6b Ruimtelijke onderbouwing Speelheuvelstraat 30
Tekst van het document
In juli 2020 is door ArcheoPro te Eijsden een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) uitgevoerd. In de rapportage van 17 augustus 2020, rapportnummer 20042, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, zijn de conclusies en aanbevelingen in hoofdstuk 4 als volgt verwoord:
56
Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging in een gradiëntzone en op korte afstand van een (voormalige) waterloop tenminste een middelhoge verwachting voor resten uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum. Door de ligging op een relatief laaggelegen deel van het dekzandlandschap is de verwachting voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de vroege-middeleeuwen hooguit middelhoog. Door de ligging tussen de historische bebouwing van Someren heeft het plangebied een hoge verwachting voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Deze verwachting geldt met name voor de langs de historische weg gelegen westrand van het plangebied waarop in het verleden ook bebouwing heeft gestaan. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied negentien boringen gezet. Aan de hand van de resultaten van het met de zandguts verrichte onderzoek kunnen de in paragraaf 1.5 gestelde onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de C-horizont op het meest zuidelijke deel van het plangebied aanmerkelijk hoger ligt dan op het noordelijke deel. Het noordelijke deel van het plangebied ligt van oorsprong in een dalvormige laagte waarin veen is gevormd.
Het oorspronkelijke hoogteverschil is door de inrichting van het terrein voorafgaande aan de bouw van de huidige woning, vrijwel volledig verloren gegaan waardoor nu de zone rond de bestaande bebouwing het hoogste ligt. Op het centrale en het noordelijke deel van het plangebied wordt een van nature slecht ontwaterde bodem, bedekt door een dik pakket vergraven en/of opgebracht zand. De top van het potentiële sporen niveau ligt hier op een meter of meer beneden het maaiveld. De kans op de aanwezigheid van (resten van) sporen is hier overigens klein door de van nature slecht ontwaterde en daardoor voor bewoning ongeschikte bodem. Bewoning zal op het plangebied altijd plaats hebben gevonden op het van nature aanmerkelijk hoger gelegen westelijke deel van het plangebied dat bovendien langs een historische weg ligt. In de langs de westrand van het plangebied gezette boringen is relatief veel baksteenpuin aangetroffen dat afkomstig moet zijn van de bebouwing die hier al in de negentiende eeuw stond. De resultaten van het onderzoek geven voor het noordelijke- en het centrale deel van het plangebied in verband met de tot grote diepte verstoorde en van nature natte bodem, geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.
Evenmin zijn hier tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Op het zuidelijke deel van het plangebied (ten zuiden van de boorpunten 4, 7, 12 en 17, kunnen nog (funderings)resten aanwezig zijn van de bebouwing die hier tot in de negentiende eeuw aanwezig was of van oudere voorgangers hiervan. In dit deel van het plangebied is echter geen nieuwbouw gepland. Indien hier echter ten behoeve van de nieuwbouw toch ingrijpende bodemverstoring zal plaatsvinden, kan door middel van proefsleuvenonderzoek worden voorkomen dat dergelijke archeologische resten ongedocumenteerd verloren gaan. De afweging óf, waar en in welke vorm nader archeologisch onderzoek benodigd is, is aan het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Someren. Selectieadvies gemeente Op basis van het rapport van ArcheoPro heeft de gemeente het volgende selectieadvies uitgebracht: Het onderhavige rapport geeft aan dat de archeologische potentie en waarde van het hele plangebied Speelheuvelstraat 30 hoog is. Dienovereenkomstig luidt het advies dan ook om het gehele plangebied aan archeologisch vervolgonderzoek te onderwerpen.
Dit vervolgonderzoek dient plaats te vinden in die gebieden waar bodemingrepen gepland zijn of waar deze door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt (bouw van nieuwe woningen, mogelijkheden vergunningvrij bouwen en aanleg van kabels/leidingen en waterberging). Het archeologisch onderzoek dient plaats te vinden in 57
de vorm van een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol Proefsleuven KNA 4.1) aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en uitgevoerd te worden door een archeologisch bedrijf dat gecertificeerd is voor het uitvoeren van archeologische opgravingen (Erfgoedwet 2016). Op basis van de uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek beslist de gemeente of de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien hierbij archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze veilig gesteld te worden door mogelijke planaanpassing en als dat niet mogelijk is, door het opgraven van de aanwezige archeologische resten. Het besluit hierover ligt bij de gemeente. Aangezien dit besluit meegenomen moet worden in het definitief vast te stellen bestemmingsplan, wordt geadviseerd om het archeologische vooronderzoek zo snel mogelijk uit te laten voeren. Gelet op dit selectieadvies wordt er voorafgaand aan de sloop van de ondergrondse fundering een proefsleuf gegraven direct naast de huidige woning ter plaatse van het nieuwe bouwblok om te zien of er archeologische waarden aanwezig zijn. Het proefsleuvenonderzoek vindt plaats onder begeleiding van een erkend archeoloog. Indien er archeologische waarden worden aangetroffen, dan zal tijdens de verdere ondergrondse sloop en grondwerkzaamheden t.b.v.
de nieuwbouw, archeologische begeleiding aanwezig zijn en wanneer geen archeologische waarden worden aangetroffen, dan kan de aannemer zonder begeleiding door. Zie hiervoor de mail van mevrouw Berkvens, adviseur archeologie en erfgoed / regioarcheoloog ODZOB, d.d. 05 oktober 2020. 4.10.2 Cultuurhistorie
projectlocatie
Cultuurhistorische waardenkaart, CHW 2010, herzien 2016, provincie Noord-Brabant
Als onderdeel van de Monumentenwet is op 1 januari 2012 de wet Modernisering Monumentenzorg in werking getreden met een doorwerking in artikel 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin 58
onder meer is bepaald dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. In de toelichting moet dan ten minste een beschrijving worden neergelegd van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Uit de Cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat op de projectlocatie en in de nabije omgeving geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. 4.11 Kabels en leidingen Op de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
59
5. Waterparagraaf1 5.1 Inleiding Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de huidige watersituatie in het plangebied. Daarnaast legt het vast aan welke watereisen ontwikkelingen, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, moeten voldoen. Het doet dit door ruimtelijke plannen onder meer te toetsen aan " hydrologisch neutraal" conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. 5.2 Beleid Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging.
Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid in de 21e eeuw richt zich derhalve primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet, ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw).
De indirecte lozingen vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het ‘Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021’ (verder: PMWP). Het plan vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant. 1
De waterparagraaf is opgesteld door NIPA milieutechniek b.v. op 7 juli 2020 met kenmerk 18475-OD1219258 de tekst van de waterparagraaf (paragraaf 5.1 t/m 5.4) is integraal overgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing
60
Beleid waterschap (Aa en Maas) Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Het waterbeleid van dit waterschap is neergelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Werken met water. Voor nu en later' en is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving. Het waterbeheerplan is een strategisch document, afgestemd op de Europese Kaderrichtlijn Water, het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Hierin staan de doelen en de wijze om deze te behalen weergegeven. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn de volgende: • Voldoende water voor landbouw en natuur: gestreefd wordt naar voldoende water voor alle functies. Niet te veel en niet te weinig. Verdroging is een probleem voor zowel landbouw als natuur. De focus lag al op de aanpak van verdroging van natuurgebieden, maar wordt nu verbreed omdat ook de landbouw in toenemende mate kampt met verdroging. Dit vraagt om een integrale aanpak. Juist door de samenhang binnen een gebied als uitgangspunt te nemen en met alle stakeholders naar oplossingen te zoeken. • Kringloopdenken: het kringloopdenken wint steeds meer terrein in de maatschappij, ook op watergebied. Duurzaam ontwikkelen is van belang: voldoende en schoon water voor nu en later door op een andere manier met het water om te gaan. Van lineair naar circulair.
Schoon regenwater niet meer op het riool, grondstoffen halen uit het afvalwater, slootmaaisel gebruiken als organische stof voor de aangrenzende landerijen en gezuiverd afvalwater van bedrijven als aanvulling van het grond- en oppervlakte water. Dit is een nieuwe manier van werken. • Wateroverlast en hittestress: steeds vaker zien we foto's in de media van straten die blank staan na een hevige stortbui. Een direct gevolg van de klimatologische omstandigheden en steeds verdergaande verstening. Perioden van te veel (en te weinig) water doen zich steeds vaker voor. In de stedelijke omgeving is er voor plotselinge wateroverlast alleen een uitweg via het riool. Zoveel water kan het riool niet aan, waardoor straten en pleinen onder water komen te staan en riolen overstorten op het oppervlaktewater. Tegelijkertijd hebben steden in toenemende mate te kampen met hittestress. Op zomerse dagen wordt het zo warm dat mensen hier last van krijgen in hun functioneren. De gemeente gaat over de riolering en de inrichting van de leefomgeving. Het waterschap over de zuivering van het rioolwater. Gemeente en waterschap moeten op zoek naar de beste oplossing voor de watervraagstukken in de bebouwde omgeving. De vraag is hoe stedelijke inrichting en water met elkaar verbonden kunnen worden. Dat biedt volop kansen; water als inspiratiebron voor stedelijke vernieuwingen een hoogwaardige leefomgeving.
• Steeds meer ongewenste stoffen in het water zoals medicijnen: van elk medicijn dat we inslikken komt een deel in het riool terecht. Omdat we steeds meer medicijnen tot ons nemen, is hierdoor een potentiële bedreiging voor de waterkwaliteit ontstaan. Het waterschap is belast met de zuivering van het rioolwater, maar het medicijnvrij maken van rioolwater vergt vergaande technische aanpassingen en miljoeneninvesteringen. Het probleem bij de bron aanpakken betekent dat ook partijen als de farmaceutische industrie, verzorgingstehuizen en apothekers aan zet zijn. Dit is een voorbeeld van hoe het waterschap ook met andere partners zoekt naar duurzame oplossingen. Dit geldt ook voor andere ongewenste stoffen in het water, zoals gewas- en beschermingsmiddelen en nieuwe stoffen zoals microplastics en nanodeeltjes. • Vergroten waterbewustzijn: het waterbewustzijn in Nederland is laag (volgens het OESO-rapport van maart 2014 'Water governance in the Netherlands: fit for the future'). Het is van belang dat gebruikers zich bewust zijn van de waarden van het water en de inspanningen die hiervoor nodig zijn. Dit begint in de eigen leefomgeving. Keur De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren.
Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is 61
conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van het verhard oppervlak maximaal 2000 m² is, of; • de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van het verhard oppervlak tussen 2000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit* conform de rekenregel *Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Digitale watertoets Het waterschap Aa en Maas biedt de mogelijkheid om via een eenvoudige wijze on-line vast te stellen of het initiatief strijdig is met waterschapsbelangen. Uit deze digitale watertoets is gebleken dat er geen strijdigheid is. Het waterschap heeft derhalve geen bedenkingen tegen dit plan. Beleid gemeente Het waterbeleid van de gemeente Someren is gebaseerd op een aantal basisprincipes: • voorkomen wateroverlast; • zo weinig mogelijk waterverontreiniging; • op natuurlijke wijze reinigen voordat het de beken en rivieren in stroomt als er toch waterverontreiniging voorkomt; • beken behoeden voor te grote toestroom van neerslag in korte tijd.
Dit betekent dat binnen en in de directe nabijheid van de stad en de dorpen het (regen)water moet worden geïnfiltreerd en tijdelijk worden geborgen (vasthouden), uiteraard zonder te zorgen voor overlast of schade. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) In het gemeentelijk rioleringsplan 2018 - 2022 is vastgelegd dat, om wateroverlast te voorkomen bij inbreidingslocaties < 2.000 m² het regenwater eerst op eigen terrein verwerkt moet worden. Uitgangspunt is dat bij nieuwe ontwikkelingen geen hemelwater op de (vuilwater)riolering wordt aangesloten. De gemeente Someren zorgt voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, wanneer dit doelmatig is en het niet redelijkerwijs verwacht kan worden van dat de initiatiefnemer het hemelwater zelf verwerkt. De doelmatigheid en de redelijkheid is afhankelijk van: • de ligging in stedelijk dan wel landelijk gebied; • de mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater; 62
• de grootte van de percelen; • de aanwezigheid van een regenwaterriool op straat; • de nabijheid van oppervlaktewater. Infiltratie van hemelwater in de bodem wordt verondersteld mogelijk te zijn als de bodem voldoende doorlaatbaar is (>1 m/d) en de grondwaterstand voldoende laag is ( > 1,2 m-mv). Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. In principe dient er 60 mm retentie gerealiseerd te worden (600 m³ per hectare verhard oppervlak). Als hemelwater op eigen terrein verwerkt wordt ligt hier geen zorgtaak voor de gemeente. 5.3 Beschrijving huidig en toekomstig watersysteem plangebied Bestaande situatie In de huidige situatie is in het plangebied (5.575 m²) een woning met bijgebouwen (360 m²) en terreinverharding (350 m²) aanwezig. De terreinverharding betreft de oprit en parkeerplaats die afwateren naar de straat. De woning en het bijgebouw zijn aangesloten op het gemengde stelsel ter plaatse. De totale waterafvoerende oppervlakte is in de bestaande situatie ca. 710 m². Grenzend aan het plangebied is aan de noordzijde een grote vijver aanwezig. Het plangebied is verder niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als boringsvrije zone, reserveringsgebied waterberging of ecologische verbindingszone.
63
Toekomstige situatie Er is sprake van een herontwikkeling waarbij de bestaande inrichting komt te vervallen en er 15 appartementen worden gebouwd. Onder de appartementen komt een parkeerkelder. Er wordt een gescheiden inzamelingssysteem voor hemelwater en vuilwater aangelegd.
Hydrologisch Neutraal bouwen Uiteraard moet eerst voorkomen worden dat het hemelwater vervuild. Vervuiling zal worden voorkomen door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen. Dit wordt getoetst bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Verder zullen in alle standleidingen bladvangers worden aangebracht. Bij hydrologisch neutraal bouwen wordt door het waterschap gekeken naar de toename van het verharde oppervlak. Dat is in dit geval maar 1.423 - 640 m² = 783 m². De gemeente gaat er echter vanuit dat de locatie eerst wordt leeg gemaakt en dat alle nieuwbouw met bijbehorende verhardingen als toename moet worden gezien (1.423 m²). Teneinde te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen dient het regenwater volgens het drietrapsbeleid vasthouden-bergen-afvoeren te worden bekeken. Vasthouden van het hemelwater op de locatie is mogelijk. Het onverharde deel van het perceel is groot genoeg om al het regenwater vast te houden. Bergen van hemelwater. De bergingsopgave die hierbij door de gemeente Someren wordt gehanteerd is 60 mm/m² . Dit resulteert in onderstaande bergingshoeveelheid voor het gehele project.
64
Afvoeren door infiltreren. De gronden in dit gedeelte van Someren zijn zandig en kenmerken zich door een hoge infiltratiesnelheid. Hoewel er op deze locatie geen infiltratieonderzoek is uitgevoerd is wel algemeen bekend dat voldaan kan worden aan de minimale waarde van 1,0 m/d waarbij infiltratie mogelijk wordt geacht. De grondwaterstand is door Archimil op 3 juni 2020 vastgesteld op ca. 3,5 mmv. Er wordt dus voldaan aan de eis dat de GHG lager moet liggen dan 1,2 m-mv. Doordat de infiltratiesnelheid groter is dan 1,0 m/dag zal een regenbui van 60 mm binnen 1,5 uur volledig door de bodem zijn opgenomen. Indien een hoeveelheid van 100 m³ water toegevoegd wordt aan ca 3.000 m² tuinoppervlak dan resulteert dat in een toename < 30 mm/m². Deze 30 mm kunnen worden opgeteld bij de maatgevende bui van 60 mm. Er valt immers 60 mm op de bodem en daaraan wordt 30 mm van elders toegevoegd. De tijd waarbinnen 90 mm water infiltreert bij deze grondslag is dan maximaal 2 uur. Dat is nog steeds acceptabel. Afvoeren. Vertraagd afvoeren van hemelwater via de riolering is pas aan de orde indien infiltratie geen optie is. Bij vertraagd afvoeren wordt middels een pompsysteem of door vrije uitloop met een diameter van 4 cm, het water uit de bergingsvoorziening op het riool of bovengronds op gemeentegrond, geloosd.
5.4 Conclusies en aanbevelingen Conclusies: 1) Het plan leidt niet tot strijdigheid met belangen van het waterschap; 2) Het vasthouden en infiltreren van hemelwater is op de locatie goed mogelijk. 3) Al het regenwater in het plan zal in de tuin met een oppervlakte van ruim 3.000 m² vrij uitstromen of worden opgevangen in een bergingsvoorziening met een capaciteit van 100 m³. 4) De aanleg van een ondergrondse voorziening is niet nodig. 5) Vanwege de hoge doorlatendheid van de bodem zal het hemelwater binnen 24 h infiltreren zodat er geen problemen zijn om een eventuele volgende bui te kunnen verwerken. 6) Bij de bouw moeten materialen gebruikt worden die niet uitlogen of anderszins verontreiniging van het hemelwater kunnen veroorzaken.
65
Aanbevelingen: 1) Bij de terreininrichting dient er rekening mee gehouden te worden dat het perceel niet afwatert naar de openbare gebieden of naar gronden van derden. Indien de terreinverharding of toegangsweg afloopt naar gronden van derden dan dient hier een opvanggoot of waterkering te worden voorzien. 2) Bij ons is niet bekend wie de eigenaar is van de vijver die grenst aan de achterzijde van het perceel. Het koppelen van een hemelwaterriolering op deze vijver is een prima manier om hemelwater lokaal te bergen en te infiltreren. Indien de eigenaar van de vijver daarmee instemt en indien de gemeente hier akkoord mee is, is dat een makkelijk en goedkope optie om hemelwater in het projectgebied te houden. 5.5 Grondwaterstroming Omdat het planvoornemen ook voorziet in een onderkeldering van de nieuwbouw, is door Archimil bv onderzocht of de gewenste nieuwbouw een effect heeft op de grondwaterstroming. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een notitie ‘Barrièrewerking nieuwbouw Speelheuvelstraat 30’ van 23 juli 2020, referentie PH-200418. Deze notitie (in briefvorm) is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De conclusie in deze notitie is als volgt verwoord: De huidige woning is voorzien van een kelder. In de gewenste situatie zal het bovengrondse bebouwde oppervlak toenemen en zal de gehele bebouwing worden voorzien van onderkeldering.
Door aangescherpte eisen omtrent isolatie en leefhoogte zal de diepte van de kelder toenemen met circa 25 cm. Door het grotere bouwoppervlak en de toenemende diepte zal het barrière-oppervlakte (het oppervlak dat zich onder de gemiddelde grondwaterstand bevind) toenemen met circa 15,2 m2. De toename van de diepte van de kelder onder de gemiddelde grondwaterstand 0,25 m (0,81-0,56 m) is relatief beperkt en de gewenste nieuwbouw komt niet parallel aan de grondwaterstroming. De toename van de grondwaterstuwing zal derhalve verwaarloosbaar zijn.
66
6. Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid Alle kosten die samenhangen met de uitvoering van het initiatief komen geheel ten laste van de initiatiefnemer. Ten behoeve van de maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft initiatiefnemer onder meer in de periode september t/m december 2019 meerdere malen overleg met de omwonenden gevoerd over het herontwikkelingsplan. Hieruit bleek dat de buurt opmerkingen/bezwaren had ten aanzien van het aantal bouwlagen (in eerste instantie was sprake van 4 bouwlagen), zekerheid voor het groen en inkijk naar de buren, toegang tot het perceel, inrit naar de kelder, architectuur van het gebouw, plaats van de balkons, plaats en grote van de ramen in de zijgevel, parkeren op eigen terrein en het aantal appartementen. De opmerkingen/bezwaren met betrekking tot deze planonderdelen hebben geleid tot aanpassingen van het plan. In het overleg van 13 december 2019 hebben de omwonenden aangegeven akkoord te zijn met de aanpassingen van het plan op het gebied architectuur, ontsluiting, het aantal bouwlagen (van 4 naar 3 bouwlagen), de inrit aan de achterzijde tot de parkeerkelder en de aanpassingen van het groen in de tuin. Over het aantal woningen verschillen de ontwikkelaar en de omgeving echter van mening.
Initiatiefnemer heeft de gemeente na dit overleg verzocht om een standpunt in te nemen ten aanzien van het maximale aantal woningen dat op deze locatie aanvaardbaar wordt geacht. De gemeenteraad heeft vervolgens ten aanzien van het initiatief en de daarop ontvangen reactie van omwonenden een ontwikkelingskader vastgesteld, waarbinnen een herontwikkeling dient plaats te vinden (zie ook paragraaf 2.3.2 van deze ruimtelijke onderbouwing). Dit raadsbesluit van 4 juni 2020 is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
67
7. Procedure Ten behoeve van de realisering het bouwplan is het college van burgemeester en wethouders voornemens om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning te verlenen voor onder meer het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo). Hierbij wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 3.10 tot en met 3.13 Wabo. Indien de raad akkoord gaat, legt het college het ontwerpbesluit omgevingsvergunning met bijbehorende stukken ter inzage voor de duur van zes weken. Voorafgaand aan de terinzagelegging wordt het ontwerpbesluit bekendgemaakt in de Staatscourant, het gemeenteblad op overheid.nl en op de gemeentelijke website. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voor advies toegezonden aan o.a. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas Gedurende de periode van terinzagelegging van het ontwerpbesluit kan iedereen een schriftelijke dan wel mondelinge zienswijze naar voren brengen bij het college van burgemeester en wethouders.
Wanneer er in genoemde periode geen zienswijzen zijn ingediend of nadat de tijdig ingekomen zienswijzen zijn beantwoord, kan het college besluiten tot het verlenen van de omgevingsvergunning. Het besluit omgevingsvergunning wordt vervolgens met de bijbehorende stukken ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Voorafgaande aan de terinzagelegging wordt het besluit bekendgemaakt in de Staatscourant, het gemeenteblad op overheid.nl en op de gemeentelijke website. Tegen dit besluit kunnen alleen belanghebbenden, die eerder een zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend, gedurende de periode van terinzagelegging beroep instellen bij de rechtbank Oost-Brabant en eventueel de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen.
68