10e. Someren buitengebied deelgebied 4 - planMER incl bijlagen
Tekst van het document
De soort is in Nederland aanwezig in de periode mei tot en met oktober. Reptielen Levendbarende hagedis komt voor in structuurrijke weg- en spoorbermen, heideterreinen, veen en halfopen bosranden met ruigten. Amfibieën Soorten zoals alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, vinpootsalamander en poelkikker komen, behalve in natuurgebieden, soms ook voor in het agrarisch gebied. Hierbij worden sloten, poelen en overhoeken als leefgebied gebruikt. Daarnaast kan de rugstreeppad voorkomen in het agrarisch buitengebied. Deze soort bevolkt relatief makkelijk tijdelijke habitats,
54/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
met name wanneer sprake is van ondiepe wateren en vergraven zandige terreinen zoals bij braakliggende bouwterreinen. Vissen Grote modderkruiper kan incidenteel voorkomen in waterlopen in het agrarisch gebied, meestal in de wat bredere watergangen met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. Libellen Gevlekte glanslibel komt voor in sterk verlande vennen, petgaten en in moerasbossen. Gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen. Bosbeekjuffer komt voor in bovenlopen van beschaduwde en zuurstofrijke beken die gekenmerkt worden door een natuurlijke morfologie. Beekrombout komt voor in grotere alsook kleinere rivieren en in kanalen. De soorten zijn niet te verwachten in het agrarische gebied. Wel is het mogelijk een soort als de bosbeekjuffer voorkomt in de nabijheid van de Goorloop. Dagvlinders Kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen. De waardplant is wilde kamperfoelie. Spiegeldikkopje komt voor in vochtige ruigten langs bospaden en bosranden, open bossen en hoogvenen. Bruine eikenpage is zeer zeldzaam, maar komt voor in bosranden met zomereik of eikenhakhout. Grote vos komt vooral voor in bosrijke omgevingen met voldoende overwinteringsplekken als holle bomen of stapels hout. De soort gebruikt iep, zoete kers en bepaalde wilgensoorten als waardplant.
Grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige loofbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Kleine ijsvogelvlinder en grote vos komen mogelijk verspreid in de agrarische delen van het plangebied voor. De overige soorten zijn niet te verwachten in het agrarische gebieden. Kevers De vermiljoenkever komt voor in vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recentelijk zijn doodgegaan. De soort is niet te verwachten in de open delen van het agrarische gebied. Aangezien de soort niet erg kritisch is ten aanzien van de boomsoort is het voorkomen nabij bomenrij en lanen niet uitgesloten. 5.3.5 Beschermde houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlakte in Nederland te behouden. De wet verbiedt het vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom, buiten erven of tuinen zonder voorafgaande melding, uitzonderingen daargelaten. Daarnaast kent de wet een plicht tot herbeplanting. Deelgebied 4 bevat diverse houtopstanden groter dan 10 are, waarvan het overgrote deel is bestemd als natuur binnen het NNN.
Daarnaast bevat het agrarische gebied enkele houtopstanden groter dan 10 are en veel bomenrijen langer dan 20 bomen waarvan de natuurwaarden zijn beschermd op basis van een enkelbestemming ‘bos’, enkelbestemming ‘natuur’ en/of dubbelbestemming ‘waarde-ecologie’.
55/170
Kenmerk
5.4
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Ecologische effectbeoordeling
5.4.1 Effecten Natura 2000-gebieden (Passende beoordeling) Toetsing • •
De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden zijn getoetst op basis van de instandhoudingsdoelen
De ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, kunnen van invloed zijn op verschillende typen gevoeligheden van Natura 2000-gebieden. Deze mogelijke effecten zijn schematisch samengevat in tabel 5.4. In de navolgende alinea’s zijn de effecten verder toegelicht. De effecten zijn beoordeeld aan de hand van de instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (zie bijlage 3). Hierbij worden de mogelijke effectcategorieën uit de effectenindicator (Ministerie van EZ, 2016) in combinatie met de ontwikkelingsmogelijkheden uit paragraaf 5.2 behandeld. Op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden worden overige effecten op Natura 2000-gebieden, zoals verandering van populatiedynamiek en bewuste veranderen van soortensamenstelling, verontreiniging en hydrologische effecten, niet verwacht. Tabel 5.4 Mogelijke effecten van ontwikkelingsmogelijkheden op gevoeligheden van Natura 2000-gebieden. Legenda: ‘X’ = mogelijk effect. ‘-‘ = geen effect. De nabijgelegen gebieden zijn benoemd in tabel 5.2 Ontwikkelingsmogelijkheid
Mogelijk effect
Gevoeligheid Directe
Indirecte effecten
Bebouwen bestaand
Verharding
bouwvlak (mits verleend)
oppervlakte Toename
Verstoring
vermesting
Verzuring en
versnippering
verlies en
Oppervlakte-
effecten
X
-
X
X
X
-
stikstofdepositie Verstoring door
-
X
gebruik Intensivering recreatief
Toename betreding
X
-
X
medegebruik
Toename
X
X
-
Geen*
-
-
-
Aantasting habitats en
X
-
X
Mogelijk beïnvloede
Alle nabijgelegen
Alle nabijgelegen
Natura 2000-gebieden
gebieden
gebieden
stikstofdepositie door recreatief verkeer Mestbewerking (mits afkomstig van eigen land) Kleinschalige ontwikkelingen
verstoring
56/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
*Mestbewerking op en afkomstig van eigen land, leidt eerder tot een afname in stikstofdepositie dan een toename, en effecten worden daarom niet verwacht.
Directe effecten Oppervlakteverlies en versnippering Binnen het bestemmingsplangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van directe ruimtelijke ingrepen in Natura 2000-gebieden omdat deze gebieden niet met het plangebied overlappen. Een bestemming die oppervlakteverlies en versnippering van Natura 2000-gebieden mogelijk maakt is daarom niet aan de orde. Indirecte effecten (externe werking) Verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring door bebouwen bouwvlakken Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een toename van verstoring van soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De ontwikkelingen vinden buiten de beschermde natuurgebieden plaats in gebieden waar in de huidige situatie al menselijk gebruik plaatsvindt. Het bestemmingsplan maakt het bebouwen van agrarische bouwvlakken mogelijk onder de voorwaarde dat de bescherming van natuurwaarden van aangrenzende bos- en natuurgebieden en/of voor verdroging gevoelige natte natuur- en bosgebieden niet onevenredig worden aangetast. Daarbij worden in het bestemmingsplan eisen gesteld die externe effecten voorkomen. De uitbreidingsmogelijkheden op agrarische bouwvlakken zijn daarnaast van dusdanig lokale aard dat deze niet van wezenlijk invloed zijn op de Natura 2000-gebieden via verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring.
Verzuring of vermesting t.g.v. stikstofuitstoot veehouderijen en verkeer aantrekkende werking In en nabij het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen op korte afstand. Daarom zijn daar effecten te verwachten door veranderingen in de stikstofdepositie. Stikstofdepositie draagt op dit moment sterk bij aan verzuring en vermesting in natuurgebieden. Met name landbouw, industrie en verkeer vormen de belangrijkste bronnen van stikstofuitstoot. Verzuring en vermesting kunnen worden veroorzaakt door: • Bebouwing bestaand bouwvlak •
Intensivering van recreatief verkeer
Bebouwen agrarische bouwvlakken Bebouwing op bestaande bouwvlakken en het gebruik van die bebouwing kan leiden tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het bestemmingsplan maakt het bebouwen van agrarische bouwvlakken mogelijk onder de voorwaarde dat er vooraf dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakdepositie in een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. (Significant negatieve) effecten op instandhoudingsdoelen door uitbreiding van de bebouwing binnen de bouwvlakken zijn echter uitgesloten doordat uitbreiding van de bebouwing alleen onder voorwaarde van een per saldo afname van de depositie is toegestaan. Voor de onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar hoofdstuk 4.
57/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Intensivering recreatief verkeer Door de uitbreidingsmogelijkheden van recreatief medegebruik kan de recreatiedruk toenemen. Dit kan leiden tot intensivering van recreatief verkeer. Daardoor kan de stikstofdepositie in Natura 2000-gebied toenemen. (Significant negatieve) effecten op instandhoudingsdoelen door intensivering van recreatief verkeer zijn echter uitgesloten, omdat: • Uit berekening blijkt dat het aandeel van stikstofdepositie ten gevolge van recreatief verkeer verwaarloosbaar klein (<1 %) is ten opzichte van het aandeel van stikstofdepositie ten gevolge van de maximaal mogelijke agrarische ontwikkelingen in de worst case Er is sinds 2005 geen toenemende trend in aantal recreatieve overnachtingen in gemeente Someren. De gemeentelijke statistieken laten zien dat het aantal overnachtingen de
•
afgelopen jaren schommelt rond de 90.000 per jaar 20. Een trend die zou wijzen op een toename tekent zich in deze statistieken niet af. Opgemerkt wordt dat er in 2020 sprake is van een relatief laag aantal overnachtingen van minder dan 50.000 overnachtingen. Dit lijkt toe te schrijven aan de COVID-19 pandemie. Verstoring door recreatief medegebruik Recreatief medegebruik kan leiden tot verstoring door bijvoorbeeld geluid, licht, trilling of optische verstoring. Dit kan op twee manieren: 1. Toename betreding 2.
Toename van recreatief verkeer
Toename betreding Uitbreiding van recreatief medegebruik kan leiden tot betreding in Natura 2000-gebieden. Dit kan kwalificerende soorten verstoren middels geluid, licht, trilling of optische verstoring. Verstoring heeft vooral effect op vogels. Ook kan de betreding leiden tot vertrapping of vervuiling van kwetsbare plantengemeenschappen in kwalificerende habitattypen. Effecten op instandhoudingsdoelen zijn echter uitgesloten omdat: • Op basis van de trend in het aantal recreatieve overnachtingen tussen 2005 en 2020, wordt • • • •
20
geen wezenlijk toename aan recreanten verwacht Eventuele toename van recreatiedruk is verwaarloosbaar ten opzichte van het bestaand (recreatief) gebruik Het behoud van natuurwaarden is vastgelegd als regel in de bestemmingen van het Natura 2000-gebied binnen de gemeente Eventuele toename van recreatiedruk zal zich beperken tot de paden en wegen in de omliggende Natura 2000-gebieden De gebieden worden zó beheerd en gezoneerd, dat recreatiedruk niet leidt tot aantasting van kwetsbare natuurwaarden
Het aantal recreanten betreft alleen die van 17 jaar en ouder. Dit heeft te maken met de jeugdvrijstelling in het
kader van de niet-ingezetenenbelasting. Omdat de cijfers van het aantal overnachtingen van de gemeente Someren worden gebaseerd op de belastingopgave, en de jeugd daarin dus niet meer wordt meegenomen.
58/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Toename recreatief verkeer Toename aan recreatief verkeer kan leiden tot verstoring van kwalificerende soorten (vooral vogels). Effecten op instandhoudingsdoelen zijn echter uitgesloten, omdat: • De redenen zoals genoemd in de bovenstaande alinea ‘toename betreding’ Conclusie Het bestemmingsplan Buitengebied Someren Deelgebied 4 is wat betreft de bescherming van Natura 2000-gebieden, uitvoerbaar. De beschermde natuur- en landschapswaarden zijn voldoende vastgelegd in de bestemmingsplanregels. Verder is, op basis van een set randvoorwaarden voor de te verwachten dynamiek in het gebied, modelmatig vastgesteld dat, als die randvoorwaarden gerespecteerd worden, er geen sprake zal zijn significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. Dat betekent dat er ook op de gebieden die verder weg liggen geen effecten op kunnen treden. Daarnaast worden er geen andere ontwikkelingen mogelijk gemaakt die schadelijk zullen zijn voor Natura 2000-gebieden. Het uiteindelijk effect is dus als ‘neutraal’ beoordeeld. 5.4.2 Effecten gebiedsbescherming - provinciaal beleid In deze paragraaf is getoetst wat de effecten van het bestemmingsplan zijn op het Natuurnetwerk Nederland / Natuurnetwerk Brabant en overige provinciaal beschermde gebieden. Het bestemmingsplan maakt een aantal ontwikkelingen mogelijk.
Dit kan op de volgende manieren van invloed zijn op het NNN en/of overige gebieden: • Directe effecten door ruimtegebruik (oppervlakteverlies en versnippering) • • •
Indirecte effecten door verstoring door uitbreidingsmogelijkheden agrarische bedrijven Indirecte effecten door mestbewerking Indirecte effecten door stikstofdepositie
• •
Indirecte effecten door vernatting of verdroging Overige indirecte effecten door verstoring door geluid, licht, trillingen, optische verstoring of mechanische effecten
Direct effect door ruimtegebruik NNN en Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’: bestemming Het areaal aan NNN binnen het plangebied en de Ecologische Verbindingszones (EVZ) ‘ZuidWillemsvaart, Goorloop en het Eindhovensch kanaal’ zijn als aparte vlakken opgenomen in de nieuwe bestemmingsplankaart met de enkelbestemming ‘Natuur’, enkelbestemming ‘Bos’ en of dubbelbestemming ‘Waarde – ecologie’ of enkelbestemming ‘Water’. Negatieve effecten op het oppervlak NNN en werkingsgebied ‘behoud en herstel watersystemen’ zijn zodoende uitgesloten. Binnen de bestaande grenzen van het NNN ligt een natuurambitie voor natuurontwikkeling in en rondom de Goorloop en de Oude Gooren. Indien deze gebieden ontwikkeld worden ten gunste van natuur ontstaat een positief effect voor flora en fauna die baat hebben bij een meer natuurlijk biotoop.
59/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Direct effect door ruimtegebruik NNN en Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’: uitbreidingsmogelijkheden Binnen het NNN en het Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’ zijn geen uitbreidingen van agrarische bedrijven mogelijk. Evenmin worden andere ontwikkelingen toegestaan die leiden tot een afname in het areaal. Effecten door ruimtegebruik door uitbreidingsmogelijkheden zijn daarom uitgesloten en wordt daarom als ‘neutraal’ beoordeeld. Indirecte effecten (verstoring) door uitbreidingsmogelijkheden agrarische bedrijven Bebouwing van het bestaande bouwvlak kan tijdens de realisatiefase en gebruiksfase extra verstoring in de vorm van geluid, licht en trillingen met zich mee brengen. Eventuele verstoringstoename zal in de meeste gevallen opgaan in de huidige hoeveelheid licht, geluid en trillingen die al op het bouwvlak aanwezig zijn. Daarnaast zal elk voornemen getoetst moeten worden, en maatregelen genomen worden indien eventuele verstoring, en daarmee aantasting van de ecologische waarden en kenmerken, niet met zekerheid is uit te sluiten. Dit punt vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Indirecte effecten door mestbewerking Voor de mogelijkheid van mestbewerking, mits de mest afkomstig is van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij, zijn voorwaarden gesteld met betrekking tot natuur (milieu en landschap) om aantastingen daarvan uit te sluiten. Daarnaast leidt mestbewerking op en afkomstig van eigen land, eerder tot een afname in stikstofdepositie in NNN gebieden dan een toename. Deze mogelijkheid vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Indirecte effecten door stikstofdepositie Zoals in hoofdstuk 4 is uitgewerkt kan in de worst case sprake zijn van een toename van de depositie met op plaatsen tot maximaal 40 mol/ha/jaar op de nabij gelegen kwalificerende habitats in Natura 2000-gebieden. Buiten Natura 2000 kunnen ook NNN-gebieden verzurings-/vermestings gevoelige gebieden bevatten. Ondanks dat er vanuit provinciaal beleid geen toetsing noodzakelijk is op externe werking van stoffen die zich via de lucht verspreiden, is dit wel een mogelijk milieueffect. In de figuur 5.4 zijn de gebieden binnen het NNN in het plangebied weergegeven die beschermd worden vanuit de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) vanwege gevoeligheid voor stikstof.
Rondom deze gebieden geldt een beschermingszone van 250 m waarin geen nieuwe veehouderijen zich kunnen vestigen en waar alleen ontwikkelingen mogelijk zijn als deze, op basis van interne saldering, geen toename van de emissie veroorzaken. Op basis van de gegevens uit WEB-BVB is vastgesteld dat er geen veehouderijen in deelgebied 4 gevestigd zijn in Wav-gebieden (delen van het NNN). Wel zijn 27 veehouderijen gevestigd in de beschermingszone van 250 m rondom Wav-gebieden (zie figuur 5.4).
60/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 5.4 Ligging van de vanuit de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) beschermde gebieden.
Van de in het plan opgenomen gebruiksregel (het in gebruik nemen van nieuwe dierverblijfplaatsen mag als de emissie/depositie maar niet toeneemt ten opzichte van de referentie situatie) gaat een generieke bescherming uit die zich verder uitstrekt dan de Natura 2000-gebieden. Door een toename van de emissie/depositie op Natura 2000-gebieden tot strijdig gebruik te verklaren worden verzurende en eutrofiërende effecten ook op de stikstofgevoelige NNN-gebieden voorkomen. Mede gezien de beperkte afstand tot de Strabrechtse heide is een verhoging van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden van soorten mogelijk. Daarnaast worden in het kader van de stikstofproblematiek diverse maatregelen getroffen om de stikstofdepositie in heel Nederland te verlagen, onder andere door sanering van veehouderijen. Het effect van de in de uiteindelijke planregels opgenomen verbale regeling wordt dus als ‘neutraal’ beoordeeld. Indirecte effecten door vernatting of verdroging Het bestemmingsplan heeft een overwegend conserverend karakter. Grootschalige ingrepen in de waterhuishouding in het gebied, bijvoorbeeld door een toename van waterwinning, worden niet binnen het bestemmingsplan mogelijk gemaakt mede door de bestemming als NNN, Groenblauwe mantel en Attentiezone waterhuishouding.
Mogelijk neemt het verhard oppervlak toe bij uitbreidingen van agrarische bedrijven, maar hiervoor zijn regels opgenomen met betrekking tot bergings- en infiltratievoorzieningen.
61/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Overige indirecte effecten verstoring De gebieden die zijn aangewezen als NNN hebben tevens een recreatieve (mede)functie. Door de uitbreidingsmogelijkheden van recreatief medegebruik kan de recreatiedruk toenemen. Dit kan leiden tot intensivering van betreding en stikstofdepositie door recreatief verkeer. Dit kan leiden tot aantasting van ecologische waarden en kenmerken van de NNN. Naar verwachting zal de ontwikkelingsmogelijkheid echter niet op grote schaal worden benut. Er is namelijk geen positieve trend in het aantal recreanten. De gemeentelijke statistieken laten zien dat het aantal overnachtingen de afgelopen 15 jaar schommelt rond de 90.000 per jaar. Een trend die zou wijzen op een toename tekent zich in deze statistieken niet af. Daarom leidt deze regel op dit punt niet tot beperkingen van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het effect is daarom beoordeeld als ‘neutraal’. Conclusie Het bestemmingsplan heeft de bescherming van het NNN, de zogenaamde ‘attentiezone waterhuishouding’, Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ en de Groenblauwe Mantel voldoende ingepast in de gebiedszonering en de planregels. Het plan voorziet niet in een netto toename of afname van provinciaal beschermde gebieden. Er ligt wel een natuurambitie voor natuurontwikkeling, maar deze vindt plaats binnen bestaande grenzen van het NNN.
Het effect op provinciaal beschermde gebieden is dus als ‘neutraal’ beoordeeld. 5.4.3
Effecten beschermde soorten
Bij toetsing aan de soortbescherming onder de Wet natuurbescherming wordt doorgaans gekeken naar overtreding van verbodsbepalingen, en de mogelijk hieruit volgende ontheffingsplicht. Bij een bestemmingsplan zal hiervan geen sprake zijn. In dit geval wordt bepaald of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt redelijkerwijs uitvoerbaar zijn op dit punt. Belang van het plangebied als leefgebied Het leefgebied van zwaarder beschermde soorten die kunnen voorkomen in het plangebied is grofweg onder te verdelen in twee groepen (zie ook paragraaf 5.3.4): • Bosrijke natuurgebieden en waterrijke gebieden als beekdalen •
Het agrarisch gebied
Grote (bosrijke en waterrijke) natuurgebieden Effecten op soorten die vooral voorkomen in grote bos- en natuurgebieden (zie niet-cursieve regels in tabel 5.3) worden voorkomen door de beperkende bouw- en gebruiksregels in deze gebieden (bestemming natuur). Hierbinnen worden dusdanig weinig ontwikkelingen mogelijk gemaakt, dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het effect is daarom beoordeeld als ‘neutraal’. Het agrarisch buitengebied Bescherming van het leefgebied van soorten die tevens voorkomen in overige delen van het agrarisch gebied is in de bestemmingsplanregels slechts beperkt vastgelegd. Dit is ook niet noodzakelijk, want vastgelegd in de Wnb. Ontwikkelingsmogelijkheden die effect kunnen hebben op deze soorten zijn vooral beperkt tot agrarische bouwblokken. Lokaal kunnen de volgende typen
62/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
werkzaamheden effect hebben op beschermde soorten: bouw- en sloopwerkzaamheden, het kappen van beplanting of het kleinschalig aanpassen van ontwatering. Hoewel door het lokale karakter van deze ontwikkelingen de duurzame instandhouding op gebiedsniveau niet snel in het geding is, kan bij uitvoering wel sprake zijn van een overtreding van verbodsbepalingen Wet natuurbescherming. Hierdoor kan het nodig zijn mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen en te voldoen aan de daaruit volgende ontheffingsplicht. Het effect is daarom beoordeeld als ‘neutraal’, met inachtneming van het nemen van maatregelen indien nodig. Uitvoeringspraktijk De uitvoeringspraktijk van de ontheffingsverlening Wet natuurbescherming leert dat er doorgaans een duidelijke voorkeur is voor het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van de negatieve effecten. Dit geldt dan ook als voorwaarde voor het voorkomen van een ontheffingsplicht of het verkrijgen van een ontheffing als dit onverhoopt toch nodig is. Voor alle genoemde beschermde soorten bestaan er in de praktijk (ruime) mogelijkheden om effecten te voorkomen of te minimaliseren (mitigatie) door een passende locatiekeuze, inrichting en uitvoeringstijdstip.
Zo nodig kunnen aanvullend ook andere compenserende maatregelen worden getroffen zoals het aanbieden van alternatieve broed- of verblijfsgelegenheid (bijvoorbeeld nestkasten) en kan de kwaliteit van het omringende leefgebied worden behouden of zelfs verbeterd (zie tabel 5.5). Dit betekent wel dat bij de aanwezigheid van beschermde soorten een gericht plan en/of werkprotocol opgesteld moet worden, waarbij de aanwezige waarden worden ontzien en het leefgebied wordt ingepast in de ruimtelijke ontwikkeling. Tabel 5.5 Inschatting van geschikt leefgebied, effectbepaling en voorbeelden mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen van enkele soorten (niet limitatief) Soort
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
Vaatplanten
Sporadisch zijn geschikte
Vernietigen standplaatsen
Verplaatsen van planten
standplaatsen aanwezig in
door kleinschalige
naar geschikte
watergangen
aanpassingen aan
standplaatsen. Conform
waterhuishouding
verschillende door het
leefgebied
Mogelijke mitigerende maatregelen
bevoegd gezag goedgekeurde gedragscodes. Boommarter, das,
Verblijfplaatsen in bossen
Kleinschalige effecten in
Niet nodig, betreft
eekhoorn
foerageergebied (deels) in
foerageergebied
kleinschalige effecten in
agrarische gebieden
foerageergebied. Voldoende leefgebied blijft aanwezig en verblijfplaatsen blijven onaangetast.
Steenmarter
Verblijfplaatsen in schuren,
Bij sloop of grootschalige
Ontoegankelijk maken
kelders en zolders in of nabij
verbouwing kunnen
gebouwen of gebruik
het buitengebied
verblijfplaatsen verdwijnen
afweermiddelen op basis van gemeentelijke ontheffing en aanbieden
63/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Soort
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied
Mogelijke mitigerende maatregelen alternatieve verblijfplaatsen
Bunzing, hermelijn,
Verblijfplaatsen en essentieel
Bij rooien van struweel,
Aanbieden alternatieve
wezel
leefgebied in bossen,
hagen of andere ruigtes
verblijfplaatsen en
struweel, hagen en andere
kunnen verblijfplaatsen en
alternatief leefgebied.
ruigtes onder andere in
essentieel leefgebied
Optimalisatie bestaand
agrarische gebieden
verdwijnen
of inrichten nieuw leefgebied.
Boomvalk, buizerd,
Op en direct rond agrarische
Bij het kappen van hoge
Aanbieden kunstnest,
havik, sperwer,
bouwvlakken is doorgaans
bomen op en langs
verplaatsen nesten en
boomvalk
hoog opgaande beplanting
agrarische bouwvlakken
soms niet van
aanwezig. Buizerd, havik,
verdwijnt nestgelegenheid
toepassing mits
sperwer, ransuil en boomvalk
en mogelijk een jaarrond
voldoende bomen en
kunnen in deze erfbeplanting
beschermd nest.
bosschages op en rond
tot broeden komen.
deze agrarische bouwvlakken blijven staan. Eventueel aanplanten van bomen en bosschages. Zie ook kennisdocumenten BIJ12
Ransuil
Bosschages en dichte
Door het kappen van
Aanbieden kunstnest,
naaldbomen in tuinen zijn
bomen verdwijnt
verplaatsen nesten.
geschikt als nestlocatie en
broedgelegenheid en
Behoud van voldoende
rust- en verblijfplaats.
mogelijk een jaarrond
bosschages en open
Voldoende nesten van zwarte
beschermde verblijfplaats.
landschap om te
kraai en ekster die als nest
foerageren. Eventueel
van de ransuil kunnen
aanplanten van bomen
dienen. Uitgestrekt agrarisch
in de nabijheid van
gebied biedt voldoende
geschikt
foerageermogelijkheden. Steenuil
foerageergebied.
Het plangebied biedt geschikt
Zeer gevoelig voor
Inventariseren van
leefgebied in de vorm van
ruimtelijke ontwikkelingen
territoria van steenuilen.
erven met schuren die in
door de onlosmakelijke
Plekken waar geen
nestgelegenheid voorzien.
samenhang tussen de
steenuilen zitten of waar
Boerderijen met bomenrijen,
vaste verblijfplaats en de
gebouwd wordt geschikt
paaltjes, grasland,
functionele leefomgeving
maken voor steenuilen in
rommelhoekjes voorzien in
(foerageergebied) in de
combinatie met het
geschikt foerageergebied.
directe omgeving van de
aanbieden van
vaste verblijfplaats.
alternatieve vaste verblijfplaatsen (nestkasten). Zie ook kennisdocument BIJ12.
64/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Soort
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied Kerkuil
Mogelijke mitigerende maatregelen
Het plangebied biedt geschikt
Gevoelig voor ruimtelijke
Inventariseren van
leefgebied in de vorm van
ontwikkelingen.
territoria van kerkuilen.
erven met schuren die in
Vergelijkbaar met steenuil
Op plekken waar geen
nestgelegenheid voorzien.
maar kerkuil is in staat om
kerkuilen zitten of waar
Boerderijen met bomenrijen,
foerageergebieden te
gebouwd wordt kan een
paaltjes, grasland,
bereiken die verder van
alternatieve vaste
rommelhoekjes en uitgestrekt
zijn vaste verblijfplaats af
verblijfplaats (nestkast)
agrarisch gebied voorzien in
liggen.
worden aangeboden in
geschikt foerageergebied.
een gebouw dat geschikt is als broedlocatie en binnen het bereik van geschikt foerageergebied ligt. Zie ook kennisdocument BIJ12.
Huismus
Veel type gebouwen
Bij aantasting
Inventariseren van
(woningen, schuren et cetera)
verblijfplaatsen (sloop,
verblijfplaatsen en
herbergen potentiële
renovatie, onderhoud
functionele
verblijfplaatsen.
woningen) kunnen effecten
leefomgeving.
optreden. Het
Mitigerende maatregelen
bestemmingsplan maakt
bestaan uit het
dat niet rechtstreeks
aanbrengen van
mogelijk.
alternatieve verblijfplaatsen (vogelkasten) en optimaliseren leefgebied. Zie ook kennisdocumenten voor huismus BIJ12
Gierzwaluw
Veel type gebouwen
Bij aantasting
Inventariseren van
(woningen, schuren et cetera)
verblijfplaatsen (sloop,
verblijfplaatsen.
herbergen potentiële
renovatie, onderhoud
Mitigerende maatregelen
verblijfplaatsen.
woningen) kunnen effecten
bestaan uit het
optreden. Het
aanbrengen van
bestemmingsplan maakt
alternatieve
dat niet rechtstreeks
verblijfplaatsen
mogelijk.
(vogelkasten). Zie ook kennisdocumenten voor gierzwaluw BIJ12
Roek
Bosjes of bomenrijen in
Koloniebroeder, daardoor
Inventariseren
agrarisch gebied zijn
gevoelig voor kap van
broedkolonies. Zo nodig
geschikte locaties voor
bomen. Hierdoor kan een
bomen met broedkolonie
broedkolonies
ontzien, of aanbieden
65/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Soort
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied
Mogelijke mitigerende maatregelen
hele broedkolonie
alternatieven
verdwijnen
nestlocaties. Zie ook soortenstandaard BIJ12
Ooievaar
Bomen of nestpalen op of
Door het kappen van
Aanbieden kunstnest,
nabij veehouderijen kunnen
bomen verdwijnt
verplaatsen nesten.
als nestlocatie in gebruik zijn
broedgelegenheid en
Behoud van voldoende
en het agrarisch gebied dient
mogelijk een jaarrond
open landschap om te
als foerageergebied
beschermde verblijfplaats.
foerageren. Eventueel plaatsen nestpaal in de nabijheid van geschikt foerageergebied.
Vleermuizen
Veel type gebouwen
Bij aantasting
Gebiedsdekkende
(woningen, schuren et cetera)
verblijfplaatsen (sloop,
inventarisatie.
herbergen potentiële
renovatie, onderhoud
Mitigerende maatregelen
verblijfplaatsen. Daarnaast
woningen en kap bomen)
bestaan uit het
kunnen de bomen op en om
kunnen effecten optreden.
aanbrengen van
agrarische bouwvlakken een
Het bestemmingsplan
alternatieve
rol spelen als verblijfplaats
maakt dat niet rechtstreeks
verblijfplaatsen (onder
voor vleermuizen,
mogelijk. Kap van bomen
andere vleermuiskasten)
foerageergebied en als
kan resulteren in
en behouden, versterken
onderdeel van vliegroutes.
aantasting van
en/of compenseren
foerageergebied en
groenstructuren. Zie ook
vliegroutes.
kennisdocumenten BIJ12
Rugstreeppad
Geschikt leefgebied komt
In staat om snel nieuw
Afschermen van
voor in het gehele gebied.
leefgebied te koloniseren.
werkgebieden zodat
Voortplantingswateren
Bij de beperkte ruimtelijke
kolonisatie wordt
bestaan uit de -kleine-
ontwikkelingen die het
voorkomen.
watergangen en ondiepe
bestemmingsplan toestaat
Eventueel aanwezige
poelen. Landhabitat kan
is een kans dat de
dieren wegvangen en in
onder andere bestaan uit
rugstreeppad het gebied
tijdelijk alternatief habitat
schuilplaatsen onder of nabij
koloniseert, voortzetting
(evt. nieuwe
bebouwing, rommelhoekjes
van de werkzaamheden is
watergangen) uit zetten.
e.d.
dan in overtreding van de
Bij vergraven van
Wnb. Bij vergraven van
watergangen dient
watergangen kan schade
aangrenzend alternatief
optreden.
leefgebied voorhanden te zijn en/of kunnen de watergangen geschikt gehouden blijven. Zie ook kennisdocument BIJ12
66/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Soort
Inschatting geschikt
Alpenwater-
Geschikt leefgebied in de
Aantasting van
Afschermen van
salamander,
vorm van voortplantingswater
voortplantingswater door
werkgebied zodat
vinpootsalamander ,
als watergangen met rijke
werkzaamheden aan
amfibieën (in de trektijd)
heikikker,
oever- en
waterpartijen en aantasting
niet worden gedood.
poelkikker, en
onderwatervegetatie en
van winterhabitat door
Behouden van
Mogelijke effecten
leefgebied
kamsalamander
Mogelijke mitigerende maatregelen
poelen.
aantasten van locaties met
voldoende leefgebied of
Landhabitat kan onder
geschikt
creëren van voldoende
andere bestaan uit
schuilmogelijkheden.
leefgebied in de directe
schuilplaatsen onder
nabijheid van het huidige
stronken hout, holtes in de
leefgebied. Zie ook
grond of onder en nabij
kennisdocumenten
bebouwing.
BIJ12
Grote vos en kleine
Geschikt leefgebied in de
Aantasting van
Behouden van
ijsvogelvlinder
vorm van (holle) bomen,
waardplanten en
voldoende leefgebied of
stapels hout en wilde
beschuttingsplekken
creëren van voldoende
kamperfoelie
leefgebied in de directe nabijheid van het huidige leefgebied.
Grote
Geschikt leefgebied is
Bij vergraven van
Mitigerende maatregelen
modderkruiper
aanwezig in alle
watergangen kan schade
bestaan uit het creëren
deelgebieden.
optreden.
van geschikt alternatief
Voortplantingswateren
leefgebied
bestaan uit de kleinere en
(watergangen) en/of
grotere watergangen.
geschikt houden van de te vergraven watergang en tijdens uitvoering voorkomen van verwonding en doding van individuen. Zie ook kennisdocument BIJ12
67/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Conclusie Op basis van de eisen die aan individuele ontwikkelingen worden gesteld en de praktische mogelijkheden om beschermde soorten in te passen in lokale ontwikkelingen, zijn als gevolg van het bestemmingsplan geen wezenlijke effecten op beschermde soorten te verwachten door overige ontwikkelingen (‘neutraal’). Dit betekent dat ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan de orde zijn. Het effect van alle ontwikkelingen tezamen is als ‘neutraal’ beoordeeld. 5.4.4 Effectbeoordeling beschermde houtopstanden Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, en maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarvan op voorhand een negatief effect op beschermde houtopstanden wordt verwacht. Incidenteel kunnen ruimtelijke ontwikkelingen, die voortvloeien uit het nieuwe bestemmingsplan, een effect hebben op beschermde houtopstanden. In dit geval kan door in- en aanpassing van de ontwikkeling overtreding van de wet worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is volgt hieruit een kapmelding en herplantplicht. Vanwege het conserverende karakter van het bestemmingsplan en een parallel lopend beleidsspoor onder de Wnb is het effect als ‘neutraal’ beoordeeld.
5.5
Samenvatting
In onderstaande tabel is de beoordeling van de effecten op natuur samengevat. De beoordeling is toegelicht in onderstaande paragrafen. Tabel 5.6 Beoordeling effecten op natuur, per onderdeel. Aspect
Beoordelingscriterium
Referentiesituatie
Worst case 21
Rekening houdend met maatregelen
Natuur
0
--
0
0
-
0
Beschermde soorten
0
-
0
Beschermde houtopstanden
0
0
0
Gebiedsbescherming Natura 2000 Gebiedsbescherming provinciaal beleid: NNN, Natte Natuurparels, Attentiezone waterhuishouding, Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’, de Groenblauwe mantel
21
Heeft met name betrekking op de stikstof effecten die mogelijk op zouden kunnen treden zonder maatregelen in
de planregels
68/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Natura 2000-gebieden
Rondom het bestemmingsplangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden. Ontwikkelingsmogelijkheden zoals uitbreiding van agrarische bouwvlakken, leiden naar verwachting niet tot (significant) negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van habitattypenen soorten. Het effect op Natura 2000-gebieden is dus, los van de mogelijke effecten door extra stikstof, als ‘neutraal’ (0) beoordeeld als rekening wordt gehouden met de beschreven maatregelen. Gebiedsbescherming - provinciaal beleid Het bestemmingsplan heeft de bescherming van het NNN, EVZ, de zogenaamde ‘attentiezone waterhuishouding’, Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ en de Groenblauwe Mantel voldoende ingepast in de gebiedszonering en de planregels. Het effect op provinciaal beschermde gebieden daarom als neutraal (0) beoordeeld. Beschermde soorten Het onderdeel soortbescherming onder de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van plant- en diersoorten in Nederland. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, en maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarvan op voorhand een negatief effect op beschermde soorten wordt verwacht. Incidenteel kunnen ruimtelijke ontwikkelingen, die voortvloeien uit het nieuwe bestemmingsplan, een effect hebben op beschermde soorten of de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen hiervan.
In dit geval kan in de planning- en uitvoeringsfase overtreding van de wet worden voorkomen. Afhankelijk van de soort(en) en het project, kan dit door te werken met een ecologische gedragscode, het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen, of het aanvragen van een ontheffing. Het effect op beschermde soorten is daarom als neutraal (0) beoordeeld. Beschermde houtopstanden Vanwege het conserverende karakter van het bestemmingsplan en een parallel lopend beleidsspoor onder de Wnb is het effect als ‘neutraal’ (0) beoordeeld.
69/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
6 Effecten over milieuthema’s In dit hoofdstuk worden de effecten voor de andere thema’s beschreven. Onder andere Landschap, Cultuurhistorie, Archeologie, Geluid, Luchtkwaliteit & gezondheid en Klimaat, Duurzaamheid en Energie komen daarbij achtereenvolgens aan de orde.
6.1
Effectenonderzoek
De milieueffecten gaan over het plan- en studiegebied. De reikwijdte van het studiegebied verschilt per milieuaspect. Om de effecten nauwkeurig te kunnen bepalen, moet allereerst een duidelijke referentiesituatie worden vastgelegd. Daarmee is er vergelijkingsmateriaal om te kijken ten opzichte van wat de alternatieven beter of slechter scoren. De referentiesituatie is de huidige situatie + de autonome ontwikkeling. Deze zijn al eerder in hoofdstuk 3 globaal beschreven. In dit hoofdstuk wordt voor de afzonderlijke milieuaspecten van de meer specifieke referentiesituatie toegelicht. Tabel 6.1 De thema’s die worden beschouwd inclusief de beoordelingscriteria Relevante te beschouwen aspecten 22 •
Natuur
Beoordelingscriteria Aantasting c.q. kwaliteitsimpuls Natura 2000-gebieden, Nationaal Natuurnetwerk en soorten
•
Landschap
Aantasting/versterking landschappelijke waarden. Toetsingscriteria worden o.m. ontleend aan bestaande bronnen over het landschap en ruimtelijke kwaliteit
•
Cultuurhistorie / archeologie
Aantasting/kwaliteit behoud waardevolle cultuurhistorische elementen, respecteren archeologische verwachting
•
Water en bodem
Aantasting/verduurzaming waterstructuren, ontstaan knelpunten/oplossingen waterhuishouding
•
Woon- en leefmilieu
Verslechtering en verbetering niveaus geluid, geur, luchtkwaliteit
•
Verkeer
Knelpunten binnen verkeersstructuur, onderscheid in (recreatieve en agrarische) verkeersstromen
•
Gezondheid
Gevolgen uitvoering bestemmingsplan voor luchtkwaliteit, geur, geluid en zoönosen 23, bezien vanuit gezondheidsperspectief
•
22
Klimaat en duurzaamheid
Robuustheid plan voor klimaatverandering
Getoetst zal worden aan de (indien beschikbare) aanwezige beleidsdocumenten en daarin vervatte doelen en aan bestaande wet-
en regelgeving per aspect 23
Een zoönose is een ziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen, denk aan Q-koorts of MRSA
70/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Relevante te beschouwen aspecten 22
Beoordelingscriteria Bijdrage plan aan duurzaamheidsdoelstellingen (kwalitatieve beoordeling) mede op basis van informatie van de gemeente (bijvoorbeeld de gemeentelijke klimaatstresstest)
•
6.2
Energie
Bijdrage plan aan energieambitie van de gemeente
Landschap
Het milieuaspect landschap wordt getoetst aan de hand van het volgende criteria: ‘Behoud en waar mogelijk versterking van de landschappelijke identiteit en verscheidenheid in de verschillende deelgebieden, zowel visueel-ruimtelijk als cultuurhistorisch gezien’. 6.2.1
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
Gebiedsindeling naar gebruik De verschillende functies in het plangebied zijn zichtbaar in figuur 6.1 , een uitsnede uit het Beeldkwaliteitsplan buitengebied uit 2011. In onderstaande figuur 6.1 is te zien dat de grond binnen de plangrenzen van deelgebied 4 met name wordt gebruikt voor landbouwgebied en als onderdeel van Natuurnetwerk Nederland [NNN] gebieden. Verder zijn er aan de rand van het deelgebied twee natuurparels gelegen en liggen er in de bebouwde kom een aantal (bebouwings)linten. Het buitengebied van Someren wordt vooral gekenmerkt door intensieve landbouw. Het gebied is door de jaren heen geleidelijk ontgonnen. De dynamiek in de landbouw is groot. Aan de ene kant willen of moeten boeren vanuit economische overwegingen uitbreiden. Aan de andere kant stoppen veel agrariërs of zoeken neveninkomsten. Kortom wat betreft gebiedsindeling in het buitengebied zijn er een aantal onderdelen die ook raken aan de landschappelijke structuren en indeling.
71/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.1 gebiedsindeling gebruik deelgebied 4, buitengebied Someren (Bron: Beeldkwaliteitsplan buitengebied 2011)
Landschapstypen gemeente Someren In het buitengebied van de gemeente Someren worden meerdere landschapstypen onderscheiden (Beeldkwaliteitsplan buitengebied 2011). Een landschapstype is een karakteristieke combinatie van landschapskenmerken en -elementen die in een bepaalde samenhang voorkomen. Someren als geheel ligt in het grotendeels verdwenen hoogveengebied van De Peel. Het landschap bestaat uit grote aaneengesloten boscomplexen en natuurgebieden op hogere gronden, met daartussen de lager gelegen beekdalen van de (Kleine) Dommel, de kleine Aa en de Peelrijt die overwegend van zuid naar noord lopen. Op de overgangen van hoog naar laag concentreerden zich van oorsprong de landbouw en bewoning. Landschapstypen deelgebied 4 De belangrijkste landschapstypen in het plangebied van deelgebied 4 staan weergegeven op onderstaand figuur 6.2. Zichtbaar is dat in het noordoosten van het gebied het landschapstype van de oudere Heideontginning ligt. Aan de randen van het deelgebied liggen Broekgebieden en het Beekdallandschap. De kern van het deelgebied bestaat uit Heide- en Boslandschap afgewisseld met Kampenlandschap, bebouwing, linten, knopen en clusters en Waardevolle
72/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
opengebieden. In figuur 6.2 zijn de open gebieden getekend als een witte cirkel van onderbroken lijnen.
Figuur 6.2 Gebiedsindeling landschap deelgebied 4 buitengebied Someren (Bron: Beeldkwaliteitsplan buitengebied 2011)
• Kampenlandschap De kern van het deelgebied bestaat overwegend uit het Kampenlandschap. In de huidige situatie kent dit landschapstype nog een voornamelijk open karakter met kenmerkende boomsingels en weinig bebouwing. Het gebied wordt daarom ook in het Beeldkwaliteitsplan aangeduid als waardevol open gebied. • Oudere Heideontginningen Dit overgangslandschap tussen oude en jonge ontginningen is tot ongeveer 1910 ontgonnen. De landschappelijke lijnen zijn minder organisch dan die van het kampenlandschap en ook de schaal is iets groter. Maar ook in dit landschap hoort een rijke groenstructuur van houtwallen, lanen en bospercelen. Het noordoostelijke deel van het plangebied, figuur 6.2, is aangemerkt als Oudere Heideontginningen. Dit gebied wordt gekenmerkt door grote open vlakken en is met name voor agrarisch gebruik. Te midden van de grote open vlakken zijn de agrarische bedrijven gelegen met over het algemeen een woonhuis en de bijbehorende stallen/loodsen.
73/170
Kenmerk
•
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Beekdallandschap
Het landschapstype Beekdallandschap en of de Broekgebieden zijn laag gelegen, natte en kleinschalige landschappen. Omdat de beekdalen gevoelig zijn voor hoog water, zijn deze gebieden van oudsher minder voor bebouwing geschikt. De meeste beken zijn tot rechte sloten en watergangen gegraven. Vergeleken met vroeger is er nog maar weinig beplanting binnen dit landschapstype over. Begeleidende beplanting zoals de els en of wilg past naast een beek of een greppel. Ook onregelmatige bospercelen passen in het beekdallandschap. • Heide- en boslandschap De omvangrijke natte en droge heigebieden in Someren bestaan uit afwisseling tussen bos, heide of stuifzandgebieden en een aantal grote vennen. Het is een kwetsbaar landschap met een hoge natuurwaarde. Een groot gedeelte van dit landschapstype is aangewezen als Natuur Netwerk Nederland [NNN-gebied]. • Waardevolle open gebieden De waardevolle open gebieden, in figuur 6.2 te zien als wit gearceerde gebieden, zijn met name gebieden zonder bebouwing. De relatief kleinschalige oude akkers zijn geheel open. Hier moet ook de beplanting spaarzaam en alleen in de randen worden toegepast .In de weidse open gebieden in de jonge ontginningen kan wel beplanting voorkomen (zoals de versterkte lanenstructuur) maar het gebied mag niet dicht groeien of vol worden geplant. Voor de waarde van de openheid zijn de randen belangrijk.
Vaak zijn het de achterkanten van agrarische bedrijven waar tegenaan gekeken wordt. Deze achterkanten moeten een landschappelijk gezicht krijgen. 6.2.2 Effecten Voor het criterium landschap is een kwalitatieve beoordeling gedaan op de effecten van het bestemmingsplan voor deelgebied 4. De ontwikkelmogelijkheid met de grootst mogelijke impact in het bestemmingsplan is het verder benutten van de bij recht toegekende bouwvlakken en de uitbreiding van de veehouderij. Daarnaast zijn kleinschalige recreatieve ontwikkelingen voor woningen en agrarische bedrijven via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk, zoals een minicamping tot 25 kampeermiddelen. Hieronder is beschreven wat de effecten zijn voor de bestaande landschappelijke waarden in het buitengebied van Someren. Onderdeel van de provinciale richtlijnen voor agrarisch landgebruik vormt de verplichting om een percentage van het agrarisch bouwblok in te zetten voor landschappelijke inpassing. Dit percentage kan verschillen in de te onderscheiden zones extensivering, verweving en landbouwontwikkeling. Het bestemmingsplan stelt hiervoor de norm en het Beeldkwaliteitsplan biedt de landschappelijke (ontwerp)kaders voor verdere invulling. Randvoorwaarden De bestaande landschapswaarden zijn als volgt beschermd: •
Bestemming ‘Agrarisch met landschapswaarden’, Hierbij gaat het om de landschappelijke kenmerken van een gebied in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/ identiteit en diversiteit (bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische, archeologische en
74/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
visueel-ruimtelijke waarden) afzonderlijk of in onderlinge samenhang te behouden en te versterken. Niet toegestaan op deze bestemming zijn overkappingen, permanente teeltondersteunende voorzieningen, mest- en voerplaten, (sleuf-)silo’s, mestopslagsilo’s en vergelijkbare voorzieningen • • •
Via de aanduidingen ‘visueel waardevol - besloten’ en ‘visueel waardevol - openheid’. Niet toegestaan in gebieden met deze aanduiding zijn tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Via een omgevingsvergunning wordt getoetst op het effect op landschap Aanvullende kwaliteitseisen aangaande de ruimtelijke kwaliteit. Bij het toepassen van de flexibiliteitbepalingen (afwijken en wijzigen) vindt in alle gevallen een toets plaats aan het beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011. Een nieuwe ontwikkeling moet voldoen aan de uitgangspunten hiervan Voor de ruimtelijke rechten en plichten wordt verwezen naar het betreffende bestemmingsplan deelgebied 4 -
De richtlijnen zijn bedoeld om ingrediënten aan te bieden waarmee de voorgestane ontwikkeling tezamen met een goede landschappelijke inpassing tot een integraal ontwerp kunnen worden samengebracht waardoor voldaan kan worden aan de in het bestemmingsplan gestelde eisen. De ontwerprichtlijnen vormen het toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied
Het bovenstaande schema is afkomstig uit het beeldkwaliteitsplan 2011. In de tabel wordt aangegeven welke ontwikkelingsmogelijkheden er zijn uitgesplitst naar de verschillende landschapstypen. Wit betekent ongeschikt voor aangegeven gebruik, lichtgroen betekent beperkt geschikt voor het aangegeven gebruik en groen betekent geschikt voor het aangegeven gebruik. In het geval van Intensieve Veehouderij waarvan het voornemen is in het bestemmingsplan deelgebied 4 om dit binnen het bestaande bouwvlak uit te breiden, geldt voor 3 landschapstypen dat uitbreiding binnen het bestaande bouwvlak mogelijk is. In het Kampenlandschap met oude akkers is dit beperkt mogelijk tot maximaal tot 1,5 ha. In het landschapstype van de oudere
75/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
heideontginningen is dit mogelijk tot 1,5 ha. In het landschapstype van de jongere heideontginningen is uitbreiding binnen het bouwblok mogelijk tot 1,5 ha – LOG tot 2,5 ha. Effectbeschrijving op landschap ten gevolge verdere uitbreiding binnen het bouwvlak Concentraties van agrarische bedrijven bevinden zich langs de verschillende ontsluitingswegen in het gebied en komen in ieder landschapstype voor. Binnen Jonge en Oude Heide ontginningen en het Kampenlandschap zullen nieuwe uitbreidingen van agrarische bedrijven het gebied niet wezenlijk veranderen. De agrarische bedrijven liggen in dit plangebied grotendeels buiten de waardevolle open landschappen waardoor de deze niet verder worden aangetast. Daarnaast worden kwaliteitseisen gesteld aan uitbreidingen waardoor er geen verdere achteruitgang van het landschap plaatsvindt en waar mogelijk een versterking plaatsvindt. Het van oudsher kleinschalige landschap van de beekdalen zal door uitvoering van het bestemmingsplan echter niet negatief worden beïnvloed. In deelgebied 4 geldt dat uitbreiding van bouwvlakken kan leiden tot verdere verstening van het landschap, maar dat de gestelde kwaliteitseisen anderzijds leiden tot het versterken van de landschappelijke structuur en karakteristiek.
De kwaliteitsverbetering zal zich in dit landschapstype vooral richten op de kleinschaligheid en de specifieke landschappelijke patronen, waaronder de specifieke erfinrichting en de houtwallenstructuur. Juist deze karakteristiek is door de ruilverkaveling en schaalvergroting in de vorige eeuw aangetast en kan hier mogelijk deels worden hersteld. Aan de ene kant kan het voornemen leiden tot verdere verstening in het landschap, aan de andere kant leiden de gestelde kwaliteitseisen tot verbetering van de landschappelijke karakteristieke structuur. Onder de streep leidt dit tot een neutraal effect (0). Effectbeschrijving op landschap t.g.v. Nevenfuncties en recreatieve ontwikkelingen Neven activiteiten en een verbrede landbouw zijn mogelijk in de landschapstypen ‘Beekdalen/broekgebieden’, ‘Kampenlandschap’ en ‘Oudere Heide-ontginningen’ in Jongere Heide-Ontginningen is dit beperkt mogelijk. Extensieve recreatie en toerisme bieden belangrijke kansen voor de agrarische sector en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied van Someren. Het buitengebied kent allerlei groene kwaliteiten, die een kwalitatief kader bieden voor een breed scala aan extensieve vormen van recreatie en toerisme. Nevenfuncties en nieuwe recreatieontwikkelingen zijn in afwijking van het bestemmingsplan mogelijk. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een minicamping tot 25 kampeermiddelen.
De kleinschalige recreatieve nevenfuncties zoals deze onder voorwaarden mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan leiden niet tot negatieve effecten op de landschappelijke karakteristieken in het gebied. Dit met het oog op de eis dat de ruimtelijke kwaliteit en daarmee de landschappelijke waarden niet onevenredig aangetast mogen worden en waarbij nieuwe ontwikkelingen getoetst worden aan het Beeldkwaliteitsplan. Door de beperkte omvang van recreatieve nevenfuncties en de kwaliteitseisen zoals deze aan landschap en cultuurhistorie worden gesteld, wordt het effect van nieuwe recreatieve ontwikkelingen als neutraal beschouwd (0).
76/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Conclusie effectbeschouwing landschap en mitigerende maatregelen Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is in het bestemmingsplan deelgebied 4 van Someren niet mogelijk. Het benutten van de nu bij recht toegekende uitbreidingsmogelijkheden binnen bestaande bouwvlakken van agrarische bedrijven, leiden niet tot negatieve effecten op het landschap, aangezien de landschappelijke waarden nadrukkelijk worden beschermd in het bestemmingsplan. Dit geldt ook voor nevenfuncties en kleinschalige recreatieve voorzieningen. Ook hier geldt dat nieuwe ontwikkelingen niet mogen leiden tot onevenredige aantasting van het landschap en dienen deze ontwikkelingen te worden getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan buitengebied 2011. In het bestemmingsplan is expliciet de relatie gelegd met dit beeldkwaliteitsplan, dit om de omgevingskwaliteit te verbeteren en als inspiratie voor toekomstige ontwikkelingen. Wel geldt dat alle mogelijke uitbreidingsmogelijkheden tezamen kunnen leiden tot verdere verdichting van het landschap, een afname van de kleinschaligheid, intensivering van het grondgebruik en afname van de beweiding. Dit kan leiden tot een afname van de ecologische en landschappelijke variëteit.
Figuur 6.3 Voorbeeld uitwerking inpassing uitbreiding agrarisch bedrijf in Kampenlandschap (situatie voor en na). Bron: beeldkwaliteitsplan buitengebied 2011
De landschappelijke inpassing is binnen de bestaande percelen geborgd en er zijn afwegingscriteria in het bestemmingsplan geformuleerd voor vergunningaanvraag van activiteiten met een mogelijk effect op de landschappelijke waarden. Vanwege deze borging in het bestemmingsplan en de relatie met het Beeldkwaliteitsplan leidt dit tot een neutraal effect op het onderdeel landschap (0).
6.3
Cultuurhistorie, archeologie
In deze paragraaf wordt beschreven welk effect de uitbreiding van agrarische bedrijven binnen het bouwvlak, deelgebied 4 heeft op cultuurhistorische- en archeologische waarden. 6.3.1
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
Cultuurhistorie wordt veelal zichtbaar in het landschap. Aan de patronen in het landschap van de verkaveling, van wegen, waterlopen, bebouwing en beplanting kan de geschiedenis van een gebied worden afgelezen. De patronen die nu nog zichtbaar zijn in het landschap zijn voornamelijk ontstaan door menselijk ingrijpen in het landschap. Deze patronen hebben daarmee een historisch-geografische waarde. Hieronder wordt een definitie gegeven van de verschillende waarden. Vervolgens wordt eerst de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen met betrekking tot cultuurhistorie en archeologie besproken. Daarna volgt na een kort
77/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
beoordelingskader de effectbespreking van de voorgenomen ontwikkeling(en) in het buitengebied, deelgebied 4, op het aspect cultuurhistorie en archeologie. Cultuurhistorische waarden 24 De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed definieert cultuurhistorische waarden als: sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling 25. In veel gevallen zijn deze waarden bepalend voor de identiteit van een plek of gebied. Deze structuren, patronen of elementen weerspiegelen de invloed van de mens op de vorming van het landschap. Dit kunnen landschapselementen zijn, maar ook gebouwde objecten zoals monumenten. Historischegeografie valt hier als discipline onder. Op onderstaande figuren 6.4 en 6.5 zijn de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied van deelgebied 4 weergegeven. De aanwezige waarden worden hierna verder uitgewerkt. Overige bouwkunst MIP gebouwen Enkele panden in het plangebied zijn aangeduid op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant als waardevol binnen het MIP – Monumenten Inventarisatie Project. Ze zijn zichtbaar op figuur 6.4 en 6.5 als blauwe stippen (zie figuur 6.5 voor de nummering). Tabel 6.2 MIP monumenten binnen plangrenzen deelgebied 4 Nummer
Adres
CHW-code (MIP)
Type
Bouwperiode
1
Steemertseweg 11 -
BP102-001753
Boerderij
1930
BSNB0246
Boerderij
-
BP102-001641
Kapel
1955
BSNB0245
Boerderij
BP102-001588
Boerderij
1918
BP102-001620
Boerderij
1600-1900
BP102-001778
Boerderij
1940
Lierop 2
Kerkenhuis 5, Lierop
3
Herselseweg Lierop
4
Winkelstraat 13
-
Lierop 5
Achterbroek 18 Lierop
6
Gebergte 6 Lierop
7
Winkelstraat 15 Lierop
8
Eindje 10
BP102-001612
Boerderij
1300-1800
9
Eindje 7
BP102-001705
Boerderij
--
10
Herselseweg 34
BP102-001642
Boerderij
1850 - 1875
11
Lungendonk 13
BP102-001706
Woonhuis
1930
12
Stipdonk 18
BP102-001755
Boerderij
1875 – 1900
24
Provincie Noord Brabant Cultuurhistorische Waardenkaart 2016. CHW via: https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed 2013. Cultuurhistorisch onderzoek in de vormgeving van de ruimtelijke ordening.
25
78/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Historisch groen Het historische groen is zichtbaar op onderstaande figuur 6.4 en 6.5 als ‘waardevolle groenstructuren ’en ‘historisch groen’ De specifieke gebieden worden hierna verder uitgewerkt: • Bos en houtwallen Goorkens, sang, Broekkamp van zeer hoge waarde. Bos en houtwallen, plaatselijk met (restanten van) hakhout, in een beekdal. De beplanting bestaat uit zwarte els, zachte berk, vogelkers, zomereik, Canadapopulier, ratelpopulier, grauwe abeel, grauwe wilg, sporkehout, wilde lijsterbes en framboos. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1940, maar is deels ook ouder. • Bos en houtwallen Gebergte van hoge waarde. Plaatselijk met (restanten van) hakhout, langs de randen van enkele kleinere oude akkers en langs holle wegen. De beplanting bestaat onder andere uit zomereik en grove den. Kenmerkend is een oude beukenheg van omstreeks 1900. Het geheel dateert overwegend uit de periode 18801930. • Bos en houtwallen Kerkenhuis van redelijk hoge waarde Bos en houtwal op de grens van een oud akkercomplex en een jonge heidebebossing, deels op stuifzand. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, grove den en jeneverbes. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1890-1920. •
Bos de Schouw van redelijk hoge waarde.
Bos met (restanten van) hakhout, in een beekdal. De beplanting bestaat o.a. uit zwarte els, berk, gewone es, wilg, ratelpopulier, Amerikaanse vogelkers en meidoorn. Kenmerkend zijn enkele stoven met oud elzenhakhout. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1890-1930, maar is deels ook ouder. Lijnen van hoge en redelijk hoge waarde Zoals zichtbaar in figuur 6.4 en 6.5 liggen er binnen het plangebied van deelgebied 4 verschillende lijnelementen met cultuurhistorisch (redelijk) hoge waarde. Cultuurhistorisch landschap Peelrand Zoals zichtbaar in figuur 6.4 en 6.5 liggen binnen het plangebied van deelgebied 4 verschillende gebieden, landschappen en complexen die van provinciaal cultuurhistorisch belang zijn. • Peelrand – Brabant van het zand De regio Peelrand is een licht golvend oud en gevarieerd dekzandlandschap dat als een halve cirkel rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Door het westelijk gedeelte loopt de Peelrandbreuk. Hier vindt nog steeds beweging plaats en de breuklijn is nog altijd zichtbaar als een hoogteverschil van een paar meter. Hierlangs komt wijst aan de oppervlakte, een vorm van kwel. Deze gronden vormen de bron van de bovenlopen van de rivier de Aa. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa.
De Peelrand is een oud en divers zandlandschap ingevuld met een lint aan agrarische nederzettingen, akkercomplexen,
79/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
weilanden en bossen. Het westelijke gedeelte van de Peelrand is na de Tweede Wereldoorlog sterk verstedelijkt. Hier liggen grote plaatsen als Helmond, Deurne, Uden, Oss, Gemert, Heesch en Someren. Cultuurhistorisch belang De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen rondom het voormalige veengebied van De Peel. De oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de 19e en 20e eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor een kenmerkend lappendeken is ontstaan van oude en jonge ontginningen. In de regio ligt het Oud zandlandschap bij Stiphout dat cultuurhistorisch van provinciaal belang is. Dragende structuren in de regio zijn: De oude zandontginningen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden, de jonge heideontginningen; De Zuid-Willemsvaart en het dal van de Aa. • Cultuurhistorisch landschap Dommeldal Het Dommeldal bestaat uit een relatief volledig oud zandlandschap. Binnen dit zandlandschap liggen beekdalen, akkercomplexen, jonge ontginningen, onontgonnen gronden, en landgoederen. Hierna wordt de samenhang tussen heide, stuifzand, akkers en een beekdal beschreven. • Herselsche Heide – Gebergten De Herselsche heide is een jonge heideontginning en bestaat grotendeels uit naaldbos voor de houtproductie. De naam Gebergten geeft aan dat hier stuifduinen zijn ontstaan.
Het gebied is ontgonnen en verkaveld tussen 1880 en 1945. Het gebied heeft een landschappelijke en cultuurhistorische samenhang met het naastliggende akkercomplex • Akkercomplex Herselsche Akkers Het akkercomplex ligt tussen de vroegere heidevelden en stuifzanden van de Herselsche heide en Gebergten. Het complex van akkers bestaat uit een bolle ligging, esdek kenmerkende openheid, steile randen, zandpaden hakhoutrestanten en holle wegen. De buurtschappen Hersel, Gebergte, Winkelstraat en Broekkant liggen in het gebied en in deze namen is de cultuurhistorische achtergrond van het gebied nog af te lezen. Het beekdal van de Goorloop ligt niet binnen het plangebied van deelgebied 4 en wordt daarom hier niet verder beschreven. De provincie Noord-Brabant heeft in de Verordening Ruimte aangegeven dat de cultuurhistorische vlakken beschermd dienen te worden. Plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voorzien in een beschermende regeling (zoals een vergunningenstelsel) en waar nodig verbodsbepalingen. De Cultuurhistorische Waardenkaart (zie figuur 6.5) van de provincie Noord-Brabant biedt inzicht in cultuurhistorische en archeologische waarden binnen het plangebied. Hieruit blijkt dat binnen