6b Ruimtelijke onderbouwing Speelheuvelstraat 30
Tekst van het document
Binnen de regionale afspraken wordt flexibiliteit in de woningbouwprogrammering ingebouwd, om zo goed mogelijk in te kunnen spelen op veranderende behoeften. De bouwnijverheid is een belangrijke sector in onze gemeente, zelf bouwen zit in het Somerens DNA. (Collectief) particulier opdrachtgeverschap wordt gestimuleerd. Aandachtspunten bij (zelf)realisatie zijn groene inpassing, duurzaamheid (isolatie/energie) en levensloopbestendigheid.
Ook worden in de woonvisie beleidspunten en uitvoeringspunten gehanteerd met betrekking tot duurzaamheid en circulariteit, nieuwbouw en voor blijvers, starters, doorstromers, medioren / senioren, wonen met zorg, sociale huur, bijzondere doelgroepen en samenwerking. Ten aanzien van nieuwbouw is o.a. aangegeven dat het basisprincipe vraag- en behoeftegericht bouwen blijft, waarbij ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen een ruime mate van flexibiliteit kennen om relatief snel in te kunnen springen op behoefteveranderingen. Gestuurd wordt op gedifferentieerde wijken en buurten met een goede verhouding tussen sociale huur en koop in verschillende klassen. Someren conformeert zich aan de subregionale woningbouwafspraken en hanteert een verdeling van het nieuwbouwprogramma van 35% in de sociale sector en 65% in de vrije sector. Om te voorzien in voldoende planologische bouwmogelijkheden wordt voor inbreidingslocaties een totale plancapaciteit nagestreefd van 130%. In bijlage 2 van de woonvisie is een indicatieve globale woningbouwprogrammering 2020-2030 opgenomen, waarbij voor de Someren-Dorp wordt uitgegaan van een woningbouwopgave van 476 in de komende 10 jaar (zie pagina 18 van deze ruimtelijke onderbouwing). De bouw van een appartementengebouw met 15 appartementen op de projectlocatie past binnen deze beleidsuitgangspunten.
Ook passen deze woningen kwalitatief en kwantitatief binnen het indicatieve globale woningbouwprogramma 2020 - 2030, die als bijlage in de woonvisie is opgenomen (zie ook paragraaf 3.13 Ladder voor duurzame verstedelijking). 3.3.3 Nota Grondbeleid 2018-2022 Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad de Nota Grondbeleid 2018-2022 vastgesteld. Deze nota is een actualisatie van de eerder vastgestelde Nota Grondbeleid 2012- 2016 en beschrijft op welke wijze de gemeente Someren het middel grondbeleid wil inzetten om de ruimtelijke doelstellingen te bereiken. Eén van deze doelstellingen is dat het grondbeleid van de gemeente ook de komende jaren 35
gericht zal blijven op actief beleid waarbij vooraf per project of planontwikkelingsgebied een haalbaarheidsstudie c.q. quickscan wordt verricht met betrekking tot de kosten en risico’s. Per nieuwe situatie zal dus worden bezien of actief dan wel faciliterend grondbeleid wordt toegepast. Daarbij worden voorwaarden gesteld over soort woningen, grondprijzen e.d. Voor de realisering van de ruimtelijke doelstellingen worden de gronden die reeds in eigendom van de gemeente zijn als eerste benut. Daarna komt eventueel pas ontwikkeling van particuliere grond aan bod. Dit uitgangspunt leidt uitzondering, indien: • • • • •
een ongewenste bestemming opgeheven wordt; het een inbreidingslocatie betreft; een volkshuisvestelijk wenselijk bouwprogramma gerealiseerd wordt; het bouwprogramma een aanvulling is op het programma gemeentelijke locaties; de stedenbouwkundige invulling aanvaardbaar is.
Het bouwplan op de projectlocatie, die als inbreidingslocatie kan worden aangemerkt past in het volkshuisvestelijk wenselijk bouwprogramma en betreft een aanvulling op het programma gemeentelijke locaties. De stedenbouwkundige invulling kan aanvaardbaar worden geacht. Tenslotte vervalt met de realisatie van het woningbouwplan de ongewenste huidige bedrijfsfunctie (kantoor), waardoor er geen bezoekers meer in het openbaar gebied parkeren en dus de parkeerdruk in het openbaar gebied afneemt. 3.4 Conclusie De voorgenomen herontwikkeling op de projectlocatie past binnen het vigerend ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Someren.
36
4. Milieu en omgevingsaspecten Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient met betrekking tot de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling inzicht te worden gegeven in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. Deze sectorale aspecten komen in dit hoofdstuk aan de orde. 4.1 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Het planvoornemen voorziet in de sloop van de bestaande woning en de bouw van een appartementengebouw met 15 appartementen. Hierbij zijn bodemingrepen noodzakelijk. In juli 2020 heeft Archimil BV te Asten een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd volgens de NEN 5707. In de rapportage van 20 juli 2020, rapportnummer 1618R020-5, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, zijn de conclusies en aanbevelingen van het verkennend bodem- en asbestonderzoek als volgt verwoord: 1. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 2. In de bodem (tot maximaal 1,70 m-mv) is plaatselijk een zwakke tot matige bijmenging met puin aangetroffen.
De grove en fijne fractie van de puinhoudende bodemlaag blijkt niet verontreinigd te zijn met asbest. 3. Ter plaatse van de gesaneerde tank, leidingen en het vulpunt zijn geen waarnemingen gedaan welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. In 1997, juist voor de sanering van de tank, is reeds vastgesteld dat de bodem ter plaatse niet verontreinigd was. Analytisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. 4. De (puinhoudende) grond uit de bovenlaag (0-0,55 m-mv) is licht verontreinigd met cadmium, lood, zink, PAK’s en/of PCB’s. 5. De puinhoudende grond uit de onderlaag (0,5-1,7 m-mv) is licht verontreinigd met cadmium en PAK’s. De resterende grond uit de onderlaag (0,5-5,0 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 6. Het grondwater is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 7. De hypothese niet-verdachte locatie kan voor het grondwater worden aangenomen en dient voor de boven- en ondergrond formeel te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij het volgende op: 1. Ons inziens behoeven er, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzochte locatie. 2.
De lichte verontreinigingen met cadmium, zink, PCB’s en PAK’s in de boven- en ondergrond vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering [8]. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar; 3. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. Bij de eventuele afvoer van de grond van de bouwlocatie en gebruik elders, wordt er een partijkeuring van deze af te voeren grond uitgevoerd (AP04). De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 37
4.2 Geluid 4.2.1 Wegverkeers- en railverkeerslawaai Bij een nieuwe geluidgevoelige ontwikkeling dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh) en dat er, op grond van de Wet ruimtelijke ordening, sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Indien van toepassing, dient aanvullend te worden aangetoond dat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is daarom alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een weg en waarbij sprake is van geluidgevoelig bestemmingen. De geluidbelasting dient per gezoneerde weg te worden getoetst aan de wettelijke grenswaarden. Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk, omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Speelheuvelstraat en de Tuinstraat. In juli 2020 heeft K+ Adviesgroep te Echt een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. De rapportage met rapportnummer Rm200361aaA0 is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
De evaluatie van de rekenresultaten en conclusies zijn in hoofdstuk 5 van de rapportage als volgt verwoord: Algemeen De Wet geluidhinder geeft uitsluitend grenswaarden ten aanzien van de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De definitie van een gevel luidt: “de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak, met uitzondering van een constructie zonder te openen delen en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die tenminste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33dB (bij verkeerslawaai)”. Speelheuvelstraat - De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Speelheuvelstraat is maximaal 51 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). - Bij de gemeente Someren kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. - In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van een bestaande woning. - Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren.
De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €52.500,- (175 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van onder andere financiële aard. Daarnaast is het niet wenselijk om kleine stukken wegen te voorzien van een andere verharding in het kader van beheer en onderhoud. De gemeente heeft aangegeven dat de Speelheuvelstraat naar waarschijnlijkheid in 2022 een andere verharding krijgt of volledig opnieuw wordt ingericht. Ten tijden van het onderzoek waren hier nog geen plannen van bekend. Indien men voor een andere wegdek verharding kiest kan hierbij rekening worden gehouden met de belastingen op de omliggende woningen. - Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Volgens tabel 5.1 is zichtbaar dat ter plaatse van waarneempunt 6 t/m 22 sprake is van een geluidluwe gevel < 48 dB(a). In het geluidbeleid van de gemeente Someren 38
-
-
staat opgenomen dat bij vervangende nieuwbouw, bekeken situatie, de bestaande geluidsituatie vaak beperkter is dan voor een geheel nieuwe situatie. Voor een geluidluwe gevel mag hierdoor een ruimere marge worden aangehouden van 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde. De belasting voor een geluidluwe gevel wordt daarmee 52 dB. Indien het geluidbeleid van de gemeente Someren wordt gehanteerd dan zijn alle gevels van de nieuwbouw geluidluw. In het geluidbeleid van de gemeente Someren staat ook dat als er een buitenruimte per woning aanwezig is van meer dan 20 m2 deze bij voorkeur gelegen is aan de geluidluwe zijde. De belasting op de buitenruimte mag in ieder geval niet meer bedragen van 52 dB. De te realiseren buitenruimtes zijn kleiner dan de benoemde 20 dB. De belasting ligt daarnaast onder de opgenomen waarden van 52 dB. Hiermee voldoen de buitenruimtes aan het geluidbeleid van de gemeente Someren. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.
In tabel 5.5 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.
Tuinstraat - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 31 dB, incl. aftrek artikel 110g.De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. 4.2.2 Industrielawaai De projectlocatie is niet gelegen binnen een geluidgezoneerd industrieterrein, waardoor het aspect industrielawaai geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw. 4.3 Milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand in acht te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). In de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG, 2009) staan uitgebreide lijsten met richtafstanden, die gebruikt kunnen worden bij het plannen en toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken. In de toelichting behorende bij de VNG-publicatie zijn twee verschillende omgevingstyperingen opgenomen, omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en omgevingstype gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van 39
kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag één afstandsstap worden verlaagd. Het besluitgebied ligt in het centrumgebied van Someren met een matige tot sterke functiemenging en kan dus worden aangemerkt als omgevingstype gemengd gebied, waarbij nog specifiek het onderdeel functiemenging voor centrumgebieden geldt. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën en de bijbehorende richtafstanden voor beide omgevingstypen weergegeven, conform bijlage I van de VNG-publicatie. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstand omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De projectlocatie ligt niet binnen één van deze richtafstanden van bedrijven in de milieucategorie 1 t/m 6. 4.4 Milieueffectrapportage Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. De milieueffectrapportage is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (artikel 7.1 tot en met artikel 7.42). In artikel 7.2, lid 1 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Voor deze activiteiten zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (AMvB) categorieën van plannen aangewezen waarvoor een m.e.r.plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet “herziening m.e.r.-richtlijn in werking getreden. Met deze wet is de herziene Europese m.e.r. -richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Het doel van de herziene m.e.r.
richtlijn is de m.e.r.-beoordelingsprocedure te verduidelijken, de kwaliteit en de inhoud van het MER te verbeteren en de m.e.r.-procedure te stroomlijnen met milieubeoordelingen van andere EU regelingen. Op basis van deze wetgeving worden voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling enkele procedurele vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m.e.r. blijft. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese Hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat altijd m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2 'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland.
Zo kan bijvoorbeeld in bepaalde gevoelige gebieden niet worden 40
uitgesloten dat het bouwen van 1500 woningen (onder de gevalsgrens van 2000 woningen, categorie D 11.2) zal leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. In zo'n geval is dus een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. noodzakelijk. De beoogde herontwikkeling van een appartementengebouw met 15 appartementen is een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit conform categorie D 16.1 van het Besluit m.e.r.: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De omvang van de voorgenomen ontwikkeling (15 appartementen) is kleiner dan de drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling (2000 woningen of 100 ha) en daarvoor is derhalve een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ten behoeve van dit woningbouwplan is door middel van de beschrijving van de relevante milieuthema’s in deze ruimtelijke onderbouwing (hoofdstuk 4 en 5) een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit deze beschrijving blijkt dat er, gezien de kenmerken en plaats van de beoogde ontwikkeling in relatie met de potentiële effecten daarvan, geen significante nadelige gevolgen voor het milieu zullen zijn. 4.5 Geurhinder veehouderijen Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang.
Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij moet worden aangetoond dat het project geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat voor de woning sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij hebben gemeenten de bevoegdheid om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen vast te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Onder de werkingssfeer van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) heeft de gemeenteraad van Someren op 29 september 2010 een gemeentelijk geurbeleid vastgesteld: de geurgebiedsvisie en geurverordening. Met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn in de geurgebiedsvisie de volgende normen voor de cumulatieve, als gevolg van stapeling van geuremissies van alle veehouderijen in het gebied, achtergrond geurbelasting opgenomen: • een norm voor de achtergrondbelasting op de woonkernen van 10 ouE/m3 (odour units); • een norm voor de achtergrondbelasting in het buitengebied van 20 ouE/m3 (odour units); • in het voormalige LOG is de norm voor de achtergrondbelasting 32 ouE/m3 (odour units). Aangezien het LOG door het intrekken van de reconstructieplannen is vervallen, is de waarde van 32 odour units niet meer van toepassing. De achtergrondbelasting op de woonkern Someren (2010) is ter plaatse van de projectlocatie niet hoger dan de gestelde norm van 10 ouE/m3.
Voor de projectlocatie is deze situatie thans niet gewijzigd. Gelet op de lage achtergrondbelasting en omdat in de periode 2010 - 2020 deze achtergrondbelasting niet wezenlijk is gewijzigd, is er sprake van een goed woon- en leefmilieu. In de Verordening geurhinder en veehouderij is voor gebied1 bebouwde kom Someren (zie onderstaande detailkaart bij de verordening) een andere maximale waarde vastgesteld: de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor zover het een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom betreft bedraagt 3,0 ouE/m3. In de nabije omgeving van de projectlocatie zijn geen veehouderijen aanwezig die een grotere voorgrondbelasting op de projectlocatie hebben dan deze maximale waarde.
41
Uitsnede kaart ‘achtergrondbelasting huidige situatie’ (2010)
projectlocatie
Detailkaart bij Verordening geurhinder en veehouderij 2010
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen belemmering voor onderhavige initiatief. 4.6 Gezondheid 4.6.1 Varkens- en pluimveehouderijen De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van de ruimtelijke ordening (bestemmingsplan of omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik) en milieu (omgevingsvergunning milieu). Eén van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Inademing van endotoxinen kan leiden tot ontstekingen van de luchtwegen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De
42
Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd. De rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen. Dit toetsingskader is momenteel nog niet beschikbaar. Daarom heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Dit toetsingskader endotoxinen kan gebruikt worden bij vergunningverlening aan veehouderijen en in het kader van ruimtelijke ordening. Uitgangspunt van het toetsingskader is genoemde advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het Toetsingskader endotoxinen zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
4.6.2 Geitenhouderijen Naar aanleiding van het VGO-2-rapport (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden, 16 juni 2017) heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten om het uitbreiden van geitenhouderijen en het omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan, waarmee het moratorium geitenhouderij een feit was. Het moratorium is een voorzorgmaatregel en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het doel van het moratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Bij ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijkend gebruik, moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Eén van de leidende principes van een goede ruimtelijke ordening is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd moet zijn. Milieuregels die van belang zijn voor het woon- en leefklimaat zijn ‘ruimtelijk relevant’ en kunnen daarom doorwerken in de ruimtelijke ordening. Binnen 2 kilometer van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Daarom is geen sprake van een verhoogd gevaar voor de volksgezondheid. 4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Inleiding Op 8 november 2007 is de Regeling beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. Deze regeling wordt ook wel aangeduid als de Wet luchtkwaliteit.
Met deze regeling en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
43
Fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: -
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Volgens de atlas voor de leefomgeving zijn binnen het plangebied de concentraties van PM10, PM2,5 en NO2 in 2018 respectievelijk 21 µg/m³, 12 µg/m³ en 18 µg/m³. Dit is voor alle stoffen ruim onder de jaargemiddelde grenswaarden die respectievelijk 40 µg/m³, 20 µg/m³ en 40µg/m³ bedragen. 4.7.2 Invloed herontwikkeling op luchtkwaliteit-niet in betekende mate Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen. Aangezien het plan slechts de toevoeging van 15 appartementen mogelijk maakt, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht. 4.7.3 NIBM-tool De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld.
Met de NIBM-tool wordt op een eenvoudige en snelle manier bepaald of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt (NIBM). De NIBM-tool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. De NIBM-tool wordt jaarlijks door InfoMil geactualiseerd. Voor het gebruik van de NIBM-tool is maar een beperkt aantal invoergegevens nodig. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Het doel van de NIBM-tool is: - Eenvoudig en snel bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. - Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. Ondanks dat de bouw van slechts 15 appartementen in de regeling al aangewezen is als niet in betekende mate bijdragend, zijn met de NIBM-rekentool de realisatiefase en de gebruiksfase van de nieuwe appartementen doorgerekend. Voor de realisatiefase zijn alle verkeersbewegingen van het project per maand als weekdaggemiddelde genomen. Hiermee wordt bedoeld dat de 396 44
vrachtwagenbewegingen en de 4032 personenwagenbewegingen die gedurende 8 maanden worden gemaakt, gemiddeld (396 + 4032)/8 = 554 voertuigbewegingen per maand opleveren. Dat getal is als weekwaarde ingevuld zodat sprake is van een zeer forse overschatting.
*De verkeersaantallen in deze berekening zijn afkomstig uit de rapportage” Stikstofdepositie, locatie Speelheuvelstraat 30 Someren, project 18476, d.d. 10 juli 2020. Met deze berekening is bevestigd dat er geen significant effect te verwachten is op verslechtering van de luchtkwaliteit. De achtergrondconcentraties voor PM10, PM2,5 en NO2 ter plaatse van de projectlocatie zijn ruim lager dan de grenswaarde en dat zal door dit initiatief niet veranderen.
45
4.8 Externe veiligheid De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare/beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (onder andere LPG-tankstations), transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor, buisleidingen, alsmede luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). Ter bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, moet er een bepaalde afstand in acht genomen worden ten opzichte van risicovolle inrichtingen en transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen. In de drie volgende subparagrafen wordt het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, binnenwater en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen in hoofdlijnen beschreven. 4.8.1 Risicovolle inrichtingen
Uitsnede risicokaart (bron: nederland.risicokaart.nl)
De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Bevi verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) wordt daarin omschreven als "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks 46
gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Ten aanzien van het PR is een norm vastgesteld van 10-6 per jaar, dat wil zeggen dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar. Voor kwetsbare objecten (o.a. woningen, scholen en ziekenhuizen) geldt deze norm als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als richtwaarde, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Het groepsrisico wordt gedefinieerd als “cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is”. Als norm voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers, 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers, 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers, enzovoort. De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen inrichtingen gevestigd die onder het Bevi vallen.
4.8.2 Vervoer van gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben in verschillende gebieden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Gevaarlijke stoffen vervoeren is risicovol en zorgt dus voor beperkingen voor de ruimtelijke ordening (ruimtelijke ordeningskant). Er zijn namelijk regels om mensen die dicht bij deze hoofdwegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen wonen of verblijven een basisbeschermingsniveau te bieden. Aan dit beschermingsniveau wordt voldaan als het risico vanuit het vervoer niet hoger ligt dan wat maatschappelijk acceptabel is.
Zo mogen er bijvoorbeeld geen huizen gebouwd worden vlakbij transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. De Wvgs is al aangepast aan het Basisnet. Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. De risicoplafonds, die in de Regeling basisnet zijn aangewezen, worden ruimtelijk vertaald in basisnetafstanden. De basisnetafstand is een contour rondom de basisnetroute waarop het plaatsgebonden risico ten hoogste 10-6 per jaar mag zijn. De ruimte tussen de basisnetafstanden wordt ook wel “veiligheidszone” genoemd. Binnen een veiligheidszone gelden beperkingen voor nieuwe 47
ruimtelijke ontwikkelingen. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen langs een basisnetroute moeten daarom vooraf worden getoetst aan de voor de desbetreffende basisnetroute vastgestelde basisnetafstand. De Regeling Basisnet is per 21 november 2016 aangepast in verband met het verkleinen van het plasbrandaandachtsgebied langs enkele rijkswegen. Plaatsgebonden risico Indien die besluitvorming betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving van een basisnetroute, dan geldt dat de basisnetafstanden in acht moeten worden genomen voor kwetsbare objecten en er rekening moet worden gehouden met de basisnetafstanden voor beperkt kwetsbare objecten. Wanneer de ruimtelijke ontwikkeling niet in de omgeving van een basisnetroute maar wel in de omgeving van een op provinciaal of gemeentelijk niveau aangewezen transportroute is voorzien, dan moet het bevoegd gezag zelf het plaatsgebonden risico berekenen en vervolgens eveneens de grenswaarde van 10-6 per jaar aanhouden. Indien de vaststelling van een bestemmingsplan betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling binnen een veiligheidszone, dan moet de gemeenteraad de bestemming van die gronden wijzigen, zodanig dat daarop geen kwetsbare projecten mogelijk zijn binnen de basisnetafstand. Zolang een dergelijke wijziging niet is doorgevoerd moeten omgevingsvergunningen voor kwetsbare objecten worden afgewezen.
Groepsrisico Voor zover de besluitvorming betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een transportroute (gebied dat wordt meegenomen bij de berekening van het groepsrisico) of binnen 200 meter van een transportroute, moet in de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing bij een projectafwijkingsbesluit het groepsrisico verantwoord worden. Daarbij moet worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking. Gelet op het feit dat wordt gesproken over “transportroute”, geldt voornoemde verplichting zowel voor basisnetroutes als voor door een provincie of gemeente voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangewezen transportroutes. De projectlocatie is niet gelegen binnen de basisnetafstanden van de dichtstbij gelegen Rijksweg A67 en ook niet binnen een veiligheidszone van een op provinciaal of gemeentelijk niveau aangewezen transportroute, zodat geen berekening en een verantwoording van het groepsrisico nodig is. 4.8.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Zowel aan de oost- en westzijde van de kern Someren is in noord-zuidrichting een ondergrondse aardgastranportleiding aanwezig.
Deze leidingen zijn op de risicokaart met rode stippellijn aangegeven. De projectlocatie echter niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Een berekening en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het woningbouwinitiatief. 4.9 Wet Natuurbescherming Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken zijn op Europees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese Habitatrichtlijn en de Europese Vogelrichtlijn zijn in Natura 2000 opgenomen. De Europese wetgevingen waren in Nederland tot 1 januari 2017 vertaald in de Flora- en faunawet voor de soortbescherming en in de Natuurbeschermingswet 1988 voor de gebiedsbescherming. Nederland 48
had daarmee de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1988 en de Flora en Faunawet samen met de Boswet vervangen door de Wet Natuurbescherming. In deze wet is de provincie aangewezen als bevoegd gezag voor de uitvoering van deze nieuwe wet. Per 1 januari 2017 is ook de provinciale Verordening natuurbescherming NoordBrabant inwerking getreden. In deze verordening staan alle regels voor natuurbescherming in Brabant, zowel voor Natura 2000-gebieden als in het wild levende dieren en bossen of andere houtopstanden. In de Verordening natuurbescherming zijn ook vrijstellingen opgenomen. Dit betekent dat bepaalde activiteiten uitgevoerd kunnen worden zonder vergunning, ontheffing of melding. Aan de vrijstellingen zijn in de Verordening natuurbescherming wel voorwaarden verbonden. 4.9.1 Natura 2000-gebieden De Wet Natuurbescherming regelt evenals de voorheen geldende Natuurbeschermingswet 1988 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor de leefgebieden van vogels en voor de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming). Verder stellen de provincies voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Naast de maatregelen in het beheerplan kunnen provincies: eisen stellen aan handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden (art. 2.4 Wet natuurbescherming), de toegang tot Natura 2000-gebieden beperken (art. 2.5 Wet natuurbescherming) en handelingen verrichten die nodig zijn met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen (art. 2.6 Wet natuurbescherming). Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in de wet een vergunningplicht opgenomen. In artikel 2.7, tweede lid is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
projectlocatie
Ligging dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (bron: Natura 2000 network viewer)
49
Alle Europese Natura 2000-gebieden zijn weergegeven op de Natura 2000 Network Viewer. Hierop is te zien dat de projectlocatie niet in een Natura 2000-gebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Strabrechtse Heide & Beuven en ligt op een kortste afstand van circa 2,6 kilometer van de projectlocatie. De Natura-2000 gebieden De Groote Peel en Weerter en Budelerbergen & Ringselven liggen op een kortste afstand van 6,5 km respectievelijk 7,1 km. Gelet op deze afstanden tot deze Natura-2000 gebieden is een effect van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Om te bepalen of dit project negatieve gevolgen heeft voor de Natura-2000 gebieden in de omgeving, dient de stikstofdepositie als gevolg van het initiatief in de realisatiefase en de gebruiksfase te worden bepaald. Hiertoe heeft de overheid het programma aanpak stikstof (PAS) opgezet met daaraan gekoppeld een rekenmodule genaamd Aerius. In juli 2020 heeft NIPA milieutechniek b.v. te Oss de stikstofdepositie berekend.
In de rapportage van 10 juli 2020, rapportnummer 18476 versie 2, met de Aeriusbijlagen (realisatiefase en gebruiksfase) die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, zijn in hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen als volgt verwoord: In dit onderzoek zijn voor de sloop van een bestaande woning en de aanleg en het gebruik van 15 nieuwe appartementen met parkeerkelder, op bouwlocatie Speelheuvelstraat 30 te Someren de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend voor het jaar 2020. Uit de rekenresultaten blijkt dat er zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase op geen van de Natura 2000-gebieden een stikstofdepositie optreedt die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Op grond van deze resultaten is er geen reden het initiatief te belemmeren. Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten is het ten aanzien van het aspect stikstof, niet nodig een vergunning in het kader van de Wnb aan te vragen. Negatieve effecten zijn gezien de aard, omvang en effectbereik van het planvoornemen en de afstand ten opzichte van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) op voorhand uit te sluiten. Een NNB-toets is daarmee niet aan de orde.
4.9.3 Flora en fauna De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 3 de bescherming van dier- en plantsoorten en bevat regels over de bescherming van vogels op grond van de Europese Vogelrichtlijn, de bescherming van soorten dieren en planten op grond van de Europese Habitatrichtlijn, de bescherming van soorten planten en dieren die niet voorkomen in de Habitatrichtlijn, schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer, jacht, het vangen en doden van dieren, in het wild levende dieren en planten en handel en bezit van dieren en planten. De bescherming van wilde dier- en plantensoorten in Nederland was tot 1 januari 2017 geregeld in de Flora- en faunawet. Deze wet bevatte een aantal verbodsbepalingen om de in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen. De Flora- en faunawet hanteerde een drietal beschermingscategorieën (algemeen beschermde soorten, overige beschermde soorten en strikt beschermde soorten). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht.
Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime 50
andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In bijlage 3 van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant heeft de provincie in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling opgenomen voor de volgende soorten: • amfibieën: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker (of bastaardkikker) • zoogdieren: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Indien de voorgenomen activiteit niet verstorend werkt of geen nadelige gevolgen heeft, waardoor aangetoond kan worden dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten, hoeft er in de meest voorkomende gevallen geen ontheffing aangevraagd te worden. In maart 2020 heeft Staro een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden.
De conclusies van deze quick-scan luiden als volgt: Beschermde gebieden Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (3,3 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Een negatief effect als gevolg van stikstof uitstoot is echter niet uit te sluiten. Derhalve dient een AERIUS-calculatie te worden uitgevoerd. De voorgenomen plannen hebben door de relatief grote afstand en de kleinschalige aard van de werkzaamheden geen (significant) negatief effect op de kernkwaliteiten van het NNN. Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. -
Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming De tuin in het plangebied is geschikt als foerageergebied en broedgebied voor verschillende vogelsoorten. De bomen binnen het plangebied blijven staan. Mogelijk worden struiken verwijderd. Dit dient plaats te vinden buiten het broedseizoen van vogels en wanneer geen broedgeval aanwezig is.
-
Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming De woning in het plangebied biedt mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen. Bij de sloop van de woning kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd en individuen worden verstoord. Derhalve is nader onderzoek noodzakelijk naar het voorkomen van vleermuizen in het gebouw en de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op vleermuizen. Het plangebied is tevens geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Bij de werkzaamheden wordt de tuin grotendeels behouden, daarmee blijft het foerageergebied ook behouden.
51
Tabel 1 Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied
Advies en aanbevelingen Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits: 1. bij het kappen en snoeien van struiken wordt gewerkt buiten het broedseizoen van vogels 15 maart en 1 augustus en wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander; dus werken in de periode 1 augustus en 15 oktober; 2. voorafgaand aan het slopen van het woonhuis nader onderzoek wordt uitgevoerd naar vleermuisverblijfplaatsen; 3. werkzaamheden vinden plaats buiten de kwetsbare periode van marterachtigen, dus werken in de periode 1 september en 15 maart; 4. middels het programma Aerius calculator de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt berekend.
52
Geadviseerd wordt om tussen 1 september en 15 oktober de struiken en overige vegetatie te verwijderen. Hierdoor wordt het gebied ongeschikt gemaakt als overwinteringslocatie voor de Alpenwatersalamander, broedvogels en marterachtigen. De werkzaamheden kunnen na het ongeschikt maken uitgevoerd worden. De werkzaamheden zijn dan niet gebonden aan bepaalde periodes. Gevolgen voor (het tijdpad van) de voorgenomen plannen Nader onderzoek - Vleermuizen, dit wordt uitgevoerd tijdens 5 veldbezoeken in de periode tussen 15 mei en 30 september. Ontheffing Wet natuurbescherming - Indien verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw moet voorafgaand aan de werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij provincie Noord-Brabant. - De aanvraag kan pas worden ingediend als het nader onderzoek helemaal is afgerond. De gemeente of Omgevingsdienst heeft ongeveer 26 weken nodig om uw vergunning in orde te maken, gerekend vanaf het moment dat u uw aanvraag heeft ingestuurd. Als u niet alle gevraagde informatie bij uw aanvraag meestuurt, duurt de afhandeling langer. - Voor het aanvragen van een ontheffing dient een mitigatieplan/activiteitenplan te worden opgesteld ten behoeve van de verblijfplaatsen van de beschermde soort(en). - Daarnaast dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om een ontheffing te kunnen verkrijgen indien noodzakelijk.
Het hier genoemde nadere vleermuisonderzoek is in de aangegeven perioden uitgevoerd door Ecologisch Qualiteits Onderzoek (EQO) volgens de richtlijnen van het Vleermuizenprotocol 2017. De rapportage van 13 oktober 2020 is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De conclusies en aanbevelingen zijn in deze rapportage zijn als volgt verwoord: Conclusies Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied en directe omgeving 2 soorten vleermuizen waargenomen: - Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus- pipistrellus) - Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Bij inspectie van de bebouwing bij daglicht zijn geen (vleermuizen) sporen (keutels, vetvegen, afgebeten insectenvleugels enz.) gevonden die aan vleermuizen toegekend kunnen worden. Ook zijn geen uit- of invliegende vleermuizen gezien. Paarverblijfplaatsen zijn niet vastgesteld en najaars-zwermgedrag is ook niet waargenomen. Vliegroutes en foerageergebied Vliegroutes zijn niet aanwezig. Het plangebied vormt foerageergebied voor vleermuizen, in de groene omgeving aan de noordoostzijde van het plangebied, daar waar het park met water ligt, zijn alternatieven van betere kwaliteit.
53
Toetsing aan de Wet natuurbescherming Vleermuizen Verblijfplaatsen In de Wet natuurbescherming (artikel 3.5, lid 4) is het verboden om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen. In het plangebied zijn geen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde vleermuizen vastgesteld. Er zijn vanuit de bebouwing geen invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen en zwermgedrag (dat kan wijzen op een massaverblijfplaats) is niet waargenomen. Om deze reden zullen als gevolg van de beoogde herinrichting, geen verbodsbepaling worden overtreden. Foerageergebied en vliegroutes Foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd als het van essentieel belang is voor het in stand houden van een vaste verblijfplaats. Er zijn geen vliegroutes en het plangebied wordt niet intensief gebruikt als foerageergebied. Op basis van het nader onderzoek kan gesteld worden dat het plangebied afdoende is onderzocht op aanwezigheid van verblijfsfuncties voor vleermuizen. Uit de onderzoeken is gebleken dat in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of belangrijk foerageergebied voor vleermuizen aanwezig zijn. Hiermee is het nader onderzoek afgesloten. Verdere procedures in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet aan de orde.
Aanbevelingen Algemene broedvogels Het is niet toegestaan om bomen en struiken te verwijderen in het broedseizoen, mits een ecologisch deskundige vooraf heeft vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Het broedseizoen omvat globaal de periode van maart tot eind juli. Overtreding van de Wet natuurbescherming kan eenvoudig worden voorkomen door het kappen van bomen en het verwijderen van struiken buiten het broedseizoen uit te voeren of wanneer vastgesteld is dat geen broedgeval aanwezig is. Vleermuizen en lichtverstoring Hoewel in het plangebied geen verblijfplaatsen en foerageergebied van belang zijn aangetroffen, maken vleermuizen wel gebruik van het plangebied en omgeving. Om te voorkomen dat vleermuizen tijdens de werkzaamheden worden verstoord, wordt aangeraden om het aanbrengen van verlichting zoveel mogelijk te beperken. Nagenoeg alle vleermuissoorten zijn namelijk gevoelig voor lichtverstoring. De effecten van de verlichting kunnen op een aantal manieren worden beperkt. Er volgt een overzicht van de mogelijke maatregelen. De keuze voor een maatregel zal afhankelijk zijn van de situatie en moet per geval worden bepaald. In veel gevallen zal een combinatie van een aantal maatregelen de beste uitkomst geven.
Enkele veel gebruikte methoden om de effecten van lichthinder te beperken zijn: • de bouwactiviteiten zoveel mogelijk overdag uitvoeren gedurende de actieve periode van vleermuizen (maart - oktober) zodat verlichting niet noodzakelijk is. Voor de eventuele noodzakelijke verlichting ter preventie kunnen afgeschermde lampen worden gebruikt die alleen de bouwplaats verlichten en niet uitstralen naar de omgeving. In het nieuwe woningbouwplan: • niet uitstralende armaturen • lagere armaturen (dan zijn er mogelijk meer nodig) 54
• • • •
verlichting met een lagere lichtintensiteit plaatsen van afschermende beplanting voorkom verlichting van boomkronen tijdelijke verlichting (slechts een deel van de nacht aan en alleen op plekken waar het echt nodig is)
Natuurinclusief bouwen Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Bijvoorbeeld het plaatsen van nest- en vleermuiskasten in de gevels van het nieuwe woningbouwplan. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit, ons leefklimaat en de duurzaamheid van het project. EQO stimuleert deze initiatieven en staat graag bij om deze te motiveren en toe te passen de huidige plannen. Tijdens het bouwproces wordt rekening gehouden met deze aanbevelingen. Ook met de overige aangegeven voorwaarden vanuit de Quickscan Flora en Fauna wordt rekening gehouden. De te nemen maatregelen worden uitgevoerd in overleg met een Ecoloog. In de quickscan is abusievelijk aangegeven dat de bomen binnen het plangebied blijven staan. Er is echter aantal bomen, die moeten worden gekapt in verband met de aanleg van de nieuwe oprit en de nieuwbouw. De benodigde bomenkap wordt uitgevoerd voor het broedseizoen van medio maart 2021. Voor de bomenkap wordt een separate vergunning aangevraagd (voor 3 bomen is reeds een kapvergunning verstrekt). De te kappen bomen staan niet op de lijst met beschermwaardige bomen van de gemeente Someren en vallen niet onder de bescherming van de APV. In overleg met een Ecoloog wordt de vergunning aangevraagd en uitvoering van de werkzaamheden begeleid.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.10.1 Archeologie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Op grond daarvan is de gemeente verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ook kan ingevolge artikel 41 de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit laatste is overigens niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. In de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren (2012) worden de beleidsuitgangspunten en hun achtergronden beschreven. Daarnaast is in deze beleidsnota een instrumentarium aangeleverd dat dient ter implementatie van het beleid. Ter onderbouwing van het beleid is een onderzoek gedaan naar de archeologische waarden binnen de gemeente.
Dit heeft geresulteerd in de Archeologiekaart van Someren, een rapport met een reeks kaarten, waaronder een archeologische waarden en verwachtingenkaart en een archeologische beleidskaart. De beleidskaart en beleidsnota vormen samen de noodzakelijke basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. De archeologische beleidskaart omvat de locaties en gebieden die in aanmerking komen voor planologische maatregelen gericht op behoud, inpassing en eventueel toekomstig onderzoek in het kader van verdere planontwikkeling. Daarbij zijn tevens aangemerkt de (potentieel) waardevolle locaties, waarvoor in de bestemmingsplannen, en eventueel ook op grond van de Monumenten55
verordening en/of Archeologieverordening (erfgoedverordening) nadere voorwaarden gelden. De legenda-eenheden 1 tot en met 5 dienen daarbij in het bestemmingsplan in planregels te worden omgezet. De belangrijkste bepalende legenda-eenheden op de beleidskaart zijn voor Someren:
projectlocatie
Archeologische beleidskaart gemeente Someren
1. wettelijk beschermde archeologische monumenten (categorie 1); 2. gebieden van (hoge, vastgestelde) archeologische waarde, te weten: historische hoeven, kasteel-, kerk- en kloosterterreinen, schansen, (water)molenlocaties en AMK-terreinen van zeer hoge waarde (categorie 2); 3. gebieden van archeologische waarde, waaronder AMK-terreinen van (hoge) archeologische waarde en de historische kernen van dorpen en gehuchten (categorie 3); 4. gebieden met een hoge archeologische verwachting (categorie 4); 5. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5); 6. gebieden met een lage archeologische verwachting (categorie 6); 7. gebieden zonder een archeologische verwachting (verstoord, opgegraven, dan wel op andere wijze vrij van archeologie) (categorie 7). Aan de verschillende categorieën worden door middel van bestemmingsplanvoorschriften regels verbonden. De projectlocatie ligt in een gebied van hoge archeologische waarde (categorie 3). In het geldende bestemmingsplan Someren-Dorp heeft deze locatie dan ook de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Bij deze categorie geldt een onderzoeksplicht pas bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter én een verstoringsoppervlak van 250 m2. De oppervlakte van de projectlocatie is groter dan 250 m2, zodat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.