10e. Someren buitengebied deelgebied 4 - planMER incl bijlagen
Tekst van het document
80/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
het plangebied verschillende gebouwde objecten, lijnen, waterlopen en historisch groen zichtbaar zijn met een algemene tot een hoge waardering.
Figuur 6.4 Uitsnede Cultuurhistorische waarden deelgebied 4 Someren (Bron Beeldkwaliteitsplan, 2011)
81/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.5 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart deelgebied 3 Someren (Bron: Provincie Noord-Brabant 2015).
Archeologische waarden Archeologische waarden zijn sporen en vondsten van menselijk handelen in het verleden die in de bodem zijn achtergebleven, bijvoorbeeld potscherven, resten van voedselbereiding, graven, maar ook verkleuringen in de grond die duiden op bewoning of infrastructuur. Deze waarden zijn verdeeld in verwachtingswaarden en vastgestelde archeologische waarden (vindplaatsen). De archeologische verwachtingswaarde is een indicatie voor het aantreffen van archeologische resten in dat gebied. Locaties waar mensen zich in het verleden vestigden en werkten (vaak hoger gelegen, vruchtbare gebieden) hebben doorgaans een hogere verwachting op archeologische vindplaatsen dan gebieden waar in het verleden geen mensen hebben gewoond. Bij bekende waarden gaat het om archeologische vindplaatsen of terreinen die in eerdere onderzoeken zijn ontdekt en dus als bekende waarden zijn aangegeven. Alle archeologische waarden bij elkaar zijn het ‘bodemarchief’ 26.
Kennisbank monumenten beschikbaar via: https://kennisbank.monumentengemeenten.nl/cultuur-enbouwhistorische-waarden/cultuurhistorische-waarden/
26
82/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Archeologisch landschap Dekzandeiland Asten-Deurne Gekeken provinciaal schaalniveau is er op het gebied van archeologie een belangrijk terrein te noemen dat gedeeltelijk in deelgebied 4 van het buitengebied van Someren ligt. Het gehele archeologische landschap loopt door de gemeentegrenzen van Asten, Gemert-Bakel, Helmond, Someren en Deurne. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is dit terrein aangeduid als terrein met hoge archeologische waarde en met een middelhoge trefkans op archeologische resten. Bijzonder aan dit terrein is de omvang van om en nabij de 80 ha. De waarnemingen omvatten alle perioden van het paleolithicum tot de late middeleeuwen. Het terrein heeft echter een relatief lage dichtheid aan archeologische vindplaatsen. De provinciale strategie is om het bodemarchief duurzaam en in samenhang te behouden, onder andere door af te stemmen met het gemeentelijk archeologiebeleid. gemeentelijke archeologiekaart Someren De gemeente Someren heeft een archeologische beleidskaart, zoals te zien in onderstaand figuur 6.6. Het deelgebied 4, van het buitengebied van Someren valt onder categorie 2, 4, 5, 6 en 7 van het lokale archeologie-beleid.
Onderdelen van het plangebied die onder categorie 2 vallen, hebben een zeer hoge archeologische waarde en een onderzoekplicht bij een verstoringsdiepte van > 40 cm een zogenaamd verstoringsoppervlakte van 100 m2 Categorie 4 betekent dat er een hoge archeologische verwachting is en een onderzoekplicht geldt bij een verstoringsdiepte > 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 250 m2. Categorie 5 betekent een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Er is een onderzoekplicht bij een verstoringsdiepte van > 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 2.500 m2. Voor categorie 7 geldt geen archeologische verwachtingswaarden en daarmee geen onderzoekplicht.
Figuur 6.6 Uitsnede Gemeentelijke archeologiekaart Someren, deelgebied 4, Someren
83/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Archeologisch landschap Helmondse Akkers Westelijk grenzend aan het plangebied van deelgebied 4 ligt het archeologisch landschap van de Helmondse akkers. Het is een zandlandschap tussen Geldrop Mierlo, Helmond, Laarbeek, Someren en Veghel. Het archeologische landschap wordt gekenmerkt door een zeer hoge dichtheid aan bekende vindplaatsen. De oorspronkelijke bewoning lijkt op basis van de vindplaatsen te beginnen in het paleolithicum en door te lopen tot in de late middeleeuwen. Hier geldt een middelhoge en hoge trefkans op archeologische waarden. De provinciale strategie is om het bodemarchief duurzaam en in samenhang te behouden, onder andere door af te stemmen met het gemeentelijk archeologiebeleid. 6.3.2 Effecten Voor de criteria cultuurhistorie en archeologie is een kwalitatieve beoordeling gedaan op de effecten van het bestemmingsplan deelgebied 4. De ontwikkelmogelijkheid met de grootst mogelijke impact in het bestemmingsplan is de verdere verdichting binnen agrarische bouwvlakken. Hierna is beschreven wat de effecten zijn voor de bestaande cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied. In het bestemmingsplan deelgebied 4 zijn deze waarden als volgt beschermd: • Dubbelbestemming ‘Archeologie’ deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en •
bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen Dubbelbestemming ‘Cultuurhistorie’ waarmee specifieke cultuurhistorisch waardevolle locaties beschermd worden
• • •
Via een aanlegvergunningenstelsel (omgevingsvergunning) wordt getoetst op archeologie Aanvullende kwaliteitseisen. Zo moet er worden aangetoond dat er geen onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt, waaronder de archeologische en
•
cultuurhistorische waarden
Cultuurhistorie De effecten voor het onderdeel cultuurhistorie (historische-geografie en bouwhistorische panden) zullen licht negatief dan wel neutraal zijn, aangezien het mede de eis van de gemeente is dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het behoud dan wel het herstel van cultuurhistorische waarden. Voor het ontwikkelen van kleinschalige recreatieve- of nevenfuncties is het daarnaast mogelijk de initiatiefnemer om een landschaps- of inpassingsplan te vragen. Door verdere verstening van het landschap als gevolg van schaalvergroting in de landbouw is er de kans aanwezig dat kleine specifieke landschapselementen, bijvoorbeeld beplanting in specifieke gevallen in het geding komen. Over het algemeen zijn cultuurhistorische waarden (onder andere door het beeldkwaliteitsplan) in voldoende mate beschermd in het voorliggende bestemmingsplan buitengebied. Voor de uitbreidingen binnen de bestaande bouwvlakken is het zeer aan te raden om rekening te houden met de kenmerkende historische lijnen in het gebied. De tussen liggende kenmerkende open vlakken zullen verder gaan verdichten. Het karakter van het historisch ontginningslandschap zal hierdoor plaatselijk gedeeltelijk verdwijnen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de redelijk tot hoge waarde van de historische lijnen en historisch
84/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
groen in het gebied. Echter, in het bestemmingsplan is er aandacht voor inpassing in het historisch landschap. Hierbij wordt in het bestemmingsplan opgemerkt dat het niet voldoende is om alleen de voorwaarden op te nemen in een vergunning, daarom worden er ook voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Ook wat betreft waardevolle groenstructuren is een functieaanduiding op verbeelding met een kapverbod voor groenstructuren in het bestemmingsplan openomen. De cultuurhistorische elementen zijn via de voorliggende regels afdoende beschermd daarmee is een neutraal effect te verwachten (0) Archeologie De archeologische waarden en verwachtingswaarden zijn opgenomen in de nota archeologiebeleid van de gemeente Someren. Het plangebied kent onderdelen variërende van een archeologisch hoge- middelhoge en lage verwachtingswaarde. Ten aanzien van de uitbreiding van bestaande bedrijven binnen het bestaande bouwvlak is er een kleine kans op aantasting van archeologische waarden. In het bestemmingsplan is echter een aanlegvergunningstelsel (omgevingsvergunning) opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, inclusief de verplichting tot archeologisch onderzoek. Daardoor is de kans op aantasting van archeologische waarden zoveel mogelijk beperkt binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Aantasting van archeologische waarden is aldus niet aannemelijk.
De te beschermen waarden zijn opgenomen in de Nota archeologiebeleid van de gemeente Someren en geregeld in dit bestemmingsplan. Hiermee is behoud van archeologische gebieden en cultuurhistorische structuren voldoende geborgd in het voorliggende plan. Het effect wordt als neutraal beschouwd (0).
6.4
Hydrologie en water
In deze paragraaf worden de mogelijke effecten van uitbreiding van veehouderijen op bestaande bouwvlakken beschreven op het gebied van hydrologie en water. 6.4.1
Huidige situatie en autonome ontwikkeling
Oppervlakte- en grondwaterlichamen In onderstaande figuur 6.7 staan de oppervlaktewaterlichamen en het grondwaterlichaam binnen het plangebied van deelgebied 4. De oppervlaktewaterlichamen in of nabij het plangebied die onder de Kader Richtlijn Water vallen, zijn de Vleutloop en de Nieuwe Aa. Het grondwaterlichaam dat onder de gemeente Someren en onder het plangebied ligt, is het grondwaterlichaam Zand Maas. Verder zijn de voornaamste waterlopen binnen het plangebied (hoofdwaterlopen, sloten en vennen weergegeven.
85/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.7 KRW oppervlakte- en grondwaterlichamen in Someren plangebied deelgebied 4 (Bron: Kaartenbank Provincie Noord-Brabant).
Waterbergings- en waterwinningsgebieden Oostelijk naast het plangebied ligt regionale waterberging en in de noordwestelijke hoek van het plangebied ligt een reservering voor waterberging. In de gemeente Someren is een Waterwingebied en boringsvrije zone aanwezig, maar deze liggen ver van het deelgebied 4. Het Waterwingebied en de boringsvrije zone liggen zuidelijk van Someren-Heide. Beheer Het waterschap Aa en Maas beheert het water in de gemeente Someren. Het plangebied valt binnen het Peelnetwerk. Dit is een regionaal samenwerkingsverband, gericht op het versterken en realiseren van integrale gebiedsontwikkelingen. Ook waterveiligheid is een belangrijk thema van het waterschap Aa en Maas. Er treedt te vaak waterloverlast op, op diverse locaties langs de beken, kanalen en weteringen. Het kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering en verdroging blijft een belangrijk agendapunt. In samenwerking met het waterschap, verkent de gemeente op welke wijze verdroging, vernatting en verharding op aantrekkelijke wijze leefbaar kunnen blijven. In dat kader is er door het waterschap ook een reactie ingediend naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan.
86/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.8 Overzicht waterlopen deelgebied 4, waterwingebied in Deelgebied 3, (bron: Provinciale milieuverordening, Noord-Brabant).
Om binnen het bestemmingsplan zoveel mogelijk ruimte te bieden aan dergelijk initiatieven is opgenomen dat alle gronden binnen het plangebied mede zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of de versterking van de waterhuishoudkundige waarden. Tevens is het bij verscheidene bestemmingen direct toegestaan de gronden te gebruiken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en infiltratie. Anderzijds wordt in het bestemmingsplan geregeld dat bij uitbreiding van bouwwerken, verhardingen en permanente teelt-ondersteunende voorzieningen water dient te worden opgevangen en verwerkt en bij een toename van verhard oppervlak met meer dan 2.000 m² dient in alle gevallen sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
87/170
Kenmerk
6.4.2
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Effecten
Waterkwantiteit De bescherming van het de reservering als waterbergingsgebied is in het bestemmingsplan gegarandeerd door de volgende bestemmingen: ‘hydrologisch waardevol’ deze gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige hydrologische waarden. Reservering voor waterbergingsgebied betekent dat dit gebied in de toekomst kan worden aangewezen als waterbergingsgebied. De bestaande watergangen in het plangebied blijven behouden. Mogelijk neemt het verhard oppervlak toe bij uitbreidingen binnen het plan gebied. In dergelijke gevallen verplichten de planregels tot het verminderen van de belasting van het oppervlaktewater. Maatregelen die daartoe ingezet kunnen worden zijn infiltratie en de opvang van regenwater ten behoeve van de eigen watervoorziening. De werking van dergelijke maatregelen dient verplicht van tevoren te worden getoetst door het waterschap. Zo wordt voorkomen dat een toename van verhard oppervlak ongewenste effecten kan hebben op de lokale waterhuishouding. Het effect op waterkwantiteit is daarom als neutraal (0) beoordeeld. Waterkwaliteit In het plangebied wordt niet voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. De Vleutense loop en de Aa zijn beschermd onder de Kader richtlijn water en worden als zodanig beschermd en periodiek beheerd.
Grondwaterbeschermingsgebied in deelgebied 2 ligt te ver weg van het plangebied, effecten voor de waterkwaliteit in deelgebied 4 zijn uit te sluiten. Er vindt geen uitstoot plaats van (mest-)stoffen naar het oppervlakte- en grondwater mede door het gebruik van vloeistofdichte vloeren bij uitbreiding van bestaande bedrijven. Per saldo zal de (grond)waterkwaliteit dus niet verslechteren door toedoen van verzurende stoffen. Het effect op waterkwaliteit is daarom neutraal (0).
6.5
Geomorfologie en bodem
6.5.1 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen In deelgebied 4 vindt men voornamelijk gronden tussen de 20,0 m tot 22, 5 m NAP. Dit is te zien in onderstaande figuur 6.9. In het midden van het plangebied liggen de gronden hoger tot 30 m boven NAP. Dit is het gedeelte van de akkercomplexen, heide en stuifduingebieden.
88/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.9 Reliëf binnen gemeentegrenzen Someren, deelgebied 4 (bron: Beeldkwaliteitsplan 2011)
In het plangebied van deelgebied 4 is een diversiteit aan bodemsoorten aanwezig. Zie onderstaande figuur 6.10 voor de weergave van geomorfologie en bodem. De belangrijkste typen bodemsoorten binnen het plangebied zijn Veengronden, beekdalen, Veldpodzol fijn leemarm zand, akkercomplex met dikke cultuurlaag en stuifduinen met fijn droog zand. In de zuidwestelijke hoek van het plangebied ligt een aardkundig waardevol gebied.
89/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.10 Geomorfologie in Someren: uitsnede van Deelgebied 4 (bron: Beeldkwaliteitsplan, 2011)
Bodemkwaliteit Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): • Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. •
Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Provincie Noord-Brabant. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een melding op basis van het Besluit Uniforme Saneringen (zogeheten BUS-melding) bij de provincie. Na goedkeuring door de provincie kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring aan de provincie te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet. Echter, een omgevingsvergunning kan pas worden verleend na goedkeuring van de provincie over het saneringsplan of melding
De Wet bodembescherming richt zich op de bescherming van de bodem tegen verontreiniging en andere vormen van aantasting. Op grond van de Wet bodembescherming is een ieder die op of in
90/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
de bodem handelingen verricht en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat die handelingen de bodem verontreinigen of aantasten, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verontreiniging of aantasting te voorkomen. Om dit te bereiken worden op grond van de Wet milieubeheer regels gesteld om verontreinigingen door bedrijven te voorkomen. Een Wbb-locatie is een locatie waar (vermoedelijk) sprake is, of was, van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De provincie Noord-Brabant is in dergelijke gevallen bevoegd gezag. In het bestemmingsplangebied komen diverse Wbb-locaties voor waar bodemonderzoek en/of -sanering nog niet is afgerond. Figuur 6.11. laat de Wbb-locaties in en om het plangebied zien.
Figuur 6.11. Wbb-locaties en stortplaatsen in Deelgebied 4, gemeente Someren (bron: Kaartenbijlagen Bodemkwaliteitskaart gemeente Someren, 2012)
6.5.2 Effecten Bij het opstellen van bestemmingsplannen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. De bodemfunctieklasse van het plangebied deelgebied 4 is ‘Buitengebied’. Dat past
91/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
goed bij het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld grondwerkzaamheden). In het gehele bestemmingsplangebied kunnen lichte tot matige verontreinigingen met lood en PAK worden aangetroffen in de toplaag van de bodem. Deze verspreide verontreiniging komt onder andere door het neerslaan van uitlaatgassen van verkeer en industrie en bijvoorbeeld doordat vroeger asladen van kolenkachels geregeld in tuinen werden geleegd. Daarnaast is de bodem op, onder en rondom (voormalige) bedrijfslocaties in veel gevallen verontreinigd geraakt door opslag, overslag, morsen, calamiteiten, maar ook door doelbewuste lozingen in het verleden. In het bestemmingsplan worden geen functiewijzigingen bij recht mogelijk gemaakt. Bodemonderzoek is om deze reden in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die bijdragen aan vervuiling van de bodem. Ten aanzien van agrarische activiteiten gelden voorschriften vanuit onder andere het Activiteitenbesluit en het Besluit mestbassins milieubeheer, zoals het toepassen van vloeistofdichte vloeren, om bodemverontreiniging te voorkomen.
De ontwikkelingen die worden geboden in het bestemmingsplan hebben dan ook geen gevolgen voor de bodemkwaliteit ter plaatse. Het effect op de bodemkwaliteit als onderdeel van geomorfologie en bodem wordt als neutraal (0) beoordeeld.
6.6
Verkeer
6.6.1
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
Wegen De belangrijkste wegen in het deelgebied 4 zijn de N612 en de zuidelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de A67. Binnen het plangebied liggen de Hersselseweg en Mierloseweg die de aansluiting vormen op het lokale en regionale wegennetwerk. Binnen het plangebied zijn er met name ontsluitingswegen van erven die de onderlinge gebieden en kleinere kernen binnen Someren vormen. De ontsluiting voor wegverkeer van en naar de kernen Lierop, Someren en Someren-Eind. gebeurt voornamelijk via de aansluiting van de Hersselseweg die verder loopt in de Somerenseweg en Lieropsedijk. Er zijn in het plangebied wandel- en fietspaden waar zowel de bewoners als toeristen gebruik van maken. De gemeente ziet interessante mogelijkheden om route gebonden vormen van recreatie te stimuleren en uit te breiden. Door het wandelroutenetwerk en fietsknooppuntensysteem aan te passen, kunnen meer bezoekers naar de kleinschalige en onbekende attractiepunten in de gemeente getrokken worden.
92/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.12 Regionale fiets- en wandelroutes in deelgebied 4 van het buitengebied van Someren
6.6.2 Effecten De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreidingsmogelijkheden (binnen het bouwvlak) van de agrarische bedrijven, die verspreid in Deelgebied 4 van Someren liggen, is beperkt en zal voor de capaciteit van de lokale wegen niet tot problemen leiden. Dit geldt ook voor de overige ontwikkelingsmogelijkheden. Grootschalige recreatieve voorzieningen worden middels het nieuwe bestemmingsplan niet toegestaan in het plangebied. De ontwikkelingsruimte die wordt geboden aan kleinschalige recreatieve voorzieningen kan leiden tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Aangezien het hier in alle gevallen kleinschalige ontwikkelingen betreft, en er geen sprake mag zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking, leiden ook deze ontwikkelingsmogelijkheden niet tot negatieve effecten op het verkeerssysteem. Het effect op verkeer wordt als neutraal (0) beoordeeld.
93/170
Kenmerk
6.7
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Geluid
6.7.1 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen De geluidsbelasting van Deelgebied 4 wordt bepaald door (agrarische) bedrijvigheid, bestemmingsverkeer en doorgaand verkeer. Voor geluidsbelasting kan onderscheid gemaakt worden tussen geluid dat afkomstig is van geluidsbronnen binnen de inrichtingsgrenzen (laden en lossen) en geluid dat afkomstig is van verkeer rijdend op de openbare weg. De belangrijkste geluidsbelasting in het plangebied is voornamelijk afkomstig van de provinciale en rijkswegen gelegen in en nabij het plangebied. Dit zijn de N612 en de A67. In onderstaande figuur is de Geluidsbelasting door wegverkeer in het studiegebied van deelgebied 4 weergegeven.
Figuur 6.13 Geluidsbelasting door wegverkeer (2016) over een etmaal (Lden) (bron: Atlas leefomgeving, 2021 geraadpleegd op 23-09-2021)
In figuur 6.13 is te zien dat bij de N612, de A67, de Hersselseweg en Mierloseweg het geluid van wegverkeer ligt tussen de 51 en meer dan 71 dB. Op een aantal kleinere wegen is de geluidsbelasting 46-50 dB. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van stiltegebied Strabrechtse heide. In bovenstaande figuur 6.13 is de rand van het stiltegebied te zien.
94/170
Kenmerk
6.7.2
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Effecten
In de Wet milieubeheer (Wm) is Geluid direct afkomstig van de agrarische bedrijven gereguleerd en valt onder de noemer industrielawaai. Door middel van geluidgrenswaarden, afgestemd op de aard van de omgeving, wordt voorkomen dat ondervonden hinder bij geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen en scholen) te hoog wordt. Een aantal bedrijven ligt in de autonome situatie op ruime afstand van geluidgevoelige bestemmingen. Omdat er geen bedrijfsverplaatsingen zijn voorzien zijn er dus geen effecten te verwachten voor het aspect geluid. Voor eventuele bedrijfsuitbreidingen blijven in principe dezelfde geluidgrenswaarden (en daarmee het invloedsgebied van geluid) van toepassing. Daardoor kan het wel noodzakelijk zijn dat geluid-reducerende voorzieningen aan de geluidbronnen getroffen worden om hieraan te kunnen voldoen. Geluid als gevolg van wegverkeer, waaronder het verkeer van en naar de agrarische bedrijven, valt onder het regiem van de Wet geluidhinder (Wgh). Uit de verkeersparagraaf blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen door toedoen van het nieuwe bestemmingsplan naar verwachting niet merkbaar zal zijn met betrekking tot de hinderbeleving vanuit het wegverkeerslawaai. Het effect voor geluid is neutraal (0).
6.8
Lucht
6.8.1 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen De luchtkwaliteit wordt met name bepaald door de achtergrondconcentraties NO2 en PM10. De achtergrondconcentratie fijn stof is in het plangebied hoger dan de achtergrondconcentratie NO2. De grenswaarden van NO2 worden niet overschreden in het plangebied.
95/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.14 Fijn stof (PM10) concentraties in het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)
De fijnstof emissies zijn voornamelijk afkomstig van wegverkeer, industrie en landbouw. In het plangebied zijn geen knelpunten langs wegen als gevolg van industriële activiteiten. De landbouw is de grootste oorzaak van de fijn stof emissies in het plangebied. Voor fijn stof staan in de Wet luchtkwaliteit de volgende normen: • Een jaargemiddelde concentratie fijn stof van maximaal 40 µg/m3 • Een daggemiddelde concentratie fijn stof van 50 µg/m3, die maximaal 35 dagen per jaar mag worden overschreden Dit behoeft de nuancering dat de provincie Noord-Brabant in de verordening een jaargemiddelde grenswaarde van 31,2 microgram/m3 heeft opgenomen omdat deze waarde volgens het RIVM overeenkomt met de wettelijke norm van 35 keer overschrijding van de etmaalnorm van 50 microgram/m3. De norm van 31,2 microgram/m3 heeft de gemeente in de planregels overgenomen. De bijdrage vanuit de landbouw aan de fijnstof concentratie in de huidige situatie is berekend met behulp van Geomilieu 27. De onderstaande figuur geeft de rekenresultaten weer.
27
Voor de uitgangspunten van de modellering met betrekking tot dieraantallen en staltypes wordt verwezen naar
bijlage 6; de emissiefactoren zijn vastgesteld aan de hand van de nu gangbare waardes in de regeling.
96/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.15 Berekende Fijn stof (PM10) concentraties in het plangebied
6.8.2
Effecten
Op basis van de worst case die in hoofdstuk 4 is beschreven (maximale benutting van de bij recht toegekende bouwvlakken met een vulgraad van 80 % en 50 % voor respectievelijk intensieve veehouderij en (melk)rundveehouderij) is de maximaal mogelijk toename van de luchtverontreiniging met fijn stof berekend. Zie de onderstaande figuur voor het rekenresultaat. Er zijn geen woonhuizen in het buitengebied waar de grenswaarde van 31,2 microgram/m3 zou worden overschreden. De luchtkwaliteit neemt echter wel af. Dit levert een licht negatief effect op voor het worst case alternatief.
97/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 6.16 Berekende Fijn stof (PM10) concentraties in het plangebied voor de worst case (80/50)
Opgemerkt wordt dat in mei 2010 de Handreiking fijn stof en veehouderijen is vastgesteld. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor een veehouderij wordt de emissie van fijn stof getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning voor een oprichting of uitbreiding van een veehouderij kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechterd. Zoals hierboven al opgemerkt geldt dat op perceel-niveau kan niet worden uitgesloten dat er in de directe omgeving sprake zal zijn van een toename van de luchtverontreiniging (binnen de grenswaarde). Maar, parallel aan deze lokale ontwikkelingen geldt dat het aantal stofbronnen in het buitengebied elk jaar minder wordt door de ontwikkelingen in de sector. Dat betekent dat per saldo het effect op luchtkwaliteit als neutraal wordt beoordeeld als rekening wordt gehouden met de planregels.
98/170
Kenmerk
6.9
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Geur
6.9.1 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen De regelgeving inzake geurhinder van veehouderijen is vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv) en is sinds 1 januari 2007 van toepassing. De wet kent diercategorieën waarvoor een geuremissie factor is vastgesteld, zoals vleesvee, varkens, schapen en pluimvee. Daarnaast kent de wet diercategorieën, zoals melkrundvee en paarden, waarvoor een vaste afstand geldt tussen het emissiepunt van de stal en een geurgevoelig object, zoals een woonhuis. De wet geeft de gemeente de mogelijkheid om via een verordening lokaal beleid vast te stellen voor de geurbelasting en de vaste afstanden. Dit om een gewenste ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. De gemeente Someren heeft een geurverordening vastgesteld voor het buitengebied (inclusief Deelgebied 4), waarbij de maximale waarde voor de geurbelasting van een specifieke veehouderij 14 ouE/m³ betreft. De normstelling voor geurhinder (te berekenen als de achtergrondbelasting) is ook uit te drukken in OU/m3 op basis van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (aanvulling: Bijlagen 6 en 7). De in het buitengebied van de gemeente Someren nagestreefde cumulatieve geurbelasting van 28 OU/m3 komt overeen met 25 % hinder 28. De in de bebouwde kom nagestreefde cumulatieve geurbelasting van 10 OU/m3 komt overeen met 12 % hinder.
De vaste afstand tussen een (melk)rundveehouder en een geur gevoelig object is 50 dan wel 100 m, respectievelijk binnen dan wel buiten de bebouwde kom. In de onderstaande figuur is de achtergrondbelasting weergegeven zoals die is berekend met Geomilieu voor de huidige situatie 29. Deze kaart geeft dus de cumulatie weer van alle veehouderijen zoals die in de huidige situatie operationeel zijn 30. Opgemerkt wordt dat de input voor de berekeningen gebaseerd is op de generieke aannames vanuit het gebiedsmodel voor wat betreft de eigenschappen van de gebouwen, de emissiepunten en dergelijke. De rekenresultaten geven daarom een indicatie van de achtergrondwaardes in (en om) het plangebied. De uitkomsten zijn dan ook zeker niet geschikt voor het beoordelen van de situatie ten behoeve van een eventuele vergunningaanvraag voor een individuele onderneming.
28
De basis voor deze verhoogde achtergrondgrenswaarde wordt gevormd door de EVALUATIE GEURGEBIEDSVISIE GEMEENTE
SOMEREN 2017 van 6 juni 2017. 29
Uitgangspunt voor de geurberekeningen zijn de resultaten van de inventarisatie van staltype en dieraantallen zoals die zijn
verzameld ten behoeve van de stikstofberekeningen. 30
Doordat alleen de geur emissies uit het onderhavige plangebied in het model zijn opgenomen is het aannemelijk dat het
rekenresultaat de werkelijke achtergrondbelasting enigszins onderschat. Voor het beoordelen van het relatieve effect van de alternatieven is dit echter geen belemmering.
99/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Wel is duidelijk dat er rondom de meeste intensieve veehouderijen sprake is van een verhoogde geurhinder ten opzichte van de geldende norm in het buitengebied van de gemeente.
Figuur 6.17 Berekende achtergrond geurbelasting in de huidige situatie
6.9.2 Effecten Een uitbreiding van een stal conform de geurverordening is binnen dan wel buiten de bebouwde kom niet mogelijk op een afstand van 50 respectievelijk 100 m van een geurgevoelig object (zoals een woning). Dit betekent ook dat een bestaande stal die aan vervanging toe is, deze vervanging moet plaatsvinden op een afstand van minimaal 50 dan wel 100 m. Op termijn zullen daarmee steeds minder dierverblijven op minder dan 50 dan wel 100 m afstand staan en zal het aantal knelpunten afnemen. Een uitbreiding van grondgebonden veehouderij in het plangebied zal dus geen knelpunten opleveren ten aanzien van geur. De uitbreiding van bestaande bedrijven zal plaatsvinden buiten de 50 of 100 m contouren.
100/170