CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Vaststellen 1e wijziging Algemene plaatselijke verordening Gemeente Someren 2018

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen 1e wijziging Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 201822.721 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

2.

Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

3.

Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 12 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

4.

De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in

5.

De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een eerder gegeven bevel.

verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit 22/51

die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.

Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

3.

De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a.

geluid- of geurhinder;

b.

hinder van dieren;

c.

hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

d.

overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

e.

intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.

beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding

b.

bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande

van een seksbedrijf, seksinrichting of escortbedrijf; gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; c.

escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

d.

exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

e.

klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

f.

prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

g.

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

h.

seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

i.

seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

j.

sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

k.

bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 23/51

-

de exploitant;

-

de beheerder;

-

de prostituee;

-

het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

-

toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2;

-

andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3:3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheid in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3:4 Seksinrichtingen 1.

Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

2.

In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld: a.

de persoonsgegevens van de exploitant;

b.

de persoonsgegevens van de beheerder;

c.

de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

d.

het aantal werkzame prostituee(é)s;

e.

of de exploitant in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksinrichting is ingetrokken;

f.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

g.

het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

h.

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

i.

een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

j.

indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

k.

een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door

identificatieplicht;

de Belastingdienst; l.

de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening waarop ten minste twee straten staan aangegeven met een schaal van tenminste 1:1000;

m.

de plattegrond(en) van de inrichting door middel van een tekening met een schaal van

n.

bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

o.

bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte

ten minste 1:100;

bestemd voor de seksinrichting; p.

verklaring omtrent gedrag van de exploitant en beheerder.

3.

Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

4.

In de vergunning worden in ieder geval vermeld: a.

de persoonsgegevens van de exploitant;

b.

de persoonsgegevens van de beheerder;

c.

voor welke activiteit de vergunning is verleend;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; 24/51

e.

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

f.

indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

5.

g.

de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

h.

indien van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

i.

de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf en

j.

het nummer van de vergunning.

Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.

6.

Een vergunning kan voor één seksinrichting worden verleend.

7.

De vergunning wordt voor bepaalde tijd en op naam van de exploitant verleend en is niet overdraagbaar.

8.

De vergunning kan ten hoogste tweemaal worden verlengd.

9.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder 1.

2.

De exploitant en de beheerder: a.

staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

b.

zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en

c.

hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a.

met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

b.

onherroepelijk veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

c.

binnen de laatste vijf jaar voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden wegens een misdrijf;

d.

binnen de laatste vijf jaar bij méér dan één rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: I.

bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Someren 2018;

II.

de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

III. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; IV. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j° artikel 8 of j° artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; V.

de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

VI. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; VII. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.

Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

25/51

a.

vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt;

b. 4.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf.

De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a.

bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

b.

bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

c.

niet meegeteld bij de berekening van de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan.

5.

De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3:6 Sluitingstijden 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

2.

a.

op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 05.00 uur;

b.

op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 05.00 uur.

Het bevoegd bestuursorgaan kan van het verbod onder lid 1 genoemd ontheffing verlenen waarbij voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden gelden.

3.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7 eerste lid, gesloten dient te zijn.

4.

Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.

Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a.

tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingstijden

b.

van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijk of algehele sluiting

vaststellen; bevelen. 2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:8 Straatprostitutie 1.

Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken of ontuchtige handelingen te verrichten: a.

op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

b.

gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

26/51

2.

Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren of toezichthouders het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

3.

Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen, kan door politieambtenaren of toezichthouders aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

4.

De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

5.

Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens het eerste lid aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van prostituees of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.

6.

De burgemeester beperkt het in het vijfde lid genoemde verboden indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

7.

Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3:9 Nul-optie raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksinrichtingen 1.

Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

2.

Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen van seksbedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend.

Artikel 3:10 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.

indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

b.

anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden

27/51

Artikel 3:12 Beslissingstermijn 1.

Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1.

De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a.

de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

b.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de

c.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan

aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; d.

de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4 lid 5.

e.

er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

f.

een maximum als bedoeld in artikel 3:9 al is bereikt;

g.

voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:16, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

h.

als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:4 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

i.

als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

j.

als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

k.

als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:20, eerste en tweede lid;

l.

als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:21 gestelde

m.

als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als

verplichtingen zal naleven; bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend. 2.

In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a.

het voorkomen of beperken van overlast;

b.

het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

c.

de veiligheid van personen of goederen;

d.

de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e.

de gezondheid of zedelijkheid;

f.

de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 28/51

Afdeling 4. Beëindiging exploitatie, wijziging beheer en intrekkingsgronden Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 1.

De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de

2.

Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan

exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3:15 Wijziging beheer 1.

Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1 onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

2.

Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Artikel 3:16 Intrekkingsgronden 1.

De vergunning wordt ingetrokken als: a.

de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

b.

de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

c.

is gehandeld in strijd met de artikelen 3:19, 3:21 en 3:21, eerste lid, derde lid en vierde lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

d.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

e.

zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met m;

f.

de vergunninghouder dat verzoekt;

g.

de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

2.

De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a.

is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

b.

in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

c.

een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

d.

is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

e.

is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

29/51

f.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

g.

de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

h.

er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

i.

gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Afdeling 5. Eisen aan exploitant en beheerder Artikel 3:17 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge

2.

De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. a.

geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid) XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

b.

geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:18 Eisen met betrekking tot vergunning De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:19 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:4, tweede lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Artikel 3:20 Bedrijfsplan 1.

Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a.

op het gebied van hygiëne;

b.

ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

2.

c.

ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

d.

ter voorkoming van strafbare feiten.

De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder sub a en b, waarborgen dat: a.

de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

b.

inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; 30/51

c.

in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor

d.

in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening

gebruik beschikbaar zijn; aanwezig is; e.

de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

f.

de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

g.

de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

h.

de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

i.

de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

j.

aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

k.

de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

l.

de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

m.

de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

n.

de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

o.

de overlast voor de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

3.

Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

4.

De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

5.

De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

6.

In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol te gebruiken.

Artikel 3:21 Verdere verplichtingen exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 1.

De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

2.

Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar

3.

Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting. a.

nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; 31/51

b.

in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

4.

De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: a.

de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

b.

er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; I.

de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

II.

de verhuuradministratie;

III. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:20, tweede lid, onder k; IV. de werkroosters van de beheerders; c.

de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

d.

medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

e.

onverwijld elk signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting bij de politie wordt vermeld;

f.

onverwijld het gedurende ten minste één maand geen gebruik maken van de vergunning aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld onder opgave van de reden daarvan en de verwachte termijn waarvoor dit geldt;

g.

gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

Afdeling 6. Overige bepalingen Artikel 3:22 Verbodsbepalingen klanten 1.

Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

2.

Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats

3.

Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning

gebruik te maken van de diensten van een prostituee. is verleend.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

32/51

b.

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een

c.

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is

inrichting drijft; verbonden; d.

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal

e.

geluidsgevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan on artikel 1.1 van het

inrichtingen; Activiteitenbesluit milieubeheer f.

geluidsgevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan on artikel 1.1 van het

g.

onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Indien één of meer instrumenten

Activiteitenbesluit milieubeheer versterkt worden, geldt de totale geluidsproductie als versterkte muziek. h.

Equivalente geluidsniveau LAeq: geluidsniveau te meten midden in de publieksruimte waar de hoogste geluidsniveaus te verwachten zijn op een hoogte van 0,5 meter boven de hoofden van het publiek, zodra het eerste publiek aanwezig is. Het geluidsniveau wordt gedurende de muziekactiviteit bij voorkeur gemeten over meetperioden van 15 minuten, met een minimum van vijf minuten. Het geluidsniveau wordt gedurende de muziekactiviteit gemeten met geschikte apparatuur van ten minste klasse 2 (productindeling volgens internationale normen).

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3.

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: Someren-Dorp, Someren-Eind, Someren-Heide en Lierop.

4.

Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

5.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de festiviteit, bedraagt niet meer dan 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in gevoelige ruimten van geluidsgevoelige gebouwen, gebaseerd op het begrip ontoelaatbare hinder, zoals aangegeven in de nota Evenementen met een luidruchtig karakter Limburg 1996.

6.

Bij de geluidswaarde, bedoeld in het vijfde lid, worden de bedrijfsduurcorrectie en muziekcorrectie

7.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek -hoger

buiten beschouwing gelaten. dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 te worden beëindigd conform nader vastgestelde regels. 8.

Het college kan bij aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.

Het is een inrichting toegestaan op maximaal 5 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits 33/51

de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.

Het college kan gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid gestelde aantal incidentele festiviteiten.

3.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan aan het college.

4.

Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

5.

De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

6.

De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

7.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de festiviteit, bedraagt niet meer dan 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in gevoelige ruimten van geluidsgevoelige gebouwen, gebaseerd op het begrip ontoelaatbare hinder, zoals aangegeven in de nota Evenementen met een luidruchtig karakter Limburg 1996.

8.

Bij de geluidswaarde als bedoeld in het zevende worden de bedrijfsduurcorrectie en muziekcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 - op maandag tot en met vrijdag uiterlijk om 01.00 uur beëindigd en op zaterdag en zondag uiterlijk om 02.00.

10.

De geluidsnorm als bedoeld in het zevende lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting.

11.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1.

Het is verboden binnen een inrichting onversterkte muziek ten gehore te brengen indien niet wordt voldaan aan de geluidsnormen als genoemd in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet tijdens het beoefenen van eigen muziek door

3.

Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

4.

Aan een ontheffing als bedoeld in het derde lid kunnen voorschriften verbonden worden om

muziekgezelschappen tijdens de dag en avondperiode (tussen 07.00 en 23.00 uur)

overmatige geluidshinder te voorkomen. 5.

Een ontheffing wordt geweigerd wanneer naar het oordeel van het college de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting op ontoelaatbare wijze zal worden beïnvloed.

34/51

Artikel 4:5a Traditioneel schieten (Vervallen) Artikel 4:6 Overige geluidhinder en lichthinder 1.

Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten of lichtapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder of lichthinder veroorzaakt.

2.

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.

4.

Het verbod geldt niet voor het doen van aankondigingen middels een geluidswagen op maandag tot en met zaterdag tussen 9.00 uur en 20.00 uur.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6a Mosquito (Vervallen) Artikel 4:6b Geluidhinder bij evenementen en festiviteiten Ter voorkoming van gehoorschade bij bezoekers, deelnemers en medewerkers van (kleine) evenementen en festiviteiten, is het verboden om de volgende geluidsnormen te overschrijden tijdens de evenementen/ festiviteiten: a.

voor muziekactiviteiten gericht op kinderen en jongeren tot en met 13 jaar mag een gemiddeld geluidsniveau niet meer bedragen dan 91 dB(A), gemeten over minimaal vijf minuten;

b.

voor muziekactiviteiten gericht op kinderen en jongeren van 14 en 15 jaar mag een gemiddeld geluidsniveau niet meer bedragen dan 96 dB(A), gemeten over minimaal vijf minuten;

c.

voor muziekactiviteiten gericht op personen van 16 jaar en ouder mag een gemiddeld geluidsniveau niet meer bedragen dan 102 dB(A), gemeten over minimaal vijf minuten.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde inrichting of plaatsen. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden 35/51

Artikel 4:10 Definities 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

b.

hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

c.

dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

d.

bebouwde kom Boswet: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

e.

bomenlijst: lijst zoals bedoeld in artikel 4:10a waarop de beschermwaardige bomen en gebieden staan vermeld binnen de bebouwde kom.

2.

In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:10a Afstand bomen tot erfgrens 1.

De afstand tot de erfgrens, als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op:

2.

a.

nihil voor bomen, heesters en heggen op openbaar terrein;

b.

2,0 meter voor bomen en nihil voor heesters en heggen in privaat eigendom.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 onder b wordt de afstand tot de erfgrens voor leibomen in privaat eigendom vastgesteld op 0,5 meter onder de voorwaarde dat de bomen vanaf eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende taken over de perceelgrens.

Artikel 4:10b Gemeentelijke lijst van beschermwaardige bomen en gebieden 1.

Het college stelt een gemeentelijke lijst vast van beschermwaardige bomen en gebieden en kan daarin ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden wijzigingen aanbrengen.

2.

Houtopstanden, die na plaatsing op de gemeentelijke lijst worden geveld, worden door het college van deze lijst afgevoerd.

3.

Op het moment van inwerkingtreding van het bepaalde in lid 1 blijft de reeds bij eerder besluit vastgestelde bomenlijst van kracht als ware deze vastgesteld door het college.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.

wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor

b.

vruchtbomen en windschermen om boomgaarden met uitzondering van hoogstam;

c.

fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld

zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d.

kweekgoed;

e.

houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

f.

houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom Boswet, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: I. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;

36/51

II. ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; g.

houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:11d;

h.

houtopstand, gelegen binnen de bebouwde kom, voor zover er geen sprake is van een vermelding op de bomenlijst;

i.

houtopstand, gelegen buiten de bebouwde kom, met een dwarsdoorsnede van de stam van maximaal 20 centimeter op 0,10 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

4.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:11a Aanvraag vergunning 1.

De vergunning moet worden aangevraagd door of namens, dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

2.

Wanneer door de Dienst Regelingen van het bevoegde Ministerie aan het college een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.

Artikel 4:11b Weigeringsgronden De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a.

de landschappelijke waarde van de houtopstand;

b.

de natuurwaarde van de houtopstand;

c.

de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d.

de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e.

de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f.

de door het college vastgestelde lijst van beschermwaardige bomen.

Artikel 4:11c Bijzondere vergunningsvoorschriften 1.

Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

2.

Wordt een voorschrift als bedoeld in het vorige lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

3.

Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens behoren het voorschrift dat van de vergunning feitelijk geen gebruik gemaakt mag worden, totdat de vergunning onherroepelijk is.

Artikel 4:11d Instandhouding-/herplantplicht 1.

Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de eigenaar, diens rechtsopvolger en/of zakelijk gerechtigde van de 37/51

grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 2.

Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

3.

Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

4.

Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:11e Schadevergoeding Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 4:11b of artikel 4:11c, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Artikel 4:11f Bestrijding boomziekten en -plagen 1.

Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden, die, naar het oordeel van het bevoegd gezag, gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of – plaag, is de rechthebbende, indien hij/zij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht, binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn, te voldoen aan de eisen van het bevoegd gezag.

2.

Bij het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen kunnen de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van de rechthebbende, door of namens het bevoegd gezag worden uitgevoerd.

Artikel 4:11g Gevaarzetting Indien er sprake is van gevaarzetting of een vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid, kan het college toestemming geven tot direct vellen. Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege (Vervallen)

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; 38/51

c.

kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

d.

mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2.

Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant of de Afvalstoffenverordening gemeente Someren.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (Vervallen) Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak

handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. 2.

Het verbod geldt niet voor onverlichte: a.

opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;

b.

opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de

c.

opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter

overheid; die betrekking hebben op: I. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; II. het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d.

opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

e.

opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

3.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a.

van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het bevoegd

b.

het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig

gezag; bezwaar heeft doen blijken; c.

deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.

4.

Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.

5.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a.

indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; 39/51

b.

in het belang van de verkeersveiligheid;

c.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

6.

Uitzonderingen op het in het eerste lid gestelde verbod: a.

het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt

b.

de weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken;

c.

het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door

voorzien in nadere nota’s en beleidsregels;

de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit milieubeheer, op de Wet Milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Monumentenwet, de Gemeentelijke monumentenverordening of artikel 2:10. Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame (Vervallen) Artikel 4:16a Aanschrijving Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in artikel 4:15, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, is het college bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen.

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.

Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

2.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van maximaal twee kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein mits het terrein niet is gelegen in bos- en natuurgebied.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

5.

a.

natuur en landschap; of

b.

een stadsgezicht.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.

Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 40/51

2.

Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

b.

parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.

2.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a.

het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

b.

het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

b. 3.

voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b.

de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4.

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1.

Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht

kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken

41/51

1.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

3.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht

te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:8 Grote voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11198459/2