7. Vaststellen 1e wijziging Algemene plaatselijke verordening Gemeente Someren 2018
Tekst van het document
2.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt voor de bebouwde kom niet voor: -
op de door de gemeente aangelegde parkeerterreinen voor genoemde grote voertuigen;
-
rijdende winkels;
-
wagens van kermisexploitanten;
-
sleepwagens e.d. welke ten behoeve van het wegverkeer terstond uit moeten kunnen rukken;
-
brandweer- en politievoertuigen;
-
autobussen in lijndienst;
-
voertuigen welke worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden voorzover zij in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd;
-
campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 42/51
5.
Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.
Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.
Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.
2.
Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.
Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
2.
Dit verbod is niet van toepassing op: a.
de weg;
b.
voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c.
voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen 1.
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
2.
het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan.
Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen 1.
Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, tenzij voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.
minimaal twee weken voorafgaande aan de inzameling is een schriftelijke melding aan het college gedaan via het door het college vastgesteld meldingsformulier; 43/51
b.
het aantal te houden collectes in één week bedraagt niet meer dan twee, waarbij de collectes die voorkomen op het collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving voorrang hebben en voor de overige collectes de datum van binnenkomst van de melding bepalend is;
c.
de collectanten zijn 14 jaar of ouder en hebben een geldig legitimatiebewijs en bewijs van
d.
de collectebussen zijn verzegeld of met een sleutelslot of plombe afgesloten en op de
de collecterende instantie bij zich; collectebussen staat duidelijk de naam en/of het doel van de collecterende instelling vermeld; e.
binnen acht dagen na de collecte wordt de opbrengst via de collectestaat aan het college doorgegeven.
2.
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3.
4.
Het verbod geldt niet voor een inzameling die wordt gehouden: a.
in besloten kring of;
b.
door een instelling met een CBF-keurmerk.
Het college kan de inzameling verbieden indien niet aan de in lid 1 genoemde voorwaarden wordt voldaan danwel wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat de inzameling niet geheel of gedeeltelijk voor een ideëel doel is bestemd.
Afdeling 3. Venten Artikel 5:14 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.
2.
Onder venten wordt niet verstaan: a.
het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
b.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
c.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.
Artikel 5:15 Ventverbod 1.
Het is verboden te venten: a.
op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen;
b.
op zon- en feestdagen en maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 uur en 9.00 uur.
of 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
4.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. van de Wegenverkeerswet. 44/51
5.
Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting (Vervallen)
Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
2.
Onder standplaats wordt niet verstaan: a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.
Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning geweigerd worden als:
beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. a.
de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
b.
als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.
Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.
2.
De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht (Vervallen)
Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5:22 Definitie
45/51
1.
In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.
2.
Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a.
een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
b.
een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Gemeentewet;
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
2.
Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3.
De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,
4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 6. Openbaar water Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (Vervallen) Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen (Vervallen) Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats (Vervallen) Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats (Vervallen) Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken (Vervallen) Artikel 5:29 Reddingsmiddelen (Vervallen) Artikel 5:30 Veiligheid op het water (Vervallen) Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen (Vervallen)
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:31a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder:
46/51
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de
-
motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels
Wegenverkeerswet 1994. en verkeerstekens 1990; Artikel 5:32 Crossterreinen 1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a.
het voorkomen of beperken van overlast;
b.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c.
de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2.
Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
3.
a.
het voorkomen van overlast;
b.
de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.
de veiligheid van het publiek.
Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen
c.
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten
als in het eerste lid bedoeld; worden uitgevoerd; d.
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen
e.
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde
de terreinen als in het eerste lid bedoeld; personen. 4.
Het verbod is voorts niet van toepassing: a.
op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;
47/51
b.
binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8. Vuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.
het aanleggen, stoken of hebben van een vuur op terreinen buiten de bebouwde kom en: -
het op te stoken materiaal uitsluitend bestaat uit snoeihout;
-
het vuur onder toezicht staat van een meerderjarig persoon;
-
het stoken plaatsvindt op een afstand van meer dan 30 meter van een gebouw en/of van een opstapeling van oogstproducten en op een afstand van meer dan 100 meter van een bos, heide- of duinterrein en veengrond en het stoken overigens geen gevaar, overlast of hinder oplevert voor de omgeving;
-
de maximale hoeveelheid op te stoken snoeihout maximaal 10m³ bedraagt;
-
het stoken plaatsvindt tussen 1 oktober en 15 maart, maar niet op zon- en feestdagen;
b.
het aanleggen, stoken of hebben van een kampvuur op locaties met een vast aangewezen kampvuurplaats en: -
de kampvuurplaats als zodanig door het college is aangewezen en voldoet aan de daarbij gestelde eisen;
-
er vooraf melding is gemaakt van het voornemen tot aanleggen, stoken of hebben van een kampvuur op een door het college aan te geven wijze;
-
de door of namens het college met betrekking tot het gebruik van de kampvuurplaats opgelegde voorwaarden en/of voorschriften in acht worden genomen.
c.
het aanleggen, stoken of hebben van een kampvuur op locaties zonder een vast aangewezen kampvuurplaats en: -
er vooraf melding is gemaakt van het voornemen tot aanleggen, stoken of hebben
-
het aanleggen, stoken en hebben van het vuur geschied onder voortdurend toezicht
van een kampvuur op een door het college aan te geven wijze; van een meerderjarig persoon; -
het op te stoken materiaal bestaat uit schoon en onbehandeld hout;
-
er niet meer dan 1 m3 tegelijk wordt verbrand;
-
het vuur op voldoende afstand wordt gehouden van bos, weide, landbouwgewassen, gebouwen, wegen, etcetera en minimaal 30 meter afstand van opstapelingen van oogstproducten;
-
er geen sprake is van felle wind (meer dan windkracht 5) of zeer grote droogte;
-
er bij het vuur voldoende blusmiddelen aanwezig zijn, waaronder zandschoppen;
48/51
-
het vuur na afloop wordt gedoofd met zand, waarna de toezichthoudende persoon controleert of het vuur niet oplaait.
3.
De vrijstellingen gelden niet als sprake is van een door berichtgeving via radio en/of TV kenbaar gemaakte waarschuwingsfase van verhoogde concentratie luchtverontreiniging of als er sprake is van een periode van grote droogte waardoor er een verhoogd risico op bosbranden bestaat.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod, met uitzondering van het stoken van snoeihout tussen 16 maart en 30 september.
5.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank.
6.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
7.
Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 9. Verstrooiing Artikel 5:35 Definitie In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5:36 Verboden plaatsen 1.
Incidentele asverstrooiing is verboden op: a.
verharde delen van de weg;
b.
wegen, fiets- rijwiel- en voetpaden;
c.
kinderspeelplaatsen en schoolterreinen;
d.
begraafplaatsen met uitzondering van de aangewezen strooivelden;
2.
Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere
3.
Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van
plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de begraafplaatsen. 4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:37 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Afdeling 10 Straatnaamborden, huisnummers en dergelijke Artikel 5:38 Gedoogplicht aanduidingen 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
49/51
2.
Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen.
Artikel 5:39 Verwijdering e.d. aanduidingen 1.
Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5:41, eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
3.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college kan zake nadere regels stellen.
Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.
Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2.
Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid.
4.
In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 6:2 Toezichthouders 1.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, behoudens hoofdstuk 3, zijn belast: a.
de politieambtenaren van de Nationale politie, Eenheid Oost-Brabant en
b.
de buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering in dienst van of werkzaam in de gemeente Someren.
2.
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Overgangsbepaling
50/51
Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 die golden op het moment van de inwerkingtreding en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6:5 Citeertitel en inwerkingtreding 1.
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2018.
2.
De Algemene plaatselijke verordening Someren 2016 wordt ingetrokken als de Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2018 in werking treedt.
3.
Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Someren, de raadsgriffier,
de voorzitter,
J. Oostdijk
D. Blok
[BIJLAGE]
[TOELICHTING]
51/51