid als ‘boslandschap’.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

22

15 december 2022

Voor de oude heideontginningen zijn rijke groenstructuren in de vorm van houtwallen, lanen en bospercelen kenmerkend. Gezien de openheid van de locatie in oostelijke en noordelijke richting en het grootschalig karakter sluit de locatie het best aan bij de karakteristiek van de jonge heideontginning.

Figuur 3.3.4.1: Uitsnede Kaart ‘Gebiedsindeling Landschap’ met aanduiding locatie Jan Smitslaan 1 (Bron: Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011).

Het plan betreft de herbestemming van een veehouderij, waarbij een grote oppervlakte agrarische bebouwing wordt gesloopt. In de nieuwe situatie wordt een compact bestemmingsvlak toegekend, waarop een bedrijfsgebouw van maximaal 600 m2 is toegelaten. Om de openheid van het landschap zo min mogelijk te verstoren, wordt het nieuwe bedrijfsgebouw aan de westzijde van het perceel, evenwijdig aan het kanaal gelegd. Een deel van de gronden van het huidig bouwvlak worden in de nieuwe situatie in gebruik genomen als agrarische productiegrond. De richtlijnen ten aanzien van beplanting op kavelniveau in de jongere heideontginningen zijn als volgt: • • •

Voortuin met lagere gesneden haag (niet hoger dan 1,20 m) heeft naar voorkeur een landelijke uitstraling (geen coniferen, laurierkersen en/of andere exotische planten). Een dichte houtwal of bosstrook aan de achterkant van het bouwblok zorgt voor fraaie groene randen van de open gebieden. Boomsingels, houtwallen of stevige (niet gesneden) hagen aan de zijkant van het erf in combinatie met zaksloten / greppeltjes voor regenwateropvang geven het gebied ook vanaf de weg een groen en gestructureerd beeld.

De algemene uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd voor de jonge heideontginningen kunnen vertaald worden naar deze plek. Van daar uit is gekozen voor erfbeplanting die aansluit bij de voor het gebied kenmerkende laanstructuur en het rechtlijnige karakter.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

23

15 december 2022

4

Randvoorwaarden

4.1

Inleiding

Bij de toekenning van een nieuwe functie aan een bepaald gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten zoals bedrijven en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, bodem, geur en externe veiligheid wordt in de volgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar planologische aspecten, zoals kabels en leidingen, water, archeologie en cultuurhistorie, natuur, verkeer en parkeren. Tenslotte is een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgenomen. De hieruit voortkomende bevindingen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op de locatie Jan Smitslaan 1 is in de huidige situatie een agrarisch bedrijf (veehouderij) met bedrijfswoning en kleinschalig las- en montagebedrijf gevestigd. De varkenshouderij wordt beëindigd en het las- en montagebedrijf, waarvan de activiteiten hoofdzakelijk elders op locatie worden uitgevoerd, wordt voortgezet. De bedrijfswoning blijft in gebruik als woning van ondernemer (tevens initiatiefnemer). Een bedrijfswoning is een gevoelige functie, behoudens voor de eigen bedrijfsactiviteiten. Een al dan niet agrarische inrichting kan milieu-invloed uitoefenen op gevoelige functies in de omgeving. Afhankelijk van de aard en omvang van een inrichting kan deze tevens ook milieugevoelig zijn (te denken valt aan een kantoor of onderwijsinstelling). Gezien de beoogde functiewijziging van agrarisch naar bedrijf is het van belang om te toetsen of er functies in de omgeving zijn, die beperkt worden door de ontwikkeling of die de ontwikkeling belemmeren. Allereerst is beoordeeld of de nieuwe bedrijfsactiviteiten als milieugevoelig zijn aan te merken. Het las- en montagebedrijf dat door ondernemer al als neventak wordt geëxploiteerd, wordt voortgezet als hoofdactiviteit. Het betreft bedrijfsactiviteiten die merendeels op locatie, bij andere bedrijven, plaatsvinden. Het bedrijfsgebouw aan de Jan Smitslaan 1 dient voor opslag en stalling en beperkt voor voorbereidende werkzaamheden.

De verblijfsduur aan de Jan Smitslaan 1 ten behoeve van bedrijfsactiviteiten is hiermee zeer gering. Bij de incidentele voorbereidende werkzaamheden is sprake van enige geluidproductie door de eigen activiteiten, waardoor geen sprake kan zijn van hinder door andere geluidsbronnen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat het las- en montagebedrijf geen gevoelige functie betreft. Vervolgens is de bestemmingswijziging getoetst aan de afstanden, zoals deze zijn voorgeschreven volgens de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009. Eén van de belangrijkste bouwstenen bij milieuzonering is de richtafstandenlijst. Deze lijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast zijn indices voor verkeersaantrekkende werking, bodem, lucht en visueel opgenomen in de lijst. De opgenomen richtafstanden betreffen indicatief de aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt kan hiervan afgeweken worden. De afstand dient te worden gemeten vanaf de bestemmings-/bouwgrens van de inrichting tot de milieugevoelige functie.

Bij het bepalen van de richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. • De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. • De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. • Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. • De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

24

15 december 2022

•

De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen. De richtafstanden voor de te onderscheiden bedrijfstypen zijn afgeleid van: in Nederland aanvaarde normen voor de emissies door milieubelastende activiteiten; in Nederland voorgeschreven of aanvaarde grens- en richtwaarden voor de immissies bij woningen en andere milieugevoelige bestemmingen; ervaringen en waarnemingen met betrekking tot de omvang en schadelijkheid van emissies door activiteiten.

In de kolom ‘gevaar’ is een richtafstand aangegeven, die bij een gemiddelde activiteit van dat type aangehouden kan worden. Het betreft alle gevaarsaspecten, inclusief brandgevaar en stofexplosies. De grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De volgende tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie. Tabel 4.2.2: Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden Milieucategorie

Richtafstand

1

10 m

2 3.1

30 m 50 m

3.2 4.1

100 m 200 m

4.2 5.1

300 m 500 m

5.2 5.3

700 m 1.000 m

6

1.500 m

Voor de toetsing van Jan Smitslaan 1 worden 3 onderdelen afgewogen: 1. De bedrijfswoning is reeds bestaand en wordt als niet gevoelig ten opzichte van het eigen bedrijf beschouwd. Aangezien het een bestaande woning betreft die als zodanig in gebruik blijft, hoeft deze niet getoetst te worden ten opzichte van functies in de omgeving; 2. Het las- en montagebedrijf is geen gevoelige functie. Dit nieuwe gebruik hoeft dan ook niet getoetst te worden op hinderveroorzakende inrichtingen uit de omgeving; 3. Het las- en montagebedrijf betreft een bedrijfsactiviteit die invloed kan hebben op gevoelige functies in de omgeving. Dit aspect wordt hieronder getoetst. De afstand van de nieuwe bedrijfsbestemming aan de Jan Smitslaan 1 tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie in de omgeving bedraagt circa 80 meter. Dit betreft de burgerwoning Kanaaldijk-Zuid 63 aan de westzijde van het kanaal. Overige woningen of bedrijfswoningen van derden zijn op grotere afstand gelegen. Een las- en montagebedrijf is niet als zodanig opgenomen in de VNG-lijst. Zoals hiervoor en in paragraaf 2.2 verwoord vinden de activiteiten van het bedrijf hoofdzakelijk elders plaats. Initiatiefnemer richt zich met name op las- en constructiewerk bij agrarische bedrijven in de omgeving.

Op de thuislocatie is een bedrijfsgebouw gewenst voor de opslag van materialen en gereedschappen en de stalling van de werkbus en werktuigen ten behoeve van het bedrijf. Vanuit de thuislocatie rijdt initiatiefnemer het merendeel van de dagen ’s ochtends naar een klant in de regio, tussentijds nog een keer naar en van huis en aan het einde van de werkdag weer terug naar Jan Smitslaan 1. Er is dan ook sprake van een geringe verkeersaantrekkende werking en een zeer beperkte omvang van de bedrijfsactiviteiten aan huis. In de regels is vastgelegd dat er maximaal 600 m 2 aan bedrijfsbebouwing mogelijk is. Verder is in de regels bepaald dat buitenopslag niet is toegestaan. Kortom: de bedrijfsactiviteiten kunnen op maximaal 600 m 2 worden uitgeoefend.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

25

15 december 2022

Nu een dergelijk bedrijf niet exact voorkomt in de VNG-lijst is bekeken met welk(e) bedrijfstype(n) het gebruik het meest overeenkomt. In de lijst is de hoofdcategorie ‘Bouwnijverheid’ opgenomen. Daarbinnen is de functie ‘aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.<1000 m 2’ opgenomen. De daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten van het bedrijf van initiatiefnemer vertonen overeenkomsten met deze bedrijvigheid. Immers, een aannemersbedrijf verricht de werkzaamheden eveneens hoofdzakelijk op locatie bij derden. Tabel 4.2.3: Uitsnede bijlage 1 Richtafstandenlijsten (bron: ‘Bedrijven en Milieuzonering’, VNG, 2009)

Bovenstaand zijn de afstanden voor de beoordeelde categorie opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat het bedrijf aan de Jan Smitslaan 1 vergelijkbaar is met een aannemersbedrijf in milieucategorie 2. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De milieucategorie is in de planregels geborgd, om te voorkomen dat er een bedrijf ontstaat in milieucategorie 3 (of hoger). Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de bestemmingswijziging zorgt dat ter plaatse geen varkenshouderij meer geëxploiteerd kan worden. Hiermee vervallen bedrijfsactiviteiten die in de VNG-lijst zijn ingedeeld in milieucategorie 4.1 met een minimaal aan te houden afstand van 200 meter. Conclusie Uit deze analyse blijkt dat de gevoelige functies in de omgeving van de Jan Smitslaan 1 op dusdanige afstand zijn gelegen, dat zij geen hinder zullen ondervinden van het las- en montagebedrijf. De bestemmingswijziging wordt hierdoor dan ook niet belemmerd. Voor de omgeving is sprake van een verbetering van de milieusituatie, nu bedrijvigheid in een hogere milieucategorie (varkenshouderij, categorie 4.1) beëindigd wordt.

4.3

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen. In dit geval is geen sprake van een nieuw geluidgevoelig object. De bedrijfswoning blijft immers als zodanig in gebruik en het las- en constructiebedrijf is niet geluidgevoelig op grond van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Industrielawaai Uit paragraaf 4.2 blijkt dat de nieuwe bedrijfsactiviteiten op voldoende afstand van geluidgevoelige functies zijn gelegen. Tevens worden in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het aspect industrielawaai legt dan ook geen beperkingen op aan de ontwikkeling. Goede ruimtelijke ordening Vanuit het ruimtelijk spoor geldt daarnaast dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening.

Nu er sprake is van een ruime afstand tussen het plangebied en gevoelige functies en er in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd kan ervan uit worden gegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geluid.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

26

15 december 2022

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Jan Smitslaan 1.

4.4

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. • Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. • Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. • Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Hierna wordt ingegaan op het feit dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen. ‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.

De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: • Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBMgrens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig.

De 3% is als volgt gekwantificeerd: • Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. • Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Naast deze type ontwikkelingen waarvoor de grenswaarde is bepaald, is de zogeheten NIBM-tool beschikbaar. Met behulp van deze tool kan worden berekend of een initiatief in betekenende mate bijdraagt. Aangezien geen sprake is van woningen of kantoren is deze berekening uitgevoerd voor de toekomstige situatie aan de Jan Smitslaan 1. Hierbij wordt er van uitgegaan dat: • de verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf vervallen; • de verkeersbewegingen van de bedrijfswoning blijven bestaan. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied wordt aan de hand van de CROW-normen uitgegaan van 8,2 verkeersbewegingen per dag;

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

27

15 december 2022

•

de verkeersbewegingen ten behoeve van het las- en montagebedrijf blijven bestaan, maar niet meer opgaan in de totale verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf. Voor de bedrijfsactiviteiten wordt gebruik gemaakt van een bestelbus. Naar verwachting zijn er op werkdagen 2 vertrek- en 2 aankomstbewegingen (4 verkeersbewegingen per dag). Vrachtverkeer zal de locatie sporadisch bezoeken voor het leveren van materiaal. Naar verwachting bedraagt het één vrachtwagen per 1 tot 2 weken (gemiddeld maximaal 2 x 0,2 = 0,4 bewegingen per dag).

Zoals blijkt uit bovenstaande berekening draagt de verkeersgeneratie van de nieuwe functie met bedrijfswoning niet in betekenende mate bij. Hierbij wordt nog opgemerkt dat de vervallen verkeersbewegingen vanuit het agrarisch bedrijf in deze berekening niet verdisconteerd zijn. De bijdrage ten opzichte van de voormalige situatie neemt af. Het bovenstaande maakt duidelijk dat het project geldt als een NIBM-project. Bovendien is binnen de nieuwe bestemming het oprichten van een veehouderij niet (meer) mogelijk. Het plan zal dan ook leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling is niet nodig. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Jan Smitslaan 1.

4.5

Bodem

In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Het agrarisch bedrijf op de locatie Jan Smitslaan 1 wordt beëindigd en een groot deel van de gronden wordt in gebruik genomen als agrarische productiegrond. Ten behoeve van het las- en montagebedrijf, dat al als nevenfunctie wordt geëxploiteerd, wordt een bedrijfsgebouw van 600 m 2 opgericht voor met name opslag en stalling. De werkzaamheden van het las- en montagebedrijf vinden hoofdzakelijk plaats op locatie bij derden. Incidenteel is sprake van enige voorbereiding op de thuislocatie. Gezien de bedrijfsactiviteiten zal de verblijfsduur in het bedrijfsgebouw zeer beperkt zijn. Gezien deze beperkte verblijfsduur is een onderzoek naar de bodemkwaliteit niet noodzakelijk. De situatie van de bedrijfswoning en aangrenzende gronden wijzigt niet, waardoor ook voor deze gronden geen noodzaak bestaat tot het uitvoeren van een bodemonderzoek.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

28

15 december 2022

4.6

Geur

De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Nederland is opgesplitst in concentratie- en niet-concentratie gebieden. In deze gebieden wordt weer onderscheid gemaakt tussen objecten die liggen binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. In diercategorieën wordt onderscheid gemaakt tussen dieren waarvoor vaste afstanden gelden (ongeacht aantal en stalsysteem) en dieren met emissiefactoren, waarvoor de geurcontour berekend dient te worden. Bij geur wordt gekeken naar voorgrond- en achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting betreft de geurinvloed van één bedrijf. Bij de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie samen genomen. De locatie Jan Smitslaan 1 ligt in een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Op het bedrijf worden varkens gehouden, waarvoor emissiefactoren gelden. In de regio Nederweert – Someren zijn meerdere veehouderijen gelegen, waardoor aangenomen kan worden dat de achtergrondbelasting maatgevend is. Voorliggend bestemmingsplan ziet op de beëindiging van de varkenshouderij Jan Smitslaan 1. De geuruitstoot van het bedrijf verdwijnt hiermee.

Deze locatie levert dan ook geen bijdrage meer aan de geurbelasting in het gebied. De voorgrondbelasting vervalt, evenals de bijdrage aan de achtergrondbelasting, waardoor deze lager zal worden voor het plangebied en omgeving.

Figuur 4.6.1: Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting 2018, gemeente Someren’ met aanduiding locatie Jan Smitslaan 1.

Met de planwijziging wordt in het plangebied geen nieuwe geurgevoelige functie mogelijk gemaakt. De loods van het las- en montagebedrijf is immers geen gebouw dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of verblijf. De huidige agrarische bedrijfswoning vormt in de toekomst de bedrijfswoning bij een niet-agrarisch bedrijf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woning wordt bepaald door de achtergrondbelasting. De gemeente Someren heeft in 2018 de geurbelasting van alle veehouderijen in het buitengebied van de gemeente in kaart gebracht. Uit de uitsnede van deze kaart in figuur 4.6.1 kan worden opgemaakt dat de kwaliteit van de leefomgeving na het verdwijnen van de eigen veehouderij behoort tot de categorie ‘redelijk goed’. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

29

15 december 2022

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat door de beëindiging van de varkenshouderij Jan Smitslaan 1 de geurbelasting in het gebied afneemt, hetgeen het woon- en leefklimaat ten goede komt voor de eigen bedrijfswoning en de omgeving. Het plan gaat niet uit van nieuwe geurgevoelige functies. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de herbestemming van de locatie Jan Smitslaan 1.

4.7

Agrarische bedrijvigheid en gezondheid

Geitenhouderij Uit VGO-onderzoeken is gebleken dat tot 2 km rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. Het plangebied aan de Jan Smitslaan ligt niet binnen de straal van 2 kilometer van een geitenhouderij.

Geitenhouderij Agrarisch bedrijf met geiten en andere (dier)soorten

Figuur 4.7.1: Ligging plangebied ten opzichte van geitenhouderijen; de weergegeven cirkel rond het bedrijf heeft een diameter van 4 km. Endotoxinen Intensieve veehouderij bedrijven, met name pluimveebedrijven, dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Endotoxinen kunnen onderdeel uitmaken van dit uitgestoten fijn stof. De uitstoot van fijnstof en endotoxinen kan negatieve effecten hebben op de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen met gevoelige functies, zoals burgerwoningen, dient het aspect ‘endotoxinen’ dan ook beoordeeld te worden.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

30

15 december 2022

Voorlopige resultaten van landelijke onderzoeken zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0; een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is’ (2018). Uitgangspunt voor ruimtelijke plannen waarin de ontwikkeling van nieuwe gevoelige functies mogelijk wordt gemaakt, is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Op 7 juli 2016 is het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodelering’ (Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 949) verschenen. Uit dit rapport blijkt dat rondom varkens- en pluimveehouderijen mogelijk een overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 (vastgesteld door de Gezondheidsraad) plaatsvindt. De gemeente Someren heeft in 2018 een kaart met endotoxinecontouren voor haar grondgebied opgesteld.

Figuur 4.7.2: Uitsnede kaartbeeld ‘Contouren endotoxine’ omgeving Jan Smitslaan 1 (bron: gemeente Someren) Uit deze kaart blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een contour als gevolg van de eigen agrarische bedrijfsactiviteiten. Voor het overige zijn er geen contouren die de locatie Jan Smitslaan 1 beïnvloeden. Aangezien het agrarisch bedrijf op de locatie is beëindigd, is ook de endotoxine contour vervallen. Daarmee valt het plangebied buiten de berekende contouren. Op grond van de beschikbare kennis en onderzoeksresultaten kan dan ook worden geconcludeerd dat het aspect endotoxine geen belemmeringen oplevert voor de beoogde herbestemming en -ontwikkeling. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.

Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

31

15 december 2022

Binnen het plangebied wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. De bedrijfswoning is reeds aanwezig en in het bedrijfsgebouw verblijven slechts beperkt mensen. De gronden ten noorden en oosten van de nieuwe bedrijfsbestemming zijn in eigendom van initiatiefnemer en worden gebruikt als agrarische productiegrond. Door initiatiefnemer worden hier geen houtachtige gewassen, zoals fruit of bomen geteeld. Er wordt dan ook niet verticaal gespoten, waardoor eventuele drift zeer beperkt zal zijn. Daarbij wordt ter hoogte van de woning op de perceelsgrens met het agrarisch perceel in het kader van de landschappelijke inpassing een beukenhaag met solitaire bomen aangeplant. Hiermee ontstaat een groene buffer, die de bebouwing scheidt van het agrarisch perceel en eventuele drift weert.

4.7

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: • het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); • het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); • het gebruik van luchthavens; • het gebruik van windturbines. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan.

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

32

15 december 2022

Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Uit de risicokaart Noord-Brabant en het geldende bestemmingsplan blijkt dat op ca. 550 meter ten zuiden van het plangebied sprake is van een (landbouw)inrichting met 2 propaantanks van 12 m 3. Voor de tanks geldt een risicocontour van 25 meter. Het plangebied ligt ruim buiten de risicocontour van deze inrichting. Ten westen van het plangebied, parallel aan het kanaal, loopt een buisleiding van de Gasunie. Deze leiding bevindt zich op ca. 12 meter van de rand van het plangebied. Het betreft de Aardgas NEN 3650-leiding Z-54001, waarvan de gegevens omtrent plaatsgebonden risico en groepsrisico in de risicokaart niet nader gedocumenteerd zijn. Uit de in 2013 vastgestelde Visie externe veiligheid van de gemeente Someren en de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 3’ blijkt dat er voor de leiding geen risicocontour (persoonsgebonden risico) geldt en dat de vrijwaringszone 4 meter aan weerszijden van de leiding bedraagt. Voor dat deel van het plangebied dat behoort tot de vrijwaringszone is in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’ opgenomen.

Uit recente informatie van de Gasunie blijkt dat de gasleiding inmiddels ontkoppeld is en buiten gebruik is gesteld. In voorliggend bestemmingsplan is de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’ dan ook niet meer opgenomen. Zie ook paragraaf 7.3 van deze toelichting en bijlage 7. Hierdoor hoeft geen toets van het groepsrisico plaats te vinden.

Figuur 4.7.1: Uitsnede Risicokaart met aanduiding locatie Jan Smitslaan 1 (bron: Risicokaart.nl).

Overige aspecten veiligheid Met het oog op de bereikbaarheid van de locatie en bluswatervoorziening dient de locatie voldoende bereikbaar te zijn voor hulpverleningsvoertuigen. De bestaande, te behouden inrit aan de Jan Smitslaan heeft een breedte van 6 meter. Dit is het dubbele van de vereiste breedte van verharding op eigen terrein van 3 meter. Voor het initiatief gelden de kaders uit de beleidsregels ‘Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening’ van de drie Brabantse Veiligheidsregio’s (april 2016). Toetsing van deze aspecten vindt plaats in het kader van de Omgevingsvergunningaanvraag (in het verlengde van toets Bouwbesluit).

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

33

15 december 2022

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voor de herbestemming van de locatie Jan Smitslaan 1.

4.8

Kabels en leidingen

In het geldende bestemmingsplan en de risicokaart is ten westen van het plangebied een gasleiding opgenomen. Zoals in paragraaf 4.7 aangegeven is de leiding niet meer in gebruik. Gezien de resultaten van de toets in paragraaf 4.7 Externe veiligheid is de herbestemming van Jan Smitslaan 1 vanuit het aspect ‘kabels en leidingen’ aanvaardbaar.

4.9

Water

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. De uitgangspunten die worden gehanteerd bij het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, 500 m2 - 10.000 m2 en meer dan 10.000 m 2.

Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap Aa en Maas 2015’ en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen berekening van de bergingsopgave vereist door het waterschap voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m2. Bij ver-, her- en nieuwbouw is het beleid van de gemeente Someren dat minimaal de eerste 30 mm/m2 neerslag van het (horizontaal geprojecteerde) dakoppervlak op eigen terrein dient te worden opgevangen en verwerkt. Het plan betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie tot niet-agrarische bedrijfslocatie. Er is sprake van een forse afname van het verhard oppervlak, doordat een groot deel van de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en verharding wordt verwijderd. De waterhuishoudkundige situatie in het plangebied is beschreven in hoofdstuk 7 van het rapport ‘Landschappelijke inpassing Jan Smitslaan 1, Someren’ (bijlage 1). Ook de waterberging is hierin uitgewerkt. Uitgegaan wordt van een infiltratiesloot ten noorden van het nieuwe bedrijfsgebouw met een lengte van circa 60 meter en diepte van 65 cm. De totale bergingscapaciteit bedraagt 33 m3. Hierbij is rekening gehouden met de GHG. Op basis van de gegevens van de GHG uit de bodematlas Brabant is de maximale diepte voor de zaksloot vastgesteld op 65 cm beneden maaiveld.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

34

15 december 2022

Figuur 4.9.1: Infiltratievoorziening/waterberging Jan Smitslaan 1

In het kader van het plan is de digitale watertoets van Waterschap Aa en Maas doorlopen. De samenvatting uitkomsten digitale watertoets en instemming van het waterschap met het doorlopen van de korte procedure zijn opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Jan Smitslaan 1.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. • Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Het archeologisch beleid van de gemeente Someren is opgenomen in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een vlakdekkende beleidskaart van archeologische waarden en verwachtingen opgesteld. Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

35

15 december 2022

Op de archeologische beleidskaart is de locatie Jan Smitslaan 1 aangeduid als categorie 6 - gebieden met een lage archeologische verwachting. In het vigerend bestemmingsplan is dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Een archeologisch onderzoek is niet nodig.

Figuur 4.10.1: Uitsnede Archeologische Beleidskaart Someren met aanduiding locatie Jan Smitslaan 1.

Cultuurhistorie Binnen het plangebied Jan Smitslaan 1 zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel liggen in de directe omgeving enkele elementen die een relatief oude cultuurhistorie kennen en het landschap mede hebben gevormd. Deze cultuurhistorische landschapselementen zijn weergegeven op de Cultuurhistorische Waardekaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant. Grenzend aan het plangebied bevinden zich drie elementen met een hoge tot redelijk hoge waardering: A. Direct ten westen van het plangebied ligt de Zuid-Willemsvaart. Dit kanaal is een historisch-geografische lijn met een hoge cultuurhistorische waarde. Aangrenzend aan het plangebied ligt nog één van de oude zandpaden, de vroegere jaagpaden. B. De laanbeplanting langs het kanaal is aangemerkt als historisch groen met een redelijk hoge waarde. C. Daarnaast is de Jan Smitslaan een historisch-geografische lijn met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

36

15 december 2022

Figuur 4.10.2: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, herziening 2016 (bron: provincie Noord-Brabant).

In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) is de ontstaansgeschiedenis van het landschap nader geanalyseerd. Ook is bij de uitwerking van de inpassing zoveel mogelijk aangesloten bij de historische landschapsstructuren. De groenstrook/ het bosplantsoen aan de zijde van het kanaal wordt verder in noordelijke richting doorgezet en versterkt zo het aanwezige groen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de herbestemming van de locatie Jan Smitslaan 1.

4.11

Natuur

Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

37

15 december 2022

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000-gebieden. Het plan betreft de sanering van een agrarisch bedrijf en de daarmee gepaard gaande omzetting naar niet-agrarisch bedrijf milieucategorie 2. In de nieuwe situatie is sprake van een bedrijfsgebouw van maximaal 600 m 2 voor met name opslag en stalling. De werkzaamheden worden voor het overgrote deel op locatie uitgevoerd. Gezien de wijziging van de bebouwing en het gebruik van de locatie is er geen sprake van een negatief effect op Natura 2000-gebieden. Door definitieve sanering van de agrarische bedrijfsvoering wordt de belasting op Natura 2000-gebieden verlaagd. De ontwikkeling komt derhalve ten gunste van de gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden dient getoetst te worden op relevantie en effect van een 20-tal storingsfactoren, te weten stikstofdepositie en 19 overige effecten (geluid, licht, etc.). Dit dient te gebeuren voor het projecteffect in de gebruiksfase en bij bestemmingsplannen ook voor het planeffect. In dit geval ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca. 2,4 km afstand. Hierdoor zijn gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand, significant negatieve effecten door de 19 overige effecten op voorhand uit te sluiten.

Figuur 4.11.1: Uitsnede kaartbeeld Natura2000 gebieden met aanduiding locatie Jan Smitslaan 1 (bron: provincie NoordBrabant).

De toekomstige situatie In de beoogde situatie wordt het las- en montagebedrijf voortgezet op de locatie. Met dit bedrijf voert de initiatiefnemer diverse las- en montagewerkzaamheden uit bij voornamelijk agrarische bedrijven in de omgeving. De werkzaamheden van het bedrijf vinden niet op de locatie Jan Smitslaan 1 plaats, met uitzondering van kleine voorbereidende werkzaamheden. Op de thuislocatie vindt met name opslag plaats van materialen en machines en stalling van de werkbus en werktuigen ten behoeve van het bedrijf. Er zullen in de toekomstige situatie emissies vrijkomen behorende bij de bedrijfswoning en bij de verkeersbewegingen ten gevolge van het las- en montagebedrijf. Voor het bedrijf wordt gebruik gemaakt van een bestelbus. Naar verwachting zijn er op werkdagen 2 vertrek- en 2 aankomstbewegingen. Vrachtverkeer zal de locatie sporadisch bezoeken voor het leveren van materiaal. Naar verwachting bedraagt het één vrachtwagen per 1 tot 2 weken.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

38

15 december 2022

Voorafgaand aan het intrekken van de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij is een ‘worst-case’ scenario berekend in AERIUS (zie bijlage 5, later geactualiseerd naar de meest recente versie van AERIUS). Het doel van die berekening was om in beeld te krijgen hoeveel verkeersbewegingen maximaal op deze locatie ten gevolge van het plan kunnen plaatsvinden, waarbij nog steeds geen sprake is van een verslechtering op omliggende Natura 2000-gebieden. Intrekking van de vergunning betekent immers dat er sprake is van een referentiesituatie met uitsluitend één woning en geen bedrijvigheid. In de AERIUS berekening voor het ‘worst-case’ scenario zijn onderstaande emissiebronnen zijn meegenomen: Emissiebron

Aantal verkeersbewegingen per jaar 1.460

Emissie totaal (kg NOx/NH3 jaar)

Zwaar verkeer (verkeer Kanaaldijk)

3.650

2,6 kg NOx/0,1 kg NH3

Middelzwaar vrachtverkeer (verkeer Kanaaldijk) Woonhuis

14.600

7,1 kg NOx/0,1 kg NH3

n.v.t.

3,6 kg NOx/0,5 kg NH3

Middelzwaar vrachtverkeer (wegverkeer)

4,3 kg NOx/0,1 kg NH3

Zoals in bovenstaande tabel is te zien, zijn er in de berekening fors meer verkeersbewegingen meegenomen dan er naar verwachting in de toekomstige situatie plaats zullen vinden. Daarnaast is in de berekening uitgegaan van verkeer vanuit twee richtingen, dus ook verkeer dat richting het Natura 2000 - gebied de Groote Peel rijdt is meegenomen. In de praktijk zal vrijwel al het verkeer van en naar de Kanaaldijk rijden, vanwege de ligging van de locatie Jan Smitslaan op korte afstand van de Kanaaldijk. Conclusie De berekening heeft een uitkomst die niet boven de 0,00 mol depositie per hectare per jaar uitkomt. Dit betekent dat er met het aantal verkeersbewegingen per jaar, zoals weergegeven in de tabel, geen verslechteringen zijn te verwachten op de omliggende Natura 2000 - gebieden. De verwachte verkeersbewegingen ten gevolge van het las- en montagebedrijf zijn echter fors minder. Geconcludeerd kan dan ook worden dat significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000 - gebieden door stikstofdepositie ten gevolge van het plan uit te sluiten zijn. Overige beschermde gebieden Op beperkte afstand van het plangebied zijn gronden aangewezen als Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het betreft de oevers van het kanaal ten westen van het plangebied en een bosgebiedje op ca. 200 meter ten oosten van het plangebied.

Voorliggend plan voorziet in de beëindiging van het ter plaatse gevestigd varkensbedrijf. Deze ontwikkeling zorgt er voor dat de negatieve effecten van de intensieve veehouderij op de omliggende natuur verdwijnen. In de nieuwe situatie is sprake van kleinschalige bedrijfsactiviteiten die in hoofdzaak op locatie bij derden worden uitgeoefend. Aannemelijk is, dat gezien de aard en de omvang significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB op voorhand zijn uit te sluiten. Een ‘nee, tenzij’-toets of ‘ja, mits’-toets met een eventuele compensatieplicht, zijn niet aan de orde. Houtopstanden Met betrekking tot bomenkap kunnen drie beschermingsregimes aan de orde zijn. De Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden, de Gemeentelijke kapverordening (APV Houtopstanden) en / of omgevingsvergunningplicht werken en werkzaamheden op grond van het bestemmingsplan voor het rooien van vegetatie / houtgewas. De bestaande houtopstanden blijven gehandhaafd en worden middels een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan geborgd. Toetsing aan de genoemde beschermingsregimes is daarmee niet aan de orde. Aantasting of het verdwijnen van anderszins planologisch beschermde natuur is eveneens niet aan de orde, gezien het geldende bestemmingsplan en de aard van het voornemen. Voor het overige zijn geen natuurbeschermingsregimes relevant.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

39

15 december 2022

Figuur 4.11.2: Uitsnede kaartbeeld Natuurnetwerk Brabant met aanduiding locatie Jan Smitslaan 1 (bron: provincie NoordBrabant).

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloopwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, is een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage, d.d. 18 augustus 2021, is opgenomen als bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna volgt de conclusie. Het natuuronderzoek is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek aan het plangebied. Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden.

Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: • Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? • Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? • Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

40

15 december 2022

De stallen dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gesloopt. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullende onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen zijn voor de herbestemming van de locatie Jan Smitslaan 1.

4.12

Verkeer en parkeren

In de huidige situatie wordt de locatie ontsloten vanaf de Jan Smitslaan en de Langendijk. De huidige vervoersbewegingen bestaan uit de vervoersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning, ten behoeve van de varkenshouderij en ten behoeve van het las- en montagebedrijf als neventak. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling verdwijnen de vervoersbewegingen ten dienste van de varkenshouderij in zijn geheel. Het betreft zowel vrachtverkeer (voer, mest, dieren) als personenauto’s (dierenarts, adviseurs, vertegenwoordigers). In de nieuwe situatie wordt de inrit via de Langendijk verwijderd. Het bedrijf is in de beoogde situatie uitsluitend nog toegankelijk via de inrit ten oosten van de bedrijfswoning aan de Jan Smitslaan. De vervoersbewegingen bestaan uit de bewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning en het las- en montagebedrijf. Voor het bedrijf wordt gebruik gemaakt van een bestelbus. Naar verwachting zijn er op werkdagen 2 vertrek- en 2 aankomstbewegingen. Vrachtverkeer zal de locatie sporadisch bezoeken voor het leveren van materiaal. Naar verwachting bedraagt het één vrachtwagen per 1 tot 2 weken. Parkeren vindt nu en in de toekomst plaats op eigen terrein. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor manoeuvreren, parkeren, laden en lossen. Dit zal dan ook niet op de openbare weg plaatsvinden.

Het initiatief zal geen negatieve consequenties met zich meebrengen voor de verkeerssituatie ter plaatse. De infrastructuur in de omgeving van het plangebied bestaat niet alleen uit wegen. Ten westen van de locatie loopt het kanaal Zuid-Willemsvaart. Dit kanaal vormt een waterweg tussen Maastricht en Den Bosch en wordt onder meer gebruikt voor goederenvervoer en pleziervaart. Ter bescherming van de vaarweg geldt een bebouwingsvrije zone van 20 meter vanuit de rand van het kanaal. De vrijwaringszone is vastgelegd op de verbeelding en in de planregels. De nieuwbouw van de loods vindt plaats buiten deze zone. Het kanaal wordt begrensd door een kade, die ten westen van het plangebied ligt. Ter bescherming van de kade geldt voor een strook van 35 meter de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. Ook deze dubbelbestemming werkt met een bouwverbod, waar met een omgevingsvergunning van afgeweken kan worden. De dubbelbestemming is eveneens vastgelegd op de verbeelding en planregels. De nieuw te realiseren loods is voor een beperkt deel gesitueerd binnen de dubbelbestemming. Het betreft echter gronden waar nu de zeugenstal staat. De loods komt niet dichter bij het kanaal / de kade, dan de zeugenstal. Daarbij is de loods aanzienlijk korter dan de stal (ruim 50 meter), waardoor er in de toekomst sprake is van meer gronden binnen de dubbelbestemming die vrij zijn van bebouwing.

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

41

15 december 2022

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. Beoordeling In dit geval is voorliggende toelichting onderdeel van een bestemmingsplan, dat voorziet in de beëindiging en sloop van een intensieve veehouderij en de voortzetting van een bestaande niet-agrarische bedrijfstak (lasen montagebedrijf in milieucategorie 2). Een bestemmingsplan is een kaderstellend plan. Dit bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de oprichting van activiteiten die genoemd worden in onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. De categorie waar voorliggende ontwikkeling de meeste overeenkomsten mee vertoont is die van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Hiervoor blijkt uit jurisprudentie dat de concrete omstandigheden van onder meer aard en omvang van de ontwikkeling een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling (ABRS 12 juni 2019, no.

201807060/1/R1). De afname van de bebouwing aan de Jan Smitslaan 1 en beperkte toekomstige bedrijvigheid op de locatie maken dat bij deze ontwikkeling geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde en het opstellen van een aanmeldingsnotitie of plan-m.e.r. niet noodzakelijk.

Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren

42

15 december 2022

5

Juridische planopzet

5.1

Planstukken

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.

5.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Someren hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.

5.3

Toelichting op de regels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels. • Bestemmingsregels. • Algemene regels. • Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels is aansluiting gezocht bij het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 3’ en enkele recent in procedure gebrachte partiële herzieningen. De planregels sluiten waar mogelijk aan bij deze regelingen.

5.3.1.

Inleidende regels

In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc..

5.3.2.

Bestemmingsregels

Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch’. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen (voormalige ontheffingsbepalingen). Aan een deel van het plangebied is, overeenkomstig de geldende regeling, een dubbelbestemming toegekend. Het betreft de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ die langs de westelijke grens van het plangebied loopt. Voor de dubbelbestemming geldt een zelfde opzet dan voor de bovenbeschreven enkelbestemmingen. Om specifieke waarden en belangen in het plangebied te beschermen zijn tevens enkele aanduidingen opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12067275/1