7. Vaststellen 1e wijziging Algemene plaatselijke verordening Gemeente Someren 2018
Tekst van het document
waar
Besluit Gemeenteraad Titel:
Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2018
Bijlage: Zaaknummer: Documentnummer: Datum besluit:
Wetstechnische informatie 0847200349867 200351782 24 februari 2022
Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2018 De raad van de gemeente Someren; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 januari 2022; overwegende dat: - er sinds de laatste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2018 zich een aantal ontwikkelingen hebben voorgedaan waardoor de Algemene plaatselijke verordening gewijzigd dient te worden; gelet op: artikel 147, lid 1 van de Gemeentewet b
e
s
l
u
i
t
:
vast te stellen de eerste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2018
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
c.
bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening;
d.
college: het college van burgemeester en wethouders;
e.
gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;
f.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
g.
leiboom: boom met een zekere stamhoogte van minimaal 1.80 meter waarbij de stam vrij is van takken. De hoofdtakken zijn verticaal of horizontaal geleid over een constructie en worden ieder jaar kort gesnoeid om niet buiten de voorziene vorm te groeien;
h.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
i.
openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
j.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
k.
weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:11. Artikel 1:3 Indiening aanvraag 1.
Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend buiten een door het college vastgestelde termijn waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien het van mening is dat de aard van de gevraagde vergunning of ontheffing zodanig is dat voor een verantwoorde beoordeling van de aanvraag onvoldoende tijd aanwezig is.
2.
Voor bepaalde door het bevoegde orgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
2/51
d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e.
de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
2.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor buiten de door het college vastgestelde termijn voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats: a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)
3/51
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te
beëindiging;
bevorderen. 3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze gestelde termijn.
Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen) Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.
Het college kan het verbod beperken tot in de kennisgeving bepaalde dagen en uren.
3.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen) Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoning op openbare plaatsen 1.
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 4/51
2.
De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a.
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b. 2.
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
4.
Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft as bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
6.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en
c.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
7.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
8.
Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement. (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, het provinciaal wegenreglement Noord-Brabant, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Someren 2018. 5/51
5.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2.11a Geveltuinen 1.
In deze afdeling wordt onder de volgende definities het volgende verstaan: a.
Geveltuin: een door de bewoner of bewoners van een woning onderhouden strook openbare ruimte die met planten is begroeid en rechtstreeks is gelegen tegen een deel dan wel de volledige breedte van de voor- of zijgevel van die woning.
b.
Openbare ruimte: gronden waaraan in het geldende bestemmingsplan de bestemmingen ‘Verkeer- Verblijfsgebied’ of ‘Groen’ zijn toegekend of een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder c;
c.
Openbare weg: de weg als bedoeld in Artikel 4 van de Wegenwet.
d.
Huisaansluitingen: aansluitingen ten behoeve van gas, water en elektriciteitsvoorzieningen alsook aansluitingen ten behoeve van telefoon, kabel en internet.
e.
Opsluiting: trottoirbanden, opsluitbanden of rollagen die voorkomen dat de verhardingsmaterialen verschuiven of verzakken;
f.
Klic: Kabels en Leidingen Informatie Centrum.
2.
Geveltuinen zijn niet toegestaan in de Postelstraat en aan het Wilhelminaplein.
3.
De aanleg van een geveltuin is uitsluitend toegestaan op plaatsen waar de minimale breedte van het trottoir van 1,5 meter gegarandeerd kan blijven. Deze breedte is exclusief opsluiting. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van bomen, lichtmasten en ander straatmeubilair.
4.
Het is toegestaan om openbare ruimte te gebruiken voor het aanleggen van een geveltuin indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan en deze in acht worden genomen: a.
Dit is toegestaan op grond van het bestemmingsplan;
b.
De eigenaar van de huurwoning of de woning moet akkoord zijn met de aanleg van de geveltuin. Er dient een schriftelijke akkoordverklaring overgelegd te kunnen worden.
c.
De maximale afmeting van een geveltuin, gemeten loodrecht vanaf de woninggevel is 45 centimeter. Elementverhardingen met een lengte of breedte van meer dan 45 cm mogen niet verwijderd worden.
d.
De geveltuin mag niet breder zijn dan de lengte van de gevel van de woning waartegen deze wordt aangelegd.
e.
Voor de aanleg van een geveltuintje dient er een klic-melding gedaan te worden om te controleren of er kabels en leidingen in de grond bevinden.
f.
De grondbewerking of gronduitwisseling dient handmatig uitgevoerd te worden. Dit ter voorkoming van schade aan kabels en leidingen.
g.
In verband met mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen bedraagt de maximale diepte van grondbewerking maximaal 40 cm. Op plaatsen waar de diepte van kabels en leidingen minder dan 40 centimeter is, is de bovenzijde van de kabel bepalend voor de maximale diepte van de grondbewerking.
h.
De ten behoeve van de geveltuin, in afwijking van het bestemmingsplan in gebruik genomen strook grond: I. blijft eigendom van de gemeente en blijft behoren tot het openbaar gebied; II. op eigendom van een ander dan de gemeente, blijft behoren tot het openbaar gebied.
i.
Hekwerken, afrasteringen en (reclame)borden zijn (bij de aanleg van) geveltuinen niet toegestaan.
6/51
j.
Verkeersborden, openbare verlichting, straatnaamborden, huisnummeraanduidingen en
k.
In de geveltuin is uitsluitend beplanting toegestaan waarvan het risico op mogelijke
verwijzingen naar brandkranen en dergelijke tegen de gevel, moeten zichtbaar blijven. schade aan kabels, leidingen, bestrating en gebouwen wordt voorkomen. Het planten van bomen en boomvormers is niet toegestaan. l.
De inrichting van geveltuin mag niet buiten het grondvlak van de geveltuin steken, zodat hinder, overlast en schade voorkomen worden. Hieronder wordt onder andere verstaan: het niet volledig kunnen gebruiken van het naastgelegen openbaar gebied en schade aan kleding en/of voorwerpen bij het passeren van de geveltuin.
m.
De geveltuin moet steeds in een behoorlijke staat van onderhoud verkeren. De bewoner is verantwoordelijk voor het onderhoud van de geveltuin en komt volledig voor zijn/haar rekening.
n.
In de geveltuin is het toepassen van chemische gewasbeschermings- en ongediertebestrijdingsmiddelen, evenals op het aangrenzende openbaar gebied, niet toegestaan
o.
Bij verwaarlozing of verwijtbare schade heeft de gemeente het recht de geveltuin op kosten van de eigenaar/bewoner te verwijderen. Bij vaststelling van overtreding van de hierboven genoemde voorwaarden, krijgt de overtreder één week de tijd om de geveltuin aan te passen aan deze voorwaarden.
p.
Bij verhuizing dient het geveltuintje verwijderd te worden of overgedragen te worden aan de volgende bewoners onder verwijzing naar voornoemde bepalingen. Er dient een melding gedaan te worden bij de gemeente van de verhuizing.
5.
Het college kan besluiten dat een geveltuin verwijderd dient te worden indien deze ruimte bij het openbaar gebied betrokken wordt.
6.
Bij beëindiging van het gebruik moet het trottoir in de oorspronkelijke staat van onderhoud worden opgeleverd. Dit dient te gebeuren in afstemming met de gemeente. Er kan geen aanspraak gemaakt worden op enigerlei schadevergoeding.
7.
De gemeente heeft het recht de geveltuin op kosten van de (voormalige) eigenaar of bewoner te verwijderen indien blijkt dat de geveltuin niet conform de opgestelde afspraken in teruggebracht naar de oorspronkelijke staat.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a.
daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of
b. 2.
het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a.
de bruikbaarheid van de weg in gevaar wordt gebracht;
b.
het veilig en doelmatig gebruik van de weg in gevaar wordt gebracht;
c.
het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d.
er sprake is van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen;
e.
er wordt afgeweken van de verleende (bouw)vergunning of vigerend bestemmingsplan en/ of beleid.
3.
Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en veiligheid nadere regels stellen ten aanzien van het maken en veranderen van een uitweg. 7/51
4.
De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen acht weken na ontvangst van de
5.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement NoordBrabant. Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.
2.
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a.
te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en
b.
terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3.
Het in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke (Vervallen) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen) Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. 8/51
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1.
Het is verboden: a.
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b.
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.
Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoopvoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:39;
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f.
2.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; 9/51
3.
e.
een straatfeest of buurtbarbecue;
f.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen;
b.
het evenement tussen 09:00 en 24:00 uur plaats vindt;
c.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09:00 uur of na 23:30 uur;
d.
de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en
e.
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement
2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het
te organiseren. Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan het college via het door het college hiertoe vastgestelde meldingsformulier.
4.
De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5.
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien
6.
De organisator dient altijd de wettelijk geldende regels in acht te nemen.
7.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
openbare inrichting: I. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; of II. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;
b.
terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt. 10/51
2.
Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
De burgemeester kan dit verbod beperken tot bepaalde gebieden en of categorieën van bedrijven.
3.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is
4.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of
met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a.
de woon- of leefsituatie in de omgeving de openbare inrichting of de openbare orde op
b.
de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag.
ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of 5.
Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal gelegen zijn, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
6.
Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteit van de openbare inrichting een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. In afwijking van artikel 2:29 gelden voor zowel de winkel als de openbare inrichting in dat geval dezelfde sluitingstijden van de Winkeltijdenwet.
7.
Een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, vervalt indien de leidinggevende van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.
8.
De aanvraag om vergunning vindt plaats aan de hand van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
9.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 2:28a Beslistermijn 1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 beslist de burgemeester binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag is ontvangen.
2.
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Het is de houder van een horecabedrijf, zowel voor een horecabedrijf waarvoor op grond van de Alcoholwet een vergunning is vereist als voor een horecabedrijf waarvoor op grond van de Alcoholwet geen vergunning is vereist, verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
2.
a.
op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 05.00 uur en
b.
op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 05.00 uur.
Het is de houder van een horecabedrijf die op grond van het bestemmingsplan is aangemerkt als ondergeschikte horeca en waarbij geen sprake is van verworven rechten, verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23.00 uur en 05.00 uur. 11/51
3.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het verboden in een openbare inrichting waarvoor op grond van de Alcoholwet een vergunning is vereist en die wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon, bezoekers aanwezig te hebben buiten de uren als genoemd in artikel 2:34b.
4.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het verboden in een openbare inrichting waarvoor op grond van de Alcoholwet geen vergunning is vereist bezoekers aanwezig te hebben: a.
op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 05.00 uur en
b.
op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 05.00 uur
tijdens door het college vastgestelde collectieve festiviteiten zoals bedoeld in artikel 4:2. 5.
Overeenkomstig het gestelde in artikel 1:4 kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf of voor een daartoe behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen.
6.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer
7.
De burgemeester kan van het verbod als bedoeld in het eerste lid voor de maximale duur van één
gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. jaar ontheffing verlenen van: vrijdag op zaterdag tot 03.00 uur en zaterdag op zondag tot 03.00 uur voor horecabedrijven in de bebouwde kom. 8.
De burgemeester kan van het verbod als bedoeld in het eerste tweede en derde lid ontheffing verlenen.
9.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.
de orde te verstoren;
b.
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:29 of 2:30, eerste lid;
c.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
3.
Het in lid 2 gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
12/51
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 Ordeverstoring Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: -
alcoholhoudende drank,
-
horecabedrijf,
-
horecalokaliteit,
-
inrichting,
-
paracommerciële rechtspersoon,
-
sterke drank,
-
slijtersbedrijf en
-
zwak-alcoholhoudende drank,
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.
Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op activiteiten van sportieve aard kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op:
2.
a.
op maandag tot en met vrijdag van 10.00 uur tot 24.00 uur;
b.
op zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 22.00 uur.
Onder activiteiten van sportieve aard als bedoeld in het eerste lid wordt in iedere geval verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden, collectieve trainingen en clubavonden.
3.
Voor tennisverenigingen geldt tijdens de competitie, vanaf de tweede week van april gedurende zeven weken, op donderdag en vrijdag een sluitingstijd van 01.00 uur van de daaropvolgende dag.
4.
Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk één uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.
5.
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.
Artikel 2:34c Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf 13/51
Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep en bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister De exploitant/feitelijk leidinggevende van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. De burgemeester kan bij bepaalde vormen van nachtverblijf nadere regels stellen. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, dag van aankomst en dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a.
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
b.
speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en
c.
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
2.
De burgemeester weigert de vergunning: a.
indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
3.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In dit artikel wordt verstaan onder: a.
Wet: de Wet op de kansspelen;
b.
speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet; 14/51
c.
behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b van de Wet
d.
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet ;
e.
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
f.
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
2.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
3.
In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten niet zijn toegestaan.
Artikel 2:40a Voorschriften aan vergunning Aan een door de burgemeester op grond van artikel 30b van de Wet te verlenen vergunning worden, naast het in artikel 30d, lid 1, van de Wet bedoelde voorschrift, in ieder geval de navolgende voorschriften verbonden: a.
op of aan de speelautomaat dient een waarschuwing aanwezig te zijn over de risico’s van
b.
de exploitant dient er op toe te zien dat personen beneden de leeftijd van 18 jaar niet spelen op
overmatig gokken; een kansspelautomaat. De leeftijdsgrens dient op een bord boven de automaat te worden aangegeven.
Afdeling 8. Maatregelen tegen overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op
5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en
diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. bekendmakingen. 6.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
15/51
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een
3.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod zijn niet van toepassing als de bedoelde
voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1.
Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
2.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van het bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
3.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (Vervallen) Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en 16/51
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:48a Glazen en drinkgerei 1.
De houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen glas, flessen of bekers buiten de inrichting brengen.
2.
De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid of in het geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meerdere openbare inrichtingen en openbare plaatsen tijdelijk het gebruik van drinkgerei en flessen, bedoeld voor gebruik ter plaatse, anders dan van kunststof materiaal verbieden.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
2.
Het is verboden zonder redelijk doel: a.
zich in een portiek of poort op te houden;
b.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester zijn aangewezen uren of plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen (Vervallen) Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Vervallen) Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (Vervallen)
17/51
Artikel 2:56 Alarminstallaties (Vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.
binnen de bebouwde kom op een openbare weg als de hond niet is aangelijnd;
c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is
d.
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de
aangelijnd; of eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen
3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder
plaatsen. van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn
de uitwerpselen van die hond binnen de bebouwde kom onmiddellijk worden verwijderd. handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
4.
Ter uitvoering van het in het eerste lid gestelde, dient de eigenaar of houder van een hond een opruimmiddel bij zich te hebben.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- of muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting als bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
18/51
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of
d.
te voeren.
2.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
3.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren (Vervallen) Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 Duiven (Gereserveerd) Artikel 2:64 Bijen 1.
Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag
b.
binnen een afstand van 30 meter van de weg.
mensen verblijven; 2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
4.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
19/51
Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3.
Op de aanvraag voor een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.
wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;
b.
de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
c.
aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;
d.
indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;
e.
zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;
f.
wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen;
g.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (Vervallen) Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven 20/51
(Vervallen)
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbid schieten Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit);
b.
carbid: calciumcarbide (CaC2);
c.
carbidschieten: het in een bus, container, opslagvat of ander object op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid en een vloeistof (water) of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen en waarbij als gevolg van die verbranding een voorwerp kan worden afgeschoten.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.
2.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2:73a Schieten met carbid of soortgelijke stoffen 1.
Het is verboden binnen de bebouwde kom carbid te schieten.
2.
Het is verboden buiten de bebouwde kom carbid te schieten.
3.
Het in lid twee vermelde verbod is niet van toepassing op degene die aannemelijk maakt dat hij die stof nodig heeft in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het in lid twee gestelde verbod.
5.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 21/51
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is in het belang van de openbare orde en volksgezondheid verboden op een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:47, 2:47a, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.