6n Toelichting BP Veegplan XII Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26
Tekst van het document
Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en beoogd geen veranderingen aan de lijn van de Heistraat. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant
27 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
4.4 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beleid gemeente Someren Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren met daarin een archeologische verwachtingskaart van de gemeente. In de nota wordt aangegeven daarnaast aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.
De Archeologiekaar van Someren – categorie 6: gebieden met een lage archeologische verwachting, geen onderzoeksplicht
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied geen dubbelbestemming voor archeologie toegekend aangezien de verwachtingswaarde laag is en geen onderzoeksplicht geldt. In het beleidskader wordt ter plaatse van de planlocatie een archeologische waarde aangegeven van “categorie 6”. In de beschrijving van deze categorie is opgenomen dat er beneden een oppervlakte van 25.000 m2 geen archeologisch onderzoek verricht hoeft te worden. Conclusie Er vinden geen bodemingrepen of nieuwbouwwerkzaamheden plaats, enkel sloopactiviteiten in reeds geroerde grond. Daarbij is de verwachtingswaarde laag en geldt geen onderzoeksverplichting. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 28 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
4.5 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.
Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Het planinitiatief omvat het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderij op het bedrijf en het toestaan van een vervolgfunctie in de resterende bebouwing. De uitstoot van stikstofemissie zal door het niet meer houden van dieren drastisch verlagen. De stikstofemissie aangaande de verwachte verkeersbewegingen blijven gelijk aan de verkeersbewegingen in de bestaande situatie. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van toename van relevante emissies of verstorende bedrijfsactiviteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot (minimaal 4,5 km tot Weerter- en Budelerbergen & Ringselven) dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.
4,5 km.
Overzicht omliggende Natura-2000 gebieden
29 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
4.5.1 AERIUS berekening gebruiksfase Voor de gebruiksfase is een verschilberekening middels Aerius gemaakt. Door de ontwikkeling is sprake van een afname van 1.915 kg NH3 in de gebruiksfase. De berekening heeft onderstaand resultaat opgeleverd. Naast een afname in stikstofdepositie, is de depositie in de beoogde situatie dermate laag dat niet meer dan 0,00 mol/ha/jr depositie op de relevante natuurgebieden plaatsvindt.
Voor de Aerius berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen in de beoogde situatie: Activiteit Aan- en af bezoekers, personeel en bewoners bewoners Leveren van goederen, machines, materiaal etc. CV-installatie werkplaats
Hoeveelheid 17 verkeersbewegingen noord, 17 verkeersbewegingen zuid per etmaal 5 verkeersbewegingen noord, 5 verkeersbewegingen zuid per etmaal 1x 100 kW
Fase Gebruiksfase
Sector Wegverkeer
Gebruiksfase
Wegverkeer
Gebruiksfase
Energie
Factor Continu: p/etmaal (worstcase) Continu: p/etmaal (worstcase) Continu: 100 kW
Categorie Licht verkeer
Zwaar verkeer
8,7 kg NOx
De locatie blijft aangesloten op het gasnetwerk. Hierdoor is er mogelijk sprake van relevante stikstofemissies. In de berekening is ten gevolgen van de beoogde situatie uitgegaan van een stookinstallatie om de (bedrijfs)bebouwing verwarmen. De installaties zijn als puntbron opgenomen in de Calculator, waarbij de parameter is ingevuld met een vermogen van 100 kW. Het gasverbruik wordt geschat op 12.400 m3. De energieopbrengst van een kubieke meter aardgas bedraagt ca 35 MJ. De rekensom 12.400 * 35 levert dan 434 GJ / jr. Bij een maximaal toelaatbare emissie van 20 g NOx / GJ conform het activiteitenbesluit, bedraagt de jaarlijkse emissie ca 8,7 kg NOx / jr. 4.5.2 AERIUS berekening realisatiefase (sloop) Het voorgenomen plan wordt gerealiseerd door het slopen van de aanwezige varkensstal. Voor de realistatiefase is derhalve een Aerius berekening toegevoegd in de bijlage, met onderstaand resultaat.
30 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Voor de Aerius berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: Activiteit Aan- en af rijden personeel kraan en mobiele kraan Wegrijden ca. 2.000 m³ puin en bouwsloop-afval
Slopen met mobiele kraan 120 kW Slopen met kleine graafmachine 60 kW Handsloopwerkzaamheden met verreiker 100 kW
Hoeveelheid 5 werkdagen x 2 vervoersbewegingen x 2 machinisten = 20 20 m³ per vracht = 100 vrachten verdeeld over 50 zuidelijke en 50 noordelijke richting 5 werkdagen x 8 uur = 40 uur 5 werkdagen x 8 uur = 40 uur 5 werkdagen x 8 uur = 40 uur
Fase Realisatie
Sector Wegverkeer
Factor Standaard
Categorie Licht verkeer
Realisatie
Wegverkeer
Standaard
Zwaar verkeer
Realisatie
Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen
0,9 g/kWh
50% belast
0,8 g/kWh
50% belast
0,9 g/kWh
25% belast
Realisatie Realisatie
Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. Het plan kan, door de afname in ammoniakemissie, enkel positieve effecten hebben op de aanwezige natuurwaarden in de omgeving. 4.6 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb.
De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
31 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
4.6.1 Bureauonderzoek Flora- en Faunascan Voor de planlocatie en ruime omgeving (postcodegebied) is een ‘effectenindicator soorten’ scan van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit uitgevoerd op twee OLO-activiteiten: ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘Slopen en asbest verwijderen’. Door middel van de Effectenindicator Soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op www.synbiosys.alterra.nl is gekeken of de sloop van de bebouwing een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten en planten. De Effectenindicator van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit maakt daarbij gebruik van de meest actuele gegevens van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna).
Momenteel worden de te slopen bedrijfsgebouwen intensief gebruikt voor de intensieve veehouderij. Hierbij wordt gewerkt met o.a. pesticiden om ongedierte van het bedrijf te weren. Daarnaast is sprake van een hoge ammoniakconcentratie rondom de gebouwen. Gezien dit huidige intensieve gebruik van de gronden en bedrijfsbebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Daarnaast ontbreekt het aan geschikt habitat.
32 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
De bomen rondom de stal blijven zoveel als mogelijk behouden. Indien de bomen worden gekapt dient dit te gebeuren in overeenstemming met de van toepassing zijnde beschermingsregimes. Het eventueel kappen van bomen dient tevens in de bestaande situatie te voldoen aan deze regelgeving, de beoogde planvorming heeft hier derhalve geen invloed op. 4.6.2 Veldbezoek Flora en fauna (Quick Scan) Om aan de zorgplicht te voldoen is op 17 december 2020 een veldbezoek gebracht aan de planlocatie. De bebouwing en omgeving is geïnspecteerd op de aanwezigheid van ecologische waarden op het gebied van flora- en fauna. Hierbij is in het bijzonder gelet op de aanwezigheid van (broed)vogels en zoogdieren (vleermuizen). Overige soorten zoals ongewervelden, amfibieën, vissen, reptielen of beschermende flora zijn inpandig niet te verwachten. Bij het veldbezoek is geconstateerd dat er sprake is van een goed onderhouden varkensstal met strak metselwerk en dakbeplating. In de gevels zijn geen openingen aanwezig. Tevens zijn de varkensstallen nog in gebruik. Dit gebruik duurt nog voort tot medio maart 2021, waarna de laatste varkens op locatie vertrekken. Op onderstaande foto’s is de geconstateerde situatie rondom de stallen weergeven. Gezien de stal nog in gebruik is, zijn geen beschermde soorten inpandig te verwachten.
Voorgevel, strak afgewerkt met metselwerk en dakwandbeplating (geen openingen)
Zijgevel, strak afgewerkt met metselwerk en dakwandbeplating (geen openingen) 33 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Detail raamkozijn, geen openingen naar de spouw aanwezig Vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Daarnaast speelt het type gebouw en gebruikte bouwmaterialen een belangrijke rol. De varkensstal is nog in gebruik. Een sterke ammoniakgeur was nog aanwezig. De omgeving is beoordeeld op het aanbod van geschikt foerageergebied en potentieel belangrijke vliegroutes. Hieronder vallen onder andere bomenrijen en (natte) weilanden of bosgebieden. Een mogelijke vliegroute voor vleermuizen is de laanbeplanting ter hoogte van de Heistraat. Het planvoornemen heeft hier geen invloed op. Tijdens het terreinbezoek zijn geen sporen van vleermuizen waargenomen. Het gebouw is onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen activiteiten van vleermuizen waargenomen. Naast het feit dat de gebouwen niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen, is het tevens niet aannemelijk dat vleermuizen het plangebied als jachtgebied gebruiken. Uilen Vogels met een vaste verblijfplaats, zoals de steenuil en de kerkuil, zijn jaarrond beschermd. Uilen nestelen in een holle boom, op de grond of in gebouwen.
De kerkuil gebruikt bij voorkeur boomholten, ruïnes, schuren en bijgebouwen als nestruimte. De te slopen bebouwing is nauwkeurig beoordeeld op hun geschiktheid voor en de aanwezigheid van verblijfplaatsen van uilen. Er zijn geen sporen (bijv. braakballen en ontlasting) gevonden, welke duiden op de aanwezigheid van een uil binnen een gebouw. Zoogdieren Tijdens het terreinbezoek is nauwkeurig gekeken naar de aanwezigheid van zoogdieren. Bij de te slopen bebouwing zijn sporen van algemene soorten (muizen) aangetroffen. Binnen de plangebieden zijn geen beschermde soorten waargenomen. Vogels Bij de bedrijfsbebouwing zijn geen sporen of nesten van beschermde vogelsoorten waargenomen.
34 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Conclusie Gezien het huidige actuele intensieve gebruik van de gronden en bedrijfsbebouwing en de afwezigheid van habitats voor beschermde soorten zijn bij het voorliggend initiatief geen nadelige gevolgen voor flora en fauna te verwachten. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Wettelijk beschermde Flora en fauna worden niet aangetast door het planvoornemen. De Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. Door het toevoegen van de beoogde landschappelijke inpassing draagt het plan zelfs bij aan het voorkomen en in stand houden van flora en fauna binnen het plangebied. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art.
1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).
Beoordeling Het planvoornemen beoogd niet het toevoegen van een gevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderij en akkerbouw op het bedrijf. De milieubelastende functie, met name aangaande geur, neemt hierdoor af. 35 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Door het beoogde agrarisch technisch hulpbedrijf en statische opslag vindt nog wel een milieubelastende functie plaats. Op basis van de VNG-handreiking behoort een loonbedrijf met een bedrijfsomvang van meer dan 500 m² (SBI 2008: 016) tot milieucategorie 3.1. Ook een handelsbedrijf in landbouwmachines, werktuigen en tractoren (SBI 2008: 466) behoort tot milieucategorie 3.1. Voor een bedrijf met statische opslag geldt milieucategorie 2. Ten aanzien van de activiteiten geldt in een worst-case situatie op basis van geluid een vaste afstand van 50 meter, voor geur 30 meter en voor stof en gevaar 10 meter. Omdat het plangebied is gelegen in een overwegend agrarisch buitengebied, kan dit worden aangemerkt als een ‘gemengd gebied’. In een gemengd gebied mag de richtafstand voor geluid met één trede worden verlaagd naar 30 meter. Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt is de dichtst gelegen woning Heistraat 23 gelegen op ca. 33 meter van de beoogde bestemming. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand.
Conclusie Het planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een ‘gevoelige’ functie. Het exploiteren van een agrarische technisch hulpbedrijf betreft een milieubelastende functie. De dichtst gelegen woning is echter op voldoende afstand gelegen om hinder te voorkomen. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.8.2 Wet geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De veehouderij op Heistraat 23 is reeds gesloopt. In de directe nabijheid van de Heistraat 26 resteert derhalve één dominante veehouderij. De veehouderij die het meest van invloed is op de geurbelasting in de omgeving van Heistraat 26 is: 36 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
- Heistraat 32 (13.844 ouE/s). Belangen omliggende veehouderijen De bestemmingswijziging mag de reguliere bedrijfsvoering van de omliggende veehouderijen niet schaden, c.q. het juridisch-planologisch toegestane gebruik niet belemmeren. De locatie aan de Heistraat 26 te Someren heeft momenteel een agrarische bestemming, zijnde een veehouderij. De bestemmingswijziging houdt in dat de woning aan de Heistraat 26 de status verkrijgt van een agrarische bedrijfswoning niet behorende bij een veehouderij. In artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.116 lid 1 onder b van het activiteitenbesluit is vastgelegd dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 100 meter bedraagt indien het geurgevoelige object gelegen is in de bebouwde kom en ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object is gelegen in het buitengebied. De omgeving van Heistraat 26 kan worden aangemerkt als buitengebied waardoor een afstand van 50 meter in acht moet worden gehouden tot omliggende veehouderijen. Bij een afstand groter dan 50 meter worden de omliggende veehouderijen niet belemmerd in hun bedrijfsvoering c.q. het juridischplanologisch toegestane gebruik.
De afstand wordt gemeten vanaf de rand van het bouwblok. Beoordeling In de situatie dat nog sprake zou zijn van een veehouderij aan Heistraat 26 geldt een afstand tot omliggende veehouderijen van ten minste 50 meter. In de gewenste situatie dient ook een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Dit betekent dat de beoogde herbestemming naar een burgerwoning de belangen van omliggende veehouderijen niet schaadt. Ten opzichte van deze veehouderijen verandert er immers niets. De beoogde werkplaats wordt reeds in de bestaande situatie ook als zodanig gebruikt. In het kader van de Wgv kan de ruimte gezien worden als zijnde een geurgevoelig object dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Ook hiervoor geldt een minimale afstand van 50 meter. Woon- en leefklimaat In de Evaluatie geurgebiedsvisie gemeente Someren 2017 d.d. 6 juni 2017 is door de gemeente Someren beleid vastgelegd voor de herbestemming van voormalige veehouderijen. In dit beleid is vastgelegd dat een geurhinderpercentage van maximaal 25% als acceptabel wordt beschouwd voor herbestemming van voormalige bedrijfswoningen (waar sprake was van een veehouderij) naar de bestemming wonen. De locatie Heistraat 26 verandert na herbestemming in een voormalige veehouderij.
Ondanks dat de beoogde bestemming geen woonbestemming is het wel redelijk om voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit te gaan van onderstaande normen: - een maximale voorgrond geurbelasting van 14 ouE/m3; - een maximale achtergrond geurbelasting van 28 ouE/m3. Voorgrond geurbelasting De voorgrondbelasting van de veehouderij Heistraat 32 is in beeld gebracht. Hierbij is, gelet het beleid van de gemeente voor voormalige agrarische bedrijfswoningen, zijnde veehouderijen, de contour van 14 ouE/m3 in beeld gebracht. Hiervoor is gebruik gemaakt van onderstaande uitgangspunten.
37 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
De geurcontour van 14 ouE/m3 is ingetekend vanaf het feitelijke emissiepunt en niet om het bouwblok. Reden hiervoor is dat voor de bescherming van de belangen van de veehouderij aan Heistraat 32 een vaste afstand geldt van 50 meter tot de locatie Heistraat 26 (zie onderdeel belangen van omliggende veehouderijen). In onderstaande figuur is de voorgrondbelasting middels geurcontour van Heistraat 32 (en die van de planlocatie Heistraat 26) in beeld gebracht. De geurcontour van Heistraat 26 vervalt door het planvoornemen. Uit de figuur blijkt dat de contour van 14 ouE/m3 van de veehouderij Heistraat 32 niet over de werkplaats en woning van Heistraat 26 is gelegen. Er wordt met betrekking tot de voorgrondbelasting voldaan aan de norm van maximaal 14 ouE/m3.
Voorgrondbelasting vanuit veehouderij Heistraat 32, de geurcontour afkomstig van de planlocatie (meest noordelijke) vervalt.
Achtergrond geurbelasting De huidige achtergrondbelasting veroorzaakt door alle omliggende veehouderijen (en die van de planlocatie Heistraat 26) is in beeld gebracht. In onderstaande figuur is deze achtergrondbelasting weergegeven. Hierbij is de contour van 28 ouE/m3 in beeld gebracht. De geurcontour van Heistraat 26 vervalt door het planvoornemen. Eveneens zal hierdoor de geurcontour rondom Heistraat 32 verkleinen. Uit de figuur blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het bouwblok van Heistraat 26 lager is dan 28 ouE/m3. Dit betekent dat wordt voldaan aan de maximale norm van 28 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting voor herbestemming van voormalige agrarische bedrijfswoningen, zijnde veehouderijen.
38 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Achtergrondbelasting omgeving Heistraat 23
Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de omliggende veehouderijen niet worden geschaad in hun belangen als de bedrijfswoning aan Heistraat 26 wordt herbestemd omdat na herbestemming sprake is van een voormalige veehouderij waarvoor alleen een vaste afstand van 50 meter geldt. Deze afstand geldt ook als nog sprake zou zijn van een veehouderij. Aangezien na herbestemming sprake is van een voormalige veehouderij, is met betrekking tot de beoordeling van het woon- en leefklimaat aangesloten bij het beleid van de gemeente Someren voor herbestemming van agrarische bedrijfswoningen, zijnde veehouderijen. In dit beleid is vastgelegd dat voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet worden voldaan aan onderstaande normen: - een maximale voorgrond geurbelasting van 14 ouE/m3; - een maximale achtergrond geurbelasting van 28 ouE/m3. Uit de voorgaande beoordeling blijkt dat aan de gestelde normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt voldaan. Het woon- en leefklimaat en de belangen van omliggende veehouderijen vormen geen belemmering voor de voorgenomen herbestemming van de agrarische bedrijfswoning behorende bij een veehouderij gelegen aan Heistraat 26 naar een bedrijfswoning behorende bij een agrarisch technisch hulpbedrijf. Er is tevens geen sprake van belemmeringen voor het initiatief in het kader van bedrijven en milieuzonering.
4.9 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen wordt sinds 2015 voor het bepalen van de risico van wegverkeer het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) gehanteerd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
39 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron.Tevens verandert de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid niet in geval van een toxisch scenario. Het beoogde bedrijf wordt geëxploiteerd door de huidige bewoner van de bedrijfswoning. Bij de voorgenomen ontwikkeling is derhalve geen sprake van een wijziging van de situatie ten aanzien van externe veiligheid, het betreft het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderij en het toestaan van de een vervolgfunctie in de resterende bebouwing op de planlocatie. Daarnaast is de locatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden.
Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant. Bron: Risicokaart.nl
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.
40 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Beoordeling Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:
41 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
-
woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
In onderhavig geval is sprake van het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderij op het bedrijf en het toestaan van een vervolgfunctie in de resterende bebouwing. De uitstoot van stikstof en fijn stof zal door het niet meer houden van dieren drastisch verlagen. De stikstof en fijn stof-emissie aangaande de verwachte verkeersbewegingen blijven gelijk aan de verkeersbewegingen in de bestaande situatie. Uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor de volledigheid is voor een worst-case situatie en de daarbij te verwachten verkeersbewegingen, zijnde 30 verkeersbewegingen, onderstaande berekening gemaakt. Hieruit blijkt eveneens dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is.
Op basis van de gemeten waarden aan fijnstof (PM10 en PM2,5) is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat aangaande de luchtkwaliteit.
Concentratie PM10 (20-21 μg/m3)
42 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Concentratie PM2.5 (11-12 μg/m3)
Conclusie Het onderdeel ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen. Daarbij is de luchtkwaliteit voldoende ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.11 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond.
Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden.
Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’.
43 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Beoordeling Binnen 250 meter van de planlocatie is een veehouderijbedrijf gelegen. Het planvoornemen heeft echter geen betrekking op het toevoegen van een nieuwe ‘gevoelige’ functie. De bedrijfswoning is gelegen binnen de endotoxinencontour van Heistraat 32 (pluimveehouderij met 65.015 vleeskuikens of (groot) ouderdieren van vleeskuikens). De veebezetting met vleeskuikens resulteert in een fijnstof emissie van 1.430 kg en een aan te houden afstand van 231 meter. De planlocatie is gelegen binnen deze afstand. Uit het Endotoxine toetsingskader 1.0 volgt echter dat de doorwerking in de ruimtelijke ordening zich richt op de bouw van nieuwe gevoelige bestemmingen. In voorliggende situatie wordt de bedrijfswoning bij een veehouderij de bedrijfswoning bij een loon- en handelsbedrijf in landbouwmachines, werktuigen en tractoren. In de toekomstige situatie is sprake van een voormalige bedrijfswoning bij een veehouderij. Er is derhalve geen sprake van bouw van een nieuwe gevoelige bestemming. Door het beëindigen van de veehouderij is er ter plaatse van de bedrijfswoning voor het aspect gezondheid sprake van een verbetering van de situatie. De dichtstbijzijnde emissiebron verdwijnt en er is geen sprake van dusdanige cumulatieve effecten van overige veehouderijen dat er een belemmering is voor de functiewijziging.
Conclusie Doordat geen nieuwe gevoelige functie wordt toegevoegd vormt het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot endotoxinen geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Beoordeling Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het toevoegen van een gevoelige functie. Conclusie Doordat geen gevoelige functie wordt toegevoegd vormt het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot geitenhouderijen geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; 44 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.13 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.13.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht.
De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het 45 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s.
- Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
Beoordeling Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Middels de Keur van Waterschap de Dommel, welke in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregelen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Conclusie In de beoogde situatie is enkel sprake van een afname van verharding (sloop varkensstal en wegnemen van verharding). Omdat er in de beoogde situatie geen sprake is van een toename van het verharde 46 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
oppervlakte zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd.
Uit deze wijziging blijkt dat de omvang van een project niet het enige criterium is om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Bij het bepalen of een plan m.e.r.-plichtig dient te worden bepaald of de uit te voeren activiteiten in de eerste kolom van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage voorkomt. Is de activiteit opgenomen in de eerste kolom, dan is het Besluit milieueffectrapportage van toepassing. In de tweede kolom van de bijlage zijn de drempelwaarden gegeven.
Voor activiteiten boven de drempelwaarde in de C-lijst geldt een m.e.r.-plicht. Voor activiteiten onder de drempelwaarde in de C-lijst en boven de drempelwaarde in de D-lijst geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de drempelwaarde in de D-lijst geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling moet dan worden vastgesteld of een m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport nodig is. Er is op basis van het besluit m.e.r. geen verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport. De voorgenomen activiteit komt niet voor in de eerste kolom van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een 47 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming.
48 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd.
49 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Someren draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
50 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het ontwerpbestemmingsplan dient te worden voorgelegd aan het waterschap en de provincie NoordBrabant. 7.2 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavig hoofdstuk.
51 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
8 BIJLAGEN 1. Landschappelijk inpassingsplan 2. LIR Berekening bestemmingswinst en landschappelijke kwaliteitsverbetering Someren 3. AERIUS berekening sloopfase 4. AERIUS verschilberekening gebruiksfase
52 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Bestaande landschapsboom Esdoorn (50-100)
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren 4
3
2
met
2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten
Plantmaat / kwaliteit
700 stuks bosplantsoen
Hoeveelheid/stuks
Bestaande situatie revitaliseren
Bestaande situatie m.n. volwassen Spar, Den, Esdoor, Berk, zie foto X. Bij vervangende herplant soorten gebruiken: Esdoorn, Beuk, Berk, Eik, Linde in groepvorm.
Bestaande omtrek betreft geclusterde Klein bosje met grasland Bestaande situatie volwassen fase, 15 stuks struikvormers/bomen bij herplant: 1214 Bestaande Bestaande situatie m.n. Bestaande situatie revitaliseren volwassen Esdoorn, Berk, zie foto geclusterde omtrek betreft 1 landschapsboom, 5 Klein bosje/Landschapsboom X. Bij vervangende herplant Bestaande situatie struikvormers/bomen met soorten gebruiken: Esdoorn, volwassen fase, bomen en 5 struiken in met grasland 1 landschapsboom Beuk, Berk, Eik, Linde, Hazelaar, bij herplant: 12- klein bosje Lijsterbes, Vuilboom, Liguster 14 Nieuw aan te planten Gemiddelde breedte: 0,5 Spaanse aak, veldesdoorn (Acer Gesneden haag 4 stuks per m1 minimaal 80 cm 140 stuks m. Lengte: 35 m. campestre), Beuk, Haagbeuk
Hakhoutsingel
Gemiddelde breedte: 6,00 meter Lengte: 250 meter
Soort
plantverband van alleen gebruik inheemse bomen minimaal 1,25 m x 1,25 en/of struiken (Esdoorn, Beuk, meter of 1,50 m x 1,00 Berk, Eik, Linde, Hazelaar, meter en maximaal 2,00 m Lijsterbes, Vuilboom, Liguster) x 2,00 m
met
Nieuw aan te planten
Plantverband
Hakhoutsingel (Vak 1)
1
Klein bosje grasland (Vak 3) Afmeting
Gesneden haag (Vak 4)
Beheergroep / type
Klein bosje grasland (Vak 2)
Vak
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN HEISTRAAT 26
1
: Klein bosje met grasland Wat is een klein bosje met grasland: Het is een vrij liggend vlakvormig landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken, gelegen in een groenzone waar ten behoeve van het reliëf en landschappelijk aanzicht ook grasland aanwezig is.
2 Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 26, Someren
Bestemmingswinst en Landschappelijke Kwaliteitsverbetering Someren augustus 2020
versie:
Heistraat 26
ontwikkeling / bestemmingsplan: oppervlakte plangebied: Bestemmingswaarde Agrarische bestemmingen Agrarisch bedrijf Agrarisch bedrijf - per bedrijfswoning (1.000 m2) Agrarische grond - Landbouw gronden Agrarische grond - Teeltondersteunende voorzieningen Agrarische grond - Zonneweide Bedrijfsbestemmingen, niet-agrarisch Bedrijf, cat 1-2, max 800 m2 bedrijfsgebouw Bedrijf, cat 1-2, meer dan 800 m2 bedrijfsgebouw Bedrijf, cat 3 of hoger, max 1.500 m2 bedrijfsgebouw Bedrijf, cat 3 of hoger, meer dan 1.500 m2 bedrijfsgebouw Agrarisch verwant / agrarisch technisch hulpbedrijf Bedrijf - per bedrijfswoning (1.000 m2) Maatschappelijk - met bouwvlak Maatschappelijk - zonder bouwvlak Recreatie, verblijfsrecreatie, met bouwvlak Recreatie, verblijfsrecreatie, zonder bouwvlak Recreatie, dagrecreatie, met bouwvlak Recreatie, dagrecreatie, zonder bouwvlak Horeca Sport, met bouwvlak Sport, zonder bouwvlak Gemengd Windmolen(s)
17400 #1
#2
#2
Algemene bestemmingen Bos Landschappelijke inpassing Landschappelijke inpassing (aangeduid binnen 'Wonen') Natuur Water Groen Verkeer Wonen Wonen tot 1.000 m2 Wonen groter dan 1.000 m2 maar kleiner dan 2.500 m2 Wonen groter dan 2.500 m2 Tuin (aansluitend aan woonperceel > 2.500 m2
#2
m2
bedrag / m2 (in €)
voor ontwikkeling oppervlakte waarde
€ € € €
20,00 75,00 8,50 12,00 maatwerk
16400 € 1000 € € €
€ € € € € € € € € € € € € € €
75,00 90,00 110,00 125,00 90,00 75,00 125,00 40,00 75,00 40,00 40,00 15,00 75,00 90,00 15,00 maatwerk maatwerk
€ € € € € € € € € € € € € € €
€ € € € € € €
1,00 1,00 1,00 1,00 1,00 1,00 12,50
€ € € €
225,00 60,00 50,00 10,00
Bestemmingswaarde Bestemmingswinst als gevolg van de ontwikkeling Te leveren investering kwaliteitsverbetering van het landschap
€ € 10900 € €
92.650,00 -
-
€ € € € 3100 € 1000 € € € € € € € € € €
279.000,00 75.000,00 -
€ € € € € € €
-
€ 2400 € € € € € €
2.400,00 -
€ € € €
-
€ € € €
voor ontwikkeling €
328.000,00 75.000,00 -
403.000,00
20%
Check oppervlakte plangebied
voor ontwikkeling
Bebouwingswinst
bedrag / eenh. (in €)